dit is het dossier:

Tosca Niterink

© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden

 

Klimmen naar kruishoogte ~ Tosca Niterink

Eén van de luttelste zekerheden in mijn bestaan is dat ik nooit meer een wandelreis zal maken. Wandelen werd mijn manier niet om me door de wereld te verplaatsen. De snelheid ligt te laag, wat de dagafstanden te zeer beperkt. Mijn voeten gaan te makkelijk kapot. En rugzakken zijn marteltuigen.

Het enige voordeel van een wandelvakantie boven een fietsvakantie lijkt me dat een wandelaar een stuk makkelijker de tocht kan onderbreken door in een bus te stappen, of een taxi.

Toegegeven, op mijn fietsreizen heb ik meer dan eens een lift gebietst. Alleen was dat altijd als ik al gedwongen was om te wandelen, omdat fietsen niet ging. Drie dagen voortploeteren op een blubberige leemweg in het midden van niets dwingt als vanzelf nederigheid af over de eigen mogelijkheden. Daaruit dan ontsnappen was ook nooit een nederlaag; veel meer een herkansing. Het pak kaarten werd opnieuw geschut voor een nieuw potje. En goed ja, daar was dan dankbaar aanvaarde hulp van een ander voor nodig.

Zelfs over dat wandelen lezen, doe ik amper. Drie uitgaven kwamen er slechts op boeklog langs tot nu toe, van Bill Bryson, Rebecca Solnit, en Herman Vuijsje. Omdat het er bij dat te-voet-gaan misschien nog wel meer bij fietsreizen om gaat dat mij duidelijk moet worden hoe het was om ergens te lopen, en schrijvers juist in dat aspect snel tekort schieten. Vuijsje zeker. Vuijsje vooral.

Daarmee werd Klimmen naar kruishoogte van Tosca Niterink pas het vierde wandelboek op boeklog. En grote kans dat ik deze uitgave het hoogst waardeer van al. Dat komt dan door de verfrissende openhartigheid waarmee ze schrijft. En domweg gewoon omdat Tosca Niterink waarnemen kan.

Bovendien spreekt dat wandelen ook voor haar niet vanzelf, waardoor er wel éen en ander over op te merken viel. Wat voor een boek werkelijk meteen alles al scheelt.

Deze uitgave staat kortom vol met kleine observaties, die tegelijk oneindig veel kunnen vertellen.

In Spanje wil het kraanwater nogal eens variëren. Soms zit er zoveel chloor in dat je het idee hebt dat ze het badpak van een wedstrijdzwemster in je veldfles hebben leegggeknepen.

Droegen zulke formuleringen nog aan de observaties bij.

Tosca Niterink liep met ‘haar vaste dans- en wandelpartner’ Anita Janssen in tien weken tijd 1200 kilometer naar Santiago de Compostella. Daartoe namen ze het niet zo vaak gelopen pad vanuit Granada. Al ging deze route halverwege samen met een populairder pelgrimspad.

Dus heeft Klimmen naar kruishoogte twee gezichten. Er is een beginstuk waarin beide vrouwen de wereld voor zich alleen hebben, en daarbij met regelmaat verdwalen. En daarop volgt een deel waarin dat wandelen ineens een bijna sociaal gebeuren wordt, dat ook vele anderen heeft aangetrokken. Waaronder dan schijnbaar geen enkel normaal mens voorkomt.

En met zulke typstra’s moet dan ook weleens een collectieve slaapzaal met stapelbedden worden gedeeld, als het niet mee zit. Dat daarop collectief gesnurk zal opklinken wordt daarbij een zekerheid, om nog te zwijgen van de stank van wandelschoenen, zweetsokken, en al wat Spaans voedsel nog eens oplevert aan ruften.

Opvallend genoeg lijkt me zelfs die tweedeling in het boek bij te dragen aan de kwaliteit. Want daardoor wordt het nooit vervelend dat Tosca Niterink die observaties uit het eerste deel zo over henzelf laat gaan. Kan ze hun avonturen nog zo luchtig hebben opgeschreven. Misschien is de spanningsboog in Klimmen naar kruishoogte zelfs wel gered doordat de schrijver op het moment dat het lopen geen inspanning meer vroeg, en daarmee iets automatisch zal hebben gekregen, kon gaan schrijven over de hebbelijkheden van wie zij zoal ontmoetten onderweg.

Zijlijntje in dit boek is hoe de pelgrimsroutes profijt opleveren voor de dorpen die gepasseerd worden. Waardoor bijvoorbeeld buurtdorpen eigenmachtig valse gele pijlen op de weg zijn gaan schilderen, om ook eens volk langs te krijgen. Maar waardoor dit boek mij, net als dat van Vuijsje trouwens, met enige claustrofobie opscheepte. Tosca Niterink en Anita Janssen zullen hun reis heus niet in een optocht hebben gelopen. En toch gaf deze uitgave me wel dat onaangename gevoel.

De paradox van welk reisboek ook is: een lezer kan wel verteld worden hoe lang een dagetappe was. Hoe lang de hele trip duurde, valt werkelijk op geen enkele manier over te brengen. Behalve misschien door alle bijbehorende verveling op te roepen. En juist dat zal geen schrijver nastreven.

Tosca Niterink, Klimmen naar kruishoogte
240 pagina’s
Thomas Rap, 2011

Vergeetclub ~ Tosca Niterink

Gauw eens antwoord ik: Het refrein is Hein van Bert Keizer, als me serieus gevraagd wordt naar mijn favoriete Nederlandse roman. Je moet toch wat. En het is doorgaans beter om een simpel antwoord te geven, dan om te gaan betogen dat een echte lezer niet slechts éen titel als favoriet kán hebben [1].

Het wordt trouwens tijd om dit boek weer eens te gaan lezen.

Favoriet werd Keizer’s debuut indertijd overigens ondanks het onderwerp. Want, dat zei me bij eerste kennismaking, decennia terug, niet het meest. Kindse oudjes in een verpleeghuis? Mij ging het om de arts die daar rondliep, en eigenlijk bijna niets kon doen, en hoe hij zich, met humor, probeerde staande te houden daar.

Alleen, de tijd houdt geen pauze. En de laatste jaren is mantelzorg voor mij geen groezelig eufemisme meer dat enkel anderen gebruiken — zoals gristelijke politici met een sterke drang tot bezuinigen — omdat ook mijn ouders ondertussen op leeftijd kwamen, en ziektes kregen, en hulp behoefden.

Misschien las ik Tosca Niterink’s boek De vergeetclub dus wel om te leren dat het allemaal nog heel wat erger kan dan ik het tot nu toe mee heb gemaakt. Ter relativering.

De vergeetclub is een verzameling omgewerkte columns die eigenlijk allemaal hetzelfde stramien hebben. Tosca Niterink gaat daarin, vaak met haar vriendin, op bezoek bij haar moeder die in een tehuis woont, omdat zij niet meer voor zichzelf kan zorgen. Ze dementeert. Dus is het elke keer afwachten hoe helder haar moeder ditmaal zal zijn.

Die moeder woont aanvankelijk met zeven andere oude vrouwen op een afdeling. En vrijwel alle verhalen gaan om de dagelijkse verwikkelingen in deze groep — die door Tosca’s Niterink’s moeder gauw eens gezien wordt als de collegaatjes van kantoor.

Dus is er in dit boek absoluut luchtigheid geput uit de blijvende verwarring van de oudjes.

Running gag is bijvoorbeeld dat er altijd wel éen voor de maaltijd wil betalen. Waarop standaard als antwoord komt dat er al voor hen afgerekend is.

Tegelijk moet die humor, omdat de werkelijkheid anders zo schrijnt. Want er is ook een eerste keer dat Tosca Niterink niet meer door haar moeder herkend wordt. En er zijn de eeuwige schuldgevoelens van het kind, dat zich schaamt een tijd niet op bezoek te zijn gekomen; zelfs al heeft haar moeder daar geen weet van.

Net als dat deze vrouw geleidelijk aan een heel andere mens wordt, die allemaal dingen doet, of zich aan laat leunen, die ze vroeger nooit getolereerd zou hebben.

De vergeetclub toont dat het verhaal over een vrouw die uiteindelijk enkel in uiterlijk nog op zichzelf lijkt geen larmoyante geschiedenis hoeft op te leveren — zoals anders zo vaak gebeurt. Ware humor is ook de lach desondanks. Want de lezer weet al dat er weinig schrijnenders bestaat dan de aftakeling van een mens tot de schil van zichzelf. Dáar hoeft de schrijver geen extra nadruk op te leggen.

Tosca Niterink, De vergeetclub
144 pagina’s
Podium, 2014
  1. vragers die ik minder serieus neem krijgen overigens een ander antwoord []