dit is het dossier:

Cyrille Offermans

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Schipbreuk ~ Cyrille Offermans

Popper vond het de morele plicht van ieder denkend mens om optimistisch te zijn — en hij schreef dat in heel wat duisterder tijden dan nu. De toekomst is immers nog open. Weinig ligt vast. Sterker nog, juist door nu al somber te gaan doen, kun je medeverantwoordelijk worden voor de mislukking later.

En het is niet dat ik deze woorden van Karl Popper me volkomen eigen heb gemaakt — hij citeerde hierbij overigens allereerst Kant. Wel heb ik het altijd moeilijk met cultuurpessimisme. Bijvoorbeeld omdat cultuurpessimisten me het verleden wat te makkelijk schoon & heilig verklaren.

Ineens wordt daarmee iets onaantastbaar van waarde, terwijl er eerder, op het moment zelf, wellicht heel anders over gedacht werd.

Dus kreeg ik problemen met Schipbreuk; hoewel dat een boeiende en intelligent geschreven essaybundel is.

De auteur, Cyrille Offermans, heeft alleen standaarden die de mijne niet altijd zijn.

En in weerwil van het essay als genre — waarin het volgens mij om een tastend zoeken gaat naar iets dat voor het moment hopelijk even waar lijkt — heeft Offermans er een handje van om absolute zekerheden te poneren.

Poneerde hij deze stellingen ook nog in stukken die oorspronkelijk vaak in de krant verschenen; om dan een actualiteit uit 2005 te behandelen die nu allang weer vergeten is. Wat al meteen zijn oordeel relativeert.

Behalve geld en tijd heb je, om van kunst te leren genieten, een behoorlijke opleiding nodig. […][166]

staat er dan bijvoorbeeld, in het essay ‘Kunst voor iedereen?’. Waarin Offermans terloops het cultuuronderwijs op school affakkelt, en het marktgerichte spektakel hekelt dat musea maken om betalend publiek naar binnen te lokken.

Kunst is bij Offermans overigens wel meteen alle Westerse cultuur en gedachtegoed, vanaf de Middeleeuwen tot het huidige tijdsgewricht — van Diderot’s Encyclopedie tot en met opera’s in het Amsterdamse stadhuis-theater.

André Rieu sluit hij in deze tekst evenwel nuffig uit. Om in een ander essay vervolgens te betogen dat culturele canons niet mogen. Zo snel op innerlijke tegenspraak stuiten binnen éen boek helpt niet echt om overtuigd te raken van de goede bedoelingen van een auteur.

Zo’n essay als ‘Kunst voor iedereen?’ is mij dan onder meer te makkelijk omdat er geen enkele nieuwe gedachte in staat. Offermans verdedigt enkel wat iedereen van zijn stand altijd al verdedigd heeft. Hij knielt neer voor het publiek van de conservatieve krant waarin zijn woorden verschijnen. Want voetbal is daarbij vanzelfsprekend al helemaal iets barbaars. Offermans vindt het onbegrijpelijk dat mensen daar zo veel van hun geld voor over hebben.

Terwijl ik, als ervaren museumbezoeker en concertganger, het zo veel liever zou hebben als een auteur eens wat bedenkingen plaatst bij bijvoorbeeld de fnuikende invloed van de kunsthandel sinds decennia op de beeldende kunst en daarmee het museumaanbod.

Al evenmin heb ik ooit een evenwichtig betoog gelezen dat me uitlegt waarom de hele samenleving de subsidie moet ophoesten voor de operakaartjes, terwijl daar slechts een schaarse enkeling van profiteert, zonder dat in zo’n betoog dan niet ook meteen alle kunstsubsidie moest worden afgeschaft.

Waar ik dan weer lang alle subsidie niet in twijfel trek.

Een geslaagd kunstwerk opent ons de ogen, het bevrijdt ons van de door de werkelijkheid gedicteerde routines en reflexen, het maakt ons ontvankelijk voor nieuwe perspectieven. Daarom is kunst tegenwoordig misschien wel allereerst een refugium voor de creativiteit en het intellect waarvoor in de realiteit geen emplooi meer bestaat, het autonome domein van de zelfgecreëerde problemen en de zelfgecreëerde opwinding, hoezeer het ruwe materiaal daarvoor ook door alleszins reële neurosen en depressies, angsten en obsessies, dromen en illusies kan zijn aangeleverd.

[‘Het kind als storende factor’, 93]

En het zou geen enkele moeite kosten om in bovenstaand citaat alle worden die met ‘kunst’ te maken hebben bijvoorbeeld te vervangen door ‘studie van de geschiedenis’, zonder daarmee de betekenis aan te tasten van wat Offermans daar beweert.

Sterker nog ik zou ‘kunstwerk’ in Offermans’ woorden zonder meer kunnen vervangen door ‘boeklogje’, en ‘kunst’ door ‘dit weblog’. Want ook het werk aan deze website heeft me de ogen geopend, en me bevrijd van door de werkelijkheid gedicteerde routines en reflexen.

Ik begon ooit aan boeklog mede omdat deze website capaciteiten aansprak die mijn broodheren blijkbaar niet nodig hadden; wat ik rijkelijk onnozel vond.

Maar boeklog is geen kunstwerk.

En mijn boeklog bestaat hopelijk ook niet uit een verzameling ronkende uitspraken waarmee ik nogal stellig mijn zekerheden poneer.

Want er lijkt me zo veel minder zeker dan Offermans doet voorkomen.

Het moderne bestaan is vervelend. Werkelijke gevaren, die een beroep doen op heldhaftigheid, strategisch inzicht en improvisatietalent, zijn vrijwel uitgesloten, werkelijk noodsituaties die dwingen tot handelingen op leven en dood doen zich in de naoorlogse samenleving niet meer voor. Wij moeten het doen met zelfbedachte surrogaatuidagingen, -ecessen en -extasen.

[‘Het kind als storende factor’, 86]

Nou en.

Cyrille Offermans, Schipbreuk
Over kennis, cultuur en beschaving

259 pagina’s
Cossee, 2008

Sporen van Montaigne ~ Cyrille Offermans

Weinig bleek de afgelopen tien jaar pijnlijker te zijn dan het boekloggen over oude helden. Want ooit waren hun boeken van nut geweest. Wat het vervolgens vervelend maakte dat er bij hernieuwde kennismaking zo weinig leek over te blijven van het werk.

Rudy Kousbroek was zo’n favoriet ooit, wiens boeken de uiterste houdbaarheidsdatum meestal overschreden hadden.

Dat maakte het interessant om Cyrille Offermans over Kousbroek te lezen. Ook al omdat zijn kritiek in de essaybundel Sporen van Montaigne voor een deel op de mijne gelijkt. Teveel in de boeken van Kousbroek stond al eerder in de krant, wat daarmee de inhoud en de lengte kleurt, en had voor bundeling eigenlijk bewerkt moeten worden.

Tegelijk zag Offermans in Kousbroek ook een naïeve romanticus, die te zeer geloofde dat alle problemen uiteindelijk op te lossen zouden zijn, als meer mensen wetenschappelijk zouden denken.

Bovendien stoorde het hem dat Kousbroek altijd zo klaagde dat bijna niemand exacte kennis had. Minstens zo erg, zo niet erger nog, is namelijk dat niemand kan lezen, aldus Cyrille Offermans.

En dan is het niet aan mij om positie te kiezen in dit debatje. Al zou het een aardig gedachtenspel zijn voor een eigen essay. Is het bijvoorbeeld schadelijker dat politici geen benul hebben van getallen, of brengen zij de wereld nog meer schade toe doordat hun taalgebruik altijd misleidend is? Zo dat niet immer uit leugens bestaat?

Maar politici leven allereerst in hun eigen wereld, met hun eigen regels, en hun gelijk. Daar is als buitenstaander vrijwel niets zinnigs over te schrijven dat niet meteen de hele beroepsgroep verdacht zou maken.

Is er ineens trouwens ook weer de oproep om meer historici te koppelen aan politici — omdat deze geen enkel geheugen blijken te hebben, en daardoor fouten van voorgangers herhalen.

Ze kunnen het zich ook niet permitteren iets te onthouden, vanwege al die leugens en vale verkiezingsbeloften, denk ik dan. Bovendien zijn zowel de huidige als de vorige minister-president hier historici. Net als de Koning van Nederland. Het is niet alsof het afronden van de studie automatisch betekent dat het benul er ook komt.

Enfin. Een boek is bij het lezen al half geslaagd als het mij aanzet tot eigen gedachten; bijvoorbeeld omdat de auteur stellingen innam die de mijne niet zijn. Sporen van Montaigne van Cyrille Offermans beviel me daarom beter dan zijn latere essaybundel Schipbreuk.

Zelfs al verwijst Offermans me iets te vaak naar anderen in dit boek.

Nu ben ik een spons, die erg makkelijk ideeën opneemt die precies passen bij mijn vooroordelen. Waardoor er weleens de neiging is om te vergeten dat deze gedachten er niet al altijd waren. Weinig van wat ik zeg of schrijf zal origineel zijn.

Oorspronkelijk is misschien nog net de verwoording, of de toepassing van een idee.

Dus zal het best dat ik te weinig eer geef aan de schrijvers en denkers die mij hebben gevoed. Maar, zoals Canetti schreef — want ik beheers dit kunstje echt wel als het moet — ‘aan Montaigne stoort me dikwijls het vet der citaten.’

Verwijzingen zijn vervelend. Bovendien leiden ze vaak tot wat Nietzsche slecht schrijven heeft genoemd. Geef me je idee, niet de reeks aan gedachten die na wikken en wegen tot dat idee hebben geleid, want dat proces op zich interesseert me niet.

Academees producerende auteurs moeten wel verwijzen, bijvoorbeeld om niet van plagiaat beschuldigd te worden — alleen houden zulke aanduidingen in een tekst het lezen altijd op.

Zijn er ook nog schrijvers die grote voorgangers wat makkelijk aanhalen om hun eigen woorden zo meer gewicht te geven.

Beide typen van auteurs ergeren mij wat te makkelijk. Want voetnoten en eindnoten bestaan er niet voor niets, zo lijkt me, voor wie zo nodig verwijzen moet.

Cyrille Offermans zit in Sporen van Montaigne met regelmaat net in dat verkeerde kamp. Zijn teksten stromen dan niet, omdat er telkens verkeersdrempels zijn opgeworpen; opzichtig moesten nog even grote namen in beeld worden gebracht.

Inhoudelijk zijn zulke problemen er dan weer niet met dit boek. Dat bevat essays over cultuur. De brieven van Vincent van Gogh worden onder meer behandeld, John Berger’s ideeën over het platteland, de poëzie van Bert Schierbeek en H.C ten Berghe. Piet Grijs. Waarnaast dan wat abstracter betogen staan over ‘avant-garde’, en ‘modernisme’.

En in het titelessay legde Offermans wat hij gehad heeft aan het lezen van Montaigne. Deels zijn dat dan wel bekende clichés — want die man ging met zijn ideeën tegen vele tijdgenoten in, omdat hij niet aan dogma’s vasthield, en welke denker hoopt nu niet als ziener zijn eigen tijd te overleven? Beter is het daarom om zo’n tekst dan te lezen als een programma van de essayist Cyrille Offermans. Zo noemt hij ook een heel rijtje auteurs die hem inspireerden, en dat eveneens door Montaigne geraakt lijkt.

Zulke teksten zouden meer schrijvers moeten publiceren. En dan mogen directe verwijzingen naar al die voorbeelden vervolgens beperkt blijven tot het notenapparaat.

Net als overigens iedere wetenschapper in elk van zijn of haar boeken een vast lijstje vragen zou horen te beantwoorden dat levensvisie en politieke voorkeur zou tonen — want die kleuring kan het werk nu eenmaal een richting op sturen, zonder dat de onderzoeker dit zelf hoeft te beseffen.

Cyrille Offermans, Sporen van Montaigne
Essays
218 pagina’s
De Bezige Bij, 1994