Gekleurde schaduwen ~ Georg Christoph Lichtenberg

De reeks Privé-domein telt op het moment van schrijven 266 delen. Daarvan heb ik er een kwart — of eigenlijk meer nog, als de titels meetellen die ik in de oorspronkelijk taal bezit, en niet in de Nederlandse vertaling. Toch werd die verzameling de laatste tien jaar nauwelijks aangevuld.

Dit kan iets zeggen over de tanende kwaliteit van de reeks met egodocumenten. En zeker weegt mee dat door de opkomst van de online dagboeken eerst, en de weblogs later, mijn belangstelling voor de dagelijkse aantekeningen van beroemdheden verflauwde. Op internet was het ineens mogelijk van dag tot dag met iemand mee te leven, en zelfs direct te reageren. Bovendien schreven de mensen die online publiceerden voor een publiek, en deden ze daar moeite voor; iets dat voor vele deeltjes Privé-domein totaal niet opgaat.

Deze bloemlezing van brieven laat nog een ander probleem zien dat ik heb met Privé-domein.

Ik ben zonder meer een liefhebber van wat Lichtenberg schreef. Bovendien leefde hij in een interessante tijd, van 1742 tot 1799. En dan correspondeerde hij ook nog met andere grootheden, zoals Goethe. [Waarom mist deze uitgave overigens zoiets elementairs als een naamsregister?]

Maar toch komt Lichtenberg mij als mens duidelijker tegemoet in welke uitspraak ook uit de Sudelbücher, dan in zo’n hele verzameling brieven.

Brieven als in deze uitgave zijn bronnen, waar iemand iets mee zou hebben moeten doen. Hoe braaf elk schrijven ook geannoteerd is, de inhoud krijgt nog geen context daarmee.

Boeiendst voor mij waren de brieven die ook de titel opleverden van het boek; wat Lichtenberg aan Goethe schreef over diens kleurenleer. Maar welke lezer doorgrondt die kleurenleer precies, en weet waar de structurele denkfouten daarin zaten? Ík heb er ooit een historisch onderzoekje naar gedaan, geïnspireerd door mijn kleurenblindheid, maar hoevelen zeggen mij dit na?

Dus ja, heel soms biedt dit boek een aardige bron of twee. Maar dan nog had ik liever het origineel van de brief gezien, en liefst ook in handen gehad. Meer dan 90% van de brieven in deze bundel interesseert me geen tel.

En daarom moet ik geen boeken als deze meer lezen, die veel lijken te bieden omdat ze in een prestigieuze reeks verschijnen, maar uiteindelijk vooral ergernis oproepen. Nee, juist eerder goedloop uitpakken door het gebrek aan context, en het gemis aan elementaire zaken als een naamsregister.

Georg Christoph Lichtenberg, Gekleurde schaduwen
Brieven 1770 – 1799

264 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005
Samengesteld en ingeleid door Cyril Offermans
vertaald door Marion Offermans
Privé-domein 257

Iets beschuttere plek misschien ~ Cyrille Offermans

Een journaal is geen dagboek, zo legt Cyrille Offermans [1945] uit in dit boek. Want het journaal biedt een openbaar verslag van dagelijkse gebeurtenissen. Zoals deze verzameling korte teksten, gerangschikt op maand.

Wellicht begint en eindigt Een iets beschuttere plek misschien daarom in de ellende van Syrië. En ook wijdde Offermans bijvoorbeeld tijdens zijn verslag over 2017 menig woord aan het presidentschap van Donald Trump. Alleen bood hij daarbij helaas geen enkele analyse waar ik nu bijzonder van op keek.

En waarom keek hij wel naar Syrië, en niet naar Yemen? Waarom wel Trump als toevallig fenomeen geobserveerd, en de al zo veel langer spelende erosie van de parlementaire democratie in zo veel landen als verschijnsel genegeerd?

Een boekenschrijver moet domweg iets meer doen met zijn waarnemingen dan ik zelf al kon opmerken bij het bekijken van het wereldnieuws. Anders is hij of zij me te gemakzuchtig geweest. Ook al omdat de nieuwsmedia te veel berichten zonder enige context brengen. Er is al een overaanbod aan oppervlakkigheden, daar heeft een boekenschrijver niet aan toe te voegen. Ofwel, de passages in dit boek die eeuwig naar 2017 zullen terugverwijzen zijn voor mij verreweg de minste. Bovendien deed deze instelling bij het behandelen van de actualiteit me twijfelen aan Offermans’ oordeelkracht als het gaat om onderwerpen waar ik geen enkel verstand van heb.

De schrijver is een kleine kwart eeuw ouder dan ik ben als lezer. In zijn persoonlijke groei waren tal van ontwikkelingen belangrijk die mij niet bijzonder interesseren. Zo is voor Offermans het experiment in de literatuur, of kunst in het algemeen, nogal van belang.

En hoewel ik zeker de noodzaak erken van dat geëxperimenteer na de oorlog, om zo te kunnen verkennen welke vrijheden die er eindelijk ontstonden, leverden die in de literatuur toch ook menige zeldzaam onleesbare tekst op. Dus helpt het niet als er van tevoren twijfel ontstaat aan de autoriteit van de schrijver in diens oordelen als hij een onderwerp behandelt waarover ik nog overtuigd moet worden.

Toch, Een iets beschuttere plek misschien is dik. Het boek bood ruim genoeg om mij wel tevreden te stellen als lezer. Hoogstens zat er misschien wat weinig lucht in het totaal. Daardoor zou een samenvattend oordeel toch luiden: eloquente cultuurkritieken van een man die inmiddels op leeftijd is, die daarbij eens de ruimte nam voor gemopper.

Er is eens een luchtige passage over de kleinkinderen. En Offermans gaat met enige regelmaat ter ontspanning uit fietsen in zijn woonomgeving in Limburg. Alleen gaat het bij dat fietsen ook al telkens om een bermmonumentje voor iemand die daar overleed in het verkeer. Omdat daar telkens verse bloemen bij liggen. Terwijl dat ongeluk al even geleden is gebeurd.

En de warmste woorden schrijft Offermans over mensen die hij meemaakte, en inmiddels overleden zijn, of net in 2017 stierven. Eén zo’n tekst leverde trouwens voor mijn andere weblog nog een citaat van de dag op.

Aardigst aan dit alternatieve jaarverslag is misschien het zelfportret dat Cyrille Offermans er terloops in schetste. Zo wist hij al vroeg essayist te willen zijn. Tegelijk werd hij nooit fulltime schrijver, en zegt hij ook nooit naar die positie te hebben verlangd. Zonder dat eigenlijk te willen belandde Offermans in het onderwijs. Wat onverwacht nog zo beviel dat hij leraar bleef. Dus werden die beschouwingen van hem, en die honderden recensies over romans geschreven in de resterende tijd.

Mij lijkt dat overigens gezond.

In de loop van 2017 kwam Offermans gelukkig ook weleens terug op boeken die hij gelezen had, en die ik dan wel kende. En het is altijd nuttig om met enige kennis te kunnen oordelen over wat iemand anders ziet die naar precies hetzelfde heeft gekeken. Zo vond Offermans Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers een slechte roman, gezien haar capaciteiten. Waar ik volmondig mee in stem. Zelfs al ben ik verder enkel mensen tegengekomen die dit wel een heel goed boek vinden.

Evenzo lijken onze oordelen op elkaar over het essay dat Bas Heijne’s wijdde aan de roman. Net als er geen werkelijk verschil van mening zal bestaan over Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere.

Waarmee dus al wat Offermans schrijft over nogal wat Tsjechische of Hongaarse romans, van schrijvers waar ik vaak nog nooit van gehoord heb, toch ineens interessante verwijzingen zijn geworden — tenzij daar het experment belangrijk in was.

Evenmin vertrouw ik zijn oordeel blind over niet strikt literaire boeken; als er andere kennis nodig wordt. Zo is Offermans me bijvoorbeeld veel te enthousiast over Andrea Wulf’s boek over Alexander von Humboldt; omdat dit voor mij, die waarschijnlijk iets meer weet over 19e-eeuwse wetenschap, een werkelijk onbegrijpelijke lacune heeft.

Staan er verder ook oordelen in het boek over het literaire klimaat in Nederland, en de kliekjesgeest daarin. Weet Offermans heel goed wie er wel de P.C. Hooftprijs voor essayistiek had moeten krijgen in plaats van Bas Heijne. En zijn er ook beschouwinkjes over andere kunsten dan literatuur, zoals het werk van Paul Klee. Of over de verwording van het handschrift; waardoor kinderen al evenmin nog kunnen tekenen.

Enfin. Als het gebodene in een boek slecht samen te vatten is, biedt het erg veel.

Cyrille Offermans, Een iets beschuttere plek misschien
Journaal 2017
564 pagina’s
De Arbeiderspers, 2018
privé-domein nr. 302

Schipbreuk ~ Cyrille Offermans

Popper vond het de morele plicht van ieder denkend mens om optimistisch te zijn — en hij schreef dat in heel wat duisterder tijden dan nu. De toekomst is immers nog open. Weinig ligt vast. Sterker nog, juist door nu al somber te gaan doen, kun je medeverantwoordelijk worden voor de mislukking later.

En het is niet dat ik deze woorden van Karl Popper me volkomen eigen heb gemaakt — hij citeerde hierbij overigens allereerst Kant. Wel heb ik het altijd moeilijk met cultuurpessimisme. Bijvoorbeeld omdat cultuurpessimisten me het verleden wat te makkelijk schoon & heilig verklaren.

Ineens wordt daarmee iets onaantastbaar van waarde, terwijl er eerder, op het moment zelf, wellicht heel anders over gedacht werd.

Dus kreeg ik problemen met Schipbreuk; hoewel dat een boeiende en intelligent geschreven essaybundel is.

De auteur, Cyrille Offermans, heeft alleen standaarden die de mijne niet altijd zijn.

En in weerwil van het essay als genre — waarin het volgens mij om een tastend zoeken gaat naar iets dat voor het moment hopelijk even waar lijkt — heeft Offermans er een handje van om absolute zekerheden te poneren.

Poneerde hij deze stellingen ook nog in stukken die oorspronkelijk vaak in de krant verschenen; om dan een actualiteit uit 2005 te behandelen die nu allang weer vergeten is. Wat al meteen zijn oordeel relativeert.

Behalve geld en tijd heb je, om van kunst te leren genieten, een behoorlijke opleiding nodig. […][166]

staat er dan bijvoorbeeld, in het essay ‘Kunst voor iedereen?’. Waarin Offermans terloops het cultuuronderwijs op school affakkelt, en het marktgerichte spektakel hekelt dat musea maken om betalend publiek naar binnen te lokken.

Kunst is bij Offermans overigens wel meteen alle Westerse cultuur en gedachtegoed, vanaf de Middeleeuwen tot het huidige tijdsgewricht — van Diderot’s Encyclopedie tot en met opera’s in het Amsterdamse stadhuis-theater.

André Rieu sluit hij in deze tekst evenwel nuffig uit. Om in een ander essay vervolgens te betogen dat culturele canons niet mogen. Zo snel op innerlijke tegenspraak stuiten binnen éen boek helpt niet echt om overtuigd te raken van de goede bedoelingen van een auteur.

Zo’n essay als ‘Kunst voor iedereen?’ is mij dan onder meer te makkelijk omdat er geen enkele nieuwe gedachte in staat. Offermans verdedigt enkel wat iedereen van zijn stand altijd al verdedigd heeft. Hij knielt neer voor het publiek van de conservatieve krant waarin zijn woorden verschijnen. Want voetbal is daarbij vanzelfsprekend al helemaal iets barbaars. Offermans vindt het onbegrijpelijk dat mensen daar zo veel van hun geld voor over hebben.

Terwijl ik, als ervaren museumbezoeker en concertganger, het zo veel liever zou hebben als een auteur eens wat bedenkingen plaatst bij bijvoorbeeld de fnuikende invloed van de kunsthandel sinds decennia op de beeldende kunst en daarmee het museumaanbod.

Al evenmin heb ik ooit een evenwichtig betoog gelezen dat me uitlegt waarom de hele samenleving de subsidie moet ophoesten voor de operakaartjes, terwijl daar slechts een schaarse enkeling van profiteert, zonder dat in zo’n betoog dan niet ook meteen alle kunstsubsidie moest worden afgeschaft.

Waar ik dan weer lang alle subsidie niet in twijfel trek.

Een geslaagd kunstwerk opent ons de ogen, het bevrijdt ons van de door de werkelijkheid gedicteerde routines en reflexen, het maakt ons ontvankelijk voor nieuwe perspectieven. Daarom is kunst tegenwoordig misschien wel allereerst een refugium voor de creativiteit en het intellect waarvoor in de realiteit geen emplooi meer bestaat, het autonome domein van de zelfgecreëerde problemen en de zelfgecreëerde opwinding, hoezeer het ruwe materiaal daarvoor ook door alleszins reële neurosen en depressies, angsten en obsessies, dromen en illusies kan zijn aangeleverd.

[‘Het kind als storende factor’, 93]

En het zou geen enkele moeite kosten om in bovenstaand citaat alle worden die met ‘kunst’ te maken hebben bijvoorbeeld te vervangen door ‘studie van de geschiedenis’, zonder daarmee de betekenis aan te tasten van wat Offermans daar beweert.

Sterker nog ik zou ‘kunstwerk’ in Offermans’ woorden zonder meer kunnen vervangen door ‘boeklogje’, en ‘kunst’ door ‘dit weblog’. Want ook het werk aan deze website heeft me de ogen geopend, en me bevrijd van door de werkelijkheid gedicteerde routines en reflexen.

Ik begon ooit aan boeklog mede omdat deze website capaciteiten aansprak die mijn broodheren blijkbaar niet nodig hadden; wat ik rijkelijk onnozel vond.

Maar boeklog is geen kunstwerk.

En mijn boeklog bestaat hopelijk ook niet uit een verzameling ronkende uitspraken waarmee ik nogal stellig mijn zekerheden poneer.

Want er lijkt me zo veel minder zeker dan Offermans doet voorkomen.

Het moderne bestaan is vervelend. Werkelijke gevaren, die een beroep doen op heldhaftigheid, strategisch inzicht en improvisatietalent, zijn vrijwel uitgesloten, werkelijk noodsituaties die dwingen tot handelingen op leven en dood doen zich in de naoorlogse samenleving niet meer voor. Wij moeten het doen met zelfbedachte surrogaatuitdagingen, -excessen en -extasen.

[‘Het kind als storende factor’, 86]

Nou en.

Cyrille Offermans, Schipbreuk
Over kennis, cultuur en beschaving

259 pagina’s
Cossee, 2008

Sporen van Montaigne ~ Cyrille Offermans

Weinig bleek de afgelopen tien jaar pijnlijker te zijn dan het boekloggen over oude helden. Want ooit waren hun boeken van nut geweest. Wat het vervolgens vervelend maakte dat er bij hernieuwde kennismaking zo weinig leek over te blijven van het werk.

Rudy Kousbroek was zo’n favoriet ooit, wiens boeken de uiterste houdbaarheidsdatum meestal overschreden hadden.

Dat maakte het interessant om Cyrille Offermans over Kousbroek te lezen. Ook al omdat zijn kritiek in de essaybundel Sporen van Montaigne voor een deel op de mijne gelijkt. Teveel in de boeken van Kousbroek stond al eerder in de krant, wat daarmee de inhoud en de lengte kleurt, en had voor bundeling eigenlijk bewerkt moeten worden.

Tegelijk zag Offermans in Kousbroek ook een naïeve romanticus, die te zeer geloofde dat alle problemen uiteindelijk op te lossen zouden zijn, als meer mensen wetenschappelijk zouden denken.

Bovendien stoorde het hem dat Kousbroek altijd zo klaagde dat bijna niemand exacte kennis had. Minstens zo erg, zo niet erger nog, is namelijk dat niemand kan lezen, aldus Cyrille Offermans.

En dan is het niet aan mij om positie te kiezen in dit debatje. Al zou het een aardig gedachtenspel zijn voor een eigen essay. Is het bijvoorbeeld schadelijker dat politici geen benul hebben van getallen, of brengen zij de wereld nog meer schade toe doordat hun taalgebruik altijd misleidend is? Zo dat niet immer uit leugens bestaat?

Maar politici leven allereerst in hun eigen wereld, met hun eigen regels, en hun gelijk. Daar is als buitenstaander vrijwel niets zinnigs over te schrijven dat niet meteen de hele beroepsgroep verdacht zou maken.

Is er ineens trouwens ook weer de oproep om meer historici te koppelen aan politici — omdat deze geen enkel geheugen blijken te hebben, en daardoor fouten van voorgangers herhalen.

Ze kunnen het zich ook niet permitteren iets te onthouden, vanwege al die leugens en vale verkiezingsbeloften, denk ik dan. Bovendien zijn zowel de huidige als de vorige minister-president hier historici. Net als de Koning van Nederland. Het is niet alsof het afronden van de studie automatisch betekent dat het benul er ook komt.

Enfin. Een boek is bij het lezen al half geslaagd als het mij aanzet tot eigen gedachten; bijvoorbeeld omdat de auteur stellingen innam die de mijne niet zijn. Sporen van Montaigne van Cyrille Offermans beviel me daarom beter dan zijn latere essaybundel Schipbreuk.

Zelfs al verwijst Offermans me iets te vaak naar anderen in dit boek.

Nu ben ik een spons, die erg makkelijk ideeën opneemt die precies passen bij mijn vooroordelen. Waardoor er weleens de neiging is om te vergeten dat deze gedachten er niet al altijd waren. Weinig van wat ik zeg of schrijf zal origineel zijn.

Oorspronkelijk is misschien nog net de verwoording, of de toepassing van een idee.

Dus zal het best dat ik te weinig eer geef aan de schrijvers en denkers die mij hebben gevoed. Maar, zoals Canetti schreef — want ik beheers dit kunstje echt wel als het moet — ‘aan Montaigne stoort me dikwijls het vet der citaten.’

Verwijzingen zijn vervelend. Bovendien leiden ze vaak tot wat Nietzsche slecht schrijven heeft genoemd. Geef me je idee, niet de reeks aan gedachten die na wikken en wegen tot dat idee hebben geleid, want dat proces op zich interesseert me niet.

Academees producerende auteurs moeten wel verwijzen, bijvoorbeeld om niet van plagiaat beschuldigd te worden — alleen houden zulke aanduidingen in een tekst het lezen altijd op.

Zijn er ook nog schrijvers die grote voorgangers wat makkelijk aanhalen om hun eigen woorden zo meer gewicht te geven.

Beide typen van auteurs ergeren mij wat te makkelijk. Want voetnoten en eindnoten bestaan er niet voor niets, zo lijkt me, voor wie zo nodig verwijzen moet.

Cyrille Offermans zit in Sporen van Montaigne met regelmaat net in dat verkeerde kamp. Zijn teksten stromen dan niet, omdat er telkens verkeersdrempels zijn opgeworpen; opzichtig moesten nog even grote namen in beeld worden gebracht.

Inhoudelijk zijn zulke problemen er dan weer niet met dit boek. Dat bevat essays over cultuur. De brieven van Vincent van Gogh worden onder meer behandeld, John Berger’s ideeën over het platteland, de poëzie van Bert Schierbeek en H.C ten Berghe. Piet Grijs. Waarnaast dan wat abstracter betogen staan over ‘avant-garde’, en ‘modernisme’.

En in het titelessay legde Offermans wat hij gehad heeft aan het lezen van Montaigne. Deels zijn dat dan wel bekende clichés — want die man ging met zijn ideeën tegen vele tijdgenoten in, omdat hij niet aan dogma’s vasthield, en welke denker hoopt nu niet als ziener zijn eigen tijd te overleven? Beter is het daarom om zo’n tekst dan te lezen als een programma van de essayist Cyrille Offermans. Zo noemt hij ook een heel rijtje auteurs die hem inspireerden, en dat eveneens door Montaigne geraakt lijkt.

Zulke teksten zouden meer schrijvers moeten publiceren. En dan mogen directe verwijzingen naar al die voorbeelden vervolgens beperkt blijven tot het notenapparaat.

Net als overigens iedere wetenschapper in elk van zijn of haar boeken een vast lijstje vragen zou horen te beantwoorden dat levensvisie en politieke voorkeur zou tonen — want die kleuring kan het werk nu eenmaal een richting op sturen, zonder dat de onderzoeker dit zelf hoeft te beseffen.

Cyrille Offermans, Sporen van Montaigne
Essays
218 pagina’s
De Bezige Bij, 1994

Wat er op het spel staat ~ Cyrille Offermans

De grootste bevrijding in mijn lezende leven kwam toen ik me niets meer aantrok van andermans meningen. De waarde van een boek toont zich pas onder eigen ogen. Te vaak had hooggeschreven of zelfs canonisch werk me werkelijk totaal onverschillig gelaten. En lezen mag best een keer een moeizame huiswerkopgave worden, alleen moest dat toch liever niet te vaak.

Van de weeromstuit ben ik inmiddels misschien te cynisch geworden over de kwaliteiten van de vaderlandse literatuur. Had men een charlatan als Harry Mulisch maar niet tot éen van de grootste schrijvers ooit moeten uitroepen, bijvoorbeeld. Eén van de eeuwig grote drie. Een cultuur die collectief zulke onzin voor waar aanneemt, heeft zich voor altijd ongeloofwaardig gemaakt, wat mij betreft.

Goed, in de kunsten is het niet anders dan op welk gebied ook. Slechts een enkeling kan pretenderen iets te hebben dat lijkt op een degelijk overzicht. De meesten zijn niet of amper geïnformeerd. Dus is het voor zo’n massa wel zo makkelijk om te gaan leunen op de overtuigingen van degenen die wel heel zeker lijken van hun zaak. En zo kunnen boeken, of zelfs schrijvers, belangrijk worden gemaakt — nee zelfs tot verplicht lezen leiden op de scholen.

‘Social proof’, heet dit verschijnsel in de psychologie.

Toegegeven, als er werkelijk geen kwaliteit te bespeuren is aan zulke schrijvers, of boeken, komt dat op den duur altijd uit. Dus als Harry Mulisch over enkele decennia nog altijd spontaan gelezen wordt in alle leeftijdsgroepen zit ik mis met mijn vooroordelen. Dat zal ik dan ook rustig beamen.

Heeft de meeste kunst alleen wel een houdbaarheidsdatum, die nogal eens wordt genegeerd..

Mulisch, of die andere twee van de grote drie, zullen natuurlijk ooit hun kwaliteiten hebben gehad, anders was het ze nooit gelukt om zo veel mensen te pakken. Alleen kwamen die kwaliteiten waarschijnlijk het best naar voren in de decennia ruim voor mijn geboorte. De emoties die zulke teksten ooit konden oproepen, zijn alleen daarom al nooit dezelfde als een schoolkind ervaart die dezelfde woorden opgedrongen krijgt, met de bedreiging daarbij dat dit nu literatuur is; dus waag het niet om daar al een eigen mening over te hebben; laat staan om het gebodene af te keuren.

Cyrille Offermans is een literatuurbeschouwer die ik graag lees. Hij weet veel, schrijft goed, en zijn argumentatie is altijd duidelijk. Evenmin vermoed ik verborgen agenda’s bij hem; zoals een Wil tot Macht.

Zij het dat er toch éen voorbehoud speelt. Als hij iets afkeurt, of zich beklaagt over de lage kwaliteit, dan ben ik dat vrijwel altijd met hem eens. Niet zelden is een vergelijkbaar oordeel trouwens hier op boeklog terug te vinden. Vindt hij iets of iemand goed daarentegen, dan komen onze voorkeuren aanzienlijk minder vaak overeen. Voor een deel zal dat smaak zijn, alleen vermoed ik eerder dat hier bij meeweegt dat Offermans [1945] ouder is, en in een andere tijd opgroeide.

Zijn essaybundel Wat er op het spel staat gaat volgens de ondertitel over “literatuur en kunst na 1945′. Al stelt Offermans daarbij meteen voorop dat de bundel niet pretendeert een overzicht te bieden. Hij gaat vooral in op ontwikkelingen en makers die hem interesseerden of intrigeerden.

Enig iconoclasme speelt er daarbij wel. Zo rekent hij in het essay ‘Over de lotgevallen van het Ander proza’ terloops af met de reputaties van Mulisch, Reve, en Hermans, van wie het voor hem aan het einde van jaren zestig al meer een plicht dan een lust was geworden om ook hun volgende boeken weer te lezen. Vastgeroest als ze toen al waren in hun eigen karikatuur.

Voor mij waren, wat de Nederlandse literatuur betreft, andere schrijvers dan de Grote Drie van meet af aan minstens zo belangrijk: de Vijftigers en geestverwanten — Leo Vroman en Paul Rodenko, Lucebert en Bert Schierbeek, Hugo Claus en Gerrit Kouwenaar, Remco Campert en Fritzi ten Harmsen van der Beek (en, iets later en vooralsnog alleen als essayist, Rudy Kousbroek.) Natuurlijk, ook zij waren gedesillusioneerd door crisis, oorlog en naoorlogs ‘herstel’, maar hun breuk met de literaire traditie was tegelijk radicaler en productiever dan die van de Grote Drie. De onttovering van de wereld had hen niet tot cynici gedegradeerd, uitsluitend nog in staat hun eigen achterdocht te projecteren op elk ‘idealistisch’ initiatief. Al deze schrijvers, veelal primair dichters, werden gemotiveerd door een tegenkracht die misschien nog het best met het woord ‘generositeit’kan worden omschreven. […]

Dus gaat een groot deel van de essays in deze bundel over de door Offermans bewonderde schrijvers, als onder meer ook Ivo Michiels, A.F.Th van der Heijden, of Joke van Leeuwen. Waarbij hij zelfs een poging waagt een lijn door te trekken naar het heden. Om daarbij, als het echt moet, met het geweer op de borst, te oordelen dat als op het moment een nieuwe Grote Drie aangewezen zou moeten worden, daar dan eerder Vlaamse auteurs voor in aanmerking komen dan die met een Nederlands paspoort. Zo toont Offermans zich nogal onder de indruk van het werk van Erwin Mortier.

En mij viel opnieuw op Offermans’ afkeurende oordelen veel makkelijker te accepteren dan zijn prijzende woorden.

Als hij negatief oordeelt over J. Bernlef, omdat deze veel te veel heeft uitgebracht, en zich veel meer had moeten beperken tot het goede en wel geïnspireerde, krijgt Offermans van mij zonder meer gelijk. Alleen al omdat Bernlef’s Pianoman het slechtste boek is in 14 jaargangen boeklog besproken [1]. Oordeelde Cyrille Offermans bovendien uit een veel groter overzicht dan ik. Hij had deze schrijver van nabij meegemaakt.

En toch, als hij vanuit dat grotere overzicht boeken aanprijst van schrijvers die mij nooit smaakten, lukt het hem niet om me te overtuigen.

Dat ligt dan niet aan zijn enthousiasme of argumentatie. Ik vermoed dat ik uit recalcitrantie over wat school aan mij opdrong, lang voor de boekenbijlagen van kranten en tijdschriften met al hun vooroordelen op mijn pad kwamen, zo mijn eigen criteria heb opgesteld over wat voor mij wel goede boeken zijn.

En dan staan in mijn persoonlijke hiërarchie romans niet per se bovenaan. Poëzie ligt al helemaal moeilijk. Als goed schrijven begint bij helder denken, dan hebben de meeste literatoren mij sowieso echt helemaal niets te vertellen.

Ooit, enkele jaren slechts, lang geleden al, heb ik ontiegelijk veel SF gelezen. Die was niet zelden maatschappijkritisch; en gauw eens geschreven vanuit een heel ander perspectief dan dat van literaire romans die het dagelijkse leven beschreven van éen of meerdere hoofdpersonen. En ik vrees dat ook dit type boeken een vooroordeel in mij heeft doen laten ontstaan dat niet meer wijken zal.

Als er werkelijk alles mogelijk is met woorden, als hele nieuwe werelden zijn op te roepen met een paar zinnen, waarom gebruiken dan zo weinig schrijvers die oneindige ruimte hen geboden? Waarom lijkt het lezen van een Nederlandse roman nog zo vaak op het heel traag uit elkaar pulken van andermans kleverige navelpluis?

Waarom lijk ik me over zo veel meer te verwonderen dan de schrijvers die op mijn pad komen?

Cyrille Offermans, Wat er op het spel staat
Literatuur en kunst na 1945

Essay
320 pagina’s
Cossee, 2014
  1. Echt slechte boeken lees ik niet uit, en worden daarom nooit geboeklogd. Bij die kort uitgevallen Pianoman was ik evenwel al over de helft gekomen; toendertijd het criterium om er een boeklogje aan te wijden. []