dit is het dossier:

Warna Oosterbaan

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Krant moet kiezen ~ Warna Oosterbaan en Hans Wansink

Journalisten hebben merkwaardige waanideeën. Ze denken dat kranten om nieuws draaien, en dat geen samenleving zonder hun goede werken kan. Daardoor vinden journalisten het bedreigend dat er kranten verdwijnen, en de bladen die er zijn zo veel lezers verliezen.

Warna Oosterbaan en Hans Wansink zijn journalisten; of waren dat toen zij dit boek schreven eind 2008. De eerste werkt bij NRC-Handelsblad, de tweede bij De Volkskrant. Beide couranten heten kwaliteit te bieden. Alleen vind ik die claim overtrokken, want ik mis stelselmatig een heel aantal onderwerpen in deze dagbladen, en zie te veel aandacht gaan naar zaken die beter zonder konden doen.

Dat Oosterbaan en Wansink journalisten zijn, betekent helaas dat als zij al kennis bezitten, deze kennis oppervlakkig is. Om dan toch iets te schrijven waaruit inzicht spreekt, moeten zij vrijwel steeds anderen aan het woord laten. Dat is op zich een gebruikelijke werkwijze, en ook niet erg, ware het niet dat vervolgens uit de samenstelling van dit boek duidelijk wordt hoe weinig inzicht de heren hebben. Wat aandacht krijgt in dit boek, toont vooral hoe vastgeroest zij zitten in hun positie als dagbladjournalist; voor wie zelfs ideeën over de exploitatie van hun podium al iets vreemds zijn.

Ook alle digitale ontwikkelingen in het medialandschap worden beschreven als een onweer op afstand. Over wat weblogs zijn, hebben Oosterbaan en Wansink bijvoorbeeld in boeken gelezen. Terwijl boeken nu net bij ontwikkelingen op internet al bij verschijning op de feiten achterlopen.

Dus in plaats iets eigens over het weblog te schrijven, komen ook zij niet verder dan wat gebruikelijke clichés onder mensen die al te lang voor de papieren media werken. Zoals in dit citaat, dat me pijn deed door zijn arrogante nietszeggendheid:

In Nederland zijn de bloggers te vinden op hun eigen sites, op verzamelsites als Weblog.nl of Blogger of Blogspot, en op tal van andere plekken. Tot de journalistiek kunnen al die bijdragen moeilijk gerekend worden. Het zijn veel privézaken die de revue passeren en de bloggers geven wel commentaar op allerlei berichten, maar dat zijn vrijwel altijd de berichten die door de gevestigde media zijn aangedragen. Vaak ook zijn het geruchten en speculaties die aanleiding zijn voor hun reacties. [78]

Nu vind ik het mooie aan weblogs dat ze zo divers zijn. Zo lees ik een behoorlijk aantal die mij juist nieuws vertellen dat de massamedia niet brengt; of hoogstens pas vele weken later. Ook zijn er vele weblogs die boeken bespreken waar de massamedia aan voorbij gaan. Of mij inderdaad wijzen naar pareltjes van artikelen elders; die lang niet altijd eerst op papier verschenen zijn.

Bestaan er ook nog vele andere digitale media daarnaast.

Het enige dat weblogs voor mij gemeen hebben, is een zekere gezamenlijke architectuur en navigatie. Ze op éen hoop gooien, en dan ook nog stellen dat hun makers allemaal journalisten willen zijn, maar dit niveau niet halen, is een zeer onnozele vorm van zelffelicitatie van deze beide heren.

Maar, wat mij domweg verbijstert, is dat zo’n vooroordeel als dat over weblogs slechts benadrukt hoe zeer zij in hun ideeën beperkt zijn. Dat kranten door uitgevers gemaakt werden om advertenties te verkopen, en dat zo de wildgroei aan katernen en bijlagen is te verklaren, komt niet bij hen op.

Evenmin zien zij dat, zoals de Amerikaanse socioloog Herbert J. Gans het formuleerde, de papieren courant voor de generaties na ons een onbegrijpelijk merkwaardig product zal zijn. Vanwege alle moeite en geld die het kost dit product bij de lezer te bezorgen. En door de beperking daarbij dat nieuws maar éen keer per dag geactualiseerd wordt. Plus op zondagen niet.

Voor Wansink en Oosterbaan blijft namelijk de grabbelton heilig die elke papieren courant inhoudelijk is. Want het publiek moet niet alleen lezen waar het over wil lezen.

En zelfs aan hun pleidooi aan vakgenoten en uitgevers om voor kwaliteitsjournalistiek te kiezen — waar toch het hele boek aan is opgehangen — kleeft iets merkwaardigs.

Zo wordt er onder meer veel aandacht gegeven aan een rede van Jan Blokker, die inmiddels tot boek is uitgewerkt, waarin de Nederlandse journalistiek nu net een stelselmatig gebrek aan kwaliteit verweten wordt. Persmensen waren lang meestal lieden die in andere beroepen mislukt waren. Dagbladen dienden ook allereerst een zuil, en dus éen bevolkingsgroep, wat de kwaliteit van hun informatie bezoedelde. En pas sinds de jaren zeventig is er sprake van enige kwaliteitsverhoging. Al zit die er vooral in dat kranten meer artikelen afdrukken, en dat onder die artikelen meer opinie en duiding is te vinden.

Zeldzaam hypocriet vind ik zelfs de proloog uit De krant moet kiezen; waarin Wansink en Oosterbaan juichen hoe goed de kwaliteitskranten over de moord op Pim Fortuyn schreven, de dag daarop. Omdat dezelfde kwaliteitskranten in de maanden voordien nu juist zo stevig meehielpen de atmosfeer te kweken waarin het een logisch idee kon worden om een populistische politicus te gaan vermoorden. Een blindheid die de hoofdredacteuren overigens later met meel in de mond hebben toegegeven.

Evenmin weten deze couranten momenteel raad met Geert Wilders, of de vraag waarom er mensen zijn die op diens partij stemmen.

En ook nog, De Volkskrant deed een openlijke poging de verkiezingen van 9 juni 2010 te beïnvloeden, door groot een artikel te publiceren over de onhaalbare begrotingen van de verschillende partijen. Dat stuk bleek alleen een canard.

Bij de verkiezingen van eind 2006 deed De Volkskrant een vergelijkbare poging tot beïnvloeding, toen met een canard over martelpraktijken in Afghanistan.

Ik vind het dus vreemd om steeds zo veel bewijzen te zien dat kwaliteitsjournalistiek hier amper bestaat. En waar die bestaat dan hoogstens in boeken en documentaires wordt aangeboden. En in de couranten zeker niet voorkomt, alleen al om de aard van die media. Dit maakt het onbegrijpelijk om twee heren te zien beweren dat kwaliteitsjournalistiek wel degelijk kan in een dagblad, en zelfs aan couranten de redding moet brengen.

Nu ja, ze zijn sympathiek over Joris Luyendijk’s bedenkingen bij wat een correspondent kan brengen aan nieuws uit een dictatuur.

Merkwaardige dromers zijn het kortom, die Oosterbaan en Wansink. Omdat het zo vreemd is om kwaliteitsjournalistiek gepromoot te zien worden met een boek waaruit blijkt dat twee hoog aangeschreven journalisten van zogeheten kwaliteitscouranten niets hoeven te weten van het landschap waarin zij opereren. Noch het gezonde verstand hoeven te hebben die beperking op een andere manier te overwinnen.

Warna Oosterbaan en Hans Wansink
De krant moet kiezen
De toekomst van de kwaliteitsjournalistiek

197 pagina’s
Prometheus, november 2008

Motorziel ~ Warna Oosterbaan

Terwijl er heel wat in mijn naaste familie een motorrijbewijs hebben, interesseerde mij die activiteit nooit zo erg. En, zoals meestal, het is vrijwel onmogelijk om na te gaan waar mijn onverschilligheid voor motorrijden dan precies in zit.

Zelfs als tiener al, toen ik nog einden naar school afleggen moest, en menig leeftijdgenoot niet wachten kon om zestien te worden en over te stappen op een brommer, bleef ik gewoon fietsen.

Kleine tweetaktmotortjes, zoals bromfietsen die hebben, zijn ook gewoon goor.

Het kan simpelweg zijn dat ik de mannetjes met hun brommers ineens nogal wat stoer gedrag zag vertonen dat te onnozel voor woorden was. Waardoor de brommerrijders absoluut geen groep waren waar ik bij zou willen horen.

En motorrijders die in colonne op een mooie zondag de dijkweggetjes af komen bulderen, daar vind ik ook wel iets van.

De gemiddelde Nederlandse motorrijder rijdt alleen niet meer dan 4.000 kilometer per jaar, zo meldt Warna Oosterbaan in Motorziel. Meer dan wat toerritjes maken ze niet.

Ik fiets al drie à vier keer verder elk jaar.

De motorfiets is nu al decennia voor de meesten een hobbydingetje geworden, voor erbij, op de mooie dagen; als het niet te koud is en droog blijft. Zoiets als een surfplank. Zij het dat er nog wel een kleine minderheid bestaat die op de motor forenst, en handig door de files kan slalommen.

Warna Oosterbaan is wel een overtuigde motorrijder. Hij reed ook al motor toen dat nog een behoorlijke inspanning en kennis vroeg, omdat de technologie nog zo primitief was. Motoren lekten altijd olie ooit.

Toch was het vervoermiddel op dat moment al op zijn retour — de hoogtedagen van het motorrijden lagen even na de Tweede Wereldoorlog. Toen auto’s voor de meesten nog veel te duur waren, en lichte motorfietsen wel binnen het bereik van sommigen lagen. Waren er ook nog tal van gedumpte legermotoren op de markt.

Motorziel biedt daarmee impressies van een wereld die veranderde. Er komen inmiddels bijvoorbeeld amper nog jonge motorrijders bij. Want al wie de activiteit enkel als hobby ziet, heeft daarmee wel een kostbare hobby te pakken; waar dure speciale kleding voor nodig is, en flink wat ruimte om zo’n motorfiets te kunnen stallen.

Deels verscheen de inhoud van dit boek al eens als column in de krant, waardoor er inhoudelijk weleens herhalingen zijn. Toch, als iemand met passie schrijft over een onderwerp, zoals Oosterbaan duidelijk doet, dan maken zulke schoonheidsfoutjes niet vreselijk veel uit.

Sinds Japanse motorfietsen op de markt kwamen, werd de kwaliteit een stuk groter — al betekende deze ontwikkeling ook dat het ouderwetse sleutelen almaar moeilijker werd voor de thuisklusser. Elektronische brandstofsystemen afstellen, is werk voor specialisten geworden.

En toch is Oosterbaan bijvoorbeeld zeer kritisch over de ouderwetse technologie van het merk Harley Davidson — omdat deze retrokitsch heeft opgeleverd. En dat is een positie die ik zonder meer deel, die misschien dus wel gewoon voortkomt uit mijn jongensjaren en mijn hekel aan de brommerjeugd en hun onnozele gedoe. Je wordt geen beter of interessanter mens door een bepaald merk brommer te kopen. Zo veel wist ik toen ook al zeker.

Alleen is juist rond de Harley Davidson een heel image gecreëerd, van harde mannen; zoals Oosterbaan nog eens extra illustreert in een hoofdstuk over de motorfiets in de cultuur. Terwijl iedereen met enig verstand van technologie weet dat al die mannen op hun Harley’s domweg veel te veel geld hebben betaald voor bewust knullig gehouden techniek, en erg onzuinige motoren.

Enfin, is het wel zo dat zo veel mensen meer tegenwoordig de hobby hebben om zich in hun vrije tijd om te kleden tot iets dat ze niet zijn.

Warna Oosterbaan, Motorziel
Kleine sociologie van een machine

125 pagina’s
Atlas-Contact, 2010