‘Alle cultuur is streven’ ~ H.L. Wesseling (inl.)

Eerder kwam op boeklog al de Huizinga-lezing van Rudy Kousbroek langs. Ook werd eens verwezen naar de voordracht die Karel van het Reve gaf. Dus lag het in de rede om te kijken of deze lezingen-cyclus meer spraakmakend materiaal had opgeleverd. En dan het liefst niet door van elk jaar apart het uitgaafje op te moeten speuren.

Deze bundel was wat dit betreft perfect. Het boek biedt een overzicht van wat de eerste vijftien sprekers brachten, vertelt iets over de achtergronden van de cyclus, en H.L. Wesseling geeft in zijn inleiding vaak ook al in bedekte termen een oordeel over het gebodene.

Sommige lezingen waren niet zo goed. Die van Mary McCarthy over de gothiek bijvoorbeeld.

Chomsky gaf de VS weer eens van alles de schuld, op een zo gechargeerde manier dat Europeanen er toch wat vreemd van opkeken.

En Mulisch, ach Mulisch kwam vanzelfsprekend de wereld uitleggen in het ene uurtje dat hem ter beschikking stond. Met alle kul over octaviteit die hem voor mij voor eeuwig hebben gediskwalificeerd als een serieus te nemen schrijver. Ik kan hem enkel nog lezen door in hem een charlatan te zien, die wil kijken tot hoe ver de wereld bedrogen kan worden.

Nu was Johan Huizinga een historicus. Wat er waarschijnlijk toe heeft bijgedragen dat nogal wat historici zijn uitgenodigd in de cyclus van dit boek. En hun lezingen zijn ook vaak het best houdbaar gebleken. Logischerwijs omdat een verhandeling over geschiedenis al gaat over iets dat verouderd is — daar krijgt de tijd veel minder extra greep op. In elk geval heb ik de historici met de meeste plezier gelezen. Zelfs al bracht alleen de verhandeling van Robert Darnton over sprookjes mij ertoe toch eens te kijken wat nog meer van hem te lezen is.

Sprookjes waren nogal wat ruwer, voor ze tot verhaaltjes voor kinderen bewerkt werden. Dat wist ik, in theorie. Maar zo veel ruwer?

‘Alle cultuur is streven’
De verzamelde Huizinga-lezingen 1972 – 1986

352 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1987

Aardige van de economie ~ Jan Pen

Het werk van economen vindt nog het meest gretig aftrek onder angstzaaiers, zo valt op. Waaronder ik voor het gemak ook vrijwel alle politici reken. Als er iets irritant is aan de manier waarop wij geregeerd worden, dan toch de voortdurende nadruk op dat alles verkeerd zal gaan als er niet nu wordt ingegrepen.

Maar waar komt die grote status van economen toch weg? Terwijl deze hoogstens in staat zijn om achteraf aan te geven wanneer ergens in het verleden een verkeerd besluit genomen is?

Is dat vanwege het nut voor de angstzaaiers om hen van munitie te voorzien?

Van de Nederlandse econoom Jan Pen wilde ik altijd nog eens boek of wat lezen. En inmiddels heb ik geleerd dat als schrijvers me intrigeren er vaak allang ergens verborgen een boek van hen in éen van mijn kasten staat. Zo ook nu. Ik bezat al een Aula-pocket uit 1969 — ooit aangeschaft voor bijna niets, toen ik Aula-pockets nog per strekkende meter kocht voor minder dan een dubbeltje het stuk.

Het aardige van de economie bracht het tot minstens zes drukken indertijd, en moet dus goed zijn verkocht.

Deels is dat nog wel te verklaren. Zo bevat de eerste helft van deze bundel een aantal inleidende stukken over het werk van dan beroemde economen. Zoals Keynes, Tinbergen, Veblen, en John Kenneth Galbraith.

Maar deels is Het aardige van de economie inmiddels ook een historische bron geworden, vol van opvattingen over politieke problemen die speelden in het midden en eind van de jaren vijftig.

Jan Pen is dan onder meer nogal begaan met de slechte inkomensposities van arbeiders, kleine boeren, en oudere winkeliers.

Tegelijk veranderen sommige zaken blijkbaar nooit in Nederland. Ook Pen kan met al zijn verstand niet bij de rare ontwikkeling van de woningmarkt hier.

Toentertijd was er woningnood. Tegenwoordig blijkt dat de meeste huizen veel te duur verkocht zijn — wat ook alleen kan als er kunstmatig schaarste gecreëerd is op zo’n markt. De enige manier waarop ik de ontwikkeling van de huizenmarkt in Nederland daarom verklaren kan, is uiterst cynisch. Bijna iedereen had belang bij hoge huizenprijzen — behalve degenen die voor het eerst een huis moesten kopen, en nog niet in het piramidespel mee speelden.

Nog altijd wacht ik op iemand die cijfers over het Bruto Binnenlandse Product van Nederland over de afgelopen decennia bijstelt door daar die valse lucht uit te laten lopen van de huizenbubble. Zodat bijvoorbeeld zou kunnen blijken dat heel veel jaren aan ‘economische groei’ alleen op papier hebben bestaan.

Deze bundel van Jan Pen viel me nog niet mee — al zette hij me hier en daar dus wel eens tot een eigen gedachte aan. De column die ik laatst in een bloemlezing las, was aanzienlijk beter. Maar jaren later geschreven. Voor een groter publiek bedoeld ook.

Waarmee niet gezegd zij dat Pen niet ook af en toe aardige uitspraken deed. Zo vindt hij het ergens nogal jammer dat er geen echte liberalen lijken te bestaan in de Nederlandse politiek. De partijen die zich met nadruk liberaal noemen, zijn dit namelijk helemaal niet.

Als mijn visie juist is, wordt het Nederlandse — maar niet alleen het Nederlandse — liberalisme overwoekerd door conservatisme, meritocratisme en neo-‘liberalisme’. Het heeft bijna geen eigen gezicht meer. Hoe dit te verbeteren?

Vóór alles door de ‘liberalen’ te scheiden van de liberalen. Er moet een Conservatieve Partij komen, die dan desnoods ook de neo-liberalen kan omvatten. En vervolgens door het liberalisme los te maken van de rancune. Een Partij van de Rancune zou óók heel verhelderend kunnen werken — als we een eerlijk volk waren, zou ze zeker een grote aanhang krijgen. Dat blijkt uit de oplagen van de bladen die dit publiek thans bedienen. [248-249]

Waarmee Pen dus terloops, twintig jaar voordat de partijen van het pure eigenbelang opkwamen — lokaal eerst, veelal als ‘Plaatselijk Belang’ — al signaleerde dat daar een logische plek voor zou zijn in het politieke spectrum.

Prof. Dr. J. Pen, Het aardige van de economie
253 pagina’s
Het Spectrum, 1969

Dat stomme economenvolk met zijn heilige koeien ~ Jan Pen

Misschien zou je altijd in clusters moeten lezen. Omdat dan nog zo veel duidelijker wordt wat de kracht van een schrijver is en wat zijn of haar zwakten.

Auteurs die hoogstens éen boek hebben uitgebracht, zouden zo bezien snel moeten worden herlezen — als de kwaliteit van hun werk daartoe tenminste aanleiding biedt.

Van de econoom Jan Pen las ik in korte tijd verschillende verzamelbundels. Daardoor kan ik redenen geven waarom Dat stomme economenvolk met zijn heilige koeien niet het meest interessante boek was van de vier. Ondanks dat het de beste titel voert. En ondanks dat het als enige in de basisbibliotheek van DBNL.org werd opgenomen; en dus in zijn geheel online staat.

Te veel uit dit boek is achtergebleven in de tijd; wat komt omdat de inhoud uit losse columns en artikelen bestaat. Hoe aardig het nu ook is om te lezen hoe Pen over het Peter Principe leert; wat maakt dat in hiërarchische structuren eenieder carrière maakt tot op het niveau dat hij of zij niet meer aankan.

Pen las ook het rapport van de Club van Rome; en was daardoor geschokt.

Die studie was daarbij verantwoordelijk voor de grootste wending in zijn gedachten. In het titelessay van het boek verdedigde Pen nog dat groei nut heeft; en economen daarom zo wellustig verslaafd lijken aan groei.

Dat een eeuwige economische expansie ook gepaard gaat met kosten was alleen niet meer zo makkelijk weg te wuiven toen ons milieurampen werden voorgespiegeld — door die Club van Rome. En dat standpunt nam Pen vanaf dat moment over. Zo is me dus uit zijn latere boeken duidelijk geworden.

Blijft staan dat ook deze bundel van Jan Pen me leesplezier bracht. Altijd is er te genieten van scherpe zinnetjes:

Er is maar éen economische wet: het moet uit de lengte of uit de breedte komen. De keuze tussen lengte en breedte is politiek of anders gezegd: we kunnen kiezen wat we willen, maar niet alles tegelijk. De verantwoordelijkheid voor die keuze kan geen enkele wetenschap van ons afnemen. [1967]

scheiding

Een van de redenen waarom kranten zoveel flut in hun inhoud doen is het vermoeden dat de lezer dit zal waarderen, en zal belonen met een duurzaam abonnement — een dubieuze kijk op het menselijk gedrag. [1971]

Verder viel aan deze verzameling onder meer op dat Pen al in 1975 voor meer samenwerking pleitte in Europa; zoals de invoering van een gezamenlijke munt.

Maar door mijn bekendheid inmiddels met zijn stokpaardjes vielen me het meest een aantal boekbesprekingen op. Zo is hij ineens onverwacht hard over John Kenneth Galbraith. Die had met The Great Crash, 1929 tenminste nog een boek geschreven met vele nieuwe feiten. Wat daarna kwam, was wel aanzienlijk minder — een grandioze stijl meer dan inhoudelijk van kwaliteit.

Jan Pen, Dat stomme economenvolk met zijn heilige koeien
254 pagina’s
Het Spectrum, 1976

Denken over geld en waarde ~ Karim Benammar sam.

Ergens aan de rand van het auteursrecht; daar waar de boekuitgevers nog altijd geld willen zien, maar leerkrachten en docenten dat domweg niet hebben, strekt zich een wat omstreden gebied uit. Een gedoogzone zo u wilt, waar onderwijsinstellingen doorgaans verblijven door slechts een generieke kopieerbelasting te betalen aan éen van die vele vage inningsorganisaties die in Nederland actief zijn.

Voor mijn studie geschiedenis werden nogal wat teksten gebruikt die in kopie met andere teksten in een bandje waren gestopt. Readers heten deze bloemlezingen bij ons. Klappers, zo heten ze elders. En dan zijn er vast nog meer benamingen voor ook — want zulke bundels met altijd wat onwelriekende en grijze kopietjes komen overal in het onderwijs voor.

En zelden zal de opgenomen auteurs om toestemming zijn gevraagd.

Des te meer valt het op dat serieuze uitgevers zich eigenlijk zo zelden aan dit genre wagen — dat ik eenmaal afgestudeerd vrijwel geen reader meer zag.

En geven ze toch een klapper uit, dan wordt veel moeite gedaan om de schijn op te houden dat er een eenheid in de opgenomen teksten zit. Dus staat er een essaytje vooraf in van de samensteller, die de inhoud alvast zo’n beetje samenvat. Of de lezer aangeeft waarop te letten.

Denken over geld en waarde is voor de verandering een als boek uitgegeven reader. Dus, hoera, alle opgenomen teksten zien er grafisch hetzelfde uit. 23 sleutelteksten met een wat afstandelijker kijk op economie dan normaal bevat het boek, volgens samensteller Karim Benammar.

De samenstelling op zichzelf is al een statement over economie en recht, zo lijkt me.

En de opgenomen teksten zijn nogal kort — enkele pagina’s op zijn hoogst. Bovendien heeft Benammar daar dan ook nog weleens in gesnoeid.

Kort is weliswaar goed om leuk even een harde paukenslag te krijgen, maar doet vervolgens toch verlangen naar wat meer context — die een docent dan had gegeven.

Vervelender voor mij nog was dat ik een vrij groot deel van de opgenomen teksten al gelezen had. Want waren de passages niet bekend, dan op zijn minst hun schrijvers wel. Dus had ik het boek niet gelezen waaruit de samensteller een gedeelte had gekozen, dan kende ik wel een vergelijkbaar boek van dezelfde gebloemleesde auteur, of waren hun ideeën me opgevallen door alle media-aandacht daarvoor. En Krugman, Taleb, of Adam Smith? Die komen zelfs al op boeklog voor.

Dus bleef er vrij weinig over dat nieuw was, en, belangrijker nog, dat mij nieuwsgierig maakte naar een onbekende auteur. Want, weliswaar is bijvoorbeeld nuttig dat Muhammad Yunus het microkrediet heeft bedacht, eenmaal met het verschijnsel bekend valt daar toch vrij weinig meer over te zeggen.

Econoom Jan Pen moest ik nodig eens lezen, zo maakte een column van zijn hand over ‘het genoeg’ me duidelijk. Alleen zou dat altijd al.

[ wordt vervolgd ]

Karim Benammar sam., Denken over geld en waarde
23 sleutelteksten
175 pagina’s
Parrèsia, 2013

Tegenspraak ~ Jan Pen

Pen hoort tot het zeldzame slag schrijvers dat beter wordt naarmate ze meer hebben geschreven. Al kan er ook een andere reden zijn dat een klein boekje als Tegenspraak uit 1995 prikkelender uitpakte dan zo veel eerder werk. Jan Pen [1921 — 2010] werkte aan een universiteit. Hij zal op zijn vijfenzestigste met emeritaat zijn gegaan.

En bekend is dat bijna alleen jonge en heel oude wetenschappers hun kont tegen de krib durven te gooien.

De jonge hebben nog geen reputatie te verdedigen. En de oudjes hebben al carrière gemaakt; die hoeven niemand meer naar de mond te praten.

In Tegenspraak reageert Pen op elf stellingen; en de eerste daarvan gaat zelfs over het verschijnsel groepsdenken:

Onzinnige ideeën, zoals de Culturele Revolutie (te beginnen in China, maar navolgend in Nederland) en de Tweede Terugkeer van Christus, hebben sterke samenbindende kracht; dat is de reden waarom ze stand houden tegen alle schijnbare redelijkheid in. De sleutel tot het bizarre ligt bij de dringende wens, deel uit te maken van het goede volk. Daar zou weinig op tegen zijn, ware het niet dat het bizarre doorgaans gericht is op uitsluiting van anderen, zoals buitenlanders, ongelovigen, ketters vooral. [6-7]

De manier waarop groepsdenken plaatsvindt op zijn werkgebied, de economie, is niet heel anders, zo moet Pen dan toegeven. Maar economen lijken toch ook weleens tot meer rationele discussie in staat. En zoals Karel van het Reve ooit idées reçues weerlegde in Uren met Henk Broekhuis, zo poogt Jan Pen dan in Tegenspraak om elf ideeën over economie en politiek eens sceptisch te bekijken.

Dat leverde twee voordelen op ten opzichte van eerdere uitgaven. Pen raakt van de dwang los om rechtstreeks op de actualiteit te moeten reageren; wat veel van zijn eerdere werk inmiddels oudbakken maakt. Evenmin schreef hij direct voor zijn vakbroeders, en de druk om helder te zijn en uit te moeten leggen, kwam de tekst ook ten goede.

En dan gaat het te ver om meteen maar eeuwigheidswaarde toe te kennen aan Pen’s woorden. Wat hem wel lukte, is om zijn ideeën zo op te schrijven dat ze later — zoals in de huidige crisis — nog van waarde kunnen zijn.

Zo heb ik iets tegen de nadruk die zo blind door politici, en de economen die hen ten dienste staan, op groei wordt gelegd. Want groei in het éen kan zo makkelijk ten koste gaan van iets anders. Het milieu bijvoorbeeld, om een algemeen voorbeeld te geven. Of het leefklimaat in de regio’s waar de economische activiteit juist afneemt.

En verdomd, Pen is dit dan met mij eens — wat ongetwijfeld mijn oordeel over deze uitgave kleurt:

Groei schept financiële ruimte, en maakt het regeren een stuk eenvoudiger. Maar die groei moet dan ook nog eens worden gegenereerd in milieuvriendelijke sectoren, anders raken we van de smerige wal in de vieze sloot. [56-57]

Het is kortom verleidelijk om op Jan Pen te gaan leunen, als autoriteit. Want over tal van gebieden waarop ik voor mijzelf problemen heb gesignaleerd, heeft hij al veel langer en dieper nagedacht. Weinig is prettiger om te lezen dan dat.

Krijgt de lezer enige kleuring daarbij — want als er al te grote verschillen in een land bestaan tussen de inkomens is dat niet goed, volgens Pen bijvoorbeeld.

Jan Pen, Tegenspraak
63 pagina’s
Academic Service, 1995

Vandaag staat niet alleen ~ Jan Pen

Aan vrijwel alle essaybundels die ik dezer weken lees van Nederlandse auteurs valt me iets op. Hoe hoog hun kwaliteit inhoudelijk ook zijn mag, doorgaans mist er iets heel basaals. De auteurs zijn nogal ernstig. Tot dodelijk ernstig aan toe.

Daardoor is het vervolgens alleen al een genot om een schrijver te lezen die wel met regelmaat lucht in zijn teksten wist aan te brengen. Zoals Jan Pen.

Pen schreef door de decennia heen 162 bijdragen voor het Hollands Maandblad, dat eerder Hollands Weekblad heette. Op het laatst van zijn leven bestonden deze essays vooral uit memoires en terugblikken. Eerder was vanzelfsprekend de economie gauw eens het hoofdonderwerp — al vond Jan Pen in dit periodiek nu net ook de vrijheid om over heel andere zaken te schrijven.

In de bundel Vandaag staat niet alleen zijn deze memoires verzameld, tezamen met wat oudere stukken die nog niet in eerdere bundels opgenomen waren.

Alleen de slottekst van Pen, over zijn Friese afkomst, kende ik al — ook omdat die relatief vervelend is, die gaat te zeer alleen over Friese woordjes. Verder was ook dit weer een rijk boek. Zelfs al is de auteur soms al te parmantig.

Bescheidenheid is een deugd, schreef hij, maar een deugd die ik niet heb.

Jan Pen stamde uit De Lemmer — dat lidwoord is belangrijk voor de inwoners — waar zijn voorvaderen een groothandel in netten hadden. Hij kwam via een betrekking als commies bij Economische Zaken uiteindelijk in de wetenschap terecht.

Was daar nog wat verzetswerk in de oorlog bij — hij ving in Amsterdam kinderen op die moesten onderduiken — en het gegeven dat hij mede daarom de loyaliteitsverklaring had getekend; iets waarvoor hij na mei 1945 nog voor een zuiveringscommissie moest verschijnen. Wie zo’n verklaring had ondertekend kon meteen na de oorlog bijvoorbeeld geen ambtenaar worden, of verder studeren.

Eén van de onderzoekers in de commissie — een gepatenteerde verzetsheld — bleek vervolgens wel eens een kind bij hem te hebben afgegeven.

En hoewel Vandaag staat niet alleen dus minder pure economie biedt dan Pen’s andere bundels, was toch juist éen tekst uit dit boek over dit onderwerp informatiever dan vrijwel alles dat ik van hem las. Jan Pen heeft namelijk ooit moeite gedaan om in een boek, Macro-economie: wat wij weten en wat wij niet weten, uit te leggen waarin economen tekortschieten.

Punt wordt dan wel dat deze omissies vervolgens geen reden mogen zijn om de inspanningen van alle economen meewarig af te doen. Volgens Pen. Juist niet, want zulk een schouderophalen zou nog kwalijker zijn dan beleid baseren op aannames die fundamenteel al niet kunnen kloppen.

Ik meen nog altijd dat de beroepsgroep een absurd grote macht heeft, afgezet tegen de betrouwbaarheid van hun voorspellingen. Maar, hij heeft me wel geleerd iets genuanceerder naar dit probleem te kijken.

Bood dit boek ook nog een terugblik in twee delen op de samenwerking die Jan Pen had met Jan Tinbergen — die met zijn econometrie de hele wetenschap een fundament zou hebben gegeven.

De extraverte Jan Pen kon over het algemeen goed overweg met de introverte Tinbergen. Zolang het gesprek maar niet over wereldpolitiek ging. Wat hij Tinbergen namelijk aan ideeën toedichtte — deze stond niet blind achter de staat Israël — zou indertijd nog tot reuring hebben geleid bij de eerste publicatie van de memoires. Maar dat is nu eenmaal gauw zo met opinies over dat land. De luttelste kritiek op politiek beleid van Israël staat voor sommigen al gelijk aan antisemitisme. Dus is er al gauw weinig linker dan andermans opvattingen over dit onderwerp door te brieven. Ook omdat daarbij o zo makkelijk nuances verloren gaan.

Jan Pen, Vandaag staat niet alleen
Essays & memoires
met tekeningen van Elise van Iterson
192 pagina’s
Hollands Maandblad & Nieuw Amsterdam, 2013

Wie heeft er gelijk? ~ Jan Pen

Ooit leek economie de koningin van de wetenschappen te kunnen worden. Hadden de beoefenaren niet zowel een grote praktische kennis nodig van de wereld als een grote theoretische basis? Moesten zij niet alleen weet hebben van politiek en handel, maar ook van de geschiedenis, filosofie, en psychologie?

Wie eens met een afgestudeerd econoom praat, kan ook zeker een heel aardig gesprek voeren. Helemaal om dan te merken hoe deze onbescheiden alles toch altijd weer naar economie toe praten.

En toch zijn ze medeschuldig aan alle crisissen van dit moment — behalve dan misschien aan die van het gebrek aan kwaliteit onder politici.

Terwijl dat schuldbesef ten enenmale ontbreekt.

Dus is het misschien vreemd dat ik Wie heeft er gelijk? van de Nederlandse econoom Jan Pen [1921 — 2010] een heel prettig boek vond. Ik heb het niet zo op zijn vakgenoten, en hij is dan toch een opvallende uitzondering.

Wellicht komt dit omdat hij nog kleurrijk mocht zijn als denker — daar waar de universiteiten hier sinds de jaren tachtig voornamelijk eenheidsworst zijn gaan produceren.

Zeker is dat Pen telkens aangeeft niet alles zeker te weten. Wat me erg voor hem innam. Een van de 44 hoofdstukken uit deze bundel gaat zelfs over alle keren dat hij iets verkeerd had gezien; ‘Ik heb wel eens ongelijk’.

En als Jan Pen duidelijke overtuigingen had, zoals over het milieu — dat ook toen al te makkelijk genegeerd wordt — of over inkomensgelijkheid, is ook telkens duidelijk dat dit zijn overtuigingen zijn. Waar vakgenoten steevast zo makkelijk een persoonlijk standpunt met veel rook en spiegels als een universele waarheid durven te verkopen.

Het best vond ik Jan Pen in deze bundel in de columns die hij schreef voor Het Parool indertijd. Wie heeft er gelijk? bevat namelijk ook niet eerder gepubliceerd werk, en opstellen voor vaktijdschriften. Maar juist die publicatie in een dagblad dwong hem tot een helderheid die ik zeer prettig vond. Daarbij deed Pen me in aanpak trouwens nogal denken aan Karel van het Reve.

Door dit boek ben ik bijvoorbeeld anders gaan denken over veel gemakkelijk gebruikte begrippen, zoals inflatie.

Want altijd dacht ik dat geldontwaarding enkel éen ding was. Misschien omdat het me verder de moeite niet waard leek om er over na te denken.

Pen maakt onderscheid tussen twee soorten inflatie.

Zo bestaat er bestedingsinflatie — die niet per se slechts is, als iedereen maar rijker wordt, mag alles met mate ook wel wat duurder worden; want daar wordt iedereen in een economie dan ook beter van.

En er is kosteninflatie — waardoor het leven wel degelijk duurder wordt, omdat de lonen juist achterblijven bij de stijgende dagelijkse uitgaven.

Auteurs, en helemaal non-fictie auteurs met een wetenschappelijke achtergrond, maken wat mij betreft geslaagd werk als ze iets schrijven dat me voortaan anders naar de actualiteit laat kijken. Dit kan dus ook heel goed met een column, ergens uit de jaren tachtig, waarin de recente Nederlandse geschiedenis even vanuit een nieuw perspectief getekend wordt. Wat voor soort inflatie was er toen, en welke hebben we nu?

Waarbij duidelijk is dat de geldontwaarding van het moment uit een kosteninflatie bestaat — en daar valt behoorlijk over te mopperen, want daar liggen zo gauw politieke keuzes aan ten grondslag.

Stonden er nog meer van dergelijke stukken in dit boek. Kreeg ik terloops toch iets aan inzicht mee.

Jan Pen, Wie heeft er gelijk?
De kunst van het redeneren en debatteren

256 pagina’s
Academic Service, 1989

Zo ver is de wetenschap ~ H. Bergman/H.J. Schoo (red.)

Schopenhauer schreef dat het kopen van boeken niet hetzelfde is als het zich eigen maken van de inhoud. Dit lijkt een dooddoener. En toch staat voor velen het hebben alvast maar gelijk aan het kennen. Ook ik heb me in jongere jaren schuldig gemaakt aan investeringen die zich wel nooit zullen uitbetalen. Zo kocht ik ooit in éen keer een paar strekkende meter aan Aula-pockets.

Het excuus luidde dat populair-wetenschappelijke boeken altijd nuttig zijn; al was het maar als naslagwerk. De ware reden was dat die pockets me een ouderwets dubbeltje per stuk kostten.

Van die vele tientallen boeken heb ik hoogstens een paar echt gelezen. Dit exemplaar heeft zeker vijftien jaar onaangeroerd onderin de kast gestaan. Tot ik door een radio-interview nieuwsgierig werd naar de in 2007 overleden H.J. Schoo.

Nu was H.J. Schoo slechts redacteur van deze bundel, en verder niet aanwezig. Maar wat is dit een rijk en feestelijk boek. En dan niet eens omdat het werd uitgegeven omdat de Aula-reeks op dat moment 25 jaar bestond. [Heeft de uitgever vorig jaar het 50-jarige jubileum gemist, trouwens?]

Dit boek bevat van een beknopt overzicht van wat er in 27 wetenschappelijke disciplines speelt, volgens een nauw daarbij betrokkene. Het is een werkelijk ideaal overzicht van waar al die universitaire faculteiten zich mee bezig houden. Met de nog open vragen, met de vele richtingenstrijdjes daarbij.

En goed, dan is misschien een klein nadeel dat het de stand van zaken toont van ruim 25 jaar geleden. Maar zo veel verandert er nu ook weer niet, in sommige disciplines.

Inspirerend vond ik bijvoorbeeld Else Barth’s indeling van de filosofie in verschillende ideaaltypen — die op zichzelf staand nooit voorkomen, maar in de combinaties met ander ideaaltypen alle stromingen in het veld beschrijven kan. Bescheidenheid over de pretenties van het vak ontbreekt overigens geheel.

  1. Filosofie gedefinieerd als ernstig zelfstandig nadenken over wat dan ook. […]
  2. Filosofie gedefinieerd als voorstadium van wetenschapsbeoefening. […]
  3. Filosofie als de weg ‘omhoog’. Anders gezegd: ‘de filosoof als de koning der wetenschappers’. […]
  4. Filosofie gedefinieerd als de studie van Grote Denkers. Oftewel: ‘de filosoof als pupil/adept’ […]
  5. Filosofie gedefinieerd als maatschappelijk bepaalde, theoretische ‘Überbau’ over belangrijke zaken […]
  6. Filosofie gedefinieerd als weg terug. Ofte wel: ‘de filosoof als hermeneut.'[…]
  7. Filosofie gedefinieerd als de weg vooruit. Of: ‘de filosoof als utopist’. […]
  8. Filosofie gedefinieerd als toegepaste kritische analyse. […]
  9. Filosofie gedefinieerd als synthese van de wetenschappen in hun huidige stand. Of: ‘de filosoof als integrator.’
  10. Filosofie gedefinieerd als beredeneerde Letztbegründung. Of: ‘de filosoof als grootmeester’. […]
  11. Filosofie gedefinieerd als intellectuele ophelderings- en renovatiedienst. Oftewel: ‘de filosoof als logicus,’ in de ruime zin van: analyserende én toetsende mededenker en criticus van oud en nieuw gedachtengoed, tevens slijter van betere denkvormen. […]
  12. Filosofie gedefinieerd als wetenschappelijk grondslagenonderzoek: ‘de filosoof als gespecialiseerde diepgraver.’ […]
  13. Filosofie gedefinieerd als (normatieve) metawetenschap […]
  14. Filosofie gedefinieerd als diachronische ideeëngeschiedenis: ‘de filosoof als genealoog.’ […]
  15. Filosofie gedefinieerd als onderzoek naar conceptuele dwarsverbindingen en logische structuren […]

Anderen hebben het wel over de pretenties van hun vak, om daar vervolgens vraagtekens bij te plaatsen.

Zo schreef J. Goudsblom over zijn vakgebied:

Waar het in de sociologie om gaat, is het inzicht in de problemen van het samenleven te bevorderen en de verwarring te verminderen die mensen telkens weer bevangt wanneer zij over deze problemen nadenken en discussiëren. Dit is geen geringe opgave. De problemen zijn ingewikkeld, en de verwarring is groot.

Jan Pen meldde:

De economen worden steeds knapper, maar ze krijgen steeds minder vat op de wereld waarin ze leven. Dat is de verwarrende indruk die men zou kunnen opdoen uit twee tegengestelde waarnemingen: een toenemende stroom van wetenschappelijke publikaties van hoge kwaliteit en een toenemende reeks van mislukkingen op het stuk van de economische politiek.

Ik kan helaas niet goed inschatten of dit boek me erg van nut zou zijn geweest voor ik een studie uitkoos. Dat zal wel niet. Studeren heeft toch ook veel met een wens tot het ontwikkelen van vaardigheden te maken — daar moet wel enige kans op zijn.

Misschien hebben al de beschrijvingen van al die wetenschappen vooral nut om Aula-pockets te verkopen. Maar dan nog vind ik het overzicht prachtig.

H. Bergman/H.J. Schoo (red.), Zo ver is de wetenschap
273 pagina’s
Uitgeverij Het Spectrum, 1982