Brieven uit Genua ~ Ilja Leonard Pfeijffer

Lezers zijn nogal wat wendbaarder dan schrijvers. Wat voor mij verklaart waarom ik menig auteur niet meer hoef te lezen na een keer of wat kennis te hebben genomen van hun werk. Van der Heijden moest vooral die dodelijk obese boeken blijven schrijven, en ik heb er al evenmin iets tegen dat Grunberg zijn benepen wereldbeeld blijft uitserveren in voorspelbare romans: zo lang ik die uitgaven niet meer hoef te lezen allemaal.

Dat werk brengt me domweg niets. Kan de hele wereld beweren dat ik iets missen zou, dat is niet zo.

Zijn er alleen ook auteurs over mijn oordeel weleens wisselt. Omdat een boek van hen mij nog wel prettig kan verrassen.

Ilja Leonard Pfeijffer is zo’n auteur. Al lag tot aan de roman La Superba mijn oordeel overigens wel vast. Die was tot dan een te vermijden snoever. Onecht. En beoordeeld naar de columns die hij in de couranten publiceerde al helemaal niet iemand met bijzondere eigen waarnemingen of gedachten.

Alleen werden zelfs zijn columns meer dan veel te voorspelbaar maakwerk op stukloon toen hij zijn Italiaanse ervaringen met het vluchtelingenprobleem begon te verwerken.

Nam het recente serietje TV-programma’s bij de VPRO over dit onderwerp me zelfs voor hem in. Met zijn hoofd zo duidelijk vermagerd sinds Pfeijffer van de drank af is. En met zijn onhandigheid ook om wel telkens in beeld te gaan staan, terwijl het toch net die ander was, waar hij mee praatte, die het woord dan had.

Vanzelfsprekend zou dat dan allemaal niet mogen meewegen. Tekst is in eerste instantie altijd enkel tekst. En ook monsters kunnen goede zinnen schrijven. Alleen betrek ik er toch mijn oordeel over de auteur bij als persoon, als er in zijn of haar boek iets gebeurt dat mij tegenstaat.

En bij Pfeijffer moest dat nu weer. Want na de positieve leeservaringen die La Superba brachten, en De filosofie van de heuvel, was het in Brieven uit Genua opnieuw niet goed. Daar zat op plaatsen weer een vervelend nare ronk in. De auteur heeft het dan goed getroffen met zichzelf; wat hij niet verhelen kan; ondanks dat dit boek ook een autobiografie is waarin mislukkingen beschreven worden. De man dronk namelijk nog, tot bijna op het laatst van dit levensverhaal, en dat zorgde weleens mede voor pijnlijke gezondheidsproblemen; zoals een hardnekkige fistel.

Aan het boek valt direct de keuze van de auteur al op om zijn autobiografie in zogenaamde brieven te willen doen. Omdat voor een brief normaal geldt dat die gericht wordt aan éen enkel iemand; wie vervolgens een heleboel zaken niet uitgelegd hoeft te krijgen — als er tenminste een band is tussen zender en ontvanger — terwijl van de Brieven uit Genua waarschijnlijk nu net gehoopt wordt dat velen die gaan lezen, wie juist bij alles uitleg nodig hebben.

Hebben brieven voor een boek als dit natuurlijk wel als enorme voordeel dat er geen vormeisen voor bestaan.

En dan is zelfs te billijken dat Ilja Leonard Pfeijffer het merendeel van zijn woorden richt tot Gelya Bogatishcheva — de vrouw met wie hij vanuit Leiden naar Genua fietste, en die nu weer uit zijn leven vandaan gevlinderd is. Van haar mag misschien verwacht worden dat ze weten wil hoe het verder ging.

Maar het verhaal over je jeugd doen in brieven aan je moeder? Rot toch op auteur. Die vrouw was er voor het grootste deel van de tijd bij, en bewuster dan u. De mijne vertelt me tenminste telkens nog over wat ik vroeger allemaal gedaan heb en ondertussen allang vergeten ben.

Of het verhaal van de studententijd en latere promotie vertellen in brieven aan je jongere ik? Met als viezige lading daarbij, dat, wat er ook gebeuren mag, je er in elk geval vaak genoeg iemand bij te neuken krijgt?

Was dit boek veel te dik, ook nog, mede omdat er een staand slot in moest. Pfeijffer verliefde zich in Genua in meer dan de stad alleen.

En ondertussen bleef ik als lezer op mijn honger zitten, op zijn Vlaams gezegd. Want de kwaliteit van het gebodene varieerde me te veel. Pfeijffer schmiert me te gauw; er schijnbaar op vertrouwend dat het domme lezerspubliek toch wel onder de indruk raakt van een goed geschreven zin of drie. Maar boeken bestaan toch echt uit meer dan taal alleen.

Tegelijk geldt dus ook dat ik vermoed dat deze schrijver beter kan; en daarom blijf hopen nog eens een boek van hem te lezen waaraan dan niet zo kleeft dat er even flux iets in elkaar gezet worden moest voor de centen..

Ilja Leonard Pfeijffer, Brieven uit Genua
752 pagina’s
De Arbeiderspers, 2016
privé-domein nr. 282

Eerst de waarheid, dan de schoonheid ~ André Klukhuhn & Toef Jaeger sam.

Geen moeizamer leesteksten dan lezingen. Het oor heeft nu eenmaal meer taal nodig voor een goed begrip dan het oog. Clichés die al luisterend niet eens herkend worden, omdat ze enkel glijmiddel zijn in het betoog, zien er op papier in druk al gauw ontluisterend onnozel uit.

Als een lezingenreeks dus ooit nog tot boekuitgave leidt, dan zou dat moeten als in Eerst de waarheid, dan de schoonheid gebeurd is. Deze bundel verscheen eerst in 2004, terwijl de opgenomen teksten gebaseerd zijn op voordrachten die al in 2000 werden uitgesproken.

Toen organiseerde Studium Generale Utrecht samen met de Stichting Literaire Activiteiten daar een reeks lezingen over de vraag: Wat is belangrijker, schoonheid of waarheid?

En waar ontmoeten die twee elkaar?

Opvallend is dan dat de filosoof Jaap van Heerden amper vijf bladzijden nodig heeft voor zijn betoog over ‘Verbeeldingskracht in literatuur en wetenschap’. Waar Herman Franke er bijna dertig gebruikt, om te schrijven over de relaties tussen criminologie en literatuur.

Opvallend veel Nederlandse criminologen van de vorige generaties waren namelijk ook literatoren. Arnold Aletrino, J.B. Charles, Andreas Burnier, Manuel Kneepkens, Peter Hoefnagels. En later ontbrak die vanzelfsprekendheid. Maar kwam dit dan omdat in hun tijd het eigen vak te kalm was, terwijl de misdaad daarna sterk is toegenomen?

Een groot nadeel van bundels als deze is wel dat ze eigenlijk alleen nut hebben om met nieuwe schrijvers of denkers kennis te maken. Want, hun teksten worden altijd sterker binnen de context van hun eigen boeken.

Vincent Icke deed nog zo veel meer met zijn fascinatie voor Christiaan Huygens. En zelfs samensteller André Klukhuhn heeft elders inhoudelijker geschreven over wat hij als verschillen ziet tussen ‘de twee culturen’. Van Heerden’s betoog staat beter in zijn eigen boek.

Dus gold persoonlijk simpelweg dat een boek dat ik uitkoos omdat er zo veel auteurs aan mee hadden gewerkt die ik waardeer juist daardoor wat tegenviel. Omdat ik hun werk al kende, was er te weinig nieuw. De bundel deed me wat denken aan zo’n overzicht dat in december wordt uitgezonden op TV, van alle rampen die in een jaar gebeurden, of wie er allemaal een sportwedstrijd won. De beleving mist dan altijd die er eerder wel was.

André Klukhuhn & Toef Jaeger sam.
Eerst de waarheid, dan de schoonheid
Beschouwingen over wetenschap en kunst

174 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2004

Filosofie van de heuvel ~ Ilja Leonard Pfeijffer & Gelya Bogatishcheva

Er bestaan avonturen en avonturen. En in deze rangschikking scoren voor mij de vermijdbare episodes niet heel hoog.

Een groot deel van het avontuur in een klassiek geworden Nederlands reisboek bestaat er bijvoorbeeld uit dat de auteur met te weinig geld te laat in het seizoen op pad ging. Dus zou de winter ongenadig toeslaan onderweg. Terwijl dat allemaal niet had gehoeven.

Ook bij het reisboek De filosofie van de heuvel speelde mee dat de schrijver daarvan en zijn vriendin dan, een fotografe, onvoorbereid op de fiets naar Italië vertrokken. Voeg daar bij dat ik Pfeijffer niet helemaal vertrouw als auteur. En daarmee is te verklaren dat ik deze uitgave bewust jarenlang genegeerd heb.

Ik koester mijn vooroordelen weleens te veel.

Had ik me daarmee al die tijd alleen wel éen van de beter gelukte boeken ontzegd over een fietsreis.

Het genre is in praktijk dan ook vrijwel onmogelijk. Alleen al omdat de auteurs het doorgaans nalaten om over het belangrijkste onderdeel schrijven. De beweging. Het fietsen. Dat simpele onderweg zijn. Boeken over fietsreizen gaan normaliter vrijwel alleen over de momenten dat er niet wordt gefietst; en dit deugt er voor mij dan principieel al niet aan.

Maar Ilja Leonard Pfeijffer wist in zijn boek meermaals wel iets in woorden te vangen over die beweging. Wat dan mede kwam omdat hij zijn ongetrainde, in alcohol gemarineerde dichterslijf, aangekweekt om imposant over te komen, op een oude stalen racefiets over tal van heuvels en berghellingen te slepen had. Die veertig dagen onderweg van Leiden naar Rome.

Potsierlijk aan nogal wat hoger opgeleide mannen is alleen wel dat ze er zo verbaasd over lijken dat hun lichaam ook nog wat kan, dat deze prestatie vervolgens tot in het ridicule opgeblazen wordt.

Man neemt fiets mee naar baan in Londen, en rijdt daarop rond, en meent daarmee een filosofie van de fiets te kunnen beschrijven. Andere man sjort zijn logge lijf op de fiets over wat hellingen, en meent dat zijn gedachten voor het klimmen de filosofie van de heuvel opleveren. Een derde doet zijn middelbare-mannenlijf een marathon aan, en meent daarmee de filosofie van de duurloop vast te kunnen leggen.

Tja.

Aardigst aan Pfeijffer’s reisboek is dat zijn vriendin en hij deden wat elk zou kunnen, en bijna niemand doet. Iedereen met een beetje fiets kan daarop in een zomermaand naar Rome rijden; met een creditcard als voornaamste bagage. Zo’n reis gaat door ontwikkelde gebieden — zelfs al loopt het platteland van Frankrijk leeg — en de wegen liggen er al. Hoogstens is het uitkijken om niet dezelfde route te gaan rijden als de meeste vrachtwagens al doen.

Kwam daar de ongrijpbaarheid bij van Gelya Bogatishcheva, die het liefst in het moment leeft — en daarmee gaat dit boek ineens vaak over het nu. Van die reis toen. De beleving.

Biedt het boek vervolgens ook nog het verhaal voor de volgers van Pfeijffer over hoe hij uiteindelijk in Genua terechtkwam, en daar bleef wonen. Want Rome, als eindbestemming, was het toch niet.

Ilja Leonard Pfeijffer & Gelya Bogatishcheva, De filosofie van de heuvel
Op de fiets naar Rome

208 pagina’s
De Arbeiderspers, 2009

Grote baggerboek ~ Ilja Leonard Pfeijffer

Als iets een goede roman voor mij karakteriseert, dan wel de simpele eis dat ik het liefst heb dat zo’n boek me vergeten laat aan het lezen te zijn. Het grote baggerboek van de dichter en classicus Pfeijffer bracht daarentegen geen seconde uitstel van het ongeloof. Mij was binnen twee alinea’s duidelijk dat hier iemand vreselijk zijn best had gedaan om tekstjes te verzinnen.

Het grote baggerboek biedt twee stemmen, die hoofdstuk om hoofdstuk aan het woord zijn. De eerste is in het ergerlijk geconstrueerde volkse slang van een baggeraar, de tweede laat het kunstmatig ambtelijke taalgeluid horen van zijn behandelend geneesheer.

Zodra taal op zichzelf al iets wil zijn, gaan woorden mij gauw in de weg staan.

Komt nog bij dat het verhaal weinig voorstelde. Baggeraar ontmoet op karwei in het Middenoosten een weesjongetje, neemt het kind mee, wordt beschuldigd het verkracht te hebben, en komt onder behandeling van een psychiater, van wie hij schrijven moet. Deze psychiater wordt ondertussen verliefd op de vrouw van baggeraar, gaat daarin te ver, waarop wraak volgt.

Normaal zou ik een boek als dit dan ook schielijk terzijde leggen, om over te gaan op plezieriger activiteiten. Normaal biedt boeklog geen aandacht voor titels waar ik principieel al te veel mee mis vind om me te boeien. Dat Het grote baggerboek hier toch vermeld wordt, komt daar een ander trekje van Pfeijffer, dat ik anders ook te irritant vind om te kunnen waarderen, maar me nu ondanks alles toch even aan dit boek kluisterde.

De schurft heb ik aan schrijvers die pronken met hun belezenheid en eruditie; die klassieke tekstgedeelten naadloos in eigen werk opnemen, en daarna de lezer uitlachen die dit plagiaat niet opmerken. Pfeijffer is vaak zo’n auteur. Een pronker. Een poseur.

Die eer gunde ik hem niet, dus heb ik Pfeijffer’s taalmasturbatie grotendeels uitgelezen; als de literaire quiz: herken het citaat.

I.L. Pfeijffer, Het grote baggerboek
204 pagina’s
De Arbeiderspers, 2004

Schrijvers op reis ~ Privé-domein gaat op vakantie

Een kleine honderd deeltje privé-domein zijn er inmiddels geboeklogd. En dat had een reden kunnen geven om eens een wat langere beschouwing aan deze serie egodocumenten te wijden. Alleen lukt me dat niet. Over een serie is weinig anders meer te melden dan dat niet elk deel dezelfde kwaliteit heeft.

Bovendien is de betekenis van de serie privé-domein al even verandert — wat misschien mede komt omdat de uitgever de reeks heeft laten versloffen. Het meest recente deel, Schrijvers op reis, waarin een reeks aan Nederlandse en Vlaamse auteurs die toevallig een band hebben met De Arbeiderspers een verhaal of fragment publiceren, is op geen enkele manier een hoogtepunt te noemen.

De ondertitel ‘Privé-domein gaat op vakantie’ lijkt me zelfs leugenachtig. In weinig verhalen speelt vakantie namelijk een rol. Een verblijf even elders, à la. Daarmee houdt het gauw op.

Vrijwel geen van de auteurs is trouwens ook onderweg — voor mij altijd het belangrijkste deel van een vakantie — bijna iedereen is al op zijn of haar bestemming; en gauw ietwat losgeslagen daar, doordat in den vreemde zo veel vertrouwds van thuis moest worden losgelaten.

Privé-domein diende me ooit om schrijvers te leren ontdekken. Opname in de reeks alleen al was een aanbeveling. Lang geleden.

Vandaar toch dat ik Schrijvers op reis probeerde. Wellicht dat uit deze verzameling een interessante nieuwe stem zou opklinken die me naar een tot nu toe genegeeerd oeuvre leiden kon. Maar zo’n ontdekking zat er niet bij.

En ja, dat zegt evenveel over mij als lezer, of meer wellicht, dan over de opgenomen auteurs.

Dus blijf ik de deeltjes privé-domein koesteren die me kennis lieten maken met iets, in de jaren tachtig, dat me toen de toegang ontsloot tot wat veel groters. Canetti’s Wat de mens betreft. Handke’s Last van de wereld.

Dus is er de wetenschap ook dat er deeltjes privé-domein bestaan die ik nooit zal lezen, omdat ik die uitgaven al in de oorspronkelijke taal bezit; en daardoor nooit als onderdeel van die Nederlandse reeks heb kunnen zien.

En dus staat de vervelende constatering nog altijd die al deze jaargangen boeklog me bracht: dat heel veel deeltjes privé-domein merkwaardig bescheten bloemlezinkjes zijn van veel grotere egodocumenten. Wat het ook heel moeilijk maakt om nieuwe uitgaven in de reeks werkelijk nog onbevangen in huis te halen.

Schrijvers op reis
Privé-domein gaat op vakantie

264 pagina’s
De Arbeiderspers, 2013
Privé-domein nr. 276

Superba ~ Ilja Leonard Pfeijffer

In de 9½ jaar dat boeklog bestaat, is het vaker gebeurd dat een boek bekroond werd terwijl ik er juist iets over schrijven zou. Ankersmit won eens wat. Pfeijffer nu. En daarmee werden hun boeken ineens prestaties, waarover het nuttig is een mening paraat te hebben. Tallozen zien zich dan ook plots gedwongen om die mening nú te geven; omdat deze bevestigd is door de literaire bekroning.

Binnen zo’n bombardement aan opinies lijkt het plots ineens vrij zinloos ook een eigen standpunt te gaan verkondigen.

Toch moeten mijn indrukken over La Superba wel op dit moment uit mijn systeem — anders verdwijnen die, en krijgen andermans meningen plots wel de invloed die ze niet horen te krijgen.

En ik vond deze roman zeker een plezier om te lezen. Terwijl Pfeijffer toch nimmer mijn favoriete schrijver zal worden. Zijn boeken hebben voor mij immer een wat te benauwend gebrek aan bewegingsvrijheid — of noem het spontaniteit — belemmerd als ze zo vaak worden door aangekoekte lagen van literatuurgeschiedenis. Ik neem bij het lezen te veel kunstgrepen waar van de auteur. En ongetwijfeld zullen me nog vele trucs ontgaan zijn ook.

Ofwel, de schrijver is me al snel te aanwezig met imponeergedrag.

Zijn onderwerp redt hem ditmaal. Evenwel. En dat komt omdat er een grensgebied werd opgezocht, en op al zijn onzekerheden lijkt te zijn verkend. ‘La Superba’ is de bijnaam van de Italiaanse havenstad Genua. Die dus traditioneel al een grenspost was op de rand van land en water — of van zijn vaste bewoners en van alle stromen aan bezoekers.

Tegenwoordig ligt Genua ook aan de rand van het rijke Europa, en alle armoede daarbuiten.

Bovendien is Genua een Italiaanse stad, en daarmee een katholieke stad, wat een bezoeker van buiten er ook mee kan confronteren dat er plaatsen bestaan waar regels niet altijd regels zijn; anders dan in zijn eigen omgeving.

Door La Superba beweegt zich een grote Nederlandse schrijver, die flink zijn best doet om op een ingezetene te lijken. ‘Leonardo’ heet hij voor zijn Italiaanse gesprekspartners. Want dat ‘Ilja’ schept enkel verwarring.

Niet alleen ‘Leonardo’ probeert te lijken wat hij niet is. De hele roman bevat enkel personages die zich anders voordoen dan ze zijn.

Wat de roman dan rijk maakt, zijn de portretten van hen, en van de stad Genua.

Wat het boek toch een boek maakt dat ik niet snel zou herlezen, is dat, zoals gezegd, alle personages onbetrouwbaar zijn. Zelfs de stad Genua blijkt een labyrint te zijn, waarvan de straten zich ’s nachts stiekem verleggen, waardoor dat leuke pleintje van gisteravond de volgende dag niet meer terug te vinden is.

In alle levensverhalen speelt bovendien geld — of beter: dat verdomde geen geld, dixit J.C. Bloem — een bovenmatig grote rol.

Maar, aan grenzen, en op andere breukvlakken, tonen zich zo vaak de tegenstellingen van het moment het duidelijkst. Omdat het ene daar aanwezig is, en het andere ook nog voorkomt. En te weinig romanschrijvers lijken zich bewust van dit soort elementaire feiten.

Dus moest ik blij zijn met een boek waarin het eindelijk eens gaat over waarom Afrikanen naar Europa zouden willen — want hun verhaal vertelt iets over beide continenten. Zelfs al lijken de twee emigratieverhalen in La Superba nogal op elkaar; en tonen ze een soort algemeen gemiddelde van álle verhalen van niet-Europeanen die het hier wel even zouden komen maken. Beide gaan over mannen die hier meteen al stranden.

Want, tja, uiteindelijk deugde de verpakking vooral, ik werd soepel door dit boek geleid.

Ilja Leonard Pfeijffer, La Superba
Een roman

348 pagina’s
De Arbeiderspers, 2013