dit is het dossier:

Marja Pruis

© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden

 

19 boeken die ons boos maakten ~ Joost de Vries sam.

Het heugt me niet ooit boos te zijn geworden om een boek. Misschien doordat het schrift toch een laag aan abstractie inbrengt. Tussen de woorden van een schrijver en mijn begrip moet eerst nog een decodering plaatsvinden.

Boos kan ik namelijk wel worden om de toneelstukjes op televisie die dan doorgaan voor interviews met een politicus. Jan Peter Balkenende, de lul met vingers, riep soms zo veel afkeer op dat ik naar het TV-scherm ging schelden — al gold mijn woede misschien nog meer de journalisten van dienst die Balkenende altijd weer weg liet glibberen op diens immer onwelriekende vloed aan taaldiarree.

Dat mensen echt boos kunnen worden om boeken lijkt me uitzonderlijk — tenzij ze daarin persoonlijk rechtstreeks beledigd worden door de auteur.

Eigenlijk schiet me enkel Rushdie’s Satanic Verses als voorbeeld te binnen als voorbeeld van een boek dat nogal wat gerichte woede losmaakte. Al is de standaard ook wel absurd hoog misschien, nu enkel het tekenen van een cartoon, of het publiceren van een zwartgallig satirisch weekblad al tot moord en doodslag leiden kan.

Maar Rushdie’s vertaler naar het Japans werd doodgestoken. Zijn Noorse uitgever neergeschoten.

Aan de bundel Negentien boeken die ons boos maakten, dat werd samengesteld door de redactie van De Groene Amsterdammer, viel dus wat mij betreft op dat Rushdie’s beruchte roman daarin ontbreekt. Terwijl er onder die negentien essays toch nogal wat gaan over titels die de funeste invloed behandelen die immigratie zou hebben op landen in West-Europa.

Houellebecq komt langs, met Plateforme en Soumission. En zijn voorganger in provocatie Jean Raspail, met Le camps des saints uit 1973.

Thilo Sarrazin’s Deutschland schafft sich ab wordt behandeld. Eric Zemmour’s Le suicide français. Waar dan als tegengeluid enkel een Pleidooi voor radicalisering tegenover staat van Dyab Abou Jahjah — al lijkt me dat die tekst allereerst een luidkeels protest opriep van schrijvers die bij dezelfde uitgever zaten, en ineens hun fonds hadden te delen met ‘de pooier van de profeet’.[1]

Jahjah’s pamflet lijkt me ook geen boek dat we zullen blijven lezen — wat volgens samensteller Joost de Vries toch éen van de criteria was om opgenomen te worden in deze bundel.

En zou iemand echt nog al die tijdsgebonden uitgaven lezen waarvan de schrijver wilde dat we eens met een andere blik naar de Tweede Wereldoorlog keken, waar toen misschien even rumoer om was? Goldhagen’s Hitler’s Willing Executioners, of Van der Heijden’s Grijs verleden?

Er kleeft kortom wat willekeurigs aan de titels die behandeld werden in deze uitgave. Waar dan weer tegenover staat dat het altijd prettig is om essays te lezen die geschreven zijn zonder de hijgerige en gemaakte opwinding van de actualiteit, die menige boekenbijlage zo kwelt, omdat ook de ontvangst van een boek in de tijd eens kan worden meegenomen; en er daarmee relativering ontstaat. De Groene stelde eerder twee vergelijkbare bundels samen; die zouden mede daarom de moeite waard kunnen zijn.

Aan de in dit boek besproken titels die leesbaar zijn gebleven, zoals Eenzaam avontuur of Lolita, kleeft immers enkel nog de zweem van een herinnering aan een schandaal ooit eerder.

En het essay van Marja Pruis over Mijn beter ik, van Renate Rubinstein, bijvoorbeeld, was gewoon als tekst al goed. Al confronteert zo’n essay mij er ook weer mee wat mogelijk zou zijn als ik eens wat tijd zou steken in mijn boeklogjes. Ook ik besprak immers dat boek.

Joost de Vries sam., Negentien boeken die ons boos maakten
Samengesteld door de Groene Amsterdammer

172 pagina’s
Amsterdam University Press, 2017
  1. dixit wijlen Theo van Gogh. []

Kus me, straf me ~ Marja Pruis

Na een paar weken lang vooral oude mannen gelezen te hebben, waarvan de meeste nogal een ego bezaten bovendien, dwong zich toch de vraag op of ik deze schrijvers bewust had uitgekozen.

Nu hoef ik hier, op boeklog, niets of niemand anders te representeren dan het lezende deel van mijzelf. Dat dan ook nog eens het liefst herleest. En onder al die duizenden titels eerder in mijn leven zijn het blijkbaar de boeken van goedbeschouwd nogal enge mannen die me het meest blijven intrigeren.

Ik herlees dan ook telkens lievelingsboeken; met het gevaar flirtend ze al doende te vernietigen.

En daar kleeft dus ook aan dat ik al die door mij tot autoriteit benoemde schrijvers opnieuw wil kunnen beoordelen.

Kan het me toch plagen zo veel minder vrouwelijke auteurs lijk te lezen dan mannen. Al is dat niet eens het enige probleem. Ik zou ook best meer Duits willen lezen — welke Duitstalige vrouwen zijn daarom interessant? — en meer Vlamingen v/m. En tegelijk is me al even duidelijk dat mijn vrije lezen slechts gedeeltelijk te sturen is. Een bedacht leesproject van een maandje lukt nog wel. Langer wil domweg niet. Langer wordt werk.

Niettemin, ik lees nu grof geschat éen boek van een vrouw uit voor elke vier à vijf boeken van mannen. En terwijl dit waarschijnlijk niet door een vooroordeel komt, heb ik geen andere goede verklaring paraat voor dit verschijnsel. Waarmee het dus wel iets is dat ik eindelijk eens zou horen te onderzoeken.

Tot het rijtje auteurs dat ik zonder meer hoog heb, hoort Marja Pruis. Zij het dat die bewondering dan allereerst geldt voor haar stukken in de Groene Amsterdammer. Er is geen professioneel lezer — man of vrouw, dood of levend — die ik momenteel net zo blind durf te vertrouwen op haar oordelen over boeken. Wat dan onder meer komt omdat ze niet alleen over Nederlandse titels schrijft van Nederlandse auteurs.

Haar bundel Kus me, straf me bevat alleen dan wel elementen waar ik als lezer niets mee kon. Pruis schrijft naast de kritieken ook romans. En in deze bundel zijn naast de beschouwende teksten over literatuur eveneens enkele korte verhalen opgenomen van haar. Omdat de fictie de beschouwing zou aanvullen, en omgekeerd. Maar laat ik zulke hybride boeken nu net niet goed lusten. Wat een principieel probleem is overigens. In dikke boeken over kunst kijk ik de plaatjes, en worden de essays overgeslagen. Dick Hillenius voegde in zijn boeken gedichten toe tussen zijn essays, en op die plaats kon ik daar niets mee. Daartoe moesten ze eerst in éen band verzameld worden. Al is zelfs dat nog geen garantie. Het lukte me bijvoorbeeld nooit om éen verhalenbundel uit te lezen van Joseph Epstein, terwijl diens essays me zelden teleurgesteld hebben.

Dus heb ik de vrijheid genomen om de verhalen in Kus me, straf me over te slaan, voor nu.

Bleef er nog genoeg te lezen over, en daarmee om over na te denken. Al was het alleen al over wat Marja Pruis te melden heeft over vrouwelijke auteurs en hun positie in het literaire pantheon.

Wij lezers zijn volgens mij geneigd een tekst anders te waarderen al naar gelang een man of een vrouw de pen voert. Niet voor niets hebben vrouwelijke auteurs door de eeuwen heen de vluchtroute gezocht via een sekseneutraal of een mannelijk pseudoniem. De keren dat het andersom gebeurde, dus dat een mannelijk auteur zich met een vrouwelijk pseudoniem tooide, was dat uit parodiërende of commerciële motieven. Nooit omdat hij nu eindelijk eens gelezen wilde worden om wat hij waard was.

Was, als lezer, zoals altijd ook interessant om te zien wat Marja Pruis over haar persoonlijke leesgeschiedenis opmerkt.

Inmiddels ben ik een ongeduldige lezer. […]

En haar conclusie kan niet vaak genoeg herhaald worden dat er geen enkele consensus bestaat onder professionele lezers wat nu een geslaagde roman mag heten. Waardoor de jubelzang in recensies over het zoveelste meesterwerk van dit jaar nogal kan bevreemden.

Misschien heeft het te maken met mijn ‘innerlijke bibliotheek’, een term afkomstig uit Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen van de Franse literatuurprofessor Pierre Bayard. Als we het over een boek hebben, aldus Bayard, dan gaat het nooit alleen over dat ene boek, maar altijd meteen via dat ene boek over alles wat we gelezen hebben, al die boeken die ooit een diepe indruk maakten en die we sindsdien met ons meedragen, koesterend en wel. Die boeken maken ons tot wat we zijn, en kunnen niet worden aangevallen zonder dat wij ons gekwetst voelen in het diepst van ons wezen.

Zulke passages als die hierboven tekende ik onder meer aan, omdat ze mij ook weer iets nieuws leerden over dit boeklog — zoals dat de website mij nu juist dwingt om alle boeken van een schrijver op te zoeken als hij of zij een paar geslaagde heeft gemaakt; alleen al om het hier niet telkens over dezelfde titel te hoeven hebben die weer eens werd herlezen.

Is dat bewust herlezen van oude favorieten door mij dus ook een vorm van permanent zelfonderzoek — al gaat het mij er daarbij eerder om dat oordelen zo toevallig kunnen uitpakken; vaak te maken kunnen hebben met omstandigheden van buiten een boek.

Maar zulke ontdekkingen zijn alleen te doen als een schrijver het zware werk al gedaan heeft; als zij in detail heeft geschreven over hoe zij leest. Waardoor plots ook ineens opvalt hoe zeldzaam het is door iemand dit proces, dat al met de keuze begint welk boek dan te lezen, geconcretiseerd te zien worden; om er zo meer greep op te krijgen; en het begrijpelijk te maken voor anderen.

Marja Pruis, Kus me, straf me
Over lezen en schrijven, liefde en verraad

283 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2011