Jong in de jaren dertig ~ Paul Arnoldussen & Hans Renders

Het interview is bijna het moeilijkste genre in de journalistiek. Ik denk dat alleen de reportage nog net iets meer aan kwaliteiten vraagt. Maar helaas lijkt niets eenvoudiger dan het interview. Daarom zijn er helaas zo vreselijk veel talkshows op TV. Zeur maar net zolang tegen een ander aan tot die antwoord geeft, en hopla het lijkt of er een gedachtenwisseling plaatsvindt.

Bovendien hebben de mensen die op TV worden geïnterviewd meestal iets in de verkoop, wat evenmin bevorderlijk is voor het niveau.

Nee, omdat er zo verschrikkelijk veel slechte interviews uitgezonden worden, of gepubliceerd, is het nogal een verademing eens vraaggesprekken te lezen met mensen die niet op routine antwoorden. Een paar gesprekken uit deze bundel halen een hoog niveau.

Wel werd ik enigszins misleid door de titel. Die slaat namelijk op de leeftijd van de gesprekspartners — die vaak net na de Eerste Wereldoorlog zijn geboren — niet per se op die vreemde jaren dertig.

Bij het lezen bleek me trouwens ook dat ik de interviews al kende. Ze hadden al in Het Parool gestaan, in de tijd dat ik daar nog op geabonneerd was. Toch is het goed dat ze verzameld zijn, omdat sommige gesprekken elkaar aanvullen. Zelden heb ik terloops meer geleerd over het culturele leven in de stad Groningen voor de oorlog dan door dit boek. Het was een goede keuze om mensen te interviewen die iets in de cultuur hebben betekend. Al zal uit het rijtje gesprekspartners alleen schrijver Adriaan Morriën een beetje bekend zijn geweest.

Paul Arnoldussen & Hans Renders, Jong in de jaren dertig
Interviews

191 pagina’s
Uitgeverij Aspekt © 2003, tweede herziene druk

Onder ingenieurs ~ Hans Renders (red.)

Onder de terroristen die deze eeuw het meest bekend werden, blijken er bovenmatig veel een ingenieursopleiding te hebben gedaan. Waarom dat is, nodigt uit tot speculatie. En dan ligt het voor de hand om iets te zeggen over de neiging van ingenieurs om te willen handelen, en oplossingsgericht te denken. Ook als zij daartoe hun eigen terrein moeten verlaten.

Andere namen van ingenieurs dringen zelden door tot het collectieve bewustzijn. Hun vondsten worden weliswaar dankbaar gebruikt, maar voor brede erkenning is al een probleem dat vrijwel niemand er over nadenkt dat alles om hen heen bedacht werd door anderen.

De bundel Onder ingenieurs probeert een kleine rehabilitatie te geven van de Nederlandse ingenieur; onder meer door enkele portretten te geven. Want, zonder zijn goede werken zou een groot deel van het land niet eens bestaan, maar toch echt onder de zeespiegel liggen.

Dat leverde een wat wonderbaarlijk mengsel aan delen op. Variërend van een intelligente poging om The Two Cultures van C.P. Snow in zijn tijd te plaatsen door Klaas van Berkel, tot een wat plat essay tegen de verrommeling van het Nederlandse landschap door de architectuurhistoricus Auke van der Woud.

Goedbeschouwd lijken me ook bedenkelijk weinig stukken te gaan over een echte ingenieur; zo éen die hoger technisch onderwijs genoten heeft, en daardoor de titel ir. of ing. mag dragen.

Het dankbaarst was ik voor de geschiedenis van het Philips Nat. Lab. En voor de pure biografieën. Zo schreef Herman Broers een portret van Willem Johan Kolff; door wie technologie de geneeskunde binnen trad. Meest opvallende mededeling uit het stuk over zijn leven was dat het in zekere zin een geluk was dat hij de kunstnier uitvond tijdens de Duitse bezetting. Wetenschappers elders waren nog met dierproeven bezig. Kolff kon meteen op mensen experimenteren, waar hij misschien onder andere omstandigheden nooit toestemming voor had gekregen.

Dat de machine die hij maakte werkte, was dan weer zo’n vondst die iedereen ook meteen begreep.

Kolff emigreerde overigens al snel naar de oorlog uit Nederland, omdat hij door de betutteling van de autoriteiten in Nederland niet naar zijn zin werken kon. En dat lijkt me ook een tekenende opmerking.

Hans Renders (red.), Onder ingenieurs
Biografie & techniek

184 pagina’s
Boom, 2010

Zeven hoofdzonden van de biografie ~ Hans Renders

De biografie is een onmogelijk genre, zo heb ik herhaald op boeklog betoogd de afgelopen tien jaar. De enige portretten die me wel konden boeien, voldeden namelijk aan een hele reeks eisen.

Zo’n boek was dan op zich al goed geschreven; ongeacht de hoofdpersoon. Bovendien bleek er doorgaans een afstand in tijd te bestaan tot de periode waarin de geportretteerde leefde. Niet zelden werd zo’n gelukte biografie pas geschreven als er eerder al meerdere boeken over dezelfde persoon waren verschenen.

En dan wegen mijn eigen vooroordelen ook nog mee.

Van een biografie over Harry Mulisch bijvoorbeeld zou ik nogal wat eisen. Mulisch had een voor mij onverklaarbaar grote status als auteur in Nederland — ik kan hem namelijk niet serieus nemen omdat hij niet denken kon. [1].

De enige biografie over hem die ik daardoor zou lusten, moet dus ook verklaren hoe het kan dat zo’n ijdel warhoofd hier een enorme status kon krijgen; en zelfs hield nadat hij door mensen die wel iets wisten publiek toch grondig was ondergeschoffeld.

In De zeven hoofdzonden van de biografie geeft Hans Renders onder meer een beknopt overzicht van de soorten levensportretten die er zijn geschreven, en wie dat dan deden, de afgelopen honderd jaar. Dit boekje bevat een uitgebreide tekst van zijn intreerede, waarmee hij in 2008 bijzonder hoogleraar werd in de Geschiedenis en Theorie van de Biografie.

En Renders zag daarbij een tweedeling. Vanouds zijn er altijd al biografen geweest die iemand willen herdenken, en dit dan uit bewondering doen. Daarnaast staan dan degenen die pas een portret opstellen na kritisch bronnenonderzoek.

Beide hebben zo hun fouten. Want de bewonderaars is bijvoorbeeld te verwijten dat ze veel informatie over hun hoofdpersoon negeren. Ook al omdat ze nauwelijks onderzoek zullen verrichten.

Maar ook de ijverige onderzoekers maken vergissingen. Zo noemde Renders enkele biografen die veel te dikke boeken schreven, omdat ze teveel ruimte nodig hadden om de tijd te schetsen waarin de geportretteerde leefde.

Is er tegen beide genres volgens hem in te brengen wat voor alle geschiedschrijving geldt. Over enkele decennia heeft een nieuwe generatie weer andere vragen bij het verleden. Renders is nu eenmaal opgeleid tot historicus, oorspronkelijk. Geen enkel geschiedenisboek, en dus ook geen enkele biografie, kan in deze opvatting de definitieve beschrijving bieden van een leven.

Van Harry Mulisch vermoed ik bijvoorbeeld dat hij gewoon de tijd mee had; en dat buiten-literaire omstandigheden meehielpen om zijn reputatie te vestigen.

Alleen, zou hij over veertig jaar nog door velen worden gelezen, dan heb ik hierin dus ongelijk gehad.

Voornaamste pleidooi van Renders lijkt me zijn wens tot terughoudendheid bij biografen. Waarin ik hem niet helemaal ongelijk kan geven.

Een goede biograaf streeft niet naar compleetheid; niets is zo vervelend als een biograaf die elk gevonden feitje wil verwerken, maar wel probeert hij antwoorden te formuleren op de door hemzelf gestelde onderzoeksvragen. In die onderzoeksvragen is het maar beter bescheiden te zijn. Een biografie heeft een beperkte houdbaarheidsdatum en de houdbaarheid zal niet verlengd worden door almaar meer ambitieuze onderzoeksvragen te stellen. Bij een actuele vraagstelling is de kans het grootst dat de eigentijdse lezer een biografie waardeert, en zonder contemporaine waardering is er voor een biografie geen toekomst. [53]

Hans Renders, De zeven hoofdzonden van de biografie
Over biografen, historici en journalisten

64 pagina’s
Bert Bakker, 2008
  1. De door Wim Noordhoek aangehaalde radiouitzending staat hier []