‘Alle cultuur is streven’

Eerder kwam op boeklog al de Huizinga-lezing van Rudy Kousbroek langs. Ook werd eens verwezen naar de voordracht die Karel van het Reve gaf. Dus lag het in de rede om te kijken of deze lezingen-cyclus meer spraakmakend materiaal had opgeleverd. En dan het liefst niet door van elk jaar apart het uitgaafje op te moeten speuren.

Deze bundel was wat dit betreft perfect. Het boek biedt een overzicht van wat de eerste vijftien sprekers brachten, vertelt iets over de achtergronden van de cyclus, en H.L. Wesseling geeft in zijn inleiding vaak ook al in bedekte termen een oordeel over het gebodene.

Sommige lezingen waren niet zo goed. Die van Mary McCarthy over de gothiek bijvoorbeeld.

Chomsky gaf de VS weer eens van alles de schuld, op een zo gechargeerde manier dat Europeanen er toch wat vreemd van opkeken.

En Mulisch, ach Mulisch kwam vanzelfsprekend de wereld uitleggen in het ene uurtje dat hem ter beschikking stond. Met alle kul over octaviteit die hem voor mij voor eeuwig hebben gediskwalificeerd als een serieus te nemen schrijver. Ik kan hem enkel nog lezen door in hem een charlatan te zien, die wil kijken tot hoe ver de wereld bedrogen kan worden.

Nu was Johan Huizinga een historicus. Wat er waarschijnlijk toe heeft bijgedragen dat nogal wat historici zijn uitgenodigd in de cyclus van dit boek. En hun lezingen zijn ook vaak het best houdbaar gebleken. Logischerwijs omdat een verhandeling over geschiedenis al gaat over iets dat verouderd is — daar krijgt de tijd veel minder extra greep op. In elk geval heb ik de historici met de meeste plezier gelezen. Zelfs al bracht alleen de verhandeling van Robert Darnton over sprookjes mij ertoe toch eens te kijken wat nog meer van hem te lezen is.

Sprookjes waren nogal wat ruwer, voor ze tot verhaaltjes voor kinderen bewerkt werden. Dat wist ik, in theorie. Maar zo veel ruwer?

‘Alle cultuur is streven’
De verzamelde Huizinga-lezingen 1972 – 1986

352 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1987

Karel van het Reve
Achteraf

Al jaren voor ik een abonnement op Het Parool nam, kocht ik de krant altijd op zaterdag. Dit was toen vooral om de pagina’s wetenschap, maar ook om wat columns, zoals die van Karel van het Reve. Als het geheugen me niet bedriegt, verschenen die eens in de veertien dagen met een tekening van Peter van Straten daar dan bij.

In dit boek is een ruime selectie van deze columns gebundeld, die geschreven zijn tussen 1988 tot 1996.

Die jaartallen alleen al maken duidelijk waarom ik het indertijd per se deze bundel wilde hebben. Achteraf is bijvoorbeeld het boek waarin Van het Reve het meest direct reageert op de val van het communisme. Zonder daarbij overigens ook maar enige triomf te tonen dat hij al decennia had geschreven hoe rot dat systeem wel niet was.

Ook is dit boek het vaarwel van een schrijver. Zeker als hij in de column ‘Afscheid’ uitlegt hoe veel moeite het altijd al kostte om iets aan Het Parool te leveren, en dat geheugenproblemen die hele gang nog veel zwaarder hebben gemaakt.

Oorspronkelijk had ik dit boek alleen maar even willen inkijken om zijn gedachten te lezen over het werk van de Amerikaanse schrijver John O’Hara. Daarvan heb ik bijna een verzamelbundel met verhalen uit, en zo mijn eigen ideeën over gevormd. [hier besproken]

Eenmaal bezig was het zeker geen straf het nog eens helemaal te lezen. Van het Reve had genoeg verleden om op terug te kijken, zonder zich alleen daartoe te hoeven beperken.

Karel van het Reve, Achteraf
408 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1999


Karel van het Reve
Arnon Grunberg leest Karel van het Reve

Er is herlezen en herlezen. Maar misschien heb ik nu eindelijk ontdekt waar het verschil hem in zit voor mij. Hoe meer ik van een tekst heb opgestoken, des te minder het lukt die nog eens te bekijken. Maar heb ik me vooral vermaakt, dan is herlezen al binnen vrij korte tijd straffeloos mogelijk.

Nu bezit ik een groot deel van de bundels van Karel van het Reve. En ik dacht altijd die voor mijn lol te hebben gelezen. Dat was zo, maar tegelijkertijd leerde hij mij ook veel. Al zat dat leren niet zo zeer in de kennis die hij overdroeg, maar in hoe die gepresenteerd werd; Van het Reve lezen, is voorgedaan zien worden hoe het gezond verstand zou moeten werken.

Dus kostte het me steeds moeite een boek van Karel van het Reve te herlezen. De kennis die ze me boden had ik gegeten, en puur vermaak waren die essays blijkbaar nog niet geworden.

Maar ziet, dan kiest Arnon Grunberg de stukken uit die hij het mooiste vond, en dan lees ik zo’n verzameling in een paar uur uit. Is meteen ook mijn onrust verdwenen nog eens wat te moeten doen met al die boeken van hem die nu maar stil op de plank liggen.

De voornaamste betogende stukken staan hier wel in. Iedereen moet op zijn minst eenmaal Van het Reve’s lezing ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ hebben doorgenomen om over de waarde van literatuurtheorie te kunnen oordelen, of kennis hebben gemaakt van zijn ideeën over stijl. Om nog maar te zwijgen over de noodzaak te weten wat er betoogd wordt in ‘De oneindige slechtheid van opperwezen’.

Op zijn minst.

Arnon Grunberg leest Karel van het Reve
333 pagina’s
Rainbow Pockets © 2004


Dimitri Frenkel Frank en Karel van het Reve
Brieven over Tsjechov

Niets heb ik met musicals. Al zullen er tegelijk vele liedjes zijn die ik mooi vind en toevallig wel uit een musical stammen. Maar een theatervorm waarin de acteurs telkens plots het toneelstuk stoppen om in zoet gekweel over te gaan, is me te bedacht. Een kunstmatig geheel, in plaats van kunst.

Neemt niet weg dat het wel interessant kan zijn om een briefwisseling te lezen over de totstandkoming van een musical. In dit geval dan de musical Tsjechov. Al werd mijn belangstelling vooral gewekt omdat de schrijver Dimitri Frenkel Frank in de jaren ’85 en ’86 per brief aan Karel van het Reve om raad vroeg bij de totstandkoming.

Tsjechov was vanzelfsprekend een onmogelijk onderwerp voor een musical — Frenkel Frank zou de eerste zijn om dit toe te geven — maar daarom juist interessant om te doen.

De vragen om advies varieerden nogal; van vragen over de uitspraak van Russische woorden, tot verduidelijkingen van de historische context, en de personages. Van het Reve gaf bovendien aan welke boeken voor Frenkel Frank nuttig waren om te lezen.

Aardigst vond ik de opmerkingen die Karel van het Reve plaatste over schrijven. Zoals zijn oordeel over bloemrijk schrijvende auteurs. Niet de hoeveelheid adjectieven is volgens hem bepalend, maar het feit dat zo veel schrijvers maar éen manier lijken te kennen om het bijvoeglijk naamwoord in te zetten — wat dan zeldzaam saaie zinnen oplevert.

Frenkel Frank schreef vaker brieven dan Van het Reve, en daarbij langer. Uiteindelijk zal zeker twee derde van het boekje uit woorden van hem bestaan. Maar dat is geen straf.

Dimitri Frenkel Frank en Karel van het Reve
Brieven over Tsjechov
Met liedteksten van Robert Long

141 pagina’s
De Prom Bibliofiel, 2000

Ger Verrips
Denkbeelden uit een dubbelleven

Aan het begin van deze biografie meldt de auteur Van het Reve’s boeken niet apart te zullen gaan duiden. Combineer dit met de wetenschap dat Ger Verrips ooit tot het partijkader van de Communistische Partij Nederland hoorde, en binnen een minuut was me duidelijk dat een groot deel dit boek me maar matig zou interesseren. Verrips is bovenmatig geboeid door de jeugd van Karel en Gerard van het Reve. In dat communistische gezin. Ik ben dat niet zo.

En niet eens omdat Theodor Holman’s biografie daar ook al over ging.

Het is simpelweg een kwestie van evenwicht. Ik vond het wat merkwaardig dat bijvoorbeeld bijna niets gezegd werd over het gezin dat Van het Reve zelf zou gaan stichten — maar dat alles vanuit die jeugd verklaard bleef worden.

Nu las het boek te zeer alsof de auteur op de helft besefte nog wel duizend pagina’s meer nodig te hebben, als hij zo gezapig doorging. En hup, toen moest het ineens met erg grote stappen.

Dit is jammer, omdat Verrips uiteindelijk wel degelijk een paar zaken voor mij in een breder perspectief zet. Dat had hij veel vaker mogen doen.

Zo was er het correspondentschap van Karel van Het Reve in Moskou. Weliswaar komt dit aan de orde in Met twee potten pindakaas naar Moskou. Maar het was prettig om te lezen wat er allemaal niet in dat boek staat. Zoals hoe het contact met die Russische dissidenten gelegd werd, en waar dat uiteindelijk toe leidde.

Ook twee andere zaken die eerder op boeklog genoemd werden, weet Verrips goed te plaatsen.

Bij het dispuut over de Huizinga-lezing ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ kiest hij wel wat de zijde van de gevestigde orde. Bijvoorbeeld door mee te gaan met wat Hans van den Bergh jaren later tegen Van het Reve inbracht. Terwijl ik nu juist — uit wetenschapsfilosofisch oogpunt — het steeds meer te prijzen vind dat iemand uit de literatuurwetenschap het waagde de pretenties van zijn vakgenoten onder uit te halen. Dat zo’n aanval niet subtiel kan, lijkt me daarbij logisch.

Grappig is daarentegen wel dat Verrips laat zien hoe Van het Reve’s onnozele vragen over de evolutietheorie nu juist Dick Hillenius en Maarten ’t Hart ontmaskerden, als biologen die hun vakliteratuur niet goed hadden bijgehouden. Hun replieken op zijn provocatie waren wat te neerbuigend.

Maar zo had ik dus graag meer uitgelegd gekregen.

Ger Verrips, Denkbeelden uit een dubbelleven
Biografie van Karel van het Reve

472 pagina’s
De Arbeiderspers, 2004
Open Domein nr. 42

Karel van het Reve
Freud, Stalin en Dostojevski

Omdat Marius wil niet in Joegoslavië wonen me wat tegenviel — het was te zeer verouderd — las ik deze bundel daar meteen achteraan. Die is van tien jaar later, dus ook nog van ruim voor de val van de muur, maar toch opvallend tijdlozer.

Al gaan artikelen over Freud, Nabokov, Stalin, of Dostojevski wel degelijk over al lang dode witte mannen, zij blijven toch nog wel even een onderzoek waard.

Van het Reve licht in dit boek onder meer uitgebreid toe waarom hij Dostojevski niet kan lezen. Die weerzin is misschien groter dan normaal, omdat hij wel geacht werd over deze schrijver college te geven. Tegelijk gebruikt Van het Reve de kennis die hij daardoor over het leven van Dostojevski opdeed, om kritiek op Freud te uiten. De Russische schrijver is namelijk éen van de weinige patiënten van wie de levensloop objectief te vergelijken is met de interpretatie door Freud daarvan. Daardoor valt op dat feiten voor Freud niet bijzonder zwaar tellen.

De laatste zestig pagina’s van deze bundel zijn gevuld met aantekeningen, die vrijwel zonder uitzondering werden herdrukt in Ik heb nooit iets gelezen. Slechts vijf stukjes blijven uniek voor dit boek.

Van de rest zijn de essays ‘Nabokov als docent’, ‘In memoriam John Collier’, en ‘In memoriam Sam de Wolff’ herdrukt in Een grote bruine envelop.

Uit wat er overbleef vond ik Van het Reve’s vergelijking tussen Tsjechov en Maarten Biesheuvel nog het aardigst, omdat hij daarin iets probeert te verwoorden over wat goed schrijven is. Tegelijk constateert hij dat de grootheid van beide auteurs er nu juist in zit dat ze het zich kunnen veroorloven algemeen geldende regels voor goed schrijven geheel te negeren.

Karel van het Reve, Freud, Stalin en Dostojevski
226 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1982

Karel van het Reve
Ik heb nooit iets gelezen

Toen ik dit boek voor de eerste keer las, direct bij het uitkomen in 2003, viel het tegen. Ik weet niet meer wat mijn verwachtingen precies waren. Misschien was mijn hoop een nieuwe Luisteraars! te krijgen. Uit dat boek bleek ineens dat Karel van het Reve allerlei columns op de Wereldomroep had voorgelezen die vrijwel niemand kende.

Misschien had hij meer van zulke trucs uitgehaald.

Ik verwachte iets nieuws, in elk geval. En las in plaats daarvan vele fragmenten die ik al uit andere bundels kende van Karel van het Reve. In dit boek waren alleen de aantekeningen erbij gekomen die wel in ‘Hollands Maandblad’ hadden gestaan, maar verder nooit ingeboekt werden.

Maar kijk, een paar jaar verder is mijn parate kennis over zijn oeuvre wat weggezakt. Ineens ook zijn de VS en Nederland heel wat meer politiestaat geworden. En plots vind ik het wel heel erg interessant wat Van het Reve allemaal schrijft. Zelfs als dit over het leven in de Sovjet-Unie gaat. Vooral als het over die periode gaat.

Mede hierom vind ik herlezen belangrijker dan lezen. Ik kan een boek gewoon op het verkeerde moment tegenkomen, en dan verkeerd beoordelen. Daarbij is een onderschatting misschien ietsje erger nog dan een overschatting; als een boek me niets lijkt te kunnen bieden, herlees ik het niet gauw.

Een belangrijke gedachte formuleerde Van het Reve bijvoorbeeld op de pagina’s 133 en 134. Als hij over het mechanisme nadenkt dat journalisten, of historici, altijd een motief toeschrijven aan iedereen die iets opvallends doet. Terwijl schrijvers waarschijnlijk gewoon allereerst willen schrijven, niet eens zo zeer omdat hij of zij per se iets te zeggen heeft.

Al zijn er ook weer auteurs die wel menen iets te zeggen te hebben; dat compliceert Van het Reve’s idee weer wat.

Op bladzijde 243 formuleert hij een paar regels die ik tekenend vind voor zijn inzicht, en ook voor zijn werk:

Mijn nadeel is […] dat ik duidelijk ben. Je kunt wat ik zeg of schrijf begrijpen. En als dat het geval is ben je al half verloren. Ik begrijp het, denkt de lezer of toehoorder, dus kan het nooit wat zijn. Een tweede ding komt daarbij. Anderen zijn imitabel. Zij doen iets, en na een tijdje kunnen hun studenten dat ook. Na een tijdje kan een leerling van Maatje of Sötemann of Fokkema of Ibsch net zo’n boek schrijven als zij. Maar geen van mijn leerlingen zal ooit een boek schrijven zoals ik.

Het is alleen Van het Reve gegeven in zo’n luttel tal woorden te duiden waarom zo veel mensen onleesbaar schrijven, en waarom hun onzin toch bewonderd wordt.

Karel van het Reve, Ik heb nooit iets gelezen
en alle andere fragmenten
384 pagina’s
bezorgd door Ileen Montijn en David van het Reve


Theodor Holman
Karel

karel

Dit is een biografie van Karel van het Reve, maar wel een wat merkwaardige. In het boek is er vooral aandacht voor zijn jeugd en vroege volwassenheid. Informatie die normaal wel ruim voorhanden is in biografieën, wordt niet gegeven. Met wie hij trouwde en hoe zijn kinderen heten, komt niet of amper aan bod.

Ook is het vreemd dat van zijn boeken eigenlijk alleen een vroege detective besproken wordt, omdat dit een soort sleutelroman was over de faculteit Russisch waar Van het Reve werkte.

Daarentegen krijgt iedere morzel proza die de man als puber voor jeugdblaadjes schreef nogal uitgebreid aandacht.

Dit is duidelijk iets voor doorgewinterde Van het Reve-fans. Uit het boekje wordt niet duidelijk waarom het een bijzondere man was. Dat is namelijk uitgangspunt voor de schrijver, en hoefde daarmee niet meer aangetoond te worden.

Theodor Holman, Karel
Zjizn njenoezjnogo tsjelovkeja

200 pagina’s
Uitgeverij C.J. Aarts, 1991


Karel van het Reve
Marius wil niet in Joegoslavië wonen

Een lezer ben ik, veel meer dan een bibliofiel. Toch kan een zekere drang tot volledigheid me niet worden ontzegd. Zo stak het me al lang dat van alle boeken die Karel van het Reve ooit uitgaf, ik deze niet heb.

Die twee romannetjes van hem heb ik ook niet, maar dat kan me nauwelijks iets schelen — die boeken vind ik niet bijzonder goed.

Nu kan ik afwachten of de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren dit boek misschien uitbrengt, of tot het Verzameld werk van Van het Reve er eindelijk is, of ik kan zo’n ontbrekend deel voor veel geld antiquarisch bestellen. Maar blind iets kopen doe ik zelden nog, dat heeft me al te vaak een dure niet opgeleverd. Het leek me in elk geval nuttig dit boekje dan tenminste nog eens te herlezen.

En hieruit bleek me dat aanschaf overbodig is. Een groot deel van de losse aantekeningen in dit boek komt namelijk voor in Ik heb nooit iets gelezen. Andere stukken zijn herdrukt in Een grote bruine envelop, of komen voor in Grunberg’s keuze uit Karel van het Reve’s werk. En wat niet in deze drie boeken staat, was meestal zo tijdsgebonden anticommunistisch dat ik heel goed zonder leven kan.

Ook de wat tegenvallende inhoud van een boek kan gelukkig maken. Een beslissing is genomen; een pijnpunt weggehaald. Het was misschien een wat merkwaardige reden om een boek te lezen — maar het maakt ook wel weer rustig om te weten dat ik het niet per se hoef te hebben.

meer Van het Reve op boeklog

Karel van het Reve, Marius wil niet in Joegoslavië wonen
En andere stukken over cultuur,
recreatie en maatschappelijk werk

170 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1970

Karel van het Reve
Met twee potten pindakaas naar Moskou

Ik moet dit boek ergens in de jaren tachtig voor het eerst gelezen hebben, toen Moskou nog altijd hoofdstad van een communistische heilstaat was. De omwenteling kwam daarna nog onverwacht snel. Maar al relatief kort daarop zou Met twee potten pindakaas naar Moskou uitsluitend nog beschrijvingen van een dystopie bevatten die niet meer was.

Tenminste, zo lees ik het boek nu. Als geschiedschrijving van wat ooit was, met soms verbazingwekkende beschrijvingen die aan een veel langer verleden doen denken. Al is meest verbazingwekkend nog wel de flaptekst, die enkel uit een briesende recensie over dit lasterlijke werk bestaat van communistisch voorman Marcus Bakker. [*update 3 iii 2009, die blurb was een pastiche van Karel van het Reve zelf. Zo geeft hij toe in het tweede uur van het Marathoninterview uit 1986].

Al verbaasden mij dan ook heel vanzelfsprekende dingen in de tekst. Bijvoorbeeld dat Van het Reve gewoon met zijn eigen auto naar Moskou reed, om daar correspondent voor Het Parool te worden. Weliswaar moest hij daarvoor via Scandinavië en Leningrad omrijden, maar het kon gewoon.

Helaas gaat bijna de helft van dit boek op aan drie lange stukken over de Russische revolutie die me werkelijk geheel niet interesseren. Daarentegen worden de contacten die Van het Reve had met Russische dissidenten in amper een zesde van de totale tekst afgedaan, waarschijnlijk omdat hij in 1970 nog mensen in gevaar bracht door al te open te zijn over het intellectuele verzet tegen het communisme. Toch zou ik daarom voor een vermeerderde heruitgave willen pleiten, waarin ook de herinneringen zijn ondergebracht die hij later nog over zijn tijd in Moskou publiceerde.

Nu was het boek wel erg dun.

Karel van het Reve, Met twee potten pindakaas naar Moskou
144 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1970


Jeroen Brouwers
Schemer daalt

Er zijn schrijvers die ik lees om hoe ze schrijven, en er zijn schrijvers die ik lees om hoe ze denken. En opvallend is dat die twee kwaliteiten vrijwel nooit samen vallen. Het is weinigen gegeven iets mooi te formuleren dat ook nog geheel waar blijkt te zijn, en verrassend, en nieuw.

Fictieschrijvers, en dan vooral de humoristen, zijn misschien heel wel in staat iets te bedenken dat op waarheid lijkt, maar dat is altijd een waarheid van het moment; een slechts even oplichtende vonk in de duisternis, die opmerkelijk snel uitdooft. Terwijl, als ideeënschrijvers en wetenschappers iets waars weten te formuleren, dit niet in hun taal gestold hoeft te blijven. Als zij iets goeds weten te brengen, leidt dat tot een begrip dat groter is dan de woorden alleen; dat zelfs op een andere manier van zeggen net zo waar kan zijn.

Dit gegeven maakt het grappig om een schrijver die ik om zijn taal bewonder — Jeroen Brouwers — te zien vitten op iemand die ik om zijn ideeën waardeer — Karel van het Reve.

Nu deed Brouwers dit al vaker. Hij wees er bijvoorbeeld op hoe Van het Reve dikwijls heel lelijk het woordje “dat” inzet; in sommige zinnen zelfs wel drie of vier keer. Lees zo’n zin hardop, en laat dit “dat” een beetje knallen, en de tekst klinkt meteen belachelijk.

Ik heb zelf ook een voorliefde om vaak en veel met “dat” te voegen of te verwijzen. Door Brouwers’ gehoon is dit hopelijk minder geworden.

Neemt niet weg dat ik veel van Brouwers’ kritiek op Van het Reve te zwaar vind aangezet. Of niet terzake vindt doen. Zo lanceert hij in De schemer daalt uit 2005 een frontale aanval op de tekst van een losse aantekening die Van het Reve ergens in de jaren zestig publiceerde. Niet dat ik Van het Reve’s werk zo goed ken, maar toevallig kwam ik hetzelfde citaat even later tegen in Marius wil niet in Joegoslavië wonen, dat hier overmorgen geboeklogd wordt.

Van het Reve is lui, zo vindt Brouwers. Hij moet alle verwijzingen die hij geeft verantwoorden, en die niet afdoen met vaagheden. Van het Reve is bovendien niet geestig, wat Brouwers heeft nooit ook maar éen keer om hem kunnen glimlachen.

Brouwers heeft niet helemaal begrepen wat Karel van het Reve voor schrijver was, lijkt me; zonder dat ik daarmee die man nu heilig wil verklaren. Veel van diens werk is zo meteen alleen voor historici nog interessant. Denkbeelden over en kritiek op het communisme zijn inhoudelijk niet vreselijk boeiend meer na de val de Muur; behalve als illustratie van een tijdsbeeld. Maar toch.

De schemer daalt is de zevende aflevering van Brouwers’ eenmanstijdschrift Feuilletons. Het bevat dezelfde mix aan autobiografische stukken, levensbeschrijvingen van anderen, en kritische collumnpjes van eerdere edities.

Jeroen Brouwers mag Van Het Reve dan verwijten dat die zo vaak thema’s recyclet, ook de onderwerpen in zijn eigen geschriften zijn voorspelbaar voor wie er meer dan éen heeft gelezen. Dat is enerzijds prettig — men weet wat in huis komt — maar anderzijds ook wat vermoeiend. Hoeveel werk er ook zit in Brouwers’ artikelen over schrijvers die zelfmoord pleegden, ik heb daar nu al te veel van gelezen die me werkelijk niets interesseerden.

Dat eeuwige terugkijken van hem gaat irriteren, op den duur. Al begrijp ik tegelijk ook wel waarom Brouwers die stukken schrijven moet. Wie in geschrifte iets doet met alle informatie in zijn geheugen, of wat er in aantekeningen begraven ligt, verrijkt die gegevens daarmee. Zulks is ook een belangrijke reden voor mij om boeklog te schrijven.

Ik vond in dit tijdschrift Brouwers’ beschouwing over het werk van Bob den Uyl aardig, al citeerde hij daarin wat veel. Ook enige autobiografische stukken had ik niet graag willen missen. Voor de rest was het wel erg marginaal waarover Brouwers zich boog, en daarmee uitermate makkelijk te vergeten.

meer Brouwers op boeklog

Jeroen Brouwers, De schemer daalt
Feuilletons 7

236 pagina’s
Uitgeverij Noli Me tangere, 2005

Uren met Karel van het Reve

Mijn geduld met vriendenboeken was nooit zo heel groot. Misschien komt dit omdat ik ooit een hoogleraar had die een aan hem opgedragen liber amicorum tot verplichte leerstof maakte. Maar Uren met Karel van het Reve lijkt me een opvallend gunstige uitzondering in het genre. Al was het maar omdat de man in deze bundel niet alleen maar heilig wordt verklaard.

Nu ja, Rudy Kousbroek doet wel degelijk nog een poging in die richting, door allerlei interessante motieven te ontwaren in Van het Reve’s vroege detective Nacht op de kale berg. Hij had me daarmee haast verleid het toch nog eens te proberen met dat boek. Maar nee, ik kan er werkelijk niets mee.

Interessant aan deze bundel vond ik onder meer de herinneringen aan Van het Reve als leermeester. Niet omdat deze ook een ideaalbeeld geven, maar meer om de impliciete ideeën achter Van het Reve’s methodiek. Hij probeerde zijn studenten niet alleen wat over de Russische letterkunde bij te brengen, hij probeerde ze ook tot denkende mensen op te voeden.

Eén van zijn oud-studenten verbaast er zich wat over dat hij achteraf moest horen dat Van het Reve het college geven eigenlijk een crime had gevonden. Vooral de werkcolleges waren erg. Hij had de studenten daar in een paar minuten kunnen vertellen, waar ze nu een uur over deden om zelf te ontdekken.

Tegelijk wijzen alle beschrijvingen over de colleges ook naar een karaktertrek die tegenstanders hem vaak verweten. Van het Reve maakte weleens een gemakzuchtige indruk, zo hem geen luiheid verweten kan worden.

Boeiend vind ik in dit verband ook de weerlegging die Hans van den Bergh in deze bundel geeft van ‘Het raadsel der onleesbaarheid’. Dat was de titel van de Huizinga-lezing waarmee Van het Reve de valse pretenties van de literatuurwetenschap zo vrolijk onderuit haalde.

Punt voor punt weet Van den Bergh wel iets af te dingen op de kritiek die Van het Reve had; onder meer door hem gemakzucht te verwijten. Toch mist hij daarbij de kern van het betoog, namelijk dat literatuurwetenschappers nogal eens dubieuze methodes toepassen, en daar pretentieus over doen. En ook schijnt Van den Bergh ontgaan te zijn dat zo’n Huizinga-lezing niet voor vakbroeders bedoeld is, maar een algemeen publiek trekt.

Dus stond Van het Reve voor de taak de toehoorders niet te vervelen, terwijl tegelijk op hem de enorme last rustte om te bewijzen dat helemaal niet deugde wat toch zo veel status had. Daarom kreeg die lezing een enorm aplomb. Net zoals Van het Reve’s eeuwige kritiek op de evolutietheorie eerder een soort onwil uit principe toonde, dan interesse in de details.

Ik denk dat deze bundel daarmee voor mij nog eens verduidelijkte waarom ik Karel van het Reve zo graag heb gelezen. Hij dwingt me om na te denken, zonder daarbij alle details al in te vullen. Die nuttig gemaakte argwaan is prettig; zelfs al gaat die dan soms aantoonbaar gepaard met gemakzucht.

Uren met Karel van het Reve
Liber amicorum

176 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1991

Karel van het Reve
Verbaast u dit, nuchtere lezer?


 
 

Elke bekende auteur heeft werken op zijn naam staan die nooit waren uitgegeven als hij geen bekend auteur was geweest. Dit is éen zo’n publicatie. Een curiosum.

In deze bundel staan zevenentwintig door Karel van het Reve bedachte limericks, en een in het Duits geschreven ballade.

De limericks zijn, zoals het genre voorschrijft, soms ietwat scabreus. De ballade is een gelegenheidswerkje dat voetnoten nodig had om begrepen te kunnen worden.

Ik heb er kennis van genomen. Er zal me in het geheel niets van bijblijven. Op de lange lijst van titels die ik nog niet kende, kan nu weer eentje worden doorgestreept. Soms is lezen helaas een soort boekhouden, waarin ik ook verliesposten moet aantekenen.

Karel van het Reve, Verbaast u dit, nuchtere lezer?
Zevenentwintig limericks en een ballade

36 pagina’s
C.J. Aarts, 1991

Karel van het Reve
Waarom Russisch leren?

Al eerder ging het op boeklog over de vraag hoe gemakzuchtig Van het Reve was. Deze gelegenheidsuitgave, met de tekst van een lezing, biedt wat dit betreft niets dat ten gunste van de schrijver kan worden uitgelegd.

Van het Reve begint er al mee om zijn publiek omstandig uit te leggen geen idee te hebben gehad waarover hij spreken zou. Toen heeft hij op een gegeven moment maar een titel opgegeven aan de organisatoren die hem uitgenodigd hadden. En even daarna wist hij al niet goed meer wat hij volgend op die titel had willen zeggen.

Nu ja, toch. De rest van de lezing probeert Van het Reve met anekdotes aan te tonen wat hem beviel aan het Russisch, en waarom hij blij was de taal op redelijk niveau te hebben leren beheersen. En daarmee zal hij ongetwijfeld zo’n hele zaal vol publiek best drie kwartier vermaakt hebben. Ik ben er hoogstens blij mee mijn compleetheidsdrang weer wat bevredigd te kunnen hebben — weer een titel van een lijstje door te kunnen krassen.

Ook ben ik blij dat dit niet het eerste boek was dat ik ooit van hem onder ogen kreeg.

Karel van het Reve, Waarom Russisch leren?
Voordracht in het
kader van de
Alexander Hegiuslezing 1991

47 pagina’s
Langhout & De vries, 1991