Heimweefabriek ~ Douwe Draaisma

Voor sommige boeken ben ik inmiddels te oud. Romans genoeg die je wel als tiener moet lezen, willen die impact hebben.

Douwe Draaisma, de hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie, lukte het om een bundel met artikelen te schrijven waar ik de eerste vijfentwintig jaar nog te jong voor ben. Al zal ik het boek ook dan waarschijnlijk stomvervelend vinden. Toch heeft hij me onbedoeld wel overtuigd dat het wijs is om boeklog bij te houden. Deze periode in mijn leven — en alles wat ik daarin lees — wordt makkelijk vergeten. Waarschijnlijk. In elk geval vond Draaisma dat bij oudere mensen vooral de herinneringen aan hun kindertijd en tienerjaren opmerkelijk helder waren. Dit in tegenstelling tot de decennia die daarop volgden. Zulks heet dan het reminiscentie-effect.

Goed aan dit boek is de uitleg hoe weinig wij weten over het menselijke geheugen. Draaisma heeft het erover dat wetenschappers wel honderden verschillende soorten geheugen onderscheiden — wat meestal betekent dat er maar wat gedaan wordt, en niemand het weet.

En juist omdat er zo weinig bekend is over het onderwerp, gaat Draaisma over tot wat ik voor het gemak nu maar de Sacks-aanpak doop. [Oliver Sacks wordt overigens ook geïnterviewd in deze bundel].

De Sacks-aanpak bestaat eruit dat je door ziektegevallen te beschrijven impliciet ook aangeeft wat nu gezondheid is. En voor mij zit daar strikt logisch geredeneerd een wat tergende paradox in.

In De heimweefabriek doet Draaisma dus moeite om te laten zien wat er overblijft aan geheugen bij mensen die gezien hun leeftijd al aardig wat geheugen kwijt zijn. Onder meer. Verder probeert hij uit te leggen wat het verschil is tussen normaal geheugenverlies bij ouderen, en beginnende dementie. Ook toont hij aan dat al die software om het geheugen te trainen alleen leert om beter met die software om te gaan. Dus staat er ook weer wijze raad genoeg in. Maar dat is allemaal wijsheid voortkomend uit een vrij beperkte ervaring. Meer niet.

Douwe Draaisma, De heimweefabriek
Geheugen, tijd & ouderdom

142 pagina’s
Historische Uitgeverij, 2008

Innerlijk oog ~ Oliver Sacks

In zijn schier oneindige vervolgreeks over mensen met interessante hersenkwalen ruimde Oliver Sacks in dit boek ook eens plaats in voor zichzelf.

Zo bevat Het innerlijk oog een dagboek over hoe Sacks in fasen het zicht in zijn rechteroog verloor. Eerst zorgde een tumor voor merkwaardige effecten. Later raakte de boel nog meer ontregeld door de behandelingen.

Kwam daar nog iets bij. Oliver Sacks was namelijk al sinds zijn jeugd verzot op stereofotografie, waarvoor iemand twee ogen nodig heeft. Dus, behalve het verlies van dat ene oog, was er ook het ontstellend nare bij-effect dat hij ineens geen diepte meer zag. De platheid van alles ontstelde hem.

Dit boek bevat overigens ook getuigenissen van hoe een vrouw het beleefde om na decennia ruimte te leren zien.

Toch vond ik dat andere persoonlijke verhaal van Oliver Sacks heel wat vreemder — zelfs al was me die ziektegeschiedenis bekend. Sacks herkent namelijk geen gezichten. Hij moet altijd afgaan op andere kenmerken van mensen, zoals haarkleur, opvallende wenkbrauwen, of kleding. Hij herkent zichzelf niet eens, in een onverwachte spiegeling.

Voor mij maakt dit met terugwerkende kracht al zijn verhalen wat vreemd. Al kan het goed zijn dat Sacks juist om deze handicap de ziektegeschiedenissen van zijn patiënten altijd goed bijhield. Misschien werden die mensen wel vooral hun afwijkingen voor hem.

Het verhaal over deze gezichtblindheid bij Sacks is alleen al eens indrukwekkender en grappiger verteld dan in dit boek gebeurt. In van podcast van Radiolab vorige zomer, getiteld ‘Strangers in the mirror’. Waarin terloops bijvoorbeeld ook gesteld wordt dat misschien 10% van de bevolking aan éen of andere vorm van gezichtsblindheid lijdt.

Ook de andere ziektegeschiedenissen in Het innerlijk oog hebben met het zicht te maken. Waarbij vooral de neurologische aandoeningen mij schrik aanjaagden dat het mogelijk is dat ook letters ineens onleesbaar kunnen worden.

Ik ben altijd het meest geïnteresseerd in hoe plastisch het brein vervolgens is. Welke hersenfuncties versterkt worden, door het uitvallen van andere. En hoe mensen worden, als ze niet langer hun vertrouwde gedrag kunnen vertonen.

Toch blijft er iets vervelend voyeuristisch kleven aan boeken als deze. Het blijft nu eenmaal altijd zieke aapjes kijken bij Sacks, waarbij het eeuwige excuus is dat zij ook heel wat vertellen over hoe wij in elkaar zitten.

Soms is de wetenschap werkelijk nog niet verder gekomen dan het aloude griezelkabinet.

Oliver Sacks, Het innerlijk oog
253 pagina’s
Meulenhoff, 2010
Vertaling door Han Visserman van The Mind’s Eye, 2010

Island of the Colorblind ~ Oliver Sacks

Had ik dit boek eerder ingekeken, en toen al snel weggelegd? Het kan ook zijn dat me de TV-beelden over Sacks’ reis me eerder bereikten dan dit boek. Waardoor het onderwerp misschien wel afdoende behandeld was. Ik kan me in elk geval niet herinneren dit boek eerder gelezen te hebben, en toch was een groot deel van de inhoud me wel bekend.

Kleurenblindheid fascineert me ook, vanwege mijn eigen mutatie. Maar mijn afwijking is hoogstens dat de kegeltjes in mijn oog het licht iets anders verwerken dan bij de gemiddelde mens gebeurt. Dus moet u mij nooit kleding voor u laten kopen. Tegelijk is mijn zicht in de schemering weer zo veel beter dan normaal dat ik dit een aardige compensatie vind.

De kleurenblinden in het boek van Sacks kunnen slechts kijken met de staafjes in hun netvlies, die wij vooral gebruiken om in het halfdonker ook nog iets te kunnen zien. Dit maakt hen ernstig bijziend, en bovendien overmatig gevoelig voor licht. Deze afwijking is bijzonder, want treedt heel zelden op. Maar omdat de genen er een belangrijke rol in hebben, wil die nog weleens voorkomen binnen gesloten gemeenschappen. Sacks is te beleefd om voor dit verschijnsel het woord inteelt te gebruiken, maar daar komt het natuurlijk wel op neer.

Het eiland van de kleurenblinden ligt in Micronesië, dus had de neuroloog Sacks ook leuk wat te vertellen over de reis erheen, en de rijke, maar afwijkende tropische natuur daar.

Een tweede opstel in dit boek gaat ook al over een reis naar een eiland in die Grote Oceaan, maar dan éen waarop opvallend veel patiënten zijn met een aparte variant op de Ziekte van Parkinson. Ook groeien er veel palmvarens; oerbomen die er al waren toen de dinosauriërs nog op de aarde rondliepen.

Beide delen van het boek zijn daarom een curieuze mengeling van reisverslag, botanisch dagboek, en medische verhandeling.

Nu blijft het altijd beschaafd zielige mensjes kijken met Sacks, want hij is natuurlijk een aardige dokter, met een lieve kerstmannenbaard. Maar ik merk dat mijn belangstelling voor dit genre boeken verdwijnt. Ja, misschien kunnen we meer leren over wat ons mens maakt door naar de meest afwijkenden onder ons te kijken. Mijn nieuwsgierigheid in deze bestaat alleen niet meer.

Oliver Sacks, The Island of the Colorblind
and Cycad Island

302 pagina’s
Alfred A. Knopf, 1997

Man Who Mistook His Wife For A Hat ~ Oliver Sacks

Nederland is een land waarin een optreden van de Jostiband primetime-televisie oplevert. Daarentegen moeten de liefhebbers van het Concertgebouworkest doorgaans wachten tot er na middernacht eens een concert wordt uitgezonden.

Ik vind daar iets van.

Ook al omdat het altijd gristelijke omroepen zijn die iets doen met die Jostiband. Waarmee het syndroom van Down ineens een wapen wordt in de strijd tegen abortus die sommigen blijven voeren; en daarmee dus munitie is in de stelselmatige vrouwenonderdrukking die nog altijd zo aan religie kleeft. Want kijk toch eens hoe blij mongolen kunnen zijn.

Die overdreven aandacht voor de prestaties van de geestelijke gehandicapte medemens komt alleen ook nog ergens anders weg.

En lang heb ik de neuroloog Oliver Sacks daar mede voor verantwoordelijk gehouden; wat altijd voor enige wrevel zorgde bij het beoordelen van zijn boeken. Wist Sacks niet immer weer briljante autisten te vinden? Liet hij niet hoogst amusante lijders aan het woord met Tourettes? Boden zijn boeken niet prachtige staalkaarten van hoe wonderbaarlijk het is wat er allemaal mis kan gaan met het brein?

Is zulk griezelen niet heerlijk?

Wat ik tot voor kort niet wist, is dat Oliver Sacks op zijn beurt een dissident was. Hij heeft er niet per se vrijwillig voor gekozen om interessante ziektegeschiedenissen in boekvorm te behandelen. Sacks was enkel niet zo geïnteresseerd in het soort wetenschappelijke artikelen dat de tijdschriften publiceerden in de jaren zestig zeventig. Hij wilde zo goed mogelijk verhalend beschrijven wat hij zag — indachtig zijn grote voorbeeld A.R. Loeria. Maar de mode in de wetenschap was nu net dat er vooral tabellen in de artikelen moesten, en statistieken met bloedwaardes, en andere schijnbaar objectieve maatstaven. Dus kon hij zijn medische bevindingen niet via de reguliere kanalen aan de wereld kwijt.

Oliver Sacks werd na zijn debuut Awakenings ook vrijwel doodgezwegen in het medische circuit. Terwijl zijn beschrijvingen in dat boek hem wel een literaire doorbraak opleverden; opvallend genoeg.

De cases die beschreven worden in de bundel The Man Who Mistook His Wife For a Hat zijn ook deels in boekenbijlagen gepubliceerd.

Dus mag ik het niet alleen aan Oliver Sacks verwijten dat zijn manier van werken anderen inspireerde. Of dat inmiddels zo veel documentairefilmers en programmamakers de abnormale medemens als dankbaar onderwerp hebben ontdekt. Misschien dat hij een kiem heeft gezaaid aan belangstelling. Maar vervolgens bleek de grond wel heel makkelijk in cultuur te brengen en vruchtbaar te zijn.

The Man Who Mistook His Wife For A Hat viel me overigens niet eens tegen, bij herlezing. Sacks probeerde in deze bundel toch ook nog altijd leraar te zijn, over neurologie, en over wat er zoal mis kan gaan in de hersenen. Het grootste gedeelte van dit boek gaat over allerlei manieren waarop iets in de hersenen kan uitvallen; en wat daar dan de gevolgen van zijn.

Mij viel zelfs op hoe terughoudend hij was als het gaat om de mensen te beschrijven die aan autisme leden, of Tourettes.

Maar dat zijn distantie opvalt, komt ook door de talloze beelden die sindsdien vervaardigd zijn van autisten, of Tourettes-lijders, danwel mensen met een pijnlijk geheugenverlies. Wij hebben deze al in al hun onmacht langs zien komen op televisie. De freakshow leeft nog immer voort, ook zonder de kermis.

Oliver Sacks, The Man Who Mistook His Wife For A Hat
And Other Clinical Tales

256 pagina’s
Touchstone 1998, oorspronkelijk 1985

 


Musicofilia ~ Oliver Sacks

Goed dat er eens een boek verschijnt over wat muziek met ons doet. Maar jammer dan weer dat het van de neuroloog Oliver Sacks is. Niet dat ik iets tegen Sacks heb. Ik vind alleen dat zijn methode wat beperkingen heeft.

En ja, daarmee zeg ik waarschijnlijk ook wat over de manier waarop wetenschappelijk onderzoek bedreven wordt naar menselijke vermogens.

Er komen weer tal van patiënten langs in dit boek, die vaak niet eens meer normaal functioneren, maar voor wie geldt dat muziek, en muziek alleen, hen tot opvallende daden aanzet. Elk boek van Sacks is zo’n verzameling ziektebeelden. En elke keer houd ik daar het gevoel over dat Sacks meent iets veelzeggends te kunnen melden over het algemene door vervolgens alleen het bijzondere te beschrijven.

Misschien kan dit moeilijk anders, maar zelfs dan zou een opmerking over de beperkingen van die methode toch ook voor de hand liggen. Sacks geeft overigens wel aan dat er betrekkelijk weinig onderzoek is gedaan, naar hoe wij muziek verwerken.

Ik blijf vaak iets van plaatsvervangende schaamte houden, als de optocht aan stakkers voorbijtrekt. Geweldig dat er in Alzheimer-patiënten nog een vonkje geheugen oplicht als er liedjes gezongen worden. En dan?

Het is opvallend dat muziek zo veel kan oproepen; dat muziek van alle kunsten het meest direct mijn emoties kan raken. Goed, dan kan ik zeggen, laat dat wonder dan een wonder blijven. Maar zo werkt wetenschap niet, of kennisvermeerdering voor mij persoonlijk. En ik geloof ook niet dat een verklaring van het mirakel het wonder minder groot zou maken. Integendeel.

Het interessantst vind ik dit boek daarom als het ingaat op wat bijna iedereen gemeen heeft in de beleving van muziek. Als Sacks verkent wat er gebeurt bij het luisteren, of het zingen, of het bespelen van een instrument. Maar daar is het weer veel te oppervlakkig over.

Oliver Sacks, Musicofilia
Verhalen over muziek en het brein

381 pagina’s
Meulenhoff, 2007
Vertaling van: Musicophilia. Tales of Music and the Brain

Schitterend ongeluk ~ Wim Kayzer (red.)

Ambitie is een mooi ding, zolang anderen daar niet onder hoeven te lijden. En een vraag is voor mij of Wim Kayzer met enkele televisieprogramma’s in de jaren negentig niet ambitie toonde van het verkeerde soort; hoe vaak die uitzendingen ook geprezen zijn.

Hij vertilde zich nogal aan sommige gesprekken. Omdat hij niet de neutrale vragensteller was die enkel zijn gesprekspartner liet schitteren. De mannen die geïnterviewd werden, waren onderdeel van een groter plan.

En dan zijn de meeste van zijn gesprekspartners beleefd genoeg om Kayzer vriendelijk te tolereren. Maar zo af en toe waren sommigen onder hen dat ook niet. En die gesprekken waren eigenlijk veel interessanter.

Ik herinner me een boeiende aanvaring tussen Wim Kayzer en een zwijgende J.M. Coetzee.

In deze bundel uit 1993 heeft vooral Stephen Jay Gould weinig geduld met Kayzer’s manier van denken. Hij vindt die ‘romantisch’.

Kayzer: Stel, u bent op zoek naar fossielen, bijvoorbeeld in de Burgess Shale, en u vindt iets eigenaardigs. Het ligt daar in uw hand, wat voor gevoel geeft dat dan? Gewoon: goh aardig een fossiel, een bijzonder fossiel en ‘Kijk, Charles kom eens hier, ik heb iets aardigs gevonden’, of…

Gould: Kijk, u bent nog steeds op zoek naar die grote Aha-Erlebnis. Als je een belangrijk fossiel vindt, besef je dat hoogstwaarschijnlijk pas als je thuis bent en het bestudeert, en waarschijnlijk is het bloedheet en al half vijf ‘s middags, zodat je alleen nog maar naar huis wilt…

Kayzer: Dat is niet echt de Aha-Erlebnis die ik bedoel…

Gould: U zult het niet uit mijn mond horen! Zo werkt het niet, en zo werken de meeste mensen niet, denk ik. Volgens mij is het een romantische mythe die zijn oorsprong vindt in de literatuur en de journalistiek. Het is allemaal een kwestie van karakter. Je hebt mensen die vreselijk opgewonden raken en beginnen te jubelen als ze iets nieuws en spannends zien. Grote ontdekkingen worden meestal niet gedaan op het moment dat je iets vindt, ze worden gedaan in de maanden dat je erover nadenkt. [117-118]

Aan het eind van het boek, of eigenlijk het TV-programma, werden de zes geïnterviewden nog eens bij elkaar in éen ruimte gezet. Waarbij Kayzer waarschijnlijk hoopte zo een wonder te kunnen oproepen.

En dit gesprek had ook wel enkele sprankelende momenten; ondanks de totaal geforceerde setting. Tegelijk duurde het veel te lang. En bleven enkele gesprekspartners veel te beleefd.

Ik weet niet meer of ik in 1993, bij de oeruitzending van Een schitterend ongeluk, alle delen gezien heb. En of de interviews toen niet door elkaar gemonteerd waren, in plaats van losse gesprekken te zijn; zoals in dit boek.

Wel weet ik voor het moment van uitzending al opvallend veel van de geïnterviewde schrijvers te hebben gelezen. Van Oliver Sacks had ik zelfs al boeken, net als van Stephen Jay Gould. Van Dennett kende ik werk, en waarschijnlijk van Stephen Toulmin ook al.

Nu zou ik alleen om die reden al niet meer kijken. Schrijvers moet je lezen. Schrijvers moet je niet in beeld zien stamelen over onderwerpen waarover ze al zo veel beter geschreven hebben.

Interviews met een auteur of wetenschapper hebben ook hoogstens twee functies. Ze kunnen absoluut dienen als een soort introductie tot zijn of haar werk; al was het maar door hun naam publiek bekend te maken.

En heel soms hebben interviews nut als de vragensteller zijn gesprekspartner kan prikkelen tot gedachten die deze nog niet eerder had geformuleerd.

Kayzer vind ik alleen geen geweldig interviewer. Kayzer had te zeer een eigen plan met de gesprekken om zich te willen laten verrassen. Kayzer wist te weinig van wetenschap. En Kayzer had een te willekeurige verzameling wetenschappers bij elkaar gezocht. Slechts Stephen Jay Gould wees hem er op dat hij daardoor makkelijk onzin kon oogsten.

Kayzer: Wat was er gebeurd als de dinosaurussen niet waren uitgestorven.

Gould: Dan waren ze er waarschijnlijk nog. [124]

In deze bundel was het interview met Sacks het slechtste, want een ongestructureerde brij — omdat de vragensteller te veel thema’s wilde aansnijden.

De rest was niet direct vervelend, maar ook niet per se vreugde verschaffend.

Maar ooit was dit dus televisie waar men over sprak. Wat dus maar weer aantoont dat het bij TV zelden om inhoud gaat. Het is allereerst de gebeurtenis die telt.

Een schitterend ongeluk
Wim Kayzer ontmoet Oliver Sacks,
Stephen Jay Gould, Stephen Toulmin,
Daniel C. Dennett, Rupert Sheldrake
en
Freeman Dyson
432 pagina’s
Uitgeverij Contact, 1993