Between Meals ~ A.J. Liebling

Drie van de acht stukken uit deze bundel zijn ook afgedrukt in het dikke overzichtswerk Just Enough Liebling. Maar dat wist ik vooraf. Dus maakte het zelfs niet uit dat ik de twee misschien wel beste verhalen al kende. Het ging mij erom te kijken of het loonde om alles van Liebling te gaan lezen.

Het is altijd goed om te weten welke boeken er zijn die de moeite van het lezen waard kunnen wezen. En dan zie ik mijzelf ook Liebling’s oorlogsreportages nog weleens kopen.

Between Meals bevat memoires die Liebling aan het eind van zijn leven schreef over de keren dat hij in Parijs verbleef. Zo mocht hij er ooit een jaar aan de Sorbonne studeren.

Dat jaar — in 1926 en 1927 — gebruikte hij dan weer vooral om te leren eten en drinken. Op dat moment denkend de gouden tijd van het Franse restaurant mee te maken, terwijl achteraf bleek dat die periode toen al op zijn eind liep. Klassieke gerechten, die tijd en moeite kosten om te bereiden, waren na de Tweede Wereldoorlog al helemaal nergens meer te koop.

Liebling weet dat probleem overigens aan een andere vloek; die van de doktoren. Hij haatte de banvloek die er over vet eten was uitgesproken, terwijl iedereen die iets van voedsel begrijpt, weet dat vet nu juist de smaak draagt. Hij was zelf dan ook dik.

Het is dan ook meer dan een genoegen alleen om hem over eten te zien schrijven. Of hem provocerend conclusies te zien trekken over eten en cultuur.

The Proust madeleine phenomenon is now as firmly established in folklore as Newton’s apple or Watt’s steam kettle. The man ate a tea biscuit, the taste evoked memories, he wrote a book […] In the light of what Proust wrote with so mild a stimulus, it is the world’s loss that he did not have a heartier appetite. On a dozen Gardiners Island oysters, a bowl of clam chowder, a peck of steamers, some bay scallops, three sautéed soft-shelled crabs, a few ears of fresh-picked corn, a thin swordfish steak of generous area, a pair of lobsters, and a Long Island duck, he might have written a masterpiece. [1]

Liebling maakt hongerig naar meer.

A.J. Liebling, Between Meals
An Appetite for Paris
with an introduction by James Salter

167 pagina’s
North Point Press 1986, oorspronkelijk 1962

Last Night ~ James Salter

Kranten proberen al enige tijd hun lezers te binden met producten die op zich weinig met het nieuws te maken hebben. Zoals flessen wijn. Of reizen. Of boeken die door anderen dan de redacteuren van zo’n krant geschreven zijn.

Zo heeft De Volkskrant momenteel een serie ‘grote verhalenvertellers’ in de boekhandels liggen. Die dan bestaat uit dikke verzamelbundels van Dahl, Wolkers, Márquez, Malamud, en Salter. Er even van afgezien dat deze reeks bestaat uit auteurs waar uitgeverij Meulenhoff toevallig nog rechten op had, vond ik de aanwezigheid van James Salter in het rijtje opvallend.

Hem kende ik niet als verhalenverteller. Wel van zijn autobiografieën, of van enkele voorwoorden.

En op zulke momenten is het een vreugde online voor bijna niets een recente bundel te kunnen aanschaffen, om te oordelen hoe goed James Salter als een verhalenschrijver is.

Alleen valt daar nog geen afgerond oordeel over te geven, na dit dunne boek.

Last Night bevat tien verhalen, en alleen het laatste, dat zijn titel aan de hele bundel gaf, bood me zonder meer het plezier dat een goed kortverhaal zo magisch maken kan. En dit kwam puur door de inhoud — het speelt met het taboe van de zelfgekozen dood, en onze angsten daarover — en omdat het slot nog zo’n fijne twist heeft.

Maar Salter moet het verder vooral van zijn taal en z’n timing hebben.

Hij is erg goed in dat wat literatuur nu net zo anders maakt dan alle andere kunsten: de soepel geformuleerde samenvatting. De tijd kan naar believen inkrimpen bij hem; een volgende zin kan het verhaal jaren verder brengen.

En ook zijn dialogen, waarvan er nogal wat voorkomen in de verhalen, laten de lezer genoeg ruimte voor eigen verbeelding.

Alleen interesseerden me zijn personages vrijwel nooit, of hun problemen. En evenmin ben ik nog te schokken door een plotselinge erotische wending in de vertelling.

Behalve dan in het verhaal ‘Last Night’, dat dan weer wel…

James Salter, Last Night
Stories

133 pagina’s
Picador 2006, oorspronkelijk 2005

Sport and a Pastime ~ James Salter

Soms heeft de voorspelbaarheid van de literatuurbijlagen toch nog nut. Als een auteur eenmaal bekend wordt, krijgt al zijn werk voor eeuwig aandacht. Zelfs al is dat niet zo goed. En ook al zaten er decennia tussen diens nieuwste roman en die daarvoor.

De overdreven lof voor James Salter’s [1925] boek All That This recent herinnerde me namelijk weer aan het bestaan van deze schrijver. En dus ook dat ik lang alles niet gelezen heb wat hij schreef, in jongere en krachtiger jaren. Terwijl die boeken me interessanter lijken dan de nieuwste uitgave.

Daarom las ik A Sport and a Pastime. Dat is een roman die me eerder nooit de moeite van het lezen waard leek, omdat het boek vooral bekend staat om zijn broeierige erotiek. Spraakmakend was die ooit.

En ik ben geen dertien meer. Als verkoopargument werkt zo’n eigenschap niet.

Dat er in de jaren zestig en eerder romans geschreven moesten worden omdat openlijke beschrijvingen van sex toen wel ineens mochten, is iets anders. Schrijvers kunnen een noodzaak zien in het verkennen van nieuwe vrijheden. Lezer zijn al gauw behoudender ingesteld; voor hen mag een herhaling ook van wat eerder zo gelukt is

Ik vreesde bovendien een misogyne roman te lezen te krijgen. Omdat bij auteurs van een zekere leeftijd uit de VS de mannen altijd te macho zijn, en de vrouwen al te dom willig.

En toen viel A Sport and a Pastime me behoorlijk mee. Al heeft de roman zeker ook irritante trekjes. Zo komt het verhaal — voor zover dat er is — tot ons middels een onbetrouwbare verteller. Die weliswaar tal van tekenende details geeft, maar deze heel goed verzonnen kan hebben.

Verder is het boek, zeker in de eerste hoofdstukken, nogal koortsachtig geschreven. De zinnen tellen hoogstens enkele woorden dan. Werkwoorden lijken op de bon.

En A Sport and a Pastime is het boek van een man, dat geschreven werd voor andere mannen. De vrouw in de relatie waar het hele verhaal om draait — het Franse winkelmeisje Anne-Marie — wordt telkens beschreven. Naar het uiterlijk van de mannelijke hoofdpersoon — de gesjeesde Yale-student Philip Dean — blijft het raden.

Ook aan verhaal is er niet veel. Dean blijft in een herfst tijdens de jaren zestig in Frankrijk hangen, vanwege dat meisje, en vast ook omdat hij niet weet wat verder te doen met zijn leven. Waarbij een vraag blijft wie of wat er eerst was.

Heeft hij ook nog geen geld.

Respijt wordt even gekocht door zijn retourticket in te wisselen voor Francs. En later kan hij weleens dollars bietsen bij kennissen. Tot het moment dat hij wel terug moet gaan naar de VS. Maar het boek is dan al in de laatste pagina’s aangeland — en die zijn de minste van het boek; vooral door het abrupte en voorspelbare slot.

Nee, het boek beviel me vooral door de roezigheid die het oproept. Voor een deel zit die in de voortdurende herhaling. Veel hebben Philip en Anne-Marie namelijk niet gemeen. Alleen passen ze lichamelijk wel goed bij elkaar. Dus zijn de meeste scènes in het boek steeds naar dezelfde handeling toegeschreven.

En Salter was gelukkig niet heel expliciet in het beschrijven van de sex. Wie opgroeide met de boeken van Jan Wolkers is het aanzienlijk driester gewend.

Het gaat me te ver om A Sport and A Pastime de geslaagde beschrijving te noemen van een verliefdheid — want het had de schrijver werk gevergd om de liefde tussen Philip en Anne-Marie langer te laten duren. En toch is de roman vooral dat: de beschrijving van een periode waarin twee mensen in elk geval éen ding hadden met elkaar.

James Salter, A Sport and a Pastime
200 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 2006, oorspronkelijk 1967

Writers on Writing ~ John Darnton (intr.)

Schrijvers die het over hun vak hebben, had ik daar laatst niet al een haast onafzienbare reeks interviews over doorgenomen? Dat klopt, maar deze essays uit The New York Times waren ook heel prettig om te lezen. Zelfs al hebben ze de pretentie niet de schrijvers te portretteren, laat staan zijn of haar oeuvre te duiden. Dit zijn gewoon aangenaam korte stukken, elk van rond de 1.800 woorden, waarin ervaren auteurs het over éen of twee aspecten van hun vak hebben.

Ik bedoel, net zo makkelijk had ik een boek gelezen dat ‘Loodgieters over loodgieten’ heette, of ‘Ambulancebroeders over ongelukken’. Maar schrijvers hebben nu eenmaal het voordeel gewend te zijn voor een publiek te werken, en zullen enige moeite doen de lezer niet te vervelen.

Verder is het moeilijk iets algemeens te zeggen over de uitspraken die ze doen. Behalve dan dat het me niet verbazen zou dat dit boek, en het tweede deel, ergens als lesmateriaal zou dienen voor een cursus ‘creative writing’. Terwijl dit toch geen kookboek is, met uitgewerkte voorbeelden. De recepten waarmee enkele schrijvers ooit succes kregen, leveren niet automatisch een ander iets pruimbaars op.

Niettemin:

artists are a lot like gangsters. They both know that the official version, the one everyone else believes, is a lie.

Russell Banks
undefined

I can’t remember how many times I advised students to stop writing the sunny hours and write from where it hurts: “No one wants to read polite. It puts them to sleep.”

Anne Bernays
undefined

Some of the most thoughtful if not ingenious criticism written today is written by critics of film who, often as not, address themselves to work that is hardly worth their attention. The most meretricious or foolish movie will elicit a cogent analysis. Why? It may be a film’s auspices that obligate the critics. But it may be that, however unconsciously, they mean to reaffirm or defend print culture by subjecting the nonliterate filmgoing experience, good or bad, to the extensions of syntactical thought.

E.L. Doctorow
undefined

Most writers write too much. Some writers write way too much, gauged by the quality of their accumulated oeuvre.

Richard Ford
undefined

I keep aiming toward that novel that is just that, a true novel, but a novel for our time, dealing with an essential theme and an essential message in a subterranean, carefully hidden way, a message like a snake in the grass, as Trollope put it. There’ll be no boy meets tractor, nor even a professor meets sophomore.

Hans Koning
undefined

For the past 30 years the greatest novelists writing in English have been genre writers: John le Carré, George Higgins and Patrick O’Brian.

David Mamet
undefined

to write is to practice, with particular intensity and attentiveness, the art of reading. You write in order to read what you’ve written and see if it’s O.K. and, since of course it never is, to rewrite it ? once, twice, as many times as it takes to get it to be something you can bear to reread. You are your own first, maybe severest, reader. “To write is to sit in judgment on oneself,” Ibsen inscribed on the flyleaf of one of his books. Hard to imagine writing without rereading.

Susan Sontag

* NB: de tekst van al deze essays, en nog enkele meer, staat ook online

Writers on Writing
Collected Essays from The New York Times
Introduction by John Darnton

268 pagina’s
Henry Holt and Company, 2001

** in dit boek zijn de essays opgenomen van:
[gelinkte namen verwijzen naar auteurs die al eens geboeklogd zijn]