dit is het dossier:

Michael J. Sandel

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Niet alles is te koop ~ Michael J. Sandel

Op éen dag kwam ik precies hetzelfde voorbeeld tegen bij twee verschillende auteurs dat goed zou illustreren waarom niet alles aan de markt kan worden over gelaten. Zowel Alan Bennett als de Amerikaanse politicoloog Michael J. Sandel hadden het daarbij over bloed. De kwaliteit van gedoneerd bloed neemt namelijk behoorlijk af zodra die handelswaar wordt.

In het Verenigd Koninkrijk met zijn NHS zijn de bloeddonoren vrijwilligers, die uit hooggestemde overwegingen iets terug willen doen voor alle gratis gezondheidszorg. In ruil daarvoor ontvangen ze dan een hete kop thee.

In de VS krijgen de donoren geld. Waardoor ineens andere overwegingen opgaan bij het geven. Doneren lijkt daar ineens op werk. Relatief slecht betaald werk dan ook nog, waardoor vooral de armsten zich geroepen voelen om bloed geven. En laten de armste Amerikanen nu net niet de meest gezonde leden van die samenleving zijn. Al helemaal niet als ze op straat zwerven.

Dat lijkt een helder voorbeeld om de zegeningen van de marktwerking behoorlijk te relativeren. Er bestaan dus maatschappelijke sectoren waarin de Staat zeggenschap moet houden, en zaken niet alleen aan het bedrijfsleven kan laten. Omdat geen Staat zonder samenleving kan. En geen samenleving enkel bestaat uit calculerende consumenten.

Maar het boek Niet alles is te koop pakte ondanks dit heldere voorbeeld helaas uit als een wat eenzijdig en oppervlakkig pamflet tegen de excessen van marktwerking.

De uitgave ware alleen al aanzienlijk sterker geweest als het voorbeelden had gegeven van waar marktwerking wel soelaas heeft geboden. Daar zijn er namelijk nogal wat van. Vooral door technologische ontwikkelingen, waardoor er nieuwe markten en producten ontstaan, lukt het namelijk steeds om oude monopolies weg te krijgen; waar iedereen dan wel van profiteert. Telefoneren is nogal wat goedkoper geworden in de loop der tijd, om dat sleetse voorbeeld maar weer eens aan te halen. [Politici gebruiken het altijd. Terwijl het niet helemaal klopt. Deze vooruitgang komt namelijk door almaar goedkoper wordende technologie. Niet door normale marktwerking. Die telefoniemarkt is ook nog steeds niet ‘vrij’. KPN kreeg bij de privatisering in Nederland bjijvoorbeeld alle telefoonkabels in de grond mee als bruidschat; waardoor het bedrijf een oneerlijk sterke concurrentiepositie heeft gehouden].

Waarmee tegelijk niet gezegd zij dat oude monopolies het zonder strijd opgeven. Alle gemier om het auteursrecht van de laatste twintig jaar komt doordat nogal wat industrieën hun ooit zo lucratieve bedrijfsmodellen niet willen bijstellen; en kapitaal genoeg hebben om politieke steun te kopen.

Tegen dit boek werkt ook dat Sandel een Amerikaans auteur is, en de VS zich nogal wat extremer toont in zijn eerbied voor de zegeningen van het kapitalisme dan wij in West-Europa gewoon zijn; met onze Rijnlandse variant van dat idee. De schrijver kan zich daardoor vrij weinig veroorloven in zijn tekst; anders had hij zijn oorspronkelijke doelpubliek onmiddellijk van zich vervreemd.

Sandel’s openlijke twijfels aan de markt zijn me daarom te oppervlakkig. Al zie ik best dat hij niet te ver kón gaan, om door zijn oorspronkelijke lezers niet meteen als communist te worden beschouwd, en daarmee automatisch als de baarlijke duivel.

Een boek over de zegeningen van de marktwerking in Nederland zou kortom een heel ander karakter hebben. Dat zou behandelen hoe de overheid hier allerlei taken had, die de Amerikaanse nooit bezeten heeft. Taken die langzamerhand werden afgestoten. Waarbij dat proces weliswaar vermarkting heette, en tegelijk doorgaans helemaal niet was. In werkelijkheid creëerde de Nederlandse politiek allerlei nieuwe monopolies en quasi-monopolies, die helemaal niet onderworpen waren aan de zo gewenste tucht van de markt.

Vergat men hier ook nog om goede controle in te stellen op deze nieuwe ‘bedrijven’, om nog een beetje garantie te hebben dat deze hun maatschappelijke taken redelijk zouden blijven vervullen.

Zagen vervolgens vele oud-politici zich geroepen om hoge functies op zich te nemen in dergelijke ‘ondernemingen’, en daarvoor onbehoorlijk hoge salarissen te eisen. Om nog maar een structurele weeffout te noemen die razend maakt.

Michael J. Sandel, Niet alles is te koop
De morele grenzen van marktwerking

240 pagina’s
Ten Have, 2012
vertaling van: What Money Can’t Buy, 2012

Pleidooi tegen volmaaktheid ~ Michael J. Sandel

Mijn boeklogjes over boeken met een zekere filosofische strekking zijn vaak uiterst kritisch. Simpel gezegd komt dit omdat er te makkelijk gelul verkocht wordt als wijsbegeerte. Terwijl voor mij geldt dat juist een filosoof geen onzin moet verkopen — geschoold als hij of zij is in de kunst van het redeneren.

Toch lijkt het of uitgevers andersom redeneren, en filosofen juist de meeste ruimte geven van iedereen om troebel te denken en onleesbaar te schrijven.

En van alle deelgebieden in de filosofie is de ethiek wel het moeilijkste onderdeel voor de beoefenaars. Dit komt wellicht omdat ethici niet slechts stellingen kunnen poneren vanaf de ijle hoogten hunner gedachten, maar omdat zij zich ook echt rekenschap moeten geven van wat er zoal in de werkelijkheid gebeurt.

Alsof dit nog niet moeilijk genoeg is voor hen, kampen de meeste ethici met nog een extra handicap. Zij beperken zich namelijk nooit tot een beschrijving van hoe het zit. De gemiddelde ethicus weet ook heel goed hoe het anders zou moeten.[1]

Maar zelfs beroepsfilosofen kunnen soms een waar woord schrijven als ze op iets moeten reageren dat in de werkelijkheid speelt. Dus las ik Pleidooi tegen volmaaktheid, van de Amerikaanse politiek filosoof Michael J. Sandel.

En daarbij trad al gauw de gebruikelijke teleurstelling op die zo kleeft aan het lezen van hedendaagse denkers. Die hebben er zo vaak een handje van om problemen te zien als verschijnselen zonder geschiedenis. Wat mij dan ergert.

Pleidooi tegen volmaaktheid deugt ergens nog wel als introductie in het onderwerp genetische modificatie en de mens. Want als wij of onze kinderen kunnen veranderen door technische vondsten dan zal dat gebeuren. Dus zullen er ideale sporters gekweekt gaan worden — waar blijft de gendoping overigens die me twintig jaar geleden beloofd werd? Dus zullen ouders hogere eisen stellen aan de kinderen die geboren mogen worden, als dat hun kinderen zijn.

Punt is alleen dat al deze verschijnselen nu ook al optreden, en deels altijd al hebben bestaan. Vroeger legde men simpelweg een kussen over het hoofd van een ongewenst kindje, tegenwoordig wordt zo’n baby misschien niet eens meer geboren. Het verschil voor de mensheid lijkt me uiteindelijk marginaal. Behalve dan dat de moeder voorheen voor niets alle barenspijn moest doorstaan.

Kinderen waren de hele geschiedenis niets waard, zoals Marja Roscam Abbing schreef. De huidige tijd is een uitzondering op dat patroon. In de Westerse landen dan. China en India verwijten dat daar zo veel minder meisjes hun eerste verjaardag vieren dan jongens, is negeren dat hier hetzelfde gebeurde.

Als in een samenleving vrouwen niets waard zijn, worden vele meisjes gedood na de geboorte, of tegenwoordig geaborteerd. En de ethicus kan mijns inziens niet anders dan constateren dat al dit gebeurt, en vrijwel geen bevolkingsgroep ooit vreemd is geweest; die moet van daaruit redeneren wat dan maakt dat hier nu wel vreemd tegen wordt aangekeken. Signaleren welke mechanismen daarbij momenteel spelen, biedt inzicht.

Ander voorbeeld. Dat mensen middels gentherapie intelligenter kunnen worden gemaakt, doet er weinig aan af dat in alle beschaafde landen het onderwijs geheel industrieel georganiseerd is. School haalt derhalve zelden het beste uit een kind.

Of. In de sport hebben genetische freaks nu al een voordeel, Dat verandert niet als er niet alleen zulke freaks bij toeval geboren worden, en ook een lab ze gaat maken. Voor de gemiddelde mens blijven dan wellicht enkel de spelletjes over om zich te fysiek te kunnen onderscheiden. Maar toevallig is éen zo’n spelletje, genaamd voetbal, nog altijd de best beloonde fysieke activiteit denkbaar.

Ofwel, alle voorbeelden die Sandel aandraagt, zijn telkens terug te redeneren tot eenzelfde probleem. Wat goed is voor het individu hoeft niet goed te zijn voor de samenleving. En andersom. Dus zou de ethische discussie over deze frictie moeten gaan. Alleen blijft deze constatering uit.

Sandel heeft daarentegen vrij uitgesproken ideeën over die verhouding tussen individu en samenleving; al gaan die dan vooral over wat de staat daarin moet of kan betekenen. Hij is bovendien Amerikaan, en kan, om zijn originele lezerspubliek niet meteen van zich te vervreemden, daarom niet al te stellig tegen de anti-abortus-lobby uitvaren.

Voor hem bestaat er een duidelijke grens — die hij beschrijft in de epiloog van het boek. Laboratoria moeten niet te zeer gaan knoeien met embryo’s heet het dan. Regels zijn noodzakelijk bij het onderzoek.

Maar die voor het onderzoek zo gewenste stamcellen kunnen straks ook uit andere lichaamscellen worden gemaakt — door die te deprogrammeren — dus lijkt de hele probleemstelling van dit boek uiteindelijk te zijn opgehangen aan éen heel tijdelijk probleem.

Mij lijkt het nu net onmogelijk goede regels op te stellen zonder besef dat veel van onze voor- en afkeuren ergens in wortelen. En dus dat ook ideeën over gentechnologie niet losstaan van veel grotere kwesties. Of dat er aan het gebruik van technologie door wetenschappers tamelijk veel onterechte angsten kleven — die stevig gevoed worden vanuit religie en de populaire cultuur.

Michael J. Sandel, Pleidooi tegen volmaaktheid
Een ethiek voor gentechnologie

115 pagina’s
Ten Have, 2012
Vertaling van A Case Against Perfection, 2007
  1. Iets dat zij overigens gemeen hebben met zo veel andere onwetenschappelijke zwammers, de economen. []