Aforismen ~ Søren Kierkegaard

Zou het de leeftijd zijn? Ik betrap mijzelf er op het werk van sommige ‘grote cultuurdragers’ inmiddels met lichte scepsis te lezen. Want, hoewel ik niets gepresenteerd heb, in het licht van de eeuwigheid, vergeleken met een Nietzsche of een Kierkegaard, is me éen ding toch wel gelukt. Ik heb hen in jaren overleefd.

Nietzsche stierf weliswaar pas op zijn 55-ste; een zinnig woord was er toen al even niet meer uitgekomen — nadat hij op zijn 44-ste een paard huilend om de hals was gevallen, plotseling krankzinnig geworden. In zijn laatste boek lijkt het verval me overigens al zichtbaar.

Søren Kierkegaard [1813 — 1855] werd 42.

En het is nog niet zo ver dat ik beide goedmoedig als jonge jongens zie. Maar tegen hen opkijken, lukt me ook niet meer.

Misschien weegt daarbij overigens mee dat leeftijdsgenoten ineens koning zijn geworden, en minister-president van het land. En ik aan hen al evenmin iets bijzonders kan ontdekken.

Met Kierkegaard heb ik lang geleden eens een rite gehad — er staat een heel rijtje boeken van hem in de kast. Maar het zou me niet lukken om zo even samen te vatten wat me van dat werk is bijgebleven. Behalve dan van die leerboekjes-weetjes; als dat de existentialisten in hem een voorganger zagen.

En de bundel Aforismen vermocht het al evenmin om me te verklaren waarom het ooit zo belangrijk leek me bij herhaling in deze schrijver te verdiepen.

Bij herlezing viel me allereerst op dat het een bloemlezing was, uit de dagboeken; gemaakt door de karmeliet Wim Scholtens. En die was vooral geïnteresseerd in Kierkegaard’s worstelingen met religie, die volgens mij zo vaak gelijk te stellen zijn aan worstelingen met de Deense staatskerk; en dus vaak problemen zijn met een verkalkte ambtelijke instelling.

Echte aforismen van het soort dat nu nog als pasmunt te gebruiken zijn, in een conversatie, staan eigenlijk niet in dit bundeltje. Hoe keurig Scholten de uitspraken ook onderverdeeld heeft op thema, en hoe netjes ze ook nummerde tot en met 486.

Uithalen las ik, van een jong lijkende man die weinig anders had dan zijn dagboek om zich uit te spreken over wat hem écht bezig hield — gezien het grote onbegrip van zijn omgeving voor deze inzichten. Van iemand die zijn onzekerheden zo vaak probeerde te overschreeuwen met nieuwe zekerheden van eigen makelij.

Desondanks tekende ik aan:

23
Toen ik nog heel jong was kon ik niet begrijpen hoe men het moest aanpakken om een boek te schrijven. Nu versta ik die kunst heel goed, maar kan ik weer niet begrijpen hoe iemand daar ooit plezier in kan hebben.

scheiding

105
Het smaakt altijd nog wel naar houtduif, zei het oude wijf en ze kookte soep van een tak waar een kraai op gezeten had.

scheiding

111
Men wordt tegenwoordig schrijver door te lezen, niet meer door originaliteit. En mens wordt men door anderen na te apen. Men is net als al die anderen en ergo is men mens!

scheiding

145
Toen in Holland de specerijenprijzen eens kelderden, stortten vele kooplui karrevrachten in zee om zo de prijs weer op te schroeven. Iets dergelijks hebben we nodig in de wereld van de geest.

scheiding

213
Hoe meer een mens aan de gewoonte toegeeft om overal aan deel te nemen, om overal bij te zijn, des te meer stompt zijn geest af en des te meer geluk zal hij in deze wereld vinden.

scheiding

214
Wat een mens waard is kan men afmeten aan het verschil tussen wat hij inziet en wat hij wil: alles wat daar tussen ligt is excuus en uitvlucht.

scheiding

217
De mens heeft de taal niet gekregen om zijn gedachten te verbergen, zoals men wel eens zegt, maar om te verbergen dat hij helemaal geen gedachten heeft.

scheiding

236
Vader in de hemel, op vele wijzen spreekt U tot de mens, want U wilt zich toch voor de mens verstaanbaar maken. Maar laat ons nimmer vergeten dat U ook spreekt als U zwijgt.

scheiding

276
Geloven is dat je tot elke prijs aan een mogelijkheid vasthoudt.

Søren Kierkegaard, Aforismen
verzameld en vertaald door drs. W.R. Scholtens

120 pagina’s
Ten Have, 1983