Die Kunst, Recht zu behalten ~ Arthur Schopenhauer

Gelijk krijgen interesseert me niet wezenlijk. Gelijk hebben is belangrijker, zo zeg ik Karel van het Reve na. Omdat gelijk hebben altijd gekoppeld blijft aan de vraag waarom iets dan wel zo is.

En er zijn slechts weinig eeuwige waarheden.

Maar, de wereld zit anders in elkaar. Die wordt de gelijknemers gedomineerd. En de argumenten, als die er al zijn, van deze lieden, deugen zo zelden.

Doorgaans is mijn reactie dan om dergelijke gebreken aan te wijzen. Zoals dat men te stellig was, over iets waarover nogal wat kennis ontbreekt. En merkwaardig genoeg wordt zo’n relativering van mij dan weer opvallend vaak arrogant geacht.

Nu zijn de gelijknemers ook op een andere manier aan te pakken. En Arthur Schopenhauer zette al begin negentiende eeuw op een rij wat daarbij zo enkele tactieken waren. Daarbij onderscheid makend tussen de aanval ad rem, en die ad hominem; ofwel worden de argumenten van de tegenstander gewogen binnen het grote geheel der dingen, danwel worden die aangepakt binnen wat deze verder nog voorstaat.

Dit leverde in totaal 38 debattrucs op.

Vele daarvan zijn in een paar woorden uit te leggen. Wie bijvoorbeeld zijn tegenstander kwaad maakt, schakelt daarmee ook diens oordeelsvermogen uit. Dus kan het lonen ruzie te zoeken.

Enkele kunstgrepen vergen meerdere pagina’s uitleg. Waarbij Schopenhauer met regelmaat teruggrijpt naar klassieke uitspraken over de retorica, zoals die al opgetekend werden door Aristoteles. De basis voor elke debater is ook gewoon dat deze geloofwaardig overkomt, de emotie van de luisteraars pakt, en iets vertelt dat logisch lijkt. Dit is millennia later niet anders dan toen.

Wat daarom ook opvalt aan de Schopenhauer’s opsomming is dat iedereen veel van de genoemde kunstgrepen al kent. Beluister bijvoorbeeld eens een interview met een willekeurige politicus — liefst éen met wat macht — en merk op hoe zo iemand voortdurend tracht de overhand te houden. Al was het maar door zich niets van de interviewer aan te trekken, en rechtstreeks het publiek toe te spreken.

Heeft Schopenhauer hiermee dan een boek geschreven dat voor iedereen nuttig is, in onze mediacratie? Nee, maar met enige bewerking zou deze tekst tot ver in deze eeuw dienst kunnen doen om debatten te leren ontleden.

Moeten er wel telkens nog wat dan actuele voorbeelden aan worden toegevoegd — want die veranderen wel.

Arthur Schopenhauer, Die Kunst, Recht zu behalten
In achtunddreißig Kunstgriffen dargestellt

92 pagina’s
Anaconda 2009, oorspronkelijk ± 1830

Er is geen vrouw die deugt ~ Arthur Schopenhauer

De hernieuwde kennismaking met Canetti en Frisch herinnerde me eraan hoe graag ik altijd Duits heb gelezen. Maar dan wel het Duits van auteurs die de taal gebruiken om helderheid te scheppen, want er bestaat ook een veel verhullend Professorenduits dat me vervult met een loeiende haat.

Komt het ook zo uit dat ik vooral graag chagrijnen blijk te lezen.

Misschien werd het daarom tijd om me weer eens in Arthur Schopenhauer [1788 – 1860] te verdiepen, vijftien jaar na de eerste ronde. En daarbij lag het voor de hand om met diens Parergo und Paralipomena te beginnen; die verzameling van losse essays, verhandelingen, uitspraken, en aforismen waar hij mee beroemd zou worden. Aan het eind van zijn leven. Nadat geen van zijn echt filosofische werken ook maar enige aandacht had getrokken.

Alleen bestaan die Parergo und Paralipomena [terzijdes en kliekjes] uit twee delen, van tezamen ruim 1.600 pagina’s. Die omvang alleen al staat vrolijke lezing in de weg. Zo’n bandje uit de kast pakken, staat gelijk aan het beginnen van een project.

Gelukkig dus maar — en dit schrijf ik bij uitzondering, want meestal ergert me de onvolledigheid in de reeks — dat er een deeltje privé-domein bestaat met een keuze uit de Parergo und Paralipomena. En tegelijk jammer dat dit boek begint met misschien wel het meest verouderde essay van Schopenhauer; waarin hij ongeremd mysogyn is.

Veel interessanter zijn de beschouwingen over religie, filosofie, of opvoeding en onderwijs. Maar het allerboeiendst zijn Schopenhauer’s formuleringen. Soms door zijn woordkeuze, maar vaak ook door hun resoluutheid.

Zij die door het bestuderen van de geschiedenis van de filosofie hopen filosoof te worden, zouden uit die geschiedenis beter kunnen leren dat filosofen alleen maar geboren worden, net als dichters, maar dan veel minder vaak.

[113]

undefined

Veel lezen berooft dus de geest van iedere elasticiteit, zoals voortdurende druk van een gewicht een springveer daarvan berooft, en het betrouwbaarste middel om geen eigen gedachten te hebben, is ieder vrij ogenblik een boek ter hand te nemen.

[168]
undefined

Studenten en gestudeerde mensen van alle soorten en leeftijden zijn in de regel alleen uit op de deskundigheid, niet op inzicht.

[176]
undefined

Alleen wie schrijft om wat hij te zeggen heeft, schrijft iets dat lezenswaardig is. Wat zou het een grote vooruitgang zijn, als in alle genres van de literatuur slechts enkele, maar dan ook uitstekende boeken zouden bestaan. Maar zolang er een honorarium te verdienen is, zal het wel nooit zover komen.

[184]
undefined

Een massa slechte schrijvers leeft alleen van de onnozelheid van het publiek dat niets anders wil lezen dat wat vandaag wordt gedrukt — de journalisten. Een passende naam! Vertaald betekent het: dagloners.

[185]
Arthur Schopenhauer, Er is geen vrouw die deugt
Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien
door Wim Raven

231 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1974
bloemlezing uit de uit Parergo en Paralipomena, kleine philosophische Schriften, 1851
Privé-domein 30

Handorakel und Kunst der Weltklugheit ~ Baltasar Gracián

Arthur Schopenhauer vertaalde het Spaanse woord prudencia met ‘Weltklugheit’. Terwijl de schrijver Theo Kars in zijn Nederlandse versie koos voor ‘voorzichtigheid’.

Beide vertalingen zijn mogelijk; al heb ik geen idee wat de belangrijkste zeventiende-eeuwse Spaanse connotatie was bij het woord. En die zal er zijn geweest. Prudentie is ook éen van de vier klassieke kardinale deugden — en daarvan zelfs de belangrijkste.

Voor de keuze gesteld ben ik geïnteresseerder in lessen wereldwijsheid dan in aanwijzingen om voorzichtig te zijn. Zelfs al komen beide waarschijnlijk op hetzelfde neer.

Gracián’s Handorakel heeft me alleen nooit zo veel gezegd, in welke taal ook. En dat was bij deze herlezing niet anders. Een sluitende verklaring waarom er altijd die afstand blijft, kan ik alleen niet geven.

Al zijn er evenmin andere boeken uit 1647 die me wel onverkort kunnen boeien.

Wellicht is de tekst me gewoon te katholiek schijnheilig. Ik kan bijvoorbeeld niet zoveel met uitspraken zoals nummer 126, dat je je fouten altijd zo goed mogelijk moet verbergen. Zelfs niet als ik zo’n stelling toereken aan een man die de gelofte van gehoorzaamheid heeft afgelegd, en die functioneren moest binnen strikt hiërarchisch georganiseerde structuren.

Ik lees er decennia aan ontkenning in binnen de Rooms-katholieke kerk dat hun priesters niet van kinderen konden afblijven.

Ik zie in te veel van Gracián’s driehonderd aanwijzingen het goedpraten van de richtlijn: werkelijk alles kan en mag, zolang je maar niet betrapt wordt.

– 126 –

Dumm ist nicht, wer eine Dummheit begeht; sondern wer sie nachher nicht zu bedecken versteht

Seine Neigungen soll man unter Siegel halten; wie viel mehr seine Fehler. Alle Menschen begehn Fehltritte, jedoch mit dem Unterschiede, daß die Klugen die begangenen verhehlen, die Dummen aber die, welche sie erst begehn wollen, schon zum voraus lügen. Unser Ansehn beruht auf dem Geheimhalten, mehr als auf dem Thun: denn nisi caste, tamen caute. Die Verirrungen großer Männer sind anzusehn wie die Verfinsterungen der großen Weltlichter. Sogar in der Freundschaft sei es eine Ausnahme, daß man seine Fehler dem Freunde anvertraut; ja, sich selber sollte man sie, wenn es seyn könnte, verbergen: doch kann man sich hiebei mit jener andern Lebensregel helfen, welche heißt: vergessen können.

Baltasar Gracián [1601 — 1658] was een Spaanse jezuïet, die door zijn te cynisch geachte boeken grote tegenwerking opriep, bij zowel de kerkelijke als de wereldlijke autoriteiten. Zijn Handorakel bevat driehonderd statements over hoe een mens moet handelen om zich enigszins te kunnen handhaven in een wereld die niet deugt.

Elk van die driehonderd uitspraken leest als een dogma, dat vervolgens nog even wordt toegelicht.

En misschien kan ik daar gewoon niet tegen. Dat iemand me vertelt: zo-en-zo is het, zonder dat er verder moeite werd gedaan om te verklaren waarom de auteur tot deze conclusie kwam.

Het Handorakel heeft ook iets te algemeens, zoals een horoscoop. Lezers kunnen in de uitspraken zomaar ineens iets tegenkomen dat zij precies zo ervaren hebben, en wat daarmee dus waar is. Waarmee de omringende statements als vanzelf ineens ook waar lijken.

Verder heeft Gracián generaties aan auteurs na hem beïnvloedt — die mij waarschijnlijk beter lagen. Waardoor ik misschien wel gretig hun tweedehands wijsheden heb geconsumeerd, en de bron van al deze kennis me vervolgens betrekkelijk weinig nieuws te vertellen had.

Zelfs al schrijft hij heel grote waarheden op. Er zijn lessen genoeg te trekken uit Gracián’s woorden — onder meer dat de menselijke cultuur veel minder verandert dan iedereen denkt. En dat een zekere mate van conformisme aan alle onzin van het moment altijd het beste loont.

– 43 –

Denken wie die Wenigsten und reden wie die Meisten

Gegen den Strom schwimmen zu wollen, vermag keineswegs den Irrthum zu zerstören, sehr wohl aber, in Gefahr zu bringen. Nur ein Sokrates konnte es unternehmen. Von Andrer Meinung abweichen, wird für Beleidigung gehalten; denn es ist ein Verdammen des fremden Urtheils. Bald mehren sich die darob Verdrießlichen, theils wegen des getadelten Gegenstandes, theils wegen dessen, der ihn gelobt hatte. Die Wahrheit ist für Wenige, der Trug so allgemein wie gemein. Den Weisen wird man nicht an dem erkennen, was er auf dem Marktplatz redet: denn dort spricht er nicht mit seiner Stimme, sondern mit der der allgemeinen Thorheit, so sehr auch sein Inneres sie verleugnen mag. Der Kluge vermeidet eben so sehr, daß man ihm, als daß er Andern widerspreche: so bereit er zum Tadel ist, so zurückhaltend in der Aeußerung desselben. Das Denken ist frei, ihm kann und darf keine Gewalt geschehn. Daher zieht der Kluge sich zurück in das Heiligthum seines Schweigens: und läßt er ja sich bisweilen aus; so ist es im engen Kreise Weniger und Verständiger.

Baltasar Gracián, Handorakel und Kunst der Weltklugheit
Aus dem Spanischen von Arthur Schopenhauer
128 pagina’s
Anaconda, 2005

Kunst van het beledigen ~ Arthur Schopenhauer

Er zullen maar weinig filosofen zijn, uit wier oeuvre ook een moppenboekje samen te stellen is. Maar Franco Volpi slaagde er zonder moeite in het werk van Schopenhauer met dit doel te plunderen.

En goed, dan had dit boekje ook de titel kunnen krijgen: Schopenhauer’s Greatest Hits.

Soms leveren al deze beledigingen erg geslaagde passages op — als ergens tekenende uitspraken opgevist zijn nog niet iedereen al eens geciteerd heeft.

Soms ook is het lachwekkend om bepaalde uitspraken te isoleren. Zo is er onder de letter V een hele reeks uitspraken over de vrouw te vinden, die vrijwel allemaal uit maar éen essay komen.

Volgens Volpi moet dit boek gezien worden als een vervolg op Schopenhauer’s methoden om gelijk te krijgen, in een debat. Want, als het niet lukt om de tegenstander op argumenten te verslaan, dan rest niets anders dan de belediging. Dus loont het ook om goed te leren schelden.

En een ander zien schelden is leuk, helemaal als dit met enig venijn gebeurt.

Meest opvallende uitspraak vond ik anders éen, die altijd opvallend selectief geciteerd wordt door journalisten, uitgevers, en andere mediapersoonlijkheden.

Standaard is:

De dagbladen zijn de secondenwijzer van de geschiedenis.

Schopenhauer

Of als u liever Duits leest:

Die Zeitungen sind die Sekundenzeiger der Geschichte.

Schopenhauer

Terwijl het werkelijke citaat luidt:

De dagbladen zijn de secondenwijzer van de geschiedenis. Deze is meestal niet alleen van een onedeler metaal dan de beide andere wijzers, maar loopt ook zelden juist.

Schopenhauer
scheiding
Arthur Schopenhauer, De kunst van het beledigen
142 pagina’s
Uitgeverij Agora, 2002
Vertaling van Die Kunst zu beleidigen, 2002

Nut van vrome leugens ~ Arthur Schopenhauer

Een bescheiden bloemlezinkje van vertaalde stukken over religie uit Schopenhauer’s boeken bleek interessanter dan vele atheïstische traktaten eerder hier geboeklogd. En waar ligt dit dan aan?

Voor een groot deel is dat stijl. Schopenhauer kon een prikkelende zin schrijven, zelfs al is hij niet vrij van de zo typisch negentiende-eeuwse wijdlopigheid.

Maar belangrijker nog is dat zijn betogen intelligenter zijn opgezet dan mijn eigen tijdgenoten kunnen. Bij hun werk schreef ik al vaak dat het zo zinloos is alleen tegen godsdienst te schelden, zonder maar een moment uit te leggen wat mensen in hun religie zien.

Schopenhauer had studie gemaakt van andere religies dan de drie monotheïstische geloven die hier altijd zo de debatten beheerst hebben. Hij kon de uitwerking van al die denkrichtingen vergelijken, en zien welke schijnzekerheden ze lijken te bieden; maar ook hoe gelovigen van jongs af aan geïndoctrineerd worden om te geloven. En zelfs al geloof ik Schopenhauer’s verklaringen niet over wat religies zo aanlokkelijk maakt — zo acht hij me gelovigen iets te makkelijk dom — hij deed tenminste een verdienstelijke poging de aantrekkelijkheid te verklaren.

Bovendien keek hij verder. Schopenhauer legde onder meer uit waarom door vorderingen in de fysica — waardoor de kennis van de wereld almaar toeneemt — de behoefte aan een stevige metafysica eveneens groeit. Tegelijk zou niemand zich aan de metafysica moeten wagen die niet een stevige kennis van de natuurwetenschappen heeft; anders deugen diens vragen niet.

Dus ziet, dan blijkt mijn belangrijkste kritiek op de hedendaagse academische filosofie, en zeker de theologie, al in 1819 te zijn verwoord.

Voornaamste conclusie na het lezen van dit boek luidt evenwel dat ik nodig de hele Schopenhauer moet gaan herlezen. In het Duits. Te beginnen met de Parerga und Paralipomena. De Wereldbibliotheek heeft weliswaar verschillende thematisch geordende bloemlezinkjes uitgebracht uit Schopenhauer’s werk, maar die lijken me iets te veel op de obligate kindermenuutjes van een sterrenrestaurant. Nuttig dat ze er zijn, maar waarom zou je daarvoor kiezen als er zo veel beters is te krijgen?

Arthur Schopenhauer, Het nut van vrome leugens
Over godsdienst

144 pagina’s
Wereldbibliotheek, 2007
vertaald en ingeleid door Hans Driessen

Wereld deugt niet ~ Arthur Schopenhauer

Twee brievenbundels stelde Angelika Hübscher samen, uit de correspondentie van Arthur Schopenhauer. Ein Lebensbild in Briefen was de eerste, en dat boek is vertaald naar dit deeltje privé-domein. Al geeft het colofon merkwaardig genoeg de oorspronkelijke titel niet weer.

Philosophie in Briefen was de tweede brievenbundel, en die ontbreekt dan weer in vertaling. Wat toch weer een merkwaardig beeld geeft van de ideeën van de Nederlandse uitgever de Arbeiderspers.

Boeken uitbrengen okay, maar die moeten wel een beetje gezellig blijven.

Dus las ik een voorbeeldig Deutschgründlich samengesteld boek. En bleef er toch de kater liever dat deel met die andere brieven te hebben gelezen.

Angelika Hübscher presenteerde de correspondentie niet chronologisch, maar op onderwerp; dat ook telkens heel goed werd ingeleid. Dit had als nadeel dat de lezer na een reeks prettig rijpe brieven te hebben gelezen toch ook weer groen materiaal tegenkwam. Maar die aanpak had als voordeel dat minder interessante onderwerpen wat sneller dan normaal door te nemen waren. Het schrijven aan de familieleden, of aan jeugdvrienden was bijvoorbeeld niet zo heel interessant.

Aardigste brieven waren wat mij betreft die waarin enkele bekende verhalen uit de Schopenhauer-biografie eens objectief te bekijken waren.

Zo correspondeerde hij als jonge man met Goethe, over diens kleurenleer. Beide schrijvers waren buitengemeen trots over hun inspanningen op dit gebied — die overigens hoogstens curiosa in de wetenschapsgeschiedenis zijn. Goethe bleef in zijn antwoorden evenwel opvallend onverschillig over Schopenhauer’s enthousiasme over zijn vondsten.

Goed in dit boek is dat er niet alleen brieven van éen kant in zijn opgenomen, maar soms de briefwisseling wordt getoond.

Dan was er natuurlijk nog die episode in Berlijn, waar Schopenhauer filosofie ging doceren. En dit op de uren deed dat ook Hegel college gaf, zodat Schopenhauer nauwelijks publiek trok.

Maar uiteindelijk hield ik twee zaken aan deze bundel over, naast het verlangen dat andere brievenboek te willen lezen. Het was interessant om te lezen hoe Schopenhauer op zijn uiteindelijke succes reageerde. Dat die roem er kwam, sprak namelijk vanzelf. Al viel hem de traagheid waarmee dit gebeurde nogal tegen.

En in een brief aan Frederik Willem van Eeden heeft Schopenhauer het over zijn Nederlandse afkomst. Zijn vader sprak het Hollands ook nog heel aardig, maar hijzelf al niet meer. Schopenhauer meende ook dat zijn achternaam in Nederland wel vaker zou voorkomen dan onder de Duitsers; waar die zo uniek was.[1]

Arthur Schopenhauer, De wereld deugt niet
Brieven
Samengesteld en bezorgd door Angelika Hübscher

434 pagina’s
De Arbeiderspers, 1992
vertaald door Tinke Davids
Privé-domein nr. 181
  1. Volgens het Meertens instituut woonden er bij de volkstelling van 1946 nog 21 Schopenhauers in Nederland. Thans zijn dat er minder dan 5. []