Drie bergen en zeven rivieren ~ Frits Staal

Sanskritist Frits Staal vecht af en toe tegen demonen in dit deze essaybundel. En dat is een wat raar schouwspel, omdat hij deze kwade geesten eerst zelf in leven heeft geroepen. Zo keert hij zich tegen wetenschapshistorici die te veel negeren wat er in China of India allemaal aan kennis was. Veel eerder zelfs nog dan bij ons.

Nu kan wetenschapshistorici van alles verweten worden, maar niet dat zij geen oog hebben voor wat er buiten de Westerse wereld gebeurde. De interessantste vragen die over kennis te stellen zijn, blijven nu net waarom iets op een moment ergens bekend werd, en welk succes zo’n vondst opleverde. Wetenschapsgeschiedenis is geen simpele opeensomming van eeuwige vooruitgang, maar geeft zich nu juist telkens rekenschap waarom ideeën of vondsten níet aansloegen.

Dat politieke historici in sommige opzichten nog een koloniaal wereldbeeld hanteren, heeft weer andere redenen.

Enfin, bedenkingen van deze aard kwamen steeds bij me op tijdens het lezen van dit boek. En ook dat het leek alsof ik erg veel al eens eerder bij Staal gelezen had. Maar dan helderder. Nu was de schrijver me te stellig waar hij dat niet moest zijn, en te zweverig vaag waar dat ergernis opwekte. De essays hangen me ook wat te zeer aan elkaar van gedachtenassociaties.

Nee, ik heb goede herinneringen aan een boek van Staal als Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap, of zijn verhandelingen over de betekenisloosheid van het ritueel. Maar na deze essaybundel durf ik die andere titels nauwelijks nog in te kijken.

Frits Staal, Drie bergen en zeven rivieren
Essays

304 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 2004

Filosofie als drijfzand ~ Bernard Delfgaauw

Heeft iemand het tegenwoordig nog weleens over de filosoof Bernard Delfgaauw [1912 – 1993]? Die was toch erg bekend, ooit. En is diens werk dan nu dood omdat het uit zo veel pseudo-gewichtig imponeergebazel bestaat? Of was het toch die bekentenis aan het eind van zijn leven dat hij als jonge Delfgaauw lid was geweest van het antisemitische Zwarte Front?

Toen Bernard Delfgaauw zijn open brief aan Frits Staal publiceerde, was zijn faam in elk geval nog altijd groot. En dit besef speelde toch mee bij het lezen, voor mij. Niettemin was ik benieuwd wat er aan te merken zo zijn op Staal’s boek Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap. Een goede kritiek over een pas gelezen boek dwingt tot nadenken.

Maar het wonderbaarlijke was dat Delfgaauw meer zijn teleurstelling over Staal verwoordde, dan werkelijk inhoudelijke kritiek gaf op diens werk. Had hij Staal niet persoonlijk voorgedragen voor de Ubbo Emmiuspenning? Leek toen niet alles goed? Ach jongen toch, waarom ben je van het rechte pad afgedwaald…

Een probleem is namelijk dat Staal Delfgaauw persoonlijk behoorlijk beledigd moet hebben met zijn essays; zonder hem of diens faculteit ooit te noemen. Delfgaauw voelde zich meer dan aangesproken, maar laat tegelijk na te melden waarom.

Frits Staal vond bijvoorbeeld religie weliswaar een zeer interessant studieobject, maar gelooft verder nergens in; wat hij ook uitdrukkelijk zegt. En Bernard Delfgaauw was een duidelijke katholiek, wat daarmee niet alleen zijn lidmaatschap van het Zwarte Front verklaart, maar naar mijn idee ook zijn ontvankelijkheid voor alle hocus-pocus van Heidegger. En erger nog, in mijn opinie, al dit maakte zijn wereldbeeld behoorlijk antropocentrisch.

Daar zou op zich weinig op tegen zijn, als Delfgaauw niet vervolgens Staal had verweten dat deze de subjectieve beleving mist die de filosofie zo rijk kan maken, en dus een eng beperkte kijk op het vak heeft.

Kritiek zegt meestal meer over de criticus dan over het bekritiseerde. En ja, ik besef wat dit voor veel op boeklog betekent.

Bernard Delfgaauw, Filosofie als drijfzand
Open brief aan Frits Staal
92 pagina’s
Het Wereldvenster | Kok Agora, 1987

Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap ~ Frits Staal

Ik had goede herinneringen aan dit boek. Maar die bleken meer met mijzelf te maken te hebben dan iets anders. Het was ook al een tijd geleden dat ik deze bundel essays van Frits Staal heb gelezen. Dat moet in het jaar van publicatie, of kort daarna zijn geweest. Midden tot eind jaren tachtig.

Zo was ik inmiddels vergeten dat dit geen monografie is, maar Staal een breed overzicht bood van artikelen die hij geschreven had. De lange inleiding tot het boek dient daarbij tegelijk als levensschets, en om de benauwdheid te tekenen op de faculteiten filosofie in het Nederland van de jaren zestig.

Ook geloof ik niet dit hele boek toentertijd kritiekloos omarmd te hebben. Daartoe staan er te veel stukken in over Staal’s werk als sanskritist. En over dit onderwerp volstaat voor mij eigenlijk wat hij daar elders over verteld heeft, zoals in de reeks marathoninterviews. Want meer kennis beklijft toch niet.

Wat ik toen evenmin gezien zal hebben, is dat nogal wat stukken in deze bundel inleidingen zijn. Werk geschreven, of gelezen, voor een algemeen publiek.

Een essay waarin bijvoorbeeld uitgelegd wordt wie Noam Chomsky is, en wat hij voor de taalkunde betekent, lees ik tegenwoordig toch anders.

Net zo keek ik niet heel neutraal naar het essay ‘Zinloze en zinvolle filosofie’, dat ooit grote betekenis heeft gehad, en me nu niets nieuws kon vertellen. Staal geeft hierin een beknopte inleiding in de twintigste-eeuwse filosofie, door de dan belangrijkste stromingen te behandelen. Daarbij komen de Duitse fenomenologie en hermeneutiek er slecht vanaf, heeft Staal evenmin iets goeds te zeggen over de Franse fenomenologie, en kan alleen de Angelsaksische analytische filosofie op zijn goedkeuring rekenen. Bij de analytici doet het er namelijk niet toe wat andere filosofen al eens hebben gezegd; maar gaat het om zelfstandig nadenken. En:

Helderheid is daarom niet een voldoende, maar wel een noodzakelijke voorwaarde voor filosofische werkzaamheid. Pas wanneer een zekere mate van helderheid is bereikt, kan men bepalen of het mogelijk is verder te gaan. Wie die helderheid niet nastreeft, draagt misschien bij tot de kleurrijkheid van de cultuur, maar niet tot de filosofie. [161]

Voor zover ik dit uitgangspunt nog niet had, werd dat het wel na het lezen van dit boek in de jaren tachtig. Met als gevolg ook dat ik in mijn latere onderwijskeuze heel wat van de aangeboden cursussen geweigerd heb te volgen. En daarmee heel wat boeken niet heb willen lezen, die toch wel degelijk tot een aantal canons behoren.

Frits Staal was de eerste die me op de beperkingen wees van zo vele filosofen, en, erger nog, de navolgers daarvan. Rudy Kousbroek deed dat later ook nog eens, maar dan al veel minder beargumenteerd. Beiden hebben me behoed voor grote verveling. En ergernis. Maar ik ben verder nu.

Frits Staal, Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap
413 pagina’s
Meulenhoff, 1986