dit is het dossier:

Hugh Trevor-Roper

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Hermit of Peking ~ Hugh Trevor-Roper

De historicus als detective. Hij bestaat. Al mist het verhaal van Hermit of Peking weleens het tempo van de pure thriller, dat er een verhaal is te vertellen, roept al bewondering op. Want hoe schrijf je de biografie van iemand die telkens zijn eigen verleden wist uit te wissen?

Hugh Trevor-Roper onderzocht voor dit boek het leven van Sir Edmund Backhouse [1873 – 1944], die tijdens diens leven doorging voor een groot linguïst en China-kenner. Aanleiding voor dat onderzoek was curieus. Hij kreeg twee delen van Backhouse’s autobiografie in handen, die opvallend pornografisch bleken te zijn.

Backhouse claimde daarin het met allerlei beroemdheden gedaan te hebben. Man en vrouw. En hele stoeten aan eunuchen daarbij. Wat dan weer een bijzonder licht wierp op zijn publicaties over de laatste jaren van de Mantsjoe Qing-dynastie. Hij zou de keizerin-douairière Tzu Hsi namelijk ook intiem hebben gekend.

Trevor-Roper stuitte direct op het probleem dat hij weliswaar twijfels had bij het waarheidsgehalte van Backhouse zijn woorden, maar de man hem wel intrigeerde. En er vervolgens nauwelijks bronnen waren die het mogelijke onderwerp van zijn onderzoek wel in een objectief licht lieten zien. Backhouse trok zich nogal eens voor lange tijden terug uit het sociale leven. Backhouse was bovendien van zo’n goede komaf, dat diens familie er alles aan had gedaan om de schandalen te onderdrukken.

Want, er waren wel degelijk schandalen.

Edmund Backhouse verliet in 1895 zijn studie in Oxford zonder af te studeren, vanwege de enorme schulden die hij had gemaakt. Door zijn vlucht naar het buitenland werd hij automatisch failliet verklaard — terwijl zijn vader een gerespecteerd bankier was, die deze smet verschrikkelijk vond, en dus probeerde uit te wissen.

Trevor-Roper vond ook maar éen aanwijzing dat er zoiets had gespeeld. Backhouse dong in de jaren tien naar een professoraat in Oxford, en paaide de universiteit door grote hoeveelheden waardevolle Chinese manuscripten en boeken te schenken. Dus was er veel goodwill. En in dit luide lofkoor was er slechts éen stem die iets op Backhouse had aan te merken. Een juwelier beklaagde zich in een brief er wel erg bekaaid te zijn afgekomen bij het faillissement eind negentiende eeuw.

Zonder die ene opmerking had Trevor-Roper waarschijnlijk nooit van het bankroet geweten.

Backhouse bleek al gauw een seriële leugenaar te zijn, wat daarmee alles wat hij had gedaan verdacht maakte voor Hugh Trevor-Roper. Toch had Backhouse ergens ook weer grote kwaliteiten. Al putte hij voor zijn publicaties eerder uit zijn fantasie dan serieuze bronnen, en was bijvoorbeeld de bron waar hij het meest om bekend was, het dagboek van een Chinese hoveling, fictie. Tegelijk was lang niet alles wat hij aan originele documenten wegschonk vervalst.

Zijn eerste gift aan manuscripten was werkelijk een schat. Vervolgens schoot Oxford de vervoerskosten voor van een tweede zending met werk uit de Keizerlijke bibliotheek, en kwam die nooit aan. Maar dat speelde al weer een tijd later.

Was er ook nog een schimmige periode tijdens de Eerste Wereldoorlog waarin Backhouse geheim agent speelde voor de Britten. En in die hoedanigheid een grote wapendeal met de Chinezen scheen te hebben gesloten. Deze zouden de in China aanwezige Duitse geweren leveren, die de Britten dan via Hongkong naar Europa konden verschepen. Zo ingenieus en gedetailleerd was Backhouse’s planning, en zo zeer werd hij geloofd, dat men dacht dat juist Backhouse bedrogen was toen er helemaal geen schip met wapens bleek te zijn.

Iets later was er een vergelijkbare affaire, waarin een Amerikaans bedrijf dacht via Backhouse exclusief voor tien jaar alle Chinese bankbiljetten te mogen drukken. Ook daaraan werd nooit ruchtbaarheid gegeven, en werden de claims die er uiteindelijk waren waarschijnlijk onderling afgekocht.

Intrigerend blijft het om te beseffen dat er misschien nog veel meer was, waar niemand iets van weet.

Hugh Trevor-Roper hint in dit boek een paar keer naar het boek A Quest for Corvo — waarin A.J.A. Symons een vergelijkbare zoektocht naar een onbekend auteur onderneemt, om daarbij te steeds meer feiten te ontdekken die aantonen dat deze een ziekelijke fantast was.

Daarbij wil het toeval ook nog dat Frederic Rolfe, Baron Corvo, de scabreuze brieven waar hij nu nog beroemd om is, richtte aan een neef van Backhouse — wat Edmund Backhouse dan weer geïnspireerd kan hebben tot de toon van diens autobiografieën.

Trevor-Roper volgt in Hermit of Peking het patroon A Quest for Corvo, door elementen van zijn ontdekkingstocht in de archieven door het verhaal te weven. En die navolging leverde voor mij een beter boek op dan de inspiratiebron. Backhouse is alleen al een aanmerkelijk intrigerender oplichter dan Baron Corvo. De periode in de Chinese geschiedenis die in dit boek beschreven wordt, was me veel onbekender dan de Europese cultuur waarin die ander rondliep.

Bovendien is mijn bewondering voor de speurtocht die Hugh Trevor-Roper heeft moeten maken groter, dan voor wat A.J.A. Symons presteerde. Alleen al door de afstand in tijd. Maar dit is ook nog eens een superieur geschreven boek, dat alleen om de humor al een ongedacht meesterwerkje bleek te zijn.

Hugh Trevor-Roper, Hermit of Peking
The Hidden Life of Sir Edmund Backhouse

391 pagina’s
Penguin Books 1979, oorspronkelijk 1976

Invention of Tradition ~ Eric Hobsbawm & Terence Ranger [ed.]

Vreemd genoeg herinnerde ik me dit boek als éen dat Hobsbawm alleen had geschreven. Maar het blijkt een bundel te zijn met opstellen van zes historici. Die ik dus niet eerder gelezen kan hebben. Dus is me waarschijnlijk eerder alleen het inleidende artikel van Hobsbawm onder ogen gekomen. En heeft dat er al lang geleden toe geleid om me de centrale idee van dit boek eigen te maken.

De meeste tradities die wij eerbiedigen zijn uitgevonden, en vaak niet eens zo heel lang geleden. In de negentiende eeuw kwam de natiestaat namelijk op, terwijl de inwoners daarvan vooral binding hadden met de eigen stad of streek. Die moest dus met kunstgrepen een nieuw wij-gevoel worden aangeleerd.

Daarom ook komen er nog steeds nieuwe tradities bij; nogal wat geschiedenis wordt bedacht om iets te bewijzen.

Serieuze historici hebben dan weer de taak om echt van onecht te onderscheiden, en uit te vinden waarom een samenleving éen aspect uit het verleden dan toch zo graag verheerlijken wil.

Het bekendste voorbeeld dat dit boek heeft opgeleverd is dat van de mythische Schotse ruit. Zogenaamd had iedere clan al eeuwig zijn eigen tartan. Maar dat bleek helemaal niet waar te zijn. De Schotten stonden juist lang sterk onder Ierse invloed; ook in hun kleding. Die Schotse ruit was dus een duidelijk 19e-eeuwse uitvinding om het verleden bij te kleuren, die later ook nog leuk commercieel te exploiteren viel, zo legt Hugh Trevor-Roper uit.

Hobsbawm schreef een artikel dat het meeste overzicht biedt over deze ontwikkelingen in West-Europa.

Ranger beschreef hoe de koloniale machten tradities in Afrika vestigden, als bestuurlijke bureaucratie. Dit was onder meer nodig omdat doorgaans niet het beste volk naar de kolonies trok, en deze als blanken toch ergens status aan moesten kunnen ontlenen.

Maar het meest zei mij het artikel van Prys Morgan, over hoe de Welsh een eigen identiteit probeerden te ontwikkelen in de 18e en vroeg 19e-eeuw. Vooral de kunstgrepen die sommige inwoners van Wales toepasten om hun zo weinig homogene taal toch een echt volwaardige cultuurtaal te laten lijken, kwamen me zeer bekend voor — uit de recente Friese taalgeschiedenis.

Eric Hobsbawm and Terence Ragner [ed.], The Invention of Tradition
320 pagina’s
Cambridge University Press, 1983