Afterlife ~ John Updike

Toen Updike overleed, begin dit jaar, konden weinigen in hun reactie de verleiding weerstaan een lijstje te geven, met wat zijn beste boeken waren geweest. The Afterlife werd toen opvallend vaak genoemd, als favoriet. En dit verwonderde me wat. Zoals de verhalenbundels van Updike gaan, had deze niet de allermeeste indruk gemaakt bij eerste lezing, in 1995.

Maar wat bij mijn waardering meespeelde toen, is denk ik het hier vaker aangehaalde gegeven dat Updike vrijwel steeds kortverhalen schrijft over mensen van zijn eigen leeftijd. Een bundel uit het begin van de jaren negentig gaat daarom vanzelfsprekend over mannen van rond de zestig.

Met zulke personages, en hun problemen, heb ik inmiddels wat meer dan toen ik midden twintig was. Dus, zoals op legpuzzels en op spelletjes gebeurt, zou daarom ook een leeftijdsadvies niet misstaan op sommige boeken. Deze bundel viel namelijk wel goed nu. En ineens was die positie in de lijstjes met lievelingen te begrijpen.

The Afterlife biedt tweeëntwintig verhalen, met soms betrekkelijk voorspelbare thema’s. Er wordt eens een huis leeggehaald van een overleden ouder. Er wordt in alle rust gereisd, en zelfs op cruise gegaan. Maar dwars door het heden van vrijwel alle verhalen speelt ook steeds het verleden mee.

Nu is bij Updike weliswaar ook weer voorspelbaar hoe zulke verledens eruit zien — er is meestal vaker dan éen keer getrouwd, er is ook behoorlijk vreemdgegaan — maar al dat maakt betrekkelijk weinig uit. Veel verhalen krijgen er een prettige lading door, en gaven daarom meer dan het evenementiële waaruit de directe vertelling bestond.

Meer moest dat niet zijn; er nog van afgezien van Updike’s immer gepolijste taal een genot blijft om te lezen.

John Updike, The Afterlife
And Other Stories

316 pagina’s
Penguin Books 1995, oorspronkelijk 1994

Bech at Bay ~ John Updike

Er deugde iets heel erg niet aan deze verhalenbundel over de Joods-Amerikaanse schrijver Henry Bech. Zo veel had ik nog onthouden van de eerste lezing eind vorige eeuw. En vervolgens deemsterden de precieze details over mijn ergernis wat weg.

Was het niet dat John Updike ineens de Nobelprijs meende te moeten schenken aan zijn collega?

Updike heeft zijn hele schrijvende leven lang verhalen aan Henry Bech gewijd. Een auteur die ruim tien jaar ouder was als hij. Van Joodse komaf bovendien; waar Updike nooit kon verhelen een duidelijke White Anglosaxon Protestant [WASP] te zijn. En die, om de verschillen nog verder aan te zetten, in zijn schrijvende levende nauwelijks iets gepubliceerd had. Terwijl van Updike elk jaar een boek uitkwam. Als dat er al niet meer waren.

Al dat is geen toeval. De verschillen tussen beide auteurs boden John Updike een profijtelijke uitgangspositie. Door het personage Henry Bech kon hij ineens prettig commentaar geven op het literaire wereldje, zonder daar zelf verantwoording voor te hoeven nemen. Het was immers altijd zijn hoofdpersoon die in de weer was. Niet hij.

De drie bundels die er uiteindelijk over Bech verschenen, zijn waarschijnlijk mede daarom de meest humoristische boeken in heel Updike’s oeuvre.

En van deze drie bevat de laatste, Bech at Bay, wel de meeste satire.

Henry Bech is immers op de leeftijd aangekomen dat het meeste werk achter hem ligt. Daar valt weinig meer aan toe te voegen. Oudere auteurs krijgen dan ineens ook een andere maatschappelijke rol. Zo is het enige wat Henry Bech schrijft in deze bundel een korte laudatio in een feestbundel voor een collega-schrijver; aan wie hij tegelijk een hekel heeft.

Want over het schrijven als ambacht gaat het in de boeken nooit. Enkel over het geschreven hebben. En over de status van auteurs; en de bijbehorende pretenties.

Zo gaat Bech in 1986 nog naar Tsjech-Slowakije om er het vrije woord te promoten;
Verder zit Bech ineens een Academie van kunstenaars voor;
Bech maakt een aanklacht wegens smaad mee;
Verder reageert Bech op kritieken;
En Bech neemt een prijs in ontvangst.

Het tweede verhaal van deze vijf, ‘Bech Presides’, heeft de omvang van een novelle. Ik vond dat wonderbaarlijk goed; omdat deze vertelling zelfs nog een uitstekend plot had; zonder die van node te zijn.

Zo goed was dit verhaal dat ik niet begreep waarom mijn herinnering aan Bech at Bay zo negatief was.

En toen las ik het vierde verhaal, ‘Bech Noir’, en was alles weer duidelijk.

Updike schmiert me dan te veel. Hij trekt zich niets aan van het verleden dat er is, door alle verhalen die er al lagen over Henry Bech. Ineens krijgt deze een heel andere persoonlijkheid aangemeten. Hij handelt plots.

Directe aanleiding voor deze handelingen is Bech’s opluchting als hij de dood verneemt uit de krant van iemand die ooit kritisch was over een boek van hem.

En wellicht deed Updike niets anders dan nu eens de stille wens van elke schrijver uit te werken om hun critici het zwijgen op te kunnen leggen.

Intellectueel is dit verhaal ook nog wel te verklaren uit een opmerking van Henry Bech zelve — die de preoccupatie met geweld in de cultuur van dat moment dan vergelijkt met de grote culturele belangstelling voor sex in zijn bloeitijd als auteur.

Wellicht is Updike’s commentaar enkel dat sommige schrijvers hun werk wel heel serieus nemen — en dit ook wel moeten om iets te presteren.

Toch is éen merkwaardig verhaal dus weer genoeg om het plezier in een heel boek weg te nemen.

Weegt daarbij niet eens mee dat ik ooit zelf enkele maanden criticus was. En de Friese schrijversbond het bijna een jaar later alsnog nodig vond om als officieel beleidsstandpunt aan te nemen dat ik niet deug als mens, en de Friese cultuur schade berokken.

Terwijl ik er toch vanuit moet gaan, gezien het beperkte protest indertijd, dat alle Friese auteurs die lid zijn van it Skriuwersboun nog immer deze visie delen.

John Updike, Bech at Bay
A Quasi-Novel
241 pagina’s
Penguin Books 1999, oorspronkelijk 1998

Bech is Back ~ John Updike

Na deze verhalenbundel te hebben herlezen, kwam ik tot de onthutsende ontdekking dat het een roman was. Want, dat claimt de achterflap. Eigenaardig genoeg.

Nu zijn er twee zaken die er voor pleiten om dit boek een roman te noemen. De hoofdpersoon is in elk verhaal dezelfde, en er is sprake van een zekere ontwikkeling in zijn leven. Maar daarmee houdt het ook op. Als de verhalen echt niet meer dan hoofdstukken zijn, springen die wel vreemd van hot naar her.

Ik heb wat een haat-liefde voor de Bech-verhalen van Updike. Er zijn drie bundels mee verschenen, waarvan dit de middelste is. Vooral in het laatste boek, als de hoofdpersoon inmiddels tamelijk bejaard is, schmiert Updike zo opzichtig, dat met terugwerkende kracht de hele serie ongeloofwaardig wordt. Het plezier van de auteur gaat me dan te veel boven dat van mij, als lezer.

Henry Bech is duidelijk als tegenpool bedoeld van zijn schepper. Bech is Joods, als zoveel befaamde Amerikaanse schrijvers. Bech kampt met een eeuwig writer’s block. Bech is alleen, en kinderloos. Bech is apathisch. Updike was dat allemaal niet.

Tijdens interviews heeft Updike het er weleens over gehad Bech ook trekjes te hebben gegeven van beroemde Joods-Amerikaanse auteurs, als Salinger, Bellow, en Roth. Ik weet niet goed of dit waar is. Ik zie de Bech-verhalen meer als bezwering van een auteur, die, om het noodlot niet meer schrijven te kunnen ver van zich weg te houden, vrolijkheid probeert te ontlenen aan het leven van een geblokkeerde collega.

Weinig boeken van Updike zijn zo onderkoeld grappig als de Bech-reeks is.

In Bech is Back publiceert de held voor het eerst in decennia weer eens een boek. Een dunnetje weliswaar. En éen dat op basis van zijn eerdere reputatie bij voorbaat al goed is voor de meeste critici. Het is bijvoorbeeld bij het citeren van al die prijzende woorden, in het idioom van befaamde critici, dat heel goed overkomt hoe veel lol Updike gehad moet hebben bij het schrijven.

Verder was toch wel terecht dat ik van de eerste lezing niets onthouden had — er staat niets in dat zal beklijven. Volkomen probleemloos te herlezen over tien twaalf jaar, daarmee.

John Updike, Bech is Back
181 pagina’s
Fawcett Crest 1983, oorsponkelijk 1982

Due Considerations ~ John Updike

Eens in de acht à tien jaar brengt bracht John Updike een bundel uit, met alles wat hij in die tijd geschreven heeft had aan essays, boekbesprekingen, voorwoorden, inleidingen, en in memoriams. Dit zijn altijd bakstenen van boeken. Met 705 pagina’s, waarvan 671 bladzijden tekst, is Due Considerations het dunnetje in de reeks.

Ik ben altijd erg gelukkig met dit soort uitgaven. Vijf heb ik er nu van. En geen is, zoals bij een normaal boek, in sequentie van kaft tot kaft gelezen. Er heeft zich inmiddels een ander leespatroon gevormd.

Ik lees altijd wel meteen de persoonlijke essays van Updike, die ook nu weer ruim vertegenwoordigd zijn. En ook de gelegenheidsstukken gaan meestal wel mee. Alleen bestaan deze bundels voor het grootste gedeelte uit boekbesprekingen. En die gedeelten beschouw ik meer als naslagwerk dan iets anders. Om later nog eens te bekijken. Bij gelegenheid. Ik zal bij een eerste lezing zeker de recensies meenemen die Updike schreef over wat ik al gelezen heb. Hij is voor mij namelijk geen criticus die me helpen kan nieuwe schrijvers te ontdekken. Zijn eindoordelen zeggen me niet zo veel – Updike is meestal misschien wel wat te mild, en hij heeft voor andere zaken belangstelling dan ik. Het zijn daarom de vooral zijdelingse opmerkingen, de terloopse observaties, die de besprekingen tot aangename lectuur maken. Maar alleen als ik het boek al gelezen heb, en weet waar hij het over heeft.

Toch verraste Updike me bijvoorbeeld in zijn oordeel over The Body, van Hanif Kureishi, omdat hij dit boek precies dezelfde fout verweet als ik hier ook had gedaan.

Naast Amerikanen en Britten bespreekt besprak Updike ook opvallend veel buitenlanders. Al zijn dat meestal wel de heel groten. Zoals Pamuk, in dit geval. Márquez. Saramago. Gekende Nobellaureaten dus. Geen Nederlanders of Belgen ditmaal. Wel dan weer een Kenyaan waar ik nooit van gehoord had. Ngűgĩ wa Thiong’o.

Goed, dan bieden boeken als deze me niet de grote beleving die Updike’s vroege verhalen me nog altijd wel geven. En dan zit er veel maakwerk bij. Maar in elk stuk staat altijd wel iets zo fraai geformuleerd dat het zonde was om zo’n regel gemist te hebben, anders.

lees ook mijn in memoriam

John Updike, Due Considerations
Essays and Criticism

705 pagina’s
Penguin Books 2008, oorspronkelijk 2007

Fierce Pajamas ~ David Remnick and Henry Finder (eds.)

Ruim een jaar nadat ik met dit boek begon, is het eindelijk uit. Dat zegt veel. Niet zo zeer over het boek, maar over mijn reactie tegenwoordig op verzamelbundels. Twintig jaar geleden vond ik ze doorgaans prachtig, en rijk. Maar nu biedt een bloemlezing als deze, met het leukste uit de New Yorker, veel van wat ik al kende — ‘The Secret Life of Walther Mitty’ stond nog maar vijf keer in mijn kast — en te weinig van wat nieuwsgierig maakte naar meer.

Als die Peter De Vries me dan zo intrigeert, is het beter een boek van hemzelf te gaan lezen, in plaats mijn oordeel over hem te baseren op een paar dingen die toevallig in de New Yorker stonden.

Van Nabokov staat een stuk Pnin in deze bloemlezing. En hoe representatief is dat voor diens werk?

Enfin. Mij viel bij het lezen op dat mijn smaak al lang geleden gevormd lijkt. De beste stukken uit deze bundel dateerden meestal van voor de Tweede Wereldwoorlog, en waren van meesters van wie ik vrijwel alles gelezen heb, zoals James Thurber en E.B. White.

S.J. Perelman schijnt verschrikkelijk grappig te zijn, maar is dat voor mij nooit geweest. Ook bij de zoveelste poging niet om hem te lezen.

Van de naoorlogse generatie vielen me drie auteurs het meest op. Woody Allen, van wie ik de opgenomen verhalen al kende. Garrison Keillor, die elders leukere stukken heeft gepubliceerd. En Steve Martin, die ik alleen kende als acteur.

Verder ben ik wel blij éen legende over de New Yorker eindelijk te hebben kunnen toetsen. Er wordt namelijk tegenwoordig weleens verzucht hoe jammer het is dat er nooit meer parodieën in staan, bijvoorbeeld op bekende schrijvers. Fierce Pajamas bevat namelijk nogal wat van deze parodieën. Die zal ik lang niet altijd herkend hebben. Spot treft alleen doel als bekend is wat er precies bespot wordt. Maar regelmatig was die herkenning er wel degelijk. En dan viel de parodie zelden mee.

Toegegeven, Raymond Carver wordt leuk onderuitgehaald, in ‘What We Talk About When We Talk About Donuts’. En er staat een interview in dat een parodie lijkt op de lange schrijversinterviews uit Paris Review — veel van beste stukken uit dit boek gaan trouwens over schrijvers en hun pretenties — maar meestal viel de satire nogal tegen, vanwege een totaal gebrek aan scherpte, of bijtkracht.

Er stonden me iets te veel verhalen in waarvan de humor al te voorspellen was door de titel te lezen, of anders de eerste regels. Humor gebaseerd op éen leuk ideetje. Een gevaarloos leuk ideetje.

Fierce Pajamas
An Anthology of Humor Writing
from The New Yorker
Edited by David Reminck and Henry Finder
526 pagina’s
Modern Library 2002, oorspronkelijk 2001

Just Looking ~ John Updike

Alles had ik van John Updike gelezen. Zo dacht ik. Zijn gedichten, zijn verhalen, zijn romans. Zijn autobiografieën. De interviews met hem. Zijn beschouwingen over boeken. Zijn columns over golf.

Was het me toch ontgaan dat er inmiddels twee bundels zijn gepubliceerd waarin Updike zijn essays over beeldende kunst heeft verzameld. Terwijl het zo logisch was dat die er ook nog zouden zijn. John Updike wilde altijd liever nog cartoonist worden dan auteur. Bovendien is zijn beste werk nu juist zo goed, doordat Updike kijken kan; mij toont waar ik zelf altijd over heen gekeken had.

Toch staat er betrekkelijk weinig tekst in deze uitgave. Weliswaar bevat die 23 artikelen, maar een aanzienlijk deel daarvan overstijgt de lengte van een krantencolumn niet. De grootste rijkdom bestaat uit de illustraties.

Dit boek zei mij tekstueel het meest in de lange essays. Helemaal als Updike zich bezighoudt met de kunst die mij, als Europeaan, minder bekend is. Door zijn essay over John Singer Sargent bijvoorbeeld, werden enkele mij wel bekende beelden eindelijk eens aan éen naam gekoppeld.

Tegelijk valt door een boek als dit op, hoe makkelijk tekst ondergeschikt raakt aan beeld. Bladeren om de plaatjes van schilderijen met elkaar te vergelijken, bleek telkens interessanter dan doorlezen. Zelfs al is de tekst van een meesterschrijver, en een persoonlijke favoriet.

John Updike, Just Looking
Essays on Art

211 pagina’s
MFA Publications, 2001

Licks of Love ~ John Updike

Amerikaanse uitgevers houden niet van novellen. Er lijkt voor hen niets te bestaan tussen het kortverhaal en de roman. Een novelle wordt altijd met iets anders in een band gepropt. Meestal een andere korte roman, of zoals in dit geval met wat verhalen.

Nu kleeft er nog iets opmerkelijks aan de novelle ‘Rabbit Remembered‘ die in deze bundel werd opgenomen. Het is namelijk een vervolg op een reeks romans, niettegenstaande dat de hoofdpersoon al in het laatste boek overleden is.

Updike kon blijkbaar moeilijk afscheid nemen van dit personage.

Maar goed, ook onder lezers en critici was Harry ‘Rabbit’ Angstrom zeer geliefd. De vier boeken over zijn leven worden door niet weinigen gezien als perfecte portretten van de Amerikaanse middenklasse, omdat in elke roman de belangrijkste ontwikkelingen van een decennium lijken te zijn samengebald in het leven van een alleman.

Ik heb er alleen werkelijk nooit iets aangevonden, die boeken. Het gaat bij mij al mis bij de naam van de hoofdpersoon, met dat ‘angst’ en die verwijzing naar die lengtemaat voor zeer minieme afstanden.

Nu viel deze novelle me nog mee, misschien omdat die vervelende Rabbit alleen diende om aan te geven welke verhouding de personages uit de boeken na diens dood tot elkaar kwamen te staan. Maar mij zijn Updike’s verhalen liever.

Dat is te zeggen, mij zijn sommige verhalen van Updike liever. En dan vooral als het hem lukt beweging of ontroering in een paar regels te vangen.

Als ik wat overdrijf zijn Updike’s verhalen in drie periodes op te delen. In de eerste, en voor mij interessantste, is hij nog druk bezig het leven te ontdekken. Met alles wat daarbij hoort, zoals sex. In zijn lange middenperiode schrijft Updike vaak over onverzadigbare viezeriken, die rondneuken zullen, al kost het hen hun huwelijk. En met dit boek kwam Updike in een nieuw era aan, waarin hij zijn personages in nostalgie laat terugkijken op met wie ze vroeger allemaal neukten.

Nogmaals, dit is gechargeerd, maar toch ook weer niet veel.

En het was niet eens daarom dat de verhalen in deze bundel me niet vreselijk veel te vertellen hadden. Er zaten nauwelijks nog sprankjes leven in, dat stoorde me vooral.

John Updike, Licks of Love
Short Stories
and a Sequel

360 pagina’s
Alfred A. Knopf, 2000

Man die niet vroeg waarom ~ Peter Haining (sam.)

Altijd als ik een boek probeer te lezen en dat niet lukt, is de vraag waarom. Helemaal als zo’n boek tot een genre behoort dat me vroeger wel wist te pakken.

En dan blijkt een probleem met fictie bijvoorbeeld te zijn dat de schrijvers daarvan me te zelden iets vertellen dat ik nog niet wist. Dat maakt het logischer om liever non-fictie te lezen; want zakelijke teksten leveren gauw eens verrassende feitjes op. Ook als de auteur verder niet schrijven kan, en er geen genot is te beleven aan de gebruikte taal.

De man die niet vroeg waarom biedt bovendien fictie van een speciaal soort. In deze bundel zijn griezelverhalen bijeengegaard, uit de Britse en Amerikaanse traditie. Horror dan ook nog die meestal niet verzameld werd in de gecanoniseerde boeken van de veelal zeer bekende auteurs.

En bang bleek ik daar toch niet meer van te kunnen worden.

Sterker nog, zo’n bundel met genre-fictie blijkt dan vrij onbarmhartig het mechaniekje te tonen waarop vrijwel elk van dit soort verhalen draait. De ontknoping komt altijd in de laatste paragrafen. Daarbij gaat er gauw eens iemand dood.

Het boek opent met een verhaal dat Winston Churchill schreef, toen deze nog een eenvoudig journalist was. En dat verhaal, over een man die van een boot valt, eindigt met een haai die aan komt zwemmen.

Ooit was het blijkbaar dus nog geen cliché dat een haaienvin onheil aankondigt.

Slechts van het verhaal van Robert Graves was ik blij het te hebben leren kennen. ‘Stof tot stof’ heet dat, in deze vertaling. En het voornaamste verschil met de andere twintig verhalen in de bundel kwam door het enorme verteltempo dat Graves onderhield. Zijn verhaal las als de samenvatting van een roman.

Vrijwel alle andere verhalen waren aangelengde anekdotes. Waarbij de meeste tekst er niet toe deed, en hoogstens diende om de ontknoping aan het einde tot een verrassing te maken. Alleen was die dus nooit een verrassing, omdat de vertelling het anders niet tot deze verzameling had gebracht.

Maar ooit vrat ik dus griezelverhalen. Aan het begin van mijn carrière en ontwikkeling als lezer. Toen ik de constructie nog niet kon doorzien achter zo veel van deze vertellingen.

En komt zo’n verandering in leesvoorkeuren dan omdat ik later nog zo veel dystopische SF las, waarin het niet enkel om anekdotes ging, omdat de schrijvers complete angstaanjagende werelden bedachten?

Of heeft de werkelijkheid me inmiddels immuun gemaakt voor verhaaltjes die bedacht werden om mij te laten griezelen? Ik wordt nu namelijk vooral bang van menselijke onverschilligheid en gemakzucht. Van medische professionals bijvoorbeeld die hun handen niet wassen, of hun apparatuur niet schoonhouden, en zo de meest kwetsbare mensen denkbaar met van alles besmetten — terwijl ze toch beter horen te weten.

De arrogantie tegelijk binnen zo’n beroepsgroep…

Peter Haining (sam.), De man die niet vroeg waarom
en twintig andere vreemde verhalen

191 pagina’s
Wereldbibliotheek vereniging, 1974
vertaling van The Lucifer Society, z.j.

 


Maples Stories ~ John Updike

Ik had dit boek niet hoeven kopen. Alle verhalenbundels van Updike staan al in mijn kast; alle verhalen over de familie Maple heb ik daarmee ook.


Bovendien is vrijwel dit hele boek eerder uitgebracht, in 1979, onder de titel Too Far to Go. Daar bezit ik de Nederlandse vertaling van. Vergeleken met de nieuwe uitgave mist daar slechts éen verhaal in. ‘Grandparenting’. Uit de bundel The Afterlife, and Other Stories.

En toch wilde ik per se dit mooie kleine gebonden boekje hebben. Omdat de verhalen over de Maples samen misschien wel de mooiste roman opleveren die John Updike ooit geschreven heeft. Om de woorden van Bob den Uyl maar weer eens te gedenken, deze verhalenbundel is als een roman zonder de vervelende stukken.

En Updike’s echte romans tellen me doorgaans veel te veel niet noodzakelijke woorden.

Richard Maple en zijn vrouw Joan komen al voor in de allereerste bundel verhalen van Updike, uit 1956. Ze zijn dan pas getrouwd. In een volgend verhaal zijn er net kinderen. En zo is elk van de achttien verhalen als een capsule waarin éen periode uit het huwelijk even bewaard is.

Al snel ook duikt er onvrede op. Politiek verschillen Richard en Joan nogal van elkaar, wat zich wreekt tijdens de Vietnam-oorlog, en de burgerrechtendemonstraties in de VS, waarin de vrouw mee-emancipeert. Misschien daardoor ook zoeken beide stiekem naar sex buitendeur. Of doet Richard dit wel? Anders dan in overige Updike-boeken gaat deze protagonist niet prat op zijn veroveringen.

Toch houdt het huwelijk stand, ondanks alle strubbelingen. Tot op het laatst in het boek. Als de vier kinderen inmiddels groot genoeg zijn om een scheiding te overleven, en Richard en Joan in alle vrede uit elkaar gaan.

De bureaucratische handelingen die verricht moeten worden om te scheiden, leveren nog een opvallend goed een-na-laatste verhaal op in dit boek. Al komt dat vast omdat alle afscheid melancholisch maakt; zelfs als dit afscheid slechts bevestigt wat al duidelijk was.

En misschien hebben alle verhalen dit wel gemeen. Ze leggen nooit eenduidige emoties vast, maar roepen steeds een sfeer op waarin verschillende emoties om voorrang strijden. Zoals het hele thema van dit boek lijkt dat enkel onvoorwaardelijk van elkaar houden soms toch niet genoeg is.

John Updike, The Maples Stories
256 pagina’s
Everyman’s Pocket Classics, 2009

Marry Me ~ John Updike

Deze roman heeft éen van de meest overrompelende beginscène’s die ik ken in een boek. Een man reist erin naar het strand, met zijn auto, om tussen de duinen in te gaan tot de vrouw van een ander. De echtparen zijn bevriend bovendien.

Die scène heeft alles. De verwachting van de man zit erin. Zijn opwinding ook. Zijn besef iets verbodens te gaan doen, maar ook zijn rust omdat het niet voor het eerst is. En toch is het enige dat Updike ogenschijnlijk doet een tochtje door de natuur te beschrijven daar aan de Amerikaanse oostkust, in het vroege voorjaar nog.

Dit is het. Zo hoort goed schrijven te zijn, denk ik dan. Maar waarschijnlijk is dat vooral omdat ik het nooit zo zou kunnen. Al heeft het voor mij ook geen enkel nut zo te gaan schrijven.

Toch. Ik ben weliswaar een groot liefhebber van Updike’s proza, maar strek die liefde niet zonder meer uit tot al zijn boeken. Zijn verhalen bewonder ik bijna onvoorwaardelijk, vooral als het om zijn vroege werk gaat. Maar bij zijn romans klopt er voor mij regelmatig iets niet.

Die gaan over niets. Zo prachtig kan Updike schrijven, en dan zeurt hij alleen over twee echtparen die vreemdgaan, en de problemen die dat oplevert bij hen thuis. Bijvoorbeeld. Zoals in dit boek.

Deze roman redt het misschien wel alleen omdat die is opgebouwd uit oorspronkelijk losse verhalen. De verzameling maakt ze absoluut sterker. Maar vast ook die dwang eerder om met iets te komen dat alvast op zichzelf kon staan.

John Updike, Marry Me
A Romance

252 pagina’s
Penguin Books 1977, oorspronkelijk 1971, 1973, 1976

Memories of the Ford Administration ~ John Updike

Mijn kennismaking met de romans van John Updike verliep via de boeken die op dat moment het best verkrijgbaar waren. Zijn nieuwste en toen meest recente werk. Want zo ging dat indertijd. Overgeleverd waren we aan het inkoopbeleid van de boekhandels, die zich ook toen al vooral richten op de waan van de dag.

Gelukkig heeft de handel in boeken zich in éen opzicht geweldig ontwikkeld sinds 1990. Verdwenen is de plicht om slechts genoegen te nemen met de ‘actuele titels’. Evenmin is het nodig om naar schimmige antiquariaten te gaan, in de hoop om daar nog eens een oud boek te kunnen scoren. Alles is inmiddels online te vinden. Al wat je wenst wordt tegenwoordig gewoon door de post thuisbezorgd.

Maar door die nadruk op actualiteit in de handel kan het goed zijn dat ik van sommige schrijvers een scheef beeld heb gekregen. Zeker als ze een grote productie hadden. Van John Updike bijvoorbeeld las ik alle romans die rond 1990 verschenen. Om daaruit toen te concluderen dat zijn lange werk me niet lag. Daar ontbrak de spanning in die zijn korte verhalen voor mij nu net wel hadden. De romans waren altijd te lang.

Alleen viel Rabbit at Rest uit 1990 me bij de tweede kennismaking enorm mee. Waardoor ik voor de vraag sta of het loont ook zijn andere romans uit die periode nog een kans te geven.

Daarom herlas ik Memories of the Ford Administration. Zonder daar heel veel aan te beleven. Een probleem voor mij alleen al was dat de verteller een historicus is, en hij voor mij geen moment historicus werd. Ik heb nu eenmaal onder deze mensen verkeerd; dat bepaalt mijn blik nogal.

Hoofdpersoon in het boek is Alfred Clayton – een universitair docent geschiedenis die begin jaren negentig het verzoek krijgt van zijn beroepsvereniging om persoonlijke impressies op te schrijven van de jaren onder het bewind van Gerald Ford [1974 – 1976]. Deze Ford was de enige Amerikaanse president die nooit gekozen is; omdat hij de vice-president was onder Nixon, en benoemd werd na diens aftreden.

Clayton’s terugblik wordt alleen wel heel persoonlijk. Zelfs als hij de jaren negentig met de jaren zeventig vergelijkt, is dat met een gekleurde blik. Toentertijd was het bijvoorbeeld niet vreemd als een docent het aanlegde met zijn studentes. Inmiddels is dat tot een misdaad geworden.

Een passage die zijn toon perfect treft, en het boek zelfs op een scheve manier samenvat, staat al meteen, tussen haakjes, in de lopende tekst op pagina 6:

Sex still had a good name during the Ford Administration. Betty Ford had been a footloose dancer for Martha Graham and announced at the outset of the administration that she and Gerald intended to keep sleeping in the same bed…. In those years, one-night stands, bathhouses, sex shops abounded. Venereal disease was an easily erased mistake. Syphilis, the clap–no problem. Crabs, the rather cute plague of Sixties crash pads, had moved on as urban rents went up, and herpes’ welts and blisters had yet to inflict their intimate sting. The paradise of the flesh was at hand. What had been unthinkable under Eisenhower and racy under Kennedy had become, under Ford, almost compulsory. Except that people were going crazy, as they had in ancient Rome, either from too much sex or from lead in the plumbing. Ford, a former hunk, got to wome in a way Nixon hadn’t. Twice, I seem to remember, within a few weeks’ time, a female went after him with a gun: Squeaky Fromme was too spaced to pull the trigger, and Sara Jane Moore missed at close range.

Ofwel, Updike blikt in het boek weer eens fijn terug naar de sexuele vrijheden van een periode waaraan hijzelf veel plezier beleefd moet hebben; omdat het thema zo vaak terugkeert in zijn werk. Ik vind dat nu net niet zijn meest boeiende onderwerp. Zelfs al is de hoofdpersoon van het boek inmiddels getemd — doordat hij in de jaren zeventig een tijd zijn echtgenoot inwisselde voor een ander, maar daar toch op terugkwam.

Ook gaat deze roman over een ander personage. Alf Clayton wilde indertijd een biografie schrijven van de Amerikaanse president James Buchanan [1791 – 1868]. Dat was de president onder wiens leiding de VS uiteen viel in twee delen; waarop de Burgeroorlog volgde. Want toen Lincoln verkozen werd tot president scheidden de zuidelijke staten zich af uit de Unie. En dat was volgens de gangbare opvatting onder historici nooit gebeurd als Buchanan niet wat daadkrachtiger was geweest in zijn regeerperiode.

Clayton wilde dit beeld corrigeren, maar vindt evenwel een ander gegeven uit Buchanan’s leven interessanter. Die was namelijk de enige ongetrouwde president die het land ooit gehad heeft. Speculaties zijn er zelfs dat de man nooit de liefde had gekend.

Maar de historicus weet ook dat beter. Grote delen van het boek bestaan uit een vie romancée van Buchanan. Die vanwege alle dialoog die Updike bedacht en de vele details zeker geen tel een biografie is in de normale zin van het woord.

Daarmee heeft Updike wel allerlei verwikkelingen in het boek gestopt waar een student in de litteratuur ergens nog eens leuk op kan promoveren. Spiegelt Clayton’s leven vol van sex dat van Buchanan niet prachtig? Zijn er naast de tegenstellingen tussen beide levens toch niet ook grote parallellen aan te wijzen?

En wat bedoelt Clayton met de slotopmerking van het boek dat het onmogelijk is je te herinneren wat er echt speelde in je leven, terugkijkend over de decennia? Is die opmerking niet ook als commentaar te zien om zijn eigen werk over Buchanan?

Voor mij was het huiswerk om dit boek uit te krijgen. De wisseling in toon telkens tussen de echte herinneringen en de van Buchanan’s vie romancée vermoeide me.

Memories of the Ford Administration ontkrachtte het oordeel dan ook niet dat zich bij eerste lezing zette. Updike’s taal is onveranderlijk prachtig. Hij wist bij ten tijd en wijle scènes te verzinnen die staan als de rest van het boek allang vergeten is. Maar schreef hij veel over sex dan worden te veel scènes inwisselbaar met eerdere passages uit vroegere boeken.

Zelfs literaire porno heeft niet echt goede verhaaltjes.

John Updike, Memories of the Ford Administration
369 pagina’s
Penguin Books 1993, oorspronkelijk 1992

Month of Sundays ~ John Updike

Een roman als deze vergroot voor mij het raadsel Updike. Hoe kan een man die zulke verfijnde en subtiele verhalen heeft bedacht toch zo’n verschrikkelijk boek maken als dit? Zelfs al is de roman veel meer een parodie dan mij bij het lezen opviel?

Ik geef toe, juist A Month of Sundays bevat wel erg veel elementen waar ik niet dol op ben. Zo is de hoofdpersoon een priester. Al pleit voor hem dat hij zich niet helemaal als zielenhoeder heeft gedragen, en daarom een maand in retraite moet.

Maar Updike schrijft zeker die eerste hoofdstukken helemaal alsof er een blikken dominee aan het woord is, met galm ingebouwd en een gemaakte plechtstatigheid. Dat is tegelijk zowel knap als ook erg irritant. Gelukkig houdt hij dat toontje niet het hele boek vol.

Verder heeft Updike zijn priester behoorlijk bronstig gemaakt. En op zich is het ook weer knap hoe hij in een boek zo vol van sex toch weet over te brengen hoe leuk het kan zijn te veroveren. Maar, wat vind ik al die van de pagina’s druipende middelbare mannen geiligheid vervelend.

John Updike, A Month of Sundays
269 pagina’s
Fawcett Crest 1976, oorspronkelijk 1975

Museums and Women ~ John Updike

Updike lees ik om zijn taal, en om zijn kracht verhalen te vertellen. Niet vanwege de onderwerpen die hij behandelt. Bijna altijd schrijft hij over het leven in de Amerikaanse voorsteden namelijk. Interessant is hoe hij soms in een paar zinnen toch iets universeels over dat leven weet te schrijven, en dat dit in een perfect afgerond verhaal gebeurt. Niet dat die voorsteden zich in de VS bevinden.

Maar in Museums and Woman experimenteerde John Updike soms nogal vergaand met nieuwe onderwerpen. Dinosauriërs? Terwijl dat om mij niet op die manier hoeft. In dit boek staan ook verhalen waarin hij zijn metaforen totaal op de personages toespitst. Uiterst vermoeiend is dat. Ineens bestaan alle vergelijkingen dan uit fototaal, alleen omdat de hoofdpersoon toevallig fotograaf is.

Tegelijk staan in dit boek een paar klassieke verhalen die voor mij tot het beste horen dat hij ooit schreef. Dus merk ik telkens hoogstens tweederde van de verhalen in dit boek te willen lezen.

Ook op een andere manier vertegenwoordigt deze bundel voor mij een trendbreuk. Alle verzamelingen met verhalen die voor Museums and Women werden uitgegeven, zijn zonder meer prachtig. Wat daarna kwam, vind ik veel wisselender in kwaliteit, en herlees ik dan ook nauwelijks.

Misschien heeft dit te maken met het hier eerder opgemerkte gegeven dat Updike bijna altijd over personages van zijn eigen leeftijd schrijft. Zijn boeken van na 1972 gaan over mensen die ouder zijn dan ik, met andere problemen.

Niet dat ik per se alles zelf moet mee hebben gemaakt, om instemmend te kunnen knikken bij Updike’s beschrijvingen, overigens. Misschien wel de boeiendste verhalen in dit boek gaan over de huwelijksperikelen van de autobiografisch aandoende familie Maple. En ik heb alleen al die vier kinderen niet.

John Updike, Museums and Women
And Other Stories

235 pagina’s
Penguin Books 1975, oorspronkelijk 1972


Music School ~ John Updike

Updike experimenteerde nogal eens, in wat ik voor het gemak maar de verhalenbundels uit zijn middenperiode noem. Maar in The Music School leverde dit zelfs interessante mislukkingen op, als ik dat boek tenminste vergelijk met Museums and Women, of Problems; die voor een deel al niet meer leesbaar zijn.

Hij is ook zelden humoristischer als in sommige verhalen uit deze bundel.

Tegelijk zijn in dit boek twee verhalen over de Maples verzameld, en eentje over de schrijver Henry Beck. Die daarna ook weer in verzamelbundels zijn opgenomen geheel aan deze personages gewijd. Dus ondanks al het experiment was het voor John Updike blijkbaar niet moeilijk ook zijn vertrouwde toon te vinden.

Mijn favoriete verhaal uit deze bundel is ‘The Christian Roommates’, over een groep studenten op Harvard. Die leren elkaar toevallig kennen omdat ze bij elkaar op kamers zijn ingedeeld.

Het verhaal is nogal atypisch voor Updike, omdat er niet éen moment in verhevigd wordt, maar het een vertelling betreft die over verschillende jaren is uitgesmeerd. Bovendien sluit het zelfs af met hoe het de personages verder verging. In die zin lijkt het meer op de voorstudie van een roman dan een kortverhaal.

Hoofdpersoon in dit verhaal is een saaie student medicijnen, die zit opgescheept met een religieus geïnspireerde kamergenoot. Deze doet aan yoga, en gebruikt daarbij zelfs een spinnewiel ter meditatie. Op een dag spint hij daarmee het lange afgeknipte haar van een meisje tot een draad, die hij dan aan haar terugschenkt.

Maar, hoe gaan wij om met wat zo duidelijk anders als ons is? Het is een vraag die in meerdere verhalen in deze bundel gesteld wordt, en waarvan het antwoord altijd persoonlijk gekleurd zal zijn. Waardoor ik, anders dan bij andere verhalenverzamelingen van Updike, denk dat dit boek over een jaar of tien er misschien weer anders uitziet als nu.

John Updike, The Music School
Short Stories

203 pagina’s
Penguin Books 1970, oorspronkelijk 1967

My Father’s Tears ~ John Updike

Updike stierf, begin 2009. En dus is zijn oeuvre afgerond. Daarmee was er nog maar éen verhalenbundel over die ik nog niet gelezen had van hem; de schrijver ik vooral waardeer om zijn verhalen. My Father’s Tears. Een postume uitgave, waarvan meteen al bij Updike’s dood werd aangekondigd dat die er komen zou.

Goed, misschien dat er straks nog een oprispinkje volgt. Dat nog eens een uitgever brood ziet in een bundel met niet eerder verzamelde verhalen. Dan nog blijft dit boek Updike’s laatste; ook al omdat de verhalen uit het eind van zijn leven stammen.

De achterkant van het boek, en de tekstflappen van het stofkaft hebben zelfs rouwranden…

Dus heb ik mijn tijd genomen om dit boek te lezen. Omdat het in meerdere opzichten een laatste saluut was.

De korte verhalen van John Updike vertonen vaak parallellen met zijn eigen leven. Zo is het belangrijkste personage vaak even oud als de auteur op het moment van schrijven. In een aantal verhalen uit deze bundel is zo’n man dus tegen de tachtig; of in elk geval op leeftijd. Een grootvader.

Ook in dit boek zijn er omstandigheden uit Updike’s leven te herkennen. Die jeugd in de depressiejaren. Zijn vader, die leraar was, komt nogal eens terug. Updike’s psoriasis speelt een rol in een verhaal; want er is weer een nieuwe behandelmethode bedacht, met blauw licht.

Daarmee brengen de verhalen veel van wat al bekend was. En toch is al dat bekende altijd weer nieuw. De gebeurtenissen of de feiten uit zo’n verhaal doen er ook zelden alleen toe; Updike’s taal is dat andere element dat zo’n bundel als deze tot een belevenis maakt. Zelfs al is het lang zijn beste verhalenbundel niet.

Op een paar momenten toont het boek toch wel degelijk nog even de magie van zijn meesterwerken. In het een-na-laatste verhaal bijvoorbeeld. ‘Outage’. Dat zelfs een plot heeft, voor de verandering. Ook al heeft dit verhaal wel een treurig gegeven, op de keper beschouwd. Man op leeftijd kan, is dankbaar voor de mogelijkheid, maar hoeft niet meer.

Er zit veel afscheid in het boek. Dit maakt dat ik het nu misschien beter vind dan het was.

John Updike, My Father’s Tears
& Other Stories
292 pagina’s
Hamish Hamilton, 2009

Pigeon Feathers, and Other Stories ~ John Updike

Dit is éen van mijn favoriete boeken aller tijden, en dat dwingt mij nu hier tot de onmogelijke taak uit te leggen waarom dan wel.

Wat maken deze verhalen uniek? Waarom heb ik zelfs in het verleden moeite gedaan enkele te vertalen; om ze zo grondig te lezen dat me misschien meer duidelijk zou worden over het geheim van Updike’s verhaalkunst.

Daarbij gaat het gaat om taal, natuurlijk. Om het ritme van de woorden. Om hoe die inzoomen, of vooruitkijken, of juist weer terugblikken. Om hoe de schrijver elk moment verhevigen kan, zelfs door er even afstand van te nemen.

Het verhaal A&P uit dit boek schijnt zo ongeveer stuk gebloemleesd te zijn in bundels voor het Amerikaanse onderwijs. Toch is het éen van mijn grote favorieten. Al leerde ik dan later dat het verhaal oorspronkelijk nog even doorging, maar een redacteur van het tijdschrift ‘The New Yorker’ een eerder moment aanwees als logischer eind. Sindsdien voelt A&P te kort. Alsof me wat onthouden is.

Should Wizard Hit Mommy? is ook al zo’n eeuwige favoriet van mij. Maar waarom? Het hele verhaal gaat over weinig meer dan een vader die een verhaaltje vertelt aan zijn dochtertje, vlak voor het slapengaan. Alleen is het kindje wat bokkiger als anders, waardoor de vader improviseren moet.

Maar daardoor wordt ook weer zo subtiel iets van een conflict in het gezin opgeroepen dat het verhaal een extra lading krijgt.

Het ongezegde is zo groot, en toch zo aanwezig in deze verhalen, die Updike tamelijk achteloos allemaal voor zijn dertigste schreef. En de magie van dit boek blijft, zelfs bij de zoveelste keer herlezen.

John Updike, Pigeon Feathers, and Other Stories
280 pagina’s
Alfred A Knopf 1998, oorspronkelijk 1962

Pigeon Feathers, and Other Stories ii ~ John Updike

Elk oordeel over een boek is een momentopname. Zelfs al lukt het een slecht geschreven werkje nooit om over tien jaar wel een meesterstuk te zijn. Voor ik een boek tot favoriet benoem, is het dus minstens twee keer gelezen. En bleef het overeind bij de hernieuwde kennismaking.

Sommige favorieten las ik zelfs vaker dan twee keer. Daaronder is de bundel Pigeon Feathers, and Other Stories van John Updike; met verhalen die hij allemaal schijnbaar achteloos voor zijn dertigste schreef.

Deze keer vreesde ik alleen wel, vooraf aan het herlezen, dat ik een favoriet zou kunnen vernietigen.

Updike schreef vrijwel steeds verhalen over mensen die op dat moment zo ongeveer van zijn leeftijd waren, of net wat jonger. Pigeon Feathers, and Other Stories gaat daarmee over jonge mensen. Over tieners op de rand van volwassenheid. Over jonge ouders, die dan vaak al voor hun twintigste getrouwd waren, met nog heel kleine kinderen.

Bij andere auteurs merk ik inmiddels al gauw zulke jonge personages niet heel interessant meer te vinden. Daar is dan domweg nog te weinig aan leven overheen gegaan.

Bij Updike bleek de groeiende kloof in leeftijd opnieuw geen enkel probleem te zijn.

In de verhalen uit deze bundel wordt namelijk zo vaak even voortreffelijk een sfeer gevangen — waardoor het plot of de aanleiding van het verhaal er al zo veel minder toe doen. Voor mij tenminste. En bij sfeer kan de jonge leeftijd van de personages vervolgens juist wel van betekenis zijn; omdat zij zo hevig kunnen voelen; nog altijd niet afgestompt door ervaring.

Pigeon Feathers, and Other Stories bevat enkele klassiekers uit de geschiedenis van het kort verhaal, die telkens weer in bloemlezingen opduiken. ‘Should Wizard Hit Mommy?’, ‘Wife-Wooing’, ‘A&P’, en dus ook het verhaal dat het boek zijn naam gaf ‘Pigeon Feathers’.

Met dit titelverhaal heb ik overigens nooit iets gehad. Dat heeft een thematiek die blijkbaar universeel herkend wordt — gezien de positieve kritieken elders — en die mij nooit een tel heeft geraakt.

Jongen van dertien is aan te twijfelen over het geloof waarin hij wordt opgevoed, krijgt een buks op zijn verjaardag, en moet dan de grote schuur in om duiven te schieten. In de dode beestjes vindt hij vervolgens de oneindige schoonheid van God’s schepping terug.

Maar wie zonder religie wordt opgevoed, krijgt al evenmin de bijbehorende levensangst mee. En om de beschrijving van die levensangst gaat het in dit verhaal; als de kennis van de jongen rijpt, en hij vragen ziet, waarop zijn omgeving de juiste antwoorden niet biedt.

Mijn levensangst op die leeftijd ging absoluut niet over de vraag of ik uitverkoren zou zijn voor het eeuwige leven. Ik verveelde me op school, dat allereerst, en zag niets anders voor mij dan een leven vol van vergelijkbare eeuwig durende verplichtingen. Een eindeloze waadpartij door zuigende blubber. Met de dood als verlossing op het eind.

En dan gaat het me er niet om mijn autobiografie nu te vergelijken met die van de jongen uit het verhaal, of met die van de auteur John Updike. Iedere lezer gebruikt alleen wel zijn of haar persoonlijke ervaring om te kunnen beoordelen of een schrijver ergens oprecht in is of niet.

Het einde van ‘Pigeon Feathers’ voelt aan als vals; uit de lucht gegrepen, en verpest daarmee de rest van het verhaal. De schrijver was te vriendelijk voor zijn personage, door hem een makkelijke uitweg te bieden. Want een God die zo veel moeite had gedaan op het maken van duivenveren, terwijl duiven toch niets anders dan vliegende ratten zijn, zou echt geen punt maken van de vraag of de jongen uitverkoren is of niet.

Zo bedenkt de jongen zich. Plotseling opgelucht.

En ik geloof dan simpelweg niet dat dit voor zo’n twijfelende puber volstaat; zelfs al geeft de schrijver hiermee misschien commentaar over het hoofd zijn personage heen, dat alles troost kan bieden voor wie zoekt om steun.

Dus zal ik bij de volgende herlezing van dit boek, over negen à tien jaar, het titelverhaal weer overslaan. En mij in plaats daarvan laven aan alle beschrijvingen in het zo achteloos briljante proza waarover Updike al zo vroeg het meesterschap had.

Want om de sfeerbeschrijvingen gaat het, niet om de verhalen met een plot.

John Updike, Pigeon Feathers, and Other Stories
280 pagina’s
Alfred A Knopf 1998, oorspronkelijk 1962

Problems ~ John Updike

John Updike [1932 – 2009] was in de veertig eind jaren zeventig. En voor wie zijn levensloop kent, liggen daarmee ook wel zo ongeveer de onderwerpen vast van de verhalen in deze bundel.

Hij had al jong kinderen. Dus als er kinderen voorkomen in de verhalen puberen deze hevig, of staan ze op het punt het huis uit te gaan om elders te studeren.

Zijn eerste huwelijk strandde. Dus wordt er gescheiden in deze bundel, en ook weer hertrouwd. Waarbij de kinderen er niets van begrijpen. Waarbij die tweede vrouw het nadeel heeft niet de hele geschiedenis van de man te hebben gedeeld, zodat er in gesprekken soms meer dan een half woord nodig is om elkaar te kunnen begrijpen.

Problems laat regelmatig een nogal experimentele Updike aan het werk zien. Zo bestaat het titelverhaal uit weinig meer dan de sommetjes die een pas gescheiden man ’s avonds maakt over de verschillen tussen wat hij verdient, en wat hij verplicht is om uit te geven aan alimentatie en andere zorg. En die sommetjes komen niet uit.

Mij zijn de meer traditionele verhalen liever. En daar staan er misschien wat weinig van in. Al bevat ook deze bundel gelukkig enkele die ik zo zou opnemen in een bloemlezing met het beste van Updike. En misschien is zo’n bloemlezing onlangs ook wel uitgegeven, trouwens. Recent verschenen al de zo verspreide verhalen over de geplaagde familie Maple in éen band. En twee van mijn favorieten uit Problems zijn de Maple-verhalen.

Opmerkelijk is verder nog ‘From the Journal of a Leper’ waarin Updike van binnenuit over zijn zware psoriasis schreef.

John Updike, Problems
And Other Stories
262 pagina’s
Andre Deutsch 1980, oorspronkelijk 1979

Rabbit at Rest ~ John Updike

[Dit boeklogje is ook onderdeel van een serietje, dat hier begint]

En toen pakte Rabbit at Rest ineens uit als een onvergetelijke roman. Omdat John Updike alles beter lukte in dit boek dan in de drie delen uit de Rabbit-serie ervoor.

Daarmee wordt wel een vraag wat er precies zo goed is aan dit boek.

Is het om de zekerheid dat Harry ‘Rabbit’ Angstrom zo meteen dood gaat — die ik al had voor het lezen — en daarmee een natuurlijk einde aan de reeks komt? Maakt het naderende afscheid dat de tekst vanzelf een extra lading krijgt? Dat de hoofdpersoon sterfelijk is, weegt bij vrijwel alles mee.

Wellicht telt mee dat de eenheid van plaats eindelijk eens doorbroken werd. In plaats van dat het verhaal enkel in dat wat trieste stadje Brewer, Pennsylvania, hangen blijft, worden ook zonniger oorden opgezocht. Rabbit en Janice hebben inmiddels een tweede huis in Florida, waar ze overwinteren.

Of ligt het prozaïscher, en komt mijn plezier in het boek door mijn eigen gewenning? Rabbit at Rest verscheen in 1990. Toen was ik al een tijdje in Updike. Deze roman, net als die ervoor en erna, werden dan ook min of meer gelezen op het moment dat ze uitkwamen. Misschien is simpelweg de Updike en zijn manier van schrijven van rond die tijd me beter bekend dan die uit welke andere periode uit zijn loopbaan ook.

Evenmin is uit te sluiten dat het lezen in serie deze zomer van alle Rabbit-romans me nu juist ontvankelijk maakte voor dit ene boek.

Een nog weer andere oorzaak kan zijn dat Updike eindelijk een evenwicht vond in wat nadruk moest krijgen in het boek. Want de drie personages waar hij de voorgaande romans aan op heeft gehangen, zijn allemaal merkwaardig passief.

Rabbit Angstrom beleefde zijn glorietijd als sportende tiener, en alles wat daarna gebeurde overkwam hem slechts.

Zijn vrouw Janice is zelfs amper een personage te noemen. Ook na drie boeken wist ik niet veel meer over haar dan dat ze graag een glaasje dronk en dat ze niet kan koken. Pas in Rabbit at Rest handelt ze eens. Onder meer door een cursus te gaan doen om makelaar te worden.

Zoon Nelson verwijt dan weer alles wat er in zijn leven misgaat aan het slechte huwelijk van zijn ouders; en dat zijn vader altijd misprijzend over hem geweest is.

Door deze drie miezers kleeft er in de eerste drie romans uit de serie een grote vergeefsheid aan alles. En daarmee misschien ook wel aan het lezen.

Pas in Rabbit at Rest staat er voldoende tegenover dit eeuwige gebrek aan handeling om balans te hebben. Heel positief in deze roman is bijvoorbeeld het optreden van Rabbit’s negenjarige kleindochter Judith in het eerste deel.

Dus zelfs al gaat het in de vierde roman nog erger mis dan in de drie ervoor — Rabbit zal sterven, zoon Nelson is aan de cocaïne verslaafd, en snuift het hele familiebedrijf op — om éen of andere merkwaardige reden is de ellende ditmaal beter te dragen dan eerder.

Bovendien vond ik het einde fraai, ondanks alle sentimentaliteit.

Ook dit boek weer ontvlucht Rabbit Angstrom zijn gezin door in de auto te stappen en weg te rijden. Al heeft hij ditmaal wel een bestemming om naar toe te gaan; dat appartement in Florida.

Ook ditmaal speelt hij een partijtje basketbal op straat. Aan het slot. En daarmee vond Updike een manier om zijn oude krijger nog bijna in het harnas te laten sneuvelen. Staande. Rechtop. Na een overwinning in het spel.

Punt is alleen wel al dat hij dat doet op 56-jarige leeftijd, en ik dat imiddels veel te jong vind om dood te gaan. Bij eerste lezing had ik daar nauwelijks idee bij. Toen was ook dit boek me veel te lang.

Ligt er nu wel nog de vraag of Updike met de Rabbit-reeks inderdaad de geschiedenis van de VS heeft verteld door nadruk te leggen op wat gebeurde in het leven van een alleman.

Zoals hij zelf ooit eventjes claimde.

Zoals ook elke criticus vervolgens braaf in commissie zou beweren.

En dan moet gezegd dat juist dat element me eerder stoorde in de boeken dan positief verraste. Updike overdreef. In Rabbit at Rest bestaat die actualiteit overigens vrijwel alleen uit het noemen van de namen van TV-series waar ‘Rabbit’ Angstrom naar keek. Ook in dat opzicht springt deze roman er positief tussenuit.

Van een afstandje bekeken is net zo goed te stellen dat Updike zijn boeken tegen de tijdsgeest in schreef. Ofwel, ze kunnen juist heel goed dienen om de clichés te ontkrachten die er over een bepaalde tijd bestaan. Wie de jaren vijftig in de VS voornamelijk ziet als een periode van groeiende welvaart zal dat echt niet te leren uit Rabbit, Run. En Rabbit is Rich speelt zich af tijdens de schraalte van een oliecrisis, terwijl Harry Angstrom juist dan rijk wordt en juist dan allerlei riskante beleggingen doet — zo koopt hij een hele lading gouden Krugerrands.

Wat belangrijk is in een bepaalde periode is op zijn best pas achteraf te zien. Door een neutrale toeschouwer. Waarbij de geschiedenis ook nog zo werkt dat weer enkele decennia later de blik terug alweer op heel andere zaken let. De constatering blijft staan dat achteraf detectiveschrijvers veel beter in staat zijn gebleken om hun tijd weer te geven dan de meer literaire types, omdat zij die tijd enkel gebruiken als neutraal decor; niet om er iets mee te zeggen.

[wordt nog éen maal vervolgd]

John Updike, Rabbit at Rest
512 pagina’s
Penguin Modern Classics 2006, oorspronkelijk 1990

Rabbit is Rich ~ John Updike

[Dit boeklogje is ook onderdeel van een serietje, dat hier begint]

Eén voordeel heeft het om een reeks romans te lezen over hetzelfde personage. Die man ken je inmiddels. En alle minieme veranderingen in zijn leven worden daardoor gezien.

Een nadeel is dat de schrijver er niet vanuit kan gaan dat elke lezer van het boek de hele reeks kent. Dus moest Updike telkens ook nogal wat back-story geven in de boeken.

Soms loste hij dat probleem wel heel elegant op, trouwens. Rabbit is Rich speelt zich af in 1979; een jaar dat de VS een brandstofcrisis beleefde. De prijzen aan de pomp zijn hoog. Maar omdat Rabbit Angstrom inmiddels Toyota-dealer is geworden — erfenisje van schoonpapa — en Toyota’s aardig zuiniger zijn dan de aloude Amerikaanse pooierbakken, gaat het hem goed.

Wel kan hij grappen dat hij nu nooit meer de stunt kan uithalen waarmee Rabbit, Run twintig jaar daarvoor opende. In de auto stappen, en de hele nacht doorrijden, om weg uit een huwelijk te komen, is niet iets om zo maar te doen in tijden van brandstofschaarste. Daar had hij op dat moment eerst nog flink voor moeten sparen.

Een constante in de boeken is verder dat er niet veel in gebeurt. Weliswaar beschrijven ze — anders dan Ulysses — niet het leven in éen dag. Maar heel veel meer tijd verstrijkt er nu ook weer niet tussen begin en einde van het boek. Zij het dat Updike gelukkig af en toe even vooruit springt.

In het eerste hoofdstuk van deze roman komt zoon Nelson, inmiddels tweeëntwintig, weer eens thuis, en neemt daarbij een vriendin mee; waar hij niet mee schijnt te neuken.

En thuis is dan het huis van Janice’s moeder. Rabbit Angstrom woont bij schoonmama in, en is nog altijd bij zijn eerste echtgenote. Ondanks alle problemen.

Het tweede hoofdstuk uit Rabbit is Rich gaat uiteindelijk eigenlijk over niets anders dan de vraag waarom zoon Nelson zo ongewoon gespannen en gesloten is. Hij moet al het hele boek zijn vader iets vertellen, maar durft dat niet.

Maar uiteindelijk komt het hoge woord er dan toch uit — wat ook niet anders kan, de komst van een nieuw personage plaatst hem simpelweg voor een fait accompli. En dan is de goede lezer ook meteen zichtbaar welke dwaalsporen Updike in het verhaal heeft aangebracht. Vele vragen hadden kunnen rijzen, door diens hints. Want was Nelson homo? Heeft hij de dood van iemand op zijn geweten, of een andere ramp veroorzaakt? Schopte hij een vrouw met kind?

Dus deugt het schrijven wel, alleen blijven de personages wat deprimerend. En hoewel ik tegenwoordig meer om het schrijven geef dan om de personages is me overduidelijk waarom deze romans me ruim twintig jaar terug ooit zo tegenstonden.

Het derde hoofdstuk van Rabbit is Rich bestaat dan weer voornamelijk uit twee massascènes. In de eerste trouwt zoon Nelson met zijn zwangere bruidje. In de tweede zijn Rabbit Angstrom en zijn Janice onder vrienden.

En Updike is bijzonder goed in massascènes. Misschien ken ik zelfs wel geen betere schrijver dan hij van dit materiaal. Want, probeer het maar eens interessant te houden om telkens heel verschillende mensen het woord te geven. Of maak maar eens heel subtiel duidelijk hoe de sfeer op zo’n bijeenkomst langzaam verandert; bijvoorbeeld omdat er meer drank in de aanwezigen komt.

Puur voor het verhaal van de roman zijn deze passages evenwel niet meer dan passen op de plaats; kleine golfjes bewegen er in vrijwel stilstaand water. Nu goed, van de Rabbit-tetralogie verwachten dat die veel ontwikkelingen zullen brengen, is uiteindelijk rijkelijk onnozel. Daarvoor is de hoofdpersoon een te passief personage.

Rabbit is Rich is alleen ook nog een vrij plotloos boek. Het is alsof Updike al tijdens het schrijven vast besloot om over tien jaar met nog een deeltje te komen in de reeks. En dat daarmee een heleboel aan verhaal wel wachten kon.

Ook in het vierde en vijfde hoofdstuk staat de hoge kwaliteit van de beschrijvingen nogal in contrast met het dunne verhaal.

Eigenlijk gebeuren er maar twee dingen. Ook zoon Nelson vlucht weg uit zijn huwelijk als zijn vrouw dreigt te bevallen — een handeling die de plot van de roman Rabbit, Run herhaalt. En Rabbit Angstrom gaat met zijn Janice en wat vrienden op luxevakantie.

Daarbij wordt dan openlijk van partner geruild.

En tijdens die sex vinden ook nog enige experimenten plaats.

Updike hoorde tot de generatie auteurs voor wie het ineens normaal werd om openlijk te schrijven over alles wat er in een mensenleven voorvalt. De openlijke censuur op sex en andere obsceniteiten in boeken viel weg. In die zin illustreert de hele Rabbit-reeks ook duidelijk hoe veel meer vrijheid er ontstond. Rabbit Run werd nog gecensureerd door de uitgever, in 1959. In Rabbit is Rich gaat een heel boekdeel uiteindelijk over niets anders dan sex.

Maar de tijden zijn nu nog weer anders dan toen, en om éen of andere reden wekken al die uitgebreide erotische passages in zijn romans nu toch vooral verveling op. Bij mij althans. Maar gezien de populariteit momenteel van fanfic als Fifty Shades of Grey sta ik daar alleen in.

[wordt vervolgd]

John Updike, Rabbit is Rich
448 pagina’s
Penguin Modern Classics 2006, oorspronkelijk 1981

Rabbit Redux ~ John Updike

[Dit boeklogje is ook onderdeel van een serietje, dat hier begint]

Meest opvallende kenmerk van de Rabbit-romans lijkt me nog niet eens dat ze allemaal dezelfde hoofdpersoon hebben. Of dat er steeds een decennium zat tussen de momenten van publicatie. Mij valt eigenlijk het meest op dat de boeken telkens langer worden.

Deel vier, Rabbit at Rest, telt bijna twee keer zo veel pagina’s als het beginboek, Rabbit, Run.

Terwijl die eerste roman misschien al wel te lang was voor zijn inhoud.

Want weliswaar is het lezen van deze boeken absoluut geen straf. Maar tegenover de pracht en de kracht van Updike’s taal blijft staan dat de inhoud vaak tamelijk vreselijk is; en dan al gauw te lang doorsleept.

De hoofdpersoon, Harry ‘Rabbit’ Angstrom’, deed in het eerste boek éen driest ding. Op goede dag stapte hij in zijn auto om voor altijd zijn huwelijk uit te rijden. Maar daar kreeg hij al dezelfde nacht spijt van. En al duurde het daarop nog een tijd voor hij weer bij zijn echtgenote Janice terug kwam, terugkeren deed hij.

In Rabbit Redux is het ditmaal Janice die de auto pakte en uit het leven van Rabbit wegreed — om samen te gaan leven met haar minnaar.

Dus komt ze tot nu toe nauwelijks in de boeken voor; of niet meer dan als een dreigend onweer in de verte. Wat haar tot wel een heel merkwaardig romanpersonage maakt.

En ook Rabbit Angstrom is een opvallend weinig uitgesproken figuur. Zijn heldendaden liggen namelijk al achter hem; tijdens zijn middelbareschooltijd was hij basketbalkampioen. Maar daar hint Updike slechts naar; hij vertelt er verder niets over. Het leven heeft Rabbit na die glorietijd voornamelijk passief gemaakt; alsof hij sindsdien in een eeuwige blessuretijd is aangeland. En de romans gaan vooral daarover.

Rabbit Redux bleek een boek te zijn dat onverwacht nog een luikje openzette naar een eerdere lezing. Ik kende het boek, en had het die eerste keer tamelijk vreselijk gevonden. Dit kwam dan vooral door een sterk claustrofobisch middengedeelte.

Als Rabbit Angstrom eenmaal eenzaam thuis zit — zij het dat zijn zoon van dertien daar dan ook nog bij hem woont — is het slechts een kwestie van tijd voor hij een zwerfkatje oppikt. Een achttienjarig grietje komt inwonen. Een verloren gelopen vrouw met als enige bezit de Porsche die ze van haar ouders kreeg.

Even later duikt er nog iemand op in het huis. Een vriend van de zwerfkat. Die een zwarte man lijkt te zijn. Bovendien heeft de man éen en ander op zijn kerfstok; waardoor hij het huis niet meer uit kan ook.

En Rabbit Angstrom laat zich dat alles aanleunen. Wat misschien nog wel het vervelendst is aan dit boek. Dit wist ik nog allemaal van de vorige keer lezen — vooral omdat het boek me toen ook al weinig anders bracht. Opvallend genoeg was ik wel de huidskleur vergeten van de mannelijke logee; terwijl Updike nu net zo veel moeite doet om dat element in het verhaal te brengen.

Als oudere en wat afstandelijker lezer zie ik meer dan bij eerste lezing, maar toch het meest hoe Updike met deze roman vreselijk zijn best doet om actuele thema’s in te brengen.

Rabbit Redux lijkt me daarom veel meer dan bij alle andere vier romans uit de serie achtergebleven in de tijd. Omdat er zo weinig ontwikkeling is, laat staan verhaal, ligt de nadruk nogal op zaken die toen even waren.

Het boek speelt zich af in 1969. Dus landen de Amerikanen op de maan. Het is een verder nutteloos gegeven, tot de lezer gebracht via een TV-uitzending in een andere kamer. Maar Updike gebruikt het wel.

Net zo kleeft aan het optreden van die zwarte man in het boek, de Vietnamoorlog op de achtergrond, of hun gezamenlijke drugsgebruik iets dat erop lijkt dat de auteur zijn effecten bewust heeft berekend.

Pas helemaal aan het einde, als door een plotse schok de ban is gebroken, en de claustrofobie die deze roman zo bepaalt doorbroken wordt, pas dan krijgt het boek iets.

Rabbit blijkt daarna ineens ook een tamelijk ongeremde zuster te hebben. Mim. En zij is in het luttel tal pagina’s dat ze verschijnen mag aanzienlijk boeiender dan haar broer.

[wordt vervolgd]

John Updike, Rabbit Redux
348 pagina’s
Penguin Modern Classics 2006, oorspronkelijk 1971

Rabbit Remembered ~ John Updike

[Dit boeklogje is ook onderdeel van een serietje, dat hier begint]

Was er nog een vijfde Rabbit-roman. De kortste van allemaal. Een novelle. Die stiekem weggestoken werd in een bundel met korte verhalen bovendien. Amerikaanse uitgevers doen nu eenmaal niet aan novellen. Met als extra bijzonderheid dat Harry ‘Rabbit’ Angstrom op het moment dat het verhaal speelt al jaren dood is.

Rabbit Remembered werd onder meer geschreven om wat losse eindjes af te hechten die de romans hadden overgelaten. Maar mijn indruk is ook dat Updike vond dat hij altijd wel lekker had geschreven over Rabbit en diens wereldje. Aan dit boek is bovenal af te lezen dat de maker er plezier aan heeft beleefd.

Het zal vast schelen ook om al een hele cast aan personages te hebben klaar staan. Maak die mensen allemaal een paar jaar ouder. Laat ze puur menselijke fouten maken, en de roman is er al half.

Zo begint deze roman met de zin:

Janice Harrison goes to the front door when the old bell scrapes the silence.

De lezer van de Rabbit-tetralogie weet hierdoor meteen al: i] Janice leeft nog. ii] Ze is hertrouwd, met iemand waaraan Rabbit Angstrom een afgrijselijke hekel had — al had hij wel een affaire met diens vrouw. iii] Ze woont waarschijnlijk nog steeds in haar enorme ouderlijk huis.

Janice is overigens het minst interessante ofwel het meest onbegrijpelijke personage uit de Rabbit-boeken. In de eerste twee romans komt ze al nauwelijks voor, hoewel ze de echtgenote van de hoofdpersoon is. En mede daardoor lijkt het of Updike haar nooit helder voor ogen heeft gehad. Pas in het vierde deel laat hij haar zelf dingen doen — ze volgt dan ineens een opleiding tot makelaar.

De voornaamste intrige uit Rabbit Remembered stamt overigens nog uit Rabbit, Run van veertig jaar eerder. In dat eerste boek heeft Harry Angstrom enige maanden in zonde samen geleefd met Ruth, en haar waarschijnlijk zwanger gemaakt. Of dit zo is, en of er een kind van kwam, zal hem in de overige boeken telkens blijven plagen. Al biedt Rabbit at Rest dan ineens wel zekerheid.

Maar ook Ruth is inmiddels dood. En de vrouw die bij Janice aanbelt, komt vertellen dat Rabbit Angstrom ooit werkelijk een onecht kind verwekt heeft bij Ruth. Plus dat zij dat bastaardje is.

De opkomst van deze halfzuster dient dan weer om het leven van Rabbit’s zoon Nelson in perspectief te zetten — want van hem weten we niet beter dan dat hij net van de cocaïne af is, en overal een puinhoop van gemaakt heeft. Daarbij gebruikte Updike handig het gegeven dat mensen die elkaar niet kennen elkaar nog heel wat te vertellen hebben.

Aan Rabbit Remembered valt verder op dat de auteur het voor éen keer goed met zijn personages voor heeft. Updike gebruikte zijn macht als alwetende verteller nu eens niet om onmogelijke problemen te verzinnen. De meeste van de moeilijkheden in het boek lagen er trouwens nog, uit de vorige boeken.

Rabbit Remembered is daarmee zelfs op te vatten als een ‘happy ending’ voor de hele reeks. Het slot aan vier decennia aan verwikkelingen. Een afronding van een auteur die vond dat er nog wat recht te zetten was over een hele serie aan personages.

Mede daarom denk ik dat het boek eigenlijk slechts te verteren is als het in serie wordt gelezen met de vier voorafgaande delen. Dat maakt het boek roezig en daardoor is het goed. Afzonderlijk gelezen vond ik deze roman ook wat wee, bij de eerste pogingen.

John Updike, ‘Rabbit Remembered’
182 pagina’s
in: John Updike, Licks of Love
Short Stories and a Sequel

359 pagina’s
Alfred A. Knopf, 2000

Rabbit, Run ~ John Updike

Begin jaren zeventig zou Updike in een interview bekend hebben dat Rabbit, Run geïnspireerd was door de opzet van Ulysses. Van Joyce. Door het leven van éen gewone man in detail te bekijken, voor een roman, zou dat boek later meer te vertellen hebben dan enkel een verhaaltje.

Deze bekentenis is vervolgens door iedereen voor waar aangenomen. En omdat Rabbit, Run gevolgd werd door nog drie romans met dezelfde hoofdpersoon, die bovendien netjes om de tien jaar verschenen, heet Updike’s Rabbit-tetralogy ook een portret van de Verenigde Staten te geven — contemporaine geschiedschrijving te zijn, geïllustreerd door de details uit het leven van een alleman.

Nu pak ik liever meteen een geschiedenisboek als ik geschiedschrijving wil lezen. Mij interesseerde slechts of de vier Rabbit-romans nog altijd leesbare boeken zijn; en of ze werkelijk Updike’s belangrijkste erfenis vormen. Een eerdere poging om dat te begrijpen, leverde namelijk vrij weinig op. De boeken waren me altijd te lang.

Voor mij moet het zeker twintig jaar geleden zijn dat ik voor het laatst een Rabbit-roman las. Vraag me welke gedetailleerde herinneringen nog aan die vier boeken bestaan en het blijft stil.

Hoogstens wist ik de openingsscène van Rabbit, Run nog. Waarin de oud- schoolkampioen Harry Angstrom zijn nette jasje uitdoet, en zorgvuldig opvouwt, om mee te doen in een partijtje te basketballen met tieners op straat. Alleen hoeft die herinnering niet uit het lezen van de roman te stammen. Updike is daar namelijk later nog weleens op teruggekomen — om uit te leggen waarom hij zo filmisch wilde beginnen met het boek.

Bij het lezen wees verder niets erop dat ik Rabbit, Run al kende. Terwijl de vertaling nochtans in de kast staat, en dit exemplaar duidelijk toont ooit door mij te zijn doorgenomen.

Dus las ik een verhaal over wat inmiddels voor mij een jonge jongen is geworden, van zesentwintig. Getrouwd is hij met een alcoholiste, genaamd Janice. En als er ooit al iets was tussen die twee dan mist dat allang. Dat er al een kind is, en een tweede op komst, lijkt er evenmin toe te doen.

En deze Rabbit Angstrom doet het allerverbodenste. Op een vrijdagavond stapte hij in zijn auto, uit het huwelijk, met als doel om nooit meer terug te komen.

Alleen kwam hij toch terug. Maanden later. Nadat hij al die tijd met een andere vrouw, genaamd Ruth, in zonde had samengeleefd. Als Janice in het ziekenhuis ligt voor de bevalling van hun tweede kind is dat aanleiding genoeg om Ruth plotsklaps te verlaten, en terug te keren op het oude nest.

Vervolgens gebeurt er iets nogal dramatisch waardoor Rabbit Angstrom zijn Janice weer verlaat en terug naar Ruth wil. Om daar te horen dat hij ook haar zwanger heeft gemaakt.

Na lezing zie ik Updike’s bekentenis Joyce als inspiratiebron te hebben gezien ondertussen wat anders.

Ulysses is om meer dan éen reden bekend. Zo bevat het boek twee beruchte masturbatiescène’s — Bloom op het strand, Molly’s monoloog in het slotdeel — en alleen daarom al werd de roman in veel landen een tijd verboden. En ook Updike experimenteerde stevig met de taboes van zijn tijd in Rabbit, Run. De eerste Amerikaanse druk moest nog zorgvuldig gekuist worden van al te plastisch sexueel getinte beschrijvingen.

Dat een echtgenoot zijn vrouw verliet, kon natuurlijk al evenmin; en al helemaal niet omdat zij zwanger was.

Tegenwoordig zou dan weer een flink taboe zijn dat Janice stevig rookte en dronk tijdens haar zwangerschap. Toen telde dat nog niet.

Net zo zeer is het personage Harry ‘Rabbit’ Angstrom op het moment nog te gebruiken om te illustreren dat John Updike een vies sexistische man was, die geen vrouw geloofwaardig beschrijven kon.

Een oordeel over deze roman heb ik niet echt — dat volgt waarschijnlijk pas na de volgende delen uit de reeks te hebben gelezen. Het boek had zijn momenten, maar de hoofdpersoon is zo ongeveer éen van de saaiste mannen denkbaar uit de wereldliteratuur. Als wat hij al ambities en dromen had, liggen die al tijden achter hem. Hij was een sportheld op zijn middelbare school. En dat moest de rest van zijn leven maar genoeg zijn.

Ook het vertelperspectief was me niet heel aangenaam. Updike vertelt alles in de tegenwoordige tijd — wat toen nog geen versleten trucje was, maar uiterst gewaagd. Tegelijk is hij daarbij wel een alwetende verteller, die alles kan beschrijven; en dit dan doet in regelmatig prachtige taal. Alleen laat hij daarbij opvallend genoeg vaak bewust weg hoe zijn personages zeggen wat te zeggen hebben.

[wordt vervolgd]

John Updike, Rabbit, Run
with an afterword by the author

280 pagina’s
Penguin Classics 2006, oorspronkelijk 1960

Same Door ~ John Updike

De eerste verhalenbundel van John Updike [1932 – 2009] viel voor mij altijd wat weg tegen de tweede. Beter dan Pigeon Feathers, and Other Stories kon niet bestaan. Dus hoefde ik ook niet heel goed te kijken naar een vergelijkbare verzameling.

Die vroegere onverschilligheid leidde er toe dat The Same Door nu met terugwerkende kracht een meesterstuk van verhaalkunst leek.

Toegegeven, in deze bundel stonden wel al de verhalen die voor Nabokov een directe aanleiding waren om Updike’s schrijfstijl te roemen. Dat het vroege werk goed was, is geen nieuws. Hoogstens moet nog maar eens gememoreerd worden dat John Updike dus op zijn eenentwintigste tweeëntwintigste al meesterwerkjes schreef.

Die leeftijd betekende wel dat de verhalen in deze verzameling die van een jonge man zijn. Ze gaan nog over gebeurtenissen tijdens de laatste schooljaren, over pril huwelijksgeluk, en over baby’s. Er moet nog aan een carrière worden begonnen, en dat maakt dan weer dat er nog zo veel vragen zijn.

Eén van mijn lievelingsverhalen van Updike stond altijd al in The Same Door. Het boek besluit met ‘The Happiest I’ve Been’, en dat leest als de afsluiting van een jeugd — waarbij de melancholie over wat achtergelaten wordt in prettig evenwicht is met het besef dat het goede uit de jaren daarvoor nog wel even blijven zal.

In het verhaal gaat ‘John’ vlak na de kerstdagen thuis terug naar de universiteit, waar hij dan al enige tijd studeert. Hij rijdt daartoe mee met een oude vriend, en samen bezoeken ze eerst nog een vooruitgeschoven nieuwjaarspartijtje, waar ze iedereen kennen, omdat elk altijd bij elkaar op school heeft gezeten. De avond eindigt als ze een paar meisjes naar huis hebben gebracht, en John achter het stuur plaatsneemt om naar Chicago te rijden.

Op zich zijn dat allemaal gebeurtenissen van niets. Maar prachtig is hoe Updike speelt met de emoties van zijn hoofdpersoon. Diens besef toch wel in dat dorp te horen, maar er tegelijk ook al uit vertrokken te zijn.

En daar komt Updike’s taal dan nog eens bij…

John Updike, The Same Door
185 pagina’s
Penguin Books 1970, oorspronkelijk 1959

Seek My Face ~ John Updike

Als er éen ding is dat debuutromans al gauw slecht leesbaar maakt, dan toch meestal het gebrek aan maat. Het vakmanschip van de schrijver staat meestal nog niet in verhouding tot zijn of haar ambities, of het benul ontbreekt nog over wat een boek interessant houdt.

Daarom ook zijn debuten zo moeilijk te recenseren. Want, beloon je de getoonde ambities alvast, of beknor je de lafheid? Bestraf je de onhandigheid zelfs wellicht? Vergelijkingsmateriaal is er immers nog niet.

Seek My Face was Updike’s 54ste boek, volgens de blurb. En al is het niet diens 54ste roman, een twintigtal had hij toen al geschreven in dat genre. Wat vervolgens interessant maakt dat het boek mij nogal mislukt lijkt.

De maat klopt namelijk niet met de ambitie. De inhoud paste niet in de vorm.

In Seek My Face geeft John Updike een korte kunstgeschiedenis van de VS na de Tweede Wereldoorlog, beginnend met Jackson Pollock, en dan verder stromend via pop-art tot en met de intrede van het verlammend grote geld in de kunstmarkt — en dit dan gezien door iemand die dit allemaal van nabij meemaakte.

Jackson Pollock heet alleen geen Jackson Pollock in de roman, maar Zack McCoy. En al evenmin hielden de andere kunstenaars die opgevoerd worden hun eigen naam — hoewel die gauw eens te vermoeden is. Al kan Updike best eens verschillende beeldend kunstenaars voor het verhaal hebben samengevoegd tot éen man.

En dat mag allemaal. Een groot probleem voor mij was alleen de gewrongen vorm waarin al deze schildersportretten gegeven worden. En daarmee hoe de meningen over hun leven en werk tot de lezer komen. Updike koos er namelijk voor om dit boek éen lang gesprek te laten zijn.

Het verhaal speelt zich zelfs of in éen dag.

Een dag waarop de jonge en ambitieuze journaliste Kathryn D’Angelo naar het rurale Vermont trok om daar de schilderes Hope Chafetz te interviewen. Die eerder Hope Ouderkirk heette, en Hope McCoy, en toen Hope Holloway.

Gaf Updike voor de verandering een boek twée vrouwelijke hoofdpersonen, ging het nog vooral over mannen in het leven van éen van hen.

Dat gesprek tussen de vrouwen wordt vanzelf afgewisseld met flashbacks, van Hope Chafetz, die het eigenlijke verhaal vertellen. En het was nog niet eens dat wat me aan de roman stoorde. Maar Updike maakte van Hope Chafetz een veel te vloeiend formulerende vrouw.

Werd een heel boek aan éen gesprek opgehangen, is die conversatie werkelijk op alle punten ongeloofwaardig.

Hielp ook al niet mee dat de telkens veranderende verhouding tussen de gesprekspartners in de loop van de dag me een veel te duidelijke kunstgreep leek.

En dan is vanzelfsprekend te prijzen dat John Updike ook in zijn twintigste roman nog experimenteerde, en durfde te spelen met de vorm. Die inspanning leverde helaas alleen een boek op dat voor mij vrijwel onleesbaar was; en slechts als huiswerk, met een minimum aantal bladzijden per dag, uit te krijgen bleek.

Mijn idee om alle romans van Updike te lezen die ik nog niet kende, na de relatief goede ervaringen van vorig jaar, is hiermee dan ook tot nader order uitgesteld.

John Updike, Seek My Face
288 pagina’s
Random House, 2003

Self-consciousness ~ John Updike

Opzienbarende memoires zijn dus niet helemaal straffeloos te herlezen. Omdat onthullingen nooit dezelfde kracht hebben bij een tweede kennismaking. Het verbazingwekkende is dan verwerkt. Misschien ontstond er ondertussen zelfs al twijfel over de bekentenis.

Self-consciousness van John Updike blijft niettegenstaande deze bedenking een prachtig boek; en een voorbeeld voor het genre. Al was het maar om de taal. Zelfs al heb ik ditmaal de brief aan zijn kleinzoons met die zo strikt particuliere geschiedenis van de familie Updike niet met de grootste aandacht gelezen.

Zes hoofdstukken bevat het boek. En elk licht éen aspect toe van Updike’s schrijverschap.

Self-consciousness begint relatief kalm, met een beschrijving van het dorpse New England waar hij vandaan komt.

Indertijd, bij de eerste lezing, zat de waarde van dit boek ook vooral in het tweede hoofdstuk. ‘At War With My Skin’. Waarbij Updike voor het eerst inging op de betekenis van zijn zware psoriasis op zijn leven. De huidziekte heeft nogal wat invloed op zijn zelfvertrouwen gehad. Daarmee verklaart hij zo jong te zijn getrouwd. Omdat hij veel te blij was geweest iemand te hebben gevonden die hem hebben wilde, ondanks zijn schilferende huid.

Net zo sprak het later vanzelf dat hij en zijn gezin New York verlieten voor een bestaan aan de kust van Massachusetts, omdat zijn huid zo onder het stadsleven leed.

Ook het derde hoofdstuk biedt een verklaring van waarom Updike schrijver werd — en daar heel goed mee leven kon. Hij stotterde vanaf zijn jongste jeugd. En dat zou dan verklaren waarom hij zich zo bewust is geworden van de waarde van taal.

En hoewel er ongetwijfeld veel waarheid achter zo’n constatering zal zitten, vind ik die inmiddels wat gratuit.

Uit andere boeken is bekend dat Updike nog liever tekenaar was geworden dan schrijver.

Dus lijkt me dat er het gegeven ligt dat John Updike het heel prettig vond om alleen in een kamertje te zitten, ergens, geconcentreerd werkend, en daarmee grotendeels levend in zijn hoofd. Had hij daarbij het geluk dat de kwaliteiten van zijn werk vroeg herkend werden, en dat er in zijn tijd goed te leven was van de schrijverij — ook zonder bestsellers te produceren.

Van zulke waarheden is alleen veel moeilijker een verhaal te maken.

Het hoofdstuk ‘On Not Being a Dove’ gaat over Vietnam, en hoe hij zich tegenover die oorlog verhield — die zo’n moreel ijkpunt was in eigen land. Dan is er die brief aan zijn kleinzoons. En het slothoofdstuk behandelt de betekenis van religie in zijn leven.

Wat ik vooral aan deze lezing overhield, was zin om toch Pigeon Feathers and Other Stories weer eens te lezen. Alleen al omdat Updike zelf ook de laatste verhalen uit deze bundel benoemd tot de beste die hij ooit schreef.

En nadenkend over het waarom denk ik dat deze verhalen zo goed zijn omdat de gevoeligheid van Updike dan — ongetwijfeld door zijn onzekerheid over die huidziekte, en dat stotteren — nog ongecorrigeerd aanwezig is. Niet gerelativeerd. Dan nog onbezoedeld is, omdat alle succes nog komen moest. Daardoor kon hij de belangrijkste personages uit die verhalen intuïtief nog een onzekerheid mee kon geven die hij in later werk erbij bedenken moest.

Was er daarnaast meteen al dat meesterschap over de taal.

John Updike, Self-consciousness
Memoirs

271 pagina’s
Fawcett Crest, 1989

Still Looking ~ John Updike

Was Updike strenger als hij over kunst schreef dan als hij boeken recenseerde?

Ik bezit bijna al de dikke verzamelbundels met zijn losse schrijfwerk, waarin telkens nogal wat boekbesprekingen staan. Maar, zoals elders al eens opgemerkt, Updike is me daarin vaak wat te mild. Waardoor zijn boekkritieken alleen nut hebben als ik het besprokene zelf ook gelezen heb, en opinies kan vergelijken. Als John Updike mij iets onbekends aanbeveelt, biedt dat eigenlijk nauwelijks een garantie.

In Still Looking spreekt hij wel unverfroren harde oordelen uit, zelfs over de beroemdste Amerikaanse beeldend kunstenaars. James McNeill Whistler moest bijvoorbeeld in de schaduw blijven, en vooral de zon niet opzoeken.

Toegegeven, die kunstenaars zijn wel allemaal dood, en geen tijdgenoten die nog publiceren, of produceren. Ook krijgt de lezer door het wonder van de kleurenillustratie gelegenheid genoeg om Updike’s oordeel meteen af te wegen met het zijne. En Whistler’s zonovergoten schilderijen zijn inderdaad zijn beste niet.

Tegelijk is dit een merkwaardig boek. Omdat de status van de recensent vaak groter is dan die van de kunstenaar. Had niet Updike de betreffende negentiende-eeuwse schilder besproken, maar was het essay van een andere auteur geweest, had dat nooit tot zo’n fraai uitgegeven boek geleid; en waren diens woorden nooit over de wereld gegaan. Veel beschouwingen zijn namelijk gewijd aan een tentoonstelling, ergens, met een tijdelijke en hoogstens een plaatselijke betekenis.

En er staan nogal wat negentiende-eeuwers in dit boek. Of anders wel vroeg twintigste-eeuwse Amerikanen, die goed naar de ontwikkelingen elders hadden gekeken; omdat er in eigen land nog zo weinig gebeurde. Pas toen hij ruim in de twintigste eeuw aanbeland was, behandelde Updike kunstenaars die ook ik kende. Maar dat zijn dan wel namen die iedereen hoort te kennen, als Pollock, Hopper, en Warhol.

Dus zat het genoegen, anders dan bij de boekbesprekingen, van dit boek voor mij in wat Updike had te zeggen over al die buiten de VS onbekende helden. Omdat hij me daarmee juist aanzette om via internet andere werken van een aantal kunstenaars op te sporen.

Het paardje dat hij toonde van Elie Nadelman was wel zo ongeveer ook het mooiste dat ze gemaakt heeft.

Maar zo’n bijna abstract werk van Childe Hassam, ‘The Evening Star’, uit 1891, had ik zonder Updike’s essay en de daarop volgende speurtocht online nooit leren kennen.

John Updike, Still Looking
Essays on American Art
222 pagina’s
Hamish Hamilton, 2005

Trust Me ~ John Updike

In eindejaarslijstjes dook de titel ineens weer op. Over John Updike [1932 — 2009] verscheen dit jaar een biografie, van Adam Begley. En daar heb ik nogal wat recensies over gelezen — juist om het boek vervolgens zelf gerust te kunnen overslaan.

Mijn beeld van Updike is compleet genoeg, door het lezen van diens werk. Een biografie kan daar niets aan toe- of afdoen. Nog afgezien van al mijn andere bezwaren tegen de schrijversbiografie als genre.

Wat overigens niet betekent dat ik John Updike of diens obsessies inmiddels zou begrijpen.

Trust Me was zijn zevende verhalenbundel — of zijn negende als ik het feuilleton meetel over de Joodse schrijver Beck. Updike was rond de vijftig toen hij de meeste verhalen in deze uitgave schreef; ik meldde het al eens eerder.

Ik las dit boek dan ook al vaker. De Nederlandse vertaling is al zeker vijfentwintig jaar in mijn bezit.

Herlezing duurde ditmaal evenwel een enorm lange tijd. Mij was namelijk al snel iets opgevallen aan het boek. Bijna elk van de tweeëntwintig verhalen gaat over relaties. En bij deze auteur gaat het in die verhalen met een man en een vrouw als de belangrijkste personages vervolgens zo vaak om hetzelfde.

Het hele oeuvre van Updike is daarom ooit dodelijk accuraat door iemand samengevat in de frase “Old People Fucking”.

Waar op zich nog niets op tegen hoeft te zijn.

Alleen moet de eerste vraag bij het begin van een verhaal niet meteen zijn: ‘is dit weer zo’n oudemannen-neukverhaaltje’? Want dat maakt dan namelijk meteen al niet meer nieuwsgierig naar meer. Alle onbevangenheid is weg.

Mede hierom hoef ik die biografie van Begley ook niet te lezen overigens. Dat Updike zijn korte verhalen vaak baseerde op wat er in zijn eigen leven was voorgevallen, geloof ik zo ook wel. Anders is die obsessie niet te verklaren dat hij het telkens weer met een net andere vrouw moest doen.

Al is het sociologisch vanzelfsprekend interessant dat Updike’s generatie erg jong trouwde en kinderen kreeg, en in de jaren zestig ook nog net wat van alle nieuwe vrijheden wilde en kon meepikken. Zelfs als dat niet met de eigen partner was.

Het sterkste verhaal in Trust Me vond ik opnieuw ‘The City’ — wat gaat over een man die plots in een vreemde stad in het ziekenhuis wordt opgenomen. Decennia nadat leeftijdsgenoten hun blindedarmontsteking hadden gehad, kreeg hij de zijne pas. Maar op zijn leeftijd kiezen doktoren dan voor zekerheid, en opereren ze niet meer via een discreet sneetje.

Toegegeven, zelfs de relatieverhalen in deze bundel zijn heel niet slecht. Daar is altijd wel een gebaar of observatie in terug te vinden dat uiterst authentiek aandoet, en toch niemand eerder op deze manier beschreef.

Aan enige mate van voorspelbaarheid leiden deze verhalen alleen wel. Waardoor ik bij het lezen me ook veel meer focuste op de taal, dan op het geheel.

Dit boek moest de eerste vijfentwintig jaar dus maar niet meer.

John Updike, Trust Me
Stories

249 pagina’s
Penguin Books 1988, oorspronkelijk 1987

U & I ~ Nicholson Baker

I know it when I am borrowing someone else’s words in my conversation. Nevertheless, often it is an advantage to be better read than most. The old jokes I tell are seldom known by my company, my worn out bon mots seem completely fresh to them. Still, I pride myself in knowing that not everything I tell was thought up by another man, or woman.

U&I

That is why the common excuse for plagiarism is so inconceivable to me; please never tell me you had forgotten you copied those phrases and forgot they were not yours.

One of the writers I most often quote is Jeroen Brouwers, though those words always come from just one source; his collected letters Kroniek van een karakter.

U & I is telling a story I can really relate to. However, Nicholson Baker’s obsession with John Updike goes much further than mine with any writer.

Baker so much identifies with him that he is amazed that Updike has not asked him for a round of golf yet, even though they have never met.

In this book, he tells about his deep felt relationship with the other author, by quoting phrases from his books by heart. Baker often quotes them wrong. That is funny on the one hand, but it also shows how Updike’s language has incorporated his. This also makes him realize how extraordinary Updike’s mastery over words is:

Updike is a better writer than I am and he is smarter than I am — not because intelligence has any meaning outside the written or spoken behavioral it takes, but because all minds, dumb and smart alike, do such a poor job of impanating their doings in linear sentences.

Nicholson Baker, U & I
179 pages
Granta Publication 1998, first printed 1991


Vertrouw op mij / Trust me ~ John Updike

De zevende verhalenbundel die John Updike liet uitgeven maar liefst, als de boeken over die rare schrijver Bech niet meetellen, en daarmee het werk van een inmiddels zeer ervaren meester. Al vind ik enkele van zijn allereerste verhalen helemaal onovertroffen, dus was het meesterschap er al vroeg.

Updike schreef deze verhalen met enkele uitzonderingen allemaal in de jaren tachtig. Dat is geen triviale informatie, omdat hij de neiging heeft personages van zijn eigen leeftijd te creëren, en zich bezig te houden met wat hen allemaal treft. Updike werd geboren in 1932, en dus zijn ook de meeste hoofdpersonen in dit boek rond de vijftig.

Dat geeft ze een verleden, en toch ook nog verwachtingen. Vaak is er een radicale breuk geweest, niet zelden een scheiding. En personages beseffen zich vaak dat hun nieuwe leven weliswaar veel gebracht heeft, maar dat het oude rijkdommen had die voor altijd verloren zijn gegaan.

Er staan een paar verhalen in dit boek die me koud lieten, omdat Updike daarin geen moment het belangrijkste personage leven weet te geven. Maar in de verhalen waarin hem dat wel lukt, is hij onweerstaanbaar groots. Lees ‘The City’, ‘Killing’, ‘Still of Some Use’. Daarin slaagt hij erin stemmingen te verwoorden die nooit eerder zo in taal gevangen zijn, maar perfect herkenbaar worden. Dan is zijn meesterschap zo groot dat het lezen van een paar bladzijden volstaat voor een dag, om alle andere lezen tot oppervlakkig geblaat te maken.

Vanwege die rijkdom heb ik dit boek zowel in het Engels als in de vertaling gelezen. Elke versie gaf me toch weer wat anders. Hoe goed mijn Engels ook is, soms kan een vreemde taal een drempel zijn aan het eind van een dag. Weliswaar geeft het origineel het meest, maar toch bood de Nederlandse versie me soms ineens een zin waar ik in het Engels overheen gelezen had.

Alleen verbaast het me altijd weer hoe slecht vertalers details uit het leven in de VS begrijpelijk weten te maken. Dat is ergerlijk.

John Updike, Vertrouw op mij
298 pagina’s
Uitgeverij Agathon, 1989
 
John Updike, Trust Me
256 pages
Penguin Books Ltd, 1988

Writers on Writing ~ John Darnton (intr.)

Schrijvers die het over hun vak hebben, had ik daar laatst niet al een haast onafzienbare reeks interviews over doorgenomen? Dat klopt, maar deze essays uit The New York Times waren ook heel prettig om te lezen. Zelfs al hebben ze de pretentie niet de schrijvers te portretteren, laat staan zijn of haar oeuvre te duiden. Dit zijn gewoon aangenaam korte stukken, elk van rond de 1.800 woorden, waarin ervaren auteurs het over éen of twee aspecten van hun vak hebben.

Ik bedoel, net zo makkelijk had ik een boek gelezen dat ‘Loodgieters over loodgieten’ heette, of ‘Ambulancebroeders over ongelukken’. Maar schrijvers hebben nu eenmaal het voordeel gewend te zijn voor een publiek te werken, en zullen enige moeite doen de lezer niet te vervelen.

Verder is het moeilijk iets algemeens te zeggen over de uitspraken die ze doen. Behalve dan dat het me niet verbazen zou dat dit boek, en het tweede deel, ergens als lesmateriaal zou dienen voor een cursus ‘creative writing’. Terwijl dit toch geen kookboek is, met uitgewerkte voorbeelden. De recepten waarmee enkele schrijvers ooit succes kregen, leveren niet automatisch een ander iets pruimbaars op.

Niettemin:

artists are a lot like gangsters. They both know that the official version, the one everyone else believes, is a lie.

Russell Banks
undefined

I can’t remember how many times I advised students to stop writing the sunny hours and write from where it hurts: “No one wants to read polite. It puts them to sleep.”

Anne Bernays
undefined

Some of the most thoughtful if not ingenious criticism written today is written by critics of film who, often as not, address themselves to work that is hardly worth their attention. The most meretricious or foolish movie will elicit a cogent analysis. Why? It may be a film’s auspices that obligate the critics. But it may be that, however unconsciously, they mean to reaffirm or defend print culture by subjecting the nonliterate filmgoing experience, good or bad, to the extensions of syntactical thought.

E.L. Doctorow
undefined

Most writers write too much. Some writers write way too much, gauged by the quality of their accumulated oeuvre.

Richard Ford
undefined

I keep aiming toward that novel that is just that, a true novel, but a novel for our time, dealing with an essential theme and an essential message in a subterranean, carefully hidden way, a message like a snake in the grass, as Trollope put it. There’ll be no boy meets tractor, nor even a professor meets sophomore.

Hans Koning
undefined

For the past 30 years the greatest novelists writing in English have been genre writers: John le Carré, George Higgins and Patrick O’Brian.

David Mamet
undefined

to write is to practice, with particular intensity and attentiveness, the art of reading. You write in order to read what you’ve written and see if it’s O.K. and, since of course it never is, to rewrite it ? once, twice, as many times as it takes to get it to be something you can bear to reread. You are your own first, maybe severest, reader. “To write is to sit in judgment on oneself,” Ibsen inscribed on the flyleaf of one of his books. Hard to imagine writing without rereading.

Susan Sontag

* NB: de tekst van al deze essays, en nog enkele meer, staat ook online

Writers on Writing
Collected Essays from The New York Times
Introduction by John Darnton

268 pagina’s
Henry Holt and Company, 2001

** in dit boek zijn de essays opgenomen van:
[gelinkte namen verwijzen naar auteurs die al eens geboeklogd zijn]