John Updike
Afterlife

Toen Updike overleed, begin dit jaar, konden weinigen in hun reactie de verleiding weerstaan een lijstje te geven, met wat zijn beste boeken waren geweest. The Afterlife werd toen opvallend vaak genoemd, als favoriet. En dit verwonderde me wat. Zoals de verhalenbundels van Updike gaan, had deze niet de allermeeste indruk gemaakt bij eerste lezing, in 1995.

Maar wat bij mijn waardering meespeelde toen, is denk ik het hier vaker aangehaalde gegeven dat Updike vrijwel steeds kortverhalen schrijft over mensen van zijn eigen leeftijd. Een bundel uit het begin van de jaren negentig gaat daarom vanzelfsprekend over mannen van rond de zestig.

Met zulke personages, en hun problemen, heb ik inmiddels wat meer dan toen ik midden twintig was. Dus, zoals op legpuzzels en op spelletjes gebeurt, zou daarom ook een leeftijdsadvies niet misstaan op sommige boeken. Deze bundel viel namelijk wel goed nu. En ineens was die positie in de lijstjes met lievelingen te begrijpen.

The Afterlife biedt tweeëntwintig verhalen, met soms betrekkelijk voorspelbare thema’s. Er wordt eens een huis leeggehaald van een overleden ouder. Er wordt in alle rust gereisd, en zelfs op cruise gegaan. Maar dwars door het heden van vrijwel alle verhalen speelt ook steeds het verleden mee.

Nu is bij Updike weliswaar ook weer voorspelbaar hoe zulke verledens eruit zien — er is meestal vaker dan éen keer getrouwd, er is ook behoorlijk vreemdgegaan — maar al dat maakt betrekkelijk weinig uit. Veel verhalen krijgen er een prettige lading door, en gaven daarom meer dan het evenementiële waaruit de directe vertelling bestond.

Meer moest dat niet zijn; er nog van afgezien van Updike’s immer gepolijste taal een genot blijft om te lezen.

John Updike, The Afterlife
And Other Stories

316 pagina’s
Penguin Books 1995, oorspronkelijk 1994

John Updike
Bech is Back

Na deze verhalenbundel te hebben herlezen, kwam ik tot de onthutsende ontdekking dat het een roman was. Want, dat claimt de achterflap. Eigenaardig genoeg.

Nu zijn er twee zaken die er voor pleiten om dit boek een roman te noemen. De hoofdpersoon is in elk verhaal dezelfde, en er is sprake van een zekere ontwikkeling in zijn leven. Maar daarmee houdt het ook op. Als de verhalen echt niet meer dan hoofdstukken zijn, springen die wel vreemd van hot naar her.

Ik heb wat een haat-liefde voor de Bech-verhalen van Updike. Er zijn drie bundels mee verschenen, waarvan dit de middelste is. Vooral in het laatste boek, als de hoofdpersoon inmiddels tamelijk bejaard is, schmiert Updike zo opzichtig, dat met terugwerkende kracht de hele serie ongeloofwaardig wordt. Het plezier van de auteur gaat me dan te veel boven dat van mij, als lezer.

Henry Bech is duidelijk als tegenpool bedoeld van zijn schepper. Bech is Joods, als zoveel befaamde Amerikaanse schrijvers. Bech kampt met een eeuwig writer’s block. Bech is alleen, en kinderloos. Bech is apathisch. Updike was dat allemaal niet.

Tijdens interviews heeft Updike het er weleens over gehad Bech ook trekjes te hebben gegeven van beroemde Joods-Amerikaanse auteurs, als Salinger, Bellow, en Roth. Ik weet niet goed of dit waar is. Ik zie de Bech-verhalen meer als bezwering van een auteur, die, om het noodlot niet meer schrijven te kunnen ver van zich weg te houden, vrolijkheid probeert te ontlenen aan het leven van een geblokkeerde collega.

Weinig boeken van Updike zijn zo onderkoeld grappig als de Bech-reeks is.

In Bech is Back publiceert de held voor het eerst in decennia weer eens een boek. Een dunnetje weliswaar. En éen dat op basis van zijn eerdere reputatie bij voorbaat al goed is voor de meeste critici. Het is bijvoorbeeld bij het citeren van al die prijzende woorden, in het idioom van befaamde critici, dat heel goed overkomt hoe veel lol Updike gehad moet hebben bij het schrijven.

Verder was toch wel terecht dat ik van de eerste lezing niets onthouden had — er staat niets in dat zal beklijven. Volkomen probleemloos te herlezen over tien twaalf jaar, daarmee.

John Updike, Bech is Back
181 pagina’s
Fawcett Crest 1983, oorsponkelijk 1982

John Updike
Due Considerations

Eens in de acht à tien jaar brengt bracht John Updike een bundel uit, met alles wat hij in die tijd geschreven heeft had aan essays, boekbesprekingen, voorwoorden, inleidingen, en in memoriams. Dit zijn altijd bakstenen van boeken. Met 705 pagina’s, waarvan 671 bladzijden tekst, is Due Considerations het dunnetje in de reeks.

Ik ben altijd erg gelukkig met dit soort uitgaven. Vijf heb ik er nu van. En geen is, zoals bij een normaal boek, in sequentie van kaft tot kaft gelezen. Er heeft zich inmiddels een ander leespatroon gevormd.

Ik lees altijd wel meteen de persoonlijke essays van Updike, die ook nu weer ruim vertegenwoordigd zijn. En ook de gelegenheidsstukken gaan meestal wel mee. Alleen bestaan deze bundels voor het grootste gedeelte uit boekbesprekingen. En die gedeelten beschouw ik meer als naslagwerk dan iets anders. Om later nog eens te bekijken. Bij gelegenheid. Ik zal bij een eerste lezing zeker de recensies meenemen die Updike schreef over wat ik al gelezen heb. Hij is voor mij namelijk geen criticus die me helpen kan nieuwe schrijvers te ontdekken. Zijn eindoordelen zeggen me niet zo veel – Updike is meestal misschien wel wat te mild, en hij heeft voor andere zaken belangstelling dan ik. Het zijn daarom de vooral zijdelingse opmerkingen, de terloopse observaties, die de besprekingen tot aangename lectuur maken. Maar alleen als ik het boek al gelezen heb, en weet waar hij het over heeft.

Toch verraste Updike me bijvoorbeeld in zijn oordeel over The Body, van Hanif Kureishi, omdat hij dit boek precies dezelfde fout verweet als ik hier ook had gedaan.

Naast Amerikanen en Britten bespreekt besprak Updike ook opvallend veel buitenlanders. Al zijn dat meestal wel de heel groten. Zoals Pamuk, in dit geval. Márquez. Saramago. Gekende Nobellaureaten dus. Geen Nederlanders of Belgen ditmaal. Wel dan weer een Kenyaan waar ik nooit van gehoord had. Ngűgĩ wa Thiong’o.

Goed, dan bieden boeken als deze me niet de grote beleving die Updike’s vroege verhalen me nog altijd wel geven. En dan zit er veel maakwerk bij. Maar in elk stuk staat altijd wel iets zo fraai geformuleerd dat het zonde was om zo’n regel gemist te hebben, anders.

lees ook mijn in memoriam

John Updike, Due Considerations
Essays and Criticism

705 pagina’s
Penguin Books 2008, oorspronkelijk 2007

David Remnick and Henry Finder (eds.)
Fierce Pajamas

Ruim een jaar nadat ik met dit boek begon, is het eindelijk uit. Dat zegt veel. Niet zo zeer over het boek, maar over mijn reactie tegenwoordig op verzamelbundels. Twintig jaar geleden vond ik ze doorgaans prachtig, en rijk. Maar nu biedt een bloemlezing als deze, met het leukste uit de New Yorker, veel van wat ik al kende — ‘The Secret Life of Walther Mitty’ stond nog maar vijf keer in mijn kast — en te weinig van wat nieuwsgierig maakte naar meer.

Als die Peter De Vries me dan zo intrigeert, is het beter een boek van hemzelf te gaan lezen, in plaats mijn oordeel over hem te baseren op een paar dingen die toevallig in de New Yorker stonden.

Van Nabokov staat een stuk Pnin in deze bloemlezing. En hoe representatief is dat voor diens werk?

Enfin. Mij viel bij het lezen op dat mijn smaak al lang geleden gevormd lijkt. De beste stukken uit deze bundel dateerden meestal van voor de Tweede Wereldwoorlog, en waren van meesters van wie ik vrijwel alles gelezen heb, zoals James Thurber en E.B. White.

S.J. Perelman schijnt verschrikkelijk grappig te zijn, maar is dat voor mij nooit geweest. Ook bij de zoveelste poging niet om hem te lezen.

Van de naoorlogse generatie vielen me drie auteurs het meest op. Woody Allen, van wie ik de opgenomen verhalen al kende. Garrison Keillor, die elders leukere stukken heeft gepubliceerd. En Steve Martin, die ik alleen kende als acteur.

Verder ben ik wel blij éen legende over de New Yorker eindelijk te hebben kunnen toetsen. Er wordt namelijk tegenwoordig weleens verzucht hoe jammer het is dat er nooit meer parodieën in staan, bijvoorbeeld op bekende schrijvers. Fierce Pajamas bevat namelijk nogal wat van deze parodieën. Die zal ik lang niet altijd herkend hebben. Spot treft alleen doel als bekend is wat er precies bespot wordt. Maar regelmatig was die herkenning er wel degelijk. En dan viel de parodie zelden mee.

Toegegeven, Raymond Carver wordt leuk onderuitgehaald, in ‘What We Talk About When We Talk About Donuts’. En er staat een interview in dat een parodie lijkt op de lange schrijversinterviews uit Paris Review — veel van beste stukken uit dit boek gaan trouwens over schrijvers en hun pretenties — maar meestal viel de satire nogal tegen, vanwege een totaal gebrek aan scherpte, of bijtkracht.

Er stonden me iets te veel verhalen in waarvan de humor al te voorspellen was door de titel te lezen, of anders de eerste regels. Humor gebaseerd op éen leuk ideetje. Een gevaarloos leuk ideetje.

Fierce Pajamas
An Anthology of Humor Writing
from The New Yorker
Edited by David Reminck and Henry Finder
526 pagina’s
Modern Library 2002, oorspronkelijk 2001

John Updike
Just Looking

Alles had ik van John Updike gelezen. Zo dacht ik. Zijn gedichten, zijn verhalen, zijn romans. Zijn autobiografieën. De interviews met hem. Zijn beschouwingen over boeken. Zijn columns over golf.

Was het me toch ontgaan dat er inmiddels twee bundels zijn gepubliceerd waarin Updike zijn essays over beeldende kunst heeft verzameld. Terwijl het zo logisch was dat die er ook nog zouden zijn. John Updike wilde altijd liever nog cartoonist worden dan auteur. Bovendien is zijn beste werk nu juist zo goed, doordat Updike kijken kan; mij toont waar ik zelf altijd over heen gekeken had.

Toch staat er betrekkelijk weinig tekst in deze uitgave. Weliswaar bevat die 23 artikelen, maar een aanzienlijk deel daarvan overstijgt de lengte van een krantencolumn niet. De grootste rijkdom bestaat uit de illustraties.

Dit boek zei mij tekstueel het meest in de lange essays. Helemaal als Updike zich bezighoudt met de kunst die mij, als Europeaan, minder bekend is. Door zijn essay over John Singer Sargent bijvoorbeeld, werden enkele mij wel bekende beelden eindelijk eens aan éen naam gekoppeld.

Tegelijk valt door een boek als dit op, hoe makkelijk tekst ondergeschikt raakt aan beeld. Bladeren om de plaatjes van schilderijen met elkaar te vergelijken, bleek telkens interessanter dan doorlezen. Zelfs al is de tekst van een meesterschrijver, en een persoonlijke favoriet.

John Updike, Just Looking
Essays on Art

211 pagina’s
MFA Publications, 2001

John Updike
Licks of Love

Amerikaanse uitgevers houden niet van novellen. Er lijkt voor hen niets te bestaan tussen het kortverhaal en de roman. Een novelle wordt altijd met iets anders in een band gepropt. Meestal een andere korte roman, of zoals in dit geval met wat verhalen.

Nu kleeft er nog iets opmerkelijks aan de novelle ‘Rabbit Remembered‘ die in deze bundel werd opgenomen. Het is namelijk een vervolg op een reeks romans, niettegenstaande dat de hoofdpersoon al in het laatste boek overleden is.

Updike kon blijkbaar moeilijk afscheid nemen van dit personage.

Maar goed, ook onder lezers en critici was Harry ‘Rabbit’ Angstrom zeer geliefd. De vier boeken over zijn leven worden door niet weinigen gezien als perfecte portretten van de Amerikaanse middenklasse, omdat in elke roman de belangrijkste ontwikkelingen van een decennium lijken te zijn samengebald in het leven van een alleman.

Ik heb er alleen werkelijk nooit iets aangevonden, die boeken. Het gaat bij mij al mis bij de naam van de hoofdpersoon, met dat ‘angst’ en die verwijzing naar die lengtemaat voor zeer minieme afstanden.

Nu viel deze novelle me nog mee, misschien omdat die vervelende Rabbit alleen diende om aan te geven welke verhouding de personages tot elkaar staan. Maar mij zijn Updike’s verhalen liever.

Dat is te zeggen, mij zijn sommige verhalen van Updike liever. En dan vooral als het hem lukt beweging of ontroering in een paar regels te vangen.

Als ik wat overdrijf zijn Updike’s verhalen in drie periodes op te delen. In de eerste, en voor mij interessantste, is hij nog druk bezig het leven te ontdekken. Met alles wat daarbij hoort, zoals sex. In zijn lange middenperiode schrijft Updike vaak over onverzadigbare viezeriken, die rondneuken zullen, al kost het hen hun huwelijk. En met dit boek kwam Updike in een nieuw era aan, waarin hij zijn personages in nostalgie laat terugkijken op met wie ze vroeger allemaal neukten.

Nogmaals, dit is gechargeerd, maar toch ook weer niet veel.

En het was niet eens daarom dat de verhalen in deze bundel me niet vreselijk veel te vertellen hadden. Er zaten nauwelijks nog sprankjes leven in, dat stoorde me vooral.

John Updike, Licks of Love
Short Stories
and a Sequel

360 pagina’s
Alfred A. Knopf, 2000


John Updike
Maples Stories

Ik had dit boek niet hoeven kopen. Alle verhalenbundels van Updike staan al in mijn kast; alle verhalen over de familie Maple heb ik daarmee ook.


Bovendien is vrijwel dit hele boek eerder uitgebracht, in 1979, onder de titel Too Far to Go. Daar bezit ik de Nederlandse vertaling van. Vergeleken met de nieuwe uitgave mist daar slechts éen verhaal in. ‘Grandparenting’. Uit de bundel The Afterlife, and Other Stories.

En toch wilde ik per se dit mooie kleine gebonden boekje hebben. Omdat de verhalen over de Maples samen misschien wel de mooiste roman opleveren die John Updike ooit geschreven heeft. Om de woorden van Bob den Uyl maar weer eens te gedenken, deze verhalenbundel is als een roman zonder de vervelende stukken.

En Updike’s echte romans tellen me doorgaans veel te veel niet noodzakelijke woorden.

Richard Maple en zijn vrouw Joan komen al voor in de allereerste bundel verhalen van Updike, uit 1956. Ze zijn dan pas getrouwd. In een volgend verhaal zijn er net kinderen. En zo is elk van de achttien verhalen als een capsule waarin éen periode uit het huwelijk even bewaard is.

Al snel ook duikt er onvrede op. Politiek verschillen Richard en Joan nogal van elkaar, wat zich wreekt tijdens de Vietnam-oorlog, en de burgerrechtendemonstraties in de VS, waarin de vrouw mee-emancipeert. Misschien daardoor ook zoeken beide stiekem naar sex buitendeur. Of doet Richard dit wel? Anders dan in overige Updike-boeken gaat deze protagonist niet prat op zijn veroveringen.

Toch houdt het huwelijk stand, ondanks alle strubbelingen. Tot op het laatst in het boek. Als de vier kinderen inmiddels groot genoeg zijn om een scheiding te overleven, en Richard en Joan in alle vrede uit elkaar gaan.

De bureaucratische handelingen die verricht moeten worden om te scheiden, leveren nog een opvallend goed een-na-laatste verhaal op in dit boek. Al komt dat vast omdat alle afscheid melancholisch maakt; zelfs als dit afscheid slechts bevestigd wat al duidelijk was.

En misschien hebben alle verhalen dit wel gemeen. Ze leggen nooit eenduidige emoties vast, maar roepen steeds een sfeer op waarin verschillende emoties om voorrang strijden. Zoals het hele thema van dit boek lijkt dat enkel onvoorwaardelijk van elkaar houden soms toch niet genoeg is.

John Updike, The Maples Stories
256 pagina’s
Everyman’s Pocket Classics, 2009

John Updike
Marry Me

Deze roman heeft éen van de meest overrompelende beginscène’s die ik ken in een boek. Een man reist erin naar het strand, met zijn auto, om tussen de duinen in te gaan tot de vrouw van een ander. De echtparen zijn bevriend bovendien.

Die scène heeft alles. De verwachting van de man zit erin. Zijn opwinding ook. Zijn besef iets verbodens te gaan doen, maar ook zijn rust omdat het niet voor het eerst is. En toch is het enige dat Updike ogenschijnlijk doet een tochtje door de natuur te beschrijven daar aan de Amerikaanse oostkust, in het vroege voorjaar nog.

Dit is het. Zo hoort goed schrijven te zijn, denk ik dan. Maar waarschijnlijk is dat vooral omdat ik het nooit zo zou kunnen. Al heeft het voor mij ook geen enkel nut zo te gaan schrijven.

Toch. Ik ben weliswaar een groot liefhebber van Updike’s proza, maar strek die liefde niet zonder meer uit tot al zijn boeken. Zijn verhalen bewonder ik bijna onvoorwaardelijk, vooral als het om zijn vroege werk gaat. Maar bij zijn romans klopt er voor mij regelmatig iets niet.

Die gaan over niets. Zo prachtig kan Updike schrijven, en dan zeurt hij alleen over twee echtparen die vreemdgaan, en de problemen die dat oplevert bij hen thuis. Bijvoorbeeld. Zoals in dit boek.

Deze roman redt het misschien wel alleen omdat die is opgebouwd uit oorspronkelijk losse verhalen. De verzameling maakt ze absoluut sterker. Maar vast ook die dwang eerder om met iets te komen dat alvast op zichzelf kon staan.

John Updike, Marry Me
A Romance

252 pagina’s
Penguin Books 1977, oorspronkelijk 1971, 1973, 1976


John Updike
Month of Sundays

Een roman als deze vergroot voor mij het raadsel Updike. Hoe kan een man die zulke verfijnde en subtiele verhalen heeft bedacht toch zo’n verschrikkelijk boek maken als dit?

Ik geef toe, juist A Month of Sundays bevat wel erg veel elementen waar ik niet dol op ben. Zo is de hoofdpersoon een priester. Al pleit voor hem dat hij zich niet helemaal als zielenhoeder heeft gedragen, en daarom een maand in retraite moet.

Maar Updike schrijft zeker die eerste hoofdstukken helemaal alsof er een blikken dominee aan het woord is, met galm ingebouwd en een gemaakte plechtstatigheid. Dat is tegelijk zowel knap als ook erg irritant. Gelukkig houdt hij dat toontje niet het hele boek vol.

Verder heeft Updike zijn priester behoorlijk bronstig gemaakt. En op zich is het ook weer knap hoe hij in een boek zo vol van sex toch weet over te brengen hoe leuk het kan zijn te veroveren. Maar, wat vind ik al die van de pagina’s druipende middelbare mannen geiligheid vervelend.

John Updike, A Month of Sundays
269 pagina’s
Fawcett Crest 1976, oorspronkelijk 1975


John Updike
Museums and Women

Updike lees ik om zijn taal, en om zijn kracht verhalen te vertellen. Niet vanwege de onderwerpen die hij behandelt. Bijna altijd schrijft hij over het leven in de Amerikaanse voorsteden namelijk. Interessant is hoe hij soms in een paar zinnen toch iets universeels over dat leven weet te schrijven, en dat dit in een perfect afgerond verhaal gebeurt. Niet dat die voorsteden zich in de VS bevinden.

Maar in Museums and Woman experimenteerde John Updike soms nogal vergaand met nieuwe onderwerpen. Dinosauriërs? Terwijl dat om mij niet op die manier hoeft. In dit boek staan ook verhalen waarin hij zijn metaforen totaal op de personages toespitst. Uiterst vermoeiend is dat. Ineens bestaan alle vergelijkingen dan uit fototaal, alleen omdat de hoofdpersoon toevallig fotograaf is.

Tegelijk staan in dit boek een paar klassieke verhalen die voor mij tot het beste horen dat hij ooit schreef. Dus merk ik telkens hoogstens tweederde van de verhalen in dit boek te willen lezen.

Ook op een andere manier vertegenwoordigt deze bundel voor mij een trendbreuk. Alle verzamelingen met verhalen die voor Museums and Women werden uitgegeven, zijn zonder meer prachtig. Wat daarna kwam, vind ik veel wisselender in kwaliteit, en herlees ik dan ook nauwelijks.

Misschien heeft dit te maken met het hier eerder opgemerkte gegeven dat Updike bijna altijd over personages van zijn eigen leeftijd schrijft. Zijn boeken van na 1972 gaan over mensen die ouder zijn dan ik, met andere problemen.

Niet dat ik per se alles zelf moet mee hebben gemaakt, om instemmend te kunnen knikken bij Updike’s beschrijvingen, overigens. Misschien wel de boeiendste verhalen in dit boek gaan over de huwelijksperikelen van de autobiografisch aandoende familie Maple. En ik heb alleen al die vier kinderen niet.

John Updike, Museums and Women
And Other Stories

235 pagina’s
Penguin Books 1975, oorspronkelijk 1972


John Updike
Music School

Updike experimenteerde nogal eens, in wat ik voor het gemak maar de verhalenbundels uit zijn middenperiode noem. Maar in The Music School leverde dit zelfs interessante mislukkingen op, als ik dat boek tenminste vergelijk met Museums and Women, of Problems; die voor een deel al niet meer leesbaar zijn.

Hij is ook zelden humoristischer als in sommige verhalen uit deze bundel.

Tegelijk zijn in dit boek twee verhalen over de Maples verzameld, en eentje over de schrijver Henry Beck. Die daarna ook weer in verzamelbundels zijn opgenomen geheel aan deze personages gewijd. Dus ondanks al het experiment was het voor John Updike blijkbaar niet moeilijk ook zijn vertrouwde toon te vinden.

Mijn favoriete verhaal uit deze bundel is ‘The Christian Roommates’, over een groep studenten op Harvard. Die leren elkaar toevallig kennen omdat ze bij elkaar op kamers zijn ingedeeld.

Het verhaal is nogal atypisch voor Updike, omdat er niet éen moment in verhevigd wordt, maar het een vertelling betreft die over verschillende jaren is uitgesmeerd. Bovendien sluit het zelfs af met hoe het de personages verder verging. In die zin lijkt het meer op de voorstudie van een roman dan een kortverhaal.

Hoofdpersoon in dit verhaal is een saaie student medicijnen, die zit opgescheept met een religieus geïnspireerde kamergenoot. Deze doet aan yoga, en gebruikt daarbij zelfs een spinnewiel ter meditatie. Op een dag spint hij daarmee het lange afgeknipte haar van een meisje tot een draad, die hij dan aan haar terugschenkt.

Maar, hoe gaan wij om met wat zo duidelijk anders als ons is? Het is een vraag die in meerdere verhalen in deze bundel gesteld wordt, en waarvan het antwoord altijd persoonlijk gekleurd zal zijn. Waardoor ik, anders dan bij andere verhalenverzamelingen van Updike, denk dat dit boek over een jaar of tien er misschien weer anders uitziet als nu.

John Updike, The Music School
Short Stories

203 pagina’s
Penguin Books 1970, oorspronkelijk 1967

John Updike
My Father’s Tears

Updike stierf, begin 2009. En dus is zijn oeuvre afgerond. Daarmee was er nog maar éen verhalenbundel over die ik nog niet gelezen had van hem; de schrijver ik vooral waardeer om zijn verhalen. My Father’s Tears. Een postume uitgave, waarvan meteen al bij Updike’s dood werd aangekondigd dat die er komen zou.

Goed, misschien dat er straks nog een oprispinkje volgt. Dat nog eens een uitgever brood ziet in een bundel met niet eerder verzamelde verhalen. Dan nog blijft dit boek Updike’s laatste; ook al omdat de verhalen uit het eind van zijn leven stammen.

De achterkant van het boek, en de tekstflappen van het stofkaft hebben zelfs rouwranden…

Dus heb ik mijn tijd genomen om dit boek te lezen. Omdat het in meerdere opzichten een laatste saluut was.

De korte verhalen van John Updike vertonen vaak parallellen met zijn eigen leven. Zo is het belangrijkste personage vaak even oud als de auteur op het moment van schrijven. In een aantal verhalen uit deze bundel is zo’n man dus tegen de tachtig; of in elk geval op leeftijd. Een grootvader.

Ook in dit boek zijn er omstandigheden uit Updike’s leven te herkennen. Die jeugd in de depressiejaren. Zijn vader, die leraar was, komt nogal eens terug. Updike’s psoriasis speelt een rol in een verhaal; want er is weer een nieuwe behandelmethode bedacht, met blauw licht.

Daarmee brengen de verhalen veel van wat al bekend was. En toch is al dat bekende altijd weer nieuw. De gebeurtenissen of de feiten uit zo’n verhaal doen er ook zelden alleen toe; Updike’s taal is dat andere element dat zo’n bundel als deze tot een belevenis maakt. Zelfs al is het lang zijn beste verhalenbundel niet.

Op een paar momenten toont het boek toch wel degelijk nog even de magie van zijn meesterwerken. In het een-na-laatste verhaal bijvoorbeeld. ‘Outage’. Dat zelfs een plot heeft, voor de verandering. Ook al heeft dit verhaal wel een treurig gegeven, op de keper beschouwd. Man op leeftijd kan, is dankbaar voor de mogelijkheid, maar hoeft niet meer.

Er zit veel afscheid in het boek. Dit maakt dat ik het nu misschien beter vind dan het was.

John Updike, My Father’s Tears
& Other Stories
292 pagina’s
Hamish Hamilton, 2009

John Updike
Pigeon Feathers, and Other Stories

Dit is éen van mijn favoriete boeken aller tijden, en dat dwingt mij nu hier tot de onmogelijke taak uit te leggen waarom dan wel.

Wat maken deze verhalen uniek? Waarom heb ik zelfs in het verleden moeite gedaan enkele te vertalen; om ze zo grondig te lezen dat me misschien meer duidelijk zou worden over het geheim van Updike’s verhaalkunst.

Daarbij gaat het gaat om taal, natuurlijk. Om het ritme van de woorden. Om hoe die inzoomen, of vooruitkijken, of juist weer terugblikken. Om hoe de schrijver elk moment verhevigen kan, zelfs door er even afstand van te nemen.

Het verhaal A&P uit dit boek schijnt zo ongeveer stuk gebloemleesd te zijn in bundels voor het Amerikaanse onderwijs. Toch is het éen van mijn grote favorieten. Al leerde ik dan later dat het verhaal oorspronkelijk nog even doorging, maar een redacteur van het tijdschrift ‘The New Yorker’ een eerder moment aanwees als logischer eind. Sindsdien voelt A&P te kort. Alsof me wat onthouden is.

Should Wizard Hit Mommy? is ook al zo’n eeuwige favoriet van mij. Maar waarom? Het hele verhaal gaat over weinig meer dan een vader die een verhaaltje vertelt aan zijn dochtertje, vlak voor het slapengaan. Alleen is het kindje wat bokkiger als anders, waardoor de vader improviseren moet.

Maar daardoor wordt ook weer zo subtiel iets van een conflict in het gezin opgeroepen dat het verhaal een extra lading krijgt.

Het ongezegde is zo groot, en toch zo aanwezig in deze verhalen, die Updike tamelijk achteloos allemaal voor zijn dertigste schreef. En de magie van dit boek blijft, zelfs bij de zoveelste keer herlezen.

John Updike, Pigeon Feathers, and Other Stories
280 pagina’s
Alfred A Knopf 1998, oorspronkelijk 1962


John Updike
Problems

John Updike [1932 – 2009] was in de veertig eind jaren zeventig. En voor wie zijn levensloop kent, liggen daarmee ook wel zo ongeveer de onderwerpen vast van de verhalen in deze bundel.

Hij had al jong kinderen. Dus als er kinderen voorkomen in de verhalen puberen deze hevig, of staan ze op het punt het huis uit te gaan om elders te studeren.

Zijn eerste huwelijk strandde. Dus wordt er gescheiden in deze bundel, en ook weer hertrouwd. Waarbij de kinderen er niets van begrijpen. Waarbij die tweede vrouw het nadeel heeft niet de hele geschiedenis van de man te hebben gedeeld, zodat er in gesprekken soms meer dan een half woord nodig is om elkaar te kunnen begrijpen.

Problems laat regelmatig een nogal experimentele Updike aan het werk zien. Zo bestaat het titelverhaal uit weinig meer dan de sommetjes die een pas gescheiden man ’s avonds maakt over de verschillen tussen wat hij verdient, en wat hij verplicht is om uit te geven aan alimentatie en andere zorg. En die sommetjes komen niet uit.

Mij zijn de meer traditionele verhalen liever. En daar staan er misschien wat weinig van in. Al bevat ook deze bundel gelukkig enkele die ik zo zou opnemen in een bloemlezing met het beste van Updike. En misschien is zo’n bloemlezing onlangs ook wel uitgegeven, trouwens. Recent verschenen al de zo verspreide verhalen over de geplaagde familie Maple in éen band. En twee van mijn favorieten uit Problems zijn de Maple-verhalen.

Opmerkelijk is verder nog ‘From the Journal of a Leper’ waarin Updike van binnenuit over zijn zware psoriasis schreef.

John Updike, Problems
And Other Stories
262 pagina’s
Andre Deutsch 1980, oorspronkelijk 1979

John Updike
Same Door

De eerste verhalenbundel van John Updike [1932 – 2009] viel voor mij altijd wat weg tegen de tweede. Beter dan Pigeon Feathers, and Other Stories kon niet bestaan. Dus hoefde ik ook niet heel goed te kijken naar een vergelijkbare verzameling.

Die vroegere onverschilligheid leidde er toe dat The Same Door nu met terugwerkende kracht een meesterstuk van verhaalkunst leek.

Toegegeven, in deze bundel stonden wel al de verhalen die voor Nabokov een directe aanleiding waren om Updike’s schrijfstijl te roemen. Dat het vroege werk goed was, is geen nieuws. Hoogstens moet nog maar eens gememoreerd worden dat John Updike dus op zijn eenentwintigste tweeëntwintigste al meesterwerkjes schreef.

Die leeftijd betekende wel dat de verhalen in deze verzameling die van een jonge man zijn. Ze gaan nog over gebeurtenissen tijdens de laatste schooljaren, over pril huwelijksgeluk, en over baby’s. Er moet nog aan een carrière worden begonnen, en dat maakt dan weer dat er nog zo veel vragen zijn.

Eén van mijn lievelingsverhalen van Updike stond altijd al in The Same Door. Het boek besluit met ‘The Happiest I’ve Been’, en dat leest als de afsluiting van een jeugd — waarbij de melancholie over wat achtergelaten wordt in prettig evenwicht is met het besef dat het goede uit de jaren daarvoor nog wel even blijven zal.

In het verhaal gaat ‘John’ vlak na de kerstdagen thuis terug naar de universiteit, waar hij dan al enige tijd studeert. Hij rijdt daartoe mee met een oude vriend, en samen bezoeken ze eerst nog een vooruitgeschoven nieuwjaarspartijtje, waar ze iedereen kennen, omdat elk altijd bij elkaar op school heeft gezeten. De avond eindigt als ze een paar meisjes naar huis hebben gebracht, en John achter het stuur plaatsneemt om naar Chicago te rijden.

Op zich zijn dat allemaal gebeurtenissen van niets. Maar prachtig is hoe Updike speelt met de emoties van zijn hoofdpersoon. Diens besef toch wel in dat dorp te horen, maar er tegelijk ook al uit vertrokken te zijn.

En daar komt Updike’s taal dan nog eens bij…

John Updike, The Same Door
185 pagina’s
Penguin Books 1970, oorspronkelijk 1959

John Updike
Still Looking

Was Updike strenger als hij over kunst schreef dan als hij boeken recenseerde?

Ik bezit bijna al de dikke verzamelbundels met zijn losse schrijfwerk, waarin telkens nogal wat boekbesprekingen staan. Maar, zoals elders al eens opgemerkt, Updike is me daarin vaak wat te mild. Waardoor zijn boekkritieken alleen nut hebben als ik het besprokene zelf ook gelezen heb, en opinies kan vergelijken. Als John Updike mij iets onbekends aanbeveelt, biedt dat eigenlijk nauwelijks een garantie.

In Still Looking spreekt hij wel unverfroren harde oordelen uit, zelfs over de beroemdste Amerikaanse beeldend kunstenaars. James McNeill Whistler moest bijvoorbeeld in de schaduw blijven, en vooral de zon niet opzoeken.

Toegegeven, die kunstenaars zijn wel allemaal dood, en geen tijdgenoten die nog publiceren, of produceren. Ook krijgt de lezer door het wonder van de kleurenillustratie gelegenheid genoeg om Updike’s oordeel meteen af te wegen met het zijne. En Whistler’s zonovergoten schilderijen zijn inderdaad zijn beste niet.

Tegelijk is dit een merkwaardig boek. Omdat de status van de recensent vaak groter is dan die van de kunstenaar. Had niet Updike de betreffende negentiende-eeuwse schilder besproken, maar was het essay van een andere auteur geweest, had dat nooit tot zo’n fraai uitgegeven boek geleid; en waren diens woorden nooit over de wereld gegaan. Veel beschouwingen zijn namelijk gewijd aan een tentoonstelling, ergens, met een tijdelijke en hoogstens een plaatselijke betekenis.

En er staan nogal wat negentiende-eeuwers in dit boek. Of anders wel vroeg twintigste-eeuwse Amerikanen, die goed naar de ontwikkelingen elders hadden gekeken; omdat er in eigen land nog zo weinig gebeurde. Pas toen hij ruim in de twintigste eeuw aanbeland was, behandelde Updike kunstenaars die ook ik kende. Maar dat zijn dan wel namen die iedereen hoort te kennen, als Pollock, Hopper, en Warhol.

Dus zat het genoegen, anders dan bij de boekbesprekingen, van dit boek voor mij in wat Updike had te zeggen over al die buiten de VS onbekende helden. Omdat hij me daarmee juist aanzette om via internet andere werken van een aantal kunstenaars op te sporen.

Het paardje dat hij toonde van Elie Nadelman was wel zo ongeveer ook het mooiste dat ze gemaakt heeft.

Maar zo’n bijna abstract werk van Childe Hassam, ‘The Evening Star’, uit 1891, had ik zonder Updike’s essay en de daarop volgende speurtocht online nooit leren kennen.

John Updike, Still Looking
Essays on American Art
222 pagina’s
Hamish Hamilton, 2005

Nicholson Baker
U & I

I know it when I am borrowing someone else’s words in my conversation. Nevertheless, often it is an advantage to be better read than most. The old jokes I tell are seldom known by my company, my worn out bon mots seem completely fresh to them. Still, I pride myself in knowing that not everything I tell was thought up by another man, or woman.

U&I

That is why the common excuse for plagiarism is so inconceivable to me; please never tell me you had forgotten you copied those phrases and forgot they were not yours.

One of the writers I most often quote is Jeroen Brouwers, though those words always come from just one source; his collected letters Kroniek van een karakter.

U & I is telling a story I can really relate to. However, Nicholson Baker’s obsession with John Updike goes much further than mine with any writer.

Baker so much identifies with him that he is amazed that Updike has not asked him for a round of golf yet, even though they have never met.

In this book, he tells about his deep felt relationship with the other author, by quoting phrases from his books by heart. Baker often quotes them wrong. That is funny on the one hand, but it also shows how Updike’s language has incorporated his. This also makes him realize how extraordinary Updike’s mastery over words is:

Updike is a better writer than I am and he is smarter than I am — not because intelligence has any meaning outside the written or spoken behavioral it takes, but because all minds, dumb and smart alike, do such a poor job of impanating their doings in linear sentences.

Nicholson Baker, U & I
179 pages
Granta Publication 1998, first printed 1991


John Updike
Vertrouw op mij / Trust me

De achtste verhalenbundel die John Updike liet uitgeven maar liefst, als de boeken over die rare schrijver Bech meetellen, en daarmee het werk van een inmiddels zeer ervaren meester. Al vind ik enkele van zijn allereerste verhalen helemaal onovertroffen, dus was het meesterschap er al vroeg.

Updike schreef deze verhalen met enkele uitzonderingen allemaal in de jaren tachtig. Dat is geen triviale informatie, omdat hij de neiging heeft personages van zijn eigen leeftijd te creëren, en zich bezig te houden met wat hen allemaal treft. Updike werd geboren in 1932, en dus zijn ook de meeste hoofdpersonen in dit boek rond de vijftig.

Dat geeft ze een verleden, en toch ook nog verwachtingen. Vaak is er een radicale breuk geweest, niet zelden een scheiding. En personages beseffen zich vaak dat hun nieuwe leven weliswaar veel gebracht heeft, maar dat het oude rijkdommen had die voor altijd verloren zijn gegaan.

Er staan een paar verhalen in dit boek die me koud lieten, omdat Updike daarin geen moment het belangrijkste personage leven weet te geven. Maar in de verhalen waarin hem dat wel lukt, is hij onweerstaanbaar groots. Lees ‘The City’, ‘Killing’, ‘Still of Some Use’. Daarin slaagt hij erin stemmingen te verwoorden die nooit eerder zo in taal gevangen zijn, maar perfect herkenbaar worden. Dan is zijn meesterschap zo groot dat het lezen van een paar bladzijden volstaat voor een dag, om alle andere lezen tot oppervlakkig geblaat te maken.

Vanwege die rijkdom heb ik dit boek zowel in het Engels als in de vertaling gelezen. Elke versie gaf me toch weer wat anders. Hoe goed mijn Engels ook is, soms kan een vreemde taal een drempel zijn aan het eind van een dag. Weliswaar geeft het origineel het meest, maar toch bood de Nederlandse versie me soms ineens een zin waar ik in het Engels overheen gelezen had.

Alleen verbaast het me altijd weer hoe slecht vertalers details uit het leven in de VS begrijpelijk weten te maken. Dat is ergerlijk.

John Updike, Vertrouw op mij
298 pagina’s
Uitgeverij Agathon, 1989
 
John Updike, Trust Me
256 pages
Penguin Books Ltd, 1988


Writers on Writing

Schrijvers die het over hun vak hebben, had ik daar laatst niet al een haast onafzienbare reeks interviews over doorgenomen? Dat klopt, maar deze essays uit The New York Times waren ook heel prettig om te lezen. Zelfs al hebben ze de pretentie niet de schrijvers te portretteren, laat staan zijn of haar oeuvre te duiden. Dit zijn gewoon aangenaam korte stukken, elk van rond de 1.800 woorden, waarin ervaren auteurs het over éen of twee aspecten van hun vak hebben.

Ik bedoel, net zo makkelijk had ik een boek gelezen dat ‘Loodgieters over loodgieten’ heette, of ‘Ambulancebroeders over ongelukken’. Maar schrijvers hebben nu eenmaal het voordeel gewend te zijn voor een publiek te werken, en zullen enige moeite doen de lezer niet te vervelen.

Verder is het moeilijk iets algemeens te zeggen over de uitspraken die ze doen. Behalve dan dat het me niet verbazen zou dat dit boek, en het tweede deel, ergens als lesmateriaal zou dienen voor een cursus ‘creative writing’. Terwijl dit toch geen kookboek is, met uitgewerkte voorbeelden. De recepten waarmee enkele schrijvers ooit succes kregen, leveren niet automatisch een ander iets pruimbaars op.

Niettemin:

artists are a lot like gangsters. They both know that the official version, the one everyone else believes, is a lie.

Russell Banks
undefined

I can’t remember how many times I advised students to stop writing the sunny hours and write from where it hurts: “No one wants to read polite. It puts them to sleep.”

Anne Bernays
undefined

Some of the most thoughtful if not ingenious criticism written today is written by critics of film who, often as not, address themselves to work that is hardly worth their attention. The most meretricious or foolish movie will elicit a cogent analysis. Why? It may be a film’s auspices that obligate the critics. But it may be that, however unconsciously, they mean to reaffirm or defend print culture by subjecting the nonliterate filmgoing experience, good or bad, to the extensions of syntactical thought.

E.L. Doctorow
undefined

Most writers write too much. Some writers write way too much, gauged by the quality of their accumulated oeuvre.

Richard Ford
undefined

I keep aiming toward that novel that is just that, a true novel, but a novel for our time, dealing with an essential theme and an essential message in a subterranean, carefully hidden way, a message like a snake in the grass, as Trollope put it. There’ll be no boy meets tractor, nor even a professor meets sophomore.

Hans Koning
undefined

For the past 30 years the greatest novelists writing in English have been genre writers: John le Carré, George Higgins and Patrick O’Brian.

David Mamet
undefined

to write is to practice, with particular intensity and attentiveness, the art of reading. You write in order to read what you’ve written and see if it’s O.K. and, since of course it never is, to rewrite it ? once, twice, as many times as it takes to get it to be something you can bear to reread. You are your own first, maybe severest, reader. “To write is to sit in judgment on oneself,” Ibsen inscribed on the flyleaf of one of his books. Hard to imagine writing without rereading.

Susan Sontag

* NB: de tekst van al deze essays, en nog enkele meer, staat ook online

Writers on Writing
Collected Essays from The New York Times
Introduction by John Darnton

268 pagina’s
Henry Holt and Company, 2001

** in dit boek zijn de essays opgenomen van:
[gelinkte namen verwijzen naar auteurs die al eens geboeklogd zijn]

  • André Aciman
  • Russell Banks
  • Rick Bass
  • Saul Bellow
  • Anne Bernays
  • Rosellen Brown
  • Carolyn Chute
  • Nicholas Delbanco
  • E. L. Doctorow
  • Louise Erdrich
  • Thomas Fleming
  • Richard Ford
  • Gail Godwin
  • Mary Gordon
  • Kent Haruf
  • Carl Hiaassen
  • Alice Hoffman
  • Maureen Howard
  • Gish Jen
  • Diane Johnson
  • Ward Just
  • Jamaica Kincaid
  • Barbara Kingsolver
  • Hans Koning
  • David Leavitt
  • David Mamet
  • Ed McBain
  • Sue Miller
  • Walter Mosley
  • Joyce Carol Oates
  • Sara Paretsky
  • Marge Piercy
  • Annie Proulx
  • Rozana Robinson
  • James Salter
  • William Saroyan
  • Carol Shields
  • Jane Smiley
  • Susan Sontag
  • Scott Turow
  • John Updike
  • Kurt Vonnegut Jr.
  • Alice Walker
  • Paul West
  • Elie Wiesel
  • Hilma Wolitzer