Erinnerungen und Gedanken ~ Golo Mann

Anderhalf boek aan memoires liet Golo Mann achter dus. Dit tweede deel van zijn Erinnerungen und Gedanken is duidelijk een Unvollendete. Mann [1909 – 1994] werd ziek tijdens het schrijven.

Voor het boek betekent dit dat de tweede helft slechts bestaat uit aanzetten, en dagboeknotities — uit het Franse kamp waar hij geïnterneerd was in 1940 — en uit een aanvulling door de uitgever. Details over Mann’s vlucht naar Amerika, via Marseille, komen dan uit de memoires van Alma Mahler-Werfel; die dezelfde uitreis maakte met haar man.

En dus had de Arbeiderspers bij uitzondering gelijk door slechts het eerste deel van de herinneringen uit te geven in de reeks privé-domein. Het tweede deel biedt nogal wat minder leesvreugde.

Uitzonderlijk aan die anderhalve wel gelukte autobiografie is bijvoorbeeld dat Golo Mann zichzelf zo makkelijk wegcijfert uit de tekst. Hij beschrijft vaak wat er verschoof in zijn tijd — in dit boek dus vooral tussen 1933 en 1937 — en geeft ook commentaar op culturele ontwikkelingen.

Meest opmerkelijk vond ik evenwel in dit boek een roddel over Paul Valéry. Die, nogal vol van zichzelf, Thomas Mann bezocht in diens Zwitserse bannelingsoort. En daar vertelde dat hij door Goebbels was uitgenodigd om te komen speechen in Berlijn, voor een zeker honorarium. Wat Mann daar van vond?

Thomas Mann antwoordde dat dit een afweging was die Valéry zelf moest maken. Niemand kon hierin voor een ander beslissen.

Waarop bleek dat Valéry enkel iets over die beloofde vergoeding had willen weten.

Wat zoon Golo Mann over zijn vader schreef was toch al het meest memorabel. Zo werd Thomas Mann toch een tijdlang gepaaid om naar Duitsland terug te keren — wat best kon zolang hij zich niet nadrukkelijk tegen het Nazi-regime had uitgesproken. Dat zijn kinderen losgeslagen waren en daarom in het buitenland verbleven, was blijkbaar iets anders.

Het duurde toch nog twee jaar, van 1934 tot 1936, tot Thomas Mann zich in een open brief aan de Neue Zürcher Zeitung eindelijk uitspreekt dat hij Duitsland liever mijdt; waarmee terugkeer onmogelijk werd:

Die tiefe, von tausend menschlichen und moralischen und ästhetischen Einzelbeobachtungen und -eindrücken täglich gestützte und genährte Überzeugung, daß aus der gegenwärtigen deutschen Herrschaft nichts Gutes kommen kann, für Deutschland nicht und für die Welt nicht , — diese Überzeugung hat mich das Land meiden lassen, in dessen geistiger Überlieferung ich tiefer wurzele als diejenigen, die seit drei Jahren schwanken, ob sie es wagen sollen, mir vor aller Welt mein Deutschtum abzusprechen. [140]

Dat de hele familie Mann vervolgens de Duitse nationaliteit werd afgenomen, is verder wel bekend. Golo Mann biedt in dit boek wat weinig informatie over wat dit betekende, of daarop volgde.

Wel beschrijft hij luchtig dat hem ook zijn dokterstitel werd ontnomen door de Duitse universiteiten.

Maar, zoals gezegd, het tweede stuk van deze Lehrjahre in Frankreich is niet al te overzichtelijk. Laat staan compleet. Ik ontkwam er niet aan om toch Wikipedia te raadplegen om de chronologie in de persoonlijke geschiedenis van de historicus te begrijpen.

Golo Mann had de tijd niet meer om zijn memoires verder uit te werken dan tot hij zevenentwintig, achtentwintig was. Toen het met dit boek niet verder ging, merkte hij berustend op dat een man op zijn dertigste toch ook wel af hoort te zijn; dat er daarna niets meer verandert.

Bij het denkbeeldige rijtje boeken dat ik graag geschreven had zien worden, en dat nooit verschijnen zal, komt daarom dus nu toch de autobiografie van Golo Mann, minstens tot en met zijn terugkeer in Duitsland in 1959.

[ zie ook In de schaduw van de tovenaar ]

Golo Mann, Erinnerungen und Gedanken
Lehrjare in Frankreich

288 pagina’s
S. Fischer Verlag; Auflage: 2 1999

Ich grase meine Gehirnwiese ab ~ Paul Valéry

Herlezen is het ware lezen. Vandaar dat me een recente fittie bevreemdt tussen Roman Helinski en Coen Peppelenbos, waarin het gaat om het aantal boeken dat de laatste zegt te hebben gelezen, sinds 1985.

Getallen zeggen in deze namelijk niets. Mijn leeskarakter dwingt me bijvoorbeeld telkens weer een ander boek in; op boeklog kwamen de eerste tien jaar drieduizend titels langs. Zulke wedstrijdjes verpiesen win ik van vrijwel iedereen. Alleen interesseert me dat werkelijk niet.

Ik veronderstel een zekere basis bij iedereen die zich lezer noemt. Twee zaken wegen daarbij nogal wat zwaarder dan aantallen gelezen titels. Want wat heeft iemand met het gelezene gedaan? En durft zo iemand het met regelmaat aan om oude favorieten te herlezen; al doende het risico lopend ze daarbij te vernietigen?

Blijft ook staan: als iemand voornamelijk romans heeft gelezen, dan getuigt dat allereerst van een wel heel eng soort belezenheid.

Het werk van de Franse homme des lettres Paul Valéry [1871 — 1945] zette me om meer dan éen reden tot gedachten over lezen aan, en daarmee over boeklog. Niet eens alleen omdat hij al zoveel eerder grote twijfels had over de merkwaardig hoge status van de roman.

Zoals al eens verteld hier stond Valéry haast elke ochtend vroeg op, om dan een paar uur ingespannen te gaan denken. Sigaretten mee, sterke koffie erbij dik als siroop, en zo schreef hij van 1894 tot en met het jaar van zijn dood 263 schoolschriften vol. Zijn woorden af en toe aanvullend met tekeningen daarbij.

Er bestaat een uitgave in facsimile van deze cahiers — en helaas zal dat wel de enige uitgave zijn die me werkelijk tot een tevreden lezer zou maken. Valéry schreef namelijk nogal eens over wiskunde en techniek in de schriften — die onderwerpen vond hij, de dichter, zelfs belangrijker dan poëzie. Maar geen der samenstellers die postuum de teksten op thema hebben geordend, lijkt deze particuliere belangstelling te delen, helaas. Een goede algemene vorming is schaars; al helemaal op Letterenfaculteiten. In bloemlezingen schrijnt het al helemaal dat de onderwerpen waar Valéry dus het vaakst over schreef blijkbaar geheel genegeerd mogen worden.

Ich grase meine Gehirnwiese ab is ondanks deze verminking een aardig boek; alleen al omdat bloemlezer Thomas Stölzel elk van de tien gekozen thema’s kort en toch op Deutschgründliche wijze inleidt. Bijvoorbeeld door de lezer eerst te wijzen op iets typerends voor de Franse traditie waarin Paul Valéry dan in zou staan.

Stölzel koos er voor om vooral Valéry’s ideeën over het denken op te nemen in het boek — en daarmee diens filosofie.

Blijft dus zelfs in deze uitgave onderbelicht dat Valéry’s filosofie stevig gegrond was in harde wetenschap. Bovendien meldt deze auteur telkens dat wat hij opschrijft allereerst voor hem zelf nut heeft.

Ich habe geglaubt und mir zum Grundsatz gemacht, daß meine Gedanken nur für mich selbst etwas taugen — waren sie doch aus meiner Ohnmacht, aus meiner Unwissenheit, aus meinen wirklichen Bedürfnissen geboren, und nicht aus fremden Problemen.

(Die meiste Fragen der Philosophie scheinen mir nicht meine zu sein, abseitig und sogar bedeutungslos, — bar jeder Notwendigkeit — unüberprüfbar — und tatsächlich beruhen sie auf dem Glauben an einen losgelösten Eigenwert der gedanklichen Sachverhalte, woran ich niet geglaubt habe — denn ich erblicke in ihnen keinen anderen Zweck als das Vergnügen oder dan Akt.)

[266]

Vreemd aan Ich grase meine Gehirnweise ab is daarmee dat de bloemlezer er op staat een filosoof wil maken van de auteur, terwijl Valéry weliswaar hardop filosofeert, maar tegelijk meent dat elk van zijn woorden in te wisselen moet zijn voor betere — zoals elke wetenschapper dat hoort te doen, en daarentegen de filosofen doorgaans nalaten. Want waarom zouden ze ook? Filosofie legt ideeën over de werkelijkheid heen; daar is verder nooit bewijs bij nodig.

Die Termini der Metaphysik sind Banknoten oder Schecks, die die Illusion des Reichtums vermitteln. Diese Illusion ist nicht zu verachten. Noch weniger ist sie aber mit realem Besitz zu verwechseln.

[274]
scheiding

Philosophie — unbegrenzte Ausübung der Fragefunktionen des Geistes.

[274]

Meende Valéry verder onder meer dat de filosofie het lichaam als factor bij het denken te zeer negeert.

Bovendien stelt hij telkens vragen over wat precies de bandbreedte kon zijn van zijn gedachten, om eens een anachronisme te gebruiken. Veel illusies had hij daarbij niet.

In deze bundel bevielen mij bij eerste kennismaking de thema’s over intellectuele zelfverdediging het best. ‘Selbstsorge’ heet zo’n hoofdstuk. ‘Skepsis’.

Afgezien daarvan muntte Valéry nogal eens een aforisme tijdens het werk aan zijn Cahiers.

Alleen maakte deze uitgave ook duidelijk dat éen van mijn leesplannen wel nooit meer iets worden zal. Het heeft domweg betrekkelijk weinig nut om andermans selecties van Valéry’s schoolschriften te gaan lezen; en al helemaal niet om daar mijn Frans eens echt voor op te halen. Zuiver drinken is alleen mogelijk aan de bron — en de kans lijkt me bijzonder klein al die facsimile-uitgaven ooit hier in huis te krijgen.

Dankbaar ben ik nu daarom vooral voor Valéry’s woorden over de betekenis van discipline — boeklog gedijde ook aanmerkelijk beter toen er de zelf opgelegde plicht was hier met grote regelmaat iets te publiceren. (Was het uitgangspunt van de website bovendien vanaf dag éen mijn eigen vooroordelen te blijven onderzoeken.)

Ofwel, die 263 geheime schoolschriften van deze auteur sterken me in het idee dat het groot nut heeft om mijn website bij te blijven houden. Met een wat duidelijker frequentie weer. Enkel voor mijn eigen bestwil. Hoe vaak ik daarbij weer hetzelfde paadje af moet lopen ook ’s ochtends vroeg.

scheiding

Die anderen machen Bücher. Ich mache meinen Geist.

[47]
Paul Valéry, Ich grase meine Gehirnwiese ab
Paul Valéry und seine verborgenen Cahiers

Ausgewählt und mit einem Essay van Thomas Stölzel
365 pagina’s
Fischer Klassik, 2016
vertaling uit het Frans door Hartmut Köhler en Jürgen Schmidt-Radefeldt

Macht van de afwezigheid ~ Paul Valéry

Paul Valéry [1871 – 1945] tekende zijn leven lang ’s ochtends vroeg als eerste zijn gedachten op, ondersteund door koffie en sigaretten. Waarbij hij zich dan met de meest uiteenlopende onderwerpen bezighield. Naast dat hij dichter en filosoof was, bezat Valéry namelijk ook een grote belangstelling voor technologie, en wetenschap.

Die intellectuele inspanning gaf hem dan de rest van de dag het excuus om dom te mogen zijn.

De aantekeningen leverden zo’n 30.000 pagina’s aan Cahiers op, die ooit compleet in facsimile zijn uitgegeven. De publicatie in de Pléiade-reeks beperkt zich tot zo’n 3.000 pagina’s, waartoe Valéry zijn uitspraken in 31 rubrieken gerangschikt had.

Maarten van Buuren koos uit die 31 rubrieken er 3, voor deze bloemlezing. Die bevatten dan een deel van Valéry’s ideeën over “Kunst en esthetica”, “Poietica”, en die over “Geheugen”.

En die uitverkoren uitspraken zeiden me lang niet altijd even veel. Wat misschien door de afstand in tijd, en het toch ook door een aanzienlijk verschil in cultuur te verklaren is.

Het gedeelte “Kunst en esthetica” deed me bijvoorbeeld niets. Vrijwel alle uitspraken over bijvoorbeeld schoonheid waren me te beknopt, en daardoor te zeer losgezongen van de werkelijkheid.

“Geheugen” was al interessanter, al wreekte zich daarbij dat de kennis over het geheugen nu zo veel groter is als in Valéry’s tijd. Daar tegenover stond dan weer dat sommige aforismen wel aankwamen.

Het geheugen onthoudt wat bruikbaar is. Het zijn maakt bruikbaar wat het onthouden heeft. [230]

scheiding

Het geheugen is de toekomst van het verleden. [257]

Het hoogtepunt van dit boek was voor mij duidelijk het deel over Valéry’s poëtica. De “Poietica”. Omdat het daarin zo vaak gaat over schrijven, als proces. Omdat hij daarin bijvoorbeeld gedachten verwoordt die ook ik heb gehad, maar dan nog niet zo scherp.

Een lezer is nu eenmaal soms niet anders dan een reiziger die elders het eerst herkent wat hem al vertrouwd was.

Een literair werk vertegenwoordigt vooral het laatste moment van zijn totstandkoming, het moment waarop de schrijver het heeft herlezen en definitief als eigen werk heeft aanvaardt. [110]

scheiding

De echte schrijver is iemand die niet uit zijn woorden komt. En ze dus zoekt. En al zoekend betere vindt. [110]

scheiding

Het doel van het werk is zijn maker tot verbazing te brengen. [123]

scheiding

Wat de schrijver probeert te bereiken via het vele vallen en opstaan waarin hij zichzelf leert kennen, is de toestand waarin hij zich eindelijk kan laten gaan, de dag waarop hij kan doen waar hij zin in heeft.

Dat vergt wel een verduivelde hoop werk!

Pas na geduchte dressuur kun je de teugel vieren, pas als de machine klaar is het genoegen smaken dat je functioneert en eindelijk je energie nuttig kunt besteden. […] [134]

scheiding

Het algemene probleem van de literatuur is verbanden te leggen. [153]

scheiding

Steriliteit – ¾ van het beste werk gaat op aan schrappen. [154]

scheiding

Ik heb geen enkel belang om door de goden te worden geïnspireerd. Om door hen te worden gebruikt als fluit. En het is de plicht van een edele geest zich daar niet toe te lenen, om gaven te weigeren van een opgeblazen gever, die zijn lucht pompt in een derde en daarna net zo dom achterblijft als hij voordien was, in zijn aangemeten roem.

Het is nu eenmaal niemand opgevallen dat we uit onszelf evenveel onbenullige als mooie dingen naar boven halen. Het ik kiest uit het ik. [197]

scheiding

[…] Soms maak je onverschillig de dingen waarin je grootste kracht ligt, en sta je verbaasd dat dingen bewonderd worden en huizenhoog geprezen, die je maar heel weinig moeite hebben gekost.

Vandaar deze eigenaardige vraag: wat moet je achten, wat moet je minachten van wat je kunt? [198]

Paul Valéry, De macht van de afwezigheid
275 pagina’s
Historische uitgeverij, 2004
vertaling en inleiding door Maarten van Buuren