Glanzende kiemcel ~ Simon Vestdijk

Nee, ik haal het eind niet van dit boek. Maar omdat ik uiteindelijk toch nog ruim tweederde gelezen heb, moet er toch iets over gezegd worden.

In De glanzende kiemcel zijn acht lezingen over de aard en de techniek van de poëzie gebundeld, die Simon Vestdijk aan het eind van 1942 hield voor zijn medegevangenen in kamp Sint Michielsgestel. Behalve dat die redevoeringen vanwege de gebruikte retoriek niet prettig om te lezen zijn, is Vestdijk’s poëtica de mijne niet.

Alleen de laatste lezing was aardig, omdat de schrijver daarin laat zien welke afwegingen en keuzes hij maakte bij het schrijven van een gedicht. Dat ik dit gedicht vervolgens niet zo bijzonder vind, doet er verder niet toe.

Simon Vestdijk, De glanzende kiemcel
279 pagina’s
Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar 1991, 1950

Koperen tuin ~ Simon Vestdijk

Vestdijk schreef ruim vijftig romans; en dat was nog maar een kwart van zijn totale productie aan boeken. Van al dat proza heb ik nog verbazingwekkend veel gelezen. Ooit. Tijdens mijn middelbare schooltijd.

Misschien omdat er zo veel van was, wellicht omdat het werk indertijd nog wel gepusht werd.

Misschien omdat ik toen meer geduld had.

Iets moet me aangesproken hebben in die boeken — zelfs al is zeker dat ik ook enkele romans heb gelezen omdat die in Friesland speelden. Vestdijk werd geboren in Harlingen, en ging school op de HBS in Leeuwarden. Enkele van zijn romans waren op zijn minst geïnspireerd door deze autobiografische details.

In het voorjaar van 2011 kwam De koperen tuin nog eens uit, in een luxe nieuwe druk. De roman uit 1950 die Vestdijk zelfs tot zijn beste rekende. Een boek bovendien dat zich grotendeels in Leeuwarden lijkt af te spelen. Zelfs al heet het stadje bij Vestdijk W… — eerder in zijn oeuvre had hij van Leeuwarden al eens Weulnerdam gemaakt.

Ik las dat boek, als was het voor het eerst, en werd daar toch niet heel vrolijk van. Hoewel het na de oorlog geschreven werd, maakte het een sterk vooroorlogse en opvallend weinig frisse indruk. Dit kan zijn omdat auteurs tegenwoordig minder woorden nodig hebben om niets te zeggen. Of wellicht vergelijk ik tegenwoordig de auteurs van hier met Duits- of Engelstalige tijdgenoten, en vallen ze dan altijd tegen; is het dat typisch onbeschrijfbaar Nederlandse aan ze dat me tegenstaat.

De koperen tuin is daarbij een ouderwetse standengeschiedenis; waarin de held al een held kan zijn door zich tegen de benauwde zeden van zijn tijd te keren. In dit geval gebeurt dit door zijn onvoorwaardelijke liefde voor een meisje, Trix, dat van lagere komaf is als hem, en om geheel verkeerde redenen ook nog een stempel kreeg. Ze werd misbruikt, en natuurlijk was het ooit altijd de schuld van de vrouw als er zoiets gebeurde.

Verder vond ik dat er iets te goed aan de roman was af te lezen dat die in korte tijd geschreven werd, en hup op de markt is gebracht. Vestdijk besteedde er liefst de maanden augustus en september aan van 1949. Te veel tekst die hij wrochtte, doet er alleen niet toe, en vult enkel de pagina’s. Zo staat er veel meer over klassieke muziek in het boek dan noodzakelijk is voor het verhaal.

En alsof de liefdesgeschiedenis al niet tragisch genoeg was, schreef Vestdijk die vervolgens naar de onmogelijkheid toe. Want schrijvers weten nu eenmaal dat het altijd werkt als éen van de geliefden dood gaat.

Ik vind zo’n clichématige verteltruc tegenwoordig grond voor diskwalificatie van een boek. Maar daartoe had ik al eerder besloten.

S. Vestdijk, De koperen tuin
Roman

290 pagina’s
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011

Niet leuk ~ G. van Benthem van den Bergh

Drie constanten vallen telkens op aan autobiografische boeken over depressie. De auteur heeft de ziekte inmiddels enigszins onder controle gekregen. Maar de schrijver heeft vaak lang en tevergeefs naar ‘genezing’ gezocht. Om daarbij telkens op te merken dat goede informatie ontbrak over zijn situatie. En omdat objectieve informatie niet te vinden was, kwam er dus een eigen boek.

En uit zo’n boek blijkt dan telkens ook dat iedereen telkens depressief is op zijn eigen wijze. Zoals Trudy Dehue trouwens al constateerde. Wat al die boeken toch ook weer subjectief maakt. En niet zelden plaatsbepalingen in de tijd.

Wat de politicoloog Godfried van Benthem van den Bergh over zijn behandeling schrijft in Niet leuk, maakt wel somber over de gezondheidszorg. Zelfs al speelden zijn problemen dan vooral eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Tegelijk zijn in de bijlagen de beschrijvingen opgenomen die de DSM IV wijdt aan manie en depressie — en daaruit blijkt onder meer éen van symptomen van depressie zou zijn dat iemand zich gedeprimeerd voelt. En wetenschappelijk gezien is het een doodzonde om het te definiëren verschijnel in de definitie op te nemen. Dus blijft de vraag hoeveel we inmiddels opgeschoten zijn.

Van Benthem van den Bergh maakte zeven jaar lang mee dat perioden van manie telkens gevolgd werden door diepe depressies van enkele maanden. Pas toen kon hij deze cyclus doorbreken, door Lithium te slikken.

Dat het zo lang duurde voor hij dit medicijn vond, kwam onder meer door de slechte voorlichting van zijn huisarts. Deze had hem gewaarschuwd dat met Lithium het schrijven heel wat moeilijker zou worden. En Van Benthem van den Berg moest het nu eenmaal hebben van zijn schrijfkracht in het werk.

Bovendien was hij eraan gewend geraakt dat hij in de eerste fase van zijn manie vrij goed recht kon zetten wat tijdens de depressieve periode daarvoor was blijven liggen. Dan schreef hij heel gemakkelijk. Tot de manie hem een overdreven vertrouwen gaf, alle zelfkritiek verdween, en hij te zeer in zijn eigen genialiteit geloofde. De kritiek van anderen op zijn werk riep dan slechts vijandschap op, bovendien.

Deed Van Benthem van den Bergh er ook vrij lang over voor hij leerde herkennen dat er een nieuwe cyclus begonnen was.

Meeste inzicht in zijn problemen kwam in eerste instantie nog door teksten van Simon Vestdijk — en dan vooral omdat deze zijn leven lang depressies had, en nooit adequate behandeling vond. Ondertussen werd wel van alles op hem uitgeprobeerd.

Vestdijk werd ooit bezocht werd door Adriaan Roland Holst, toen hij overdag in bed lag, met de gordijnen dicht.

Waarop Roland Holst niets beter wist dan te vragen hoe dat nu was, zo’n depressie. En Vestdijk antwoordde:

Niet leuk.

Nieuw voor mij was dat Simon Vestdijk nog geprobeerd heeft zijn ideeën over depressie in een roman te verwerken. De persconferentie heet dat boek. En dat is een Unvollendete. Mede omdat Vestdijk tevergeefs geprobeerd heeft om een leuk boek te schrijven over het probleem.

Dus ligt de keuze voor wat ik hierna lees voor de hand.

[ wordt vervolgd ]

G. van Benthem van den Bergh, Niet leuk
De wereld van depressie en manie
112 pagina’s
Mets en Schilt, 2004

Persconferentie ~ Simon Vestdijk

Simon Vestdijk [1898 – 1971] leed zijn leven lang aan ‘endogene depressies’ — wat zo veel inhoudt dat het probleem telkens ineens vanzelf opkwam. Hij maakte nog net de introductie mee van de chemische tovermiddelen uit de psychofarmaca. De laatste depressie van zijn leven in 1969 schijnt met pillen te zijn verdwenen. Daarna bleek zijn hele gezondheid onmogelijk slecht te zijn geworden, en stierf hij kort daarop.

Tot dan had hij alle soorten behandelingen ondergaan die de medische stand maar beschikbaar had. Tot en met elektroshocks aan toe – waardoor hij zijn geheugen verloor, en in eigen huis niet eens de w.c. meer kon vinden.

Met zijn geheugen kwam ook de depressie terug.

Dit nare gegeven blijkt uit een brief die Vestdijk schreef aan zijn uitgever Geert Lubberhuizen; die is opgenomen achter in de roman De persconferentie.

Met deze autobiografische roman had de schrijver waarschijnlijk toch eens willen opschrijven wat hem aan behandelingen overkomen was, en hoe nutteloos zijn lijden daardoor telkens had uitgepakt.

Alleen staat in De persconferentie nog geen week aan oorspronkelijk werk. Zes dagen aan schrijven biedt het boek, zonder correcties, plus die brief met de plannen aan de uitgever, en een toelichting door de weduwe Vestdijk.

Inhoudelijk loopt de tekst tot rond Vestdijk’s achttiende jaar. Als hij de eerste periode van depressie al heeft doorgemaakt, in het jaar daarvoor.

Hij meende daarbij dat er een directe aanleiding lag voor zijn lot. De meid, die hij wel leuk vond, had hem op de plee zien zitten omdat hij de deur niet op het haakje had gedaan.

Ook de eerste geneesheren zijn nog opgevoerd. Waarbij de eerste behandeling uit de nuttige raad bestond dat Simon Vestdijk goed moest eten, en vooral diende te gaan wandelen.

Latere therapieën waren een stuk schadelijker, zoals uit de brief aan Lubberhuizen blijkt. Waarbij waarschijnlijk niet hielp dat Vestdijk was opgeleid tot arts, en alleen daardoor al geen makkelijke patiënt was.

En dan is het spijtig dat er niet meer was aan manuscript. Alleen kan ik ook vrij goed voorspellen wat mijn reactie was geweest op een hele roman. Vestdijk had zijn grondige kennis van Freud en diens redeneertrant waarschijnlijk onmogelijk kunnen loslaten in het boek. Waardoor ik zowel de behandelmethoden van de artsen tegen depressie als zijn eigen ideeën over het probleem als iets schrikbarend middeleeuws had bekeken — nog afgezien van mijn bezwaren tegen de krullendraaierij in zijn schrijven.

Maar, er is mensen een hoop leed aangedaan, omdat artsen van alle soort altijd menen te moeten ingrijpen.

S. Vestdijk, De persconferentie
79 pagina’s
De Bezige Bij, 1975

Wezen van de angst ~ Simon Vestdijk

Stel, ik zou een dissertatie moeten schrijven over het onderwerp ‘angst’. Welke kennis lijkt me daarvoor noodzakelijk?

Ik zou dan waarschijnlijk veel over de biochemie willen weten. Wat stresshormonen doen, bijvoorbeeld. Hoe het zit met neurotransmitters. En me vervolgens dan afvragen wat we weten over het menselijke voorstellingsvermogen. Want, er kan een directe bedreiging zijn die vrees oproept, en tot een reactie leidt, maar de mensheid is ook zo enorm goed in staat zich angsten te verzinnen.

Vervolgens zou ik kijken wat gedragsdeskundigen, zoals ethologen, te melden hebben, over hoe angst het gedrag kan sturen bij primaten. En wat angsten aan reacties oproepen. Daarna ging ik dan bij sociologen en historici kijken op welke manieren mensen bijvoorbeeld gedrag is opgelegd. Kon er tot slot desnoods nog wel wat kennis uit de psychologie bij.

Pas op het allerlaatst, en slechts als ik te weinig voorbeelden zou hebben, zou ik uitspraken over angst ontlenen uit de grote bibliotheek van de wijsbegeerte. Omdat filosofen weliswaar onnoemelijk veel beweerd hebben, in de loop van de millennia. Maar die beweringen zo zelden stoelden op enige kennis.

Zie hier daarom, in kort bestek, mijn bijna onoverkomelijke probleem met het boek Het wezen van de angst van Simon Vestdijk. Hij ontleende daarin vrijwel uitsluitend uitspraken aan het werk van enkele filosofen. Want, zijn psychologie was nog wel erg een dochter van die filosofie.

Vestdijk had met dit werk willen promoveren. Maar het kwam er niet van. Hoewel hij er in 1948 en 1949 hard aan werkte, volgde publicatie ook pas twintig jaar later. Toen de tekst al bevroren was in opvattingen uit het verleden.

Dit boek is slechts nog een tijdsdocument. Toen Vestdijk het schreef was het existentialisme als denkstroming in de mode. Dus verwijst hij veel naar Kierkegaard, en Sartre. Heidegger is ook al een held uit die stroming. Had naast al dit het werk van Freud nog niets aan status ingeboed..

Tegelijk was Vestdijk onbekend met zaken die nu tot de algemene ontwikkeling behoren.

Dat men in de slaap altijd droomt, is wel beweerd, maar uiteraard moeilijk te bewijzen. [noot op blz. 204]

Het bestaan van de REM-slaap werd anders al in de jaren vijftig aangetoond. Wellicht heeft dit eraan bijgedragen dat Het wezen van de angst uit werd gegeven als een literair werk.

En goed, niet alles van wat Freud als eerste beschreef is onzin gebleken. Jaap van Heerden kan heel boeiend schrijven over wat de Weense zenuwarts als eerste opmerkte, en nu nog, zij het misschien in andere vorm zo gebruikt wordt.

Freud was alleen ook een benauwde negentiende-eeuwer met rare ideeën over sex. Waaruit Vestdijk dan weer van alles ging verklaren.

Normaal is bijvoorbeeld de angst van vrouwen voor een muis, waarbij de muis kan worden beschouwd als symbool van een lichaamsdeel, dat er naar grootte en vorm mee te vergelijken is. De muis beeldt dit lichaamsdeel als het ware uit. [39]

Zulke passages over iets dat blijkbaar een fallussymbool is, vind ik nog wel aardig ook, omdat er om geglimlacht kan worden.

En ja, ik besef heel goed dat de ideeën achter mijn denkbeeldige dissertatie over angst over zestig jaar ook belachelijk kunnen overkomen.

Mijn grootste probleem was evenwel het herhaalde optreden van Heidegger, en zijn fenomenologie. Omdat diens uitspraken niets verhelderden, maar het hele onderwerp er zo veel ondoorzichtiger door werd.

De vertroebeling begint al met het woordje ‘wezen’ uit de titel. Enkel zo’n woord stuurt het denken al een donkere tunnel in, waarvan onduidelijk is of er ook een uitgang volgt. Waarom moet angst iets zijn, dat dus eigenschappen heeft? Alleen omdat we dit woord gebruiken voor een aantal gemoedstoestanden die grote overeenkomsten lijken te hebben?

En dus staan er nogal wat duistere passages in dit boek, zoals heel sterk gold bij het opstellen van de ‘polarisatietheorie’.

Ook zij erkent het angstobject, maar houdt zich veeleer bezig met het subject, de angstige zelf. Angst, zo wordt aangenomen, is steeds gecombineerd met ‘anti-angst’ (het principieel afwezig zijn van angst, het principieel ontkennen van gevaar), en meestal gecombineerd met een of meer reacties, die uit de ‘anti-angst’ voortspruiten, en die tezamen het expansie-effect van de angst worden genoemd. Tot het expansie-effect behoren bijvoorbeeld het zelfgevoel, het zelfvertrouwen, het geloof, de (meestal op het angstobject gerichte) liefde, de vlucht, de agressie, zo men wil de zelfbeheersing. Er dient op gewezen te worden, dat al deze reacties deel uitmaken van het angstfenomeen als zodanig. [684]

Bibliotheken zijn er volgeschreven, zoals gezegd, door lieden die van alles gingen verklaren door daar over na te denken. En de resultaten vervolgens hebben opgetekend.

En toch kan ik daar weinig anders dan een verspilling in zien, van tijd, van moeite. En vooral van intellect.

Simon Vestdijk, Het wezen van de angst
687 pagina’s
Bert Bakker, 1968