Kurt Vonnegut
Cat’s Cradle

Volgens Kurt Vonnegut was dit éen van zijn meest geslaagde romans. En ook veel van de in memoriams bij zijn dood hadden waarderende woorden over voor dit boek. Ik ben zo vrij het daarmee niet eens te zijn.

Te goed kan ik zien hoe dit boek is opgezet. En te zeer storen mij Vonnegut’s bekende obsessies. Zijn somberheid bijvoorbeeld dat het helemaal verkeerd gaat met de wereld, dat ons handelen alleen maar op een armageddon kan uitdraaien.

Ook al heeft Vonnegut meerdere dystopieën geschreven, geen daarvan eindigt zo donker als deze.

Daar staat te weinig tegenover van wat hem anders zo eminent leesbaar maakt. Zijn humor, of zijn krankzinnige vondsten, redden hem niet. Goed, die naar het leven getekende geleerde is prachtig verstrooid. En in dit boek munt Vonnegut ook de heerlijke vondst van ICE-09. Dat is een nieuwe aggregatietoestand van water waardoor het al bij kamertemperatuur bevriest.

Ik herinner me mijn grote bewondering voor de schrijver toen ik de eerste keer las over ICE-09. Nu zijn me de overeenkomsten voor het verhaal met radioactieve straling iets te duidelijk. Ook die kan onzichtbaar zijn, maar toch huizen in het vertrouwde en dan een dodelijke uitwerking hebben. Ineens is dit boek te makkelijk te lezen als een parabel over de krankzinnigheid van de wapenwedloop tussen het Westen en het Warschau-pact. En in boeken met zo’n boodschap, kan die boodschap vrij makkelijk alle levendigheid doodslaan.

meer Vonnegut op boeklog

Kurt Vonnegut, Cat’s Cradle
179 pagina’s
Penguin Books 1999, oorspronkelijk 1963


Kurt Vonnegut
Man Without a Country

Mijn vermoeden was juist, in dit boek is weinig meer verzameld dan de persoonlijke essays die Vonnegut al publiceerde op In These Times.com. Op mijn andere weblog werd daar al vaak naar gelinkt. Maar, hoe teleurgesteld ik misschien over dit boekje ben, de maker kan voor mij niet kapot. En ook al is hij inmiddels ver in de tachtig, hij blijft helderder en verrassender formuleren dan de meesten gegeven is.

In A Man Without a Country schrijft Vonnegut vooral over zijn afkeer van de oorlogsretoriek die zijn president erop na houdt. En hij doet dat met glans door Bush belachelijk te maken en zijn motieven in gerede twijfel te trekken.

Maar goed, in al zijn boeken staan vol twijfels over de mens als soort:

Albert Einstein and Mark Twain gave up on the human race at the end of their lives, even though Twain hadn’t even seen World War I. War is now a form of TV entertainment. And what made WWI so particularly entertaining were two American inventions, barbed wire and the machine gun. Shrapnel was invented by an Englishman of the same name. Don’t you wish you could have something named after you?

Ik mag zulks graag lezen, vooral om de humor van Vonnegut, maar had dat dus al eens gedaan.

Nee, rijker zijn de autobiografisch getinte bundels Fates Worse the Death, of Palm Sunday.

Kurt Vonnegut, A Man Without a Country
192 pagina’s
Seven Stories Press © 2005


Kurt Vonnegut
Palm Sunday

Naast romans en verhalenbundels heeft Vonnegut ook een aantal verzamelbundels uitgegeven met veelal autobiografische notities. In Palm Sunday gaat hij zelfs uitgebreid op zijn stamboom in, maar het historische deel daarvan sla ik altijd over.

Belangrijker voor mij is het interview dat hij met zichzelf hield voor de ‘Paris Review’, in die reeks waarin schrijvers praten over hun werkmethoden. Aardig is dat hij daarbij goede woorden wijdt aan de mechanica van het vertellen.

I try to keep deep love out of my stories because, once that particular subject comes up, it is almost impossible to talk about anything else. Readers don’t want to hear about anything else. They go gaga about love. If a lover in a story wins his true love, that’s the end of the tale, even if World War III is about to begin, and the sky is black with flying saucers.

Grappig vind ik dat Vonnegut ook een mislukte werktuigbouwer blijkt te zijn, zoals ik. En dat hij in vele boeken waarschuwt voor een blind geloof in technologie. Maar desondanks meent dat aan alle verhalen te sleutelen is zoals een monteur een T Ford weer aan de praat kan krijgen.

Overigens is zijn belangrijkste praktische advies aan schrijvers:

Don’t take it all too seriously.

Verder is dit boek onder meer gevuld met een aantal speeches die Vonnegut hield, bij examenplechtigheden op enkele Amerikaanse universiteiten, een toneelstuk, en wat autobiografie.

Interessant is ook hoe Vonnegut aan het eind zijn eigen boeken rapportcijfers geeft. En daaruit blijkt dat hij Cat’s Cradle, en Slaughterhouse 5 het hoogste aanslaat, gevolgd door Jailbird, The Sirens of Titan, Mother Night, en God Bless You, Mr. Rosewater.

Dit boek gaf hij zelf een krappe voldoende. Maar ik vind het wel meer waard dan dat.

meer Vonnegut op boeklog

Kurt Vonnegut, Palm Sunday
An Autobiographical Collage

330 pagina’s
A Laurel Book, 1984, oorspronkelijk 1981


Paris Review Interviews, I

Ik zie de drie delen die nu zijn uitgekomen met interviews uit Paris Review als éen boek, met vele hoogtepunten, en toch ook wel minder interessante gesprekken. Maar gedwongen tot een keuze zou ik waarschijnlijk het eerste deel tot het meest geslaagde benoemen.

Dit heeft twee redenen. Er staan minder interviews in die me matig interesseerden dan in de andere bundel — wat een negatief argument is. Maar positief is dan weer dat er ook aandacht uitgaat naar andere schrijfvormen dan fictie en poëzie.

Elk van de interviews in de bundels, of het tijdschrift, draagt een ondertitel. Komt iemand aan het woord die vooral romans of verhalenbundels schreef, dan heet zo’n gesprek ‘The Art of Fiction’. Bij dichters gaat het om ‘The Art of Poetry’. En in dit eerste deel uit de verzameling komen er nog andere aanduidingen voor.[1]

Het interview met Joan Didion heeft als ondertitel ‘The Art of Nonfiction’, terwijl het gesprek dan weer vooral over haar fictie gaat.

Het gesprek met Billy Wilder heet ‘The Art of Screenwriting’, en is alleen al interessant om het gegeven dat Wilder regisseur werd om zijn scripts te beschermen tegen onverschilligheid.

Maar het meest opmerkelijk interview vond ik dat met Robert Gottlieb, dat ‘The Art of Editing’ heet, omdat dit over iets gaat waaraan vrijwel geen boek voor publicatie aan ontkomt; en dat toch in vrijwel alle interviews met auteurs ontbreekt. Het behandelt de samenwerking tussen redacteur en schrijver. Waarbij Gottlieb er voor koos om te reageren op citaten van auteurs die hij begeleid had; waaronder Joseph Heller, en Doris Lessing.

Tegelijk luidt een conclusie uit dat gesprek wel dat de wereld van het uitgeven zo verzakelijkt is, dat de meeste redacteuren niet meer redigeren, maar dat werk uitbesteden. Al relativeerde Gottlieb meteen, door te stellen dat de gouden tijd van het boek altijd veertig jaar eerder was. Ook veertig jaar terug al.

Mooiste opmerkingen uit de interviews zijn misschien ook wel de uitspraken waarin de schrijvers — of Gottlieb — mythes ontkrachten, of ernstig relativeren.

Zo wordt Dorothy Parker vaak een stamgaste genoemd aan de legendarische ‘Algonquin Round Table‘, terwijl ze nauwelijks ging omdat lunchen daar haar te duur was.

Enfin. Mijn ervaring met bijvoorbeeld het gesprek met Vonnegut, dat ik al heel lang ken, bewijst dat dit interviews zijn om naar terug te keren, en te herlezen, en er die volgende keer weer andere zaken uit op te pikken dan bij eerste lezing aansloegen. Maar dat schreef ik al.

Willekeurig rijtje citaten, ter illustratie [ik merk vooral verwijzingen aan te tekenen die andere boeken toelichten, en hier niet zo veel nut hebben]:

undefined

Interviewer
What, then, would you say is the source of most your work?

Parker
Need of money, dear.

Dorothy Parker [1956]
undefined

A lot of novelist start late-Conrad, Pirandello, even Mark Twain. When you’re young, chess is all right, and music and poetry. But novel-writing is something else. It has to be learned, but it can’t be taught.

James M. Cain [ 1978]
undefined

I write love stories. The dynamics of a love story are almost abstract. The better your abstraction, the more it comes to life when you do it-the excitement of the idea lurking there. Algebra. Suspense comes from making sure your algebra is right. Time is the only critic. If your algebra is right, if the progression is logical, but still surprising, it keeps.

[Ibidem]
undefined

Pictures are something like plays. They share an architecture and a spirit. A good picture writer is a kind of poet, but a poet who plans his structure like a craftsman and is able to tell what’s wrong with the third act. What a veteran screenwriter produces may not be good, but it would be technically correct; if he has a problem in the third act he certainly knows to look for the seed of the problem in the first act.

Billy Wilder [1996]
Paris Review Interviews, I
510 pagina’s
Picador, 2006

* in volume i zijn de gesprekken opgenomen met:
[gelinkte namen verwijzen naar auteurs die al eens boeklogd zijn]

  • Dorothy Parker [1956]
  • Truman Capote [1957]
  • Ernest Hemingway [1958]
  • T.S. Eliot. [1959]
  • Saul Bellow [1966]
  • Jorge Luis Borges [1967]
  • Kurt Vonnegut [1977]
  • James M. Cain [1978]
  • Rebecca West [1981]
  • Elizaneth Bishop [1981]
  • Robert Stone [1985]
  • Robert Gottlieb [1994]
  • Richard Price [1996]
  • Billy Wilder [1996]
  • Jack Gilbert [2005]
  • Joan Didion [2006]

 

  1. dit is niet uniek voor Vol. I overigens. In Vol. II heet het gesprek met Harold Bloom ‘The Art of Criticism’. In Vol. III krijgt het interview met Jan Morris als ondertitel ‘The Art of the Essay’ mee, en dat met Harold Pinter ‘The Art of the Theater’. []

Kurt Vonnegut
Slapstick

Toen Kurt Vonnegut overleed vorige maand, nam ik me voor in elk geval zijn boeken te herlezen die me de eerste keer wat waren tegengevallen. Ook al omdat ik wist dat dit geen straf zou zijn. Zelfs de wat mindere Vonneguts zijn geen moment saai.

Dat komt omdat het hem een eer is de lezer in elk geval te vermaken. En als dit niet lukt, zijn er altijd nog zijn rare invallen. Die ontstijgen vaak het realisme, waardoor hij tijdens mijn jeugd nog als science fiction-schrijver werd gelabeld in de plaatselijke bibliotheek. Maar voor mij is wat hij doet vooral spelen met de grenzen van het realiteit, waardoor die op een bepaalde manier beter zichtbaar wordt.

In dit boek laat Vonnegut bijvoorbeeld regelmatig de aardse zwaartekracht afnemen, of aanzwellen. Ik schreef er eerder over wat dat voor effecten meebrengt.

Maar bovenal is deze roman een in memoriam voor zijn zuster, waarin Vonnegut een vorm probeert te vinden om zijn gemis te verwoorden. Omdat hij besefte al zijn boeken geschreven te hebben met haar als ideale lezer in het achterhoofd. Dat hij schreef om zijn zus te vermaken.

Voor Vonnegut kan een mens ook nooit familieleden genoeg hebben, dat is een ander thema uit dit boek. Voor hem is eenzaamheid de grootste ziekte van de moderne Amerikaanse maatschappij. Sterke familieverbanden zouden bovendien vele sociaal-maatschappelijke instituties kunnen vervangen.

Ach ja.

Het is me net iets te goed duidelijk wanneer Vonnegut van mij welke emoties verwacht in deze roman. Ook al omdat hij er zelf voor terugschrikt onbeschaamd sentimenteel te worden, waar dat best had gemogen. Desalniettemin, dit is een zeldzaam vermakelijk boek, voor een harde dystopie.

Kurt Vonnegut, Slapstick
Or, Lonesome No More

243 pagina’s
A Laurel Book, 1989, oorspronkelijk 1976


Kurt Vonnegut
Timequake

Raar is het om George W. Bush ergens voor te moeten bedanken. Maar diens incompetentie, en de zeldzame corruptheid van zijn regering, maakten Kurt Vonnegut nog eenmaal zo kwaad dat zijn woede een aardig boek opleverde. A Man Without a Country heette dit, en het verscheen in 2005.

Anders was Vonnegut’s carrière als schrijver met dit boek hier geëindigd. Timequake. En dat is wel een sympathiek ding, maar het is niet zo goed.

Ik kan me onmogelijk voorstellen dat dit boek was uitgegeven als het niet van een al beroemde schrijver was geweest. En dat maakt het ook wel weer uniek.

Vonnegut was al tijden bezig met een laatste roman, die als plot had dat door een plotselinge beving in de tijd alles en iedereen tien jaar terug in de tijd zou worden gezet. Daardoor leefde iedereen met de dwang alles nog eens over te doen, want afwijken van wat gebeurd was, kon dan niet.

Maar eigenlijk is dit boek Timequake ii. Na jaren ploeteren gaf Vonnegut het idee op iets van die eerste ingeving te kunnen maken. Het gegeven komt weliswaar in wat brokken in dit boek terug, maar het meeste van wat hij schrijft gaat toch over zichzelf. En zijn familie.

Dit is helemaal niet erg, ware het niet dat mij bijna alles van wat hij aan autobiografische details geeft al bekend was, uit eerdere boeken. Uiteindelijk las ik dit boek dan ook totaal onkritisch; zoals je iemand aanhoort die voor de zoveelste keer dezelfde anecdotes vertelt. Omdat het er dan allang niet meer om gaat wat hij zegt, maar volstaat dat er zo nog even contact is.

Kurt Vonnegut, Timequake
219 pagina’s
Vintage Books, 1998, oorspronkelijk 1997


Writers on Writing

Schrijvers die het over hun vak hebben, had ik daar laatst niet al een haast onafzienbare reeks interviews over doorgenomen? Dat klopt, maar deze essays uit The New York Times waren ook heel prettig om te lezen. Zelfs al hebben ze de pretentie niet de schrijvers te portretteren, laat staan zijn of haar oeuvre te duiden. Dit zijn gewoon aangenaam korte stukken, elk van rond de 1.800 woorden, waarin ervaren auteurs het over éen of twee aspecten van hun vak hebben.

Ik bedoel, net zo makkelijk had ik een boek gelezen dat ‘Loodgieters over loodgieten’ heette, of ‘Ambulancebroeders over ongelukken’. Maar schrijvers hebben nu eenmaal het voordeel gewend te zijn voor een publiek te werken, en zullen enige moeite doen de lezer niet te vervelen.

Verder is het moeilijk iets algemeens te zeggen over de uitspraken die ze doen. Behalve dan dat het me niet verbazen zou dat dit boek, en het tweede deel, ergens als lesmateriaal zou dienen voor een cursus ‘creative writing’. Terwijl dit toch geen kookboek is, met uitgewerkte voorbeelden. De recepten waarmee enkele schrijvers ooit succes kregen, leveren niet automatisch een ander iets pruimbaars op.

Niettemin:

artists are a lot like gangsters. They both know that the official version, the one everyone else believes, is a lie.

Russell Banks
undefined

I can’t remember how many times I advised students to stop writing the sunny hours and write from where it hurts: “No one wants to read polite. It puts them to sleep.”

Anne Bernays
undefined

Some of the most thoughtful if not ingenious criticism written today is written by critics of film who, often as not, address themselves to work that is hardly worth their attention. The most meretricious or foolish movie will elicit a cogent analysis. Why? It may be a film’s auspices that obligate the critics. But it may be that, however unconsciously, they mean to reaffirm or defend print culture by subjecting the nonliterate filmgoing experience, good or bad, to the extensions of syntactical thought.

E.L. Doctorow
undefined

Most writers write too much. Some writers write way too much, gauged by the quality of their accumulated oeuvre.

Richard Ford
undefined

I keep aiming toward that novel that is just that, a true novel, but a novel for our time, dealing with an essential theme and an essential message in a subterranean, carefully hidden way, a message like a snake in the grass, as Trollope put it. There’ll be no boy meets tractor, nor even a professor meets sophomore.

Hans Koning
undefined

For the past 30 years the greatest novelists writing in English have been genre writers: John le Carré, George Higgins and Patrick O’Brian.

David Mamet
undefined

to write is to practice, with particular intensity and attentiveness, the art of reading. You write in order to read what you’ve written and see if it’s O.K. and, since of course it never is, to rewrite it ? once, twice, as many times as it takes to get it to be something you can bear to reread. You are your own first, maybe severest, reader. “To write is to sit in judgment on oneself,” Ibsen inscribed on the flyleaf of one of his books. Hard to imagine writing without rereading.

Susan Sontag

* NB: de tekst van al deze essays, en nog enkele meer, staat ook online

Writers on Writing
Collected Essays from The New York Times
Introduction by John Darnton

268 pagina’s
Henry Holt and Company, 2001

** in dit boek zijn de essays opgenomen van:
[gelinkte namen verwijzen naar auteurs die al eens geboeklogd zijn]

  • André Aciman
  • Russell Banks
  • Rick Bass
  • Saul Bellow
  • Anne Bernays
  • Rosellen Brown
  • Carolyn Chute
  • Nicholas Delbanco
  • E. L. Doctorow
  • Louise Erdrich
  • Thomas Fleming
  • Richard Ford
  • Gail Godwin
  • Mary Gordon
  • Kent Haruf
  • Carl Hiaassen
  • Alice Hoffman
  • Maureen Howard
  • Gish Jen
  • Diane Johnson
  • Ward Just
  • Jamaica Kincaid
  • Barbara Kingsolver
  • Hans Koning
  • David Leavitt
  • David Mamet
  • Ed McBain
  • Sue Miller
  • Walter Mosley
  • Joyce Carol Oates
  • Sara Paretsky
  • Marge Piercy
  • Annie Proulx
  • Rozana Robinson
  • James Salter
  • William Saroyan
  • Carol Shields
  • Jane Smiley
  • Susan Sontag
  • Scott Turow
  • John Updike
  • Kurt Vonnegut Jr.
  • Alice Walker
  • Paul West
  • Elie Wiesel
  • Hilma Wolitzer