Flessepost

De Portugees-Nederlandse auteur José Rentes de Carvalho schreef al in 1999 in zijn dagboek dat hij graag een eigen website wilde. Hij wilde daarop signalen op te zetten, met de intentie

waarmee men vroeger flessen in zee wierp

Het zou nog jaren duren, en toen had ook hij een weblog. Helaas voor mij is dat in het Portugees. Maar daar gaat het mij nu niet om. Ik gebruik dit voorbeeld van Rentes de Carvalho om aan te geven dat het idee flessenpost te verspreiden ooit een heel bruikbare metafoor was voor degenen die iets op het wereldwijde web publiceerden. Hij was toen namelijk lang de enige niet die dit zo zag.

Begin deze eeuw was er zelfs een dienst die ‘Flessenpost’ heette. Wie zich daarvoor opgaf, kon dan een e-mail opsturen die dan aanspoelde bij zo maar een andere abonnee. Lang heeft deze ‘Flessenpost’ overigens niet bestaan. Schrijven aan een onbekende is nu eenmaal moeilijk. En wie er al werk van maakt, en dan alleen kattebelletjes terugkrijgt, wordt ook niet aangemoedigd. Bovendien blijken internetgebruikers doorgaans helemaal niet zo heel veel prijs te stellen op anonieme toenaderingen. Sociale netwerken, als Hyves, schoolbank.nl, of Facebook, zijn tegenwoordig een groot succes — maar dan wel om bestaande contacten te versterken, of om verloren vrienden van vroeger weer terug te vinden.

Zelf heb ik via mijn beide weblogs toch wel zo veel leuke en onverwachte contacten opgedaan dat voor mij dat oude romantische idee wel bestaan blijft. Iets online publiceren, is een vorm van flessenpost. Al geef ik toe dat dit misschien voor alle vormen van publiceren geldt. Het blijft altijd afwachten wie je leest, en of er ooit een reactie terugkomt op je werk.

Tegelijk geldt ook dat wie schrijft misschien blijft.

De Amerikaanse auteur John Updike gebruikte het woord flessenpost niet toen hij aangaf wat voor hem het hoogste was dat hij met zijn schrijven kon bereiken. Toch had hij dit zo als metafoor kunnen gebruiken. Updike hoopt alleen van zijn werk dat ergens een tiener, of wie dan ook, ooit een boek van hem van een plank zou pakken, en dat die tekst dan net zo inslaat als hoe goede boeken hem ooit hebben weten te raken.

In de bundel Flessepost wordt dit romantische idee omgedraaid. Niet de kwaliteit van wat is aangespoeld telt allereerst, van belang is vooral de reactie daarop. Negentien Friese schrijvers en schrijfsters kregen iets verrassends voorgelegd dat Leendert Ferwerda ooit in een fles had gevonden, ergens op het Wad tussen Zwarte Haan en Holwert in. Aan hen de taak om daar een antwoord op te geven; op welke manier dan ook.

En in die omkering ging het wat mis voor mij. Dit is een fraai vormgegeven boekje, en ook aan de reacties van de schrijvers mankeert het op zich niet. Maar mij interesseerde de vondsten gewoon niet zo veel. Er waren nauwelijks bij die mij iets deden. Mijn fantasie werd niet in werking gezet. Terwijl ik daar toch op gehoopt had.

Wie voor het eerst iets bijzonders ziet, in een boekje als dit, of op een tentoonstelling, of desnoods op televisie, krijgt daar zo zijn gedachten over. Tenminste, zo werkt dat bij mij. Op zo’n moment is er weinig mooier om te lezen dan wat een schrijver nog meer gedaan heeft met datzelfde uitgangspunt.

Het interessants vond ik nog de echte flessenbrieven van kinderen. Omdat daarvan vermoed mag worden dat die met enige hoop in zee zijn gegooid. Zo’n briefje is er bij van het Amerikaanse jongetje Ryan, die een dollar had bijgesloten voor antwoord.

Van weer andere briefjes vermoed ik enkel dat die overboord zijn geworpen in een dronken of een baldadige bui. Uit verveling. Eerder omdat het te ver lopen was om de lege fles in de vuilnisbak te gooien, dan om een ander reden.

Goed, er is éen heel opvallend flessenbriefje bij, uit 1943. Overboord gezet vanaf de Duitse onderzeeër U72, varend voor de Nederlandse kust. Er was net een bemanningslid standrechtelijk geëxecuteerd aan boord om muiterij, en een kanonier moest daar blijkbaar toch zijn emoties over kwijt, op éen of andere manier. Maar dat karige briefje is weer zo sterk dat het voor mij wel zonder antwoord had mogen blijven.

Verder zitten er ook briefjes tussen die helemaal geen briefjes zijn, zoals twee uitgeprinte lijsten met bemanningsleden, of de lapelpas van een veiligheidsbeambte.

Tezamen is al dat aangespoelde goed allemaal mij wat te weinig dwingend om iets bij me op te roepen waar ik meer over zou willen horen. Terwijl ik het nu net altijd wel interessant vind wat schrijvers presteren, onder strikte dwang. Flessepost wordt daarmee eerder een staalkaart van wie op dit moment in Friesland korte literaire teksten schrijft dan iets anders. Dat is ook aardig, daar niet van, maar misschien ging het dus met dit boek al mis bij het idee. Het uitgangspunt versterkt het resultaat niet, en andersom. Ik zag ook niet zo veel van mijn idee terug dat het nu net schrijvers zijn die weten hoe het is om iets in alle onzekerheid met de stroming mee te geven.

Waarschijnlijk is actie wel per definitie veel spannender om te lezen dan reactie.

diverse auteurs, Flessepost
96 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007
isbn 978 90 330 0628 9
priis: € 17,50

Kelderkoorts ~ Meindert Talma

Nyk de Vries verwerkte zijn vriendschap met Meindert Talma geheel gestileerd in de roman Renger. Want diens naam noemt hij daarin niet eens. Wel hint hij naar Talma’s grote lengte. Het duo scheen lokaal ook bekend te hebben gestaan als ‘de lange en de bange’.

Meindert Talma daarentegen geeft rustig alle namen en rugnummers voluit in zijn autobiografische boek Kelderkoorts. Nyk de Vries is in deze uitgave gewoon vriend Nyk de Vries. Jan-Pier Brands is Jan-Pier Brands. En zijn begeleidingsband heet uiteindelijk gewoon The Negroes. Net als in het echt.

Tijdens het lezen van Renger kortom moest ik nog weleens een vertaalslagje maken, terwijl dat bij Kelderkoorts niet nodig was.

Vulden beide boeken elkaar ook nog aan — hoewel de pretenties van de auteurs fors lijken te verschillen. Alleen, wat heb ik als lezer dan liever?

Talma bedrijft nogal eens slapstick in zijn prozawerk, en al helemaal in Kelderkoorts, en dit gaat hem het best af als hij alles zo droogkloterig als mogelijk is opschrijft. De minst geslaagde gedeelten uit dit boek vond ik dan ook net de grappen die te dik werden aangezet; waardoor ze te zeer zichtbaar waren.

Het boek begint als Meindert Talma anderhalf jaar na het afronden van zijn studie geschiedenis zijn eerste sollicitatiegesprek heeft voor een baan. Zijn vader en moeder, heit en mem, zien daarin een teken dat Meindert eindelijk nog eens iets van zijn leven gaat maken, en komen onverwacht langs om hem goed bedoelde raad te geven. Hijzelf daarentegen zou het helemaal niet erg vinden als de Kollumer Courant hem niet hebben wou, want Meindert lijkt eindelijk ontdekt te hebben wat hij dan wel wil, in het leven.

Volgt daarop het tragikomische verhaal van een jonge muzikant op zijn eerste schreden in de lokale muziekscene. De Kollumer Courant bleek namelijk de voorkeur te hebben gegeven aan de sollicitant die zijn rijbewijs al had.

Tegenwoordig moet daar dan nog als informatie bij dat het verhaal zich afspeelt midden jaren negentig, in het analoge tijdperk. Van toen musici alles thuis nog opnamen met gammele cassetterecordertjes, en de lokale muziekpiraat nog een FM-zender nodig had om uit te zenden; en daarmee alle reguliere zenders weg kon drukken.

Deze wederwaardigheden waren allemaal zeer aan mij besteed. Normaal moet ik niets hebben van ideeën over volksaard, of lokale cultuur. Alleen lijkt het toch of Meindert Talma precies de gortdroge humor heeft van het soort waarmee ook ik opgroeide. En humor kon daarom volgens mij weleens een soort dialect zijn.

Dus als een ‘Hobbyrocker’ tijdens een politie-inval bij hun geheime zender moet omschrijven waar hun blad over gaat, is zo’n beschrijving voor mij goed voor een lach hardop.

Wat ik wel kan zeggen is dat de Hobbyrocker een periodiek is voor de allround denker met een kritisch doch pragmatisch wereldbeeld, die er niet in spuugt en er graag eentje naast zet. [79]

Dit boek komt met een CD, of andersom, en daarop staan de eerste nummers die Talma aan de openbaarheid prijs gaf — de muziek waardoor ook ik voor het eerst van hem zou horen.

En voor mij is Talma nooit helemaal losgekomen van deze eerste indruk, van die slungel met die vreemde zangstem achter dat orgeltje. Wat hij sindsdien, zeg de twintig jaar daarna, allemaal presteerde, is me grotendeels ontgaan.

Nu geldt dit voor meer mensen. De ondertitel van Kelderkoorts is: Nederlands Onbekendste Popster 1, wat betekent dat vrijwel niemand Talma’s verhaal schijnt te kennen, omdat hij buiten Friesland en Groningen nog altijd anoniem kan rondlopen. En dus ook dat er na dit eerste deel vol waargebeurde verhalen nog meer dreigen te komen.

Zo naïef onschuldig als in die beginjaren wordt het alleen natuurlijk nooit meer.

Meindert Talma, Kelderkoorts
Nederlands Onbekendste Popster 1

241 pagina’s
Passage, 2013

Motorman ~ Nyk de Vries

Prozagedichten, staat er om het omslag. En de Friese Pers Boekerij geeft dit boek uit als poëzie. Toch las ik verhalen. Erg korte verhalen weliswaar, van rond de honderd woorden. Maar wat Nyk de Vries schrijft, voldoet voor mij aan alle definities van het korte verhaal, zoals de beste auteurs daarvan die hanteerden.

Zo meldde Anton Tsjechow in een brief aan kranteneigenaar Aleksej Soeworin uit 1890:

Als ik schrijf, reken ik helemaal op de lezer om zelf de subjectieve elementen toe te voegen die ontbreken in het verhaal.

En Raymond Carver schreef in het essay ‘A Storyteller’s Shoptalk’:

What creates tension in a piece of fiction is partly the way the concrete words are linked together to make up the visible action of the story. But it’s also the things that are left out, that are implied, the landscape just under the smooth (but sometimes broken and unsettled) surface of things.

Ook Nyk de Vries geeft de lezer steeds net genoeg mee, om een idee te krijgen over het drama achter het verhaal dat er te lezen is. En telkens net als er begrip dreigt te ontstaan, is er tot slot ineens een draai.

Daardoor noemen sommigen deze prozagedichten allereerst grappig. Maar door alleen op dit twist aan het eind te letten, wordt de schrijver toch tekort gedaan.

Eén goed gedicht, of een uitmuntend kort verhaal, kan genoeg zijn voor een dag. Meer is niet nodig om toch voldoende te hebben gelezen. En sommige van De Vries zijn prozagedichten halen dit hoge niveau. Maar het is ook makkelijk om je eraan te overeten. Wie enkel op het absurdisme of de clou let, onderschat de schrijver. Dan wordt een bundel als deze makkelijk een doos bonbons die te haastig opgegeten is, waardoor er op het laatst niets meer wordt geproefd; omdat het alleen nog om de beloning van zoetheid gaat.

Een deel van deze prozagedichten is eerder al eens elders gepubliceerd. De Vries heeft ze ook bij optredens voorgelezen. Dat kan verklaren dat een groot aantal zinnen helemaal klaar lijkt; uitgebeend en wel, zijn ze toch immens rijk. Veel zinnen stralen uit op die plek al ervaring te hebben.

Wel bestaat er voor soms mij een verschil tussen de Friestalige versie van deze bundel, en de Nederlandstalige. Waar het Fries geheimzinniger kan lijken, komt het Nederlands juist onbarmhartiger over:

BELGIE

Met veel bravoure verliet ik familie en vrienden
om het helemaal te gaan maken in België, samen
met mijn lieve Wendelien. Dat viel eerlijk gezegd
nogal tegen en binnen korte tijd verloor onze
liefde al haar glans. Op het laatst kwamen we
terecht op een kartonfabriek waar onze chef
het duidelijk had voorzien op mijn Wendelien.
Ik was niet meer mezelf daar in België en
tijdens een pauze sloeg ik hem keihard met een
hooivork op zijn rug. Sommige collega’s kwamen
later naar me toe en zeiden: ‘Die hooivork
had daar ook helemaal niet mogen staan.’

scheiding

BELGIE

Mei in protte bravoer ferliet ik famylje en kunde
om it hielendal te meitsjen yn België, tegearre
mei myn leave Wendelien. Dat foel earlik sein
wat ôf en fluch ferlear ús leafde al har glâns. Op
it lêst kamen we telâne op in kartonfabryk dêr’t
ús sjef it dúdlik foarsjoen hie op myn Wendelien.
Ik wie net mear mysels dêr yn België en ûnder it
skoftsjen sloech ik him bonkehurd mei in gripe
op ‘e rêch. Sommige kollega’s kamen letter nei
my ta en seinen: ‘Dy gripe hie dêr ek hielendal
net stean mocht.’

scheiding

Tegelijk wordt een mens er niet wijzer van om beide versies te vergelijken. Door analyse lost de betovering op.

Ik besef namelijk steeds in prozagedichten als die hierboven meer te lezen dan me aangeboden is. Hele films aan gebeurtenissen trekken in een paar seconden op de achtergrond voorbij, enkel door die zes zinnetjes. Ik word gemanipuleerd — en weet dat — maar de laatste zin vergoedt toch de schaamte gemanipuleerd te zijn. Dus is die twist meer dan een grappige ontknoping, er ontstaat ook opluchting door.

Hoogstens heb ik op de deze bundel aan te merken dat er van mij niet altijd een twist precies aan het eind hoeft te komen, en dat sommige prozagedichten wat lijden onder de dwang dat alles steeds in die honderd woorden moet. De prettige onvoorspelbaarheid van de inhoud wordt teniet gedaan als de vorm tot voorspelbaarheid leidt. En dat vind ik jammer.

Daarom hoop ik dat De Vries, tussen het schrijven van romans door, en zijn optredens met Meindert Talma, verder blijft gaan met deze teksten. De dunste boekjes zijn vaak het dikst, dat is maar weer eens gebleken.

Nyk de Vries, Motorman
en 39 oare proazagedichten
59 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007
isbn 978 90 330 0622 7
Nyk de Vries, Motorman
en 39 andere prozagedichten
59 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007

Per ongeluk reed ik naar het zuiden ~ Nyk de Vries

‘Per ongeluk reed ik naar het zuiden’ leek me een bekende zin. Zo’n regel die zou kunnen voorkomen in Nyk de Vries zijn eerdere Motorman en 39 andere prozagedichten. Toch lijkt die daar niet in te staan.

De zin prijkt dan weer wel in het boekje Per ongeluk reed ik naar het zuiden. En misschien moet ik die uitgave een bundel noemen. Helemaal duidelijk is me niet tot welk genre de inhoud moet worden gerekend — ook al omdat de uktrakorte verhalen in Motorman zo nadrukkelijk prozagedichten heten.

In elk geval staat de uitgave vol met korte impressies. En deze schetsen de kennismaking van een jonge man met het leven in de stad Groningen. Waar hij enkele passageriten moet doormaken, op weg naar de volwassenheid, zoals het op zichzelf wonen, zoals het nieuwe vrienden maken.

Zoals de autorijles.

Door hun geringe lengte zijn deze impressies goed te vergelijken met de prozagedichten uit Motorman. Daar helpt hun intensiteit verder aan mee.

Het voornaamste verschil tussen beide is dat die oudere teksten telkens een frappe in de laatste regel hebben. De verhalen in dit latere boek zijn hun eigen clou, en dat is zowel een verbetering als een achteruitgang.

De teksten uit Motorman moest ik vaak enkele malen herlezen, wat bijdroeg aan het genot. Dat mechanisme was er nu niet, terwijl de vorm die de korte teksten kregen toch onvoorspelbaarder is.

Maar ik bleek wel bevattelijk te zijn voor de inhoud van Per ongeluk reed ik naar het zuiden. Er kleeft iets universeels aan de gekleurde waarnemingen van een jonge man die vanuit de provincie naar de grote stad gaat. Zelfs al kreeg ik daar geen vriend die Meindert heet. En dat Nyk de Vries zo nadrukkelijk de topografie van Stad in zijn boek gebruikt, waar ook ik studeerde, droeg aan mijn waardering bij.

Dat die studie waarna hij weleens verwees ook door mij bleek te zijn gevolgd, was eerder curieus.

* Nyk de Vries kreeg in 2010 het Belcampo Stipendium van de Provincie Groningen. Deze uitgave past daarbij.

Nyk de Vries, Per ongeluk reed ik naar het zuiden
Belcampo reeks 8

40 pagina’s
Philip Elchers, 2010

Prospero ~ Nyk de Vries

In 2007 bracht de Friese Pers Boekerij drie Nederlandse versies uit van oorspronkelijk Friestalige romans. Dat initiatief ging bovendien gepaard met een waar media-offensief. Waarop de boekhandels in de provincie meestal reageerden door deze boeken toch ook maar in hun Friese hoekje te leggen.

Eerder kwam van deze drie op boeklog al eens Koos Tiemersma’s eigen bewerking langs, van diens debuut De ladder/De ljedder. Dat verloor bij de vertaling. Dus was ik benieuwd of Nyk de Vries’ tweede roman op eigen kracht overeind kon blijven; zonder daar de Friese versie naast te lezen.

Over Nyk de Vries leerde ik in de tussentijd dat hij in het Nederlands schrijft, en zijn teksten voor publicatie verfriest. Daar is op zich niets mis mee is; dat doe ik ook wel bij stukken waar het eerst om de inhoud gaat. Mijn meest intensieve schrijfervaring bestaat nu eenmaal uit het schrijven in het Nederlands; door die taal te gebruiken, kan ik me in een eerste versie het best op de kern alleen concentreren. Het gebruik van dat andere idioom komt dan wel aan bod in het vervolg. Zoiets zou ook voor De Vries kunnen gelden, meende ik.

Maar dat viel me wat tegen. Dit boek lijkt meer op een eerste versie, dan op een roman die al eens in een andere taal verschenen is. Als me éen ding irriteerde aan Prospero, dan wel de grote hoeveelheid zinnetjes waar iets aan mankeerde. Meestal zat hem dat in ritme of timing. Dan weer stond er een lang woord waar een kort had gemoeten. Of omgekeerd. Dan weer was een zin in een dialoog onhandig.

Prospero lijkt me een archetypisch coming-of-age boek, al is de hoofdpersoon in dit geval al dertig. Maar deze Marco Vandaan aarzelt nog altijd om volwassen te worden. Na zijn studie geschiedenis heeft hij zich vooral geconcentreerd op zijn band, maar die carrière ligt inmiddels op zijn gat.

De Vries laat zijn hoofdpersoon dan een baan aannemen in Spanje, bij het waterbouwkundige project Prospero. Vrijwel alle personeel daar komt uit Nederland, en het grootste deel van de roman gaat over de verwikkelingen tussen hen, en wat Marco Vandaan hier uit leert.

Mij bleef — als zoon van een wegen- en waterbouwer — geheel onduidelijk wat al dat ongeschoolde personeel daar nu precies voor nut had; al is dit een detail dat voor de beoordeling van dit boek niet uitmaakt. Erger vond ik dat De Vries vaak tot in de treurige details uitspelde wat er gebeurde; en dat terwijl hij in ander werk juist zo uitblonk in het suggereren van wat er speelt.

Nyk de Vries, Prospero
160 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007
Oorspronkelijke Friese uitgave: Prospero, 2006

Renger ~ Nyk de Vries

Taal is een filter bij het waarnemen van de wereld. Nu weer schijnt er een discussie te zijn of mensen wel blauw konden zien voordat ze een woord hadden voor blauw. Want de Himba hebben er nog altijd geen apart woord voor.

De Himba.

En normaal is dat niet zo’n punt voor mij, van dat filter, alleen intrigeerde me bij de roman Renger toch wel dat de auteur die in het Nederlands schreef. Omdat het boek grotendeels over zijn overleden vader gaat, met wie hij toch allereerst Fries zal hebben gesproken.

Het enige Fries in het boek bestaat uit een kort cursief zinnetje, zo heel af en toe. Voor de couleur locale.

Heeft het boek zoveel autobiografische trekjes toch dat ik meen dat de ik-persoon, die het verhaal vertelt, soms wel degelijk samenvalt met de schrijver. En deze debuteerde als auteur toch echt met een Friestalige roman. Hoewel hij bij het maken om de drie vier zinnen het woordenboek erbij moest pakken. Voor vrijwel iedereen is dat Fries nu eenmaal eerst een spreektaal. Geen schrijftaal.

Geeft deze ik-persoon in de roman toe dat daarbij een praktische reden speelde. Er zijn zo weinig jonge schrijvers in het Fries dat hij de kans dat zijn boek uitgegeven zou worden groter achtte in die taal dan bij een Nederlandstalig debuut.

Wellicht dat Nyk de Vries zich ondertussen openbaar heeft uitgesproken over de keuze voor het Nederlands, in Renger. Ik heb daar verder niet naar gekeken. En ik weet niet eens of ik een stellige uitspraak voetstoots geloofd zou hebben. Het kan heel goed zijn dat hij platweg ook eens een publiek wilde bereiken, in plaats van het grijze dozijn of wat dat nog Fries proza leest.

Maar de keuze voor een taal doet ook iets met een tekst.

Het Fries heeft zo’n gering corpus aan geschreven materiaal dat een schrijver alle ruimte heeft om nieuwe verbindingen te knopen. Er liggen gewoon weinig zinnen aan schrijftaal klaar. Volgens Trinus Riemersma is dat overigens niet per se een nadeel. Dat ook het geschreven Fries dicht bij de spreektaal blijft, maakt bijvoorbeeld dat geen provinciaal politicus kan vluchten in de vage duntaal waarvan het Nederlands wel zo vergeven is. Hij of zij zou domweg niet begrepen worden.

Bij Nyk de Vries vermoed ik allereerst dat de keuze voor het Nederland afstand bracht, tot dat oer-verhaal van een zoon die zijn vader verliest, en veel later na gaat denken over hoe hun verhouding eigenlijk lag.

Eén nogal typerend trekje van deze vader, heit, was bijvoorbeeld dat hij heel zijn leven als een bezetene werkte om nooit mee te hoeven maken wat diens vader, pake, overkwam. In de crisisjaren ging hun timmerzaak failliet. En pake moest nog lang elke maand naar Dokkum, om daar met zijn pet in de hand een daalder aan schuld af te betalen.

De vader in het boek potte ook daarom alles op. Hij bewaarde veel. Een hele schuur vol. Zodat hij in zijn leven geen spijker meer zou hoeven kopen.

Logische verhaallijn werd daarmee dat de ik-persoon na de dood van zijn vader die overvolle schuur gaat leegruimen.

Renger ging voor mij uiteindelijk om twee verhalen; dat van die vader en zoon, en dat van hoe de zoon tot man werd. Vond Nyk de Vries het nodig om daar nog een raamvertelling omheen te plaatsen. Van een hernieuwde ontmoeting met een wat geheimzinnige man — die Renger uit de titel — die hij nog kende van vroeger uit het dorp; wat daarop de aanleiding bracht om toch eens terug te kijken.

En dan zal de auteur dat raamverhaal nodig hebben gehad. Wellicht weer om nog meer afstand te krijgen. Misschien om het boek een logische vorm te geven. Alleen hadden die boekgedeelten voor mij nu net niet gehoeven. Ik vond ze ook opvallend slechter geschreven dan de rest, om bijvoorbeeld de vaak veel te lange dialogen.

Was dit weliswaar de beste roman die ik van deze schrijver las, waardeer ik zijn korte prozagedichten nog altijd onmetelijk veel hoger.

Nyk de Vries, Renger
350 pagina’s
De Arbeiderspers, 2015