dit is het dossier:

Anne Wadman

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Grimmig eerlijk ~ Joke Corporaal

Biografieën blijven vreemde boeken. Traditioneel gingen biografieën over heiligen en grote mannen. Toen waren ze nog in de eerste plaats bedoeld als ideaal en voorbeeld, om de lezer tot een beter mens te maken. Tegenwoordig hebben biografieën al gauw een doel dat precies andersom is. De meeste worden geschreven om geheimen aan het licht te brengen, en zo een grootheid tot mens te degraderen. Daar wordt geen lezer meer een beter persoon van. Maar sommigen kunnen zich wel beter voelen als de stakker van wie de fouten dan ineens zo ongenadig op een rijtje staan.

De dissertatie van Joke Corporaal over Anne Wadman, waar ze in december mee promoveerde tot doctor in de letteren, werd een verhaal waarin veel aan het licht is gebracht. Toch is nogal wat dat in deze biografie staat belangrijk door wat het boek niet vertelt, opvallend genoeg.

Anne Wadman [1919 – 1997] is tegenwoordig een grote naam in de Friese literatuur. Hij was een vernieuwer; wat hem nu iemand maakt om te onderzoeken, en boeken over te schrijven. Enkele jaren terug verscheen er al in monografie van Steven H.P. de Jong over het literaire werk van Wadman. En eerder promoveerde Babs Gezelle Meerburg op onder meer de ontvangst van De smearlappen — Wadman’s afrekening met de traditionele Friese boerenroman.

Joke Corporaal zal er mede daarom voor gekozen hebben om een eerdere periode uit het leven van Anne Wadman te bestuderen. Haar boek loopt tot de tijd dat Wadman met De smearlappen begon, in 1963. Toen hij al wel de Gysbert Japicx-priis gewonnen had voor zijn essays over literatuur, maar hij nog een controversieel man was.

Sterker nog, zijn ideeën over waar het in de Friese literatuur aan miste, werden toentertijd als veel te negatief beschouwd. Te modern. En daarmee on-Fries. Terwijl Wadman toch niet meer wilde dan afscheid nemen van een al te nationalistisch pathos; hij slechts streefde naar een literatuur die was als de literatuur in andere Europese landen.

Die voortdurende weerstand, en het ontbreken aan de door hem zo gewenste veranderingen, hebben er vast aan bijgedragen dat Wadman al vroeg somber werd over zijn eigen verdiensten. Hij hield zijn hele leven het idee eigenlijk mislukt te zijn, want voor hem telden zijn successen als Fries schrijver uiteindelijk niet. En dit gegeven intrigeerde Joke Corporaal dan weer, bij haar onderzoek.
 

Psychologiserend portret
Grimmig eerlijk is bovenal een psychologiserend portret geworden van de auteur als jonge man. Daarbij werd dankbaar gebruik gemaakt van de duizenden brieven die Wadman geschreven heeft. Door deze rijke correspondentie kon Joke Corporaal de Friese literaire wereld beschrijven vanuit het perspectief van Anne Wadman en zijn contacten. En Wadman weerde zich in eerste instantie ook in het Nederlandse blad Podium, waardoor in hem die twee vaak zo gescheiden literaire circuits samenkwamen. Het leek er bijvoorbeeld zelfs een tijd op dat zijn debuutroman Fioele en faam bij de Arbeiderspers in Amsterdam verschijnen zou. In het Fries.

Tegelijk had Wadman ook weer niet veel invloed in het Nederlandse wereldje. Zo lukte het hem in 1947 niet om in Hollandse uitgever te interesseren voor L’Étranger van de latere Nobelprijswinnaar Albert Camus.

En de dichter Leo Vroman bekende in datzelfde jaar per brief aan Gerrit Borgers niemand van de Podium-redactie te kennen:

Naar de klank hunner namen te oordelen houd ik Paul Rodenko voor een korte athleet met zwart gemillimeterd haar, die enigszins pornografische detectiveromans schrijft; Fokke Sierksma is neem ik aan voor de culturele zaken en schrijft zo nu en dan een woordje over zoetemelks pluimvee, terwijl Anne Wadman, een vrouw van onbeschrijflijke leeftijd en onophoudelijk gekleed in bruin colbertjasje, groene broek met opgerolde pijpen en klompen met open tenen, haar gevechten met de straatjeugd omzet in epische rijmen.

zoals geciteerd in Hans van Straten, De Schrijflui, 35.

Corporaal vermeldt deze karikatuur niet in haar boek. En dat illustreert waar het voor mij in de dissertatie misschien aan ontbrak. Door de afstand in tijd, Wadman’s reputatie van dit moment, en alleen al omdat er een heel boek over hem geschreven is, krijgt veel uit dat leven gewicht.

Dat lijkt me niet altijd terecht. Daarnaast is de geschiedenis niet goed te bekijken vanuit het hoofdonderwerp alleen.

In de periode 1945 — 1963 was er bijvoorbeeld ineens heel veel belangstelling voor Friese boeken en andere publicaties. Jammer vind ik het daarom dat Joke Corporaal alleen ingaat op wat Anne Wadman had aan te merken op wat er toen verscheen. Wadman’s grootste successen buiten het boek houden is éen ding — die moesten ook nog komen — maar door de successen van anderen te negeren, krijgt zo’n tijdperk geen reliëf; terwijl het boek zich wel tot die periode beperkt.

Nu weegt misschien mee dat Wadman’s ideeën over literatuur tegenwoordig gauw ook onze ideeën zijn, en Joke Corporaal misschien mede daardoor automatisch zijn kant gekozen heeft. Diens idealen zijn ons niet vreemd. Wat alleen al zo is omdat haast iedereen nu zo veel meer opleiding genoten heeft dan in die tijd normaal was. Maar door de strikte focus op Anne Wadman als persoon, krijgt zijn biografie niet altijd de goede scherptediepte.
 

Taal en betere taal
Eén onderwerp waar Joke Corporaal inhoudelijk niet aan toekomt in het boek, is dat van Wadman en het Fries als schrijftaal. Eigenlijk komt dit aspect alleen opvallend aan de orde als ze het heeft over de korte pennenstrijd die Anne Wadman voerde met Jan Jelles Hof [1872 – 1958].

Hof, die toen hoofdredacteur was van het populaire tijdschrift Frysk en Frij, schreef in oktober 1945 aan Wadman:

jou Frysk mocht sims wol hwat better wêze, heite!

[noot 552 uit de dissertatie]

En Joke Corporaal heeft Hof’s verwijt vooral gebruikt om Wadman’s grote onzekerheid nog eens te tonen. Zelfs al schreef hij dan al tien jaar in de taal, volgens anderen kon hij er nog altijd niet veel van. En dat greep hem aan. In zijn dagboek staat:

‘Ik freegje my ôf, yn ‘e goeddichheid, hokker Fries kin dan syn eigen tael skriuwe?’

[noot 554]

Opvallend aan deze episode is voor mij dat Anne Wadman zich later nu net tegenover anderen zo vaak opstelde taalautoriteit. Zo wordt uit zijn boekenrecensies duidelijk dat het Fries van sommige schrijvers hem gauw te veel Hollandismen had. En Wadman gaf dan vaak voorbeelden van hoe het wel had gemoeten.

Na zijn pensionering had hij zelfs een taalrubriek in de Leeuwarder Courant. En hoewel dat tijdperk buiten het bestek van dit boek valt, en er dus niet over geschreven is, zegt zo’n ontwikkeling misschien veel over Wadman als persoon.

Nu valt meteen op aan deze dissertatie over een auteur uit Friesland, waarin voor het grootste deel uit Friese bronnen werd geput, dat die in het Nederlands verschenen is. En die keuze is natuurlijk het prerogatief van de schrijver. Die weet als beste welke taal hem of haar de meeste mogelijkheden biedt, of het grootste publiek zal aanspreken. En toch, alleen al dat ik me heb afgevraagd waarom dit boek in het Nederlands verscheen, zegt iets. Heeft er misschien angst meegespeeld voor Joke Corporaal? Wilde ze het verwijt voor zijn dat haar Fries niet zo goed was als dat van Wadman? Waren er praktische bezwaren?

Evenmin kan ik iets zeggen over haar keuze om alle citaten — op wat poëziefragmenten na — in het Nederlands op te nemen in de lopende tekst. Zolang de originele citaten maar ergens te vinden zijn — in dit geval als eindnoten achterin — is daar niets tegenin te brengen. Grimmig eerlijk lijkt me in de eerste plaats als leesboek bedoeld te zijn; dat maken zulke keuzes wel duidelijk.

En een prettig leesboek is het ook. Daar kan de schrijfster niet genoeg om geprezen worden. In deze dissertatie komen bijvoorbeeld horden volk voor, rondom Anne Wadman, die stuk voor stuk geïntroduceerd moesten worden. En het valt op dat deze miniportretjes zo elegant door de tekst gevlochten zijn dat hun verplichte aanwezigheid helemaal niet stoorde.

Joke Corporaal’s keuze voor het Nederlands maakte het alleen wel hele moeilijk om over de talige kant van het Fries te schrijven. En volgens mij kan geen biografie over een Friese schrijver zonder aandacht voor zijn of haar ideeën over taal.
 

Een geschiedenis over het nu
Het blijft nu eenmaal een heel bewuste keuze om in dat Fries te schrijven, omdat iedereen ook dat Nederlands in de macht heeft. Dit alleen al maakt het een nuttige onderzoeksvraag om te bekijken of ideeën bij een schrijver over de taal constant blijven in de tijd. Het antwoord op die vraag zegt veel over een persoon, maar kan ook veel vertellen over ontwikkelingen in de cultuur.

Het Fries is bijvoorbeeld nog altijd bezig met een standaardiseringsslag. Die brengt een heimelijke taalbeweging met zich mee, die een liefde lijkt te hebben voor purismen, en ook een voorkeur schijnt te bezitten voor taal die zo ver van het Nederlands af staat als maar kan. Anders zouden de Friese woordenboeken wel het idioom tonen dat dagelijks gebruikt wordt, in plaats van volkomen bedachte woorden op te nemen voor nieuwe technologie; om maar éen voorbeeld te noemen.

En al die zo zelden uitgesproken ideeën over wat nu precies goed Fries is, hebben meer gevolgen, denk ik.

Interessant vond ik bijvoorbeeld dat Anne Wadman in 1963 het verwijt kreeg, van schrijver Klaas de Wit, dat zijn literaire Nederlands moderner en strakker oogde dan zijn Fries. Bij Wadman zorgde die kritiek er voor dat hij toen even helemaal met het schrijven van fictie ophouden wilde. Alleen heeft de geschiedenis ons ondertussen geleerd, dat hij daarna alle hoge idealen aan de kant schoof, om de satire De smearlappen te kunnen schrijven, en zo eindelijk een groot publiek vond voor een boek.

Wat dit betreft houdt de dissertatie dus op een moment vol betekenis op. Een doorbraak zat er aan te komen, maar was er nog niet. En dit maakt dan opvallend genoeg dat het boek ook veel zegt over onze tijd, en niet alleen over die vroege periode in Anne Wadman zijn leven. De problemen die hij had, spelen nu voor veel meer schrijvers. Zijn ooit zo controversiële ideeën over kwaliteit zijn die van ons geworden; zonder dat wij daar nog over nadenken. Als Anne Wadman uitlegt waarom er slechts zo weinig romans verschijnen met enig niveau, dan zijn de oorzaken voor dat probleem niet anders geworden. Geen schrijver kan iets verdienen aan dat Fries, op de heel enkele uitzondering na.

Of, om nog een andere illustratie te geven van de overeenkomsten in mentaliteit van hem als controversiële kwaliteitsbewaker en ons. Toen Wadman in 1948 de bloemlezing Frieslands dichters samenstelde, nam hij bewust geen volkspoëzie op; aldus een groot deel van de Friese taalschat diskwalificerend.

Volgens de samensteller werd poëzie pas interessant als de dichter zich aan het niveau van de volksschrijverij had ontworsteld.

[pagina 290]

Zo staat in het voorwoord van het boek. Wel werden in de bloemlezing verzen opgenomen van auteurs die toen nog een publicatieverbod hadden, om hun rol in de oorlog; zoals Douwe Kalma en Douwe Kiestra.

In de eenentwintigste eeuw zijn er nu al drie grote bloemlezingen verschenen van Friese poëzie. En ik denk niet dat de samenstellers daarvan ook maar een tel overwogen hebben om volkspoëzie op te nemen. Dat er nagedacht is of het werk van ‘foute schrijvers’ wel mee kon, zou me dan weer niet verbazen.

Van de Friese literatuur wordt op het moment zelfs meer verwacht dan ooit, of van welke literatuur in welke taal ook. Lees de provinciale taalnota’s er maar op na. Die literatuur moet niet alleen kwaliteit brengen, maar ook nog de taal verdedigen, en mensen aanzetten tot het lezen en dus gebruiken van het Fries — terwijl er voor het publiek nooit meer andersoortig amusement bestaan heeft als op dit moment.

En goed, dan dacht Wadman dat alle zegen van romans moest komen. Hij is lang de enige niet met dat idee. Ook nu nog. Terwijl ik de hoge status van de roman als een langjarig modeverschijnsel zie, waar ik blij van ben dat er nu eindelijk eens iets in lijkt te veranderen — door de successen van sommige literaire non-fictie. Er zijn nu eenmaal veel meer mensen die fatsoenlijk een documentaire op papier kunnen krijgen, als dat er romanschrijvers worden geboren.

Dat er in vergelijking met andere talen zo veel podia ontbreken voor zakelijke Friese teksten, lijkt me daarom ook een groter probleem voor de gezondheid van de taal dan dat er jaarlijks niet genoeg romans zouden verschijnen.
 

Situatie of man?
Een vraag van mij is groter geworden door het lezen van dit boek. In deze levensgeschiedenis ligt de nadruk nogal op de onzekerheden, en frustraties van Anne Wadman. Hij vond zichzelf dus mislukt. En Joke Corporaal is in dit boek in die visie meegegaan doordat ze uitgezocht heeft waarom hij dat denken kon. Maar daarnaast staat voor mij ook zo duidelijk dr. Anne Wadman de autoriteit. De man die decennia lang honderden literaire kritieken geschreven heeft, waarin hij volgens zijn woorden in It kritysk kerwei strijd leveren mocht. De man ook die later heel zeker wist hoe het zat met de taal.

En dat je weet wat de normen zijn voor wat kwaliteit is, lijkt me éen ding. Dat je moeite doet om die eisen publiek te maken, in krantenstukken en andere publicaties is alweer iets anders. Duidelijk mag ook heten dat Wadman voor zichzelf nog strengere normen had als hij anderen oplegde, en dat hij gefrustreerd was over de kwaliteit van zijn schrijfwerk. Maar waarom bleef hij dan toch decennia lang met die normen bezig, en zocht hij de hele tijd die frustratie weer op?

Lag dit aan de man, of waren het de omstandigheden die hem tot zulk een masochisme dwongen? Omdat er in Friesland niet zo veel mensen bezig zijn in het literaire veld, en het snel dezelfden zijn die al het werk doen? Zet de positie van het Fries wellicht aan tot Messias-gedrag?

Deze vragen bevestigen voor mij anders niet meer dan dat een biografie niet alleen over een man of vrouw moet gaan, maar ook de omstandigheden uit zijn of haar tijd hoort mee te nemen. Anders ontsnapt zo’n boek niet aan het probleem dat de biografie in de kern een heiligenleven blijft, en de vorm dus de schrijver al stuurt.

* een Friestalige versie van mijn ideeën over Grimmig eerlijk staat in het tijdschrift Ensafh, nr 3 van 2010.

Joke Corporaal, Grimmig eerlijk
Anne Wadman en het probleem van de Friese literatuur

551 pagina’s
Uitgeverij Afûk, 2009
ISBN: 978 90 6273 818 2
prijs: € 27,50

Kritysk kerwei ~ Anne Wadman

Recenseren is een vreemde activiteit. Zo vergt het schrijven van een serieuze recensie nogal wat inspanning, waar relatief weinig tegenover staat. Domweg omdat er tussen de bespreker en het besprokene zelden iets moois groeit, en hij of zij er dan toch over moet schrijven.

Het meeste wat gemaakt wordt, is niet opvallend goed. Noch opvallend slecht.

Recenseren is ook een merkwaardige activiteit door het verschil in beleving tussen makers en het publiek waartoe de bespreker hoort. Het kost tijd om een kunstwerk te produceren — terwijl dat werk altijd in een veel kortere tijd te consumeren is. Elke bespreking oordeelt daarmee ook of de inspanning van de kunstenaar de moeite waard is geweest; en is daarmee makkelijk als een opinie op te vatten over hem of haar als persoon.

Van alle recensies moeten besprekingen over Friese boeken wel het moeilijkst te schrijven zijn. Bij zo’n boek overheerst altijd de vreugde dat er toch weer een titel verschenen is, terwijl tegelijk de kwaliteit de ervaren lezer niet altijd zal meevallen. En, het wereldje is te klein. Iedereen die in het Fries publiceert, kent wie dat nog meer doet. Dus komt het regelmatig voor dat vrienden of collega-redacteuren elkaars werk bespreken. Dus ontstaan er ook al snel onwerkzame brouilles, die ondergronds decennia blijven smeulen.

Ik heb indertijd slechts enkele maanden Friese boeken gerecenseerd voor het literaire tijdschrift Farsk. Dit was voor het Skriuwersboun bij gelegenheid al voldoende aanleiding een Berufsverbot bij de provincie te eisen voor mij als beoordelaar van literatuur.

De auteur Anne Wadman [1919 – 1997] is meerdere decennia actief geweest als recensent van Friese boeken. Naast besprekingen voor het literaire blad De Tsjerne schreef hij tientallen, zo niet honderden, recensies voor Het Vrije Volk, en de Leeuwarder Courant. Een selectie daarvan uit de jaren 1950-1970 is verzameld in de bundel It kritysk kerwei. Daarnaast staan in dit boek nog enkele algemene stukken in over de Friese literatuur, en zijn de teksten opgenomen van enige radiocauserietjes.

Nu heeft Wadman de interessantste boeken uit de periode 1950-1970 niet gerecenseerd, zo bleek me al snel. Toen in 1964 een roman als Fabryk uitkwam, van Trinus Riemersma, had hij tijdelijk geen podium voor zijn besprekingen. En toch was ik ook niet direct geïnteresseerd in het luttele feit of Wadman het experiment in de Friese literatuur waardeerde.

Mij ging het bij het lezen om het grotere verband. Om de vraag hoe een recensent handelde die de wereldliteratuur kende, grootse ideeën had over wat literatuur moet zijn, en vervolgens veelal de brave voorspelbaarheid moest bespreken van publicaties uit de Kristlik Fryske Folksbibliotheek.

Wadman stelde zich daarbij vaak op als schoolmeester, zo viel me op. Wat op zich niet vreemd is, met dat vak verdiende hij zijn brood.

Zo corrigeerde hij meer dan eens in een recensie het gebruikte Fries van een auteur.

Opvallend vond ik ook dat Wadman weleens lui was als recensent. Hij deed soms stevige uitspraken zonder daar dan bewijs voor aan te dragen. Daarbij dan bijvoorbeeld een groot overzicht over iemands eerdere boeken suggererend, zonder dit ergens mee te staven. Dit kan een vorm van gemakzucht zijn geweest bij het schrijven, of misschien komt ook dat verschijnsel weer voort uit zijn schoolmeesterschap — iemands karakter wordt er zelden beter op als hij altijd slimmer is als zijn meest directe publiek, en dus te weinig tegenspraak krijgt.

Wadman won met zijn eerste bundel literaire kritieken in 1952 ook meteen de hoogste taalprijs in de Friese literatuur. Dat moet hem als criticus een zekere onaantastbaarheid hebben gegeven.

Over het geheel genomen leek hij me hard, maar helder te oordelen. En zo te zien werden boeken onbevooroordeeld bekeken. Als een boek waarvan hij niets verwacht had toch meeviel, gaf Wadman dit eerlijk aan. Alleen viel het meestal tegen. Wat het recenseren volgens mij toch tot een behoorlijk corvee moet hebben gemaakt. Al geldt dit vooral voor de besprekingen van romans — waar het verschil tussen lectuur en literatuur behoorlijk groot kon zijn — in de poëzierecensies had hij doorgaans minder te klagen.

Ik geloof best dat Anne Wadman iets had aan het inkomen dat het schrijven van recensies voor de krant moet hebben opgeleverd. Maar er moet toch ook wel meer hebben gespeeld. Mij intrigeert dus nogal waarom Wadman vrijwel zijn hele schrijvende carrière kritieken bleef schrijven. Vanwaar die opoffering, waarom dit masochisme?

Nu bevat de bundel It kritysk kerwei een titelstuk, dat bestaat uit een betoog dat Wadman in 1966 hield voor de regionale radio-omroep Rono. Daarin legde hij uit wat zijn opvattingen als criticus waren.

Elke vorm van literatuur had recht op toegewijde aandacht, zo zei Wadman bij die gelegenheid. Zelfs al was het misschien niet prettig om een boek te lezen dat ook in 1912 geschreven had kunnen zijn. Alleen betekende die aandacht ook dat een criticus daarop zijn eigen opvattingen hanteren mag. En dus dat hij vervolgens strijd mocht leveren.

Er moet toch iets aan die strijd zijn geweest dat hem ertoe kon verleiden telkens weer de pen op te pakken, en stevige correcties aan te brengen. Ook na die eerste tijd, toen hij zweeg over wat de Friese literatuur moest brengen.

Joke Corporaal schrijft hier alleen met geen woord over, in Grimmig eerlijk; de biografie die ze aan Wadman wijdde.

En ik denk: Wadman moet al die honderden kritieken haast wel uit een soort zendingsdrang hebben geschreven. Enerzijds om Friese auteurs aan te moedigen het volgende keer nog beter te doen, en aan de andere kant om het publiek zo goed mogelijk voor te lichten wat er allemaal verschenen was.

Of was er meer? Wilde hij zich misschien als autoriteit blijven positioneren? En verwierf hij door de positie als recensent niet ook een ideale verdedigingspositie tegen wie hem maar durfde kritiseren?

Het is jammer dat de vragen waar een biograaf antwoord op had moeten geven, vaak pas na het lezen van een levensbeschrijving worden geformuleerd.

Anne Wadman, It kritysk kerwei
Resinsjes en skogingen

332 pagina’s
Fryske Akademy, 1990