dit is het dossier:

Bert Wagendorp

© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden

 

Mijn rondje ~ Pieter Cramer & Lean Hodselmans

Ooit werd ik vlak voor een lokale fietsbrug ingehaald door de wielerprof Pieter Weening. Hij reed niet veel harder dan ik. En al evenmin klom hij sneller. Daardoor kreeg ik even de tijd om naar de magerte te kijken van de benen en de kont van een beroepswielrenner. En daar toen eigenlijk wel wat van te schrikken.

Eén dijbeen van mij was zo al dikker dan twee van de zijne.

Weening’s aanwezigheid daar, waar ik die nu net niet verwacht had, liet alleen wel de vraag rijpen wat zoal de lokale routes zouden zijn die de serieuze renners reden. En Bauke Mollema was de eerste die me daarop een soort van antwoord gaf — want de jaarlijks georganiseerde Mollematocht zou naar verluid over wegen voeren waar hij vaak heeft getraind; nee, zelfs zijn lievelingsroutes tonen. En tegenwoordig is er het sociale netwerk Strava. Dat legt automatisch een hittekaart aan van de wegen die elk jaar de meeste snelle fietsers trekken.

Speelt er vanzelfsprekend nog zo veel meer bij de keuze voor een trainingsroute.

Voor de interviewbundel Mijn rondje hebben Pieter Cramer en Lean Hodselmans met 32 fietsers gepraat over een route die zij vaak hebben gereden vanuit thuis. Daaronder zijn actieve wielerprofs, zoals Wout Poels, Steven Kruijswijk, en Laurens ten Dam. En Marianne Vos en Annemiek van Vleuten niet te vergeten.

Nog net wat interessanter waren evenwel de gesprekken met oud-wielrenners. Zoals Peter Winnen, Maarten Ducrot, Joop Zoetemelk, of Fedor den Hertog. Omdat in hun verhalen ook het verleden een dimensie is, waarin ze de dingen toch soms heel anders deden.

Zijn de rest van de interviews gevoerd met Nederlanders die bekend zijn geworden om iets heel anders, en die het fietsen enthousiast er bij doen.

Deze persoonlijke verhalen worden in de tekst afgewisseld met stukken van de routebeschrijving. Waarna zo’n hoofdstuk besluit met een simpel kaartje, en een verwijzing naar een website, die niet meer online lijkt te zijn.

Mijn rondje biedt kortom doelgroepproza van het soort waarvoor ik toevallig heel erg doelgroep was. Alleen vielen zelfs mij na een paar gesprekken al de constanten op. De interviewers wilden namelijk steevast precies dezelfde dingen weten:

Fiets je dat rondje het liefst alleen, of met anderen?
Rijd je altijd eerst tegen de wind in?
Ga je ook fietsen als het slecht weer is? Als het regent?
Wat neem je aan eten en drinken mee?
Stop je weleens onderweg, voor koffie?
Leg je de geleverde prestatie vast? En zo ja, met welke elektronische middelen?

En dat zijn allemaal volstrekt legitieme vragen — in interviews kan de vraag ook vaak niet simpel genoeg zijn om de gesprekspartner tot praten te verleiden. Alleen maakten de auteurs er ook een kwestie van of de fietsers wel een bel hebben. En of ze niet weleens de zonde begaan om met spatborden te rijden.

Toegegeven, de regels waaraan ‘echte fietsers’ zich hebben te houden gaan nog een paar stapjes verder. De interviewers hadden ook nog kunnen informeren of hun gesprekspartners altijd wel keurig witte sokjes aantrokken voor hun rit. Helaas vind ik veel van dat geneuzel al gauw interessantdoenerij. Maar op al mijn fietsen moet het dan ook mogelijk zijn om comfortabel de hele nacht door te rijden, met licht op, desnoods in hondenweer.

Voor mijn eigen rondjes had dit boek overigens amper waarde. De geïnterviewde fietsers wonen in heel andere delen van het land. Enkel Lieuwe Westra reed in Friesland rond. Alleen was diens vaste trainingsrondje er éen richting de kale leegte. Hij reed dan vanuit de Mûnein naar Harlingen, om vandaar over de Waddenzeedijk en Sint Anne terug te fietsen. En die hoek van de provincie is me doorgaans echt te onherbergzaam om me daar vaker dan éen, twee keer in het jaar te wagen. Bovendien hóef ik niet tegen de wind in te trainen om beter te worden, anders dan een prof.

Was het verder heel aardig om over de liefde van oud-schaatser Erben Wennemars te lezen voor de Lemelerberg — want in dat verhaal wist ik tenminste wat hij bedoelde met de lange kant, en de korte kant van die heuvel.

Voor de rest is er als fietser nog heel wat Nederland te ontdekken, voor mij. Enkel de omgeving van de Zevenheuvelenweg, bij Berg en Dal, uit het verhaal van Peter Winnen, kende ik ook. Alleen was dat door het hardlopen ooit. En daardoor nam ik later die route vaak aan het eind van de eerste dag van een fietsvakantie. Om alvast wat te wennen voor als het echt omhoog zou gaan, in de Ardennen.

Pieter Cramer & Lean Hodselmans, Mijn rondje
Trainingsroutes van profrenners en bekende wielerfanaten

280 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2013

Proloog ~ Bert Wagendorp

De Tour de France rijdt weer, maar die eerste week is nooit erg boeiend. Tijd genoeg om wat bij te lezen als de TV-beelden niets bieden.

En wielrennen leent zich ook goed voor boeken. Wielrenners zien af, en strijden niet alleen tegen elkaar, maar ook tegen een verleden dat hun ploegen met elkaar hebben. De beste renner wint kortom lang niet altijd, en dat is er ook mooi aan.

De proloog
is alleen niet zo’n heroïsch wielerboek. Het is wel de eerste poging om een roman te schrijven van Volkskrant-journalist Bert Wagendorp. Hij koos er daarbij voor om een wielrenner, aan de vooravond van een proloog, een innerlijke monoloog te laten afsteken over het métier.

Helaas heeft dat vooral tot gevolg dat er wel een paar aardige anecdotes langskomen, maar dat de manier waarop die verpakt zijn nogal wringt.

Wagendorp heeft de kunstgreep gebruikt om van zijn hoofdpersoon een gesjeesde student te maken. Alleen zo kan hij nog enigszins geloofwaardig maken dat die atleet met afstand over het wielrennen praat. Maar daardoor overschrijdt de auteur ook de grenzen van de geloofwaardigheid.

Niemand die de volgende dag kan winnen, en daarmee een droom kan vervullen, denkt zo gedetailleerd na over de nadelen van zijn sport. Die is in gedachten echt met hele andere dingen bezig.

Bert Wagendorp, De proloog
127 pagina’s
Uitgeverij Pandora © 1995, 1996


Vals spel ~ Bert Wagendorp

Lijkt me dat er wel een en ander speelt rondom sport dat Bert Wagendorp negeert in Vals spel. Zo is er het gegeven dat er zo weinig jonge kijkers zijn voor sportwedstrijden op televisie. Het publiek dat zo passief van sport kan genieten, wordt almaar grijzer. En waarom is dat?

Want in een boek dat vooral gaat om de fnuikend invloed van geld, te veel geld, op de normen en waarden in de sport, weegt dus ook de macht van de adverteerders nogal mee. Grijze kijkers reageren amper meer op reclame, enkel jongere generaties zijn door marketing te bereiken.

Wellicht valt de schade voor het voetbal nu nog mee, om de uren wielrennen of het snelschaatsen op TV zijn de advertentietarieven al gedaald. Net als deze sporten door zo’n culturele verschuiving weer minder interessant raken voor sponsoren die om aandacht zoeken — wat ook nog direct raakt aan de inkomsten van de ploegen en de sporters.

Bert Wagendorp signaleert terecht dat de belangstelling van het grote publiek zich wel ineens kan verschuiven; al helemaal als er plots successen behaald worden door ‘de onzen’. Het Nederlands vrouwenelftal scoorde toch prachtige kijkcijfers toen ze op weg waren Europees kampioen te worden.

Toch is het nog niet zo heel lang geleden dat er voor het eerst een hele vrouwenwedstrijd rechtstreeks werd uitgezonden op een publiek net.

En dan gaat het te ver om ook Wagendorp openlijk sexistisch te noemen. Alleen is het merkwaardig dat in een boek gaat over eerlijk en oneerlijk in de sport de notie ontbreekt dat de belangstelling in de massamedia nog altijd allereerst uitgaat naar mannensporten. Omdat nog steeds de antieke opinie opgaat dat vrouwen vergeleken met mannen niet meer dan gehandicapten zijn, want zoveel minder sterk of snel, en daarmee ook minder interessant.

Topsport moet wel éen van de weinige activiteiten zijn waarin zulk een openlijk sexisme nog speelt; of sterker nog, doorgaans niet eens beseft wordt.

Inherent aan topsport is ook dat er slechts éen ding aan telt. Winnen. De tegenstander verslaan; met alle oorlogsmetaforen die daar dan bij horen. En dus dat dit winnen zo vreselijk belangrijk is. Of wordt gemaakt.

Terwijl toch weinig zo’n luttele betekenis heeft als het winnen van een sportwedstrijd, of een toernooi, die immers telkens weer opnieuw plaatsvinden — gebeurt het niet komend jaar, dan hoogstens vier jaar later. Toch zou volgens de legende zelfs de economie van een land sneller groeien als het nationale voetbalteam er internationaal kampioen is geworden. Zo’n prestatie zou de hele bevolking dan een stoot aan zelfvertrouwen geven.

Sinds het Nederlands mannenvoetbalelftal niets meer presteert is het hier ook diepe economische crisis.

Wie over sport nadenkt, kan volgens mij niet om het merkwaardige gegeven heen dat strijd zo’n enorme betekenis heeft in onze cultuur.

Natuurlijk, ooit moest de mens wel strijden, om te overleven. Duurde het vervolgens nog vele millennia voordat we ontdekten dat het aanzienlijk profijtelijker was om vreemde mensen niet direct als vijand te zien, en ze daarop dood te maken — al geloven talloos veel miljoenen nog altijd dat sommige mensen, van hun type toevallig, meer mens zijn dan al die anderen.

Nee zelfs de publieke belangstelling voor het beste dat de mensheid heeft voortgebracht — wetenschap en cultuur — moet nog gevoed worden door daar prijzen aan te koppelen. Geen boek kan ooit het beste boek zijn voor iedereen, toch doet menige jury net alsof. Sponsor dat gedoe met een smak geld, en de sponsor weet zeker daarmee het TV-journaal te halen.

En ook de Nobelprijzen hebben een dubieuze achtergrond; een dynamietfabrikant kocht zo zijn slechte nagedachtenis af.

Wil ik al evenmin negeren dat in dit neoliberale klimaat iemands armoede of welke maatschappelijke achterstand almaar vaker als iets gezien worden dat mensen volkomen aan zichzelf te wijten hebben; want die hebben dan niet hard genoeg gevochten. Of dat het volkomen normaal is om over ziekte en genezing te praten in termen van strijd en verlies. Wat daarmee de implicatie krijgt dat iemand die doodgaat aan kanker niet hard genoeg gestreden heeft; en dus een loser was.

En dan is vanzelfsprekend te billijken dat Bert Wagendorp zich enkel op de georganiseerde topsport richt, in zijn boek. De geringe omvang van deze uitgave dwingt als vanzelf tot beknoptheid. Alleen is het ook weer zo wat dat alomvattende verhaal over strijd te negeren. Zijn boek werd me er te voorspelbaar door. Hij inventariseert vooral, zonder verder heel ver door te hebben gedacht over het onderwerp.

Hoogstens raakt Wagendorp aan het grote verhaal als hij beschrijft welke invloed nationalisme kan hebben op de sportprestaties van een land. Voor Oost-Duitsland loonde het om sporters als kind al te scouten, zo goed mogelijk te prepareren daarop, inclusief doping daarbij, om zo internationaal successen te kunnen oogsten. Dat land leed eronder internationaal niet erkend te worden als land.

De uitsluiting van Putin’s Rusland bij de internationale kampioenschappen — behalve het WK voetbal dan dit jaar — laat zien dat inmenging van de staat in het prepareren van sporters niet meer geduld wordt; maar dat is waarschijnlijk alleen omdat de Russen de dopingstalen van hun sporters vervalsten zodat geen hunner sporters ooit betrapt zou worden.

Wagendorp reageert met zijn boek op een passage uit Homo ludens, het boek over de spelende mens van de historicus Johan Huizinga; de tekst waar we het woord ludiek aan hebben te danken. En speels is topsport allang niet meer.

Al stelt Wagendorp terecht dat er ook een tijd was dat sport een bezigheid was van gentlemen, voor wie het geen pas gaf om daarvoor te trainen.

Opvattingen van wat kan en niet kan verschuiven. Voor de legende Anquetil was wielrennen een sport van professionals, die zich zo goed mogelijk verzorgden als kon; en vanouds hoorden daar middelen bij die ineens illegaal waren verklaard. Dus weigerde hij op commando te plassen na een uurrecord te hebben gereden.

Daarop verdween doping niet uit het wielrennen. De strafmaat werd enkel absurd veel strenger voor wie betrapt werd. De renners van wie in de jaren zeventig en tachtig dopinggebruik bewezen werd, kregen nog net een boete en tien minuten tijdstraf in het algemeen klassement, als hun bedrog nog tijdens een grote ronde werd aangetoond. Tegenwoordig worden resultaten geschrapt, en kan er een levenslange verbanning uit de sport worden opgelegd.

Al zijn er ook internationale sportbonden die zich niet zo veel aantrekken van dopingbestrijding. Tennissers worden vrijwel nooit getest, vergeleken met atleten of wielrenners. En voetbal is evenmin een schone sport — er nog van afgezien dat voetbal tot nader order een jurysport is omdat het onevenredig loont om de scheidsrechter te bedriegen.[1] Om nog van het totaal geaccepteerde bedrog op grote schaal door voetbalbond Fifa te zwijgen.

Wagendorp verklaart ook niet echt waarom doping ineens als zo’n groot probleem wordt gezien. Het grote publiek kan het immers zelden wat schelen of sporters gebruiken of niet. De schrijver herhaalt enkel de staande mythe dat de Amerikaanse netwerken, die miljarden investeerden in de TV-rechten van de Olympische Spelen, onder invloed van hun adverteerders ‘fair play’ gingen eisen. En die verklaring is me te simpel.

De vraag wat geoorloofd is in sport, en wat niet, is nu eenmaal onderdeel van dat grotere aspect: waarom strijd zo gewaardeerd wordt — terwijl de mensheid zo veel meer te danken heeft aan samenwerking, en delen.

Bert Wagendorp, Vals spel
Nieuw licht op sport, macht en geld

103 pagina’s
Ambo | Anthos, 2018
  1. Hopelijk maakt de video-scheidsrechter daar een einde aan []