Racing Through the Dark ~ David Millar

Op de laatste honderd pagina’s na is dit een zeer indrukwekkend boek. Tijdens het lezen. Racing Through the Dark is de openhartige autobiografie over alle fouten van een sporter. En dat waren er vele. Maar de Schotse wielrenner David Millar is nog actief in de sport. Hij had eigenlijk met racen moeten stoppen om een goed einde te krijgen aan zijn boek.

Nu ontbreekt die afstand nog. In het laatste deel verandert de meeslepende biografie in matig doelproza voor de afzetmarkt. Dan schrijft Millar bijvoorbeeld te veel over zijn verhouding tot die andere momenteel goed presterende Britse profs, zoals Wiggins en Cavendish.

Mijn ideeën over deze biografie veranderden overigens nog weer verder, een dag na lezing. Dit komt door iets buiten het boek; om hoe traditioneel op de aangesneden problematiek gereageerd wordt.

David Millar [1977] werd in 2004 voor twee jaar geschorst om zijn dopinggebruik. Hij verloor daardoor onder meer de wereldtitel tijdrijden die hij net behaald had. In Racing Through the Dark legt hij uit hoe er toe kwam om verboden middelen te gebruiken. Daarbij wordt duidelijk dat dit redelijk normaal was in het profwielrennen van dat moment.

Maar, dit boek is allereerst een catharsis. Millar werd spijtoptant. Hij kwam na zijn schorsing in het profpeloton terug, en weert zich sindsdien als ambassadeur van een ‘schone sport’. Want het is wel degelijk mogelijk om wedstrijden te winnen zonder doping, vindt hij. En dat idee wordt ook uitgedragen door het team SlipStream waarvoor Millar nu al jaren rijdt. [1]

En iets aan de catharsis klopt niet helemaal. Naar mijn gevoel.

De ideeën over dopinggebruik door sporters zijn namelijk veranderd in de loop der tijd. Tot midden jaren zestig werd er bijvoorbeeld openlijk over het gebruik gepraat in het wielermilieu. Toen pas ook kwamen er controles.

In de jaren zeventig hoefde een op doping betrapte renner slechts een boete te betalen. En in een meerdaagse wedstrijd kwam daar nog een tijdstraf bij, van tien minuten. Men mocht vrolijk verder fietsen.

Maar met de komst van de Amerikanen in het wielrennen veranderde alles. De Amerikaanse media brachten een Angelsaksisch besef mee over ‘fair play’; en daarmee het zo zwart-witte idee dat dopinggebruik altijd oneerlijk is. [2] Onzinnig daaraan lijkt me alleen al dat in wedstrijdsport en alles daaromheen altijd principiële oneerlijkheden bestaan.

Terwijl doping steeds effectiever werd, nam ook de hekel aan stimulerende middelen immer opvallender proporties aan. Mede daarom is er nog altijd niet fatsoenlijk over dit onderwerp te praten, met de meeste mensen dan.

Aan David Millar is te prijzen dat hij in zijn biografie laat zien dat zwart-wit ideeën over dopinggebruik onzinnig zijn. Iemand die beroepshalve een sport beoefent, staat nu eenmaal voor de plicht zich zo goed mogelijk te verzorgen, en goed te trainen. Bij een gebrek aan prestaties dreigt heel simpel ontslag. Dat een sporter bij al dit hulp zoekt, ligt voor de hand.

En op het wielrennen valt dan bijvoorbeeld aan te merken dat de sport zo aartsconservatief is dat de begeleiding te lang heeft bestaan uit Voodoo, bijgeloof, en een bovenmatig vertrouwen in spuiten en slikken. Zo wordt er pas nu enigszins gericht getraind wordt door een enkeling. De meeste profs kennen namelijk maar twee soorten oefening. Traditioneel is training éen het dommig uren maken op de fiets. En het enige alternatief bestaat uit het geruime tijd op extra hoge snelheid fietsen, om zo de zuigende werking van het peloton te imiteren. Hiertoe rijdt men dan einden achter een kennis op een brommer aan.

Racing Through the Dark illustreert onder meer nogal pijnlijk hoe primitief een profploeg georganiseerd kan zijn. Millar is vooral bekend als tijdrijder. Maar toen hij voor Cofidis reed vertikte die ploeg het om hem een goede tijdritfiets te geven; of goede aerodynamische kleding.

De eerste trainers met enige wetenschappelijke achtergrond die Millar leerde kennen, waren misschien niet toevallig ook doping-doktoren. De verkoop van verboden stimulantia verdient nu eenmaal aardig beter dan het bedenken van trainingschema’s. Door doping te dealen maakten deze doktoren hun klanten nog afhankelijker van hen bovendien.

En voor mij is dit het belangrijkste aspect van die hele dopingproblematiek. Aan sporters wordt heel zware eisen gesteld, doordat ze op jaarcontracten werken, en omdat wielrennen een idioot zware stiel is — bovendien kan een valpartijtje een jaar aan voorbereiding met éen klap tenietdoen. Als het hierbij dan aan adequate begeleiding ontbreekt, is zo’n sporter niet te verwijten dat deze zijn heil zoekt bij iedereen die maar heil belooft.

Toch werden tot voor kort altijd alleen de sporters gestraft die op dopinggebruik worden betrapt.

Millar stipt overigens al dit aan in Racing Through the Dark. Maar daarbij laat hij de feiten niet voor zichzelf spreken. Hij meent zich ook te moeten verontschuldigen voor zijn dopinggebruik. Hij vertelt iets te vaak hoe lang hij weigerde om ook maar iets te gebruiken na de wedstrijd; zelfs de standaardinjecties met extra vitamines gruwden hem aan. [3]

En het excuus achteraf van de zondaar geeft dit boek helaas iets larmoyants. Zo vind ik. Achteraf.

Tegelijk kon Millar waarschijnlijk nog niet anders. De cultuur is nu eenmaal zo dat zwart-wit ideeën over doping overheersen. Vandaar dat de meeste sporters die betrapt zijn of beschuldigd worden nog altijd glashard ontkennen.

David Millar, Racing Through the Dark
The Fall and Rise of David Millar
In collaboration with Jeremy Whittle

354 pagina’s
Orion Paperback 2012, oorspronkelijk 2011
  1. Ook Thomas Dekker, een andere ex-gebruiker, aan wie ik elders een dossiertje heb gewijd, fietst tegenwoordig voor Garmin/SlipStream. []
  2. Misschien komt dat doordat deze media zo afhankelijk zijn van sponsors en adverteerders dat ze geen enkel ongenoegen willen wekken bij hun inkomstenbronnen. Dat bedrijven zich liever niet publiek associëren met ‘bedriegers’ en een sport vol ‘bedriegers’ weegt dus ineens mee. []
  3. Overigens schijnen deze injecties niet te werken. []