Hier is Prins Zonneschijn ~ Willem Wilmink

Opvallende constatering: in deze korte autobiografie van een dichter en verhalenschrijver gaat het bijna nooit inhoudelijk over wat hij tijdens zijn leven schreef. Zelfs al heet een hoofdstuk ‘Broodschrijver’. Wilmink relativeert nog net het wetenschappelijke gehalte van zijn proefschrift, dat ging over Hendrik de Vries.

Hier is Prins Zonneschijn is een zelfportret van Willem Wilmink [1936 – 2003], en een portrettengalerijtje van de mensen in zijn leven. Redelijk haastig opgeschreven, omdat Wilmink midden jaren negentig vermoedde dat hij niet oud zou worden, en er dus nog veel werk te doen was. Daardoor is dit een boek in eerste versie.

Tegelijk heeft het verhalende werk van Willem Wilmink altijd iets opvallend puurs, en kent het steeds weer onverwachte momenten. Vaak is hij een soort oer-schrijver, die moeiteloos kunst maakt van iets uit zijn leven, waar andere auteurs al gauw trucs voor nodig hebben, of gewichtdoenerij.

Zo ook in dit verhaal.

De autobiografie is doorgaans een nogal mannelijk genre boeken. In veel van zulke zelfportretten gaat er dan nauwelijks aandacht uit naar met wie zo iemand was. Vaak ook worden de namen van de kinderen niet eens genoemd. Terwijl elke ontmoeting met een andere bekendeling wel gememoreerd wordt. En het eigen werk en de bekroningen voor dat werk natuurlijk ook, niet te vergeten.

Alleen al dat Wilmink zo opvallend afwijkt van deze standaard maakt hem sympathiek. Zelfs al schuwde hij het bijvoorbeeld niet om de vrijers van zijn dochters in éen zin te typeren. Dus kan ik me voorstellen dat het van hen allemaal net wat afstandelijker had gemogen.

Moest ik deze autobiografie in een zin typeren, dan lijkt dit boek me eerder een soort brief over zijn leven dan iets anders. Wat de lezer dan tot iemand maakt die plots iets moois en persoonlijks mocht ontvangen.

Dat is uitzonderlijk.

Willem Wilmink, Hier is Prins Zonneschijn
Autobiografie

134 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2008

Kind is Vader van de Man ~ Willem Wilmink

Ooit zag ik een diep ontroerde Joost Prinsen het lied ‘Ben Ali Libi’ voordragen op televisie. Dat was indrukwekkend. Maar kwam dat dan door de tekst, of is het door de emotie in de voordracht over het lot van die arme Joodse variéte-artiest?

Vragen zijn bij meer liedjes te stellen die in deze bloemlezing zijn opgenomen. Is ‘De oude school’ indrukwekkend doordat ik de tekst zo vaak gehoord heb in de uitvoering van Don Quishocking, of is het lied zo goed omdat het dat cabarettoontje heeft overleefd?

In dit multimediale tijdperk zou een bloemlezing van Willem Wilmink’s beste liedjes misschien vergezeld moeten gaan van video’s of in elk geval geluidsopnamen mee moeten geven. Maar zo denken uitgevers nog niet, helaas.

Enfin, in deze bloemlezing staan vooral gedichten en vertalingen van poëzie. En ik nam het boek door op zoek naar het ene gedicht dat me altijd ontgaan was, en nu ineens een onuitwisbare indruk zou maken.

Dat stond er helaas niet in. Maar het was geen straf dit boek te lezen.

Willem Wilmink, Het kind is vader van de man
Een bloemlezing uit eigen werk

196 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1989


Koen, maak je mijn schoen? ~ Willem Wilmink

‘Koen, maak je mijn schoen?’
‘Ja juffrouw, ‘k zal het dadelijk doen.’

In 1983 kon de uitgever nog vrolijk in de blurb van dit boek zetten dat er wel bijna niemand zou zijn die niet wist hoe dit gedicht verder gaat. In 2009 is dat toch anders, bij deze lezer althans. Ik had er al moeite mee om me spontaan de tweede regel te herinneren. Laat staan dat het ietwat moralistische vervolg me te binnen schoot.

Volgens mij vond ik als klein kind de slotregel ook een onbenullige anticlimax, in plaats die als de vrolijke wraak op te vatten van een middenstander die nogal gekleineerd is door een overkritische klant:
‘Dag juffrouw zonder schoen’.

Maar, dit boek gaat niet over herinneren. Al behandelt Wilmink wel op verschillende manieren de kwestie wat toch maakt dat sommige regels zo goed onthouden worden.

Herhaling is zo’n trucje. Of rijm, wat ook weer een vorm van herhaling is. En ritme niet te vergeten.

Koen, maak je mijn schoen? is zoals het omslag meldt een schriftelijke cursus dichten. Door Willem Wilmink begin jaren tachtig geschreven voor de jeugdrubriek van het weekblad Vrij Nederland. Maar omdat Wilmink nooit zo van de leeftijdsindelingen was, is dit geen kinderachtig boek, en absoluut voor iedereen te genieten.

Wel gaat hij vanzelfsprekend na wat er tot de poëtische gereedschapskist behoort. Daarbij terloops gedichten presenterend uit alle perioden van her Nederlands. En het is me vooral om die doorgaans zo verrassende poëziekeuze dat ik een boek als dit lees. Zelfs al is me aardig bekend waar Wilmink’s voorkeur naar uit gaat.

En het blijft natuurlijk jammer dat er geen waterpas in de poëtische gereedschapskist zit, om te bepalen wat een goed gedicht is en wat niet, zoals Wilmink terecht besluit.

Koen, maak je mijn schoen?
Willem Wilmink’s schriftelijke cursus dichten

111 pagina’s
Van Holkema & Warendorf, 1983

Verzamelde verhalen ~ Willem Wilmink

Onnozele vragen levert dit boeklog soms op. Want, wijd ik nu éen boeklogje aan een verzameld werk van Willem Wilmink. Of worden dat er meer? Tien desnoods, als de onderverdeling in deze bundel wordt nagevolgd, plus nog éen om het overzicht te geven?

Eén boeklogje schrijven, voelt aan als te weinig. Ook al tellen de Verzamelde verhalen dan niet meer pagina’s dan een hedendaagse Nederlandse roman. Met éen logje ben ik er waarschijnlijk niet.

Maar meerdere besprekinkjes schrijven, dwingt tot een selectie. Tien boeklogjes is te veel. Terwijl ik die selectie eigenlijk niet maken kan. Alles in dit boek is de moeite waard. Zelfs de gedeelten die me anders nooit geïnteresseerd hadden.

Zo zijn er twee verhalenbundels in deze verzameling opgenomen die uitgegeven werden voor mensen met leesmoeilijkheden. Dus zijn de teksten daarin versimpeld. Alleen valt dat niet nauwelijks op; alleen al omdat ik ze met plezier doornam; en omdat Wilmink inhoudelijk absoluut niet op zijn hurken ging zitten voor zijn lezers.

In de Verzamelde verhalen zijn ook twee jeugdboeken opgenomen. Ver van de stad en Het verkeerde pannetje. Alleen lazen volwassenen deze boeken altijd ook al.

En dat is zo prachtig aan veel van Wilmink’s werk. Iedereen kan dat met plezier lezen; ongeacht of hij of zij nu tot het oorspronkelijke doelpubliek behoorde of niet. Ik ken vrijwel geen schrijver voor wie dit ook geldt; behalve dan een andere hele grote, zoals E.B. White.

Daarom voelt het aan of éen boeklogje te weinig is, om Wilmink te eren. Terwijl ik nu ook zie dat als ik meerdere beschouwinkjes over deze bundel zou schrijven, die toch ook allemaal telkens bij dat ene raadsel zouden uitkomen.

Wat is het in het werk van deze Twent dat zijn verhalen zo universeel maakt? Behalve dan dat hij in deze bundel vaak over zichzelf schrijft, en dat zijn onhandigheden en schaamten voor iedereen herkenbaar zullen zijn?

Nu goed, er is ook nog een jaar aan cursiefjes opgenomen in dit boek; columns die Wilmink in 1991 en 1992 elke maandag schreef voor het Dagblad Tubantia. Die interesseerden me het meest als hij toch weer over zichzelf schreef. Zo’n boek is dit.

Willem Wilmink, Verzamelde verhalen
416 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2009

Wat ik heb gevonden, je raadt het nooit ~ Willem Wilmink

Net als ik weer eens het gevoel heb dat poëzie wel altijd onbegrijpelijk zal blijven voor mij, lees ik Willem Wilmink, die me dan weer wat twijfels wegneemt.

Nu is een groot deel van de vijftien opstellen in deze bundel eerder gepubliceerd in ‘De blauw geruite kiel’, wat indertijd de kinderrubriek was van het tijdschrift Vrij Nederland. Daaruit moet ik dus afleiden nog altijd op kinderlijk niveau naar dichtwerk te kijken. Dat heeft misschien wel als voordeel dat ik redelijk onbevangen ben, maar die positie kent als nadeel dat ik nog altijd niet hardop durf uit te spreken dat er wel enorm veel matige poëzie wordt gepubliceerd. Geen genre bestaat er dat meer wordt overschat.

Wilmink legt herhaaldelijk met een paar handige vuistregels uit waarin de poëzie zit in een gedicht. Dat kan in klankherhaling zijn, in ritme, en in melodie. Maar vergeet natuurlijk ook de inhoud niet.

Wel zijn het allemaal begrijpelijke dichters die hij bespreekt. Eindigend met Jean Pierre Rawie, Ischa Meijer, en Annie M.G. Schmidt komen er zo al drie dichters aan bod, die ik volgens de goegemeente niet eens goed zou mogen vinden.

Bij oudere dichters als Leopold, Gorter, of Dèr Mouw ligt dat wat makkelijker. Die horen inmiddels allemaal tot de canon.

Waarop ik toch ook moet constateren, gedichten zeggen me het meest, als ik er vrijwel meteen zinnen of hele strofen uit onthoud. Meestal betekent dit dat zo’n vers in vorm dicht bij het lied komt. Aanzienlijk minder vaak maakt een gedicht op inhoud alleen al meteen een onvergetelijke indruk.

Willem Wilmink, Wat ik heb gevonden, je raadt het nooit
Vijftien opstellen over schrijvers in onze taal

128 pagina’s
Bert Bakker, 1990

Willem Wilmink ~ Harry Bekkering e.a. red.

Het Letterkundig Museum wijde in 2004 en 2005 een tentoonstelling aan de toen pas overleden dichter Willem Wilmink. Ter gelegenheid daarvan verscheen dit Schrijversprentenboek. Dat niet zo zeer uitpakt als een boek met plaatjes, maar meer een album is geworden waarin de mensen die met Wilmink te maken hadden gehad op hem terugkeken.

Door deze opzet komen heel slim vrijwel alle aspecten uit Wilmink’s werk langs. Van het prille begin in het studentencabaret, tot het werk voor de televisie, de liedteksten voor mensen als Herman van Veen, en zijn vertalingen van Middeleeuwse gedichten. Plus zo nog wel meer.

Mij maakte de geschiedenis van het werk vooral nieuwsgierig naar een paar boeken, waarvan ik de inhoud wel kan kennen, maar de uitgave me ontgaan is indertijd. Willem Wilmink schreef in de jaren tachtig een poëzierubriek voor de jeugdpagina’s van het tijdschrift Vrij Nederland. Die columns zijn gebundeld in Koen, maak je mijn schoen, Waar het hart vol van is, en Goedenavond speelman; boeken die de ondertitel ‘Schriftelijk cursus dichten’ dragen.

Nu ja, ik moet ook nog altijd moeite doen om een beter exemplaar van Wilminks keus deel II in bezit te krijgen.

Willem Wilmink
Ik droomde dat ik wakker was
Schrijversprentenboek 52

redactie Harry Bekkering, Daan Cartens, en Muriël Steegstra
159 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker,
Letterkundig Museum, 2004

Wilminks keus i ~ Willem Wilmink

Het tweede deel van deze bloemlezing was een prettige verrassing voor mij. En van de weeromstuit misschien viel dit eerste deel, dat ik daarna las, me wat tegen. Waarschijnlijk omdat de thematische ordening me beter beviel dan de zo traditionele chronologische presentatie in dit boek, of de hoofdstukken waarin maar éen dichter behandeld wordt.

Toch weet Wilmink wel weer verrassende poëzie op te diepen. Of het nu om een Antwerps hoerenliedje gaat of om een herwaardering van Hiëronymus van Alphen.

Van de afzonderlijk behandelde dichters leverde alleen het hoofdstuk over Pom Nijhoff me iets nieuws op. Die heeft in 1936 acht sonnetten geschreven, opgedragen aan de historicus Huizinga, met de titel ‘Voor dag en dauw’. Daarin wordt onder meer naar het bijbelboek Jesaja verwezen, maar volgens Wilmink klinkt ook de dreigende wereldoorlog al door.

Verwachtingen en haren eenmaal grijs
zijn niet als nevelen van ’t hoofd te vage,
mijmert de trambestuurder, bij de slagen
der ruitenwissers, mogelijkerwijs.

De eerste rit is altijd weer een reis.
Full speed. Hij ziet bij ’t zingen van de wagen
oude, onvergetelijke winterdagen
als niemand voor hem uit was op het ijs.

De stad slaapt nog. Zo ver men zien kan zijn
rolluiken voor de winkels neergelaten.
De draad hangt drup’lend door de lege straat.

Verstoot de woonsteden, o God, en laat
de kalveren weer weiden in woestijn.
Twist met ons, twist met ons, twist niet met mate.

Willem Wilmink, Wilminks keus i
Nederlandse poëzie van de
Middeleeuwen tot 1945

114 pagina’s
Walvaboek, 1992

Wilminks keus ii ~ Willem Wilmink

Wat is dit een verschrikkelijk leuk boek over poëzie.

Tuurlijk, deze bloemlezing is waarschijnlijk voor een jong publiek bedoeld, dat niet eerder uit zichzelf gedichten las. Maar Willem Wilmink leidt elk van zijn keuze zo enthousiast en goed in, en weeft zo’n vanzelfsprekend verhaal rond zijn selecties.

Ineens las ik zonder problemen over de christelijke motieven in de poëzie van Achterberg; iets dat me voorheen geen moment geïnteresseerd had.

Het boek begint al prachtig door eerst even, heel summier, uit te liggen wat poëzie is. Dichten is een spel van klankherhalingen, volgens Wilmink. Net als muziek. En het rijm is maar éen manier van klankherhaling.

Naast poëzie staan er daarom ook wat liedjes in dit boek. Vanzelfsprekend.
 

Willem Wilmink, Wilminks Keus ii
Nederlandse poëzie van 1945 tot heden

149 pagina’s
Walvaboek, 1993