dit is het dossier:

W.B. Yeats

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

By Heart ~ Ted Hughes (ed.)

Waarom zou iemand gedichten uit zijn hoofd leren, eenmaal van school af?

Dat antwoord is voor mij in eerste instantie: om mezelf altijd tot gezelschap te kunnen zijn. Op mijn eerste fietsreizen vooral merkte ik onderweg een groot verlangen naar talige prikkels. Maar het enige dat mijn geheugen aanleverde waren de teksten van flauwe reclamespots, en vele liedjes die ik liever niet had gekend. Dus ging er sindsdien altijd een poëziebundel mee.

Vanaf dat moment levert die kennis van gedichten zelfs nog weleens een toepasselijke regel op, in de dagelijkse communicatie.

Ted Hughes geeft in de inleiding van dit boek — die identiek is aan zijn toelichtende essay voor de bloemlezing The School Bag — evenwel geen echte reden waarom het nuttig zou zijn poëzie uit het hoofd te leren. Er zijn verschillenden redenen, meldt hij slechts. Belangrijker voor hem is dat het gedichten leren een plezier moet zijn. Dus stelt hij verschillende methoden voor om het onthouden te helpen.

Stiekem denk ik daarbij wel: dat Hughes technieken aanreikt, komt ook omdat veel van de uitverkoren poëzie in dit boek niet vreselijk simpel is. De gedichten horen tot zijn favorieten, en hebben hem gevormd — net als vele andere Britten, er staan toch wel wat standaardstukken in — maar voor mij is het nut wat beperkt om niet eens éen, maar liefst dertien stukken van Shakespeare uit mijn hoofd te gaan leren. Daar wordt mijn Engels niet beter van, bijvoorbeeld.

Dus zijn mijn conclusies over deze bloemlezing wat gemengd. Enerzijds biedt het een fraai en persoonlijk getint overzicht uit de rijke Engelse poëzietraditie, met gedichten of rijmende toneelfragmenten die niet meteen voor de hand liggen. Daarmee op een prettige manier tonend dat zoiets kan; dat een dichter niet per se door zijn knieën hoeft om de poëzie wat te populariseren. Tegelijk maakt het boek ook een wat willekeurige indruk, door het hergebruikte essay van Hughes, en omdat ik prettiger had gevonden als hij bij elk gedicht éen of twee woorden had gewijd aan het waarom van zijn keuze.

V.

Come let us mock at the great
That had such burdens on the mind
And toiled so hard and late
To leave some monument behind,
Nor thought of the levelling wind.

Come let us mock at the wise;
With all those calendars whereon
They fixed old aching eyes,
They never saw how seasons run,
And now but gape at the sun.

Come let us mock at the good
That fancied goodness might be gay,
And sick of solitude
Might proclaim a holiday:
Wind shrieked — and where are they?

Mock mockers after that
That would not lift a hand maybe
To help good, wise or great
To bar that foul storm out, for we
Traffic in mockery.

W.B. Yeats, ‘Nineteen Hundred and Nineteen’

Ted Hughes ed., By Heart
101 Poems to Remember

143 pagina’s
Faber and faber, 1997

Wat blijft komt nooit terug ~ J. Eijkelboom

Jan Eijkelboom debuteerde pas op zijn vijftigste als dichter, met de bundel Wat blijft komt nooit terug. Een boek dat het tot liefst zes drukken bracht, waarmee het een voor poëzie uitzonderlijk succesvolle uitgave was.

Toen Eijkelboom overleed vorig jaar kwam in de in memoriams nogal eens de opmerking terug dat zijn gedichten zo begrijpelijk waren. Er stond wat er stond, en de dichter had nogal vrij over kwalijke eigenschappen geschreven als zijn zucht naar de drank. Maar beide elementen waren voor sommigen een nogal negatieve kwaliteit.

Ik kende van het werk van Jan Eijkelboom alleen wat vertalingen. Deze zomer zette een podcast van een Marathoninterview uit 1996 me aan om toch eens beter naar zijn oeuvre te kijken.

En dit zadelt me nu met de verplichting op een opinie te formuleren van iets waar ik eigenlijk nauwelijks een gegronde mening over klaar heb.

Er staan achterin zes vertaalde gedichten van Emily Dickinson in deze bundel, waarvan ik twee in het Engels uit het hoofd ken. Daardoor zie ik hoe soepel Eijkelboom’s die regels in het Nederlands heeft omgezet.

Aan zijn eigen werk valt me eigenlijk niets in het bijzonder op. Er blijven me geen beelden bij die hij verzon, er waren geen regels die iets lieten resoneren. De herkenbaarheid van de poëzie was daarbij het bezwaar niet; of het zou moeten zijn dat de opgeroepen emoties de mijne niet raken.

De gedichten leken beter als hij ze voorlas, zo veel heb ik dan wel aan die radio-uitzending over gehouden. Dat is alleen nauwelijks een aanbeveling om een boek te gaan lezen.

undefined

Het wiel

’s Winters willen wij de lente
en in de lente liefst de zomer,
en als het wemelt in de heggen
zeggen we: laat de winter komen.
En daarna is niets meer goed:
het voorjaar komt er niet meer aan.
Wij weten niet dat in ons woedt
verlangen om maar dood te gaan.

(Naar W.B. Yeats).

undefined

The Wheel

THROUGH winter-time we call on spring,
And through the spring on summer call,
And when abounding hedges ring
Declare that winter’s best of all;
And after that there s nothing good
Because the spring-time has not come –
Nor know that what disturbs our blood
Is but its longing for the tomb.

J. Eijkelboom, Wat blijft komt nooit terug
Eigen en andermans gedichten

61 pagina’s
De Arbeiderspers, 1979

Works of ~ W.B. Yeats

Twee delen telt de autobiografie van William Butler Yeats [1865 — 1939]. Nooit is het me gelukt er zelfs maar éen van uit te lezen. In het Nederlands noch het Engels.

Het enige hoofdstuk dat ik ooit zonder moeite heb kunnen lezen, was zijn verslag over de reis naar Zweden, om er de Nobelprijs voor literatuur op te halen. Daar zat tenminste lijn in.

Bleef alleen irritant dat Yeats die bekroning ook als zo’n duidelijke erkenning zag voor het pas onafhankelijk geworden Ierland — hoe begrijpelijk dat idee ook is.

Misschien zou het interessant zijn om uit te zoeken waarom Yeats’ proza voor mij dan zo slecht te lezen is. Behalve dan dat ik hem daar weer voor zou moeten lezen, en dat nu net zo slecht lukte.

Bovendien stond zijn poëzie op vrijwel eenzelfde onoverbrugbare afstand als dat autobiografische proza.

Yeats heeft prachtige regels geschreven. Alleen vielen mij die uit mijzelf nooit op. Er was altijd een ander nodig, die dan een vertaling maakte, of een zin uit een gedicht van hem gebruikte als boektitel. Parafraseerde in een lied desnoods[1]. Dan pas voelde ook ik de kracht.

Gelukkig dus maar dat er nog altijd zulke verwijzingen naar Yeats opduiken in de Engelstalige cultuur.

Deze goedkope druk van The Works of W.B. Yeats werd ooit aangeschaft in de hoop om een degelijke poëziebibliotheek op te bouwen. Inmiddels verkleuren de bladzijden van het papier al, en riekt het boek naar verval. Het heugt me niet deze uitgave eerder ooit van kaft tot kaft te hebben doorgenomen. Tot nu toe was het hoogstens een naslagwerkje — en daarmee nutteloos bezit, nu het online zo veel makkelijker is om op dichtregel te zoeken.

Maar bij het lezen lukte het me nu voor het eerst uit mijzelf gedichten te ontdekken die iets zeiden.

The Choice

The intellect of man is forced to choose
perfection of the life, or of the work,
And if it takes the second must refuse
A heavenly mansion, raging in the dark.
When all that story’s finished, what’s the news?
In luck or out the toil has left its mark:
That old perplexity an empty purse,
Or the day’s vanity, the night’s remorse.

[1928]

In Yeats’ dichterschap zijn verschillende perioden te onderscheiden — voor wie daar lust toe voelt. Hij begon zweverig, en ook Iers nationalistisch. Weliswaar is zijn poëzie dan altijd vormvast, maar vele regels worden ook geteisterd door symboliek.

Alleen deed hij vervolgens wat vrijwel geen andere dichter ooit lukte. Hij vernieuwde zich, en werd op middelbare leeftijd beter dan daarvoor. Na zijn late huwelijk met een veel jongere vrouw.

En tot dat late werk behoren gedichten die ik nog onverwacht hoog wist te waarderen.

The Works of W.B. Yeats
with an introduction and Bibliography
325 pagina’s
The Wordsworth Poetry Library, 1994
  1. ‘No Second Troy’ van Yeats eindigt met: Was there another Troy for her to burn? Sinéad O’Connor heeft het over ‘No other Troy’. Soit. []