dit is het dossier:

Thijs Zonneveld

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Ereronde van de eland ~ Thijs Zonneveld

Is er geloofwaardig te schrijven over wat iemand doormaakt die aan een sportwedstrijd deelneemt? Om bijvoorbeeld een sage te maken van alles wat zo’n sportman of sportvrouw beleeft?

Ik geloof daar niets van. Toch valt op dat auteurs gauw eens dat gezichtspunt uitkiezen voor hun boek.

Misschien komt mijn twijfel omdat ik op enig niveau gesport heb. Ook heb ik duurprestaties verricht zonder enige wedstrijddwang. Mijn voornaamste herinnering daaraan is dat mijn gedachteleven tijdens de inspanning implodeerde tot bijna niets. Dat automatismen het overnamen, en mijn benul eerder de passagier van mijn lichaam was dan de bestuurder.

Desalniettemin zijn er voorbeelden te over in de kunsten waarin de maker zijn of haar personages onmogelijke toeren laat verrichten, zonder dat dit wezenlijk stoort. Geen opera of er komt wel iemand in voor die na dodelijk gekwetst te zijn nog een aria zingt voor de laatste ademreutel.

En mits dat allemaal maar met vaart gebracht wordt, en brille, hoeft zo’n onmogelijkheid nog niets eens te storen. Zolang het publiek er maar niet over gaat nadenken.

Thijs Zonneveld is enige jaren beroepswielrenner geweest. Verder dan marginale ploegjes bracht hij het daarbij niet. Wat betekent dat hij ook de echt grote koersen niet gereden zal hebben.

Overigens is dit geen veroordeling. Wielrennen is een ongenadig harde stiel. Meer nog dan in andere bezigheden zal voor wielrennen gelden dat het bezit van talent alleen niet volstaat.

Door deze constatering, en door wat Zonneveld later is gaan doen, weet ik alleen meer over hem dan over de gemiddelde schrijver. Thijs Zonneveld is tegenwoordig journalist voor onder meer Dagblad De Pers. En hij schijft in die positie minireportages over sport.

Daarnaast is hij dus zijn leven lang een ex-renner, en zullen er dromen zijn geweest over dat métier die nooit verwezenlijkt werden.

Dus vind ik het niet heel vreemd dat De ereronde van de eland over een wielrenner gaat die nooit de top zal halen. Het peloton laat hem ontsnappen tijdens een warme Tour-etappe, omdat er van hem toch geen gevaar te duchten is.

De hele roman beschrijft hoe deze vluchtpoging verloopt, waarbij het lijkt alsof de hoofdpersoon alles op dat eigenste moment meemaakt. Al zijn er ook flashbacks, om de wielersport uit te leggen aan de onwetende lezer, en om de hoofdpersoon verder wat reliëf te geven.

Heeft Zonneveld toch nog eens een Tour-etappe beleefd.

De roman telt aanzienlijk minder bladzijden dan de opgegeven 159, omdat er wel heel vaak een witte pagina wordt ingezet, om aan de lengte toe te voegen. Dus alleen daarom al las het boek erg vlot — aanzienlijk sneller dan de gemiddelde uitzending van een wielerwedstrijd op televisie duurt.

En hij slaagde er toch ook de illusie te bereiken dat de lezer meeleeft met wat de hoofdpersoon in real time doormaakt op zijn fiets.

Toch lukt het me nauwelijks om inhoudelijk te reageren op het boek.

Zonneveld stond voor een vrijwel onmogelijk opgave, om enerzijds boeiend te schrijven voor wielervolgers die alles weten over de koers, waartoe ik me voor het gemak maar even reken, en anderzijds mee te nemen dat toch ook vrijwel ieder detail moet worden toegelicht voor de onwetende lezer. En dit lukt hem op zich nog wel aardig. Maar die ambivalentie kleurde het boek voor mij zo dat ik er niet veel aan beleefde.

Dus keek ik wat de schrijver deed. Dus ging ik nadenken of de constructie wel klopte.

Thijs Zonneveld, De ereronde van de eland
159 pagina’s
LJ Veen, 2009

Mijn rondje ~ Pieter Cramer & Lean Hodselmans

Ooit werd ik vlak voor een lokale fietsbrug ingehaald door de wielerprof Pieter Weening. Hij reed niet veel harder dan ik. En al evenmin klom hij sneller. Daardoor kreeg ik even de tijd om naar de magerte te kijken van de benen en de kont van een beroepswielrenner. En daar toen eigenlijk wel wat van te schrikken.

Eén dijbeen van mij was zo al dikker dan twee van de zijne.

Weening’s aanwezigheid daar, waar ik die nu net niet verwacht had, liet alleen wel de vraag rijpen wat zoal de lokale routes zouden zijn die de serieuze renners reden. En Bauke Mollema was de eerste die me daarop een soort van antwoord gaf — want de jaarlijks georganiseerde Mollematocht zou naar verluid over wegen voeren waar hij vaak heeft getraind; nee, zelfs zijn lievelingsroutes tonen. En tegenwoordig is er het sociale netwerk Strava. Dat legt automatisch een hittekaart aan van de wegen die elk jaar de meeste snelle fietsers trekken.

Speelt er vanzelfsprekend nog zo veel meer bij de keuze voor een trainingsroute.

Voor de interviewbundel Mijn rondje hebben Pieter Cramer en Lean Hodselmans met 32 fietsers gepraat over een route die zij vaak hebben gereden vanuit thuis. Daaronder zijn actieve wielerprofs, zoals Wout Poels, Steven Kruijswijk, en Laurens ten Dam. En Marianne Vos en Annemiek van Vleuten niet te vergeten.

Nog net wat interessanter waren evenwel de gesprekken met oud-wielrenners. Zoals Peter Winnen, Maarten Ducrot, Joop Zoetemelk, of Fedor den Hertog. Omdat in hun verhalen ook het verleden een dimensie is, waarin ze de dingen toch soms heel anders deden.

Zijn de rest van de interviews gevoerd met Nederlanders die bekend zijn geworden om iets heel anders, en die het fietsen enthousiast er bij doen.

Deze persoonlijke verhalen worden in de tekst afgewisseld met stukken van de routebeschrijving. Waarna zo’n hoofdstuk besluit met een simpel kaartje, en een verwijzing naar een website, die niet meer online lijkt te zijn.

Mijn rondje biedt kortom doelgroepproza van het soort waarvoor ik toevallig heel erg doelgroep was. Alleen vielen zelfs mij na een paar gesprekken al de constanten op. De interviewers wilden namelijk steevast precies dezelfde dingen weten:

Fiets je dat rondje het liefst alleen, of met anderen?
Rijd je altijd eerst tegen de wind in?
Ga je ook fietsen als het slecht weer is? Als het regent?
Wat neem je aan eten en drinken mee?
Stop je weleens onderweg, voor koffie?
Leg je de geleverde prestatie vast? En zo ja, met welke elektronische middelen?

En dat zijn allemaal volstrekt legitieme vragen — in interviews kan de vraag ook vaak niet simpel genoeg zijn om de gesprekspartner tot praten te verleiden. Alleen maakten de auteurs er ook een kwestie van of de fietsers wel een bel hebben. En of ze niet weleens de zonde begaan om met spatborden te rijden.

Toegegeven, de regels waaraan ‘echte fietsers’ zich hebben te houden gaan nog een paar stapjes verder. De interviewers hadden ook nog kunnen informeren of hun gesprekspartners altijd wel keurig witte sokjes aantrokken voor hun rit. Helaas vind ik veel van dat geneuzel al gauw interessantdoenerij. Maar op al mijn fietsen moet het dan ook mogelijk zijn om comfortabel de hele nacht door te rijden, met licht op, desnoods in hondenweer.

Voor mijn eigen rondjes had dit boek overigens amper waarde. De geïnterviewde fietsers wonen in heel andere delen van het land. Enkel Lieuwe Westra reed in Friesland rond. Alleen was diens vaste trainingsrondje er éen richting de kale leegte. Hij reed dan vanuit de Mûnein naar Harlingen, om vandaar over de Waddenzeedijk en Sint Anne terug te fietsen. En die hoek van de provincie is me doorgaans echt te onherbergzaam om me daar vaker dan éen, twee keer in het jaar te wagen. Bovendien hóef ik niet tegen de wind in te trainen om beter te worden, anders dan een prof.

Was het verder heel aardig om over de liefde van oud-schaatser Erben Wennemars te lezen voor de Lemelerberg — want in dat verhaal wist ik tenminste wat hij bedoelde met de lange kant, en de korte kant van die heuvel.

Voor de rest is er als fietser nog heel wat Nederland te ontdekken, voor mij. Enkel de omgeving van de Zevenheuvelenweg, bij Berg en Dal, uit het verhaal van Peter Winnen, kende ik ook. Alleen was dat door het hardlopen ooit. En daardoor nam ik later die route vaak aan het eind van de eerste dag van een fietsvakantie. Om alvast wat te wennen voor als het echt omhoog zou gaan, in de Ardennen.

Pieter Cramer & Lean Hodselmans, Mijn rondje
Trainingsroutes van profrenners en bekende wielerfanaten

280 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2013