100 beste gedichten van 2001 ~ Geert Buelens red.

Vreemd. Lees ik opeens een gedicht van Joost Zwagerman dat niet onaardig is. Zwagerman! Een schrijver die ik kan bewonderen om zijn ambachtelijke kwaliteiten, maar wie mij verder grotendeels onverschillig laat. Zwagerman is toch vooral zoiets als een kant-en-klare opwarmmaaltijd uit de supermarkt; het vult, er zitten geen nare klonten in, en het lijkt op het oog nog op het voorbeeld ook.

Enfin, is hiermee het nut van zo’n bloemlezing als deze maar weer eens aangetoond. Omdat ik niet automatisch naar de namen van de dichters kijk, maar onbevangen lees, worden sommige vooroordelen weggenomen.

Blijft staan dat ook nu weer onnoemelijk veel poëzie me totaal onverschillig laat. De kwestie is natuurlijk: ligt dat aan mij, of kan ik gewoon niet lezen?

Ik hel er steeds meer toe over gewoon mijn poëzie-opvatting toch maar tot de juiste te verklaren. Wie al tienduizenden gedichten heeft gelezen, is daardoor gevormd.

Anneke Brassinga is trouwens ook met een mooi gedicht vertegenwoordigd in deze bundel, net als Leonard Nolens.

Stoort het
als ik de radio iets harder van je leen
en wat eten en ik vroeger wegga?
Het geeft toch niet dat ik hier
iets neerzet om iets anders en
een tijdje wegblijf en een volgende keer
hetzelfde en iemand op te halen?
Is het lekker
als ik dit en zachtjes daar
of misschien wel niets te doen?
En vind je het wel goed
dat ik mij vermom als zuidenwind en
alle smalle schouders op het strand
aanraak?

Joost Zwagerman

Geert Buelens red, De 100 beste gedichten van 2001
156 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2002

21ste eeuw in 185 gedichten ~ Gerrit Komrij

Bloemlezingen uit het werk van éen auteur wil ik nog wel lezen. Maar met verzamelingen waarin iemand voor mij bepaald wat de beste essays, reportages, verhalen, of gedichten zijn in een taal, of uit een tijd, wordt het al moeilijk. Zulke boeken hebben hun werk inmiddels gedaan, hun nut gehad. Die bieden me inmiddels te weinig.

Of het moet zijn dat ik de bloemlezer bovenmatig vertrouw.

Omgekeerd gaat trouwens hetzelfde op. Als Joost Zwagerman een verzameling met beste essays uit het Nederlandse samenstelt, hoef ik dat boek niet te lezen, zonder het te zien, omdat mij al bewezen is dat Zwagerman niet zelfstandig denken kan.

Op het oordeel van Gerrit Komrij over poëzie durf ik dan juist wel blind te varen. Omdat zijn eerdere bloemlezingen me veel geboden hebben, wat uitzonderlijk is, en omdat hij een prettige hekel heeft aan orakelende dichters die heel veel woorden gebruiken om niets te zeggen.

Een probleem bij Komrij blijft slechts dat hij weleens gedichten opneemt in de anthologieën die werkelijk de enige opmerkelijke regels zijn die iemand ooit schreef. Als hij nieuwsgierig maakt naar meer, is dit niet altijd terecht.

In De 21ste eeuw in 185 gedichten werd werk opgenomen van dichters die hoogstens 35 jaar mochten zijn; 1976 is het vroegste geboortejaar. Dit betekent dat Komrij meestal uit maar éen bundel, en soms uit twee bundels gedichten van zo’n auteur kiezen kon. En bij debutanten is het altijd maar de vraag hoe die zich vervolgens ontwikkelen.

Van 48 dichters werd werk opgenomen; en eerlijk gezegd heb ik geen idee of dat veel is. Hoeveel bundels met poëzie verschijnen er per jaar, hoeveel mensen debuteren? En hoeveel gebundelde verzen heeft Komrij gelezen?

Dankbaar ben ik in elk geval voor het selectiewerk, dankbaar op nieuwe namen te zijn gewezen, zonder zelf eerst duizenden teksten te hoeven lezen. Maar een idee over wat de poëzie van het moment is, kreeg ik niet uit dit boek. Of hoogstens dat dichters ineens nogal vaak het majesteitelijk meervoud als persoonsvorm inzetten.

Komrij nam maximaal zeven verzen op van Jan-Willem Anker, Lernert Engelberts, Krijn Peter Hesselink, Maarten Inghels , Marije Langelaar, Ester Naomi Perquin, en Erik Solvanger. Ik was bij eerste lezing meer onder de indruk van de lichtheid en spot bij Quirien van Haelen.

scheiding

Naturalisme

Ik heb een criminele achternicht,
Een oom die dealt,
Een buur met losse handjes,
Mijn neef kapt zeldzaam hout uit regenwouden,
Mijn klasgenoten kweken hennepplantjes,
En ik werd gisteravond aangehouden,
voor stiekem fietsen zonder achterlicht.

scheiding
Gerrit Komrij, De 21ste eeuw in 185 gedichten
224 pagina’s
De Bezige Bij, 2010

Door eigen hand ~ Joost Zwagerman

Is het erger om een naaste te verliezen door een ongeluk, een acute ziekte, of door zelfmoord?

Dat lijkt misschien een wat idiote retorische vraag. Maar het is wel een kwestie die bij mij rees tijdens het lezen van de bundel Door eigen hand van Joost Zwagerman. Want daar staan onder meer verschillende gesprekken in met nabestaanden van mensen die hun eigen leven namen. En deze gesprekspartners zijn dan toevallig ook nog schrijvers. Zwagerman praatte met Heleen van Royen, Jeroen Brouwers, Arthur Japin, Renate Dorrestein, en uitgever Wouter van Oorschot.

Maar plotseling dood is plotseling dood, lijkt me. Te jong weg blijft te jong weg. De vragen waarmee de achterblijvers zitten na de dood kunnen wellicht verschillen. De rouw zal niet heel anders zijn.

Zelfs al lijkt het logisch om in het geval van zelfmoord te praten met andere nabestaanden van zelfmoordenaars. En niet ook te onderzoeken of hun leed verschilt met de overblijvers na bijvoorbeeld een auto-ongeluk, een plotselinge hartaanval, of een andere schok.

Toch ware het verhelderender geweest om naar overeenkomsten te kijken; in plaats van zelfmoord te isoleren als een speciaal iets.

De essaybundel Door eigen hand lijkt namelijk allereerst bij de verwerking te moeten helpen van wat Zwagerman van nabij heeft meegemaakt. Zijn vader deed een poging om zichzelf om te brengen. Werd op het allerlaatst nog gevonden. En hij sprak in het ziekenhuis de woorden dat het niet de bedoeling was geweest dat hij weer levend bij zou komen.

Vervolgens illustreert het boek vooral dat we vrijwel niets weten over wat mensen die fuik in drijft waarin zelfmoord onvermijdelijk lijkt.

Aan de inhoud valt alleen al op dat in Nederland het begrip zelfmoord volgens Zwagerman alleen gebruikt wordt bij geestelijk lijden. Bij algehele aftakeling, of ouderdom, kunnen weliswaar heel goed dezelfde overwegingen spelen, maar dan heet een zelfgekozen einde ineens euthanasie — en dat is voor hem oninteressant.

En wat een merkwaardig hokjesdenken is dat toch.

Binnen het weinige dat er is aan kennis, toont Joost Zwagerman zich vervolgens geen bijzonder helder licht. Alvarez is bij hem nog evenzogoed een intellectueel leidsman, met zijn inzichten uit 1971, als de hedendaagse columnist en psychiater Bram Bakker.

Zwagerman klampt zich in het boek zelfs merkwaardig vast aan een uitspraak van Bakker dat 80% van de mensen die een mislukte zelfmoordpoging deden helemaal niet dood wilden.

En dan hoop ik toch echt dat Bakker in eigen werk meer doet dan deze uitspraak alleen geven. Want zo los vind ik die vrij onnozel. Die zegt nu bijvoorbeeld niets over het tijdstip waarop die 80% dan oordeelden over hun mislukte zelfmoord.

Met alle kennis achteraf, het vreselijke cliché dat politici zo graag benutten om de onnozelheid in hun dadendrang weg te moffelen, valt nu eenmaal zo vaak op dat iets niet had gemoeten.

Enkel Jeroen Brouwers toont zich hierover prettig onsentimenteel. Dacht Joost Zwagerman nu echt dat dit statistiekje klopte? Nee hoor. Wie er dood wilde, wilde toch echt dood.

Brouwers verwijt Zwagerman ook allereerst egoïsme. En het was verfrissend om te lezen dat de beste kritiek op Door eigen hand eigenlijk al in het boek wordt gegeven.

scheiding

Waarom zou je je een oordeel aanmatigen over andermans beslissing er een eind aan te maken, zelfs al is het je vader, je broer of zus of je kind? Natuurlijk, ik ken de gevoelens en overwegingen van de nabestaanden: hun wrok, schrik en onbegrip. Maar zo gauw nabestaanden in hun rouw gaan zeggen dat die ander het recht niet had om het te doen, dan zeg ik: daar heb je niks mee te maken. We hebben alleen te maken met de daad van de persoon zelf. In die zin bedoel ik: oordeel niet. En jij hebt het geïnterpreteerd als: wat doet die persoon met zijn daad de ánder aan? In de kern vind ik ook dat een egoïstische gedachte. Nabestaanden moeten zich verplaatsen in de zelfmoordenaar, en zich pas daarna verdiepen in elkaar of zichzelf.

[Jeroen Brouwers, 117]
scheiding

[ is vervolgd ]

Joost Zwagerman, Door eigen hand
Zelfmoord en de nabestaanden

150 pagina’s
De Arbeiderspers, 2005

Duel ~ Joost Zwagerman

Er waren vele redenen om dit boek niet te lezen. Het is het Boekenweekgeschenk dit jaar, en daar kan ik zelden wat mee. Verder zal Zwagerman nooit mijn favoriete schrijver worden. Bovendien had hij te veel tekst aangeleverd, waardoor er onaangenaam veel woorden op de bladzijde staan, in een net te klein lettertype.

Alleen werd ik de laatste week meerdere malen om mijn mening gepolst — wat me nu nooit gebeurt bij boeken die ik wel heb gelezen. Daarop heb ik dat halve uur toch maar eens geïnvesteerd.

En toen viel het boek me wel mee.

Er zit een goed opgebouwde intrige in het verhaal, die aanzet tot doorlezen. Want, waar is de echte Rothko? Waar bestaat die echtheid uit? En wie heeft dat schilderij dus?

En goed, dat plot is dan ook de voornaamste charme. Zwagerman situeert dit boek in de wereld van de beeldende kunsten. Heeft als hoofdpersoon een directeur van een museum dat op het punt van sluiten staat — wegens een verbouwing. En dit bood hem dan weer tal van mogelijkheden om commentaar op de hedendaagse kunstwereld te geven, en alle uitwassen daarin.

Dat commentaar was helaas wel vrij voorspelbaar, voor iedereen die weleens een minuut heeft nagedacht over de kunstmarkt.

Verder werd geen van de personages ooit een levend mens — alleen weet je dat van tevoren bij een fictiewerk van Zwagerman.

Als ik dit boek met iets zou moeten vergelijken, dan denk ik opvallend genoeg eerder aan de stripreeks Franka dan iets anders. De maker daarvan leent ook vaak de glamour van de kunstwereld, en dus het grote geld, om zo een klein verhaaltje heel wat meer te laten lijken. Ondertussen blijven de decors wel van bordkarton, en zijn de personages bijpassend grof gefiguurzaagde platterikjes.

Maar ach, het had zo veel erger kunnen zijn. Ik heb me wel vermaakt door de affaires weer even op te halen die speelden rond het schilderij Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue IV van Barnett Newman. Want daar wilde Zwagerman vast meer mee dan nu gebeurde, omdat daar de ruimte voor ontbrak. Anders had hij bijvoorbeeld niet zo veel hoeven investeren in het personage van die restaurator.

Enfin.

Joost Zwagerman, Duel
95 pagina’s
Stichting CPNB, 2010

En toen viel ik van het podium ~ Lidewijde Paris (sam.)

Waarom schrijft iemand een boek? Niet om daar vervolgens de boer mee op te gaan, en lezingen te geven, of in de media te verschijnen. Lijkt me. Want, voor wie in de eerste plaats die publieke optredens ambieert, zijn er eenvoudiger methoden voorhanden, dan om zich eerst jarenlang in alle eenzaamheid op te sluiten en een publicabel boek te maken.

In deze tijd van het jaar, als de Boekenweek weer eens op de evenementenkalender staat, en rijen auteurs het land doorreizen — als exploiteerden ze kermisattracties — groeit er altijd een groot medelijden met hen.

De handel moet weer eens worden verkocht.

Deze bloemlezing van Lidewijde Paris geeft verdere voeding aan dit medelijden. Zelfs al zullen de opgenomen verhalen ook weleens lekker zijn aangezet, voor het effect.

Een aantal auteurs uit deze bundel had de ervaring een kermisattractie te zijn al eens verwerkt in een boek. Van onder meer Joost Zwagerman en Geerten Meijsing werden passages opgenomen, die geheel, of voor een groot deel uit romans stammen, met schrijvers als hoofdpersonen.

Anderen stuurden elders gepubliceerde columns en krantendagboeken in. Zoals Gerrit Krol het deed, met de bekende column over zijn black out op televisie.

Niet dat ik het overige werk allemaal ook al kende, maar toch viel me op dat de beste stukken speciaal voor dit boek geschreven werden. Zo gaf Nelleke Noordervliet als prettig meta-commentaar dat schrijvers altijd nog wel een stukkie hebben liggen, voor wat er nu weer geëist wordt voor de themaweek of themabundel.

Christiaan Weijts maakte bijvoorbeeld bedroevend duidelijk dat media-optredens allemaal volgens een stramien verlopen. En in zijn geval was dit dat interviewers het steeds heel belangrijk vonden dat Weijts zelf voor stalking was aangeklaagd. Was dit ook nog eens een onderwerp in zijn debuutroman.

En bij Gerbrand Bakker kwam als gênant moment voor dat de zaal wilde weten door welke Nederlandse schrijver hij beïnvloed was. Twee werelden botsten, want hij wist zo gauw alleen Amerikanen.

Enfin, ik schreef hier eerder al eens dat lezingen of andere publieke optredens van schrijvers me totaal niet meer lokken. In dezelfde tijd die een bezoek zou kosten, kun je ook een intiem tête-à-tête met ze hebben, door een boek uit te lezen.

Deze bloemlezing bracht me van die overtuiging niet af.

En toen viel ik van het podium
Schrijvers in verlegenheid

Samengesteld en ingeleid door Lidewijde Paris
256 pagina’s
Prometheus, 2007

Liefde is een zwaar beroep ~ Rogi Wieg

Rond de millenniumwende liet De Arbeiderspers enkele Nederlandse auteurs een kroniek schrijven over een jaar in hun leven. Rogi Wieg [1962] was de eerste. Hij werd gevolgd door Boudewijn Büch, Maarten ’t Hart, en Ronald Giphart.

Maar beter dan Liefde is een zwaar beroep werd dat serietje niet. Al zijn geen van deze boeken monumenten met een eeuwigheidswaarde. Terwijl de reeks waarin de uitgaven zijn opgenomen, privé-domein, wel deze pretentie had.

Wieg’s boek springt er alleen al uit doordat de niets ontziende openhartigheid van de auteur. Details in overmaat, over zijn sexleven, zijn financiën, en al die zaken waar hoogstens een biograaf decennia later nog eens mee aankomt, maar normaal niemand in het publiek over praat.

Bovendien kleeft er altijd een vleug waanzin aan het werk van Rogi Wieg — die naar eigen zeggen een pillenjunk is sinds zijn twintigste, vanwege zijn depressies en andere geestelijke problemen. In dit boek zijn die moeilijkheden telkens samengevat onder het label OCD.

1997 was een jaar van verandering voor Wieg. Hij was net overgestapt van uitgeverij Van Oorschot naar De Arbeiderspers. En omdat deze uitgeverij wel geld uittrok voor reclame ging hij ter promotie van zijn nieuwste roman De overval op een poster staan omringd door zijn vrienden. Leon de Winter en Joost Zwagerman.

Dat leverde praat op. Marketing dus geslaagd.

Tegelijk kraakt Wieg zijn vriend Joost Zwagerman ook in dit boek. Hij constateert dat Zwagerman een gelukkig huwelijksleven nodig heeft voor diens gezond, maar juist daardoor heeft deze geen toegang meer tot de zwarte kanten van zijn karakter. En ook die gevoelens zijn nodig om werk te schrijven met enige kwaliteit.

En iemand die zo kritisch is over een vriend heeft geen enkele reden om zich in te houden als hij over auteurs schrijft die hij minder hoog heeft. Giphart en Grunberg zijn hem bijvoorbeeld veel te berekenend, en dus onecht — en dat is dan nog het beleefdste oordeel over hun werk.

Wat vooral opvalt in de kroniek is Wieg’s constante dubbelheid. Zo heeft hij het hele boek lang een knipperlichtrelatie met G.. Met wie het uiteindelijk helemaal uitraakt aan het einde van het jaar, maar met wie hij toch ook bijna een huis had gekocht, en waar hij vaak bij woonde.

Zijn er G.’s jonge kinderen nog, waar hij tedere passages aan wijdt, terwijl Wieg het tegelijk openlijk haat om de kroost van een ander op te moeten voeden.

Krijgt hij een baan in Hongarije, om les te gaan geven aan de universiteit in Boedapest, vertrekt hij daar weer na korte tijd.

Maar naar de kortstondige stemmingswisselingen die Wieg ondertussen doormaakte, wordt hoogstens achteraf duidelijk dat die hebben gespeeld.

Tegelijk geloof ik hem op zijn woord, als hij schrijft:

2 oktober
      De OCD heeft van mijn hoofd een sprookjesbos gemaakt. Mijn boeken zijn geschikt voor gekken en dwazen, voor leesgierige ex-verslaafden, ex-psychotici die met mutsen over hun zieke koppen in afgetrapte schoenen over straat slenteren. Ik heb 35 jaar geleefd met paniek en verwarring. En soms was er het tevreden gevoel dat ik iets had voortgebracht wat esthetisch is. […]

Want hij ontbrak nog op boeklog. Wat zal komen omdat er niets bijzonders uitkwam sinds de start van deze website, en de meeste van zijn boeken nog niet aan een tweede lezing toe zijn.

Terwijl Wieg voor mij éen van de weinige Nederlandse auteurs is wiens boeken net iets meer hebben. In zijn geval, en door zijn verwijzing naar Zwagerman’s probleem, wordt het verleidelijk om dat tikkeltje extra te linken aan Wieg’s gekten — maar zo simpel ligt het niet.

Rogi Wieg, Liefde is een zwaar beroep
Persoonlijke kroniek 1997
331 pagina’s
De Arbeiderspers, 1998
privé-domein nr. 221

Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen ~ Joost Zwagerman red.

Eén van de boeken waarvan ik blij ben dat het in mijn kast staat, is er twee. De beide in leer gebonden deeltjes van The Oxford Library of Classic English Short Stories. Tezamen zijn deze goed voor zo’n negenhonderd pagina’s tekst. Dat is een hoop, maar door de keuze om de verhalen in twee deeltjes te presenteren, zijn de boekdelen goed hanteerbaar gebleven. En prettig te lezen.

Wat me meteen opviel aan De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen is dat dit boek allesbehalve prettig leest. Er zijn 1600 paginas in een band gepropt, de bladspiegel is te breed, er staan te veel zinnen op een pagina, en nieuwe verhalen komen zonder enige rust meteen na de voorafgaande. Daardoor begint er ook weleens een verhaal ongelukkig helemaal onderaan de bladzijde [Willem Melchior, Kogeltjes].

Terwijl het boek rijkdom belooft, is het zo volgepropt dat het juist een goedkope indruk maakt.

Daarnaast is er natuurlijk dat andere bezwaar tegen bloemlezingen. De eeuwige vraag: waarom heeft de samensteller uitgezocht wat die heeft uitgezocht? Bij een heel aantal van de opgenomen schrijvers had ik andere verhalen uitgekozen. Maar waarom? Omdat ik vooral het mooiste uit wil kiezen, en niet iets dat misschien meer representatief voor het geheel?

Vraag is ook wat het doel van zo’n bloemlezing als deze is, waar rijp en groen door elkaar staat, en grootmeesters naast debutanten prijken. Al schijnt Zwagerman bij de samenstelling vooral de vroege verhalen te hebben gekozen, omdat die de wereld voor het eerst met een nieuwe stem lieten kennismaken.

Een ode aan het verhaal aan genre heet dit boek te zijn. In Nederland is het kortverhaal altijd ondergewaardeerd, omdat verhalen hier nog altijd als vingeroefeningen gezien schijnen te worden. Ach ja. De doorsnee Nederlandse roman is nu eenmaal een meesterwerk in het zo hoogaangeschreven genre. Wat deugt er wel aan de waardering van boeken hier?

Mijn algemene bezwaar tegen deze bundel, en de keuze van Zwagerman om vooral vroeg werk op te nemen, is dat de Nederlandse en Vlaamse literatuur van de laatste decennia daarmee erg puberaal wordt. Jonge schrijvers schrijven over jonge mensen. Andere mensen zijn ze nog niet geweest. Maar het wereldbeeld van jonge mensen is bijna voorspelbaar zwart-wit. Met autoriteiten als ouders en leraren, zonder die verplichting van werk en vaste lasten. En ook met voorspelbare angsten.

Ik ben nogal uitgekeken op verhalen met zulke vaste en in mijn ogen gemakkelijke sjablonen. Net als dat ik bijna geen boek over de Tweede Wereldoorlog lezen kan, zonder me te ergeren aan al te makkelijke goed-fout tegenstellingen. Sorry, maar dat weten we nu wel.

Dus. Als dit werkelijk het beste is wat we hebben, dan kan die Nederlandse literatuur grotendeels maar beter worden opgeheven ook.

Desalniettemin, er stonden toch enkele verhalen in dit boek die me nieuwsgierig maakten naar meer. Ondanks alle hierboven opgesomde bezwaren. Ondanks dat een los verhaal tussen die van andere schrijvers wel erg op zichzelf staat, en nauwelijks profiteert van de gemoedstoestand die ontstond na wat daarvoor gelezen werd. Kwaliteit of eigenheid verloochent zich niet. Alleen is vier of vijf prikkelingen op 250 geen grote oogst.

Maar misschien is dat wel het enige doel van bloemlezingen. Dat de lezer daarna gericht andere boeken gaat opzoeken, profiterend van de selectie die een ander al deed. Alleen onderscheidt een zorgvuldig samengestelde bundel als deze zich daarmee dus niet van zo’n slordig vakantieboekje als De twintig beste verhalen over de liefde, of dergelijke tinnef.

Terwijl bijvoorbeeld The Oxford Library of Classic English Short Stories bewijst dat het wel kan: een bijna liefdevolle introductie bieden tot het kortverhaal. Dat is dit boek niet. Want, daarvoor staat er teveel in.

De Nederlandse en Vlaamse literatuur
vanaf 1880 in 250 verhalen

Samengesteld door Joost Zwagerman
1599 pagina’s
Uitgeverij Prometheus © 2005


Ongeneeslijke lezer ~ Arjan Peters

De criticus Arjan Peters was me om een paar redenen bekend, die allemaal weinig met deze bundel te maken hebben. Zo schreef hij vernietigend over het debuut van schrijfster Désanne van Brederode, om later met haar te trouwen. En dan was er nog een akkefietje met Joost Zwagerman — die het niet kon zetten dat Peters in de Volkskrant een roman van hem afkraakte, maar datzelfde boek in een ander blad vervolgens juichend bij buitenlandse uitgevers aanbeval.

Nu zal geen recensent altijd dezelfde mening over een boek verkondigen. Dat komt domweg omdat de context waarin zij hun mededelingen doen niet altijd dezelfde is. En daarmee verschillen ook het publiek, en de verwachtingen van dat publiek.

Zonder mijzelf criticus te willen noemen: in een aantal boeklogjes staat bijvoorbeeld duidelijk dat ik het betreffende boek voor andere media met andere doelen heel positief zou hebben besproken — terwijl het mij alleen bracht wat ik al kende, en dus als leeservaring teleurstelde.

Desondanks koos ik indertijd de kant van Zwagerman. Ook al ging diens conflict met Peters om de roman Chaos en rumoer, en is dat boek amper het papier waard waarop het gedrukt werd. Maar Peters leek wel heel opportunistisch bij te schnabbelen voor allerlei blaadjes. Hij sprak wel erg vaak met verschillende tongen. Dit maakte hem als mogelijke gids volstrekt onbetrouwbaar.

Toch is dit spijtig, zeg ik nu. Daardoor heb ik eerder deze bundel over de Nederlandse literatuur gemist — waarin kritieken, en beschouwingen, afgewisseld worden met meer persoonlijk getinte stukken.

In dit boek toont Peters zich namelijk wel een interessante autoriteit. Hij won mij gemakkelijk over, op punten. Ook al was dit meer door de argumenten waarmee hij de gebreken in bepaalde boeken wist aan te wijzen, dan om iets anders.

Peters is namelijk een tamelijk kritiekloos bewonderaar van Hermans, of A.F.Th. van der Heijden. Maar blijkbaar spreekt die adoratie voor zich. Terwijl ik, die nu juist lang niet alles goedvind wat beide auteurs hebben uitgebracht, liever met een wat minder blinde aanbidding geconfronteerd was.

Dus misschien vond ik dit wel alleen een aangenaam boek, omdat ik zo veel kritische opmerkingen over Nederlandstalige schrijvers verheugd begroette.

Over zijn vijand:

Het grote probleem van Zwagermans schrijverschap komt in een schel licht: hij heeft de tijdverschijnseltjes dringend nodig bij gebrek aan een eigen dringende thematiek. [67]

Over Phileine zegt sorry

Hartig, zilt-raak, als een pats met een natte handdoekpunt in een gezicht, slaat zijn onmacht Ronald Giphart in deze roman. [72]

Over Leon de Winter

Leon de Winter is een adequaat pulpschrijver. [82]

Over Connie Palmen

Ze gelooft in verhalen, fictie en stijl, beweert ze. Als je haar werk leest, vind je wel een leven maar geen goed verhaal. Palmen vat schrijven op als middel om haar misplaatste egotisme uit te leven. [89]

Over Mulisch

Harry pijpt zijn deuntje, erop vertrouwend dat een man van zijn reputatie met half werk nog goed weg komt [173]

Vanzelfsprekend gaat het nooit om deze zinnetjes alleen, maar het raamwerk van de kritiek, waarin deze oordelen de bijna overbodige conclusies zijn.

Maar uiteindelijk gaat het bij kritieken steeds om de eerlijkheid van de criticus. Mulisch is voor velen, en niet in het minst zichzelf, een groot schrijver. Dus wordt iedereen die dit niet vindt al gauw een azijnpisser genoemd; zelfs al heeft Mulisch merkwaardige slechte boeken geschreven. [En acht ik hem vooral een handige oplichter]. Het vergt moed om publiek tegen een lofkoor in te zingen.

Deze hele bundel van Arjan Peters is dan ook te lezen als het programma van een literair criticus, in vijf delen, die daarin bovendien moeite doet om de lezer goed van slecht te leren onderscheiden.

Ik had het boek alleen daarom al onbekommerd aan iedereen aanbevolen, ware er dus niet die ene affaire geweest, met dat ergerlijke windvaantjesgedrag.

Arjan Peters, De ongeneeslijke lezer
Een werkboek

336 pagina’s
Uitgeverij Contact, 2002

Revanche van de roman ~ Thomas Vaessens

Hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde, dat lijkt me meer de benaming voor een sadistische straf dan de aanduiding voor een achtenswaardig beroep. Het is al zo zelden een genoegen om Nederlandstalige fictie en poëzie te lezen. Laat staan om er serieus studie van te maken, en beschouwingen over te schrijven.

Tegelijk zou zo’n positie wel degelijk nut hebben, als een soort Keuringsdienst van waren. Maar geen man of vrouw die zich daartoe geroepen heeft gevoeld — als er al eens kritiek komt op het aanbod, blijft die in de meest algemene termen steken. Nooit wordt het niveau vergeleken met wat in het buitenland gebeurt.

Thomas Vaessens is een redelijk verse Hoogleraar literatralala. En zoals het dan gaat, moet hij eerst flink wat geurvlaggen plaatsen om een territorium af te bakenen. Dat gebeurt dan mede in deze monografie, De revanche van de roman, waarin hij vrijwel alles wat zijn voorgangers geschreven hebben voor het gemak meteen maar negeert.

Vaessens nam daarentegen nog wel de moeite om enkele recente Nederlandse romans te bespreken, om zo zijn visies toe te lichten.

Toevallig had ik een aantal van die boeken gelezen. Toch nog. Optimisme is nu eenmaal een intellectuele plicht, hoe moeilijk dat soms ook valt. Die titels waren Chaos en rumoer van Joost Zwagerman. De literaire kring van Marjolijn Februari, en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. En alleen daardoor viel al op dat Vaessens deze boeken weliswaar tot in het treurige detail navertelt, maar ook dat hij er niets meer uithaalt dan een gewone lezer als ik.

Vaessens gaat dan bijvoorbeeld uitleggen dat Zwagerman, in een boek over twee auteurs, laat doorklinken hoe hijzelf over het schrijven denkt, en over de problemen van dat métier.

Vaessens signaleert verder dat Marjolijn Februari weleens maatschappijkritiek uitoefent in haar columns. En dat dit genre tot zulke uitwassen leidt, is natuurlijk ongekend.

De crux van dit boek ligt misschien ook ergens anders. Vroeger namelijk, hebben de genoemde schrijvers vroeger werk geschreven. Die boeken zijn anders dan ze tegenwoordig maken. Alweer is dat geen conclusie waar ik bijzonder van opkeek.

En het verschil tussen toen en nu, volgens Vaessens, is dat toen het postmodernisme hevig woedde. Genoemde schrijvers daar ook behoorlijk aan leden. En dat het tegenwoordig weer beter met ze gaat.

Nu heb ik geen idee wat dat postmodernisme is. Het lijkt me een besmettelijke ziekte, uitgevonden door of voor Hoogleraren literatralala en ander universitair volk op zoek naar een wetenschap. Zij alleen kunnen de symptomen van het postmodernisme vaststellen. Genezen kunnen de literatuurwichelaars evenwel niet. Hoogstens opgelucht constateren dat de epidemie voorbijtrekt, zoals ondertussen schijnt te gebeuren.

Iets het label postmodernistisch geven, is nog het best vergelijkbaar met hoe doktoren vrouwen eeuwenlang de ziekte hysterie hebben toegedacht. Men was trots een etiket te kunnen hebben plakken, dacht met de benoeming ook de genezing in gang te hebben gezet — het aloude Repelsteeltje-syndroom — en tegelijk zei dit allemaal helemaal niets.

Vaessens toont zich opgelucht dat romans nu soms alweer meer met de werkelijkheid van doen hebben dan voorheen. Al gebeurt dit hem nog lang niet vaak genoeg.

Schadelijk is namelijk, niet in het minst voor de status van bijvoorbeeld zijn vak, dat schrijvers er tegenwoordig zo veel minder toe doen dan in de jaren vijftig en zestig. Morele autoriteit zoeken we niet meer in boeken.

Tegelijk hebben ook de Hoogleraren literatralala en hun vazallen stevig meegeholpen de status van de roman uit te hollen. Hun deconstructivisme, of hoe die al onwetenschappelijke methodiekjes ook heetten, brak alleen maar af. Dus moet het ook aan de faculteiten letterkunde allemaal anders van Vaessens.

En ach, zulk idealisme als slot van een boek heeft wel iets roerends.

Ondertussen verschijnen in Nederland de interessantste boeken in genres die Vaessens niet bestudeert; omdat die niet tot de bellettrie behoren.

Thomas Vaessens, De revanche van de roman
Literatuur, autoriteit, en engagement

255 pagina’s
Uitgeverij Vantilt, 2009

Scherp van de snede ~ Pierre Vinken & Hans van den Bergh [sam.]

Beide samenstellers van deze bloemlezing zijn eind 2011 kort na elkaar overleden. En dat is jammer. Alleen al omdat ik best een polemiek met ze had willen aangaan over de samenstelling van de bundel Het scherp van de snede.

Doel van dit boek is nog het meest krachtig omschreven in de ondertitel. ‘De Nederlandse literatuur’ te tonen ‘in 100 en enige polemieken’. Alleen leggen de samenstellers dat dan wel erg eng uit. Niet enkel de teksten behoorden literatuur te zijn, ze mosten ook nog eens gaan over literatuur alleen.

Daarbij stamt het grootste deel van de opgenomen polemieken uit de twintigste eeuw — vanaf pagina 299 is zelfs de periode voor 1945 al voorbij. En daarmee zit er nog een rare onbalans in het boek.

Het lijkt of de samenstellers vooral belangrijk vonden wat zich tijdens hun bewuste leven heeft afgespeeld. Met een voorkeur voor wat het studentenblad Propria Cures door de decennia heen zoal heeft opgeleverd.

Zoals in elke bloemlezing is hun keuze een persoonlijke keuze. Alleen vind ik de beperking om in de laatste 500 bladzijden van het boek vooral schrijvers op andere schrijvers te zien schelden wat vreemd. Want hoeveel van die woordenwisselingen waren er nu werkelijk principieel. En hoeveel waren misschien nog net opwindend op dat moment?

Nut van het boek is wel dat een aantal befaamde teksten handig in éen band verzameld werd. Hermans die Weinreb als oplichter ontmaskerde. Mulisch’ ‘Ironische van de ironie’. Karel van het Reve’s ‘Raadsel der onleesbaarheid’. Brouwers litanie tegen de ‘jongetjesliteratuur’. Zwagerman’s ontmaskering van de criticus Arjan Peters’ gespleten tong. Piet Grijs tegen Renate Rubinstein, en omgekeerd. Het zijn inmiddels allemaal klassieke voorbeelden in het genre geworden.

Al zij opgemerkt dat de lange teksten steeds sterk zijn ingekort tot reeksen lange fragmenten. Zelfs als naslagwerk is het boek dus niet volledig.

En juist doordat bovenstaande voorbeelden al zo bekend zijn, viel me van de bloemlezing tegen dat er niet minstens even krachtige maar aanzienlijk minder beroemde voorbeelden naast zijn gezet.

Om slechts enkele voorbeelden van mogelijke polemiek te geven die op boeklog langskwamen. Joris Luyendijk heeft zowel de parlementaire pers in Nederland vrij grondig ontmaskerd, als de correspondenten in dictatoriaal regeerde landen. Daar is genoeg protest tegen gepubliceerd van journalisten die zich ten onrechte bekritiseerd voelden.

Zou daar echt geen materiaal tussen zitten met een zekere literaire kwaliteit?

De rechterlijke macht hier weet niets, en kan alleen in juridische sjablonen denken, volgens deskundigen uit andere wetenschappen.

En democratie bestaat niet in Nederland, aldus de politicologen. Al schijnt dat tegenwoordig beter te zijn, omdat er nu eindelijk parlementariërs zijn die uit de EU willen — of andere denkbeelden vertegenwoordigen die tot 2002 volstrekt taboe waren.

Me dunkt, onderwerpen volop en schrijvers genoeg die iets publiceerden dat de status quo aanviel. En dit ook met kwaliteit deden.

Polemieken van auteurs onderling zijn zo bezien wat klein in belang. Hoe pittig de formuleringen ook uitpakten. Hoe veel reuring de woorden misschien ook gegeven hebben in sommige kringetjes, op een gegeven moment.

Kortom, het ontbrak mij wat aan blije verrassing in het boek. Aan een volkomen andere kijk op zaken.

De opgenomen historische teksten zijn zo bezien misschien nog wel het interessantst. Of het losse feit dat Jan Eijkelboom voor hij als dichter debuteerde zich nog duchtig geweerd heeft als criticus.

En misschien is de grootste makke gewoon wel dat de opgenomen teksten elkaar te weinig versterkten. Weliswaar komen een enkele keer de twee strijdende partijen beide aan het woord; maar dat maakt de polemiek meestal juist onbenulliger. Dit is meer een boek om even iets in na te slaan, dan om te gaan lezen.

Enfin. Door de jaren heen is er ook heel wat geschreven tegen bloemlezingen, en de problemen die er aan de samenstelling van zo’n bundel kleven. Het ware wellicht aardig geweest als de samenstellers tenminste éen zo’n stuk hadden opgenomen.

Het scherp van de snede
De Nederlandse literatuur in 100 en enige polemieken

Samengesteld door Pierre Vinken & Hans van den Bergh
846 pagina’s
Prometheus, 2010.

Schrijvers op reis ~ Privé-domein gaat op vakantie

Een kleine honderd deeltje privé-domein zijn er inmiddels geboeklogd. En dat had een reden kunnen geven om eens een wat langere beschouwing aan deze serie egodocumenten te wijden. Alleen lukt me dat niet. Over een serie is weinig anders meer te melden dan dat niet elk deel dezelfde kwaliteit heeft.

Bovendien is de betekenis van de serie privé-domein al even verandert — wat misschien mede komt omdat de uitgever de reeks heeft laten versloffen. Het meest recente deel, Schrijvers op reis, waarin een reeks aan Nederlandse en Vlaamse auteurs die toevallig een band hebben met De Arbeiderspers een verhaal of fragment publiceren, is op geen enkele manier een hoogtepunt te noemen.

De ondertitel ‘Privé-domein gaat op vakantie’ lijkt me zelfs leugenachtig. In weinig verhalen speelt vakantie namelijk een rol. Een verblijf even elders, à la. Daarmee houdt het gauw op.

Vrijwel geen van de auteurs is trouwens ook onderweg — voor mij altijd het belangrijkste deel van een vakantie — bijna iedereen is al op zijn of haar bestemming; en gauw ietwat losgeslagen daar, doordat in den vreemde zo veel vertrouwds van thuis moest worden losgelaten.

Privé-domein diende me ooit om schrijvers te leren ontdekken. Opname in de reeks alleen al was een aanbeveling. Lang geleden.

Vandaar toch dat ik Schrijvers op reis probeerde. Wellicht dat uit deze verzameling een interessante nieuwe stem zou opklinken die me naar een tot nu toe genegeeerd oeuvre leiden kon. Maar zo’n ontdekking zat er niet bij.

En ja, dat zegt evenveel over mij als lezer, of meer wellicht, dan over de opgenomen auteurs.

Dus blijf ik de deeltjes privé-domein koesteren die me kennis lieten maken met iets, in de jaren tachtig, dat me toen de toegang ontsloot tot wat veel groters. Canetti’s Wat de mens betreft. Handke’s Last van de wereld.

Dus is er de wetenschap ook dat er deeltjes privé-domein bestaan die ik nooit zal lezen, omdat ik die uitgaven al in de oorspronkelijke taal bezit; en daardoor nooit als onderdeel van die Nederlandse reeks heb kunnen zien.

En dus staat de vervelende constatering nog altijd die al deze jaargangen boeklog me bracht: dat heel veel deeltjes privé-domein merkwaardig bescheten bloemlezinkjes zijn van veel grotere egodocumenten. Wat het ook heel moeilijk maakt om nieuwe uitgaven in de reeks werkelijk nog onbevangen in huis te halen.

Schrijvers op reis
Privé-domein gaat op vakantie

264 pagina’s
De Arbeiderspers, 2013
Privé-domein nr. 276

Stilte van het licht ~ Joost Zwagerman

Wanneer is het schrijven over andermans prestaties geen parasitaire daad? Geen handeling van secundair belang? Hoogstens als het de scribent lukt om iets eigens in te brengen dat de woorden een extra waarde geeft.

En ik moet daarom toegeven grote vooroordelen te hebben gekoesterd tegenover wat Joost Zwagerman [1963 — 2015] vertelde en schreef over beeldende kunst — en daarmee dus ook over dit boek, De stilte van het licht.

De extra waarde in al die inspanningen leek me ten enenmale te ontbreken. Telkens als ik in de krant een paar paragrafen van hem las over dit onderwerp, of als zijn hoofd pratend op televisie verscheen, volgde er nooit iets verrassends.

Het onderwerp was dan misschien veranderd, Zwagerman leek nog altijd aan dezelfde kwaal te lijden die hem zo vervelend om te lezen maakte als hij het over literatuur had gehad. Want nooit ging het bij hem over nobele onbekenden. Altijd opnieuw werd de canon, die al door anderen was vastgelegd, door deze auteur bevestigd. Joost Zwagerman bewierookte steevast weer wierook.

Had hij bovendien wel heel vaak citaten van anderen nodig om kleuring te geven aan zijn woorden. Een praktijk die misschien normaal is in de journalistiek, opdat een journalist dan net kan doen een neutrale instantie te zijn, maar toch niet echt past in teksten die vervolgens het label essay krijgen opgeplakt.

De veiligheid in zijn onderwerpkeuze, en de weinig persoonlijke manier waarop zo’n keuze daarop werd uitgewerkt, maakten Zwagerman bij het onderwerp kunst allereerst tot een popularisator. Waar overigens in het geheel niets mis mee hoeft te zijn — ik lees bijvoorbeeld een popularisator als Steve Jones heel graag om hóe deze zijn verhalen vertelt, want de strekking van zijn betoog over genetica is me al bekend. Alleen werden al Joost Zwagerman’s inspanningen mij telkens wel verkocht als prestaties van het grootste Nederlandse intellectjuweel sinds Erasmus. Wat ik daarom nogal potsierlijk vond.

Tegelijk heeft iedere tijd kunstenaars die stelselmatig worden overschat.

En zulke mensen zijn nog nuttig ook. Als lakmoestest bijvoorbeeld. Er waren gelukkig nogal wat meer die bevreemding voelden over de eerbied waarmee handig maakwerk van Joost Zwagerman zo vaak ingehaald werd als waren het heuse intellectuele scheppingen. En die gedeelde spot liet ons tezamen ook nog beter kijken.

Dat we daarom Joost Zwagerman weleens de Milli Vanilli van de Nederlandse letteren noemden, past daar bij. Om ons vermoeden dat de beste man wel heel erg weinig eigen ideeën leek te hebben.

Alleen koos Zwagerman toen ineens voor de dood. Waarmee het ongepast werd hem nog langer te bespotten. Prompt ook kwam er niets meer van mijn voornemen zijn essays over beeldende kunst eens echt op hun merites te beoordelen. Tot nu.

En toen viel De stilte van het licht nog niet eens tegen. Al viel deze bundel essays al evenmin mee, mede om de hierboven al gesignaleerde structurele problemen.

Een probleem is verder dat een lezer vooraf wel erg weinig belangstelling voor beeldende kunst moet hebben gehad, wil zo’n boek als dit iets nieuws brengen. Zwagerman slaagde al niet voor de simpele test om me éen kunstenaar te noemen van wie me naam of werk nog onbekend was. En dan ben ik toch al enige tijd onverschillig over wat er actueel speelt in het wereldje van de beeldende kunst.

Toegegeven, iemand als de autodidact Willem van Althuis zal buiten Friesland misschien niet heel bekend zijn. Voor mij, als Friese kunstliefhebber, viel er alleen niets te beleven aan Zwagerman’s woorden over weer die eeuwige schilderijtjes van de visafslag bij Laaxum.

Dus hoorde ik domweg weer eens niet tot de doelgroep voor een boek. Ik lees liever iets dat mijn eruditie en goede smaak grondig ondermijnt, of iets dat me verrast, dan teksten die mijn wereldbeeld enkel bevestigen; en daar niets eens vragen bij stellen ook.

En daarmee bleef er bij het lezen weinig meer over dan om een enkele maal te denken: dat heeft hij toch wel handig opgeschreven. Wat een vreemd compliment is voor iemand met zo veel boeken op zijn naam.

Joost Zwagerman, De stilte van het licht
Schoonheid en onbehagen in de kunst

375 pagina’s
De Arbeiderspers, 2015

Suicide ~ Michael Cholbi

Reageer alleen op welk effect een boek op jou had, zo gaf ik mijn boeklog als motto mee. Want alleen over dat effect heb je alle recht van spreken.

En het is een mooi ideaal om alleen zo naar boeken te kijken. Alleen is me nu ook al even duidelijk dat het een onmogelijk ideaal is. Elke ervaren lezer kan namelijk behoorlijk goed inschatten wat de schrijver er voor eentje is. Die weet heel goed of een auteur zijn of haar materie in de macht heeft, of niet. Die doorziet wanneer er gebluft wordt. En daarover is lang niet altijd te zwijgen; waardoor kritiek wel degelijk persoonlijk kan worden.

Ik was kortom gisteren veel te vriendelijk over het zelfmoordboek van Joost Zwagerman. Want in vergelijking met bijvoorbeeld Suicide van Michael Cholbi is Zwagerman’s Door eigen hand het werkstukje van een wel heel matige eerstejaars student, die van overal wat kennis geleend heeft; zonder daarbij ooit enig overzicht te hebben gehad; laat staan iets van een nieuw inzicht te hebben kunnen formuleren.

Zwagerman’s vloek dat hij veel te jong al succes oogstte als schrijver, en daarom helaas is gaan geloven er eentje te zijn, had zich weer eens tegen hem gekeerd.

Suicide pretendeert niet meer dan een inleiding te zijn in de filosofische kanten van het onderwerp zelfmoord. Het boek lijkt zelfs op een leerboek, met zijn samenvattingen aan het eind van elk hoofdstuk. Toch vond ik dit een heel nuttige uitgave. Angelsaksische filosofie heeft dat effect wel vaker op mij. Een denker inventariseert dan gewoon eens wat er zoal bedacht is over een onderwerp, en weegt vervolgens zin tegen onzin af.

En juist aan een onderwerp als zelfmoord kleeft nogal wat overgeleverde en verkalkte moraal, door de Christenen vooral en hun stelling dat elk leven een geschenk van hun God is.

Cholbi begint zijn boek schijnbaar wetenschappelijk, door zich hardop af te vragen wanneer er eigenlijk sprake is van zelfmoord. Normaal irriteert zo’n poging om tot een definitie te komen mij altijd wat. Maar de denkexercities van Michael Cholbi bleken onverwacht nuttig, vanwege de vragen waar hij mij aankwam.

Als iemand kanker heeft in een vergevorderd stadium, en er vervolgens voor kiest om niet nogmaals het hele medische circus mee te maken, en dus niet verder behandeld wil worden. Om daarop na enkele maanden te sterven. Is dat dan zelfmoord?

En pleegt Jeroen Brouwers langzaamaan zelfmoord door, ondanks zijn hoorbare moeilijkheden bij het ademhalen, gewoon sigaretten door te blijven paffen? Zoals mijn gedachte was bij het luisteren naar dat interview met hem?

Het antwoord volgens Cholbi luidt dan in beide gevallen nee. Omdat in geen van beide voorbeelden er een bewuste handeling is om de directe komst van de dood te versnellen. Helemaal ben ik dat dan niet met hem eens. Net als de definitie waar Michael Cholbi mee komt me uiteindelijk niet helemaal tevreden stelt.

An adequate definition of suicide should be value neutral and at least capture the uncontroversial examples of acts that are (and are not) suicide. Defining suicide as intentional self-killing, regardless of its cause, appears to satisfy these requirments.

Tegelijk is het heel nuttig dat hij de tijd nam om al zijn overwegingen bij het opstellen van deze definitie te geven. Omdat die in het vervolg van het boek terugkomen, en dan bijvoorbeeld duidelijk maken dat alle christelijke bezwaren tegen zelfmoord vrijwel altijd onlogisch zijn.

Maar goed, religie en logica sluiten elkaar nu eenmaal uit.

Evenmin zijn er op een sluitende manier morele bezwaren te formuleren tegen de meeste zelfmoorden. Behalve dan dat Cholbi uiteindelijk toch ook de gedachte formuleert die de hele roman Catch 22 draagt; zonder dat de schrijver dit gegeven dan noemt.

Er is niets tegenin te brengen als iemand die bij zijn volle verstand is het eigen leven wil nemen. Alleen zijn de meeste zelfmoordenaars nu net niet bij hun verstand; want die handelen zo vaak in een opwelling; en zouden daarom tegen zichzelf beschermd moeten worden.

Naar het einde toe nadert dit boek steeds meer de debatten die al decennia in Nederland gevoerd worden, over hoe de hulp bij euthanasie er uit hoort te zien. En dat is het enige boekdeel dat me wat teleurstelde — waarschijnlijk omdat Cholbi me daarin niets nieuws vertelde.

Blijft alleen staan dat bijna overal in de wereld nog gedebatteerd moet worden over die subset aan zelfmoordpraktijken, en het recht om ook het levenseinde in eigen handen te mogen nemen, plus het gegeven dat individuen daar dan doorgaans hulp bij nodig hebben.

Suicide is er heel goed in om een heleboel emotie uit zulke discussies bij voorbaat al verdacht te maken.

Michael Cholbi, Suicide
The Philosophical Dimensions

191 pagina’s
Broadview guides to philosophy, 2011

Transito ~ Joost Zwagerman

Joost Zwagerman heeft inmiddels meer essaybundels uitgebracht dan romans en verhalenboeken samen, valt me op.

Wie maar gestaag door blijft keutelen, produceert op den duur ook een hoop. En, het moet gezegd, geen essaybundel van Zwagerman kan verschijnen, of ik heb er van alles op aan te merken. Alleen wordt de afkeer nooit zo groot dat ik me voor altijd van hem afkeer. Het is ook allemaal wel netjes zoals hij het doet, keurig vanachter zijn schrijftafel. En niemand anders in Nederland schrijft over de onderwerpen die hij aansnijdt.

Die ik toevallig wel interessant vind.

Maar vanuit die gedeelde interesse voor schrijvers, kunst en cultuur, valt me altijd weer op dat het Zwagerman nu nooit eens lukt iets memorabels op te schrijven dat ik niet al ergens anders las. Bovendien is zijn onderwerpkeuze nogal aan de veilige kant, zachtjes uitgedrukt.

Zwagerman zingt steevast in koor mee over de canon, is de bewieroker van wierook, en draagt in iedere essaybundel weer rivieren water naar de zee. Dat hij zo hoog geprezen wordt, is blijkbaar omdat niemand hier ooit een woord van over de grens leest.

Alleen het stuk over de dichter Pieter Boskma bracht werkelijk nu eens nieuws. Maar dat was dan ook weer geen essay; slechts de begeleidende tekst van een bundel die Zwagerman zelf al had samengesteld.

Veel brouhaha, met opvallend slecht citerende criticasters, was er verder al over de Frans Kellendonk-lezing die Zwagerman hield, tegen de literaire quarantaine in Nederland. Als u dit onderwerp interesseert, gelieve dan zijn tekst hier zelf te lezen en u er een eigen mening over te vormen. Ik heb ook zo mijn opinies, maar die zijn niet zo relevant gezien mijn afkeer van vrijwel alles wat in Nederland voor literaire roman doorgaat.

Nee, het interessantst zijn uiteindelijk toch weer de persoonlijke stukken, traditioneel helemaal achterin. Al schijnt op te vallen dat Zwagerman het stuk over zijn geboortestad Alkmaar geschreven heeft zonder eens degelijk te informeren wat daar veranderd is sinds zijn jeugd.

En als het dan toch over verwijtbare slordigheden gaat. Zwagerman zet in zijn stuk over Berhard-Henri Levy’s grand-tour van de VS diens criticaster Garrison Keillor wel erg dom weg als kleinstedelijke patriot. Nooit Keillor’s allesbehalve dorpse Writer’s Almanac gevolgd, waarschijnlijk. Nooit gesnapt dat Keillor’s verhalen over het afgelegen dorpje Lake Wobegon een microcosmos van de hele wereld tonen. Al was het maar in diens traditionele opmerking aan het eind dat alle kinderen daar bovengemiddeld begaafd zijn.

Joost Zwagerman, Transito
360 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 2006

Vijfde seizoen ~ Joost Zwagerman

Wat zou ik Zwagerman toch graag lezen over een onderwerp dat hij voor de verandering eens als allereerste aansnijdt. Waarbij hij laat zien wel degelijk zelf te kunnen waarnemen, in plaats de schijn te wekken vooral ideeën bij anderen te lenen.

Goed, hij schroomt niet om te laten zien bij wie allemaal hij zijn ideeën weg haalt. Maar daarvoor geldt toch ook het adagium van Schopenhauer: wat moet iemand weinig eigen gedachten hebben om zo veel te kunnen lezen.

En ja, ik weet dat zoiets ook over dit boeklog gezegd kan worden.

Het grootste deel van dit boek is gevuld met variaties op evergreens uit het beschouwende werk van Zwagerman. Er komen heel wat bekende helden langs, zoals de schrijvers Updike, Bellow, Martin Amis, en Madonna.

Aardig is wel een beschouwing over het korte verhaal, en de vraag waarom in Nederland iedereen toch per se een roman wil schrijven.

En ook was informatief dat Zwagerman meldde zich bij het schrijven van een roman als Chaos en rumoer niet op Martin Amis baseerde, zoals Ron Kaal dacht, maar juist op Cees Nooteboom. ‘Plagiaat als stijlfiguur.’ En geen enkele Nederlandse criticus die het natuurlijk gezien had, haha.

Toch, de laatste tachtig pagina’s van dit boek zijn op zich het interessantst. Als Zwagerman ineens bekent dat zijn vader een zelfmoordpoging heeft gedaan, en hij niet meteen tien citaten van grote namen gereed heeft om te verwoorden wat hem dat deed.

Maar goed. De dood. Daar is ook al niet heel wat over gezegd.

Joost Zwagerman, Het vijfde seizoen
350 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2003


Wilde westen ~ Joost Zwagerman

Dit is een verzameling columns en ander mengelwerk met een ietwat pretentieuze titel. Joost Zwagerman is namelijk niet achter zijn schrijftafel weggekomen om de wereld te beschouwen. Hij reageert in eerste instantie vooral op wat hij in de media voorbij zag komen, en daardoor bovenal wat daarin als belangrijk werd gezien en rumoer maakte in het jaar 2002. Dat was de opkomst van Pim Fortuyn bijvoorbeeld. Al gaat tweederde van dit boek daar nu net helemaal niet over.

En tuurlijk, schrijven kan hij wel. En een mening komt er ook nog weleens te voorschijn. Maar het is op een of andere manier allemaal zo weinig verrassend.

Wie als historicus over een paar decennia wil weten wat de correcte gedachten waren over de ontwikkelingen van dezer dagen, kan daarvoor prima bij de verzamelde columns van Zwagerman terecht. Daar zal dan dus ook de blindheid van die opinies uit blijken.

Joost Zwagerman, Het wilde westen
Nederland 2001-2003

207 pagina’s
Uitgeverij De Arbeidspers, 2003

Wobegon Boy ~ Garrison Keillor

Mijn oordeel over dit boek is eigenlijk in éen zin samen te vatten, alleen komt u daar niet voor. Garrison Keillor heeft met Wobegon Boy eindelijk eens een roman geschreven waarin alles klopt. Punt. Dat maakt dit meteen verreweg zijn beste roman voor mij; hoewel ik denk dat het vertellen van verhalen een nog grotere kracht van hem is.

Er staan trouwens nogal wat verhalen in deze roman. Verhalen zoals Keillor die elke week brengt in het radioprogramma A Prairie Home Companion. Alleen zijn het ditmaal de personages in het boek die elkaar voortdurend van alles vertellen; om zo telkens herinneringen op te kunnen halen.

In de basis is dit een bedrieglijk simpel boek. Het gaat over een man die even naar huis terugkeert, om zijn vader te helpen begraven. Onder meer, er speelt natuurlijk wel meer in diens leven. Maar het gegeven van die thuisreis alleen al, naar het zo saaie Midwesten van de VS, maakt dat de roman gaat over oerthema’s als liefde, en afkomst. Of, om dat vreselijke woord maar eens te gebruiken, over identiteit.

Clichématiger kan eigenlijk nauwelijks.

En toch weet Keillor met tamelijk groot gemak aan te tonen dat clichés tot clichés konden worden, omdat ze zo krachtig zijn. In handen van een mindere schrijver was dit waarschijnlijk een plat en sentimenteel boek geworden. Keillor weet daarentegen nogal meesterlijk de emoties van de lezers te sturen.

Het heeft namelijk een reden dat er zo veel verhalen langskomen. En dat deze zo humoristisch zijn. Daardoor komt het des te harder aan als Keillor meteen daarop de rand van het sentiment opzoekt, en al doende ontroering brengt.

Van auteurs als Joost Zwagerman moet ik Garrison Keillor een beperkt schrijver vinden, omdat het een verteller is, over immer dezelfde mensen, in het provinciaalste dorp van de VS. Maar geen boek van Zwagerman heeft mij ooit zo kunnen raken als een geslaagde Keillor lukt. Dus weet ik wel wie ik liever lees. En daarmee beter vind.

Garrison Keillor, Wobegon Boy
320 pagina’s
Faber and faber 1999, oorspronkelijk 1997