100 beste gedichten van 2001
Geert Buelens red.

Vreemd. Lees ik opeens een gedicht van Joost Zwagerman dat niet onaardig is. Zwagerman! Een schrijver die ik kan bewonderen om zijn ambachtelijke kwaliteiten, maar wie mij verder grotendeels onverschillig laat. Zwagerman is toch vooral zoiets als een kant-en-klare opwarmmaaltijd uit de supermarkt; het vult, er zitten geen nare klonten in, en het lijkt op het oog nog op het voorbeeld ook.

Enfin, is hiermee het nut van zo’n bloemlezing als deze maar weer eens aangetoond. Omdat ik niet automatisch naar de namen van de dichters kijk, maar onbevangen lees, worden sommige vooroordelen weggenomen.

Blijft staan dat ook nu weer onnoemelijk veel poëzie me totaal onverschillig laat. De kwestie is natuurlijk: ligt dat aan mij, of kan ik gewoon niet lezen?

Ik hel er steeds meer na over gewoon mijn poëzie-opvatting dan maar tot de juiste te verklaren. Wie al tienduizenden gedichten heeft gelezen, is daardoor gevormd.

Anneke Brassinga is trouwens ook met een mooi gedicht vertegenwoordigd in deze bundel, net als Leonard Nolens.

Stoort het
als ik de radio iets harder van je leen
en wat eten en ik vroeger wegga?
Het geeft toch niet dat ik hier
iets neerzet om iets anders en
een tijdje wegblijf en een volgende keer
hetzelfde en iemand op te halen?
Is het lekker
als ik dit en zachtjes daar
of misschien wel niets te doen?
En vind je het wel goed
dat ik mij vermom als zuidenwind en
alle smalle schouders op het strand
aanraak?

Joost Zwagerman

Geert Buelens red, De 100 beste gedichten van 2001
156 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2002


Duel
Joost Zwagerman

Er waren vele redenen om dit boek niet te lezen. Het is het Boekenweekgeschenk dit jaar, en daar kan ik zelden wat mee. Verder zal Zwagerman nooit mijn favoriete schrijver worden. En bovendien had hij te veel tekst aangeleverd, waardoor er onaangenaam veel woorden op de bladzijde staan, in een net te klein lettertype.

Alleen werd ik de laatste week meerdere malen om mijn mening gepolst — wat me nu nooit gebeurt bij boeken die ik wel gelezen heb. Daarop heb ik dat halve uur toch maar eens geïnvesteerd aan lezen.

En toen viel het boek me wel mee.

Er zit een goed opgebouwde intrige in het verhaal, die aanzet tot doorlezen. Want, waar is de echte Rothko? Waar bestaat die echtheid uit? En wie heeft dat schilderij dus?

En goed, dat plot is dan ook de voornaamste charme. Zwagerman situeert dit boek in de wereld van de beeldende kunsten. Heeft als hoofdpersoon een directeur van een museum dat op het punt van sluiten staat — wegens een verbouwing. En dit bood hem dan weer tal van mogelijkheden om commentaar op de hedendaagse kunstwereld te geven, en alle uitwassen daarin.

Dat commentaar was helaas wel vrij voorspelbaar, voor iedereen die weleens een minuut heeft nagedacht over de kunstmarkt.

Verder werd geen van de personages ooit een levend mens — alleen weet je dat van tevoren bij een fictiewerk van Zwagerman.

Als ik dit boek met iets zou moeten vergelijken, dan denk ik opvallend genoeg eerder aan de stripreeks Franka dan iets anders. De maker daarvan leent ook vaak de glamour van de kunstwereld, en dus het grote geld, om zo een klein verhaaltje heel wat meer te laten lijken. Ondertussen blijven de decors wel van bordkarton, en zijn de personages bijpassend grof gefiguurzaagde platterikjes.

Maar ach, het had zo veel erger kunnen zijn. Ik heb me wel vermaakt door de affaires weer even op te halen die speelden rond het schilderij Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue IV van Barnett Newman. Want daar wilde Zwagerman vast meer mee dan nu gebeurde, omdat daar de ruimte voor ontbrak. Anders had hij bijvoorbeeld niet zo veel hoeven investeren in het personage van die restaurator.

Enfin.

Joost Zwagerman, Duel
95 pagina’s
Stichting CPNB, 2010

En toen viel ik van het podium
Lidewijde Paris (sam.)

Waarom schrijft iemand een boek? Niet om daar vervolgens de boer mee op te gaan, en lezingen te geven, of in de media te verschijnen. Lijkt me. Want, voor wie in de eerste plaats die publieke optredens ambieert, zijn er eenvoudiger methoden voorhanden, dan om zich eerst jarenlang in alle eenzaamheid op te sluiten en een publicabel boek te maken.

In deze tijd van het jaar, als de Boekenweek weer eens op de evenementenkalender staat, en rijen auteurs het land doorreizen — als exploiteerden ze kermisattracties — groeit er altijd een groot medelijden met hen.

De handel moet weer eens worden verkocht.

Deze bloemlezing van Lidewijde Paris geeft verdere voeding aan dit medelijden. Zelfs al zullen de opgenomen verhalen ook weleens lekker zijn aangezet, voor het effect.

Een aantal auteurs uit deze bundel had de ervaring een kermisattractie te zijn al eens verwerkt in een boek. Van onder meer Joost Zwagerman en Geerten Meijsing werden passages opgenomen, die geheel, of voor een groot deel uit romans stammen, met schrijvers als hoofdpersonen.

Anderen stuurden elders gepubliceerde columns en krantendagboeken in. Zoals Gerrit Krol het deed, met de bekende column over zijn black out op televisie.

Niet dat ik het overige werk allemaal ook al kende, maar toch viel me op dat de beste stukken speciaal voor dit boek geschreven werden. Zo gaf Nelleke Noordervliet als prettig meta-commentaar dat schrijvers altijd nog wel een stukkie hebben liggen, voor wat er nu weer geëist wordt voor de themaweek of themabundel.

Christiaan Weijts maakte bijvoorbeeld bedroevend duidelijk dat media-optredens allemaal volgens een stramien verlopen. En in zijn geval was dit dat interviewers het steeds heel belangrijk vonden dat Weijts zelf voor stalking was aangeklaagd. Was dit ook nog eens een onderwerp in zijn debuutroman.

En bij Gerbrand Bakker kwam als gênant moment voor dat de zaal wilde weten door welke Nederlandse schrijver hij beïnvloed was. Twee werelden botsten, want hij wist zo gauw alleen Amerikanen.

Enfin, ik schreef hier eerder al eens dat lezingen of andere publieke optredens van schrijvers me totaal niet meer lokken. In dezelfde tijd die een bezoek zou kosten, kun je ook een intiem tête-à-tête met ze hebben, door een boek uit te lezen.

Deze bloemlezing bracht me van die overtuiging niet af.

En toen viel ik van het podium
Schrijvers in verlegenheid

Samengesteld en ingeleid door Lidewijde Paris
256 pagina’s
Prometheus, 2007

Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen
Joost Zwagerman red.

Eén van de boeken waarvan ik blij ben dat het in mijn kast staat, is er twee. De beide in leer gebonden deeltjes van The Oxford Library of Classic English Short Stories. Tezamen zijn deze goed voor zo’n negenhonderd pagina’s tekst. Dat is een hoop, maar door de keuze om de verhalen in twee deeltjes te presenteren, zijn de boekdelen goed hanteerbaar gebleven. En prettig te lezen.

Wat me meteen opviel aan De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen is dat dit boek allesbehalve prettig leest. Er zijn 1600 paginas in een band gepropt, de bladspiegel is te breed, er staan te veel zinnen op een pagina, en nieuwe verhalen komen zonder enige rust meteen na de voorafgaande. Daardoor begint er ook weleens een verhaal ongelukkig helemaal onderaan de bladzijde [Willem Melchior, Kogeltjes].

Terwijl het boek rijkdom belooft, is het zo volgepropt dat het juist een goedkope indruk maakt.

Daarnaast is er natuurlijk dat andere bezwaar tegen bloemlezingen. De eeuwige vraag: waarom heeft de samensteller uitgezocht wat die heeft uitgezocht? Bij een heel aantal van de opgenomen schrijvers had ik andere verhalen uitgekozen. Maar waarom? Omdat ik vooral het mooiste uit wil kiezen, en niet iets dat misschien meer representatief voor het geheel?

Vraag is ook wat het doel van zo’n bloemlezing als deze is, waar rijp en groen door elkaar staat, en grootmeesters naast debutanten prijken. Al schijnt Zwagerman bij de samenstelling vooral de vroege verhalen te hebben gekozen, omdat die de wereld voor het eerst met een nieuwe stem lieten kennismaken.

Een ode aan het verhaal aan genre heet dit boek te zijn. In Nederland is het kortverhaal altijd ondergewaardeerd, omdat verhalen hier nog altijd als vingeroefeningen gezien schijnen te worden. Ach ja. De doorsnee Nederlandse roman is nu eenmaal een meesterwerk in het zo hoogaangeschreven genre. Wat deugt er wel aan de waardering van boeken hier?

Mijn algemene bezwaar tegen deze bundel, en de keuze van Zwagerman om vooral vroeg werk op te nemen, is dat de Nederlandse en Vlaamse literatuur van de laatste decennia daarmee erg puberaal wordt. Jonge schrijvers schrijven over jonge mensen. Andere mensen zijn ze nog niet geweest. Maar het wereldbeeld van jonge mensen is bijna voorspelbaar zwart-wit. Met autoriteiten als ouders en leraren, zonder die verplichting van werk en vaste lasten. En ook met voorspelbare angsten.

Ik ben nogal uitgekeken op verhalen met zulke vaste en in mijn ogen gemakkelijke sjablonen. Net als dat ik bijna geen boek over de Tweede Wereldoorlog lezen kan, zonder me te ergeren aan al te makkelijke goed-fout tegenstellingen. Sorry, maar dat weten we nu wel.

Dus. Als dit werkelijk het beste is wat we hebben, dan kan die Nederlandse literatuur grotendeels maar beter worden opgeheven ook.

Desalniettemin, er stonden toch enkele verhalen in dit boek die me nieuwsgierig maakten naar meer. Ondanks alle hierboven opgesomde bezwaren. Ondanks dat een los verhaal tussen die van andere schrijvers wel erg op zichzelf staat, en nauwelijks profiteert van de gemoedstoestand die ontstond na wat daarvoor gelezen werd. Kwaliteit of eigenheid verloochent zich niet. Alleen is vier of vijf prikkelingen op 250 geen grote oogst.

Maar misschien is dat wel het enige doel van bloemlezingen. Dat de lezer daarna gericht andere boeken gaat opzoeken, profiterend van de selectie die een ander al deed. Alleen onderscheidt een zorgvuldig samengestelde bundel als deze zich daarmee dus niet van zo’n slordig vakantieboekje als De twintig beste verhalen over de liefde, of dergelijke tinnef.

Terwijl bijvoorbeeld The Oxford Library of Classic English Short Stories bewijst dat het wel kan: een bijna liefdevolle introductie bieden tot het kortverhaal. Dat is dit boek niet. Want, daarvoor staat er teveel in.

De Nederlandse en Vlaamse literatuur
vanaf 1880 in 250 verhalen

Samengesteld door Joost Zwagerman
1599 pagina’s
Uitgeverij Prometheus © 2005


Ongeneeslijke lezer
Arjan Peters

De criticus Arjan Peters was me om een paar redenen bekend, die allemaal weinig met deze bundel te maken hebben. Zo schreef hij vernietigend over het debuut van schrijfster Désanne van Brederode, om later met haar te trouwen. En dan was er nog een akkefietje met Joost Zwagerman — die het niet kon zetten dat Peters in de Volkskrant een roman van hem afkraakte, maar datzelfde boek in een ander blad vervolgens juichend bij buitenlandse uitgevers aanbeval.

Nu zal geen recensent altijd dezelfde mening over een boek verkondigen. Dat komt domweg omdat de context waarin zij hun mededelingen doen niet altijd dezelfde is. En daarmee verschillen ook het publiek, en de verwachtingen van dat publiek.

Zonder mijzelf criticus te willen noemen: in een aantal boeklogjes staat bijvoorbeeld duidelijk dat ik het betreffende boek voor andere media met andere doelen heel positief zou hebben besproken — terwijl het mij alleen bracht wat ik al kende, en dus als leeservaring teleurstelde.

Desondanks koos ik indertijd de kant van Zwagerman. Ook al ging diens conflict met Peters om de roman Chaos en rumoer, en is dat boek amper het papier waard waarop het gedrukt werd. Maar Peters leek wel heel opportunistisch bij te schnabbelen voor allerlei blaadjes. Hij sprak wel erg vaak met verschillende tongen. Dit maakte hem als mogelijke gids volstrekt onbetrouwbaar.

Toch is dit spijtig, zeg ik nu. Daardoor heb ik eerder deze bundel over de Nederlandse literatuur gemist — waarin kritieken, en beschouwingen, afgewisseld worden met meer persoonlijk getinte stukken.

In dit boek toont Peters zich namelijk wel een interessante autoriteit. Hij won mij gemakkelijk over, op punten. Ook al was dit meer door de argumenten waarmee hij de gebreken in bepaalde boeken wist aan te wijzen, dan om iets anders.

Peters is namelijk een tamelijk kritiekloos bewonderaar van Hermans, of A.F.Th. van der Heijden. Maar blijkbaar spreekt die adoratie voor zich. Terwijl ik, die nu juist lang niet alles goedvind wat beide auteurs hebben uitgebracht, liever met een wat minder blinde aanbidding geconfronteerd was.

Dus misschien vond ik dit wel alleen een aangenaam boek, omdat ik zo veel kritische opmerkingen over Nederlandstalige schrijvers verheugd begroette.

Over zijn vijand:

Het grote probleem van Zwagermans schrijverschap komt in een schel licht: hij heeft de tijdverschijnseltjes dringend nodig bij gebrek aan een eigen dringende thematiek. [67]

Over Phileine zegt sorry

Hartig, zilt-raak, als een pats met een natte handdoekpunt in een gezicht, slaat zijn onmacht Ronald Giphart in deze roman. [72]

Over Leon de Winter

Leon de Winter is een adequaat pulpschrijver. [82]

Over Connie Palmen

Ze gelooft in verhalen, fictie en stijl, beweert ze. Als je haar werk leest, vind je wel een leven maar geen goed verhaal. Palmen vat schrijven op als middel om haar misplaatste egotisme uit te leven. [89]

Over Mulisch

Harry pijpt zijn deuntje, erop vertrouwend dat een man van zijn reputatie met half werk nog goed weg komt [173]

Vanzelfsprekend gaat het nooit om deze zinnetjes alleen, maar het raamwerk van de kritiek, waarin deze oordelen de bijna overbodige conclusies zijn.

Maar uiteindelijk gaat het bij kritieken steeds om de eerlijkheid van de criticus. Mulisch is voor velen, en niet in het minst zichzelf, een groot schrijver. Dus wordt iedereen die dit niet vindt al gauw een azijnpisser genoemd; zelfs al heeft Mulisch merkwaardige slechte boeken geschreven. [En acht ik hem vooral een handige oplichter]. Het vergt moed om publiek tegen een lofkoor in te zingen.

Deze hele bundel van Arjan Peters is dan ook te lezen als het programma van een literair criticus, in vijf delen, die daarin bovendien moeite doet om de lezer goed van slecht te leren onderscheiden.

Ik had het boek alleen daarom al onbekommerd aan iedereen aanbevolen, ware er dus niet die ene affaire geweest, met dat ergerlijke windvaantjesgedrag.

Arjan Peters, De ongeneeslijke lezer
Een werkboek

336 pagina’s
Uitgeverij Contact, 2002

Revanche van de roman
Thomas Vaessens

Hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde, dat lijkt me meer de benaming voor een sadistische straf dan de aanduiding voor een achtenswaardig beroep. Het is al zo zelden een genoegen om Nederlandstalige fictie en poëzie te lezen. Laat staan om er serieus studie van te maken, en beschouwingen over te schrijven.

Tegelijk zou zo’n positie wel degelijk nut hebben, als een soort Keuringsdienst van waren. Maar geen man of vrouw die zich daartoe geroepen heeft gevoeld — als er al eens kritiek komt op het aanbod, blijft die in de meest algemene termen steken. Nooit wordt het niveau vergeleken met wat in het buitenland gebeurt.

Thomas Vaessens is een redelijk verse Hoogleraar literatralala. En zoals het dan gaat, moet hij eerst flink wat geurvlaggen plaatsen om een territorium af te bakenen. Dat gebeurt dan mede in deze monografie, De revanche van de roman, waarin hij vrijwel alles wat zijn voorgangers geschreven hebben voor het gemak meteen maar negeert.

Vaessens nam daarentegen nog wel de moeite om enkele recente Nederlandse romans te bespreken, om zo zijn visies toe te lichten.

Toevallig had ik een aantal van die boeken gelezen. Toch nog. Optimisme is nu eenmaal een intellectuele plicht, hoe moeilijk dat soms ook valt. Die titels waren Chaos en rumoer van Joost Zwagerman. De literaire kring van Marjolijn Februari, en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. En alleen daardoor viel al op dat Vaessens deze boeken weliswaar tot in het treurige detail navertelt, maar ook dat hij er niets meer uithaalt dan een gewone lezer als ik.

Vaessens gaat dan bijvoorbeeld uitleggen dat Zwagerman, in een boek over twee auteurs, laat doorklinken hoe hijzelf over het schrijven denkt, en over de problemen van dat métier. .

Vaessens signaleert verder dat Marjolijn Februari weleens maatschappijkritiek uitoefent in haar columns. En dat dit genre tot zulke uitwassen leidt, is natuurlijk ongekend.

De crux van dit boek ligt misschien ook ergens anders. Vroeger namelijk, hebben de genoemde schrijvers vroeger werk geschreven. Die boeken zijn anders dan ze tegenwoordig maken. Alweer is dat geen conclusie waar ik bijzonder van opkeek.

En het verschil tussen toen en nu, volgens Vaessens, is dat toen het postmodernisme hevig woedde. Genoemde schrijvers daar ook behoorlijk aan leden. En dat het tegenwoordig weer beter met ze gaat.

Nu heb ik geen idee wat dat postmodernisme is. Het lijkt me een besmettelijke ziekte, uitgevonden door of voor Hoogleraren literatralala en ander universitair volk op zoek naar een wetenschap. Zij alleen kunnen de symptomen van het postmodernisme vaststellen. Genezen kunnen de literatuurwichelaars evenwel niet. Hoogstens opgelucht constateren dat de epidemie voorbijtrekt, zoals ondertussen schijnt te gebeuren.

Iets het label postmodernistisch geven, is nog het best vergelijkbaar met hoe doktoren vrouwen eeuwenlang de ziekte hysterie hebben toegedacht. Men was trots een etiket te kunnen hebben plakken, dacht met de benoeming ook de genezing in gang te hebben gezet — het aloude Repelsteeltje-syndroom — en tegelijk zei dit allemaal helemaal niets.

Vaessens toont zich opgelucht dat romans nu soms alweer meer met de werkelijkheid van doen hebben dan voorheen. Al gebeurt dit hem nog lang niet vaak genoeg.

Schadelijk is namelijk, niet in het minst voor de status van bijvoorbeeld zijn vak, dat schrijvers er tegenwoordig zo veel minder toe doen dan in de jaren vijftig en zestig. Morele autoriteit zoeken we niet meer in boeken.

Tegelijk hebben ook de Hoogleraren literatralala en hun vazallen stevig meegeholpen de status van de roman uit te hollen. Hun deconstructivisme, of hoe die al onwetenschappelijke methodiekjes ook heetten, brak alleen maar af. Dus moet het ook aan de faculteiten letterkunde allemaal anders van Vaessens.

En ach, zulk idealisme als slot van een boek heeft wel iets roerends.

Ondertussen verschijnen in Nederland de interessantste boeken in genres die Vaessens niet bestudeert; omdat die niet tot de bellettrie behoren.

Thomas Vaessens, De revanche van de roman
Literatuur, autoriteit, en engagement

255 pagina’s
Uitgeverij Vantilt, 2009

Transito
Joost Zwagerman

Joost Zwagerman heeft inmiddels meer essaybundels uitgebracht dan romans en verhalenboeken samen, valt me op.

Wie maar gestaag door blijft keutelen, produceert op den duur ook een hoop. En, het moet gezegd, geen essaybundel van Zwagerman kan verschijnen, of ik heb er van alles op aan te merken. Alleen wordt de afkeer nooit zo groot dat ik me voor altijd van hem afkeer. Het is ook allemaal wel netjes zoals hij het doet, keurig vanachter zijn schrijftafel. En niemand anders in Nederland schrijft over de onderwerpen die hij aansnijdt.

Die ik toevallig wel interessant vind.

Maar vanuit die gedeelde interesse voor schrijvers, kunst en cultuur, valt me altijd weer op dat het Zwagerman nu nooit eens lukt iets memorabels op te schrijven dat ik niet al ergens anders las. Bovendien is zijn onderwerpkeuze nogal aan de veilige kant, zachtjes uitgedrukt.

Zwagerman zingt steevast in koor mee over de canon, is de bewieroker van wierook, en draagt in iedere essaybundel weer rivieren water naar de zee. Dat hij zo hoog geprezen wordt, is blijkbaar omdat niemand hier ooit een woord van over de grens leest.

Alleen het stuk over de dichter Pieter Boskma bracht werkelijk nu eens nieuws. Maar dat was dan ook weer geen essay; slechts de begeleidende tekst van een bundel die Zwagerman zelf al had samengesteld.

Veel brouhaha, met opvallend slecht citerende criticasters, was er verder al over de Frans Kellendonk-lezing die Zwagerman hield, tegen de literaire quarantaine in Nederland. Als u dit onderwerp interesseert, gelieve dan zijn tekst hier zelf te lezen en u er een eigen mening over te vormen. Ik heb ook zo mijn opinies, maar die zijn niet zo relevant gezien mijn afkeer van vrijwel alles wat in Nederland voor literaire roman doorgaat.

Nee, het interessantst zijn uiteindelijk toch weer de persoonlijke stukken, traditioneel helemaal achterin. Al schijnt op te vallen dat Zwagerman het stuk over zijn geboortestad Alkmaar geschreven heeft zonder eens degelijk te informeren wat daar veranderd is sinds zijn jeugd.

En als het dan toch over verwijtbare slordigheden gaat. Zwagerman zet in zijn stuk over Berhard-Henri Levy’s grand-tour van de VS diens criticaster Garrison Keillor wel erg dom weg als kleinstedelijke patriot. Nooit Keillor’s allesbehalve dorpse Writer’s Almanac gevolgd, waarschijnlijk. Nooit gesnapt dat Keillor’s verhalen over het afgelegen dorpje Lake Wobegon een microcosmos van de hele wereld tonen. Al was het maar in diens traditionele opmerking aan het eind dat alle kinderen daar bovengemiddeld begaafd zijn.

Joost Zwagerman, Transito
360 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 2006


Vijfde seizoen
Joost Zwagerman

Wat zou ik Zwagerman toch graag lezen over een onderwerp dat hij voor de verandering eens als allereerste aansnijdt. Waarbij hij laat zien wel degelijk zelf te kunnen waarnemen, in plaats de schijn te wekken vooral ideeën bij anderen te lenen.

Goed, hij schroomt niet om te laten zien bij wie allemaal hij zijn ideeën weg haalt. Maar daarvoor geldt toch ook het adagium van Schopenhauer: wat moet iemand weinig eigen gedachten hebben om zo veel te kunnen lezen.

En ja, ik weet dat zoiets ook over dit boeklog gezegd kan worden.

Het grootste deel van dit boek is gevuld met variaties op evergreens uit het beschouwende werk van Zwagerman. Er komen heel wat bekende helden langs, zoals de schrijvers Updike, Bellow, Martin Amis, en Madonna.

Aardig is wel een beschouwing over het korte verhaal, en de vraag waarom in Nederland iedereen toch per se een roman wil schrijven.

En ook was informatief dat Zwagerman meldde zich bij het schrijven van een roman als Chaos en rumoer niet op Martin Amis baseerde, zoals Ron Kaal dacht, maar juist op Cees Nooteboom. ‘Plagiaat als stijlfiguur.’ En geen enkele Nederlandse criticus die het natuurlijk gezien had, haha.

Toch, de laatste tachtig pagina’s van dit boek zijn op zich het interessantst. Als Zwagerman ineens bekent dat zijn vader een zelfmoordpoging heeft gedaan, en hij niet meteen tien citaten van grote namen gereed heeft om te verwoorden wat hem dat deed.

Maar goed. De dood. Daar is ook al niet heel wat over gezegd.

Joost Zwagerman, Het vijfde seizoen
350 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2003


Wilde westen
Joost Zwagerman

Dit is een verzameling columns en ander mengelwerk met een ietwat pretentieuze titel. Joost Zwagerman is namelijk niet achter zijn schrijftafel weggekomen om de wereld te beschouwen. Hij reageert in eerste instantie vooral op wat hij in de media voorbij zag komen, en daardoor bovenal wat daarin als belangrijk werd gezien en rumoer maakte in het jaar 2002. Dat was de opkomst van Pim Fortuyn bijvoorbeeld. Al gaat tweederde van dit boek daar nu net helemaal niet over.

En tuurlijk, schrijven kan hij wel. En een mening komt er ook nog weleens te voorschijn. Maar het is op een of andere manier allemaal zo weinig verrassend.

Wie als historicus over een paar decennia wil weten wat de correcte gedachten waren over de ontwikkelingen van dezer dagen, kan daarvoor prima bij de verzamelde columns van Zwagerman terecht. Daar zal dan dus ook de blindheid van die opinies uit blijken.

Joost Zwagerman, Het wilde westen
Nederland 2001-2003

207 pagina’s
Uitgeverij De Arbeidspers, 2003