Geert Buelens red.
100 beste gedichten van 2001

Vreemd. Lees ik opeens een gedicht van Joost Zwagerman dat niet onaardig is. Zwagerman! Een schrijver die ik kan bewonderen om zijn ambachtelijke kwaliteiten, maar wie mij verder grotendeels onverschillig laat. Zwagerman is toch vooral zoiets als een kant-en-klare opwarmmaaltijd uit de supermarkt; het vult, er zitten geen nare klonten in, en het lijkt op het oog nog op het voorbeeld ook.

Enfin, is hiermee het nut van zo’n bloemlezing als deze maar weer eens aangetoond. Omdat ik niet automatisch naar de namen van de dichters kijk, maar onbevangen lees, worden sommige vooroordelen weggenomen.

Blijft staan dat ook nu weer onnoemelijk veel poëzie me totaal onverschillig laat. De kwestie is natuurlijk: ligt dat aan mij, of kan ik gewoon niet lezen?

Ik hel er steeds meer na over gewoon mijn poëzie-opvatting dan maar tot de juiste te verklaren. Wie al tienduizenden gedichten heeft gelezen, is daardoor gevormd.

Anneke Brassinga is trouwens ook met een mooi gedicht vertegenwoordigd in deze bundel, net als Leonard Nolens.

Stoort het
als ik de radio iets harder van je leen
en wat eten en ik vroeger wegga?
Het geeft toch niet dat ik hier
iets neerzet om iets anders en
een tijdje wegblijf en een volgende keer
hetzelfde en iemand op te halen?
Is het lekker
als ik dit en zachtjes daar
of misschien wel niets te doen?
En vind je het wel goed
dat ik mij vermom als zuidenwind en
alle smalle schouders op het strand
aanraak?

Joost Zwagerman

Geert Buelens red, De 100 beste gedichten van 2001
156 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2002


Joost Zwagerman red.
Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen

Eén van de boeken waarvan ik blij ben dat het in mijn kast staat, is er twee. De beide in leer gebonden deeltjes van The Oxford Library of Classic English Short Stories. Tezamen zijn deze goed voor zo’n negenhonderd pagina’s tekst. Dat is een hoop, maar door de keuze om de verhalen in twee deeltjes te presenteren, zijn de boekdelen goed hanteerbaar gebleven. En prettig te lezen.

Wat me meteen opviel aan De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen is dat dit boek allesbehalve prettig leest. Er zijn 1600 paginas in een band gepropt, de bladspiegel is te breed, er staan te veel zinnen op een pagina, en nieuwe verhalen komen zonder enige rust meteen na de voorafgaande. Daardoor begint er ook weleens een verhaal ongelukkig helemaal onderaan de bladzijde [Willem Melchior, Kogeltjes].

Terwijl het boek rijkdom belooft, is het zo volgepropt dat het juist een goedkope indruk maakt.

Daarnaast is er natuurlijk dat andere bezwaar tegen bloemlezingen. De eeuwige vraag: waarom heeft de samensteller uitgezocht wat die heeft uitgezocht? Bij een heel aantal van de opgenomen schrijvers had ik andere verhalen uitgekozen. Maar waarom? Omdat ik vooral het mooiste uit wil kiezen, en niet iets dat misschien meer representatief voor het geheel?

Vraag is ook wat het doel van zo’n bloemlezing als deze is, waar rijp en groen door elkaar staat, en grootmeesters naast debutanten prijken. Al schijnt Zwagerman bij de samenstelling vooral de vroege verhalen te hebben gekozen, omdat die de wereld voor het eerst met een nieuwe stem lieten kennismaken.

Een ode aan het verhaal aan genre heet dit boek te zijn. In Nederland is het kortverhaal altijd ondergewaardeerd, omdat verhalen hier nog altijd als vingeroefeningen gezien schijnen te worden. Ach ja. De doorsnee Nederlandse roman is nu eenmaal een meesterwerk in het zo hoogaangeschreven genre. Wat deugt er wel aan de waardering van boeken hier?

Mijn algemene bezwaar tegen deze bundel, en de keuze van Zwagerman om vooral vroeg werk op te nemen, is dat de Nederlandse en Vlaamse literatuur van de laatste decennia daarmee erg puberaal wordt. Jonge schrijvers schrijven over jonge mensen. Andere mensen zijn ze nog niet geweest. Maar het wereldbeeld van jonge mensen is bijna voorspelbaar zwart-wit. Met autoriteiten als ouders en leraren, zonder die verplichting van werk en vaste lasten. En ook met voorspelbare angsten.

Ik ben nogal uitgekeken op verhalen met zulke vaste en in mijn ogen gemakkelijke sjablonen. Net als dat ik bijna geen boek over de Tweede Wereldoorlog lezen kan, zonder me te ergeren aan al te makkelijke goed-fout tegenstellingen. Sorry, maar dat weten we nu wel.

Dus. Als dit werkelijk het beste is wat we hebben, dan kan die Nederlandse literatuur grotendeels maar beter worden opgeheven ook.

Desalniettemin, er stonden toch enkele verhalen in dit boek die me nieuwsgierig maakten naar meer. Ondanks alle hierboven opgesomde bezwaren. Ondanks dat een los verhaal tussen die van andere schrijvers wel erg op zichzelf staat, en nauwelijks profiteert van de gemoedstoestand die ontstond na wat daarvoor gelezen werd. Kwaliteit of eigenheid verloochent zich niet. Alleen is vier of vijf prikkelingen op 250 geen grote oogst.

Maar misschien is dat wel het enige doel van bloemlezingen. Dat de lezer daarna gericht andere boeken gaat opzoeken, profiterend van de selectie die een ander al deed. Alleen onderscheidt een zorgvuldig samengestelde bundel als deze zich daarmee dus niet van zo’n slordig vakantieboekje als De twintig beste verhalen over de liefde, of dergelijke tinnef.

Terwijl bijvoorbeeld The Oxford Library of Classic English Short Stories bewijst dat het wel kan: een bijna liefdevolle introductie bieden tot het kortverhaal. Dat is dit boek niet. Want, daarvoor staat er teveel in.

De Nederlandse en Vlaamse literatuur
vanaf 1880 in 250 verhalen

Samengesteld door Joost Zwagerman
1599 pagina’s
Uitgeverij Prometheus © 2005


Arjan Peters
Ongeneeslijke lezer

De criticus Arjan Peters was me om een paar redenen bekend, die allemaal weinig met deze bundel te maken hebben. Zo schreef hij vernietigend over het debuut van schrijfster Désanne van Brederode, om later met haar te trouwen. En dan was er nog een akkefietje met Joost Zwagerman — die het niet kon zetten dat Peters in de Volkskrant een roman van hem afkraakte, maar datzelfde boek in een ander blad vervolgens juichend bij buitenlandse uitgevers aanbeval.

Nu zal geen recensent altijd dezelfde mening over een boek verkondigen. Dat komt domweg omdat de context waarin zij hun mededelingen doen niet altijd dezelfde is. En daarmee verschillen ook het publiek, en de verwachtingen van dat publiek.

Zonder mijzelf criticus te willen noemen: in een aantal boeklogjes staat bijvoorbeeld duidelijk dat ik het betreffende boek voor andere media met andere doelen heel positief zou hebben besproken — terwijl het mij alleen bracht wat ik al kende, en dus als leeservaring teleurstelde.

Desondanks koos ik indertijd de kant van Zwagerman. Ook al ging diens conflict met Peters om de roman Chaos en rumoer, en is dat boek amper het papier waard waarop het gedrukt werd. Maar Peters leek wel heel opportunistisch bij te schnabbelen voor allerlei blaadjes. Hij sprak wel erg vaak met verschillende tongen. Dit maakte hem als mogelijke gids volstrekt onbetrouwbaar.

Toch is dit spijtig, zeg ik nu. Daardoor heb ik eerder deze bundel over de Nederlandse literatuur gemist — waarin kritieken, en beschouwingen, afgewisseld worden met meer persoonlijk getinte stukken.

In dit boek toont Peters zich namelijk wel een interessante autoriteit. Hij won mij gemakkelijk over, op punten. Ook al was dit meer door de argumenten waarmee hij de gebreken in bepaalde boeken wist aan te wijzen, dan om iets anders.

Peters is namelijk een tamelijk kritiekloos bewonderaar van Hermans, of A.F.Th. van der Heijden. Maar blijkbaar spreekt die adoratie voor zich. Terwijl ik, die nu juist lang niet alles goedvind wat beide auteurs hebben uitgebracht, liever met een wat minder blinde aanbidding geconfronteerd was.

Dus misschien vond ik dit wel alleen een aangenaam boek, omdat ik zo veel kritische opmerkingen over Nederlandstalige schrijvers verheugd begroette.

Over zijn vijand:

Het grote probleem van Zwagermans schrijverschap komt in een schel licht: hij heeft de tijdverschijnseltjes dringend nodig bij gebrek aan een eigen dringende thematiek. [67]

Over Phileine zegt sorry

Hartig, zilt-raak, als een pats met een natte handdoekpunt in een gezicht, slaat zijn onmacht Ronald Giphart in deze roman. [72]

Over Leon de Winter

Leon de Winter is een adequaat pulpschrijver. [82]

Over Connie Palmen

Ze gelooft in verhalen, fictie en stijl, beweert ze. Als je haar werk leest, vind je wel een leven maar geen goed verhaal. Palmen vat schrijven op als middel om haar misplaatste egotisme uit te leven. [89]

Over Mulisch

Harry pijpt zijn deuntje, erop vertrouwend dat een man van zijn reputatie met half werk nog goed weg komt [173]

Vanzelfsprekend gaat het nooit om deze zinnetjes alleen, maar het raamwerk van de kritiek, waarin deze oordelen de bijna overbodige conclusies zijn.

Maar uiteindelijk gaat het bij kritieken steeds om de eerlijkheid van de criticus. Mulisch is voor velen, en niet in het minst zichzelf, een groot schrijver. Dus wordt iedereen die dit niet vindt al gauw een azijnpisser genoemd; zelfs al heeft Mulisch merkwaardige slechte boeken geschreven. [En acht ik hem vooral een handige oplichter]. Het vergt moed om publiek tegen een lofkoor in te zingen.

Deze hele bundel van Arjan Peters is dan ook te lezen als het programma van een literair criticus, in vijf delen, die daarin bovendien moeite doet om de lezer goed van slecht te leren onderscheiden.

Ik had het boek alleen daarom al onbekommerd aan iedereen aanbevolen, ware er dus niet die ene affaire geweest, met dat ergerlijke windvaantjesgedrag.

Arjan Peters, De ongeneeslijke lezer
Een werkboek

336 pagina’s
Uitgeverij Contact, 2002

Joost Zwagerman
Transito

Joost Zwagerman heeft inmiddels meer essaybundels uitgebracht dan romans en verhalenboeken samen, valt me op.

Wie maar gestaag door blijft keutelen, produceert op den duur ook een hoop. En, het moet gezegd, geen essaybundel van Zwagerman kan verschijnen, of ik heb er van alles op aan te merken. Alleen wordt de afkeer nooit zo groot dat ik me voor altijd van hem afkeer. Het is ook allemaal wel netjes zoals hij het doet, keurig vanachter zijn schrijftafel. En niemand anders in Nederland schrijft over de onderwerpen die hij aansnijdt.

Die ik toevallig wel interessant vind.

Maar vanuit die gedeelde interesse voor schrijvers, kunst en cultuur, valt me altijd weer op dat het Zwagerman nu nooit eens lukt iets memorabels op te schrijven dat ik niet al ergens anders las. Bovendien is zijn onderwerpkeuze nogal aan de veilige kant, zachtjes uitgedrukt.

Zwagerman zingt steevast in koor mee over de canon, is de bewieroker van wierook, en draagt in iedere essaybundel weer rivieren water naar de zee. Dat hij zo hoog geprezen wordt, is blijkbaar omdat niemand hier ooit een woord van over de grens leest.

Alleen het stuk over de dichter Pieter Boskma bracht werkelijk nu eens nieuws. Maar dat was dan ook weer geen essay; slechts de begeleidende tekst van een bundel die Zwagerman zelf al had samengesteld.

Veel brouhaha, met opvallend slecht citerende criticasters, was er verder al over de Frans Kellendonk-lezing die Zwagerman hield, tegen de literaire quarantaine in Nederland. Als u dit onderwerp interesseert, gelieve dan zijn tekst hier zelf te lezen en u er een eigen mening over te vormen. Ik heb ook zo mijn opinies, maar die zijn niet zo relevant gezien mijn afkeer van vrijwel alles wat in Nederland voor literaire roman doorgaat.

Nee, het interessantst zijn uiteindelijk toch weer de persoonlijke stukken, traditioneel helemaal achterin. Al schijnt op te vallen dat Zwagerman het stuk over zijn geboortestad Alkmaar geschreven heeft zonder eens degelijk te informeren wat daar veranderd is sinds zijn jeugd.

En als het dan toch over verwijtbare slordigheden gaat. Zwagerman zet in zijn stuk over Berhard-Henri Levy’s grand-tour van de VS diens criticaster Garrison Keillor wel erg dom weg als kleinstedelijke patriot. Nooit Keillor’s allesbehalve dorpse Writer’s Almanac gevolgd, waarschijnlijk. Nooit gesnapt dat Keillor’s verhalen over het afgelegen dorpje Lake Wobegon een microcosmos van de hele wereld tonen. Al was het maar in diens traditionele opmerking aan het eind dat alle kinderen daar bovengemiddeld begaafd zijn.

Joost Zwagerman, Transito
360 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 2006


Joost Zwagerman
Vijfde seizoen

Wat zou ik Zwagerman toch graag lezen over een onderwerp dat hij voor de verandering eens als allereerste aansnijdt. Waarbij hij laat zien wel degelijk zelf te kunnen waarnemen, in plaats de schijn te wekken vooral ideeën bij anderen te lenen.

Goed, hij schroomt niet om te laten zien bij wie allemaal hij zijn ideeën weg haalt. Maar daarvoor geldt toch ook het adagium van Schopenhauer: wat moet iemand weinig eigen gedachten hebben om zo veel te kunnen lezen.

En ja, ik weet dat zoiets ook over dit boeklog gezegd kan worden.

Het grootste deel van dit boek is gevuld met variaties op evergreens uit het beschouwende werk van Zwagerman. Er komen heel wat bekende helden langs, zoals de schrijvers Updike, Bellow, Martin Amis, en Madonna.

Aardig is wel een beschouwing over het korte verhaal, en de vraag waarom in Nederland iedereen toch per se een roman wil schrijven.

En ook was informatief dat Zwagerman meldde zich bij het schrijven van een roman als Chaos en rumoer niet op Martin Amis baseerde, zoals Ron Kaal dacht, maar juist op Cees Nooteboom. ‘Plagiaat als stijlfiguur.’ En geen enkele Nederlandse criticus die het natuurlijk gezien had, haha.

Toch, de laatste tachtig pagina’s van dit boek zijn op zich het interessantst. Als Zwagerman ineens bekent dat zijn vader een zelfmoordpoging heeft gedaan, en hij niet meteen tien citaten van grote namen gereed heeft om te verwoorden wat hem dat deed.

Maar goed. De dood. Daar is ook al niet heel wat over gezegd.

Joost Zwagerman, Het vijfde seizoen
350 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2003


Joost Zwagerman
Wilde westen

Dit is een verzameling columns en ander mengelwerk met een ietwat pretentieuze titel. Joost Zwagerman is namelijk niet achter zijn schrijftafel weggekomen om de wereld te beschouwen. Hij reageert in eerste instantie vooral op wat hij in de media voorbij zag komen, en daardoor bovenal wat daarin als belangrijk werd gezien en rumoer maakte in het jaar 2002. Dat was de opkomst van Pim Fortuyn bijvoorbeeld. Al gaat tweederde van dit boek daar nu net helemaal niet over.

En tuurlijk, schrijven kan hij wel. En een mening komt er ook nog weleens te voorschijn. Maar het is op een of andere manier allemaal zo weinig verrassend.

Wie als historicus over een paar decennia wil weten wat de correcte gedachten waren over de ontwikkelingen van dezer dagen, kan daarvoor prima bij de verzamelde columns van Zwagerman terecht. Daar zal dan dus ook de blindheid van die opinies uit blijken.

Joost Zwagerman, Het wilde westen
Nederland 2001-2003

207 pagina’s
Uitgeverij De Arbeidspers, 2003