Dagboek van een provinciaal ~ Gerrit Jan Zwier

Van alle nog publicerende Nederlandse schrijvers moet Gerrit Jan Zwier [1947] wel het langst in mijn leven aanwezig zijn. De reden daartoe is simpel. Hij had een column in de krant die mijn ouders hadden, of schreef daar stukken voor. En voor er volwassen boeken in mijn leven kwamen, las ik al kranten.

Ook leerde mij een website met plaatjes van kaften — mijn geheugen is sterk visueel, titels worden vergeten — dat ik in de jaren tachtig meerdere boeken van hem heb gelezen.

Vervolgens waren er blijkbaar geen redenen meer om Zwier te lezen. Net zo min als er redenen zijn om hem niet te lezen. Of het moet zijn dat hij me te vaak over noordelijke streken schreef, en ik de teneur van zulke verhalen wel dacht te kennen.

De vernieuwde kennismaking vorig jaar zette niet meteen aan tot meer. Hij had zichzelf in dat boek te veel uit zijn reisreportages weggeschreven. En hoewel zo’n aanpak best kan — mijn held John McPhee doet niet anders — miste er blijkbaar toch iets daardoor.

Daarom wilde toch dit Dagboek van een provinciaal nog eens proberen. Het leek me niet dat hij zichzelf uit een dagboek kon schrijven.

En toch gebeurde dat ergens wel. Maar, op een goede manier.

Dagboek van een provinciaal is Zwier’s weerslag van vijf jaar om zich heen kijken. Heel prettig daaraan vond ik dat hij enerzijds vele boeken leest, en anderzijds juist ook reizen maakt. Hij handelt. Dus staan er opinies genoeg in het boek, maar ontbreekt het daarbij opvallend aan navelstaarderij.

Terwijl de jaren 1991-1995 toch wel aanleiding tot langdurige introspectie hadden kunnen geven. Zijn vader overleed, zijn vrouw werd ziek, zijn dochter werd vrouw na een tijd te hebben gepuberd.

Nu las Zwier in die tijd ook de Geheime dagboeken van Hans Warren. Dit gebeurde met toenemende walging, omdat ze alleen over die zo weinig boeiende man gaan, en volstrekt geen humor bevatten. Een voorbeeld van hoe het niet moest met zijn eigen dagboek was dus voorhanden.

Dit boek bevat ook telkens langere en uitgewerkte stukken — geen dagelijkse reeksjes aantekeningen. En die stukken zijn soms prettig anekdotisch. Zo beschrijft Zwier op een halve pagina een avond in 1982, vijfhonderd jaar nadat Jan van Schaffelaar in Barneveld van de toren was gesprongen. Dat jubileum werd gevierd in een zaal vol met hedendaagse Jannen van Schaffelaar, die trots waren zo’n beroemde naamgenoot te hebben.

Prins begon zijn voordracht met een mededeling die insloeg als een bom: de ware naam van Jan van Schaffelaar luidde Jan van Domselaar. Vanwege een erfeniskwestie had deze Domselaar de familienaam van zijn vrouw overgenomen. In de zaal brak een groot tumult uit.

‘Leugens!’, riep een Jan van Schaffelaar. [216]

Ook zijn in het boek delen opgenomen uit stukken die hij elders publiceerde, of voorlas.

Want, in het tijdsbestek van dit dagboek begint Zwier onder meer een polemiek tegen de criticus Tom van Deel. [Leeft die eigenlijk nog?] Deze besprak boeken van vrienden in de krant. Wat nog daar aan toe is. Maar wat Zwier aan Van Deel verwijt, is dat deze eerst uitdrukkelijk de vriendschap zocht met geliefde schrijvers, om hen daarbij zijn diensten aan te bieden, en daarna nog eens hun boeken ging bespreken.

Van de weeromstuit zweeg het wereldje Zwier’s nieuwe roman, Kampvuren in de dessa, geheel dood. En toen er dan na maanden eens een recensie kwam, had Janet Luis, de bespreekster van dienst, het over een verhalenbundel. Die de moeite niet waard was, zoals zij dus zonder te lezen wist.

Op het kaft van de roman staat alleen wel een prijzende aanbeveling van dezelfde Luis over een eerder boek van Zwier.

Wat dat betreft is het jammer dat Zwier dit boek het Dagboek van een provinciaal heeft genoemd; omdat telkens vooral het zo provinciale gedrag bij anderen opvalt. Tegelijk, ik begrijp ook dat Zwier juist door hen met dat etiket werd weggezet.

Maar, de ideeën van Gerrit Jan Zwier over literatuur in dit dagboek bevielen me zeer. Wat in de eerste plaats kwam omdat die vaak de mijne gelijken.

Zo verwijt hij Jeroen Brouwers terecht dat het merkwaardig is om én Harry Mulisch én Willem Frederik Hermans als literaire helden te hebben. De werkwijze van de éen sluit die van de ander nu eenmaal uit.

Wel viel me op dat er begin jaren negentig blijkbaar nog veel praat was over ‘het Revisor-proza’ van enkelen. Die enkelen hebben zichzelf sindsdien toch aardig uit de markt geprijsd, doordat ze zo weinig publiceren, lijkt me.

Zwier is antropoloog, of werkte in elk geval een tijd in die richting, en zijn werk heeft op de beste momenten vaak iets prettigs afstandelijks; wat daardoor dan nieuwe inzichten mogelijk maakt. Dit dagboek maakte door zijn toon en aanpak heel erg nieuwsgierig naar meer.

wordt vervolgd

Gerrit Jan Zwier, Dagboek van een provinciaal
278 pagina’s
Atlas, 1999

Denkwijze 298 ~ Gerrit Jan Zwier

Zwier begon deze bundel met boekbesprekingen met een uithaal naar de Nederlandse literatuurrecensenten. Dat is een incestueus Randstedelijk gezelschap, dat alleen al bekende schrijvers bespreekt, of wat het toevallig goed op televisie heeft gedaan. Die heffen in hun verveling te vaak weer een onbeduidende debutant te hoog op het schild.

Gerrit Jan Zwier schreef zelf recensies voor de Leeuwarder Courant, het Hoofdblad van Friesland. Hij had zich zo in de jaren tachtig een vrijplaats geschapen om onbevangen te oordelen over wat er zoal verscheen aan bellettrie. Dus kon hij goed vergelijken tussen wat hij vond, en hoe anderen daar over dachten.

Een vraag werd daarmee wel of hij nog verrassend andere boeken had besproken dan ik me uit die tijd herinnerde. Of dat zijn oordeel opvallend anders was.

Moeilijkheid is ook dat ik eigen opinies heb, over sommige boeken. En dat mijn mening uit 2010 inmiddels een andere kan zijn dan die van twintig, vijfentwintig jaar geleden.

Maar, ik bleek het nu in elk geval opvallend vaak met hem eens te zijn, over gekende hoogtepunten uit die jaren. Frans Kellendonk zijn Mystiek lichaam?

suspecte filosofie […] in een schimmelige beeldspraak [132]

Oek de Jong’s Cirkel in het Gras?

Saaiheid is dan het gevolg, vooral als er eindeloos wordt doorgepraat over zieleroerselen en elke gevoelsnuance aan een nader onderzoek wordt onderwerpen. Er wordt ook veel te veel gedroomd in deze roman, wat wel veel symbolische verwijzingen oplevert, maar wederom afbreuk doet aan het tempo van de handeling. [128]

Over Geheim dagboek 1954-1955 van Hans Warren:

In momenten van opwinding of leegte grijpt Warren naar zijn ‘Eiffeltoren’ […] of naar zijn pen. Misschien is het intensieve geschrijf in het dagboek wel een vorm van geestelijke masturbatie. Het is duidelijk dat het een centrale plaats in het leven van deze schrijver inneemt; het is praatpaal, biechtstoel en remplaçant van minnaar, moeder en God de Vader tegelijk. […]

Na een lullificatie volgt een versificatie en omgekeerd.[197]

Andersom: Zwier prees de boeken die hij van mij ook goed had moeten vinden. De Braziliaanse brieven van August Willemsen. De Kroniek van een karakter van Brouwers. Quissama van Springer. En Advocaat van de hanen van A.F.Th. van der Heijden is inderdaad het meest meeslepende boek uit die hele cyclus van hem; zonder vervelende symboliek of andere nare Revisor-trekjes bovendien.

Eigenlijk is het helemaal niet goed om het zo met een criticus eens te zijn, als zijn oordeel naast het eigen gelegd kan worden. Dat schept nogal wat verplichtingen. Dat dwingt tot het lezen van boeken die hij ook prijst, en waar ik soms niet eens van gehoord heb. En wie de Nederlandse boekhandel kent, weet dat zulk werk nu vaak al nauwelijks meer te vinden zal zijn.

Gerrit Jan Zwier, Denkwijze 298
Hoogte- en dieptepunten in de
Nederlandse literatuur uit de jaren tachtig

207 pagina’s
De Prom Bibliofiel, 1991

Grijpen naar de regenboog ~ Gerrit Jan Zwier

Wie binnen korte tijd vergelijkbare boeken leest van éen auteur, wordt meestal ook meer getroffen door de overeenkomsten, dan door de verschillen.

En Grijpen naar de regenboog is in opzet en uitvoering goed vergelijkbaar met de latere bundel Een lichte angst. Beide bevatten stukken over reisboeken die eerder in een krant stonden. In dit geval was dat de achterpagina van NRC Handelsblad.

In Een lichte angst zijn boekbesprekingen gebundeld. De stukken in Grijpen naar de regenboog zijn eerder columns te noemen; of kleine essays. Omdat het de schrijver niet altijd per se om een boek gaat, maar omdat ook de schrijver een belangrijk onderwerp kon zijn.

Dit materiaal is daarmee wat amorfer dan de latere boekbesprekingen, en dus wisselender van kwaliteit. Tegelijk was er genoeg aan te beleven, omdat de inhoud zo vaak nieuw voor me was — behalve dan bij de heel bekende schrijvers als Evelyn Waugh, of Graham Greene.

Gerrit Jan Zwier behandelde bij voorkeur Britse auteurs van het reisboek, die er vooral in het interbellum massaal op leken uit te trekken. Al komen ook de geheimzinnige B. Traven aan bod, en Kurt Tucholsky.

Mij intrigeerde vooral wat Zwier schreef over de auteur Robert Byron [1905 – 1941]. Over het boek First Russia, then Tibet staat er dan bijvoorbeeld:

Het deel over Tibet is echter op en top een reisverhaal, in de beste Engelse traditie: een soort wanhoopsexpeditie de Himalaya in, waarbij er veel misgaat en veel geleden en gelachen wordt. [56]

scheiding

Op grote hoogte doet de intense zonnebrand de gezichten van de reizigers openbarsten, tot hun rauwe huid zo rood en glanzend is als het vlees van gevilde konijnen. Zodra Byron de grote neus van één der vrienden in het vizier krijgt, heeft hij de neiging om er zijn handen bij te warmen. [57].

En mooi is het dan te weten dat zo’n boek nog immer in druk is. Mooi is het om te beseffen dat de leunstoelreiziger nog heel wat expedities mee te maken heeft.

Gerrit Jan Zwier, Grijpen naar de regenboog
Een literaire safari

104 pagina’s

Hoe schrijf ik een bestseller? ~ Gerrit Jan Zwier

Geen vervelender fictie doorgaans dan die waarin een schrijver de hoofdpersoon is, en het plot vervolgens draait om zijn problemen met het schrijven. Alleen al omdat zo nogal pijnlijk wordt blootgelegd dat zo’n auteur eigenlijk niets te melden heeft — en dat schrijfstijl deze leegte moet verbloemen.

Dus vreesde ik voor de korte roman Hoe schrijf ik een bestseller? van Gerrit Jan Zwier. Die gaat over een schrijver. Bovendien heeft deze auteur nogal wat trekjes met Zwier gemeen. Er is een studie antropologie in het verleden, er ligt dat oeuvre aan reisboeken, er bestaat die liefde voor koude streken.

Maar Hoe schrijf ik een bestseller? is zelfs op het meest oppervlakkige niveau al een heel prettig boek, omdat het satirisch de boekenmarkt van het moment beziet. Waarin zo veel boeken minder verkopen dan voorheen. Waardoor uitgevers plots iets anders gaan verlangen van hun auteurs. Zelfs als deze al tientallen boeken hebben geschreven.

Dit verhaal, waarin dus veel aan werkelijkheid amper vermomd te herkennen valt, is dan bovendien een raam voor een tweede vertelling. Want de schrijver in het boek kiest er inderdaad voor om eens iets heel anders te doen. Hij begint aan een erotische roman; en ook die krijgt de lezer te lezen.

Een autobiografische erotische roman is dat daarbij.

Die overigens geen moment ook maar enige uitgewerkte beschrijvingen bevat van ‘de daad’.

Niet dat het mij daar om te doen was. Ik heb op boeklog vaker gemeld beschrijvingen van sex al enige decennia over te slaan in boeken. Zwier deed wat dit betreft precies het goede, door zijn erotiek in het broeierige te zoeken dat er kan zijn tussen man en vrouw, voordat de kledingstukken uitgaan.

Heeft hij bovendien het probleem gecreëerd om iemand als hijzelf tot hoofdpersoon te maken. En dus een man van tegen de zestig tot erotische held te hebben gepromoveerd — daarmee nogal wat afwijkend van de standaard in het genre. Een man bovendien die geen al te grote macht uitoefent over de vrouwen in zijn leven; als er al niet telkens angst is voor hun onberekenbaarheid.

Dat zal hoogstens een vrij kleine doelgroep opwindend vinden. Maar internet leert dat er niches zijn waarvan ik het bestaan niet eens had kunnen bedenken.

Ik ben zo vrij ook deze keuze als satire te zien — als een bewijs dat auteurs alleen kunnen schrijven zo als ze schrijven; maakt niet welke druk uitgevers op hen uitoefenen. Waarin het bovenal vreemd is dat uitgevers menen dat schrijvers allereerst hun persoonlijkheid moeten uitventen — in boek en media.

Hoe schrijf ik een bestseller? las ik als een vervolg op de indertijd doodgezwegen roman Kampvuren in de dessa. De hoofdpersoon is dezelfde, Aaldert. En hij moddert nog altijd voort in een professie die ooit zo veelbelovend leek, maar waarvan hij nu begrijpt nog net de hoogconjunctuur te hebben meegemaakt — toen alles uitgegeven werd dat naar kwaliteit riekte. Ook zijn niet altijd even goed verkopende werk.

De satire in beide korte romans is dus niet alleen leuk. Daarom. Die toont ook nogal onbarmhartig wat de zorgen zijn van een auteur over waar hij nu eigenlijk mee bezig is.

En als romans dan toch een auteur als hoofdpersoon moeten hebben, dan is Zwier’s invulling van dit thema voor mij de enige die deugt. Omdat de werkelijkheid dan wel verkend is op een manier die er aan toevoegt.

Gerrit Jan Zwier, Hoe schrijf ik een bestseller?
Erotische roman

157 pagina’s
Noordboek, 2013

Kampvuren in de dessa ~ Gerrit Jan Zwier

Het leek of wat Gerrit Jan Zwier schreef in zijn Dagboek van een provinciaal vooral een klacht was over het gebrek aan belangstelling voor deze roman. Maar toen las ik Kampvuren in de dessa, en lag het nog weer anders.

Dat later gepubliceerde dagboek bevat nogal wat elementen die eerder al in de roman waren opgenomen. Maar dan natuurlijk anders. Want, tot kunst verwerkt.

Zo is me nu pas duidelijk waarom Zwier in dat dagboek zo zeer over de aantrekkingskracht schrijft van een jong meisje dat hem kwam interviewen. Toen vond ik dat een wat viezige passage opleveren.

Maar ziet, die situatie komt ook in deze roman voor. En de auteur die dan geïnterviewd wordt, heeft wel wat van Zwier. Zij het dat deze Aaldert me jonger lijkt, en hij ook niet getrouwd is, met kinderen. Maar er bestaat die gemeenschappelijke achtergrond in de antropologie, en er is de overstap naar de reisschrijverij. De uitgesproken liefde voor het hoge noorden ook.

Zwier werkte in de roman dus éen onuitgesproken wensdroom uit het dagboek uit, door zijn hoofdpersoon met die jonge vrouw op reis te laten gaan. Naar IJsland.

De locaties daar van de roman komen ook weer in het dagboek terug.

In Kampvuren in de dessa speelt Zwier met zijn twijfels over de keuze om reisreportages te schrijven. Daardoor wordt het boek ook een satire. Want Zwier, of de hoofdpersoon in de roman, zijn zeker de enigen niet die leven van wat zij schrijven over een tijdelijk verblijf ergens anders. Al is er reisschrijven en reisschrijven. Een verband tussen inhoud en publiek succes lijkt er niet direct te zijn.

Eén van de vier delen waaruit het boek is opgebouwd speelt zich af op de presentatie van een bloemlezing met beste reisverhalen. Daarin komen nogal wat bekende Nederlandse auteurs voor, zij het dan steeds onder een schuilnaam.

Een Halewijn Hoek houdt nogal van eilanden, en vuurtorens. Twijfels over het waarheidsgehalte van zijn autobiografische boeken zijn er ook.

En een Constantijn Mulder is dan net betrapt op plagiaat. In zijn reisboek over Afrika heeft hij nogal wat uitspraken opgenomen van een Britse antropoloog, maar dan wel alsof het zijn eigen woorden waren. Daar doet hij dan ondanks de ontdekking pedant over.

Zwier merkt terecht op dat reisschrijvers altijd bliksembezoeken afleggen, en dus nooit iets doorleefts kunnen schrijven. Dat lokale antropologen verbaasd opkijken als hun zo moeizaam verworven kennis ineens in andermans boek opduikt, hoort bij het sprinkhanengedrag van sommige razende reporters.

Adriaan van Dis heette trouwens ooit Adje Mulder, of misschien is dat nog wel zo. En zo herkende ik volgens mij de meeste schrijvers wel die Zwier onder pseudoniem opvoerde. Wat alleen kan omdat het karikaturen zijn. Opvallend vind ik overigens wel dat het herkennen tijdens het lezen heel leuk is, terwijl een opsomming hier van de gevonden auteurs meteen aanstellerig wordt.

Slechts van de Friese dichter Sybe Sybesma vraag ik me af wie Zwier daar mee bedoeld kan hebben; als hij niet gewoon verzonnen is. Tsjêbbe Hettinga, die toen net opkwam? Douwe Tamminga? Wie heeft er verder iets met copla’s? Behalve de Groninger Hendrik de Vries?

Komt die hele Sybe Sybesma trouwens slechts in verwijzingen voor. Omdat de fotograaf waarmee de hoofdpersoon meestal op pad gaat diens dichtregels declameert als hij te veel gezopen heeft.

Ook van deze fotograaf vraag ik me af of die naar het leven getekend is. Bijvoorbeeld omdat Zwier in het dagboek met de fotograaf Martin Kers naar de locatie in IJsland trekt die in de roman voorkomt.

Ik weet eerlijk gezegd niet of de roman zonder die achtergrondkennis van het dagboek ook het amusement had geboden dat er nu was. Het is op zich wel een vaardig geschreven boekje. Maar, van hoogstens 35.000 woorden, en dus was het uit binnen het uur. Dat was te kort om de existentiële crisis in het bestaan van de reisschrijver Aaldert grote diepte te geven.

Over de onzekerheden van zo’n freelance-bestaan biedt dat dagboek bijvoorbeeld al veel inzichtelijker passages.

Maar ik vond het heel bijzonder om zo veel ruw materiaal ook eens tot eindproduct verwerkt gezien te hebben; te merken hoe veel een schrijver uit het eigen leven gebruiken kan, door het slechts lichtjes te veranderen.

Gerrit Jan Zwier, Kampvuren in de dessa
171 pagina’s
De Prom, 1994

Lichte angst ~ Gerrit Jan Zwier

De bundel Een lichte angst bevat boekbesprekingen. En doorgaans is het vrijwel onmogelijk om iets nuttigs te schrijven over een verzameling recensies. Op deze keer na. Gerrit Jan Zwier verzamelde er namelijk kritieken in die hij had geschreven over reisboeken; en dat is een genre boeken dat ik amper lees.

Leverden de recensies met de inleiding samen ook nog een studie naar het reisboek in al zijn verschijningsvormen op.

Bovendien behandelde hij alleen werk van Nederlandse auteurs.

Dus kende ik van slechts enkele van de gerecenseerde boeken. Die van Ethel Portnoy, vanzelfsprekend. En Vuijsje’s Pelgrim zonder God. Slauerhoff’s krantenstukken.

Waarbij niet gezegd zei dat alle auteurs me onbekend waren. En bij de werken van sommige schrijvers was ik zelfs zeer benieuwd hoe objectief Zwier over hen was. Eerder waren die dan door hem geparodieerd in de roman Kampvuren in de dessa.

Over éen van Boudewijn Büch’s zo merkwaardige eilandboeken meldt hij in deze bundel:

Imago: een leesfanaat, die toch jongensachtig en ontwapenend is. In het voorwoord wordt er, ter meerdere eer en glorie van de auteur, weer vrolijk op los gezwetst. [35]

Van Dis wordt als volgt geïntroduceerd:

Het proza van Adriaan van Dis doet vaak enigszins geaffecteerd en behaagziek aan. Hij heeft het over ‘pronte borstjes’, over zwepen die ‘lederen arabesken in de lucht slaan’ en vooral over ‘morsige’ dit en ‘morsige’ dat. [49]

En over Berlijnse notities van Nooteboom merkt Zwier teleurgesteld op:

Uiteraard verloochent de schrijver zijn opmerkingsgave en stilistische kwaliteiten ook in deze bundeling van krante- en weekbladstukken niet. Maar als ik eerlijk ben, dan zie ik Nooteboom het liefst in een mysterieuze uithoek van de wereld, waar hij ons probeert uit te leggen waarom hij ook daar niet zou willen wonen. [118]

Zwier schreef de meeste van de opgenomen recensies voor de Leeuwarder Courant. Dat is een regionale krant, met een daardoor breed gemêleerd publiek. Dit gevoegd bij het betrekkelijk kleine aantal woorden dat hem ter beschikking stond, zo’n 800 per keer, maakt het technisch nog moeilijk om recensies te schrijven die iedereen zou kunnen aanspreken.

Maar hij slaagde daar toch wonderwel in. Vooral zijn gewoonte om met een stevige slotalinea te besluiten vond ik heel prettig.

Recensies van boeken moeten in de eerste plaats éen ding doen, vind ik. Mij moet na lezing duidelijk zijn wat zo’n uitgave me te bieden zou hebben. En Gerrit Jan Zwier slaagde er bovengemiddeld vaak in mij nieuwsgierig te maken naar een boek, dat ik anders nooit zelfs maar zou hebben ingekeken.

Lukte hem dat zelfs, door slim te citeren, bij een auteur die ik toch ooit als bijna onleesbaar had afgeschreven, als Alfred Kossmann:

Schrijvers en toeristen bevinden zich beiden in de marge van het bonte leven, zij kijken vanaf de zijlijn toe. In een sombere bui omschrijft Kossmann het schrijversleven als een ‘onverantwoordelijk bestaan met veel te veel tijd voor egocentrische overpeinzingen, onlustgevoelens, drinkgelagen, een bestaan dat zijn zin enkel kan ontlenen aan zichzelf… een clownsbestaan, voor mijzelf en voor de wereld die er op z’n allerbest zo nu en dan een uurtje vermaak aan dankt’. [99]

Gerrit Jan Zwier, Een lichte angst
Beschouwingen over reizen en reisboeken

270 pagina’s
De Prom Bibliofiel, 1995

Mijn Drenthe ~ Gerrit Jan Zwier

Drenthe ligt voor mij nogal dichtbij. Een ongelukkig schot bij een partijtje voetbal, en de speurtocht naar de bal zou me daar al brengen. Toch gaan er vele jaren voorbij zonder dat ik de provincie bezoek.

Als is dit technisch gesproken weer niet helemaal waar. Door typisch negentiende-eeuwse planning reist de sneltrein die vanuit het noorden naar het westen van Nederland gaat via het oosten. Dan wordt ook een hoekje Drenthe meegepikt.

Dit maakt Drenthe tot fly-overland, zoals de Amerikanen de immense leegte noemen tussen hun beider kuststreken.

En opvallend is dat dit boek van Gerrit Jan Zwier niets aan dat vooroordeel veranderde. Tenminste, als het meest opmerkelijke feit over deze Nederlandse provincie is — het komt opvallend vaak terug — dat Vincent van Gogh er nog eens een paar maanden gewerkt heeft, is dat wel droef.

Drenthe heeft veel natuur. En die bestaat gelukkig niet alleen meer uit eindeloze heidevelden, en uren van verraderlijk veen.

Drenthe is een provincie met nog redelijk goedkope huizen, wat pensionado’s uit heel het land lokt. Die er dan komen drentenieren.

En Drenthe was heel lang geleden ook al bewoond. Wat de provincie opvallend veel grafmonumenten bracht die hunebedden heten. Al leverde dit boek dan toch éen tegenstem op, die in hunebedden iets heel ander ziet. Frits Bom, een televisiepersoonlijkheid die ooit instanties lastigviel uit naam van de zeurende consument, heeft in de jaren zeventig nog eens een opvallend boek doen uitgeven. Daarin toont hij aan dat de hunebedden schuilkelders waren. Tegen welk gevaar weet Bom alleen niet.

In zijn Mysterie van de hunebedden weet hij wel zeker dat de grote dekstenen van de graven door levitatie zijn verplaatst.

De leegte van Drenthe oefent dus ook grote aantrekkingskracht op mensen met een draai van de zweefmolen, die per se iets aanwezig willen hebben daar.

Mijn Drenthe is ook eerder een studie naar Drenthe in de literatuur, dan dat Zwier nu persoonlijk iets ontboezemt. Tal van fragmenten uit andermans boeken zijn opgenomen. Om het landschap te beschrijven. Of om andermans onbekommerde ideeën over de Drentse volksaard te kunnen weergeven.

Dat was allemaal informatief. Er was alleen niets bij dat me aanzette die kleine stap naar het oosten eens wat vaker te doen.

Gerrit Jan Zwier, Mijn Drenthe
256 pagina’s
Atlas, 2006

Mijn Wadden ~ Gerrit Jan Zwier

Dit boek had Mijn Waddeneilanden moeten heten. Want Zwier schrijft slechts over de bewoonde stukjes land die de Noordzee van de Waddenzee scheiden. Bij het begrip ‘Wadden’ denk ik alleen ergens anders aan. Mijn associatie is er éen met een schier eindeloze vlakte land die twee keer per dag onder water komt te staan.

Of omgekeerd, ik denk aan een zee die twee keer per dag droogvalt.

Die eilanden waren tot relatief kort geleden geïsoleerd van vrijwel alles. En de bewoners leefden er niet bepaald in welstand. Door dit alles hebben de Waddeneilanden elk een eigen ‘karakter’, zoals het dan heet.

Tegenwoordig halen de eilanders inkomsten uit het toerisme. En zoeken sommigen naar wegen om nog meer bezoekers te trekken. Enkele Duitse Waddeneilanden zijn bijvoorbeeld al geruime tijd goed bezochte kuuroorden. En sinds er een bron werd gevonden op Ameland is het ook daar een droom om welgestelde ouderen te gaan pamperen.

Met het toerisme kwamen ook de uitwassen, zoals de dronken jongeren op Terschelling; die hele windkeringen bouwen van alle genuttigde kratjes pils.

Zwier vergeet zelfs te schrijven over een fenomeen als het cultuurfestival Oerol, dat ’s zomers ook dient als een veemarkt voor hoger opgeleide vrouwen uit de Randstad die nodig nog aan de man willen.

Gerrit Jan Zwier besteedt in deze bundel vooral aandacht aan het karakter van de eilanden voor de invasie van toeristen en dagjesmensen op gang kwam. Daartoe zijn hele bloemlezingen opgenomen van wat anderen in de loop der decennia over de Waddeneilanden schreven.

Daar is weinig op tegen. Ware het niet dat me van zo’n boeket aan stemmen opvallend weinig bijblijft. Atlas heeft een hele reeks boeken uitgegeven onder de titel Mijn dit of Mijn dat. En daarvan zijn de deeltjes waarin éen auteur in alle hoofdstukken aan het woord blijft toch het memorabelst.

Gerrit Jan Zwier, Mijn Wadden
288 pagina’s
Atlas, 2004

Naar de rand van de kaart ~ Gerrit Jan Zwier

Aan welke voorwaarden moet een goed reisboek voldoen? Ik stel deze vraag, omdat daarmee misschien een verklaring opborrelt waarom dit boek van Gerrit Jan Zwier me inhoudelijk wat tegenviel.

Misschien moet de vraag trouwens zijn of het nog wel mogelijk is om echte reisboeken te schrijven. In deze tijd. Of alles al niet eens gedaan werd. Misschien is alle reizen inmiddels wel niet meer dan het nareizen van voorgangers — wat daarmee vooral de persoonlijkheid van de auteur belangrijk maakt in diens boek.

Ik denk dat een goed reisboek niet alleen informeert, maar ook emoties moet oproepen. Daarin spelen dan bovendien verschillende uitersten mee. De lezer moet op zijn minst weleens blij worden dat die niet hoeft mee te maken wat de schrijver overkomt, terwijl er daarnaast toch ook jaloezie moet groeien over wat de auteur allemaal overkomt. Of heeft gezien.

Maar Zwier heeft zichzelf juist wat uit dit boek weggeschreven.

Nu is hij ook antropoloog, en waarschijnlijk gedrild om zo objectief als mogelijk te blijven in zijn verslagen — maar ik vond dit wat een handicap.

Aan het verslag van de reis met zijn dochter door Vuurland vallen bijvoorbeeld maar twee dingen op. Dat Bruce Chatwin het gebied al eens beter heeft beschreven, en dat Zwier klaagt hoe toeristisch het er is.

Interessanter was het verslag van de boottrip langs verschillende van de meest afgelegen eilanden ter wereld. Vanuit het zuidelijkste puntje van Vuurland werden onder meer landingspogingen gedaan op de Falklands, Zuid-Georgië, Bouvet, Tristan da Cunha, en Sint Helena.

Er zijn alleen grote beperkingen aan wat iemand met woorden bij de lezer kan oproepen over het bezoek aan zulke koude en afgelegen eilanden — op de vraag na wat toeristen er te zoeken hebben.

Nu waren er deelnemers aan de cruise die niets meer wilden dan een bezocht eiland te kunnen afstrepen op een lange lijst. Onder de passagiers waren de meest bereisde man en vrouw ter wereld, en andere leden van de Travelers’ Century Club (TCC). Alleen zij die in meer dan honderd landen geweest zijn, mogen daarvan lid worden.

Hoogtepunt in dit boek zijn de wederwaardigheden van dit verwende stel. En dat zegt misschien nog wel het meest. Zo interessant is het niet om een vrij onpersoonlijk verslag te lezen over het gedrag van mensen met meer geld dan verstand.

Gerrit Jan Zwier, Naar de rand van de kaart
Reis door Patagonië en langs Zuid-Atlantische eilanden

191 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2008

Noordelijk gevoel ~ Gerrit Jan Zwier

Veel mensen hebben een gevoel voor het Zuiden. Zeker in deze tijd van het jaar. Als het langer donker is op een dag dan licht. Vooral bejaarden worden dan trekvogels.

Gerrit Jan Zwier heeft een noordelijk gevoel. En hij kan niet precies definiëren wat dit precies is. Behalve dan dat hij ook wel herkent dat er een wat raar kantje zit aan die drang naar het Noorden te willen reizen.

Want, eigenlijk is er niet zo veel daar daar.

Overigens begint dat Noorden voor hem al op Vlieland. En dat eiland ligt maar even varen van Harlingen, met de boot.

De bundel Het noordelijk gevoel biedt verslagen van verschillende reizen naar noordelijk gelegen streken. En Vlieland. Waarbij opvalt dat Zwier vaak gebieden bezoekt waar hij al eerder was. Een bezoek aan de Schapeneilanden wordt terloops vergeleken met een eerder verblijf. Een excursie naar het noorden van Zweden roept herinneringen op aan Zwier’s studie antropologie, en ook het gegeven dat zo veel Nederlanders iets in het oerlandschap daar zochten.

Op andere reizen bezoekt hij Groenland, de oostkust van IJsland, en Nunavut; het gedeelte van Canada dat aan de Inuit is teruggegeven.

Deze reportages gaan dan net zozeer over de andere mensen die deze regio’s bezoeken als de schaarse autochtoon.

Ook speelt mee dat Zwier het zichzelf niet simpel maakt. Er is vast genoeg te zien, omdat er zo weinig mensen in de weg staan, maar dit betekent niet dat er veel te beschrijven valt. Leegte is tamelijk leeg. Schraal was het leven in de beschreven gebieden altijd. Daar romantiek in willen zien, kan slechts omdat romantiek is een uitvinding is van het Westen.

Gerrit Jan Zwier is al evenmin een sportman of ontdekkingsreiziger voor wie de eigen prestaties automatisch de pagina’s met waarnemingen vullen. Al probeert hij in dit boek voor het eerst te langlaufen, om al snel te besluiten dat het lopen op sneeuwschoenen hem beter ligt. Dat levert wonderlijk luchtige pagina’s aan beschrijving op. Helemaal in vergelijking met de rest van het boek, omdat Zwier daar telkens toch direct of indirect over de grimmigheid van de omgeving schrijft.

Gerrit Jan Zwier, Het noordelijk gevoel
197 pagina’s
Atlas, oorspronkelijk 1998