vrijdag 17 juni 2005
Dit is een misschien wel compleet overbodig boek, omdat Goudsblom achterin verklaart dat hij er tegenwoordig iets anders over denkt dan in de tekst staat. In het nawoord bij de derde druk relativeert de schrijver dat hij ook maar een kind van zijn tijd was toen het boek gemaakt werd. Had ik dat meteen geweten, had ik hier geen bek op gezet.
Dat leert maar weer eens dat wetenschappelijke boeken anders gelezen moeten worden dan een roman of bundel verhalen. Voortaan zal ik me nog strikter houden aan het volgende recept:
- eerst kijken wie er door de schrijver met instemming geciteerd worden, bijvoorbeeld door de literatuurlijst en het notenapparaat te scannen;
- dan zien waar in het zakenregister de nadruk op ligt;
- vervolgens is het noodzaak om na te gaan waar de auteur staat, politiek gezien. En ook: waar is die in zijn carrière? Beginnende onderzoekers, en zij die al met emeritaat zijn, durven meer omdat zij geen aanstelling te verdedigen hebben. Het boek zelf zal daar zelden uitkomst over bieden, dus hierbij moet internet uitkomst bieden.
- eenmaal online verdient ook het speuren naar recensies aanbeveling, omdat daaruit blijken zal of het inderdaad nog de moeite loont het boek te gaan lezen;
- pas daarna heeft het zin de tekst door te nemen.
Enfin, ik nam dit boek ter hand vanwege die ene vraag waarop wel niemand een antwoord zal hebben. Maar ooit had sociologie de toekomst. Ergens in de jaren zestig leek het de ultieme mix van de beste wetenschappelijke inzichten te bieden uit de geschiedenis, psychologie, anthropologie, sociale geografie en economie. Alleen is die belofte nooit gestand gedaan.
Goudsblom legt wel gedeeltelijk uit wat de nadelen zijn in de theorievorming die de sociologie nastreeft. Maar, omdat hij zelf ook zo’n theorieliefhebber was, gaat dat niet helemaal van harte. Zo ziet hij dat de vooruitgang in de sociologie toch vooral weer van bovenmaatse individuele prestaties afhangt, en helaas wilden ze daar nu net vanaf ( zonder dat misschien ooit zo te formuleren).
De balans van de sociologie is nogal onevenwichtig, daarom. Lijkt mij.
Johan Goudsblom, Balans van de sociologie
200 pagina’s
Uitgeverij SUN 1990 © 1974 oorspronkelijk
in: basisbibliotheek, a-z, geschiedenis, filosofie, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de J. Goudsblom-pagina
donderdag 12 juni 2008
Van Komrij’s fictie begrijp ik weinig. Maar zelfs zijn essayistische werk, dat doorgaans wel mijn bewondering heeft, kent voor mij ontoegankelijke boeken. Daarvan is dit het duidelijkste voorbeeld.
In Het boze oog staat een reeks artikelen over architectuur, die eerder in Vrij Nederland verschenen, begin jaren tachtig. De voor het betoog zo noodzakelijke foto’s zijn van Bert Nienhuis.
Het punt is alleen dat Komrij zich buiten dit boek aanmerkelijk pregnanter heeft uitgedrukt over architectuur en hun architecten. Zo verzameld valt daarom op dat hij eigenlijk niet zo veel heeft mee te delen. Tekstueel weet de auteur nog weleens te verrassen, terwijl hij me inhoudelijk snel verveelt. Sinds architecten de rechte lijn hebben ontdekt, deugt er geen gebouw meer dat nog wordt gebouwd. Dat is het voornaamste argument. Da capo.
Had Komrij het onderwerp maar even iets breder getrokken, en het ook eens over volkshuisvesting gehad, of desnoods over ruimtelijke ordening. Dan had hij zijn gif evenzogoed kwijt gekund. En zo’n boek had tenminste het voordeel gehad aan de grootste politieke taboes van de afgelopen vijftig jaar te raken; dat de overheid zich meent maar overal mee te moeten bemoeien, en er alleen daarom al lelijk en fantasieloos gebouwd wordt in Nederland.
Maar het kan gewoon ook zijn dat ik het onderwerp niet snap. Huizen zijn lelijk van buiten, en kantoren helemaal. Dat vind ik een vaststaand gegeven. Dus zie ik die lelijkheid niet meer.
Gerrit Komrij, Het boze oog
193 pagina’s
Uitgeverij de Arbeiderspers, 1983
in: basisbibliotheek, a-z, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gerrit Komrij-pagina
reageer!
zaterdag 10 november 2007
Om meerdere redenen vind ik dit een heel goed boek, behalve dan dat de verteller me soms wat merkwaardig wazig als personage in zijn eigen verhaal ronddwaalt. Maar omdat Goldschmidt terloops meldt dat hij tijdens zijn verblijf in Tanzania getroffen werd door de malaria tropica, ben ik ben misschien wat geneigd de bijbehorende koorts wat te extrapoleren naar de rest van het boek.
De beroepsernst van iemand die iets onbegrijpelijks onderzoekt, kan overigens ook vrij makkelijk als krankzinnig overkomen op een buitenstaander. Vertel mij wat.
Goldschmidt deed als bioloog jarenlang veldwerk in een baai van het Victoriameer, om de enorme soortenrijkdom van éen enkel visje te helpen verklaren. Honderden soorten cichliden waren er. Vrij gratige baarsjes zijn dat, elk met eigen voedingspatronen en bijbehorende speciale lichamelijke kenmerken. Gezien de jonge leeftijd van het Victoriameer leek de evolutie daar in actie te zien.
Dit boek is zo goed door de technische informatie die Goldschmidt door zijn verhaal mengt. Door zijn uitleg over wat genetica is, hoe het ook alweer zat met DNA en RNA, en al die technische achtergrondkennis meer. Maar vooral ook omdat hij laat zien hoe onderzoek verloopt. Hoe wetenschappers uit een tastend zien meer algemene conclusies proberen te trekken; om zo misschien tot theorieën te komen.
En goed, dan was er die ecologische ramp ook nog. De ramp die Goldschmidt eerst niet wilde zien, misschien omdat het idee te groot was dat zijn onderzoeksonderwerp geheel zou verdwijnen. Maar de nijlbaars werd in het Victoriameer geïntroduceerd, had er geen natuurlijke vijanden, en zou het totale evenwicht daar ineens ruw gaan verstoren midden jaren tachtig.
Darwin’s Nightmare, zo heet een veelbekroonde documentaire over ditzelfde onderwerp.
Het viel me op dat de ramp relatief laat in het boek plaatsvindt, en dat Goldschmidt die in deze recente druk een pietsje relativeert ten opzichte van oudere uitgaven. Ja, de ecologie is ernstig verarmd in het meer. Van de soortenrijkdom aan vis bleef weinig meer over. Maar doordat de cichliden uit de voedselketen wegvielen, kregen bijvoorbeeld de garnaaltjes in het meer de kans om groot te groeien zonder opgevreten te worden.
En, zelfs de cichliden lijken terug te komen, na een poos uit beeld te zijn verdwenen. Maar zijn het wel dezelfde soorten cichliden als van voor de nijlbaars alles opat?
Met de kennis van nu lijkt dit boek wat uit evenwicht geraakt, omdat de toon van toen niet zal zijn aangepast. Dat viel me wel op.
Tijs Goldschmidt, Darwins hofvijver
Een drama in het Victoriameer
288 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker 2004, oorspronkelijk 1994
in: economie, basisbibliotheek, a-z, biologie, kennis, [auto]biografisch
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Tijs Goldschmidt-pagina
vrijdag 18 februari 2005
Mag iemand publiek worden gevraagd naar zijn mening over een boek waarin hij wordt aangevallen?
Dat lijkt me wel.
Mag de ondervraagde daarbij verzwijgen dat hij in het boek als een schertsprofessor wordt opgevoerd?
Dat is al minder kies, want daardoor vertrouw ik zijn oordeel niet meer.
Paul Cliteur werd gevraagd naar zijn mening over het pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid van Geert Mak. En hij vond het maar niets, dat boekje. Maar, was dat oprecht gemeend, of kwam het toch omdat Mak juist in hem éen van de ergste paniekzaaiers van dit moment vermoedt?
Cliteur viel bovenal over de vergelijking die Geert Mak maakte tussen de stijlmiddelen die Ayaan Hirsi Ali hanteert in haar film Submission en een eerder voorbeeld daarvan, zoals toegepast door Joseph Goebbels in Der ewige Jude.
Nu is dat hele stijlmiddel niet anders dan een cliché in de reclame geworden. Hirsi Ali toonde mishandelde moslimvrouwen en projecteerde selectief teksten uit de Koran op hun blote huid. Maar menig product wordt in een commercial ook aangeprezen op de blote huid van vrouwen, door daarbij selectief wat teksten te debiteren. Dit noemen we propaganda. En ook als er een idee mee verkocht moet worden in plaats van een product blijft het propaganda.
Nee, net zoals het heel makkelijk is om iemand te verwijten dat die de Tweede Wereldoorlog erbij sleept om gelijk te krijgen, geldt dat andersom eigenlijk ook. Wie zegt dat een argument niet deugen kan omdat er te makkelijk vergelijkingen met Nazi-praktijken zijn getrokken, heeft daarin alleen gelijk als die ene vergelijking op zichzelf staat.
Maar Geert Mak maakt in zijn pamflet bewust zware vergelijkingen. Met hoe de taal in het publiek debat veranderde tijdens de opkomst van de Nazi’s, met de propaganda tijdens de snelle omslag tot een burgeroorlog in Servië. Hij probeert ons voor te houden hoe het denkklimaat in een land verziekt kan worden, door het publiek vooral maar angst aan te jagen.
Vandaar die oproep kwetsbaar te durven zijn.
Maar heeft hij die parallellen nodig? Moet er naar Nazi’s of Balkanoorlogen verwezen worden om wat er hier gebeurt helderder te krijgen?
Het punt voor mij is dat al die blatende politici zichzelf al zo belachelijk hebben gemaakt, bijvoorbeeld door hun oproepen iedereen die van een terreurdaad wordt verdacht meteen van zijn burgerrechten te ontdoen. Neukt niet dat internationale verdragen dit verbieden. Ik heb die parallellen niet nodig, maar kan tegelijkertijd wel zien waarom Mak ze heeft gebruikt. Retoriek is soms gewenst. Maar, dat levert mij dan ook de merkwaardige conclusie op dat ik het volkomen met Geert Mak eens ben, en toch ook zijn pamflet als propaganda beschouw met alle uitwassen die daar bij horen.
Bovendien staan er een aantal feitelijke onjuistheden in de tekst. Die “gouden tondeuse” voor de grootste landverrader op de website van Theo van Gogh bijvoorbeeld, werd maandelijks uitgereikt door Bernadette de Wit. De vermoorde filmer wilde er zelf niets mee te maken hebben. Toch gebruikt Mak het gegeven in zijn pamflet om Van Gogh tot querulant te maken.
Dat is allemaal niet nodig. Enfin.
Geert Mak, Gedoemd tot kwetsbaarheid
95 pagina’s
Uitgeverij Atlas © 2005
Zie ook het hele Dossier gedoemd tot kwetsbaarheid
in: basisbibliotheek, typisch hollands, a-z, politiek
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Geert Mak-pagina
zaterdag 14 mei 2005
De ironie van het hele debat rond het pamflet van Geert Mak is dat hij oprecht dacht Ayaan Hirsi Ali te moeten waarschuwen. Gebruik niet dezelfde methoden als de Nazi’s in hun propaganda toepasten, schreef hij in Gedoemd tot kwetsbaarheid. En vervolgens reageerde nogal wat mensen totaal overspannen op die ene verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog.
Lezen blijft moeilijk. Wie zei ook alweer dat in Nederland slechts tien procent van de bevolking functioneel analfabeet is?
Misschien is dat de reden dat Mak steeds stil bleef over alle aantijgingen, en nu pas reageert met een lang stuk in De Groene Amsterdammer. Dit artikel zal overigens ook weer apart als pamflet in de boekhandel komen, onder de titel ‘Nagekomen Flessenpost’.
Bovendien kwam Geert Mak éen en ander ook op televisie toelichten, in het NCRV-programma Rondom Tien. Deze uitzending is via internet te bekijken voor wie dat wil, maar ik zou dat hoogstens om éen reden doen. Bekijk vooral eens wat in Nederland voor discussie moet doorgaan.
Wat wond iedereen zich weer nodeloos op, om de eigen interpretatie van andermans denkbeelden vooral.
Ook Mak’s repliek in de Groene valt tegen. Van de vijftig vragen die AD-redacteur Carel Brendel hem stelde in een open brief, worden maar enkele beantwoordt. Van acht opmerkingen in zijn eerste pamflet wil Mak nog net toegeven dat die feitelijk onjuist zijn geweest.
Opvallend is ook dat hij toegeeft stilzwijgend in latere drukken van Gedoemd tot kwetsbaarheid alvast fouten te hebben verbeterd.
Maar, mijn grootste probleem met deze repliek, en daarmee misschien ook wel met zijn eerste pamflet, is dat Mak onvoldoende onderkent hoe het publieke debat werkt in Nederland. Zijn these dat politici en mediageile publicisten in Nederland een sfeer van angst creëren, is in beide stukken onvoldoende onderbouwd, zo vind ik nu. In Gedoemd tot kwetsbaarheid vermeed hij vrijwel steeds namen te noemen en rugnummers te geven. De repliek geeft daar wel wat meer van, maar nog steeds niet gestructureerd en zeker niet volledig.
Bovendien gaat het er nu net ook om hoe het beeld dat van de werkelijkheid gegeven wordt zich tot de eigenlijke werkelijkheid verhoudt.
Het wordt zo langzamerhand een stokpaardje van mij op dit weblog, maar ik moet het toch maar eens schrijven. De media focussen op het moment vooral op instanties die niet de werkelijke beslissingsmacht hebben. Dat zijn vooral enkele poppetjes uit het kabinet, en een stuk of tien parlementariërs.
Toenmalig minister Peper schreef nog in een essay: het primaat moet naar de politiek terug. Wat alleen maar bevestigd dat de echt belangrijke besluiten niet meer in Den Haag worden genomen.
En, als het parlement ergens dan wel aandacht besteedt, is de problematiek zo versimpelt dat die niets te maken heeft met de realiteit waarin de Nederlandse bevolking leeft. Dus houdt ook het nieuws daarover een schijnbeeld op.
In plaats dit mechanisme te onderkennen, heeft Mak ervoor gekozen mee te gaan vechten in een schijn-discours. Ik geef grif toe, tegengas was ook wel nodig. Maar dan liefst gebaseerd op feiten, en niet door tegenover al te uitgesproken meningen vooral andere meningen te plaatsen.
* zie ook het volledige dossier Gedoemd tot kwetsbaarheid
in: basisbibliotheek, typisch hollands, a-z, politiek, media
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Geert Mak-pagina
dinsdag 19 april 2005
Nee, ik haal het eind niet van dit boek. Maar omdat ik uiteindelijk toch nog ruim tweederde gelezen heb, moet er toch iets over gezegd worden.
In De glanzende kiemcel zijn acht lezingen over de aard en de techniek van de poëzie gebundeld, die Simon Vestdijk aan het eind van 1942 hield voor zijn medegevangenen in kamp Sint Michielsgestel. Behalve dat die redevoeringen vanwege de gebruikte retoriek niet prettig om te lezen zijn, is Vestdijk’s poëtica de mijne niet.
Alleen de laatste lezing was aardig, omdat de schrijver daarin laat zien welke afwegingen en keuzes hij maakte bij het schrijven van een gedicht. Dat ik dit gedicht vervolgens niet zo bijzonder vind, doet er verder niet toe.
Simon Vestdijk, De glanzende kiemcel
279 pagina’s
Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar 1991 © 1950
in: basisbibliotheek, boeken over schrijven, a-z, bundels, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Simon Vestdijk-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 18 februari 2006
Meeste ruimte in dit boek gaat naar een selectie uit de columns die J.L. Heldring van 1989 tot en met 2003 schreef in NRC-Handelsblad. En deze zijn vooral interessant omdat ze doen wat kranten meestal niet lukt.
Journalisten hebben weliswaar de naam alvast de geschiedenis vast te leggen in een eerste schets, maar ze ontberen daar vrijwel altijd de capaciteiten voor. Het is ook te makkelijk het belang van een lopende ontwikkeling te overdrijven als je werk is om ontwikkelingen te overdrijven voor het nieuws.
Nee, journalisten hebben meestal de afstand niet die Heldring wel neemt, of zijn vrije manier van kijken.
Tegelijk is ook Heldring in dit boek meermaals te betrappen op opinies die niet houdbaar zijn gebleken. Zo leeft bij hem een grote vrees tegen de Duitse eenwording, waarschijnlijk omdat het Verenigde Duitsland zo’n enorme machtsfactor in Europa zal worden.
Maar de Navo mocht zich ook in de Oost-Duitse ländern vestigen. Duitsland werd geen neutraal land, en vervolgens verdwijnt het hele probleem dat Heldring zag uit beeld.
Dit boek herinnerde mij er vooral aan welke fundamentele veranderingen er hebben plaatsgevonden sinds 1989. En juist doordat Heldring zo goed de zorgen weet uit te spreken die op dat moment speelden, is het rijker dan een geschiedenisboek dat achteraf geschreven werd zou kunnen zijn.
J.L. Heldring, Heel ons fundament kraakt
en andere kanttekeningen
287 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot © 2003
in: basisbibliotheek, a-z, geschiedenis, politiek, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de J.L. Heldring-pagina
woensdag 25 oktober 2006
Wat was die ‘VOC-mentaliteit’ ook alweer, die onze minister-president zo zeer wenste? Die ‘dynamiek’, dat ‘over de grenzen kijken’?
Het beste is het vaak om bij zulke vragen terug te gaan naar de bron, en een betere bron dan deze is er bijna niet. Nog leven de daden van schipper Bontekoe in het collectieve geheugen van de Nederlanders, een kleine vier eeuwen later. Er zijn zelfs plannen voor een speelfilm, zij het dat die over een afgeleid verhaal gaat.
In 1924 zou Johan Fabricius nog De scheepsjongens van Bontekoe schrijven; een nieuwe bewerking van het eerste deel van het boek dat ik hier las.
Al bleek me uit de wetenschappelijke bezorging van V.D. Roeper dat dit niet het echte journaal van schipper Bontekoe kan zijn. Zijn heldendaden zijn op een aantal wat plaatsen wat mooier gekleurd door de eerste uitgever, ene Jan Jansz Deutel uit Hoorn. Die maakte van het laatste deel van Bontekoe’s zware reis naar de Oost een verhaal als was hij Mozes die zijn volk door de woestijn leidde. Met wonderen als uit de lucht vallend voedsel en al.
Bontekoe verloor zijn schip, de Nieuw Hoorn, namelijk doordat het kruit ontplofte. Hij vloog zelfs mee de lucht in, maar zou het overleven. Al liep hij ter genezing wel een tijd rond met een kussen op zijn hoofd.
Met de resterende bemanning zou de schipper per sloep uiteindelijk Batavia bereiken, alwaar hij het commando over andere schepen kreeg. De VOC was toen nog aan een grote expansie bezig. Zo wilde gouverneur-generaal Jan Pietersz Coen het eiland Macao veroveren op de Portugezen, om zo exclusief de handel met de Chinezen te kunnen krijgen.
Het is door die bedrijfsovername dat de Nederlandsers ter plaatse de bijnaam verwierven roodharige barbaren te zijn. En Bontekoe verhaalt zonder enige schroom uitgebreid over het moorden, plunderen en brandschatten van die vergeefse strijd.
Net zo wordt onbekommerd beschreven hoe op sommige eilanden onderweg de kindertjes zo blank zijn, omdat die rare blote vrouwen daar zich almaar aanboden.
Ik zie daardoor ook ineens het Zeeuwse knaapje Balkenende voor me, die van z’n geloof niet naar de bioscoop mocht, en via de zeventiende-eeuwse teksten van Bontekoe toch z’n spektakel binnenkreeg.
Voor het leven beïnvloed.
En ach, ik houd ook van boeken als deze, waarin populaire boeken van ooit her, deskundig in hun tijd worden geplaatst. De brontekst werd tot in de negentiende eeuw herdrukt.
Willem Ysbrantsz Bontekoe, Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe
De wonderlijke avonturen van een schipper in de Oost
1618-1625
165 pagina’s
Uitgeverij Terra Incognita © 1996, oorspronkelijk 1646
in: basisbibliotheek, reizen, a-z, geschiedenis
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Willem Ysbrantsz Bontekoe-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 25 februari 2007
Op boeklog zondig ik vrij zorgeloos tegen basisregel nummer éen voor recensenten die in massamedia publiceren. Ik geef hier ook mijn ideeën over een boek weer, als dit het enige is dat ik ooit van een auteur heb gelezen. Terwijl ik daardoor niet weet wat er eigen aan zo’n schrijver is, en wat uniek aan het gelezene.
Maar geen massamedium zal mij toestaan een tien jaar oud boek te recenseren, dat misschien niet eens meer in de handel is, domweg omdat de auteur mij is gaan intrigeren.
Twee boeken heb ik van Ileen Montijn in handen gehad, en dat is genoeg om nu ook verder alles van haar te willen lezen. Zij kijkt op een manier naar de geschiedenis die me goed bevalt. Doordat ze steeds probeert te reconstrueren wat ooit normaal was, en hoe zeer dit toch afwijkt van wat wij in vrij korte tijd normaal zijn gaan vinden. Dit maakt geschiedschrijving zo veel interessanter dan wat standaard aan abstracties in de boeken en canons opduikt; die vervelende politiek altijd, of die toevallige oorlogen. In boeken als de hare wordt het verleden juist levend.
Leven op stand boeit me bijvoorbeeld als het beschrijft wat sociologen ‘gezonken cultuurgoed’ noemen. Wat ooit alleen voor de rijken was weggelegd, kon op den duur iedereen zich veroorloven. Zoals aparte slaapkamers, maar ook verwarming in elk vertrek, of een douche elke dag.
En anders wel: de luxe om met het licht op te kunnen schrijven, zoals nu, omdat het toevallig een erg grijze zondagmiddag is. Want, als iets opvalt aan het leven in de hogere kringen, zoals Montijn dat beschrijft, is dat rijk toen in vele opzichten niet aanvoelt als wat wij als rijkdom ervaren. Ook de gegoede burgerij in Nederland leefde lang erg zuinig.
Mooiste hoofdstuk voor mij in dit boek heeft de fraaie titel ‘pudeur’. Dat gaat onder meer over lichamelijke verzorging, en hoe het zat met de persoonlijke hygiëne een eeuw geleden [onze normen zijn erg veel strikter]. Zo had ik me nooit afgevraagd waarom onze voorvaderen zo verzot leken op het dragen van lange onderbroeken, en wij niet meer. Maar alleen al door Montijn’s uitleg hoe moeilijk het was om bovenkleding te wassen, is me meer duidelijk geworden. Als die wollen of zijden kleding maar niet in aanraking met de huid kwam, kon deze het langer zonder zo’n moeizame wasbeurt doen.
Aan het aloude cliché ‘in geuren en kleuren vertellen’, valt vooral op hoe zelden de reukzin eigenlijk wordt aangesproken in een boek. Montijn bracht die overdracht in dat ene hoofdstuk wel even tot stand. Enfin.
Ileen Montijn, Leven op stand
1890 - 1940
254 pagina’s
Thomas Rap, 1998
in: basisbibliotheek, typisch hollands, a-z, geschiedenis, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ileen Montijn-pagina
maandag 16 mei 2005
Delen van dit boek zijn inmiddels achterhaald. Nergens in Nederland zal de Marxistische Andragogie nog worden bestudeerd, al weet ik natuurlijk niet precies wat er allemaal in de Oost-Groninger dorpshuizen gebeurt. Die manier van naar de werkelijkheid kijken is inmiddels wetenschapsgeschiedenis geworden, en de kritiek daarop helemaal.
Bovendien is niet vreselijk boeiend dat Hans Achterhuis veel ruimte neemt om enkele boeken van Illich en Foucault in eigen woorden na te vertellen. Illich schrijft beter dan Achterhuis, het is prettiger om die zelf te lezen. Zijn conclusies lijken ook onverkort overgenomen te worden. Weliswaar legt Achterhuis uit wat die in de Nederlandse verhoudingen betekenen, maar hij kijkt daarbij niet of Illich’s constateringen wel helemaal houdbaar blijven, en of er misschien ook accenten verschuiven.
Voor mijn speurtocht naar ideeën over De Nederlandse Identiteit was het lezen van dit boek nauwelijks van waarde.
En toch.
Wat priester/filosoof Illich aan de orde heeft gesteld in boeken als The Medical Nemesis of Deschooling Society is van zo’n fundamentele waarde, dat er nooit genoeg aandacht aan geschonken kan worden. Ondanks alle verwijzingen naar Marx.
Samengevat komt het er op neer dat eenmaal gevormde instituties kunstmatig vraag gaan creëren om hun bestaan te rechtvaardigen, en andere maatregelen nemen om het systeem dat zij vertegenwoordigen te versterken. Als het eenmaal regel geworden is dat kinderen onderwijs op een school krijgen, wordt thuisonderwijs strafbaar.
Onderzoek naar de effectiviteit van zulke ontwikkelingen wordt zelden verricht; daarvoor worden ze als te normaal gezien.
Illich heeft het ook over iatrogene ziekten; aandoeningen die door de geneesheer ontstaan zijn vanwege verkeerde medicatie, of zelfs simpelweg de diagnose. Het sterftecijfer daalt ook altijd behoorlijk als doktoren ergens staken.
Overigens beseft Achterhuis nu toch wel dat onmogelijk vol te houden is dat het aanbieden van nieuwe vormen van zorg alleen maar slechte kanten heeft. Eisen onder de bevolking veranderen; wat als normaal wordt aanvaard verandert in de loop der tijd.
Het aardigste aan dit boek was voor mij de opmerking dat ‘het prostitutiemodel’ het best werkt om de hulpverlening te beschrijven. Klanten mogen even heel dichtbij komen, daar betalen ze ook voor, en in ruil krijgen ze een momentje professioneel begripvolle aandacht. Het klinkt ook logisch.
Voor de rest maakte dit boek een merkwaardig gedateerde indruk voor een werkje van amper vijfentwintig jaar oud.
* zie ook de Illich citaten en verwijzingen op mijn weblog
Hans Achterhuis, De markt van welzijn en geluk
Een kritiek van de andragogie
271 pagina’s
Uitgeverij Ambo © 1980
in: basisbibliotheek, a-z, politiek, filosofie, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hans Achterhuis-pagina
vrijdag 22 februari 2008
Er bestaan voor mij twee soorten van teksten in het werk van De Swaan.
Van de ene soort houd ik zeer. Daarin behandelt hij verschijnselen die iedereen heeft kunnen waarnemen, maar daar plaatst hij dan opvallend nieuwe opmerkingen bij. Zijn achtergrond in de sociologie is daarbij een geweldige hulp; de abstrahering helpt hem dan om meer te zien dan ik ooit gekund heb.
De andere soort teksten laten me vrij onverschillig, omdat die te theoretisch sociologisch geöriënteerd zijn. Weliswaar behandelt hij ook daarin verschijnselen die iedereen heeft kunnen waarnemen, hij zegt er alleen helemaal niets over dat ik zelf had willen kunnen bedenken. Op dat moment bezondigt De Swaan zich voor mij aan de fout van zovele menswetenschappers: dan probeert hij iets te benoemen wat voor iedereen met een normaal verstand en enig historisch inzicht niet per se benoemd had hoeven worden. Dan is het of hij schrijft van een publiek van over een paar eeuwen. Kan me niet schelen dat hij, en zijn collegae, daarover weleens zeggen dat we niet wisten konden dat we hun observaties al kenden, voor dat zij die observaties hadden gemaakt.
In De mens is de mens een zorg staan nogal wat teksten van het tweede, door mij niet zo geliefde soort.
Zo is het laatste kwart van het boek gewijd aan ‘Het medisch regiem’. Daarin onderzoekt De Swaan onder meer de afhankelijkheden tussen patiënten en het verplegend personeel of de doktoren.
Dat was trouwens een logische onderwerpskeuze. Eén aspect dat ik hier, op zijn boeklogs, altijd wat veronachtzaam, is de precieze achtergrond van de auteurs. En heel opmerkelijk aan De Swaan is dat hij psychotherapeut was, en daarvoor dus ook die hele Freudiaans geöriënteerde therapie heeft moeten doorlopen
Maar om éen of andere reden lezen die zorgverhalen hier toch als een soort invuloefening. Sociologie op z’n smalst zijn die, zeg maar. Knap dat zo’n organisatie met permanente en tijdelijke bewoners zo in woordenschema’s gevat kan worden. Toch wordt er een ideaaltoestand beschreven. Een paar aardige anecdotes erbij over hoe doktoren er door de eeuwen heen van alles aan hebben gedaan om status te verwerven — en anderen de artsenij te verbieden — waren mij wel zo lief geweest.
Bert Keizer heeft indringender conclusies getrokken over wat het betekent dat de geneeskunde zich zo toelegt op de diagnose. En dus de zorg zo verwaarloost.
En ook moet ik altijd aan die quote van Druin Burch denken, bij medische onderwerpen:
the dangers of expert opinion explain why doctors have spent most of human history killing their patients.
Of anders zijn er Gigerenzer’s waarschuwingen nog wel.
Ook de meeste andere stukken van De Swaan in deze bundel leiden voor mij aan bloedeloosheid. Het is zeker van belang is dat hij het begrip ‘onderhandelingshuishouden’ in dit boek introduceert. Maar zelfs dit zo belangrijke begrip in zijn werk is een etiket op een verschijnsel. Een projectie die verheldert wat zich midden in het brandpunt daarvan bevindt, maar mij de werkelijkheid toch te makkelijk veralgemeniseerd.
Toch stond er éen artikel in dat toevallig even heel actueel lijkt te zijn. Het heet ‘Fanatisering en defanatisering’, en gaat er over dat fanatici de orde van het publieke debat verstoren. En wat daar dan de gevolgen van zijn. Maar goed, daar ontleen ik dan aan dat zolang de politie nog geen partij heeft gekozen voor of tegen Wilders, er eigenlijk niet heel veel aan de hand is.
Abram de Swaan, De mens is de mens een zorg
Opstellen 1971 – 1981
252 pagina’s
Meulenhoff 1989, oorspronkelijk 1982, 1983
in: economie, basisbibliotheek, a-z, geschiedenis, bundels, essays, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Abram de Swaan-pagina
reageer!
zondag 3 april 2005
Wat verwachtte ik van dit boek? Dat is een vraag die absoluut meespeelt bij het bespreken van non-fictie. Zakelijke teksten moeten me op zijn minst nieuwe feiten aanreiken om de moeite waard te zijn. Van James Kennedy hoopte ik dat hij als Amerikaan iets aan de Nederlandse politiek zou zien dat voor hem als buitenstaander meteen duidelijk was, maar waar ik zelf altijd blind voor gebleven ben.
Inhoudelijk intereseerde zijn verslag over de maatschappelijke verschuivingen in de jaren zestig en zeventig me ook niet zo. Daarover ben ik sowieso al meer vergeten dan me ooit nuttig leek te weten. Bovendien is dit boek niet makkelijk te lezen. De ruim tweehonderd pagina’s tekst bieden interpretatie na interpretatie, en ontberen daartussen domweg lucht. Combineer dit met een redelijk hoog abstractieniveau, en dat alles maakt dit boek wat zwaar om te verteren.
En toch.
Ergens in de inleiding al maakt Kennedy de opmerking dat er in de Nederlandse politieke cultuur een eeuwig geloof bestaat dat veranderingen onverbiddelijk zullen komen. De loop der geschiedenis wordt als onvermijdelijk gezien. Wat dan weer tot komische of juist dramatische reacties leidt in tijden van crisis. Koning Willem II werd in éen nacht van conservatief tot liberaal, omdat elders een revolutie dreigde. Wilhelmina zette ingrijpende arbeidshervormingen in gang in 1918, ondanks dat Troelstra’s putsch mislukte.
Maar door dit verschijnsel hebben Nederlandse politici steeds een overdreven drang “met de tijd mee te willen gaan”. En daar zit zowel iets heel prettig pragmatisch in als ook iets heel lelijk lijdzaams.
Kijk, alleen om zo’n opmerking al is het de moeite zo’n taaie dissertatie door te nemen. Want, ook al beslis ik er over een tijdje misschien van dat het niet klopt; ik ben dan wel weer iets verder in mijn gedachten gekomen.
James Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw
Nederland in de jaren zestig
343 pagina’s
Uitgeverij Boom © 1995
vertaling Simone Kennedy-Doornbos
in: typisch hollands, basisbibliotheek, a-z, geschiedenis, politiek, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de James Kennedy-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 23 maart 2008
Van alles wat ik dit jaar herlas van Dick Hillenius, pakte dit boek het meest indrukwekkend uit. Toch is het waarschijnlijk ook het meest verouderd. De tweede helft van Oefeningen voor het derde oog gaat er namelijk over Hillenius een aantal dan actuele kunstuitingen ervaart. En een klein vijftig jaar later is vrij grondig veranderd wat wij als actueel zien.
Tegelijk ontstijgt Hillenius die gebondenheid aan de jaren vijftig en zestig door telkens nadruk te leggen op zijn persoonlijke ervaringen en emoties. En dan dat blijkt ook dat het er meestal niet om gaat wát iemand beschrijft, maar vooral hóe hij dit doet.
Mits de onderwerpen daarbij niet beperkt blijven tot het eigenste zelf.
Toch maakte de nog autobiografischer eerste helft van dit boek nog net iets meer indruk. Hillenius toont dan passages uit een dagboek, geschreven in 1963 en ’64. En daarin valt niet alleen op hoe veel aspecten hij uit het heden, van toen, beschrijft, maar ook hoe hij momenten in zijn eigen geschiedenis terugkijkt. Zo werd hij uiteindelijk na een hongerstaking uit de militaire dienst ontslagen.
Maar ik was vooral blij verrast met observaties als:
Memoires en dagboeken danken hun waarde meestal aan iets buiten de auteur om (aangenomen al dat de man kan schrijven en het soort persoonlijkheid heeft waarvoor men zich interesseert). Het land van herkomst dankt zijn bestaan aan de Indische jeugd en aan de portretten van boeiende mensen (niet alleen de intellectuelen van Parijs en Holland, maar misschien nog meer de gekke ooms, tantes, vrienden). [40]
Omdat ik precies hetzelfde had opgemerkt, aan weblogs.
Niet dat dit nu zo’n waardevolle constatering is, maar dat een ander gedachte ooit al blijkt te hebben verwoord, maakt dat er een net iets heviger contact lijkt te zijn met zo’n schrijver. Waardoor er bovendien vertrouwen in diens oordeel groeit.
Zoals gezegd, de tweede helft van dit boek gaat vooral over kunst. Daar staan een reeks korte artikelen in, die Hillenius waarschijnlijk al eens eerder ergens gepubliceerd heeft. Wat daaraan opvalt is de brede belangstelling van hem. De schrijvers van tegenwoordig ijn zich zo veel meer gaan specialiseren. Maar Hillenius schreef onbekommerd, en met inzicht, over klassieke muziek, jazz, beeldende kunst, en literatuur. Vergeet ik vast nog een paar genres.
Een idee van Hillenius was dat onze hersenen maar een beperkt deel van de werkelijkheid waarnemen. Dit inzicht heeft hij later trouwens later nog eens heeft uitgewerkt in de lezing De hersens een eierzeef. Tegelijk komt er aan informatie meer binnen dan wij ons bewust zijn. Het derde oog, uit de titel van dit boek, slaat op die waarneming door het onbewuste. Tegelijk zetelt daar misschien ook wel de instinctieve afkeer tegen allerlei nieuwe vormen van kunst. Hillenius trachtte uit te leggen waarom het niet zelden verkeerd is om alleen af te gaan op die eerste onberedeneerde reactie.
D. Hillenius, Oefeningen voor een derde oog
144 pagina’s
De Arbeiderspers, 1965
in: a-z, basisbibliotheek, biologie, [auto]biografisch, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de D. Hillenius-pagina
reageer!
maandag 16 juni 2008
Gerrit Krol schreef in 1979 en 1980 een reeks luchtige columns over het schrijven, voor de achterpagina van NRC-Handelsblad. Deze bundel is daar het gevolg van. En plots heten de columns tezamen essay.
Ik weet dit boek eerder gelezen hebben, een hele tijd geleden. Want, er staat me nog bij onder de indruk te zijn geweest. Een echte schrijver had zo maar zijn geheimen verraden in een boek, zoiets moet ik toen gedacht hebben. Helemaal kon ik de waarde van die geheimen toen nog niet inschatten, maar dat zou hopelijk nog weleens komen.
Ditmaal las ik het bundeltje geheel anders. Zo was ik me vrij goed bewust van de oorsprong van de hoofdstukken. Een krantencolumn heeft een vaste lengte, maar een gedachte heeft die meestal niet. Vaak kon ik zien dat Krol zijn ideeën wat had moeten aanlengen om het gewenste aantal woorden maar te krijgen.
Bovendien is dit geen boekje over de geheimen van het ambacht. Gerrit Krol toont ideeën over wat van auteurs verwacht mag worden, die vaak net iets afwijken van de verwachtingen die onder de goegemeente leven. Zo maakt hij zich toch wel vrolijk over de angst onder lezers voor de grafieken waarmee hij sommige van zijn boeken heeft aangekleed.
Maar uiteindelijk is dit voor mij vooral een bundeltje met enkele nuttige, haast aforistische uitspraken. Terwijl Krol toch een hekel had aan aforismen.
Als ik een boek na een tijdje wegleg omdat het me niet boeit, kan dat twee redenen hebben. Het boek bevat te weinig ideeën, of het bevat genoeg ideeën, maar te weinig verhaal.
Het probleem met literatuur, als je erin wilt doceren, is dat je je beweegt op het niveau van de illustere schrijvers zelf en dat, als je daartoe niet in staat bent, of de leerling is daartoe niet in staat — er zo weinig overblijft. Daarom wordt er zo vaak gezegd dat je er niets aan hebt, aan literatuur, in de maatschappij en dat is dan nog waar ook.
Minimum aan middelen, maximum aan effect. Misschien moet je ‘t noemen: de kunst van het samenvatten. Daar zou je wat aan hebben, want dat is iets wat je in geen van de andere kunsten aanwijsbaar kunt doen, film niet, schilderkunst niet, muziek niet… in de literatuur wel. Zelfs zo goed dat je de literatuur ermee zou kunnen definiëren.
Literatuur is de kunst van het samenvatten. ‘n Aantal gebeurtenissen wordt met een enkele zin beschreven.
Gerrit Krol, De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels
Essay
120 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1981
in: basisbibliotheek, boeken over schrijven, a-z, essays
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gerrit Krol-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
maandag 11 april 2005
Hofland heeft dit boek sinds de eerste publicatie tweemaal herzien, zo staat in het voorwoord. Dat ‘herzien’ lijkt me een te groot woord. ‘Aangevuld’ was juister geweest, de kern is namelijk niet veranderd.
Tegels lichten blijft een klassieker uit het begin van de jaren zeventig. Toen was het taboedoorbrekend in zijn beschrijvingen van het Nederlandse bestuur sinds de Tweede Wereldoorlog. Toen was het een vlammend pamflet over de affaire Greet Hofmans, of de Indië-kwestie.
Maar, inmiddels zijn vijfendertig jaar verstreken. Met die wetenschap valt op dat Hofland vooral sterk is in het schetsen van een tijdsbeeld, maar bij de analyse van het falen te makkelijk citaatjes bij anderen leent. En ook dat zijn meningen al verwerkt zijn in de historische beschouwingen die ik las, en daarmee minder uniek zijn geworden dan ze bij eerste publicatie waren.
Eigenlijk zou er iedere tien jaar een Tegels lichten geschreven moeten worden, terugblikkend op de taboes van het tijdperk daarvoor. Dat gevoel bleef me wel bij, na het lezen van dit boek. Maar vanuit de waargenomen verschijnselen de oorzaken proberen te abstraheren, zal daarbij een probleem blijven.
H.J.A Hofland, Tegels lichten
of
Ware verhalen over de autoriteiten
in het land van de voldongen feiten
216 pagina’s
Uitgeverij Ooievaar 1996 © 1972 oorspronkelijk
in: typisch hollands, basisbibliotheek, a-z, geschiedenis, essays, politiek, media
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de H.J.A Hofland-pagina
zaterdag 23 april 2005
Nijhoff lezend, formuleer ik voor mijzelf dan toch eens welke poëzie ik mooi vind.
Die gedichten moeten vrijwel zeker vormvast zijn. Rijm hoeft niet per se, maar klankherhaling in welke vorm dan ook, werkt goed. Ritme is bijna een noodzaak.
Maar, dat zijn alleen de uiterlijke kenmerken. Inhoudelijk zie ik dan het liefst een emotie zo verwoord dat die universeel wordt. Of gewoon iets mooi opgeschreven. Of treffend. Of pijnlijk. Of humoristisch opgemerkt.
Nijhoff benadert dit ideaalbeeld weleens, maar lang niet altijd, en ook vind ik zijn gedichten zelden totaal gelukt. Toch komt hij er soms dichtbij, maar meestal speelt ook mee dat de meeste van zijn gedichten al te lang geleden zijn geschreven, voor mij. Uit een andere werkelijkheid ontstonden.
De cyclus “Voor Dag en Dauw”, waar ik hier en daar eerder aandacht aan besteedde, hoort voor mij, samen met stukken uit “Awater“, tot het mooiste wat Nijhoff schreef.
Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten
483 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 1990
in: basisbibliotheek, a-z, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Martinus Nijhoff-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 11 januari 2005
De onvolprezen Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren heeft opnieuw een prettig kinderboek online gezet. Het vlot, van Wim Hofman. Dat dateert uit 1988, en toen was ik allang geen kind meer [behalve voor mijn ouders dan]. Dus op de juiste leeftijd heb ik het nooit kunnen lezen. Maar een goed boek als dit trekt zich niets van genre-aanduidigen aan.
Wim Hofman, Het vlot
184 pagina’s
Van Holkema en Warendorf © 1988
in: basisbibliotheek, a-z, jeugd, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Wim Hofman-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 25 januari 2005
Voor wie zich mocht afvragen of er nu helemaal geen lijn in mijn leesgedrag zit, Jaap van Heerden wijdde enige diskwalificerende woorden aan dit boek. Dat alleen was reden voor mij deze Aula pocket toch eens op te graven uit mijn collectie, en te kijken of het echt zo erg is.
Het boek opent gelukkig geruststellend:
Het uitgangspunt van deze studie is geweest, dat de vrouw een mens is.
Maar daarna doet Buytendijk toch vooral moeite om aan te tonen dat de man nog net wat meer mens is als de vrouw. Van haar wordt toch vooral verwacht blij haar plaats te weten, en dat dan vooral door te zorgen.
Curieus is ook het taalgebruik van de toenmalige hoogleraar algemene theoretische psychologie. Hij baseert zich niet zelden op de fenomenologie met al zijn subjectieve beleving, en dat levert dan kronkelzinnen op die er waarschijnlijk onaantastbaar geleerd uitzien voor wie geen professorenduits gewend is. Tegelijkertijd moet daarbij bedacht worden dat slechts het Duits en het Nederlands deze orakeltaal mogelijk maakt, wat de beweringen in dit jargon alleen daarom al verdacht maken.
De medemens begrijpt onze verschijning als de waarneembaarheid van ons-zelf en bedoelt met dit ‘zelf’ onze bijzondere, eigen wijze van zijn-in-de-wereld en zijn-bij-onszelf en wel als een zich in een bepaalde stemming en met een bepaalde bedoeling in een situatie bevinden.
Dus, wat te zeggen over dit boek? Behalve dat het bij tijden onleesbaar is, en zinnige observaties afgewisseld worden met katholiek gewauwel over hiërarchie en plaats, en lege filosofische bombast?
Blij dat de emancipatie dit soort publicaties al bij voorbaat suspect heeft gemaakt.
F.J.J. Buytendijk, De vrouw
Haar natuur, verschijning en bestaan.
Een existentieel-psychologische studie
288 pagina’s
Uitgeverij Het Spectrum 1964 © oorspronkelijk 1951
in: basisbibliotheek, a-z, biologie, filosofie, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de F.J.J. Buytendijk-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 26 december 2005
Het herlezen van boeken die ooit indruk maakten, is niet zonder gevaar. De hernieuwde kennismaking kan ook tegenvallen. Ook de lezer zelf draagt nogal wat bij aan de waardering van een boek; de inhoud alleen volstaat daarvoor niet. En de lezer verandert.
Dit boek is een historisch-sociologische studie van de huidige verzorgingsstaat en zijn lange voorgeschiedenis. De Swaan heeft daarvoor gedaan wat hij in latere boeken ook steeds doet; hij ordert de bevindingen van anderen binnen de vrij strakke kaders die de sociologie hem bieden. En die werkwijze is omstreden, onder historici tenminste.
Maar voor mij heeft die nut. Ik herlees zo’n boek als dit niet om te zien hoe het ooit was. Maar juist om argumenten aangereikt te krijgen om de situatie van het moment beter te kunnen beoordelen.
En dan blijkt bijvoorbeeld dat De Swaan in zijn voorwoord bij deze editie uit 1996 terloops heel wat los kan maken bij mij. Neem alinea’s als deze, waar ik toch al even over nadenk:
Nu de dreiging van het communisme is weggevallen, lijkt ook het gevaar bezworen van een radicale arbeidersbeweging die bij voorbaat moet worden afgekocht met een ruimhartig sociaal compromis. De westerse staten hebben geen vijand meer en daarom zijn ze voor hun burgers ook niet meer zo dringend nodig en zo dwingend aanwezig. […]
[…] Door die […] verhevigde internationale concurrentie komen de arbeidslonen in de rijke westerse landen onder zware druk te staan. Het ligt dan voor de hand om op de arbeidskosten te besparen door vermindering van de sociale premies en dus door bezuiniging op de sociale uitkeringen. Vandaar. Maar dit is pas de eerste ronde in de redenering. De internationale concurrentie leidt tot een internationale herverdeling van arbeid en kapitaal, en tot spreiding van informatie en expertise. Op de lange termijn heeft dat ook voordelen. Maar in deze fase van schoksgewijze aanpassing vallen die veel minder op.
In het eerste gedeelte van dit citaat interpreteer ik als: wanneer er geen gevaar van islamisme was geweest, had de staat dat wel uitgevonden.ter blijvenden legitimatie van de hoge belastingdruk en andere regelzucht als de identificatieplicht.
Het tweede gedeelte wijst me er weer eens op hoe de waan van de dag alles vertekenen kan.
Als een boek door amper twee alinea’s al zo veel bij mij kan losmaken, is het groots.
Abram de Swaan, Zorg en de staat
Welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa
en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd
342 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker 1996
Oorspronkelijke Engelstalige versie © 1988
in: economie, basisbibliotheek, a-z, geschiedenis, aanbevolen 2005, politiek, filosofie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Abram de Swaan-pagina