Context is koning ~ les 1 uit 10 jaar boeklog

Het ideale weblog biedt allereerst de stem van éen enkel iemand. Zo meende ik in 2004 tenminste. En zo is mijn idee eigenlijk nog.

Toch was in 2004 al duidelijk dat menigeen daar anders over dacht. Voorbij waren toen al de tijden dat iedereen elkaar kende in weblogland, en vriendjes worden kon. Die onschuld verdween vrij plots. Ineens waren er lui die de zaken professioneel zouden aanpakken. Nogal wat weblogs werden voortaan opgezet met een businessmodel; en daarmee met de wens om er aan te verdienen. En met deze nieuwe zakelijkheid kwam ook de dwang om met grote regelmaat nieuwe inhoud op zo’n website te plaatsen — moest het bezoek ook vaker langskomen — waardoor het webloggen ineens een groepsactiviteit werd; want niemand is in zijn eentje elke dag briljant.

En zulke gezamenlijke weblogs heb ik nooit de allerinteressantste plekken gevonden online.

Het groepsweblog vond ik een stap terug. Dat leek me teveel op het krantjemaken, dat zo al eeuwen bestond. Met als enige verschil dat lezers van een weblog online wel direct op de inhoud konden reageren; waar dat voordien hoogstens kon in vergaderingen in kleine zaaltjes met gelijkgestemden; of heel moeizaam per ingezonden brief.

Bovendien kleefde er voor mij net het verkeerde soort dwang aan het groepsweblog.

Want stel nu eens dat ik wilde schrijven voor een website als GeenStijl. Dan zou die keuze alleen al het tal mogelijke onderwerpen beperken om over te schrijven. Bovendien zou ik me horen aan te passen aan de ongeschreven wetten daar. En in eerste instantie, tot mijn positie daar verzekerd was, in toon en woordkeus waarschijnlijk nog GeenStijler moeten zijn dan de ervaren medewerkers van dit vaak zo treiterige weblog.

De meeste media met meerdere medewerkers krijgen al gauw een eigen geluid. En een eigen geluid hebben, is toch niet hetzelfde als een eigen stem bezitten.

Een goed geschreven roman sta ik wel toe om mij uren als gezelschap te dienen; mag de auteur daarbij zelfs de hele tijd aan het woord zijn. Met een krant heb ik dat niet. Kan dat dagblad zich nog zo nadrukkelijk op een doelgroep richten waartoe ook ik behoor.

Tegelijk zijn al zulke overwegingen, nu, aan het eind van 2014, lichtelijk romantisch. Boeklog bestaat zo meteen tien jaar, en houdt dan op in de huidige vorm. En het is enkel door dat ene decennium — 2005-2015 — en de bijna drieduizend geboeklogde titels in deze periode, dat nog eens interessant wordt wat indertijd de overwegingen waren om met deze website te beginnen.

Waarbij de voornaamste reden van die start toch simpelweg was dat het kon. Mooier is het niet.

Ik had al een weblog, sinds 2001. Ik had zelfs al een dynamisch opgebouwd weblog dat met een database werkte en templates voor het uiterlijk. En dat oer-log wilde ik gewoon niet vervuilen door er ook nog eens boekbesprekingen op te zetten. Want dat zouden er weleens te veel kunnen worden. Vijfhonderd misschien wel, optimistisch geschat.

Boeklog had aanvankelijk ook geen eigen domeinnaam. De website begon domweg op een subdomein van mijn eamelje.net; dat zelfs nog steeds bestaat.

Vervolgens bleek het uiteindelijk simpeler om boeklog bij te houden dan eamelje.net, omdat alle teksten hier in elk geval een heldere aanleiding hebben. Een boek was gelezen. Daar had ik gedachten bij.

Op dat eerste weblog moest ik alle vrijheden van dat nieuwe publicatieplatform nog verkennen, bij de tweede lag al zo veel meer vast. Bij boeklog ging het me erom in alle vrijheid mijn gedachten te kunnen aantekenen. Alles, in een poging om nog eens een eigen stem te vinden. Want doordat ik al zo veel jaar voor journalistje speelde, wist ik wel te kunnen schrijven. Alleen weegt er in dat beroep nogal mee dat een tekst altijd voor een bepaalde doelgroep is; en doorgaans volgens een vast stramien geschreven wordt. Daar zit heel weinig eigenheid in. Een Félix Fénéon was ik niet..

Als ik dus ooit nog eens een derde weblog begin, en dat persoonlijk gekleurd is, gebeurt dat met nogal wat meer kennis dan er was in 2001, of in 2004. En daarmee wellicht met nog minder vrijheid.

Opvallend voor mij aan tien jaar boeklog is dat de website al vanaf het begin werd opgemerkt. Dit kwam mede door de prijsvraag van het Belgische tijdschrift Humo, waardoor iedereen die iets over de bundel Erg! wilde weten van Patrick Demompere automatisch deze kant op werd gestuurd.

Maar, met die zichtbaarheid online kwam ook belangstelling op gang waar ik doorgaans minder mee kon. Deels gaat de FAQ van boeklog daar nog altijd over.

Tal van uitgevers wilden mij boeken opsturen, om te bespreken. Wat ik dan weigerde; want het lezen in mijn vrije tijd moest geen werk worden.

Schrijvers wilden mij hun boeken opsturen, doorgaans om zo in elk geval nog ergens aandacht te krijgen. Waarvoor ik dan vrijwel altijd bedankte; om precies dezelfde redenen.

En boekhandels wilden dolgraag adverteren. Of anders ze wezen me er allemaal op dat een hyperlink naar hun website mij een leuke commissie kon opleveren, als ik over een boek had gelogd dat bij hun werd gekocht.

Alleen interesseerde mij de actualiteit in de boekhandel nu net amper of niet. Ik wilde gewoon blijven lezen zoals ik altijd gedaan had. Zonder enig programma. Mede omdat het veel te vermoeiend en oninteressant is om bij te moeten houden wat er elke week nieuw uitkomt, in enkel Nederland ook nog, en een mening te moeten hebben over elke bestseller of hype.

En had ik voor geld willen lezen, dan was dat eerder wel via de professionele route gegaan die me al sinds 1992 bekend was; middels de journalistiek.

Overigens speelden die vreemde ideeën over boeklog van buiten vooral in de eerste vijf jaar. De meeste bezoekers trok deze website ook in 2007; mede vanwege een Google PageRank van 6 en later 5. Enkel nadat boeklog genomineerd was voor de laatste Dutch Bloggies in 2009 kwam er nog een nieuw golfje van puur commerciële belangstelling. Ineens was er zelfs een uitgever die boeklog graag wilde gebruiken om recensies op te publiceren. Over hun eigen boeken vanzelfsprekend. Hoefde ik die niet eens te lezen.

Sinds deze website even gehackt werd, en plots porno begon te hosten, is het rustiger. Al draaide Google de totale diskwalificatie van boeklog redelijk snel terug na een grote schoonmaak.

Wat ik hier oorspronkelijk had willen schrijven is dat het weblog en webloggen in het jaar 2000 iets anders betekende dan in 2005, of 2010, of 2015. Elke periode kwam met zijn ideeën over wat eigenlijk normaal is. Nu iedereen en zijn grootmoeder op Facebook zit, wordt bijvoorbeeld een veelvoorkomende vraag van toen heel schattig: wáarom je toch in hemelsnaam iets schrijven zou op dat ‘internet’.

Blijft alleen staan dat opvallend weinig bezoekers boeklog wensen te zien als wat het is: een persoonlijk gekleurd leesdagboek.

Want je kunt nog zo je best doen om wat te maken dat geheel eigen is. Vreemden zien daarin toch altijd eerst iets dat zij naar hun eigen ervaring terugvertalen. Talloos waren de commentaren door de jaren van willekeurige lieden die via Google door de achterdeur binnen kwamen, voor het eerst de website zagen, en mij vervolgens gingen uitleggen dat niets hier deugde, omdat de website niet voldeed aan de door hen gedicteerde verwachtingen.
 


Discipline is het woord niet ~ les 2 uit 10 jaar boeklog

Misschien dat er maar éen vraag echt toe doet bij tien jaar boeklog. Wat maakte dat ik het bijhouden van dit weblog al deze tijd volhield? Die kleine drieduizend boeklogjes lang? In honderdtwintig maanden? Met omgerekend die kleine vijfentwintig besprekinkjes elke maand?

Deze website. Deze last.

Toch is daar weinig meer over te zeggen dan dat de meeste boeklogjes er kwamen omdat ik er lol in had om ze te schrijven.

Eerder dit jaar meldde ik al:

Terwijl boeklog rustig zijn laatste reguliere jaargang afrondt, moest ik toch nog eens een paar maal dieper ingaan op het gegeven dat dit een logboek is. En geen lullige verzameling van boekrecensies. Al wat op deze pagina’s komt te staan, toont allereerst een momentopname van mijn gedachten.

Ik las een boek. Dat leverde mij ideeën op. Vervolgens werden daar enkele van aangetekend. En die hoefden niet per se met het gelezen boek te maken te hebben. Iets dat bezoekers maar niet willen begrijpen; terwijl dat uitgangspunt nochtans vanaf dag éen staat aangegeven op de website.

Het raadsel van boeklog is voor mij dan weer dat er zo zelden komt te staan wat ik me voornam om hier aan te tekenen. De gedachten in mijn hoofd zijn hoogstens de vroedvrouwen van zinnen als deze. Een voorname reden om een persoonlijk leesdagboek als dit bij te houden, is simpelweg dat het ook mij telkens weer verbaast wat ik te melden zou hebben.

Alleen is dus wel dat lezen nodig, om dit talige proces bij mij op gang te brengen.

Op iets kunnen reageren, werkt goed, om een strikte regelmaat vast te houden in het vastleggen van aantekeningen.

Nu ja, en dan speelt er wel wat in mijn voordeel. Ik kan zeer snel schrijven als het moet — door een jarenlange training in de journalistiek. Daardoor liggen er al tal van zinnen en zinsdelen klaar voor gebruik; zodat ik zelden nadenk over de formulering.

De meeste boeklogjes zijn ook in éen geut geschreven, in hoogstens twintig minuten; als de tekst rond de vijfhonderd woorden telt. ’s Ochtends vroeg. Nadat mijn onderbewuste al minstens een nacht bezig was geweest met wat er per se over het gelezene opgemerkt moest worden. Zodat ik al evenmin diep over de inhoud nadacht.

Ware het schrijven niet zo makkelijk gegaan, me dunkt dat ik allang met boeklog gestopt was.

Het naderende einde van boeklog als logboek heeft overigens wel te maken met alles wat het schrijven hier me niet heeft gebracht — al wil ik na tien jaar graag ook eens een tijdje rust.

Later zal ik er nog uitgebreid op ingaan hoe moeilijk het was om bestaande vooroordelen los te laten. Boeklog begon te laat in mijn leven om er nog veel invloed op uit te oefenen.

En in 2012 waagde ik al eens een poging om het eens heel anders te doen. Dat jaar wilde ik me eens richten op de kwaliteit van mijn boeklogjes, na me in de twee jaar daarvoor op de kwantiteit te hebben geconcentreerd; een periode waarin ik meer dan éen logje per dag schreef.

Deze radicale koerswending strandde. Het schrijven kostte me toen ineens te veel tijd; waardoor het vervolgens telkens een opgave werd om er opnieuw aan te beginnen.

En ik mocht me dan wel hebben voorgenomen om meer tijd te besteden aan elk boeklogje. De teksten werden daar domweg niet opmerkelijk beter van.

Boeklog bleek niet een medium te zijn waarvoor ik nog een heel ander manier werken kon aanleren — wat waarschijnlijk komt omdat enkel mijn weblog is; waardoor er geen enkele drempel meer bestaat om hier iets te doen of te laten.

Voor andere media lukt het wel om teksten te schrijven van een hogere kwaliteit. Alleen al omdat het daar ineens vanzelf spreekt om meerdere versies te maken; en een tekst, als het mogelijk is, eerst nog een tijd te laten liggen voor deze ingeleverd wordt. Context is weer eens koning.

Dus luidt de conclusie: boeklog bijhouden, kan dus blijkbaar slechts op éen manier. Als ik daar iets aan had willen veranderen, dan was dat hoogstens tijdens de eerste maanden van de website gelukt. Toen alle routines nog een vorm moesten vinden, en de kosten noch de baten van het stelselmatig noteren van mijn ideeën bij boeken al duidelijk waren.

Mooi is het dat ik dit nu weet. Pijnlijk trouwens ook.

Daarom, aan iedereen die me vertelde door boeklog geïnspireerd te zijn geraakt om zelf een leesdagboek te gaan schrijven. Om vervolgens te merken dat er werk in steekt om te formuleren wat precies de gedachten waren bij een boek. En om daarop zo vaak al snel te stranden.

Discipline is het woord niet, bij boeklog. De meeste boeklogjes schreven zich zelf. En ging het eens een dag opvallend slechter, dan kwam de herkansing al de dag erop.

Al heb vanzelfsprekend ook ik mijn ideeën moeten aanpassen over wat deze website zou kunnen zijn. Boeklog is ooit begonnen in de hoop dat de dagelijkse dwang om tweehonderd, tweehonderdvijftig woorden te publiceren, me ras tot een betere schrijver zou maken.

Ook dat voornemen mislukte. Want ik hoopte om iedere ochtend in een paar minuten even een wondertje af te kunnen dwingen. Vreemd is het niet, dat dit niet wilde.

Maar het compromis bleek vervolgens toch ook de moeite waard te zijn. Deze website kreeg bijvoorbeeld een steeds grotere betekenis als extern geheugen. Een gedachte vastleggen, betekent namelijk opvallend vaak dat zo’n idee uit mijn hoofd verdween. En in het onthouden van boektitels was ik altijd al opvallend slecht; waar me van de boekinhoud nu juist wel zo opvallend veel bijblijft.

Gelukkig dat er daarom tegenwoordig smartphones bestaan.

Kortom, ik heb door boeklog de betekenis ontdekt van vrijheid binnen heel summiere regels. Doordat dit mijn eigen doodlopende straatje is op het internet, maakt het betrekkelijk weinig uit wat hier gebeurt. Juist omdat ik daardoor het idee heb losgelaten dat boekbesprekingen volgens een recept geschreven moesten worden, ben ik verder gekomen, met dat schrijven. Zelfs van boekbesprekingen.

En daar zit iets paradoxaals in.

Waar ik dus andermans woorden en ideeën in boekvorm weeg, op hun logica onder meer, lukt dat me bijvoorbeeld het best door eerst alle eigen regels los te laten en gewoon te gaan schrijven; om dan maar te zien waar het betoog eindigt.

En goed, ja, deze methode heeft zijn beperkingen.


Een derde factor, naast taal en verhaal ~ les 3 uit 10 jaar boeklog

Wie weleens zijn of haar gedachten opschrijft over een boek, staat daarin opvallend zelden alleen. Over veel boeken bestaan er kritieken, recensies, of andersoortige beschouwingen.

Dit maakt dat er de interessante mogelijkheid bestaat om de eigen ideeën te vergelijken met die van anderen. Omdat al die teksten over dat ene boek gaan, en iedereen dus naar precies hetzelfde heeft gekeken; zonder daarbij dan hetzelfde waar te nemen. Lezen is een subjectieve daad. Elk boek een spiegel die allereerst terugkaatst wie of wat er in kijkt.

Daardoor toont zo’n exercitie dan bijvoorbeeld aan dat geen recensie ooit compleet kan zijn. Geen enkele lezer is er die alles ziet of alles weet.

Door mijn opvattingen naast andere te zetten, zoals die van professionele critici, heb ik dan weer ontdekt niet op dezelfde manier te lezen als zij doen. Want, ik ben vaak aanzienlijk strenger.

Waarschijnlijk komt dit omdat ik alles lees — filosofie én lachstrips; poëzie én wetenschap — en fictie principieel niet anders wens te beoordelen dan non-fictie.

Toch is de voornaamste eis die ik stel aan mijn lectuur niet heel bijzonder:

[…] Vertel me nu eens iets dat me verrast.

Of, zoals Kurt Vonnegut het beschreef:

#1, Use the time of a total stranger in such a way that he or she will not feel the time was wasted.

Of, zoals Patrick Demompere in het openingsstuk van de bundel Erg! aantekende:

Wat verlang ik van een boek? Dat ik er niet bij in slaap val. Voilà het laatste en enige woord over mijn literaire credo.

Heel ingewikkeld is het dus niet wat lezers verlangen. Bovendien meen ik, net als Vonnegut, dat veel in het vertellen van een verhaal pure mechanica is; op alom bekende en dus vrij goed berekenbare effecten neerkomt. Dat is in het schrijven niet anders als in het maken van muziek. Iedereen die er tijd in steekt, moet iets kunnen maken waar een ander plezier aan beleeft.

Genialiteit is daarbij nog niet eens gevraagd. Genialiteit is ook het enige dat niet te leren is door te kijken hoe anderen het doen.

Dus als mij een boek onder ogen komt dat als goed genoeg is beoordeeld om te worden uitgegeven, en er strikt dan vakmatig al fouten zijn aan te wijzen, dan kan zo’n boek als een persoonlijke belediging overkomen. Een slag in het gelaat zijn zelfs.

En goed, dan lees ik aanzienlijk meer non-fictie uit dan fictie. Omdat zelfs in de meest belabberd geschreven zakelijke tekst informatie kan staan die mij onbekend was, en daarmee nog even boeit. Daar waar de doorsnee roman eerder een eigen wereldje schept, waarvan de begrenzingen doorgaans al binnen vijftig pagina’s duidelijk zijn. Wat dan de verwachting over het vervolg eerder tempert dan aanwakkert.

Vergelijk ik mijn boeklogjes over literatuur met de recensies of kritieken van professionals — waaronder ik eenieder versta die geld krijgt voor het oordelen over boeken, linksom of rechtsom — dan valt onder meer op dat zij boeken voornamelijk beoordelen op stijl.

En ik kan niet heel veel met dat begrip.

Schrijfstijl bestaat volgens mij, Queneau volgend, namelijk uit twee elementen: uit de manier hoe iemand zijn verhaal vertelt, en uit de taal waarin dat gebeurt. [1].

De professionals hier vinden doorgaans die talige kant van een roman aanzienlijk belangrijker dan het verhaal. Welke gebeurtenissen er verteld worden, en hóe dat gebeurt, doet er bij hen doorgaans opvallend weinig toe. En een boek met een duidelijk plot is zelfs verdacht; want populistisch; zo wordt bijvoorbeeld telkens duidelijk in beschouwingen over De Roman. Ik vind dat vreemd.

Polemisch gesteld, de taal waarin een boek werd geschreven, is voor mij doorgaans het minst interessante onderdeel van zo’n boek. Zelfs op auteurs die me van vele zinnen laten genieten — zoals een Gerrit Komrij, die vaak op boeklog voorbijkwam — knap ik af als het vervolgens aan inhoud ontbreekt. Lege verpakking, hoe mooi ook, blijft leeg.

En dan valt inhoud toch ook niet helemaal samen met verhaal.

Om boeken te beoordelen ken ik aan drie factoren gewicht toe; zonder deze altijd bewust zo in te zetten. Naast de weging op taal en verhaal is er nog een derde eigenschap; waarvan het me niet lukt om die in éen woord te vangen. Mede omdat deze extra waarde verschilt per boek.

Sommige uitgaven waardeer ik omdat ze me intrigeren, andere omdat ze me ontregelen. Verrassing kan dus die derde factor zijn. Wijsheid zelfs, heel soms. Inzicht. Oorspronkelijkheid. Authenticiteit.

En aan die extra waarde mankeert het bij boeken doorgaans al gauw — al helemaal bij fictie. Te veel romans heb ik gelezen, of proberen te lezen, die me geen enkele reden toonden waarom juist dit boek zo geschreven moest worden.

Terwijl de toegevoegde waarde voor mij nu net grotendeels mijn oordeel over een boek bepaalt.

En dan is de manier waarop ik vaststel of een boek die derde factor heeft strikt subjectief, en waarschijnlijk zelfs arrogant te noemen. Toch. Terwijl ik mijzelf nooit belezen noem, heb ik ondertussen wel vele malen meer boeken en andere teksten onder ogen gehad dan de kleine drieduizend waar boeklogjes aan zijn gewijd. Leeservaring is er, al decennia; net als routine in het zelf schrijven van tekst.

Wegen er wel wat persoonlijke vooroordelen mee — waar dit reeksje nabeschouwingen later nog uitgebreid op terug zal komen. Zo heeft mijn studie geschiedenis het me bijna onmogelijk gemaakt om historische romans te lezen. Want daarin komen altijd mensen voor die zo niet bestaan kunnen hebben; wat dan stoort.

En soms levert deze vooringenomenheid een structureel probleem op. Bij boeken die spelen in de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld. Daar zijn er nogal veel van.

Werd zo’n uitgave geschreven door iemand die deze periode bewust heeft meegemaakt, dan is er niet per se iets aan de hand. Maar jongere auteurs die hun boek in die tijd laten spelen, scheppen daarmee historische fictie; en moeten vervolgens extra hun best doen mij te overtuigen dat zij geen Kitsch hebben geproduceerd [2].

Het is mij bijvoorbeeld een raadsel waarom een schrijver die geboren werd in 1952 een boek in de Tweede Wereldoorlog laat afspelen. Wat heeft zo’n jongen nog toe te voegen aan de bibliotheken die al over deze periode zijn volgschreven door mensen die er wel bij waren? Ik vind zo’n keuze naar onmacht neigen, of in elk geval weinig zelfvertrouwen tonen. In onze cultuur heeft die Tweede Wereldoorlog een onaantastbaar hoge status. Iedereen weet wat er toen gebeurde. Elke schrijver die zijn boek nu nog in die periode laat spelen, maakt daarmee gebruik van breed bestaande vooroordelen. Zijn boek is al spannend, zonder dat hij daar zelf ook maar iets aan hoefde te doen. Wie daar geen rekening mee houdt als auteur, wordt al te makkelijk tot een zielige partizaan in het naoorlogs verzet.

Dus mag ik het professionele critici waarschijnlijk niet eens kwalijk nemen boeken vooral te wegen op stijl. Mijn oordelen gaan namelijk gauw eens verder. En spreken zich dan niet alleen uit over een tekst. Ik weeg waarschijnlijk ook het benul van een auteur.

  1. Ik heb Steven Pinker’s recente boek over stijlgevoel nog niet gelezen; wellicht dat deze passage later nog wordt bijgesteld []
  2. Mijn recensie over De ladder, waar het citaat uit stamt, was voor de auteur overigens mede de reden om namen de Friese schrijversbond een beroepsverbod te eisen voor mij []

Lezen als noodzaak ~ les 4 uit 10 jaar boeklog

Nieuwsgierigheid heeft zijn eigen redenen om te blijven bestaan. Het beste is het om nooit te stoppen met het stellen van vragen. Dit citaat komt bij Einstein weg; al vertaal ik zijn woorden hier nu wat vrij. En het aardige van het quoten of parafraseren van Einstein als autoriteit, is dat niemand het zo maar oneens met hem durft te zijn. [1]

Toch. Wat een kwelling is het om altijd vragen te blijven stellen. Bij alles. En om dan nooit tevreden te zijn met het eerste antwoord — omdat zelfs zo’n antwoord dan weer de vraag oproept of het wel volledig is.

Ik ben helaas nieuwsgierig geboren, en heb me allang tevreden moeten stellen met de constatering dat ik daarom met vele vragen zitten blijf. Heel weinig is zeker, en waarheden zijn wel bijzonder zeldzaam gebleken.

Vandaar misschien dat ik die enkele algemene wet zo koester die onze cultuur ons wel gebracht heeft, zoals de Universele verklaring van de rechten van de mens. Vandaar wellicht dat ik de politici en machthebbers haat die zich in hun blinde kippendrift niets van zulke fundamentele bepalingen aantrekken.

Vandaar dat ik me blijf verbazen over wat mensen in hun onnozelheid durven uit te kramen.

En bij al mijn nieuwsgierigheid moet ik ook constateren slecht bediend te worden, door de professionals die samen ‘de media’ vormen. Die lijken zich vooral bezig te houden met al wat er niet toe doet. Die hebben een eigen wereldbeeld gecreëerd, waarvan vooral opvalt dat het opvallend simpel in stand te houden is. Die maken zo vaak de opinies en levens van mensen belangrijk die op zijn best nietszeggend zijn — terwijl deze mensen doorgaans bij een groot publiek bekend zijn om heel andere redenen dan hun denkkracht.

De neiging om vragen te willen blijven stellen, is dan ook een asociale bezigheid. ‘Not done’. En voor u mij nu verdenkt mij hierover op de borst te kloppen, of me hierom uitverkoren te voelen: ik wil helemaal zo asociaal niet zijn.

Ik zou gewoon passief televisie kunnen willen kijken als ieder ander, of lange series van DVD, zonder me daarbij te ergeren of te vervelen. Om er dan achteraf gewoon met anderen luchtig over te kunnen praten.

In plaats daarvan is gebleken dat mijn nieuwsgierigheid slechts te stillen valt met boeken. Honderden boeken. Duizenden boeken. En boeklog heeft even, tien jaar lang, getoond, wat vervolgens daarbij mijn ideeën waren.

Bracht boeklog hiermee dan niet ook een ode aan het lezen?

Soms, maar lang niet altijd. Vrees ik. Want hoe meer leeservaring ik krijg, des te minder waarde de meeste boeken overhouden. Schrijven is moeilijk. Om nog te zwijgen over hoe moeilijk denken is.

Het lijkt me zelfs vrij onzinnig het lezen heilig te willen verklaren, zoals zo veel auteurs altijd willen doen. Waarbij ze zelfs snobistisch worden over het al dan niet bezitten van een TV. Toch kan geen enkel medium alles.

Boeken blijven de meest ideale informatiedragers ooit bedacht. Voor mij. Ook voor mij. Het zou onzinnig zijn dit te ontkennen. Ideaal zijn daarnaast de infrastructuren die bestaan om mij altijd weer het volgende boek aan te reiken — ongeacht de taal, ongeacht het moment waarop dat verscheen soms zelfs.

Maar zo ik me intellectueel ontwikkeld heb, dan is die ontwikkeling onder meer gepaard gegaan met een steeds grotere wens tot controle.

Het gaat me bij het lezen dus wel om de inhoud van boeken, maar nooit om inhoud alleen. Zelfs mijn lievelingsboek interesseert me slechts matig als het wordt voorgelezen van CD. Audioboeken beluisteren, kost alleen al te veel tijd. Ik lees tien tot twintig keer sneller. Bovendien biedt een papieren boek me de mogelijkheid om zo nodig terug te bladeren, of een hinkstapsprong vooruit te maken als ik even te goed kan voorspellen wat of er komen gaat.

Ik lees boeken, omdat ik de dagelijkse kick nodig heb van nieuwe verhalen. Of van mij onbekende informatie. Of van taal.

Kon televisie me in dezelfde roes brengen, was ik nu een couch potato. Had ik vrienden en bekenden die me telkens zo wisten te verrassen, dan was ik uit hun gezelschap niet weg te slaan. De aanleg tot overmaat en verslaving bestaat. Maar het grote bezwaar tegen bijvoorbeeld TV is dat programmamakers de kijkers dwingen om zich over te geven aan hun verteltempo. Dat tempo ligt mij veel te laag. Bovendien mis ik daarbij de zo gewenste controle.

Die toegenomen drang tot controle gaat dus gepaard met ongeduld bij mij, en ook met de wens dat mijn inspanningen iets opleveren. Het leven is wat te kort voor gebeuzel gebleken. Waarom zou ik bijvoorbeeld dan mijn tijd verdoen met vage Franse filosofie, als die vooral vorm is waarin nauwelijks nog inhoud in onderscheiden kan worden?

Ook romans zonder enig verband met de werkelijkheid, tonen zo bezien een nogal leeg kunstje.

Schrijvers moeten verder niets van mij. Al mogen ze me nooit vervelen.

  1. Voor wie deze woorden bekend voorkomen. Ik heb voor dit tekstje weinig meer gedaan dan twee oude tekstjes licht te wijzigen en aan elkaar te plakken. Zelfplagiaat heet dat tegenwoordig, in academische kringen. Maar dit is geen wetenschappelijke publicatie, noch zijn mijn woorden bedoeld om mij ergens op een citeringsindex te krijgen. []

Mijn lievelingsboek? Wat een vraag ~ les 5 uit 10 jaar boeklog

Lievelingsschrijvers heb ik niet. En dat lijkt me ook wel zo gezond. Want zelfs hoogst abjecte mensen kunnen goede boeken schrijven. Hoe gezond is het om jaren enkel aan een boek te werken? De liefde voor zo’n titel hoeft zich wat mij betreft daarom niet uit te strekken tot de persoon van de maker.

Al geef ik ook toe dat als éen werk van een bepaalde auteur goed bevalt, dit zeker een aanbeveling kan zijn om de rest te proberen van zijn of haar oeuvre. En als zo’n schrijver meerdere boeken heeft uitgebracht die mij tot een tevreden lezer maakten, groeit er wel degelijk iets van een band.

Vandaar dat ik eerder dit jaar zo naar getroffen was door de terloopse bekentenissen van Joseph Epstein, in zijn meest recente essaybundel, over de goedkope hoeren in zijn jeugd. Had ik in alle bundels van deze erudiete en witty auteur eerder dan gemist dat hij mysogiene trekjes had? Moest ik dat vrouwonvriendelijke gedrag van hem uit zijn jeugd zien als een tijdverschijnsel? Wilde ik dit zien als een tijdverschijnsel?

Het is kortom beter je geen helden te maken — plaats kunstenaars op een voetstuk, en ze kunnen er enkel vanaf donderen.

En toch word ik met regelmaat, zij het meestal door mensen die me verder niet zo goed kennen, gevraagd wie mijn lievelingsschrijver is. Waarbij ze de uitleg van hierboven dan wel begrijpen. Maar dit vormt dan hoogstens een aanmoediging om over te gaan op die andere nog onmogelijker vraag: wat of mijn lievelingsboek zijn zou.

Mijn favoriete boek? De ontvoering van Alfred Heineken, door Peter R. de Vries, antwoord ik dan.

Dat is een grap. Ik heb die hele uitgave nooit gelezen. [1]

Ik heb alleen ondertussen wel geleerd dat het complicaties vermijdt om gewoon tenminste éen titel te noemen, dan om te zeggen hoe onnozel het idee is om me tot éen ‘lievelingsboek’ te moeten beperken.

De mensen die éen boek boven alles verheffen, zijn mijn mensen niet; dat lijkt me zo al éen principieel bezwaar.

Wat een vreemd onbenullige marteling toch om mij onder tijdsdruk even te laten kiezen uit de honderden boeken die ooit grote indruk maakten. Alsof dit me mogelijk zou zijn. [2]

Het is namelijk simpel. Elke lezer ontwikkelt zich. En voorkeuren wijzigen daarmee, door het leven en door het lezen. Behoeften wijzigen ook. Terwijl schrijvers nu net veel minder ruimte hebben om te veranderen; want hun persoonlijkheid blijft domweg de grote constante in hun werk; en die is gegeven. Boeken veranderen al helemaal niet meer van inhoud als ze eenmaal zijn uitgebracht.

Geldt bovendien voor elk boek allereerst dat het op het juiste moment in het leven van de lezer moet langskomen, wil het een zo grote indruk maken dat het een favoriet worden kan. Op boeklog staat nogal eens dat ik een uitgave hoger gewaardeerd zou hebben, als ik niet al grotendeels met de inhoud bekend was geweest. [3]

Het toeval draagt zo veel aan de waardering bij; en dit aspect blijft doorgaans ongemerkt.

Daarom zijn er hele volksstammen die The Catcher in the Rye een vreselijk boek vinden; omdat de hoofdpersoon op hen overkomt als een verwende puber. Terwijl daartegenover zeker zo veel lezers staan die geen indrukwekkender boekpersonage kennen dan dezelfde Holden Caulfield.

Ik las The Catcher in the Rye op mijn zestiende, en had op dat moment nog niet eerder een roman gelezen die zo tot mij sprak. En daarom zal ik dit boek nimmer herlezen; of hoogstens heel analytisch; om te zien hoe J.D. Salinger zijn effecten bereikte. Ik ben nu immers geen zestien meer.

Maar zelfs de Catcher zal op een gegeven moment het lot treffen van Goethe’s Die Leiden des jungen Werthers, en achterblijven in de tijd; een curiosum worden waarvan het nageslacht zich niet goed meer kan voorstellen waarom dat ooit zulke emoties opriep.

De lievelingsboeken die ik heb, zijn een persoonlijke keuze, tijdsgebonden, waarvan hoogstens te zeggen is dat het om titels gaat die zich tamelijk straffeloos laten herlezen. Boeken waarvan al gebleken is dat ze met me meegroeien, in de tijd.

Een constante van zulke werken is hoogstens dat hun inhoud óf niet, óf al in enkele regels naverteld kan worden — omdat het bij het lezen dus niet om het verhaaltje gaat. Ik moet bij deze boeken telkens nog aanvullen op wat de schrijver me geeft; waarbij ik door de decennia heen blijkbaar telkens wat anders toevoeg.

De auteur moet me wat te doen geven. Maakt de wijze waarop dit gebeurt vervolgens niet zo veel uit. Waarschijnlijk is deze eis het grootste verschil tussen hoe ik was als onervaren lezer, en hoe ik een boek nu oppak.

Ooit kwam er het vervelende moment dat het niet meer volstond om enkel te beginnen met lezen om te kunnen verdwijnen in de tekst. Toen ineens niet elk boek een goed boek was. Tijdens mijn puberteit moesten boeken bijvoorbeeld al spannend zijn, wilde ik er nog wat mee kunnen. Verliep mijn overstap van lectuur naar literatuur vervolgens deels via het korte verhaal. Omdat het gelukkig ooit mode is geweest dat zulke verhalen een stevig plot moesten hebben.

Weinig boeken hebben me later, als ervaren lezer, dan ook dieper teleurgesteld dan bijvoorbeeld de korte verhalen van Roald Dahl; omdat deze bij herlezing vrijwel niets anders te bieden bleken te hebben dan enkel het plot.

Tegelijk kan het best zijn dat ik precies dezelfde verhalen nog eens aanraad aan iemand.

En tegelijk staat me aan teveel beoordelaars tegen dat die het verhaal, en de wetten van het verhaal, zo makkelijk negeren in hun kritieken.

Vragen zeggen altijd nog het meest over de vragensteller, en zijn of haar wereldbeeld. De vraag wat of mijn lievelingsboek is, past niet bij de notie die ik van lezen heb.

Boeklog getuigt hoe ik de afgelopen tien jaar telkens lievelingsboeken heb opgepakt, bewust het risico nemend ze daarmee te doden.

  1. En nimmer heeft iemand door dat ik scherts. Of dat ik de titel alleen gaf, omdat voetballers die zo vaak hebben genoemd als hun lievelingsboek, in het voetbalvakblad VI, dat het antwoord daar een enorm cliché is geworden. []
  2. Wat dan wel een goede vraag zou zijn? Wat het laatste boek is dat grote indruk op mij maakte? Iets dergelijks. []
  3. Zie bijvoorbeeld het wat pedante boeklogje over Bill Bryson’s Short History of Nearly Everything []

Opinies. Ik had ze ook ~ les 6 uit 10 jaar boeklog

Een kwart eeuw nu ben ik gewend om met regelmaat online te gaan. Ik gebruikte internet al toen de naam internet nog niet eens algemeen in gebruik was. Al stelde het aanvankelijk niet veel voor wat er kon, op het netwerk dat ook computers van elders binnen bereik bracht thuis.

Wel was ik er vlot bij toen universiteitsbibliotheken de mogelijkheid begonnen te bieden om van afstand vast boektitels aan te vragen.

In die jaren belandde ik ook op Usenet, in de nieuwsgroepen, waar ik de meest intensieve discussies over boeken heb gevoerd van mijn leven. Al kan ik veel van mijn woorden uit die tijd inmiddels niet meer zonder schaamte lezen. Zelfs al stond het gelijk doorgaans aan mijn kant, als ik weer eens sarcastisch een Amerikaan corrigeerde die Kafka enkel in het Engels lezen kon. Zo’n discussie toonde allereerst hoe matig die vertalingen waren.

Toch verliepen zelfs de felste debatten online indertijd met een zekere beschaving. Mede omdat nog lang iedereen niet internet gebruiken kon. Usenet trok een select publiek. Studeren, of op een andere manier verbonden zijn aan een universiteit, was doorgaans al de voorwaarde tot toegang.

Tegelijk zijn overeenkomsten met toen in gedrag waarschijnlijk groter dan de verschillen. Mensen zijn allereerst sociale wezens, en dat zal in geen enkele incarnatie van internet veranderen. Geestverwanten vinden elkaar snel, als de mogelijkheden daartoe bestaan. Lezers vonden lezers, en vinden lezers. En online waren er toen ook al tempels waar brallerige jonge Amerikanen Ayn Rand verheerlijkten als een groot denker. Zullen er nog vreselijker plekken zijn geweest.

Maar er was simpelweg nog geen mens die de hele dag online kon zijn indertijd. De technologie daartoe ontbrak. En belangrijker misschien nog: niemand had zijn eigen vaste plekje online; alles speelde zich af in gemeenschappelijke ontmoetingsruimten. Websites waren er wel, alleen vergden deze omslachtige procedures, zoals het uploaden van bestanden, om de simpelste typefout in een tekstje te verbeteren.

Sowieso was het vrijwel onmogelijk om fouten uit te wissen. Ook dat beschaafde al.

Internet gebruiken was voorheen dus een veel socialer handeling dan nu, omdat iedereen openbare voorzieningen benutte; waarvan tegelijk niemand wist van wie die waren. Dit maakte het vanzelfsprekend om normaal te doen.

Het succes van Facebook en dergelijke netwerken komt volgens mij ook niet eens omdat mensen daarmee elkaar zo makkelijk kunnen vinden. Het account van Facebook geeft de leden een eigen honk online; dat ze ook nog eens schijnbaar naar eigen smaak kunnen inrichten. Daarmee krijgen ze dus ineens de illusie toebedeeld een thuisadres te hebben op dat enorme internet.

Is een eigen website als boeklog mij toch liever.

Een derde verschil is dat alles indertijd een veel geringere omvang had. Daardoor ontbraken de zo makkelijk op hol slaande boze horden van dit moment. Het equivalent van GeenStijl’s Roze Khmer was toen gewoon nog éen vervelende vent, die misschien een even naar vriendje als hulp kon mobiliseren; dat waarschijnlijk gewoon hijzelf was; onder een andere naam. En zo iemand werd dan hoogstens gedoogd, uit folklore; omdat elke gemeenschap zijn dorpsidioten heeft.

Ik ben in die eerste jaren online sociaal genoeg geweest om de rest van mijn leven geen sociale media of netwerken meer te hoeven gebruiken. Want elk gevoel van moeten is weg. Bang om ooit nog iets te missen ben ik niet.

En dat kwam dus mede omdat ik indertijd zo fel discussies gevoerd heb — over boeken, en ook over hoe de wereld in elkaar zou steken. Gediscussieerd heb zelfs op de manier die later zo prachtig gevangen is door XKCD in een cartoon. Daarbij mijn slaap opofferend om een Amerikaans of Canadees nog weer eens uit te leggen dat zij het veel te simpel zagen.

Ze leven daar nu eenmaal zes tot negen uur later.

En dit fanatisme bevreemdt me nu eigenlijk het meest aan mijn eerste kennismaking met internet. Het zal de nieuwigheid zijn geweest, in die nieuwsgroepen online, waarin niemand automatisch gezag had door zijn maatschappelijke status, en iedereen zich ineens van argumenten moest bedienen om zijn gelijk te kunnen halen. Dat was verfrissend.

Ik was toen toch ook al eens geslagen met de gesel der relativering.

Dienstweigeren, en de hele procedure om erkend te worden als gewetensbezwaarde, hadden me al getoond dat gelijk hebben en gelijk krijgen lang hetzelfde niet is. Mijn meest principiële grond tegen de dienstplicht was namelijk dat er veel te veel jongens geboren waren in mijn tijd; terwijl het tal dienstplichtig soldaten niet fluctueerde. Daarmee was er een idiote rechtsongelijkheid ontstaan. Slechts een bescheiden minderheid uit mijn geboortejaar had de dwangarbeid opgelegd gekregen. Waaronder ik.

Mijn onweerlegbare logica telde alleen niet als bezwaar. Waarvan ik leerde dat bureaucratieën enkel regels naar de letter kunnen volgen, en daarmee de domheid in zulke regelgeving het sterkst institutionaliseren.

Mijn argument werd namelijk benoemd als een politiek bezwaar tegen de dienstplicht — niet als een juridisch of zelfs als een logisch bezwaar — en zulke politieke gronden werden in Nederland niet erkend.

Ging ik wat later geschiedenis studeren, en journalistiek bedrijven; waardoor zowel de theoretisch onderbouwde kennis als het praktische benul toenam bij mij dat er slechts heel weinig zeker is. En dus ook dat zij die ermee schermen de waarheid in pacht te hebben nogal overdrijven, liegen, of stiekem iets in de verkoop hebben.

En ik hoop dat de meeste van mijn boeklogjes vanuit die achtergrond zijn geschreven. Dat deze tekstjes nooit gemaakt werden om triomfantelijk mijn eigen gelijk rond te tetteren, maar mede dienden om de fouten en onwaarschijnlijkheden aan te stippen die anderen debiteerden.

Deze website is en blijft allereerst dat leesdagboek; bedoeld om aan te tekenen wat mijn gedachten waren op een gegeven moment.

Zal er ondertussen per ongeluk ook weleens iets tussendoor zijn geslipt dat op een eigen mening leek. Mijn excuses daarvoor.

Toch zal ik vrijwel steeds bereid zijn om mijn gelijk in te ruilen voor een beter.

Bij het samenvatten van mijn ervaring met het dienstweigeren, viel me overigens iets op dat me tot nu toe ontgaan was. Terwijl ik daar toch wel aandacht aan besteedde bij wat de socioloog J.A.A. van Doorn schreef over de koloniale oorlog in Indonesië.

Indertijd onderdrukte de Nederlandse Staat alle nieuws over de vele dienstweigeraars. Verdeel en heers, wie is er niet machtig door gebleven.

En ook veertig jaar later was protest tegen de militaire dienst nog steeds een individuele zaak — hoewel er wel degelijk organisaties bij betrokken waren, zoals de Doopsgezinde Kerk.

Ware dat internet er toen geweest, dan was het waarschijnlijk wel gelukt, om een massaler protest te organiseren. Om daarmee bijvoorbeeld de onweerlegbare logica duidelijk te maken dat er teveel jongens waren voor het leger; en dus de principiële rechtsongelijkheid breder bekend te krijgen dat slechts een enkeling tot dwangarbeid veroordeeld werd.

Het is alleen makkelijk om vanuit het nu, met zoveel meer kennis over hoe de nieuwsmedia werken, en waarmee zij tot actie zijn aan te zetten, te denken dat ik onder andere omstandigheden wel even fel gestreden zou hebben om mijn gelijk te krijgen.

Gelijk krijgen, is ook niet zo heel interessant. Veel boeiender is de vraag waarom iemand op een gegeven moment gelijk krijgt; en wat daar de mechanismen achter kunnen zijn geweest.
 


Perfecte recensies: er is een recept ~ les 7 uit 10 jaar boeklog

De belangrijkste wijsheid die boeklog me heeft opgeleverd is in éen zin samen te vatten: Boeken zijn het best te beoordelen als ze gelezen worden in een reeks van werken met eenzelfde strekking. Serieel.

Zowel de kwaliteiten als de tekortkomingen worden het meest duidelijk als het mogelijk is om binnen korte tijd te vergelijken. Zelfs een afweging tussen wat fictie aan de orde stelt en een zakelijke tekst over hetzelfde onderwerp werkt vaak al verhelderend.

Blijft het vervolgens wel zaak om wat perspectief te behouden. De kaboutervete van de Friese schrijversbond met mij ontstond bijvoorbeeld mede omdat ik het gewaagd had om in recensies pas verschenen Friese boeken te wegen ten opzichte van de hele wereldliteratuur mij tot op dat moment bekend. En dit riep direct grote weerstand op.

In Friesland was het nu eenmaal gebruik dat de ene auteur de andere besprak — door een eeuwig gebrek aan onafhankelijke critici in de taal — waardoor mildheid doorgaans overheerste in de recensies. Want wie oordeelde wist op zijn of haar beurt te zullen worden gewogen door een collega. En omdat vrijwel geen boek uit het Fries ooit een ander taalgebied bereikt, is de wederzijdse bewondering er vanouds een fijn gezelschapspel.

Ik besefte dat onvoldoende, indertijd. Anders had ik ook wel hardere woorden gebruikt, in mijn mild geamuseerde reactie op de karaktermoord door de schrijversvakbond, die een beroepsverbod heeft geëist voor mij om literatuur te beoordelen.[1]

Professionele critici en recensenten vergelijken vanzelfsprekend ook telkens boeken die op elkaar lijken. Alleen heet dit proces bij hen specialisatie. En zo’n specialisatie heeft zowel voor- als nadelen. Waarbij voor mij het zwaarst weegt dat daarmee wat makkelijk beroepsblindheid optreedt.

Voor wie enkel de Nederlandse literatuur beoordeelt, of de Friese, is die Nederlandse literatuur dan al gauw de enige maatstaf. Of de Friese.

En ik ben toch heel blij een woordje van over de grens te kunnen lezen. Of dat ik het zelfvertrouwen heb om de roman een vreemd beperkt genre te durven vinden — dat waarschijnlijk te moeilijk is geworden voor de hedendaagse auteurs — omdat er altijd wel iets is aan lange fictie dat niet deugt.

Mijn verzamelde boeklogjes legden nog een andere beperking bloot van de doorsnee recensie. Zo’n standaardbespreking biedt namelijk enkel een momentopname. Een impressie die doorgaans ook nog geschreven werd kort nadat een titel is uitgekomen.

Toch zijn er boeken genoeg die enkele jaren later ineens beter op hun plaats lijken.

Dat ik lievelingsboeken elke tien à vijftien jaar herlees, is mede om te zien of mijn eerste indrukken blijven kloppen, of dat deze toen vertekend waren door het moment. En de ervaring die zulke herhaalde confrontaties me gaf, maakte dat ik al eens het recept meende te kunnen opstellen van dé perfecte recensie.

Waarbij mijn stelling tegelijk was dat zulke recensies amper geschreven zullen worden — in elk geval zeker niet van beroepsrecensenten verwacht mogen worden. Alleen al omdat die zo zeer vasthouden aan de publicatieschema’s van de uitgevers, en de brandende actualiteit in boekenland.

Zwijg ik nog over hun literaire maatstaven. Dat lijkt me wel zo beleefd.

De perfecte recensie is namelijk ook pas te schrijven als een boek enigszins objectief vergeleken kan worden met zichzelf. Ofwel, na een tweede lezing, die geruime tijd later moet plaatsvinden. Zodat in elk geval duidelijk wordt of er iets te modieus was aan de uitgave; dat bij eerste lezing zo veel minder goed zal zijn opgevallen. Tijden hebben tijden.

Helpt het verder mee als de eventuele opwinding om een boek allang is weggeëbd.

Ik schatte indertijd in dat enkel de faculteiten Letterkunde het aandurven om uitgaven nog eens zo te wegen.

Maar de meeste academici kunnen dan weer niet schrijven, omdat zij zich slechts tot hun vakbroeders en -zusters richten. Bovendien beperken zij zich tot het bestuderen van fictie en poëzie;

Een kleine drie jaar terug dacht ik daarom:

De kans nog eens een perfecte boekbespreking tegen te komen, is daarom het grootst in het boek van andere schrijvers; als deze zich bezighouden met wat hen zoal beïnvloed heeft;

Sterk onderhevig aan toeval dus;

Inmiddels wil ik daar aan toevoegen dat er wel degelijk weblogs bestaan waarop lezers boeken bespreken op een manier die zo nog niet eerder bestond. Namelijk zonder dat daar een eigenbelang in meeweegt.

Alleen is er dan nog dat andere element, dat een recensie tot een perfecte recensie zou maken.

Zo’n kritiek moet voor mij ook op zichzelf kunnen staan, als tekst.

De sterkste voorbeelden van boekrecensies die blijven, terwijl de daarin besproken boeken lang vergeten zijn, bestaan dan alleen ineens wel uit die waarin de auteur cabaret bedrijft, of een moord begaat. Gerrit Komrij’s alter ego Patrick Demompere schreef een hele bundel vol met eeuwig leesbaar blijvende kritieken. En Gore Vidal de tien grootste bestsellers in de VS van 1973 te zien bespreken, blijft een feest om te lezen.

Zijn er nog vele historische voorbeelden ook van zulke slachtpartijen op papier.

En van een slecht boek is bij eerste lezing echt al duidelijk wat er niet aan deugt. Daar zullen die tien tot vijftien jaar afstand niets aan veranderen.

De perfecte recensie kan dus nooit uit een afrekening bestaan; uit een grap ten koste van een ander. Enige bewondering, hoe afstandelijk ook, lijkt me wel een vereiste.

Dus moet de voorzichtige conclusie nu wel luiden dat ik wel een recept opstellen kan voor perfecte boekbesprekingen. Maar dat bij de uitvoering daarvan al gauw zeker éen ingrediënt niet in huis zal zijn.

* de illustratie bovenaan komt uit het boeklogje over DirkJan 12. Click voor groter.

  1. Mild geamuseerd, ja. Ware het me menens geweest, dan had ik wel de landelijke publiciteit gezocht, om deze merkwaardige censuurpoging van it Skriuwersboun algemene bekendheid te geven. Hoe moeilijk zou het zijn geweest voor een ervaren journalist, om zoiets in te steken bij een persbureau als het ANP? []

Schrijven als ontdekking. Schrijven als plicht ~ les 8 uit 10 jaar boeklog

Boeklog was het simpelst om bij te houden in de jaren 2010 en 2011. Toen had ik me voorgenomen om minstens elke dag een boek te lezen. En dit betekende dus ook dat er stipt iedere ochtend vroeg een boeklogje geschreven worden moest.

Was dit gedaan, na twintig minuten, dan zat de meest knellende verplichting erop, en mocht ik de rest van de dag weer gewoon mijn domme goeiige zelf zijn. [1]

Zonde daarom dat mijn tekstjes in de loop van die twee gevulde jaren steeds narriger werden. Lucht om ontspannen te ademen en ruimte in het hoofd te houden, blijft nodig om steeds iets nieuws op een website als deze te kunnen aantekenen. En dat is bijna jammer; want de simpelste routines zijn nu eenmaal het makkelijkst om vol te houden.

Het moeilijkst om te schrijven voor deze website, blijken teksten te zijn als bijvoorbeeld dit reeksje lessen uit tien jaar boeklog. Terwijl me toch al enige tijd bekend is wat er hier moet komen te staan.

Ik vrees dat er problemen ontstaan omdat er voor mijzelf te weinig nieuws te ontdekken valt in deze regels. De kans is gering dat ik tijdens het opschrijven van een lesje als dit ineens gedachten krijg die er nog niet eerder zo waren. Dus moet gehoopt worden dat me al doende nog een aardige formulering invalt, of desnoods een slechte grap; waardoor het werk aan deze regels ineens geen corvee meer is.

Door dit mechanisme wordt dus ook de voornaamste aantrekkingskracht van boeklog voor mijzelf, als maker, verklaard.

Ik ben doorgaans heel erg benieuwd naar wat ik over een boek te zeggen zou hebben. Want weliswaar bestaan er ideeën. Alleen bestaan die gedachten niet per se uit woorden; wat ze zelden heel helder of uitgesproken maakt. Vooral bij boeken met voors en tegens hangt het niet zelden nog van het schrijfproces af hoe mijn oordeel uiteindelijk uitpakt.

Het is best mogelijk dat ik van plan ben een boeklogje te schrijven met een positieve teneur, terwijl me tijdens het schrijven enkel formuleringen invallen die naar een negatief oordeel toe leiden.

Andersom komt overigens ook voor, alleen minder vaak.

En ik laat die vrije stroom aan gedachten dan toe. Boeklogjes worden in éen geut geschreven. Anders is het bijhouden van deze website werk; en dat mocht het nooit wezen.

Tegelijk ben ik verslaggever genoeg geweest om niet ook een paar wetten uit dat vak toe te passen hier. Murphy’s Law, toegespitst op journalisten, luidt namelijk:

Pas na een interview weet je welke vragen je had moeten stellen.

wat een variant is op de wijsheid:

Pas als je tekst in de krant staat afgedrukt, weet je wat je had moeten schrijven.

Boeklog heeft daarom vrijwel al deze tien jaar met een klein buffertje gewerkt, van doorgaans enkele dagen. Zodat ik mijzelf de mogelijkheid verschafte om onder meer mijn vele schrijffouten te verbeteren. Want ondanks tien jaar routine hier denk ik nog altijd sneller dan dat ik typ.

En die kleine buffer biedt me dus ook de kans om ongemerkt nog wat l’esprit d’escalier toe te voegen. Het schrijven aan een boeklogje houdt namelijk niet meteen op, als zo’n tekstje al in de database is klaargezet. Onbewust blijf ik daar dan toch mee bezig. Waardoor zich met regelmaat naderhand verbeteringen aan me opdringen. Die overigens lang altijd niet verbeteringen zijn.

Netzomin begint het schrijven van een boeklogje pas op het moment dat ik de tekstverwerker open, en de noodzakelijke maar saaie details intyp over de boektitel, het aantal pagina’s, en het jaar van uitgave.

Dat schrijven begon namelijk al tijdens het lezen — en als het goed is gaat dit grotendeels onbewust.

Als een boek me niet boeit, of het gewoon slecht is, kan het nadenken over het boeklogje namelijk naast het lezen komen te staan in mijn hoofd; en soms het leesproces zelfs overstemmen. Meestal lees ik zulke titels overigens niet uit; zodat er hier nooit over geschreven wordt.

De waarde van het werk aan boeklog is voor mij overigens groter dan dat ik in die tien jaar tijd redelijk heb geleerd om snel een boeklogje in elkaar te flansen; over willekeurig wat voor uitgave ook. Ik heb door deze website het zelfvertrouwen gekregen om ook het onmogelijke aan te durven vatten. Over sommige boeken is namelijk vrijwel niets te schrijven, als ik de normale regels van de boekenkritiek zou volgen — bijvoorbeeld omdat de inhoud bestaat uit losse elementen, die nauwelijks iets met elkaar gemeen hebben. Routine hebben door al die onmogelijke voorgangers helpt dan echt.

Schrijven voor deze website blijft toch een eeuwig dansen op een slap koord. Het boek bepaalt namelijk grotendeels hoe erover geschreven gaat worden. Niet ik. En al evenmin kan ik daarbij gebruik maken van een vast recept of een journalistiek sjabloon. Sommige boeken moeten namelijk eerst omsingeld worden om ze te kunnen beschrijven; en voor die benadering van buitenom bestaat geen vaste tactiek.

Terwijl ik nu net zo gedrild was om via vaste formules te schrijven.

Schrijven is voor mij nooit de innerlijkste expressie geweest van mijn meest innerlijke emoties. Ik had simpelweg altijd allereerst informatie over te brengen. Veel gevoel kwam daar nooit bij kijken. En bij het overbrengen van informatie helpt het als deze op een voorspelbare manier te stroomlijnen is.

Ook nieuwsmedia werken met een gering tal sjablonen; waaraan de inhoud zich maar aan te passen heeft. Dus gaat het mis als de inhoud zich niet naar zo’n vorm laat voegen. Het principe van hoor en wederhoor werkt bijvoorbeeld domweg niet als aan de ene kant van het verhaal de overgrote meerderheid der wetenschappers staan, en de tegenstem komt van een homeopaat of andere kwakzalver, een fundamentalistisch gelovige, of iemand anders die enkel op zijn gevoel vertrouwt. Toch komen zulke confrontaties telkens nog voor.

Mijn eeuwige probleem met de nieuwsmedia is dan ook dat de inhoud zich daarin te vaak maar te vormen heeft naar het sjabloon dat al klaar ligt. Want dat vind ik zo dom, en zo’n minachting voor mij als publiek.

John Updike heeft ooit regels opgesteld voor waar een kritiek volgens hem aan moet voldoen. En op zo’n lijst met regels is weinig aan te merken. Behalve dan dat ook Updike vergat om die in een context te plaatsen. De recensies en kritieken die hij schreef, kwamen doorgaans in een blad, en zo’n blad richt zich vanouds op een redelijk vaststaande doelgroep.

Dit lezerspubliek bepaalde daarom de invulling van zijn teksten mee.

Boeklog is allereerst voor mijzelf geschreven, voor mijn eigen lol. Het blijft een persoonlijk leesdagboek. Bezoekersaantallen of reacties van buiten zijn daarmee ook van een secundair belang; wat aanzienlijk harder klinkt dan ik het bedoel. Want bezoekers en hun reacties maken doorgaans dankbaar.

En heel soms lukte een boeklogje zo goed dat ik daar nu nog tevreden over kan zijn. Hier iets te schrijven voor de eeuwigheid hoefde alleen nooit. Veel belangrijker is dat ik met deze website de kramp heb overwonnen in mijn schrijven; dat zo misvormd was door alle routine aan journalistiek.

 

  1. Zie ook het boeklogje over Flow []

Technologie; tegen de moedwillige domheid ~ les 9 uit 10 jaar boeklog

Me opwinden over andermans onnozelheid doe ik zelden nog. Het leven is daar te kort voor. En ik heb leukere dingen te doen.

Toch ergerde ik me onlangs aan het gemak waarmee Wim de Bie praatte over de vernietiging van zijn Bieslog. Hij leek die namelijk als onvermijdelijk te zien. Eerst was de omroep nogal slordig omgegaan met zijn radiowerk; zodat dit vrijwel totaal gewist werd. Dus leek het hem al bijna vanzelf te spreken dat ook zijn persoonlijke website enkele jaren later al onbruikbaar was geworden. Zelfs het adres werkt niet meer.

Ik durf namelijk te beweren dat zelfs ik, als geïnformeerde leek, met betrekkelijk weinig moeite De Bie’s website bij de tijd had kunnen houden. Zo moeilijk is het namelijk niet om bijvoorbeeld scripts te schrijven die oude hyperlinks automatisch laten doorverwijzen naar de nieuwe vindplaats van de informatie; als die verplaatst is. Dat kost hoogstens minuten.

Dat de VPRO geen enkele inspanning doet, of heeft gedaan, om digitale podia als Bieslog online te houden, moet dus wel ergens anders door komen.

Ook elke link hier op boeklog naar een Marathoninterview met een schrijver, uitgezonden door diezelfde VPRO, is inmiddels rot. Dus het onbenul bij die omroep heeft zijdelings zelfs deze website getroffen. Hebben ze daar dus nog altijd werkelijk geen jota begrepen van waar dat ‘web’ in website voor staat — en daarmee ook niet waarom Tim Berners Lee dat hele wereldwijde web heeft bedacht.

Een bibliotheek van Alexandrië wordt door zulke onverschilligheid dagelijks opnieuw afgebrand. Cultuurbarbarij is standaardgedrag online.

Wim de Bie dacht dat hij voor het eerst in zijn leven ineens alles in eigen hand had, met zijn Bieslog. Alleen heeft hij daarbij toch niet beseft dat elke webpagina op een infrastructuur leunt, die ook een klein beetje onderhoud nodig heeft. Want de pagina die u nu leest, bestaat met dit uiterlijk alleen zo op uw scherm. De tekst komt oorspronkelijk uit een database ergens in de VS, terwijl het lettertype dat deze woorden toont nu net een letter is die op uw computer, tablet, of smartphone werd geïnstalleerd. En dit zijn slechts twee van alle onderdelen die aangeroepen moesten worden.

De Bie is vanzelfsprekend lang de enige niet zonder dit benul. Sterker nog, het valt op als iemand zich bij uitzondering eens wel bekommert om de houdbaarheid van een website. De regel online is namelijk dat iedereen net doet of vandaag de allerbelangrijkste dag uit zijn of haar bestaan is.

Ik vind dat merkwaardig. En treurig.

Ik vind het bovendien merkwaardig dat juist professionele partijen zo vaak opvallend nalatig zijn in deze; en daar mee blijven wegkomen ook. Want als de onnozelheid echt schrijnend is, tonen buitenstaanders telkens wel heel makkelijk aan hoe veel beter het kan, dan bijvoorbeeld de Staat of de Spoorwegen het met de ontsluiting van hun cruciale informatie voor elkaar kregen.

En tegelijk heb ik alleen mijzelf ermee me al deze knulligheid aan te trekken. In mijn eentje verander ik daar niets aan. De standaardobservatie op boeklog is al tien jaar nu eenmaal dat in de hedendaagse cultuur vrijwel niemand benul heeft van de betekenis van technologie. Onverschilligheid regeert. De oude Grieken interesseerden zich enkel voor techniek als speelgoed, want voor het echte werk hadden ze slaven, en enige geestelijke vooruitgang in deze is er voor de meesten sindsdien niet geboekt.

Dus besteden overheden jaarlijks miljarden teveel aan ICT. Dus zijn zelfs nogal wat boeken van hooggeleerde wetenschappers uiteindelijk onleesbaar, omdat deze nog net waarnemen dat iets verandert, maar zo’n ontwikkeling vervolgens als een soort natuurverschijnsel gaan zien. Want het weer slaat ook weleens om.

Het enige dat ik wel kan doen binnen deze cultuur van grove onverschilligheid, is om te proberen de eigen zaakjes technisch zo goed als kan voor elkaar te houden. Ik heb daarom waarschijnlijk absurd veel moeite gedaan om de informatie die op boeklog staat op meerdere manieren te ontsluiten, en ontsloten te houden. Meer moeite dan de inhoud rechtvaardigt.

Overigens zat daar ooit enig zakelijk belang bij. Midden jaren negentig was ik betrokken bij het bouwen van websites, en het opleiden van mensen die websites maakten. Alleen reken ik die periode tot de donkere Middeleeuwen online. Elke webpagina moest indertijd nog apart gecodeerd worden, en daarna op de server worden gezet. Dynamische systemen met databases, waarbij de tekst losstaat van de vormgeving, zoals tegenwoordig het onnozelste gratis weblog heeft, waren er toen niet, of kostten werkelijk kapitalen.

Bijblijven met alle ontwikkelingen op dit gebied — ook al om anderen daarover te kunnen adviseren — ging sindsdien heel lang het simpelst door een eigen website op te zetten, en die geheel zelf te onderhouden. Reden voor mij om in 2001 eamelje.net te beginnen, en daarop eerst een tijd te experimenten met verschillende CMS’en [Content management systemen]. Boeklog daarentegen heeft vanaf dag 0 op WordPress gedraaid — waarvan ik toen echt niet weten kon dat het in 2014 de meest gebruikte software online zou zijn voor weblogs.

En nee, dat prutsen ging niet altijd goed. Zie bijvoorbeeld de illustratie bovenaan de pagina.

Moet ik ook toegeven dat nu al even de vraag speelt of het zinvol is om zo zelf te blijven doorhannesen Een structureel verschil met vroeger is bijvoorbeeld dat tegenwoordig niet meer te voorspellen is met welk apparaat een bezoeker jouw webpagina’s komt bekijken. En een klein scherm op een telefoon stelt andere eisen dan de ouderwets grote computermonitor.

De kunst is dus nu geworden om met éen paginasjabloon zowel bezoekers met hun smartphone te bedienen — die vaak minder te zien krijgen — en elke ander. En daarvoor heet het wondermiddel tegenwoordig HTML 5 te zijn; een opmaaktaal die net een stap ingewikkelder is dan ik nog vanuit mijn basiskennis begrijp.

Loont het toch om me daar dan in te verdiepen? Heb ik daar nog zin in?

Een les is dan dat ik in de begintijd van boeklog hier van alles wilde dat de standaardscripts achter deze website me niet boden. Dus las ik een leerboek in de scripttaal PHP 5, waarbij het me zwaar ten moede was. Toch had ik enkele jaren al eigenhandig alles gerealiseerd wat indertijd mijn stoutste wensen waren geweest.

Als de druk die ik voel groot genoeg is, kan ik heel wat kennis opdoen en nuttig toepassen in korte tijd.

Punt is alleen wel dat ik bijna alles wat boeklog aan extra’s biedt zelf heb moeten uitvinden. Want het enige deugdelijke voorbeeld van websites die veel met boeken doen, waren de boekhandels online. Nooit de weblogs, of de recensiesites.

En goed, dan weegt er een enorm IKEA-effect mee als het om de technische kant van deze website gaat, Niemand anders zal het bijvoorbeeld éen tel interesseren dat de drie alfabetische lijsten uit de menubalk bovenaan deze pagina drie verschillende sorteeralgoritmen eisten. Omdat de informatie over de titels op een andere manier in de database staat dan die van de schrijversnamen, of de dossiers. Ik ben trots er ooit in geslaagd te zijn die algoritmen te schrijven.

En ik vraag ook van niemand anders om zo veel kennis op te doen.

Maar de mensen die helemaal niets begrijpen van wat internet is, amputeren zichzelf geestelijk zo gruwelijk dat ik daar uiteindelijk toch geen woorden voor heb. Want moedwillige domheid: erger bestaat er niet.


Vooroordelen, ze zijn onuitroeibaar ~ les 10 uit 10 jaar boeklog

‘Haast alles wat ik belangrijk vind, heb ik mijzelf eigen moeten maken.’ Roger Scruton schreef woorden van deze strekking, in een tekst die eigenlijk ging over het succes van een debatclubje bij hem thuis; dat meer was dan een excuus om samen lekker wijn te gaan drinken.

En automatisch tekende ik die woorden onlangs aan. Omdat ik ze zelf had kunnen schrijven. Zij het dat dan de formulering hopelijk wat minder egocentrisch was geworden. Ik had waarschijnlijk ook de rijkdom willen benadrukken van de huidige cultuur — waarin zo veel informatie en kennis beschikbaar is, en gedeeld wordt, om niet.

Voor wie daar naar op zoek wil gaan, tenminste.

Tegelijk zou ik met zo’n uitspraak ook een standpunt innemen over hoe het onderwijs in Nederland wordt ingericht, bijvoorbeeld. Al heb ik op boeklog vaker geklaagd dat het karakter daarvan mij al gauw te dom industrieel is. Maar in hoeverre is deze klacht nog objectief te noemen, en hoeveel eigenlijk nog altijd puur frustratie omdat ik graag betere herinneringen had aan al die lange uren op school?

Ik hoop dat ik inmiddels toch wat verder ben gekomen in mijn leven.

Boeklog is meer dan die drieduizend subjectieve tekstjes over boeken; dat feuilleton van tien jaar lezen. Want al die boeklogjes tonen tegelijk ook een portret van mij — een niet altijd even vleiend portret, met wratten en al. En een uiterst onvolledig portret.

Oorspronkelijk had ik hier, in dit laatste lesje uit die 10 jaar, wel even zullen samenvatten wat deze website mij over mijzelf heeft geleerd. En dan vooral waar bij mij de vooroordelen bleken te zitten. Want dat ik er vele heb, en dat nogal wat onwrikbaar vastzitten, is wel gebleken.

Voor een deel komen die vooroordelen vanzelfsprekend door mijn achtergrond. Ik ben nu éen keer een blanke hoogopgeleide Nederlander, die onder meer geschiedenis heeft gestudeerd. Alleen geldt toevallig precies hetzelfde ook voor de huidige koning en de minister-president van Nederland — die bovendien leeftijdgenoten zijn. En toch zijn dat heel andere mannen. Niet eens alleen omdat ze zo veel langer over die studie deden.

Zij hebben bijvoorbeeld geen ideeën. Of althans, zij kunnen zich het zeker niet openlijk permitteren om die er op na te houden. En totaal gebrek aan ideeën of niet bij Mark Rutte, de man die dit tekort openbaar maakte, moest later zijn politieke carrière opgeven. Niet Rutte zelf.

En ik heb weliswaar ideeën genoeg, en alle mogelijkheden om die vrij te uiten, maar mij ontbreekt het dan weer aan gezag of aanzien — waar ik overigens niet rouwig om ben.

Het bestaan van boeklog alleen al onderstreept mijn grote vooroordeel dat boeken er toe doen, dat kennis ertoe doet, en dat geen denkend mens ooit mag ophouden om vragen te stellen. Dat ik tien jaar deze website heb bijgehouden, is mede om het gegeven dat ik in het dagelijkse leven domweg te weinig kan met alles wat dat eeuwige lezen me levert.

Mijn aard is het nu eenmaal niet om andere mensen aan te vullen, te corrigeren, of op hun plaats te zetten.

Dus rees al snel het besef, eenmaal ik deze woorden aan het schrijven was, dat een olijke opsomming van al mijn vooroordelen toch betrekkelijk weinig zegt. Omdat nogal wat van die schijnbaar onwrikbare ideeën eerder een reactie zijn op de cultuur van dit moment dan voortkomen uit een vervelende karaktertrek van mij.

En ook nog een portret van de hedendaagse cultuur geven, in de luttele tijd daartoe uitgetrokken, ging me echt niet lukken.

Ik zal daarom voor een andere aanpak kiezen, en proberen om nog eens een alfabetische woordenlijst maken met de frasen en begrippen op deze website waaruit mijn vooroordelen het duidelijkst blijken. Plak ik daar meteen het betreffende citaat uit een boeklogje bij, zodat die lijst ook als een alternatieve index kan gaan dienen. Boeklog is nu eenmaal deels toch al een extern geheugen van mij. Hoe beter daar de weg in te vinden is, hoe liever.

Want ik wou toch al uitzoeken welke boeklogjes ik goed gelukt acht, en die dan als ‘klassiek’ labelen, dus mijzelf eens integraal teruglezen zou al.

Zelfs al gruw ik nu even bij de gedachte.