Feest van list en bedrog ~ Herman Chevrolet

Wat maakt het wielrennen tot de enige sport die de moeite waard is om te volgen? Volgens Herman Chevrolet is dit, omdat we niets weten van wat er eigenlijk gebeurt. In andere sporten wint doorgaans de sterkste. Maar in de koers kan het heel goed zijn dat de sterkste renner en zijn ploeg zo veel tegenstand oproept dat iedereen mag winnen, behalve hij.

Dus is vrijwel elke wielerwedstrijd een verhaal, een vertelling geladen met geschiedenis.

En daarom gebruikt Chevrolet methoden uit de literatuurkritiek om de vaste elementen van dat verhaal te isoleren, en nader te onderzoeken. Helaas benoemt hij die methoden ook telkens. En dat bleek een kunstgreep die mij irriteerde en afbreuk deed aan het boek — anders had ik het zonder meer hier opgenomen in categorie aanbevolen.

Het feest van list en bedrog is een boek vol wielergeschiedenis, maar nu eens compleet anders. Wielrennen is nu eenmaal een profsport. En profs weten heel goed dat ze nog jaren samen verder zullen moeten. Dus kan niet altijd dezelfde winnen. Al hoeft het publiek dat verder niet te weten.

Die zakelijkheid, en het gegeven dat bedrog er bij hoort, zit al vanaf het begin in de sport — ook al omdat zo veel wedstrijden georganiseerd werden door kranten, die het liefst goede verhalen brachten.

Dus begint dit boek met de oerversies van de Tour de France, waarin nogal wat deelnemers delen van etappes aflegden met de trein. En komen er vele anekdotes langs over dopinggebruik, zoals hoe verontwaardigd renners waren toen er controle werd ingevoerd, in de jaren zestig.

Chevrolet schuwt daarbij ook de controverse niet. Zo stelt hij vraagtekens bij de Tourwinst van Jan Janssen in 1968. Voor Vlaamse wielerkenners is het overigens nooit een vraag geweest dat hun landgenoot Herman van Springel indertijd geflikt is, tijdens de laatste tijdrit. Maar Nederland heeft heel wat minder grote winnaars. Dus is Janssen hier heilig, en mag niet aan die heiligheid worden getwijfeld. Hoewel de cijfers laten zien dat Janssen geen enkele keer sneller heeft gereden in een tijdrit dan Van Springel. Op die slotrit na dan, van de Tour in 1968.

De suggestie daarbij luidt dat de Tour-organisatie liever geen onbeduidende Vlaming zagen winnen, en daarom slechts aan diens tegenstanders liet doorschemeren dat er voor hen geen dopingcontrole zou zijn, die dag.

Ook het laatste gedeelte van het boek, over de periode die ik toch vrij intensief heb gevolgd, bracht me nieuws. Zelfs al kan ook Chevrolet weinig anders doen dan vraagtekens stellen bij de overmacht van Lance Armstrong, bij diens Tour de France-overwinningen. Slechts van al zijn belangrijke tegenstanders staat inmiddels vast dat ze EPO gebruikten. Immers.

Maar het aardigste van Het feest van list en bedrog is het ontbreken van enige verontwaardiging, over wat er gebeurt en heeft plaatsgevonden — anders in dan zo veel ander boeken die relatieve buitenstaanders hebben geschreven over de sport.

Uitleggen hoe het zit, is immers altijd interessanter dan vertellen hoe het zou moeten zijn.

Herman Chevrolet, Het feest van list en bedrog
Een sinistere geschiedenis van de wielersport

390 pagina’s
Het Spectrum, 2011

Reasoned Decision of the United States Anti-Doping Agency; On Disqualification and Ineligibility ~ USADA

Zou iemand fictie hebben geschreven met een man als Lance Armstrong als hoofdpersoon, dan had dat tot voorkort misschien nog net een kinderboek kunnen opleveren. Voor een hedendaags literaire roman was zijn levensverhaal te zeer ‘over the top’, vanwege alle Dickensiaanse elementen die het ongeloofwaardig hadden gemaakt.

Hij heeft zijn vader nooit gekend. Zijn moeder kreeg hem toen zij nog een tiener was, en de man waar ze uiteindelijk mee trouwde was zeer hardhandig. En toen hij zichzelf de armoede uit sportte was dat in een activiteit die in eigen land geen enkel aanzien genoot. Daarop kreeg hij met een levensbedreigende ziekte te maken, was ten dode opgeschreven, en overwon ook deze tegenslag. Om daarna sterker dan ooit zeven keer de zwaarste sportwedstrijd in de wereld te winnen — vaker dan wie ook daar voor gepresteerd had.

Ondertussen richtte hij ook nog een organisatie op die veel goed beloofde te doen tegen die ernstige ziekte, en verkeerde hij op voet van gelijkheid met alle groten der aarde. Even schaarde zich zelfs een godin uit de rockmuziek aan zijn zijde.

Misschien is het daarom jammer dat ik niet heb vastgelegd wat mijn gedachten waren toen Armstrong voor het eerst na zijn balkanker de Ronde van Frankrijk won.

De Lazarus-legende levert een heel krachtig verhaal op. Alleen was ik in 1999 helemaal uitgekeken op de Tour; volgens een tekstje op een website die inmiddels niet meer bestaat. Omdat iedereen alleen die Ronde van Frankrijk belangrijk was gaan vinden, was die veel te belangrijk gemaakt. En daarmee saai. De renners koersten allereerst om niet te verliezen.

Wel nog geboekstaafd online is mijn immense hekel aan Lance Armstrong van enkele jaren daarna. Omdat hij en zijn ploeg de Tour zo domineerden dat alle verrassing uit de etappewedstrijd verdween. En ondertussen bleven de media maar overspannen doen of het drieweekse evenement het wielerhoogtepunt van het jaar was.

Dat doen ze trouwens nog.

Of Armstrong doping gebruikte of niet, interesseerde me daarbij niet wezenlijk. Dat zou wel. De afwezigheid van bewijs was nu eenmaal geen bewijs van afwezigheid, zoals de Tour de Dopage van 1998 al had geleerd.

En nog altijd is niet rechtstreeks bewezen dat Armstrong dopeerde. Al claimt de Amerikaanse dopingautoriteit USADA over bloedstalen te beschikken waaruit doping zou blijken. Lance Armstrong besloot zich evenwel niet meer te willen verdedigen tegen deze en andere aantijgingen; waardoor die bloedstalen nooit een contra-expertise zullen krijgen.

USADA schorste hem inmiddels voor het leven, en nam Armstrong ook maar meteen al zijn Tour-overwinningen af.

Wel moet de internationale wielerbond UCI dit oordeel nog bekrachtigen [1]. En daarom heeft USADA een overzichtsrapport gemaakt met alle bewijzen die verzameld werden tegen Armstrong. Met enige marketingpoehaa werd Lance Armstrong en zijn teammanager Johan Bruyneel daarbij verweten het meest gesofisticeerde dopingprogramma aller tijden te hebben gerund.

Het bestaan van Oost-Duitsland is ondertussen wel heel makkelijk vergeten.

Armstrong komt uit het rapport naar voren als een onmogelijke dwingeland; een berekenende psychopaat die ten koste van alles winnen wilde; een man die op alle mogelijke manieren mensen aanviel en kwaad deed die niet met hem meewerkten. De man ook met het perfecte programma, waarvan de beste doping slechts een onderdeeltje was.

Maar, het zij gezegd, wielrennen is een teamsport. Niemand wint een profkoers alleen. Omdat je nu eenmaal zo veel energie spaart in de luwte van een ander. Minstens 30% aan energie scheelt het al als een ander voor jou de wind breekt. En dat is nog wel het minste dat helpers doen.

Saillant aan het USADA-rapport is daarom vooral hoeveel teamleden alsnog bereid zijn gevonden om onder ede tegen Armstrong te getuigen. Die getuigenissen lijken me overigens ook het interessantst aan alle teksten. Mede omdat die nog iets bieden dat op een verhaal lijkt.

Zo vluchtte de renner David Zabriskie de wielersport in om aan een leven thuis met een drugsverslaafde vader te ontkomen; daarbij zwerend nooit te willen worden zoals hij. Om vervolgens door Bruyneel voor de simpele keuze te worden gesteld: of jij spuit met de mannen mee, of je krijgt je ontslag.

De rest van het rapport is niet de meest interessante leestekst denkbaar. Ook al omdat die eigenlijk niet gelezen kan worden zonder voorkennis. Maar wie deze kennis bezit, ziet veel dat al vermoed werd. En andere antwoorden ontbreken, zoals de grote vraagtekens die geplaatst moeten worden bij de rol van de UCI.

Het is ook niet handig dat dezelfde organisatie die de sport in de wereld populariseren moet tegelijk hoort te oordelen over alles was de sport in diskrediet kan brengen.

Armstrong was lang een enorm geschenk voor deze wielerunie. Het bestaan van de wielersport als Olympische discipline staat namelijk al een hele tijd ter discussie. Vanwege de doping onder meer, en omdat er dure fietsen voor nodig zijn, en de sport in slechts enkele landen op niveau wordt beoefend.

Het Lazarus-verhaal van de ten dode opgeschreven kankerpatiënt sprak alleen ook stevig buiten het wielerwereldje aan. Bovendien werd door Lance Armstong die gigantische Amerikaanse consumentenmarkt wakker geschud. En dat was iets waar de hele fietsindustrie van heeft geprofiteerd.

Wat ook meeweegt is dat Hein Verbruggen, de Nederlandse UCI-voorzitter tijdens wiens regeertermijn Amstrong heerste, uit de marketing komt. Die was getraind om zakelijke trends te herkennen.

Sinds de openbaring van het USADA-rapport vorige week duiken allerlei oude geruchten weer op over Armstrong en de UCI. Zo zou sponsor Nike een half miljoen dollar aan Verbruggen betaald hebben om hun product Armstrong uit de wind te houden na een positieve dopingtest.

Zeker is dat Bruyneel en Armstrong in 2001 op het hoofdkantoor van de UCI minstens een ton overhandigd hebben om dopingonderzoek te steunen. De UCI ontkent dat dit was om vervolging af te kopen. Floyd Landis en Tyler Hamilton hebben evenwel onder ede getuigd dat Armstrong hen zei dat dit een afkoopsom was.

Maar daarvoor was er nog 1996. In oktober van dat jaar werd ver uitgezaaide teelbalkanker ontdekt bij Armstrong. Gezien de aard van deze ziekte had die veel eerder gevonden kunnen zijn. Bij balkanker fluctueren de waarden van het mannelijke hormoon testosteron nogal flink. Van andere kankerpatiënten is bekend dat zij hun leven juist te danken hebben aan een positieve dopingtest, waardoor de ziekte vroegtijdig bij hen werd gevonden.

Armstrong had in 1996 tot oktober juist het beste jaar uit zijn carrière. Ondanks de kanker; wat voor normale mensen onmogelijk is. En hij testte nooit positief, ondanks zijn totaal afwijkende hormoonwaarden.

Het USADA-rapport gaat niet in op deze periode — bekeken is Armstrong’s loopbaan pas na de kankertijd. Evenmin gaat de dopingautoriteit in op andere geruchten over verdere ‘bescherming van hogerhand’. Zo werd dit jaar nog een Federaal onderzoek van het ene moment op het andere stopgezet, zodat onbekend blijft of geld van de Amerikaanse post misbruikt werd door Armstrong’s team om doping te kopen.

En al dit maakt dat Armstrong’s levensverhaal inmiddels wel tot stof voor speculatie en daarmee fictie is geworden. Want het USADA-rapport biedt als tekst te weinig; hoewel getracht is een systeem in kaart te brengen.

Is Lance Armstrong tijdens zijn loopbaan telkens beschermd door mensen met grotere belangen? Hoe kwam het dan dat Johan Bruyneel scheen te weten wanneer de dopingcontroleurs langskwamen?

En, wezenlijker misschien, en nog minder goed te beantwoorden, is een cruciaal deel van het sprookje Armstrong niet dom noodlot geweest, maar gewoon puur eigen schuld?

Bekend is dat Lance Armstrong vanaf 1990 begeleid werd door een coach die anderen tot dopinggebruik heeft aangezet. Daardoor zal hij al vroeg groeihormoon en anabolica hebben gebruikt — en beide zijn nu net middelen die in overmaat balkanker kunnen veroorzaken.

Hij kan dus heel goed zichzelf die kwaal hebben gespoten.

En wat had Armstrong nog te verliezen nadat hij die bijna accidentele dood had overwonnen? Ik herlees momenteel Bill Strickland’s Quotable Cyclist uit 1997, en kwam daarin dit onverwacht tekenende citaat tegen, van voor de kanker.

What athletes do may not be that healthy, the way we push our bodies completely over the edge to degrees that are not human. I’ve said all along that I will not live as long as the average person.

Lance Armstrong [2]

[ wordt vervolgd ]

Reasoned Decision of the United States Anti-Doping Agency;
On Disqualification and Ineligibility
201 pagina’s
USADA, 2012
  1. *update 22 x 2012: ook de UCI heeft Armstrong zijn zeven Tour-zeges afgenomen. Saillant detail bij dit alles: had Lance Armstrong meegewerkt met USADA’s onderzoek, dan waren zijn zeges van 1999, 2000, 2001, 2002, en 2003 blijven staan — omdat de misdaad doping te hebben gebruikt inmiddels verjaard was []
  2. [dan nog slechts de eerste Amerikaanse winnaar van een wielerklassieker, en de wereldkampioen van 1993] []

Quotable Cyclist | ii ~ Bill Strickland ed.

Terugkijkend heeft een kleine acht jaar aan boeklog éen ding heel duidelijk gemaakt. Het kan voor de waarde van een boek nogal uitmaken wanneer je het leest. Aan besprekingen kleeft daardoor altijd een element van toeval.

Weliswaar maakt dit voor de objectieve waardering meestal weinig uit. Het oordeel of een boek deugt verandert doorgaans niet over de tijd.

Maar recensies worden zo veel leesbaarder als er ook enige beleving is geweest bij de recensent — in positieve danwel negatieve zin. En juist die beleving is in hoge mate subjectief; want die wordt bepaald in een momentopname.

Zonder alle brouhaha ineens over de dopingpraktijken van Lance Armstrong was bijvoorbeeld mijn oog in The Quotable Cyclist niet zo makkelijk gevallen op de uitspraken van mensen die inmiddels in ongenade zijn geraakt.

Gisteren haalde ik hier al een uitspraak van Armstrong zelve aan, die ineens grimmig werd in plaats van stoer, in de wetenschap van zijn systematische dopinggebruik.

In 1997 was het nog niet vreemd om in een boek uitspraken van een Michele Ferrari op te nemen als objectieve waarheden over trainingsleer. Nadien werd hij geschorst om zijn rol als dopingdokter.

En Miguel Undurain mocht even klagen over de zestiende etappe van de Ronde van Frankrijk in 1996. Toen hij na vijf opeenvolgende overwinningen ineens kraakte, en de wedstrijd verloor na een lange aanval van Bjarne Riis. Alleen weet de lezer inmiddels zo veel meer dan hem toen. Riis was begin jaren ’90 nog een weinig bijzondere renner, die daarna meer met bloeddoping durfde dan wie dan ook. Een man die zo veel EPO spoot, en wiens bloed daardoor zo stroperig werd, dat hij elke nacht gewekt moest worden om even wat te bewegen.

Het gevaar om in de slaap te sterven was anders te groot.

Merckx klaagde in het boek dat zijn strijd om het werelduurrecord te verbeteren hem gebroken had. Waarop een citaat volgt van Toni Rominger, die Merckx’s prestatie overtrof alsof deze op een damesfiets met tassen had gereden, en die juist niet kapot was gegaan tijdens dat uur.

Maar Rominger was dan weer goede klant bij voornoemde Michele Ferrari, en reed bovendien op een aerodynamisch model fiets dat inmiddels verboden is.

Tegelijk geldt voor mij dat de wielersport een miniem onderdeel is van hoe wij mensen de fiets gebruiken. Ik wilde het boek vooral herlezen om nog eens kennis te nemen van de algemene uitspraken over het fietsen. Zelfs al nemen die in The Quotable Cyclist misschien net zestig pagina’s in van het geheel.

Fietsen is namelijk weer belangrijk geworden in mijn leven, sinds ruim een jaar. En terwijl ik daar weleens iets over schrijf, of over lees, valt me toch op dat taal blijkbaar niet het medium is om over te brengen waarom ik bijvoorbeeld zo blij kan worden van de activiteit.

En toen bleek toch dat veel in twee korte zinnetjes te zeggen is:

The bicycle is a curious vehicle. Its passenger is its engine.

John Howard

Dus las ik een dikke driehonderd bladzijden om daar uiteindelijk elf ware woorden aan over te houden.

Dat is overigens nog een hoog gemiddelde voor mijn doen. Ik klaag niet.

Bij een eerdere lezing heb ik al eens uitgelegd wat mijn ideeën over een boek als dit zijn. Hoogstens moet daarop aangevuld worden dat The Quotable Cyclist Amerikaans is op een manier die ik toen misschien nog niet helemaal besefte.

In de VS is het welhaast een verzetsdaad om te fietsen, en al helemaal om de fiets voor meer te gebruiken dan een ritje met mooi weer op zondag. Fietsers noemen zich daar ook nadrukkelijk ‘cyclist’. Omdat het in dat land niet vreemd is dat mensen de auto nog pakken voor een bezoekje bij de buren.

Zelfs de beginregels van Tim Krabbé’s klassieker De renner worden er anders begrepen dan hier.

Dus is het niet raar dat voor het boek vooral citaten geplukt zijn over de wielersport. Want sportcultuur hebben de Amerikanen dan wel weer volop.

In The Quotable Cyclist mist overigens het citaat van de Tour-winnaar Greg Lemond dat online het meest gebezigd wordt op Engelstalige fietsfora.

Fietsen wordt nooit makkelijker, zou hij gezegd hebben. Je gaat alleen sneller op den duur.

En ik merk dat al die nadruk steeds op de heroïek van het lijden en afzien me inmiddels behoorlijk verveelt.

Als het fietsen pijn doet, deugt je zithouding niet en moet je fiets beter afgesteld worden, of heb je een voor jou verkeerd model gekocht. Of anders wil je domweg harder gaan dan kan, en daar is nog veel makkelijker wat tegen te doen.

Maar mijn idee is dan ook geworden dat fietsen pas interessant wordt als de inspanning niet opvalt. En zo kleurt alles mee door nieuwe ervaringen.

Bill Strickland ed., The Quotable Cyclist
Great Moments of Bicycling Wisdom, Inspiration and Humor

359 pagina’s
Breakaway Books, 1997

Supergenen en turbosporters ~ Sietse van der Hoek & Toine Pieters

Dertig jaar al hoor ik dat gendoping eraan komt. Dat wedstrijden gedomineerd gaan worden door in laboratoria gekweekte atleten.

Minder vernam ik sindsdien over de wetten in de weg, en de praktische bezwaren. Maar dat nog altijd niemand publiek speculeert over de aanwezigheid van genetisch gemanipuleerde sporters op grote kampioenschappen is aanwijzing genoeg.

Want, misschien kwam het voor het grote publiek nog als een verrassing dat zelfs Lance Armstrong toegaf alles gebruikt te hebben om wedstrijden te winnen. Geruchten over zijn dopinggebruik waren er altijd al.

In Supergenen en turbosporters las ik voor het eerst iets gefundeerds tegen het idee dat sporters in de baarmoeder of daarna via genetische modificatie tot betere sporters zijn te maken.

Het is namelijk veel simpeler om iemand een pilletje of injectie te geven met iets aan doping. Dat werkt altijd. Al hangt het wel van het individu af hoe goed.

Juist bij genetische aanpassing moet maatwerk geleverd worden — en dat is ontiegelijk veel duurder. Tenminste, dat was zo bij het schrijven dit boek. In de gen-technologie halveren de kosten inmiddels elk jaar.

Blijft wel staan dat natuurlijke genenuitwisseling een simpeler proces is. Laat twee goede sporters eenvoudigweg paren — dat doen ze toch al, veel meer mensen van hun leeftijd dan andere sporters ontmoeten ze niet — en er is grote kans dat éen hunner kinderen in elk geval de bouw, spieren, en coördinatie van de ouders erft.

Draait het in topsport alleen ook nog om iets anders. Talent is nooit genoeg. In geen enkele bezigheid. Topcoach Henk Kraaijenhof viel het bijvoorbeeld op dat succesvolle atleten ook altijd een enorme innerlijke drive hadden; die moesten iets bewijzen van zichzelf. Vaak om een redelijk trieste reden.

Over gendoping viel betrekkelijk weinig te schrijven. Vandaar dat Supergenen en turbosporters van Sietse van der Hoek en Toine Pieters voornamelijk over de dopingproblematiek in het algemeen gaat. Daarover hebben ze vele gesprekken gevoerd, met Nederlandse dopingautoriteiten, sporters, artsen, en onderzoekers.

Maar daarbij valt al gauw op dat het boek uit 2007-2008 stamt. Toen er nog vele onthullingen moesten volgen. Een geïnteresseerde leek die sinds het USADA-rapport over Lance Armstrong het nieuws een beetje volgde, weet het meeste daarom wel.

Hoogstens biedt dit boek een heel spectrum ideeën over doping en dopinggebruik, die lang niet allemaal eensluidend zijn; en waaruit de lezer zich dus zelf een mening zal moeten vormen.

Voor mij blijft vooral een vraag waarom het in de media lijkt of doping gebruiken het ergste is dat iemand kan doen. En oud-wielrenner Maarten Ducrot gaf daarover misschien wel het beste antwoord:

scheiding

Kinderen snappen heel goed wat de boze heks betekent in het sprookje Sneeuwwitje. De boze heks is nodig om Sneeuwwitje te kunnen laten gloriëren als het goede. Zonder de boze heks was iedereen Sneeuwwitje. Zonder het kwade kun je je niet profileren als het goede. In de sportwereld heeft doping die functie. [237]

scheiding
Sietse van der Hoek & Toine Pieters
Supergenen en turbosporters
Een nieuwe kijk op doping

336 pagina’s
Nieuw Amsterdam, 2009

Cycling ~ Jesús Ilundáin-Agurruzza & Michael W. Austin ed.

Amerikanen hebben maar éen woord voor fietsen. ‘Cycling’ heet deze activiteit bij hen. En daarmee bedoelen ze eigenlijk wielrennen.

Nederlanders hebben dus twee woorden in gebruik voor activiteiten met een fiets. Dit komt omdat fietsen voor de meeste mensen hier een soort wandelen is met een hulpmiddel. Dat gebeurt gedachteloos. Er gaat geen keuze aan vooraf. We fietsen altijd gauw even naar de brievenbus, de supermarkt, of andere bestemmingen dichtbij. En in de stad is een fiets al snel handiger in gebruik dan een auto.

Hoogstens in het weekend, mits het mooi weer is, kan de fiets ook wat anders zijn. Dan rijden ineens hele volksstammen, vaak twee aan twee, op de fietspaden rond, om buiten te zijn.

Wielrennen is hier dan ook de uitzondering. Wielrennen wordt zelfs gedaan op een fiets met een aparte naam. De racefiets. Tegenwoordig ookwel koersfiets genoemd; sinds zo velen hier liever Vlamingen wielercommentaar horen geven op TV dan Nederlanders.

En daarom is dit deeltje Cycling uit de Amerikaanse serie Philophy for Everyone geen bijzonder goed of interessant boek. Nog afgezien van het probleem dat alle uitgaven waaraan een groot tal verschillende auteurs hebben meegewerkt doorgaans een sterk wisselend kwaliteitsniveau laten zien in de bijdragen.

Zo filosofie iets moet doen, dan toch op zijn minst de afweging maken of er een algemeen verschijnsel beschreven wordt of iets bijzonders.

Maar vrijwel alle auteurs die meewerkten aan dit boek zoeken het in het persoonlijke. Enkel hun eigen ervaring met de fiets telt. En daarmee wordt fietsen vrijwel steeds besproken in de heroïsche clichés die zo gauw kleven aan prestaties die bijzonder worden geacht.

Toegegeven, de Britse Bella Bathurst schrijft in haar boek op, bij een bezoek aan Nederland, dat hier blijkbaar geen boeken geschreven worden over fietsen. Het fenomeen is voor ons blijkbaar te gewoon. Terwijl de cultuur nochtans doordrenkt is van die fiets.

Zo merkte Eva Vriend in haar boek over pioniers in de IJsselmeerpolders terloops op dat de Noordoostpolder met een reden zestien dorpen kreeg van de ontwerpers; gerangschikt in een regelmatig patroon. Dan zouden voor de bevolking de nuttige voorzieningen op fietsafstand zijn.

Eenmaal de Noordelijke en de Zuidelijke Flevopolder werden ontgonnen, was al duidelijk dat de auto afstanden minimaliseerde. Dus kon dat veel grotere gebied met een aanzienlijk kleiner tal leefkernen toe.

Teksten die mij het meest opvielen aan Cycling dan? Twee bijdragen zijn gewijd aan Lance Armstrong als fenomeen. Ook die trekken het fietsen dus weer in het heroïsche — want er is nu eenmaal dat verhaal van die man, met zijn teelbalkanker. Waarover zo makkelijk is te schrijven ‘dat hij zijn dodelijke ziekte overwon’.

De tijd heeft deze bijdragen op het moment achterhaalt. Ineens is Armstrong een schandelijke bedrieger. En dat blijft hij, tot het moment dat de gedachten over lichamelijke doping weer veranderd zijn.

Filosofie begint voor mij met het besef dat ideeën weleens sterk aan tijd en plaats gebonden kunnen zijn. De makers van Cycling ontbeerden zelfs dat basale inzicht al.

Cycling
Philosophy for Everyone

Edited by Jesús Ilundáin-Agurruzza and Michael W. Austin
273 pagina’s
Wiley-Blackwell, 2010

Heimwee naar Peking ~ Bettine Vriesekoop

Wat biografieën gauw eens naar maakt, is het gegeven dat de geportretteerde ergens succes in heeft gehad — anonimussen worden nooit uitgebreid geportretteerd — en dat dan nadruk krijgt dat zo’n man of vrouw eigenschappen bezat die hem of haar uniek hebben gemaakt. Zo iemand in een context zetten, gebeurt te vaak niet.

De factor geluk in eenieders leven weegt in biografieën zelden mee.

Is het nog mooier voor het verhaal als de geportretteerde grote tegenslagen had te overwinnen voor het succes aanbrak. Lang geleden schreef ik al eens dat Lance Armstrong’s bijna fatale teelbalkanker een marketingsprookje werd voor de professionele wielersport, toen hij na de ziekte ineens nog de Tour de France zou winnen.

Lazarus was terug uit de dood opgestaan.

Sportbiografieën zijn al helemaal vervelend door zulke mechanismen. Heel interessant is het niet om een boek te lezen over iemands talloze overwinningen; die zijn immers al bekend — tenzij deze, zoals Armstrong, daarbij tegen de mores van de tijd inging, en daarvoor uiteindelijk nog eens gestraft werd.

Heimwee naar Peking heb ik altijd wel een bijzondere biografie gevonden; ik las het boek eerder. Simpelweg al omdat Bettine Vriesekoop daarin boeiend weet te schrijven over iets dat eigenlijk heel vervelend is. Training. Want sporters hebben zich allereerst tal van routines aan te leren, zodat hun lichaam automatisch handelt, en zoiets kost talloos veel uren aan tijd.

Een wat cynische uitspraak over topsporters is daarom ook dat óf enkel de heel saaie mensen die jaren aan training kunnen volhouden, óf dat zo’n investering van jaren aan herhaalde training iedereen tot saaie mensen zou maken.

Liet Bettine Vriesekoop bovendien haar sportieve successen buiten het boek. Daar wordt amper een zinnetje of twee aan gewijd. Terug uit China zou ze twee keer Europees kampioen worden. Al duurde dit na de eerste reis wel nog een jaar.

In Heimwee naar Peking beschrijft ze drie trainingskampen in China. Waarvan de eerste in de zomer van 1980 was. De tweede kwam er in de zomer van 1991, even nadat ze een jaar was gestopt met tafeltennis. En de derde nog weer een half jaar later.

Steeds speelde ze beter dan daarvoor na zo’n trainingskamp, tussen de Chinezen — die op oeroude tafels bleken te spelen, met deuken daarin, en veel te weinig licht in de zalen.

In haar boek probeert Bettine Vriesekoop dan te analyseren wat die totale focus op dat ene voor een paar weken uiteindelijk betekende. Waarmee ze ook een analyse biedt van tafeltennis als spel, van psychologische oorlogsvoering, en wat Chinezen nu net daarin zo goed maakt.

Uiteindelijk luidt haar conclusie daarbij dan zij hun ego niet meenemen naar de tafel. Of ze een punt winnen of niet; hun kracht is dat dit geen invloed heeft op het volgende punt dat verspeeld wordt. Anders dan bij ons westerlingen, die puntverlies zo makkelijk als een eigen fout gaan zien.

Had ze in 1980 al ontdekt dat ook de jongere Chinese speelsters waar ze mee sparde technisch aanzienlijk meer bagage hadden dan zij.

Alleen neemt de sport inmiddels, dus nu al enige decennia, af in betekenis in dat land. Ook de Chinese bevolking heeft namelijk het ego ontdekt; omdat de welvaart groeide; en ook bezit daarmee van betekenis werd.

Bijna toevallig verlopen Vriesekoop’s eigen trainingskampen in materieel opzicht dan enigszins parallel aan deze ontwikkeling; terwijl ze geestelijk nu net probeert om almaar onthechter Chinees te worden.

Tijdens de eerste trainingsperiode was alles nog zo ontstellend primitief, gezien vanuit Nederlandse ogen, en heet ook, dat zelfs eten er moeilijk was, waardoor ze ernstig vermagerd zou terugkeren.

Bij haar laatste verblijf zat ze in het meest luxe hotel denkbaar, omdat een rijke sponsor, Bessel Kok, zich over haar had ontfermd.

Zondag 5 januari

Na een doorwaakte nacht word ik om negen uur gewekt met een lief telefoontje van Bessel. Hij is voor zaken in de Verenigde Staten. Ik hoor op de achtergrond gestommel. Bessel zegt: ‘Niets bijzonders, het zijn Donald en Ivana Trump die in de hotelkamer hiernaast ruziemaken. Donald heeft zojuist uit pure woede zijn trouwring ter waarde van een miljoen dollar het raam uit gesmeten […]

En dan zal het toeval zijn dat er relatief veel tijd zat tussen dat eerste trainingskamp en de tweede. Plus dat er daarbij dan toevallig heel wat veranderde in China, en in het leven van Bettine Vriesekoop zelf. Ze heeft al dat toch maar mee weten te nemen in dit boek.

Een autobiografie die naast dat leven ook nog een context biedt, zoals deze? Daar zijn er heel weinig van.

Veel te weinig…

Bettine Vriesekoop, Heimwee naar Peking
128 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar 2013, oorspronkelijk 1994

Wielergeluk ~ Peter Winnen

Enkel vijftig-plussers schijnen nog naar de koers te kijken op televisie. En dat is een probleem. Want adverteerders zijn niet zo geïnteresseerd in zulk een ouder publiek. Dat is toch tot vrijwel niets meer te verleiden. Daar liggen de bestedingspatronen al van vast. Dus moeten TV-stations heroverwegen of het zin heeft om wielerkoersen uit te blijven zenden.

Ondertussen worden professionele wielerploegen nog altijd allereerst betaald door sponsoren — bedrijven die hun naam graag op televisie voorbij zien komen. Ondernemingen voor wie het geen nut heeft om geld te geven aan professionele wielrenners en hun teams als daar geen media-aandacht tegenover staat.

Dat zijn zo al twee structurele problemen voor de wielersport als beroepsactiviteit. Dit jaar maakte de Vlaamse TV ook al de keuze om de Italiaanse koersen niet meer te brengen. Terwijl daar toch altijd vrijwel alle wedstrijden live op televisie werden uitgezonden — zet twee fietsen bij elkaar en ze stuurden een cameraploeg; zo ging het vanouds. De wielerliefhebber heeft zich voor de Giro d’Italia deze weken te vervoegen bij de margezender Eurosport. Waar de uitzendingen van zo’n koers rustig onderbroken worden voor ingekochte commercials. En waardoor het kijkerspubliek in Nederland en Vlaanderen plots gedecimeerd is.

Gunstig voor de ontwikkeling van de sport lijkt al dit me niet.

Tegelijk zijn de vrouwenkoersen doorgaans interessanter en spannender dan de wedstrijden bij de mannen. Terwijl menige renster niet eens betaald wordt om deel uit te maken van dat peloton. Dus hoe erg zou het nu echt zijn als het grote geld uit de professionele wielersport verdween?

Mijn belangstelling voor professionele wielerwedstrijden op televisie is overigens al een paar jaar sterk tanende. De artificialiteit van zulke wedstrijden staat me tegen; er is te veel aan georganiseerd en gedaan. Liever fiets ik zelf aan het eind van het middag, op het moment van uitzending. Dat alleen al. En daarbij is me alle competitiedrang vreemd — wat de kippendrift van anderen sterk lijkt te relativeren om op de fiets de beste te willen zijn.

Waarschijnlijk ook heb ik inmiddels al te veel koersen gezien op TV. Doorgaans volstaat het me wel om de laatste dertig minuten van een rechtstreekse uitzending te bekijken, en in sprintetappes zelfs dat niet eens.

Komt daar bij dat mijn kennis is toegenomen over hoe het er toe gaat, in en om de wielerwedstrijden.

En toch lees ik nog altijd graag over professioneel wielrennen. Mede omdat elke koers uiteindelijk toch wel een verhaal lijkt op te leveren. De stukken van Peter Winnen zijn dan favoriet. Omdat hij schrijven kan, en hij als oud-prof vaak net even wat meer ziet dan de doorsnee liefhebber — want zelfs de meeste sportjournalisten zijn weinig meer dan doorsnee liefhebbers.

Blijft wel staan dat ik Winnen’s columns het liefst in de krant lees. Per stuk. Ook al omdat de actuele aanleiding — als die er was — me dan nog duidelijk is, en zijn woorden dan net wat meer zeggen.

Wielergeluk is een bundel met columns uit het einde van het eerste decennium van deze eeuw. Ter datering: de Amerikaanse renner Lance Armstrong was nog actief in de sport. Al twijfelde Winnen toen al niet aan zijn dopinggebruik.

Lance is terug, cleaner than ever. Want Lance bindt niet alleen op wereldwijde schaal de strijd aan tegen kanker, roffelend op zijn trom spuugt hij op het tobberige gezwel in de hoofden van de agnosten, sceptici en aanklagers die nog altijd zeven vraagtekens plaatsen achter evenzoveel Tourzeges.

[Testresulaten]

Werden de eerste twijfels over de prestaties van de Brit Bradley Wiggings — die van gespierde achtervolger op de baan ineens een sterk vermagerde klimmer werd — ook al gememoreerd.

Maar, uiteindelijk lees ik Peter Winnen misschien wel alleen zo graag omdat hij me lang geleden eens ontiegelijk gelukkig maakte, door op zijn blauwe Koga Miyata een touretappe te winnen op Alpe d’Huez. Helemaal objectief is hij daardoor nooit meer te bekijken door mij.

Kan ik ook niet ontkennen dat deze bundel iets vreemd aantrekkelijks heeft omdat Winnen er terloops zijn tweede teloorgang in beschrijft. Zijn eerste dood kwam al toen hij met de topsport stopte, en zijn lijf daarop zo veel minder kon dan voorheen. Ondertussen is hij de vijftig gepasseerd en sluipt ook de definitieve lichamelijke aftakeling er langzaam en zeker in.

En, zo als jeugdhelden, worden hun bewonderaars net zo goed ouder.

Peter Winnen, Wielergeluk
188 pagina’s
Thomas Rap, 2010

God of Duivel ~ Peter Winnen

Lance Armstrong antwoordde drie keer ja, toen Oprah hem op televisie vroeg of hij doping gebruikt had. En met die bekentenis lijkt ook mijn belangstelling voor het onderwerp wat verdwenen te zijn. Wonderen bestaan dus niet. De man die de Tour de France vaker had gewonnen dan welke renner eerder, had daarbij verboden medicinale hulp gehad. Zoals iedereen met enig wielerverstand ook al vermoed had.

Fascinerend aan de kwestie was alleen dat Armstrong alle beschuldigingen altijd zo glashard bleef ontkennen. Vijfhonderd keer was hij op doping getest, en nimmer positief bevonden, zo was zijn argument daarbij.

Hangt het vervolgens meestal van strikt persoonlijke opvattingen af hoe erg iemand zulk een dopinggebruik vindt. En ik ben van de rekkelijke school, zoals hele dossiers op mijn beide weblogs getuigen.

Professionals moeten zich vooral zo goed als mogelijk verzorgen; het is hun beroep om lichamelijk te presteren. En dat er een lijst bestaat met middelen die niet gebruikt mogen worden voor het herstel na zware inspanningen, of om de conditie te verbeteren, leidt helaas toch ook tot willekeur. Want hoezo mag een verkouden of grieperige atleet dan geen volkomen alledaags hoestdrankje gebruiken, zonder daartoe een officiële ontheffing te moeten aanvragen?

In God of Duivel is een bloemlezing verzameld uit Peter Winnen’s columns met doping als onderwerp. Daardoor bestaat er enige overlap met andere bundels van hem. Het boek biedt ook enkel momentopnametjes. Deze verzameling begint chronologisch als wijlen Marco Pantani nog renner is, en eindigt met Lance Armstrong in de biechtstoel bij Oprah. En tussendoor komen tal van affaires langs, die me soms wel, en soms juist niet zijn bijgebleven.

Dat Johan Museeuw betrapt werd wel, mede om de afgetapte SMS-jes, en ook dat wijlen Frank VDB de aanwezigheid van al die dopingproducten in zijn huis verklaarde uit zorg om zijn hond. Maar als er toevallig éen verder minder bekende renner ooit erg hard reed tijdens éen koers, en Winnen daar iets over opmerkte, herinnerde ik me eerder dat al eens in een column van hem gelezen te hebben, dan dat me die koers nog bijstond.

De meerwaarde van een ex-prof als Winnen bij een onderwerp als doping is alleen al dat hij zelf, om te herstellen, weleens iets gedaan heeft of ondergaan moest wat volgens de regels niet mocht.

Waren dat alleen nog allemaal relatief onschuldige middelen. Pas met het gebruik van EPO veranderde er iets fundamenteels in het wielerpeloton. Van de ene dag op de andere werd de klimmer Winnen op hellingen voorbij gesjeesd door Italianen die voorheen nog geen heuvel op konden komen.

En toch waren die producten uit Winnen’s tijd zo onschuldig niet of mederenners konden er verslaafd aan raken. Verdovende middelen werkten ook om de pijn buiten de koers weg te nemen. Waren er nog wel meer redenen waardoor menig ex-prof niet heel oud werd, en zelf het leven beëindigde.

Wat goed blijft aan Peter Winnen’s columns is een paradox. Want, zo’n wielerwedstrijd, helemaal als die drie weken duurt, is een krankzinnig iets. Helemaal omdat de organisatoren telkenmale de ergste hellingen opzoeken om een parcours te krijgen dat strijd kan opleveren. Zo’n bestaan als beroep is moordend. En tegelijk blijft het peloton, ook in zo’n grote ronde, de meest leefbare plek die er bestaat voor een professionele fietser.

Groots blijft daarom dat zowel de verbazing over de sport als de liefde daarvoor in zijn verhalen door blijven klinken.

Peter Winnen, God of Duivel
Alles over doping

222 pagina’s
Thomas Rap, 2013