deze boeklogjes vormen het dossier:

Asterix [en Obelix]

  1. Asterix: Het geheime wapen  A. Uderzo10/2005
  2. Asterix: De broedertwist  A. Uderzo06/2006
  3. Asterix: De odyssee van Asterix  A. Uderzo06/2006
  4. Asterix: De zoon van Asterix  A. Uderzo06/2006
  5. Asterix: In Indus-land  A. Uderzo06/2006
  6. Asterix: De roos en het zwaard  A. Uderzo06/2006
  7. Asterix: De beproeving van Obelix  A. Uderzo06/2006
  8. Asterix: En La Traviata  A. Uderzo06/2006
  9. Asterix: En de Britten  R. Goscinny en A. Uderzo06/2006
  10. Verjaardag van Asterix & Obelix  A. Uderzo10/2009
  11. Asterix: Het pretpakket  R. Goscinny en A. Uderzo02/2011
  12. Tenderfoot  Morris & Goscinny07/2013
  13. Asterix: bij de Picten  Jean-Yves Ferri & Didier Conrad10/2013
  14. Asterix en de Romeinse lusthof  R. Goscinny & A. Uderzo11/2013
  15. Asterix en de lauwerkrans van Caesar  R. Goscinny & A. Uderzo11/2013
  16. Asterix en de Belgen  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  17. Obelix & Co.  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  18. Grote oversteek  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  19. Asterix en het geschenk van Caesar  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  20. Asterix op Corsica  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  21. Asterix en de ziener  A. Uderzo & R. Goscinny08/2014
  22. Asterix en de Helvetiërs  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  23. Asterix en de intrigant  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  24. Asterix in Hispania  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  25. Asterix en de koperen ketel  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  26. Asterix en de Olympische Spelen  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  27. Asterix en het ijzeren schild  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  28. Asterix en het 1ste legioen  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  29. Asterix en de Noormannen  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  30. Asterix en de Britten  A. Uderzo & R. Goscinny09/2014
  31. Dirkjan 09  Mark Retera10/2014
  32. Asterix: de papyrus van Caesar  Jean-Yves Ferri & Didier Conrad10/2015

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Asterix: Het geheime wapen ~ A. Uderzo

Het laatste album uit de reeks Asterix en Obelix is net een week uit, en ik heb er nog niemand een goed woord over horen zeggen of schrijven.

Is het dan werkelijk zo erg?

Ja. Het is nog veel erger.

Zoals er in India een traditie was dat de weduwe tegelijk met haar overleden man gecremeerd werd, zou het ook op straffe van de dood aan duo’s verboden moeten worden het samen behaalde succes uit te blijven melken als éen van beide overlijdt.

Tekenaar Albert Uderzo heeft in zijn eentje geen enkel aardig album meer weten te maken sinds scenarist René Goscinny stierf in 1977. Dat is inmiddels 28 jaar geleden.

Ik zou er inmiddels dus aan gewend moeten zijn dat een Asterix-album mij niets meer brengt.

En toch. Zo’n uitverkoop als in dit boek was er nog niet eerder. Uderzo sleept Walt Disney erbij, mangastrips, en gekloonde superhelden die op Superman en Arnold Schwarzenegger tegelijk moeten lijken. Er wordt veel gevochten, maar de Galliërs hebben er niet eens deel aan. Ik was op bladzijde 37 en dacht, het verhaal mag nu wel eens wat opschieten wil er nog iets gebeuren. Toen kwam er nog niets.

En het einde is helemaal triest, als Purno de purno iedereen alles laat vergeten. Het was maar een droom, denk ik dan. Het allerergste cliché uit de geschiedenis van het verhalenvertellen.

Maar goed, volgens de officiële website komt er in 2006 een nieuwe tekenfilm uit, gebaseerd op een klassiek verhaal. Dat is tenminste nog iets.

A. Uderzo, Asterix nr. 33: Het geheime wapen
47 pagina’s
Uitgeverij Les Editions Albert Rene © 2005


Asterix: De broedertwist ~ A. Uderzo

Het zou best mogelijk zijn om er een intellectueel klinkend excuus voor te verzinnen. Maar ik had deze week gewoon zin om doelloos wat stripalbums door te bladeren. Het is vrij toevallig dat ik daarvoor alleen de boeken koos die Albert Uderzo maakte sinds de dood van René Goscinny, in 1977.

Ik herlas zeven van de acht, die verschenen in het tijdsbestek van 1980 tot enige jaren terug. De achtste was me echt te slecht.

In 1980 was ik zelf twaalf, werd ik dertien, en was ik een kritiekloos bewonderaar van de hele Asterix-reeks. Thans heb ik te veel gelezen en gezien om me niet heel makkelijk te ergeren aan cliché’s of al te grote onwaarschijnlijkheden. Dat Uderzo de reeks heeft voortgezet na de dood van zijn scenarist heeft in mijn herinnering een reeks bloedeloze albums opgeleverd.

Herlezing laat me dus weer kennismaken met boeken die ik indertijd vaak alleen maar verveeld heb doorgebladerd. Enfin.

Asterix: de broedertwist uit 1980 biedt een mengeling van het Romeo en Julia-thema gecombineerd met een wereldvreemde versie van het Berlijnse muur-verhaal. Al is die muur in dit verhaal dan een kloof tussen beide kanten van het dorp. In strips en verhalen kan tenslotte alles, en de overeenkomst met de werkelijkheid hoeft nu ook weer niet totaal te zijn.

En belangrijke rol is ook in dit verhaal weer weggelegd voor de toverdrank van de onoverwinnelijke Galliërs. Die laat zich slecht combineren met andere drankjes van druïde Panoramix, zo blijkt als de Romeinen van beide drinken.

Ik vind toverdrankjes en magische krachten vervelend als oplossingen om een verhaal te vertellen, zo blijkt weer eens. Helemaal als de plotontwikkeling er in zo’n extreme mate vanaf hangt.

Deze viel niet mee bij herlezing, al stonden er nog wel een paar redelijke grappen in.

A. Uderzo, Asterix. De broedertwist
48 pagina’s
Les Éditions Albert René © 1980


Asterix: De odyssee van Asterix ~ A. Uderzo

Lees hier ook mijn inleiding op dit reeksje besprekingen.

Speelde het vorige verhaal zich in Gallië af, is het nu dus weer de beurt voor een exotisch verhaal. Dat heeft olie als thema ditmaal. Maar omdat aardolie nauwelijks gebruikt werd in de tijd dat de Asterix-verhalen zich afspelen, heeft Uderzo enorm veel moeite om het onderwerp in het plot te verwerken. Het verhaal is daardoor nogal onwaarschijnlijk.

Uderzo maakte er tenslotte maar van dat aardolie een noodzakelijk ingrediënt is voor de toverdrank die de Galliërs onoverwinnelijk maakt. Dat noodzakelijke ingrediënt is op, en moet daarom persoonlijk in het Midden-Oosten opgehaald worden door onze helden.

Aardig aan dit verhaal voor de gevorderde lezer is het optreden van Sean Connery als druïde nul-nul-nix, die met onze vrienden meereist, maar spioneert voor de Romeinen. Dat geeft de tekenaar bijvoorbeeld fijn de gelegenheid om met beeldcliché’s uit de James Bond-films te spelen.

Eindoordeel: afgezien van het onwaarschijnlijke plotgegeven was deze niet onaardig om te herlezen.

A. Uderzo, Asterix. De odyssee van Asterix
48 pagina’s
Les Éditions Albert René © 1981


Asterix: De zoon van Asterix ~ A. Uderzo

Lees hier ook mijn inleiding op dit reeksje besprekingen.

Dit verhaal speelt zich weer grotendeels thuis af, in het dorp van de Galliërs. Het boek is nog zwakker dan ik me herinner. Het plot heeft namelijk enorm veel gaten, en dat helpt het niet.

Op goede dag vind Asterix een borelingske op het pad voor zijn huis, te vondeling gelegd. Dat kind verzorgen is lastig, voor onze eeuwige vrijgezel. Helemaal als het in de ketel met toverdrank dondert, en dan zijn eigen kracht niet meer kent.

Dat kindje is daar natuurlijk niet zo maar neergelegd. Anders zouden de Romeinen niet zo veel moeite doen het te ontvoeren.

Maar ach, het lijkt wel een slechte Amerikaanse film dit boek. Waarin de knaleffecten het domme verhaaltje moeten overstemmen. Aan het eind van dit album gaat het dorp van onze vrienden ook nog eens vlammen op. Om in het volgende album al weer geheel herbouwd te zijn.

Ach.

A. Uderzo, Asterix. De zoon van Asterix
48 pagina’s
Les Éditions Albert René © 1983

Asterix: In Indus-land ~ A. Uderzo

Lees hier ook mijn inleiding op dit reeksje besprekingen.

Dit is weer een reisverhaal, waarvoor Uderzo steun heeft gezocht bij de thema’s van duizend-en-éen-nacht. Althans, bij de cliché’s zoals die bij ons zullen bestaan.

Een prinses zal geofferd worden, tenzij het gaat regenen. En om het te laten regenen, worden onze vrienden en de bard Assurancetourix ingevlogen, op een Perzisch tapijt.

Ik verdom het toch echt om de bard Kakofonix te noemen, zoals in de albums gebeurt die tegenwoordig worden verkocht.

Het is een soort Indiana Jones-film, dit verhaal. Grafisch spectaculair, vlot veel verwikkelingen achter elkaar, maar verder wat een holle huls.

Niet vervelend derhalve. Wat kinderlijk, misschien.

A. Uderzo, Asterix. In Indus-land
48 pagina’s
Les Éditions Albert René © 1987

Asterix: De roos en het zwaard ~ A. Uderzo

Lees hier ook mijn inleiding op dit reeksje besprekingen.

Asterix en het feminisme, zo zou dit boekje kunnen heten. Waarin de vrouwen in het ons welbekende dorpje eindelijk ook eens hun rechten opeisen, onder invloed van een Lutetiaanse met de broek aan. Helaas levert dat alleen maar voorspelbare grappen op, terwijl er toch zo veel meer te doen zou zijn met man-vrouwstereotypen.

Ondertussen hebben de Romeinen eindelijk een geheim wapen gevonden om de Galliërs te onderwerpen. Maar ook dat geheime wapen staat machteloos tegenover alle moois dat de Gallischen belangrijk vinden.

Uderzo laat zich helaas kennen als een enorm clichémannetje die laatste tien pagina’s van dit album. Niet voor het eerst dringt zich de gedachte op: hoe veel meer had een intelligent scenarist als Goscinny met dit gegeven kunnen doen.

A. Uderzo, Asterix. De roos en het zwaard
48 pagina’s
Les Éditions Albert René © 1991

Asterix: De beproeving van Obelix ~ A. Uderzo

Lees hier ook mijn inleiding op dit reeksje besprekingen.

Weer is die toverdrank het belangrijkste gegeven voor het plot, en opnieuw levert dat een verhaal met onwaarschijnlijke wendingen op. ‘De beproeving van de lezer’ heette dit album dan ook in een recensie toentertijd.

Obelix, die als kind in de ketel toverdrank gevallen is, drinkt ditmaal een hele ketel leeg. Dat heeft grote gevolgen voor hem.

Genezing blijkt uiteindelijk slechts een mentale kwestie te zijn. Dat zou in vroeger dagen misschien een subtiel commentaar zijn geweest op een bepaald soort denken over geneeskunde, maar nu is het vooral geklungel van een matig scenarist.

Dit verhaal zou zich ook elders moeten afspelen volgens het vaste ritme van thuis-uit-thuis-uit dat de albums kenmerkt. Maar dat is niet zo. Ja, even worden de restanten van Atlantis bezocht, dat een new age-paradijsje blijkt te zijn.

Het is allemaal te treurig voor woorden ook.

A. Uderzo, Asterix. De beproeving van Obelix
48 pagina’s
Les Éditions Albert René © 1996

Asterix: En La Traviata ~ A. Uderzo

Lees hier ook mijn inleiding op dit reeksje besprekingen.

De reeks Asterix en Obelix strompelde de 21e eeuw binnen met dit magere album, dat ik indertijd bij aankoop al niet eens meer las.

Dat is tenminste nog een voordeel van stripalbums boven boeken met enkel letters; door de plaatjes te bekijken wordt het verhaal ook wel duidelijk. Slechte tekst houdt maar op.

In dit album worden de ouders van zowel Asterix en Obelix geïntroduceerd, die gezamenlijk een souvenirwinkeltje in Condatum blijken te exploiteren. Nu zijn onze helden in de loop van de verhalen toch regelmatig in Condatum geweest, maar nimmer kon er toen een familiebezoekje vanaf.

Striphelden horen ook geen ouders te hebben. Of alleen als die vanaf het begin een duidelijke plaats in de verhalen krijgen, zoals met de vader en moeder van Calvin en zijn tijger Hobbes. Ouders op een later moment opvoeren, werkt niet. Alle voorafgaande boeken worden daardoor ongeloofwaardig.

Bovendien waren Asterix en Obelix niet op dezelfde dag geboren, zoals in dit boek wordt beweerd. Obelix mocht eerder ooit als verjaardagscadeau wat Romeinen aframmelen, en toen was er geen sprake van dat zijn vriend jarig zou zijn.

Enfin, zoals wel vaker op dit boeklog betoogd: ik denk graag na over wat boeken mij bieden. Maar liever niet om de verkeerde redenen.

A. Uderzo, Asterix. En La Traviata
48 pagina’s
Les Éditions Albert René © 2001

Asterix: En de Britten ~ R. Goscinny en A. Uderzo

Na een hele reeks matige Asterix-albums te hebben doorgeworsteld, vond ik het een plicht om ook een oude favoriet te herlezen. Immers, misschien lag het gebrek aan kwaliteit van die latere albums wel helemaal niet aan de dood van scenarist Goscinny. Misschien ben ik inmiddels gewoon wel te oud geworden voor deze strips.

Maar nee, de eerste anderhalve pagina van dit album brachten al meer lol dan al die acht latere albums samen.

Asterix en de Britten maakt duidelijk dat die recente albums alle gelaagdheid missen. Dat zijn eendimensionale vertellinkjes geworden, waarvan bijna alle elementen van tevoren al bekend zijn. Maar dit boek biedt behalve stof voor jongere lezertjes ook humor die alleen een veel belezener publiek zal begrijpen.

Goscinny verraste mij steeds weer met heel eenvoudige grapjes, domweg door het gesproken Engels letterlijk te vertalen. Of door te spelen met het Britse understatement, waar veel heviger emoties in een stripverhaal normaal zouden zijn geweest.

Die elementen vergoedden het plot trouwens, want daar was de verrassing wel af. Nu. Dertig jaar later.

R. Goscinny en A. Uderzo, Asterix: En de Britten
48 pagina’s
Uitgeverij Dargaud © 1965
Vertaling © 1974

Verjaardag van Asterix & Obelix ~ A. Uderzo

Voor zo ver ik kan nagaan, dateert het fysiek oudste Asterix-album in mijn verzameling uit 1972. Wat dan weer kan kloppen met mijn herinnering dat mijn vader me er uit voorlas, en zo iets logischer werd wat er op de plaatjes gebeurde.

Zoals er boeken zijn die me Engels lezen leerden — waarvan een paar op boeklog besproken zijn — bestaan er dus ook boeken die me hielpen om te lezen. Maar van dat soort zal ik waarschijnlijk toch alleen de vroege albums van Asterix nog weleens spontaan willen inzien. Deze boeken blijven vers, omdat er genoeg grappen en andere vondsten in staan die ook volwassenen boeien. Als het om de albums gaat die tot 1977 uitkwamen tenminste. Met de dood van scenarist René Goscinny werd de strip behoorlijk wat kinderlijker, om niet gewoon te zeggen kinderachtig.

Had ik uit de meest recente albums leren lezen, dan waren die ongetwijfeld allang afgedankt, en vergeten.

De strip Asterix en Obelix werd in 1959 voor het eerst gepubliceerd in het Franse blad Pilote, en dat 50-jarige jubileum moest natuurlijk worden gevierd.

Zo beschouwd zijn er dus in 18 jaar 24 albums gemaakt van een hoge tot bijzonder hoge kwaliteit, en is het nu al 32 jaar modderen. Want, ook dit jubileumalbum is goed voor éen keer doorbladeren, en dan hup, de kast maar in. Uderzo probeerde weer eens wat visuele krachtpatserij uit, door helden uit de reeks af te beelden in poses van bekende schilderijen, maar het verhaal rommelt zich van de ene zwakke vondst naar de volgende te lang doorzeurende trivialiteit. Daarbij is de belangrijkste vraag hoe de verjaardag van onze helden het meest gedenkwaardig te vieren is.

Of zo.

Enfin. Uderzo is nu 82. Hij, of beter, de dochter van Goscinny, heeft de rechten inmiddels verkocht aan uitgeverij Hachette, zodat er ongetwijfeld nog vele nieuwe Asterix-albums zullen verschijnen, als alle twee de bedenkers dood zijn. Er is nu eenmaal flink geld mee te verdienen. Dondert niet dat er zijn lezers die met de verhalen opgroeiden, en daarom meer verwachten dan wat makkelijk bij elkaar geflikkerde troep.

Die kopen ook wel. De sukkels. Om de verzameling compleet te houden.

A. Uderzo, De verjaardag van Asterix & Obelix
Het guldenboek
56 pagina’s
Les Éditions Albert René, 2009

Asterix: Het pretpakket ~ R. Goscinny en A. Uderzo

De stripreeks Asterix was er al vroeg in mijn leven, om niet te zeggen dat die er altijd is geweest. De oudste albums heb ik dan ook vele malen herlezen.

Mede daardoor was al wat er na de dood van scenarist René Goscinny in 1977 uitkwam minder. Niet alleen omdat de grappen beroerder waren, en de avonturen een stuk minder intrigeerden. Die latere albums nodigden simpelweg niet uit om ze vaker te lezen.

Een merkwaardig boek uit de reeks is daarom Het pretpakket. Weliswaar verscheen dit in 2003, maar al het materiaal daarin dateerde nog uit de jaren zestig. Toen de scenarist zijn beste periode had, en de tekenaar zijn auteur nog vooral ten dienste was.

Bovendien onttrekken de veertien korte verhalen uit deze verzameling zich aan de sjablonen die zelfs de vroege lange verhalen al behoorlijk tekenden.

Ondertussen kende ik de meeste van de opgenomen strips wel. Die waren al eens opgenomen in een gratis boekje bij een stripblad, of stonden dan weer in een schoolagenda afgedrukt.

Nieuw was wel onder meer een verhaal dat zich in de tegenwoordige tijd afspeelt. Als de tekenaar en scenarist naar Bretagne trekken, en daar een nazaat van Obelix treffen; die zij dan naar Parijs begeleiden, om hem te introduceren op de redactie van het stripblad Pilote.

Ook aardig was een verhaal waarin Uderzo voor éen keer de tekenstijlen van beroemde collega’s kopieert. Dit, omdat de makers zo veel suggesties kregen om de strip aan te passen, dat ze daar toch eens gehoor aan wilden geven. De Asterix in flowerpowerstijl vond ik grafisch boeiend. En Asterix op de manier van Peanuts eveneens.

De korte verhalen deden alleen vooral verlangen naar een langer avontuur, met adem, en diepte. En dat zal nooit meer geschreven worden.

René Goscinny en Albert Uderzo, Asterix: Het pretpakket
14 korte verhalen

54 pagina’s
Les Éditions Albert René, 2003

Tenderfoot ~ Morris & Goscinny

Toen ik enkele jaren terug het stripalbum Asterix en de Britten nog eens las, was dat om iets te controleren. Want de Asterix-boeken die tekenaar Uderzo na de dood van scenarist René Goscinny uitbracht werden almaar slechter. Waardoor ik begon te twijfelen of mijn goede herinneringen aan de reeks eerder eigenlijk wel klopten.

En toen pakte dat oude avontuur bij de Britten direct al uit als een briljante strip. Waarbij meteen opviel ook hoe weinig Goscinny nodig had gehad om grappige situaties te creëren. Speel enkel wat met de stereotypen die elke lezers kent — in dit geval: overdrijf het Britse flegma en understatement iets — en humor ontstaat als vanzelf.

In de Lucky Luke-strip Tenderfoot haalde Goscinny precies dezelfde truc uit als in het net iets oudere album Asterix en de Britten. Al moest hij de cultuurschok en het bijbehorende grappige contrast dan iets anders organiseren. Een onderkoelde Brit werd ervoor naar het Wilde Westen gehaald. Een echte gentleman met een butler ook nog, bovendien, begaf zich tussen de ruwe cowboys.

Ik las daarmee het beste album uit de reeks tot nu toe. Zelfs al is het verhaal weer eens rechttoe-rechtaan, en waren het de vele grappen die het boek maakten.

Een oude vriend van Lucky Luke sterft en laat zijn ranch met alle vee na aan zijn neef in Engeland. Als laatste wens vraagt de overledene aan Luke om een beetje op die erfgenaam te passen, tot deze wat gesetteld is. Er zijn jaloerse lieden in de buurt die hem het succes van de boerderij altijd misgunden.

Toont Lucky Luke voor de verandering ook eens emotie.

De Engelse neef moet van de lokale bevolking allerlei initiatieriten ondergaan, die hij wonderwel doorstaat. Waarop de kwade krachten in de buurt op drastischer maatregelen zinnen om hem die ranch af te pakken.

Alleen gaat het boek daar niet om, wat mij betreft. Er was een duidelijk gebrek aan Engelse butlers in de Lucky Luke-albums die ik las, tot nu toe, bijvoorbeeld.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Tenderfoot
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Le pied-tendre, 1968

Asterix: bij de Picten ~ Jean-Yves Ferri & Didier Conrad

Asterix stierf eigenijk ook toen schrijver René Goscinny doodging. Tekenaar Albert Uderzo probeerde vervolgens weliswaar tien albums in zijn eentje te maken, maar de geniale vonk ontbrak die de eerste 24 albums van de strip vaak zo memorabel hadden gemaakt.

Ik heb daar behoorlijk over gemopperd hier.

Alleen is er dan dat enorme succes van zo’n reeks — die tot een miljoenenbedrijf werd.

Zakelijk gezien zou het onnozel zijn om zo’n reeks te stoppen als de boekjes toch wel verkocht worden. Sterker nog, zakelijk gezien zou de serie er nogal wat baat bij hebben als er met regelmaat weer nieuwe avonturen zouden verschijnen.

Want dan komen ook al die oude albums opnieuw even in de belangstelling. Wordt ook dat materiaal weer verkocht.

Dus mag ik het niet raar vinden dat Albert Uderzo en de dochter van René Goscinny opvolgers hebben aangezocht. Dan mag ik het niet eens betreuren dat Didier Conrad zijn verleden als tekenaar van de anarchistische reeks De onnoembaren [des Innommables] verloochent, en gekozen heeft voor comfortabele bestaanszekerheid.

Dan rest alleen de vraag nog: is het nieuwe album Asterix bij de Picten uitverkoop? Of was de uitverkoop al begonnen bij Uderzo’s Kitsch-boeken, en lijkt enig herstel gelukt?

En dan blijkt een helder antwoord helaas nog niet mogelijk.

De makers hebben erg vastgehouden aan de sjablonen die er al bestonden — daar waar Goscinny en Uderzo samen weleens van de regels afweken, en nieuwe clichés durfden te scheppen.

Mooi is dat Asterix en Obelix weer eens op reis gingen. Jammer dat ze daarbij op de ergste clichés over Schotland stuiten — whisky, tartan, clans, ‘caber toss’, en het monster van Loch Ness.[1]

Het eigenlijke verhaal van het boek is ook een verhaaltje voor kleuters.

Niet dat ik de oude Asterix-albums nu nog zou lezen om hun plot. Maar nadat ik deze zomer de scenario’s las die de aloude René Goscinny schreef voor de stripreeks Lucky Luke ben ik er toch van overtuigd geraakt dat deze aanzienlijk meer had gedurfd.

Goscinny had er rustig wel verwijzingen naar Macbeth ingebracht die alleen een geschoold publiek had begrepen.

Nu viel er als volwassen lezer weinig te genieten aan Asterix bij de Picten. De slechterik in het boek lijkt me een karikatuur van een bekend iemand; een acteur waarschijnlijk. Maar wie? Deze vraag intrigeerde me meer dan de verhandeling in het boek.

Als er komend jaar weer een nieuw Asterix-album komt, hoop ik in elk geval dat Didier Conrad daarin de anarchie en lust tot parodiëren uit zijn eerdere werk wat hervindt.

Jean-Yves Ferri & Didier Conrad, Asterix bij de Picten
48 pagina’s
Les éditions Albert René, 2013
vertaling uit het Frans door Frits van der Heide
  1. Verplichte zure opmerking van een historicus: tartan is een 19e-eeuwse uitvinding. []

Asterix en de Romeinse lusthof ~ R. Goscinny & A. Uderzo

De in het algemeen nogal opgetogen reacties over Asterix: bij de Picten verbaasden me. De blijdschap over dat er weer leven zit in de strip leek mij nu net overdreven, gezien het niveau dat de nieuwe makers haalden.

Maar omdat ik de enige zeur leek tussen alle lofzangen in ging ik bijna twijfelen aan mijn oordeelskracht.

Om na het herlezen van twee albums uit het begin van de jaren zeventig toch weer zeker te weten: nee, de strip heeft het genie van een Goscinny nodig om voor álle lezers interessant te zijn.

Ik herlas Asterix en de Romeinse lusthof [Le domaine des dieux] en Asterix en de lauwerkrans van Caesar [Les lauriers de César]. Twee boeken die ik zeker dertig jaar niet ingekeken had. Twee albums bovendien die indertijd zeker niet de meest geliefde boeken uit de reeks waren bij mij.

En mijn reactie op deze boeken nu was éen van een aangenaam verraste verbazing. Wat dus iets belooft, zou ik de hele reeks willen herlezen.

Van de Lucky Luke-verhalen die ik afgelopen zomer las, leerde ik dat het even duurde voor de makers perfectie bereikten. En waar Goscinny en Uderzo in hun boeken vooral in uitblinken vergeleken met hun navolgers is timing. Maatvoering ook.

Asterix en de Romeinse lusthof is op zich een klein verhaal. Tegelijk sneed Goscinny nogal wat aan met het onderwerp.

Het boek begint als Caesar een nieuw plan presenteert om het onoverwinnelijke Gallische plaatsje klein te krijgen. Hij stelt voor het hele gebied te ontwikkelen, en een stad te bouwen om het dorp.

Begin jaren zeventig zullen de eerste gevolgen van het massatoerisme zichtbaar zijn geworden voor wie deze wilde zien — met alle gevolgen voor lokale culturen van dien.

Beste grap uit het boek is evenwel het moment dat Goscinny de moderne overlegcultuur invoert bij de Romeinen. Eerst weigeren de aangevoerde slaven te werken als ze niet betaald worden — een eis die ze kracht kunnen bijzetten omdat zij inmiddels over de Gallische toverdrank beschikken.

Vervolgens horen de Romeinse soldaten dat de slaven nogal wat meer betaald krijgen dan zij, waarop ook de militairen telkens onderhandelingen eisen met hun leiding.

Ik geloof echt niet daar de satire van te hebben gezien op de eeuwige Franse stakingsbereidheid — of van polderen in het algemeen — toen ik dit album als jongetje las.

Wat ook aan Asterix en de Romeins lusthof opvalt, is de enorme vaart die het boek bij tijden heeft.

De Romeinen die in de Lusthof zijn getrokken, hoeven maar éen keer boodschappen te doen in het Gallische dorpje van onze helden. En de volgende ochtend al heeft ineens iedereen er een winkel.

Ook zijn de nieuwkomers in de streek wel opvallend snel weer weg.

Maar dan overheerst bij mij toch de bewondering voor de makers. Die binnen het zo beperkende sjabloon van de strip — er moet nu eenmaal altijd geknokt worden met de Romeinse legerkampen om het dorp, waarbij onze helden altijd winnen — toch weer een manier hebben gevonden om een kwetsbaarheid aan te tonen bij hen. Zoals gezegd, hun dorpsgenoten zwichten wel opvallend makkelijk voor geld van buiten.

[ wordt vervolgd ]

R. Goscinny & A. Uderzo, Asterix en de Romeins lusthof
46 pagina’s
Amsterdam boek, 1973
vertaling van Le domaine des dieux, 1971

Asterix en de lauwerkrans van Caesar ~ R. Goscinny & A. Uderzo

Dat subplot uit Asterix en de Romeinse lusthof is vanzelfsprekend later nog eens uitgesmeerd gebruikt in het album Obelix en Co. Houd de Galliërs geld voor, en meteen veranderen ze hun gedrag totaal; en doen ze ineens alles om de Romeinen maar te vriend te houden.

En in Obelix en Co. leverde dat dan een variant op van de legende over de tulpenhandel. Mede gezien alle windhandel achter de huidige crisis zou ik dat album dus ook nog eens moeten lezen. Het werk van een lezer is nimmer gedaan.

Asterix en de lauwerkrans van Caesar was altijd het Asterix-album dat me het minste zei. Dat is nu eenmaal een verschijnsel dat kleeft aan reeksen. Die bevatten geliefde afleveringen, en minder geliefde publicaties.

Wellicht kwam mijn onverschilligheid door de aanleiding tot het plot — die bestaat uit een weddenschap gedaan in dronkenschap.

Stamhoofd Abraracourcix — ik weiger stug om dit personage Heroïx te noemen — moet en zal zijn patser van een schoonbroer terug pakken. Bij een bezoek aan het dorp zal deze zwager iets te eten krijgen dat voor geen goud te koop is: een ragoût gekruid met de lauwerkrans van Caesar.

Wellicht was ik ruim dertig jaar terug er nog niet zo goed bekend mee hoe mannen het zo zelden kunnen nalaten tegen elkaar op te snijden; helemaal als ze elkaar minachten.

Want de strip viel me nu behoorlijk mee. Er zit namelijk een prettige omkering in het verhaal. Asterix en Obelix kunnen onmogelijk met bruut geweld Caesar’s paleis in Rome binnendringen, om daar die lauwerkrans te ontvreemden. Intelligentie is plots gewenst.

En daardoor verkopen ze zichzelf bijvoorbeeld ineens als slaven, op de markt. Asterix wil daarbij een koper nog wel betalen ook — omdat hij denkt dat deze een gezant van Caesar’s paleis is.

Dat is lang het enige spel met omkeringen niet in het album.

Van Gaius Julius Caesar is uit de bronnen bekend dat hij lauwerkransen droeg omdat hij kalende was — en dat zo dacht te kunnen verbloemen. Dit lijkt een historisch feit van niets. Maar het blijkt dus, mits omringd door nog wat andere mannelijke ijdelheden meer, de basis te kunnen zijn voor een aardig verhaal. Al was daar wel een schrijver voor nodig wiens genie al ruim vijfendertig jaar node gemist wordt.

R. Goscinny & A. Uderzo, Asterix en de lauwerkrans van Caesar
46 pagina’s
Amsterdam boek, 1974
vertaling van Les lauriers de César, 1972

Asterix en de Belgen ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Boeklog miste nog een ontspannen zomerserietje dit jaar. Wat komt omdat me al niet meer zo bekommer om het idee wat dit weblog zou horen te bieden. Tien jaar is mooi genoeg. Wat er zoal met dit medium kan, lijkt te zijn verkend. Rest enkel nog om de zaak netjes af te ronden op 31 december.

Daarom grijp ik nu gewoon terug op het zomerserietje van 2013; toen ik bekeek wat scenarist René Goscinny [1926 – 1977] de strip Lucky Luke zoal had gebracht; en dat aanzienlijk meer bleek te zijn dan verwacht.

Want Goscinny werd misschien nog wel beroemder door zijn werk aan de strip Asterix.

Heel veel lust om alle 24 Asterix-albums te herlezen die hij maakte met tekenaar Albert Uderzo was er aanvankelijk niet. Met deze boeken ben ik opgegroeid — anders dan met die over Lucky Luke. Van deze uitgaven ken ik ieder plaatje, elk plotwending, bijna iedere grap.

Tot me bleek dat er inmiddels grote hoeveelheden extra informatie over deze stripalbums te vinden is online. Waardoor veel van waar ik van alles achter vermoedde eindelijk ook eens werd uitgelegd.

In Asterix en de Belgen wordt bijvoorbeeld Victor Hugo bedankt, voor zijn tekstbijdragen. Die zullen in het Nederlands helemaal niet zijn overgekomen. Goscinny speelde alleen in op wat waarschijnlijk elk Frans schoolkind ooit leerde. Hugo schreef een gedicht over de Slag bij Waterloo, met de gevleugelde woorden:

Waterloo! Waterloo! Waterloo! morne plaine…

In de Franse versie levert dat onder meer een grap op over eten die werkt,

Waterzooi, waterzooi, morne plat !

en in de anonieme Nederlandse vertaling slaat zulks volledig dood. Waterzooi plakt daar aan de darmen.

Een andere niet heel makkelijk vertaalbare grap, die bovendien sterft bij het ontleden, is die als Nerviër Vandendomme met de Menapiër Vandenkettinge ruziet om een tong — van een everzwijn — die vanzelfsprekend verwijst naar hun taalstrijd.

Asterix en de Belgen was het laatste album waaraan Goscinny en Uderzo samen werkten. In het boek herdacht de tekenaar zijn zo plots overleden scenarist — die hij blijkbaar liefkozend ‘mijn konijn’ noemde — met een huilend konijntje op de laatste plaat. Dus wordt het ook in alle andere albums voortaan speuren naar konijntjes.

Als kind hoorde Asterix en de Belgen niet tot mijn favoriete albums. Misschien stond het vele vechten me tegen — omdat daar de uitkomst toch altijd van vast staat. Wellicht ook was de aanleiding tot het verhaal me te futiel.

In het album trekt het stamhoofd Abraracourcix het zich zeer aan dat Caesar de Belgen de dapperste van alle volken in Gallië heeft genoemd.

Dus trekt hij naar België, met Asterix en Obelix in zijn kielzog, om daar met de Belgen een wedstrijd te gaan houden, wie nu echt de dapperste is. Julius Caesar mag daarbij scheidsrechter zijn. Alleen speelt deze vals, door zich ineens met de wedstrijd te bemoeien.

Overigens eindigde — spoiler alert — de tweekamp onbeslist. Belgen en Amoricanen zijn volgens de Romein uiteindelijk éen pot nat.


[click voor groter]

Sinds ik dit album voor het eerst las, kwamen er evenwel tal van Friezen op mijn pad, die de antieke woorden van Tacitus over de grote kwaliteiten der Friezen minstens zo zeer terecht vonden, en vinden, als Abraracourcix Caesar’s kwalificatie van de Belgen als een leugen zag.

Jammer alleen voor hen daarom dat Tacitus’ Friezen een ander volk waren dan dat waartoe de hedendaagse bewoners van Friesland behoren.

Niet dat de plot van dit stripalbum met deze kennis beter werd — de intrige werd er jammer genoeg wel begrijpelijker door.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Belgen
48 pagina’s
Oberon zj [1979]
vertaling van: Asterix chez les Belges

Obelix & Co. ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Voegt het aan het verhaal toe, om te weten dat de ambitieuze jonge Romein, die ineens alle menhirs opkoopt die het Gallische dorp produceren kan, gebaseerd is op iemand? Uderzo zou deze ‘Adolescentus’ gemodelleerd hebben naar Jacques Chirac — toen de jongste Franse minister-president in eeuwen; die meteen al berucht was om zijn haast onbegrijpelijke stadhuistaal.

Niemand begrijpt het georakel van Adolescentus ook altijd direct in het boek. Waarop deze — als running gag — zijn betoog nog even samenvat in éen zinnetje sterk vereenvoudigde taal. In wat lijkt op kleine-negertjes-Frans.

Ik vind dit meer dan een aardig weetje. Ik ben in elk geval blij iets mee te krijgen van alle dubbele lagen die de strip Asterix ook altijd heeft gehad. Mede omdat zo veel daarvan de vertaling naar het Nederlands al niet overleefde. Heeft de tijd bovendien invloed. Chirac ziet er tegenwoordig heel anders uit dan veertig jaar terug; toen dit album gemaakt werd. En hij niet alleen.

Uderzo maakte vanzelfsprekend ook simpeler visuele grappen, al dan niet daartoe aangezet door zijn scenarist Goscinny. In Obelix & Co komen onder meer Laurel & Hardy voor als Romeinse soldaten; die als order krijgen om een ossenwagen vol menhirs uit te laten. En dat heb ik altijd al geweten, wat de grap nu dus meteen minder maakt.

Heeft de tekenaar zichzelf, Goscinny, en Pierre Tchernia — de verantwoordelijk was voor de films — in dit boek nog geportretteerd als de laatste verlopen Romeinse legionairs die het kamp Babaorum verlaten eenmaal de aflossing er is.

Obelix & Co. heet een satire te zijn op de uitwassen van het ongebreidelde kapitalisme. Mij viel eerder al op dat Goscinny het boek geheel ophing aan een plot dat hij gebruikt had in het album De Romeinse lusthof.

De opstandige Galliërs hebben namelijk niets tegen de Romeinen, als ze flink geld aan hen kunnen verdienen. Alleen moet dan ook meteen alles wijken voor dat geld verdienen. Mede omdat mensen zich heel belangrijk voelen met enorm veel geld.

Maakt daarbij niet uit dat ze al hun uren voortaan bezig zijn met het maken van iets dat geen enkel nut dient. Zoals die menhirs.

Als lezer nu vind ik deze satire aardiger dan ik die bij eerste lezing als kind vond. Vooral het gegeven dat ook Romeinen, Grieken, en Egyptenaren die nutteloze menhirs gaan produceren is leuk. Er kwam nu eenmaal vraag naar. Dus wordt er geconcurreerd.

Heeft dit verhaal nog een catharsis bovendien; want als de vraag naar menhirs eenmaal verdampt, en de Romeinse staat veel te veel geld blijkt te hebben gespendeerd aan iets zonder waarde, devalueert hun sestertie meteen sterk.

Het lijkt de bankencrisis wel.

Is misschien nog te sputteren dat Goscinny’s satire op het kapitalisme wel heel simpel gehouden werd — maar dan stel ik daar tegenover: die grap was voor de oudere lezers bedoeld, in wat op het meest basale niveau nog altijd gewoon allereerst een strip voor kinderen is.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Obelix & Co
48 pagina’s
Oberon zj [1976]
vertaling van: Obélix et Compagnie

Obelix is jarig aan het begin van dit album, terwijl Asterix daarmee dus ook jarig zou moeten zijn, volgens een later album. Wat dan niet zo is. En dat latere boek dus fout maakt.


[ Illustratie uit het besproken boek, click voor groter ]

Grote oversteek ~ A. Uderzo & R. Goscinny

De strip Asterix hield er een keurig ritme op na. In de Franse versie tenminste; toen Goscinny en Uderzo de verhalen nog samen maakten. Een avontuur thuis, in het dorp van de Galliërs, wordt telkens afgewisseld met een avontuur op reis.

De nummering van de Nederlandse vertalingen houdt zich alleen niet aan die oervolgorde. Waardoor ik deze zomer liever de Franse volgorde aanhoud, aftellend van het laatste boek dat Goscinny schreef tot het begin.

Of tot zo gauw de verhalen mij heel erg gaan vervelen.

Vorig jaar zomer duurde het bijvoorbeeld lang voor de stripreeks Lucky Luke ook echte volwassen grappen bracht. Daartoe moesten de verhalen eerst verschijnen in het blad Pilote; waarvan Goscinny nog even hoofdredacteur werd. En de Asterix-reeks schijnt tot Asterix en de Helvetiërs — het zestiende deel in de reeks — allereerst een kinderstrip te zijn geweest.

Terugkijkend naar mijn jeugd moet ik de albums zo ongeveer vanaf Asterix op Corsica, deel 20 uit 1975, hebben gekregen op het moment van verschijnen Ook De grote oversteek, deel 22, is daarmee éen van de boeken die het langst in mijn bezit zijn. En daarmee wordt het een boek dat werkelijk talloze malen gelezen en herlezen moet zijn.

Heel verrassend bleek het verhaal daardoor niet meer te zijn.

Aardig is hoogstens dat tegenwoordig Basken en Bretoenen moeite doen om te bewijzen dat hun schippers ook allang wisten waar Amerika lag, voordat Columbus daar naartoe voer.

Goscinny en Uderzo spelen er in hun verhaal enkel mee dat de Vikingen al weet hadden van land, aan de andere kant van de oceaan.

Asterix en Obelix hebben dan weer geen enkel benul. Waar zij, afgedreven op zee na een herhaald noodweer, op een indianenstam stuiten, denken zij met een Romeins vreemdelingenlegioen te maken te hebben.

En de Romeinen deden inderdaad indertijd aan dit soort van volksverhuizingen — die lieten hun grenzen bewaken door troepen die niet uit de buurt kwamen; opdat deze vooral niet te veel sympathie zouden hebben voor de lokale bevolking.

Ik vond het gehele verhaal helaas nu wat klein. En zelfs van de verwijzingen die ik als jonge lezer niet gezien zal hebben, waren er nu te weinig om me echt te verrassen. Ja, de jonge Viking, met zijn Deense dog, die quote de meest bekende regels uit Hamlet. Dus zal hij een Deense prins zijn geweest.

In de Nederlandse vertaling heet dit personage evenwel Christøffelsen — waar zijn naam in de Franse oerversie Kerøsen luidt. Geen spelerijtje met Hamlet.

Maar een verwijzing als die naar het vrijheidsbeeld herkende ik zelfs als jong lezertje al.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, De grote oversteek
48 pagina’s
Oberon, 1976
vertaling van: La Grande Traversée, 1975

Asterix en het geschenk van Caesar ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Eén nieuwe vraag riep het eenentwintigste album op uit de Asterix-reeks. Hoe strikt was de continuïteit nu precies die de makers nastreefden?

Ik vroeg me namelijk ineens af of Uderzo niet per album het dorpje van de Galliërs opnieuw indeelde. De viswinkel van Kostunrix heeft elke keer andere huizen ernaast. En dan is er nog de locatie bovendien. Dat het dorp aan zee ligt, is een gegeven. Maar niet eerder zag ik het plaatsje van zo nabij uit zo’n grote hoogte, als in Asterix en het geschenk van Caesar.

Dat er zulke hoge heuvels of kliffen in de buurt zijn, is bijvoorbeeld volkomen in tegenspraak met de maquette die de Romeinen van de regio maakten, in het zeventiende album: De Romeinse lusthof. En waar zijn de duinen bij het dorp, uit Asterix en de Noormannen?

Niet dat het me wijzer maakt om te muggenziften over fouten in de continuïteit tussen de albums, als er in de verhalen zelf al telkens zo veel gebeurt dat anachronistisch is. Maar Uderzo als Goscinny als duo tezamen leken me perfectionisten.

Misschien dat ze juist daarom met heel veel konden wegkomen dat er voor hen minder toe deed.

Asterix en het geschenk van Caesar is weer een verhaal dat thuis speelde. In het boek doet Julius Caesar het dorp van de Galliërs cadeau aan een legionair die afzwaait na twintig jaar trouwe dienst. Dat is een nare grap die wordt uitgehaald met een notoire dronkenlap, die in de Franse oertekst Roméomontaigus heet — een fijne verwijzing naar Shakespeare’s Romeo & Julia — en in het Nederlandse boek Bacchionysus.

Deze veteraan verpatst dit geschenk onderweg bij een herberg in Orange, om zo zijn rekening te voldoen. En de herbergier, die in het Frans Orthopédix heet, en in het Nederlands Appendix, vertrekt dan in zijn plaats met vrouw en tienerdochter naar de kust, om hun dorpje in bezit te nemen.

Ontspint zich daarop vervolgens een woordenstrijd wie de machtigste man van het dorp is tussen Abraracourcix en Orthopédix/Appendix. Die tweekamp zou Goscinny gebruikt hebben om commentaar te leveren op de Franse presidentsverkeizingen van 1974; maar zo’n gegeven overleeft de tijd verder niet, laat staan de vertaling.

De onderlinge machtsstrijd verzwakt de Galliërs dan — een gegeven dat vaker in de reeks gebruikt wordt. Panoramix trekt zich zelfs terug uit het dagelijkse leven, en wil met niemand meer te maken hebben, vanwege alle polarisatie onderling. Dus kan niemand over de toverdrank beschikken die onoverwinnelijk maakt.

Waarop de Romeinen de zoveelste poging doen het Gallische dorp toch nu eindelijk eens te bezetten.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en het geschenk van Caesar
48 pagina’s
Darguad / Oberon, z.j.
vertaling van Le Cadeau de César, 1974

Asterix op Corsica ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Zelden herinner ik me jaren later de eerste kennismaking met een boek in detail. Bij het stripalbum Asterix op Corsica ligt dat anders. Omdat op de beginpagina wat kinderen uit het Gallische dorp de groten daar na doen. En ze dan onderling ruzie krijgen over wie zijn beurt het was om voor Romein te spelen.

Ik wilde toen veel meer van dat; over die kinderen.

Want zelfs stripfiguren als Asterix en Obelix waren ooit duidelijk volwassen mannen; terwijl ik dat toen niet was. En dat schiep toch een afstand.

Mijn gevorderde leeftijd heeft me inmiddels immuun gemaakt voor dit soort gevoeligheden. Wel merk ik bij het herlezen nog niet altijd goed te reageren op veel van de woordspelingen in de strip.

Ooit, bij eerste lezing van Asterix op Corsica, wist ik niet dat de naam Asterix ergens vandaan kwam, dat Idéfix een bestaand begrip was, of dat Obelix een verhaspeling is van Obelisk; wat nog heel geen gekke naam mag heten voor iemand die menhirhouwer is van beroep.

Namen waren bij mijn eerste kennismaking met de verhalen gewoon namen. En de uitzonderingen op deze regel, de namen waarin ik de woordspeling wel herkende, waren daarmee al gauw vervelend.

Misschien zou dat anders geweest ziijn als de dorpsleider Abraracourcix indertijd ook al Heroix had geheten, zoals dat tegenwoordig gewoon is. En Assurancetourix Kakafonix.

Het duurde volgens mij ook een tijd voor ik de grappen zag in de namen Kostunrix en Hoefnix — alleen zijn dat eeuwige bijfiguren, die niet eens in alle albums voorkomen, dus die tellen niet echt mee.

Het album Asterix op Corsica komt met het personage dat waarschijnlijk de meest opvallende naam uit de hele serie draagt. Ozewiezewozewiezewallakristallix. Indertijd, bij de eerste kennismaking kende ik het nonsensliedje wel waar deze naam naar verwees. Pas nu begrijp ik, na enig onderzoek, dat dit personage alleen in de Nederlandse versie zo heet.

Zijn Franse naam is Ocatarinetabellatchitchix — wat dan een aaneengeschreven regel is uit het vooroorlogs liedje Tshi, tshi van de Corsicaanse zanger Tino Rossi. De voornaamste bedoeling van deze lange namen lijkt me dat niemand in het boek die in éen keer goed weet te onthouden en dus kan uitspreken — dat is namelijk de running gag.

Zo bezien is Ozewiezewozewiezewallakristallix dan ineens niet een heel goede keuze als vertaling; het nonsensliedje lijkt me gewoon te algemeen bekend.

Ozewiezewozewiezewallakristallix is overigens een Corsicaans stamhoofd, die gevangen genomen werd door de Romeinen, en nu in éen van de legerkampen verblijft die het Gallische dorpje omringen. Bij de Galliërs wordt op dat moment een reünie gevierd, met personages uit vele eerdere albums. En ter verhoging van de feestvreugde gaan zij allen nog even een potje knokken met de Romeinen, waarop de Corsicaan wordt bevrijd.

Daarop verplaatst het verhaal zich naar diens eiland — waar nog menig misverstand rechtgezet moet worden.

Vroeg ik me nu alleen af in hoeverre deze strip nog een parodie is op Mafia-verhalen of films uit het begin van de jaren zeventig.

Maar, misschien geef ik Goscinny soms wel te veel krediet voor zijn grappen. In het begin van het album staat een vrij nietzeggende kaart van het eiland Corsica, waarop alle Romeinse legerplaatsen worden genoemd. En ook die hebben vervelend woordspelerige namen, allemaal eindigend op -um. Maximum? Minimum? Opossum? Referendum? Postscriptum? Ultimatum? Dat is me net allemaal te willekeurig allemaal.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix op Corsica
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1975
vertaling van Astérix en Corse, 1974

Asterix en de ziener ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Het 36ste Asterix-album, dat in 2015 uitkomt, speelt zich af bij de Bataven. Mocht u dat nieuws eerder gemist hebben, dan weet u het nu. Service van een weblogger die zich verder liever zo weinig mogelijk gelegen laat liggen aan wat nieuwsmedia rondechoën als actualiteit.

Dat 36ste album is van Uderzo’s opvolgers. En die zijn nog minder subtiel in de grappen als hij. Dus hoop op enige kwaliteit van de avonturen in de lage landen heb ik niet. Wie mee wedden wil welke clichés over Nederland gebruikt zullen gaan worden, plaatse deze hieronder in een commentaar.

Sowieso merk ik de avonturen op reis van Asterix en Obelix tegenwoordig minder te appreciëren dan de verhalen die zich gewoon thuis afspelen in het dorpje aan de kust — met Asterix en de Britten als enige uitzondering.

Goscinny leek de beste grappen te verzinnen als hij zich sterk beperken moest.

Zelfs al zijn ook die thuis-verhalen gauw eens gebaseerd op eenzelfde basale stramien. Omdat de onafhankelijkheid van de Galliërs zo afhangt van hun toverdrank dreigt bijvoorbeeld al gauw een ramp als de druïde onbekwaam is deze drank te maken.

Ook Asterix en de ziener leunt voor een deel op dit eenvoudige en met regelmaat herhaalde plot. Panaromix is namelijk ruim het halve boek weg, op reis, naar de jaarlijkse druïden-bijeenkomst in het Maretakkenbos.

Voordien zijn de meeste inwoners van het Gallische dorpje dan al stevig in de ban gekomen van iemand die hen stuk voor stuk een prachtige toekomst belooft. Een toevallige voorbijganger is dat bovendien. Die in het veld overvallen werd door het noodweer — en nochtans beweert de toekomst te kunnen voorspellen.

Xynix heet deze ziener in de Nederlandse uitgave — een weer eens te woordspelerige en ook beschrijvende naam om me te kunnen bekoren. In de Franse oerversie heet hij ook Prolix; wat zoiets betekent als spraakwaterval.

En het aardigste gedeelte van dit verhaal, wat mij betreft, is als Goscinny met de goedgelovigheid speelt van iedereen, die een goedgebekte prater o zo graag willen geloven.

Want, o waar zagen we dat mechanisme meer.

Nu ja, waar eigenlijk niet.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de ziener
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1974
vertaling van Le Devin, 1972

Asterix en de Helvetiërs ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Ineens bood Asterix orgieën in beeld. Zij het dat die zich beperkten tot geknoei met eten, gezuip, kuise danspartijen, en make-up die lelijk maakt. In Frankrijk was 1968 niet ongemerkt voorbij gegaan, met zijn protesten tegen de verkalkte structuren toen. En zelfs in het beeldverhaal was de bevrijding daarop zichtbaar — zo willen de geleerden het tenminste hebben.

Wat er aardig was aan die orgieën ontging me als kind, bij eerste lezing. Waarom grote mensen het leuk vonden om elkaar te straffen als ze iets onnozels hadden misdaan? Het bleef me een raadsel. En misschien wil ik het antwoord daarop nog steeds niet weten.

Asterix en de Helvetiërs is verder opmerkelijk omdat er ineens een Romein aanzit aan het banket in het Gallische dorpje, op het einde van elk verhaal. Terwijl dat toch een belastinginspecteur is ook nog.

In het album werd deze ‘quaestor’ naar Condatum gestuurd om te controleren waarom dat district Rome zo weinig inkomsten oplevert. Waarop de verantwoordelijke gouverneur hem vergiftigt. En uiteindelijk alleen Panoramix hem genezen kan — zij het dat deze daar per se edelweiss voor nodig heeft, die Asterix en Obelix in Zwitserland moeten gaan plukken.

Vielen de te verwachten grappen over stereotypen als de jodelende Zwitsers daar bij hernieuwde kennismaking nog niet eens allemaal tegen. Al komt de koekoeksklok toch echt uit het Zwarte Woud.

Dit album doordrong me er alleen van dat ik dus altijd al heb geweten dat artsen tot voor kort voornamelijk bezig waren hun patiënten dood te maken — pas door de ontdekking van hygiëne, en sterilisatie, plus door ontstekingsremmers en geneesmiddelen als antibiotica veranderde er iets ten goede. Het is een pijnlijke grap in Asterix en de Helvetiërs dat doktoren niet te vertrouwen zijn; omdat ze zo zeer op hun eigen wijsheid vertrouwen. En grap zo pijnlijk vooral om dat die historisch zo waar is.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Helvetiërs
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1973
vertaling van Astérix chez les Helvètes, 1970

Asterix en de intrigant ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Het heeft even geduurd voordat de strip Asterix naar Nederland kwam. Opvallend veel van de albums uit de reeks melden uit 1972 te stammen. Waar de Franse oerpublicatie soms toch al tijden daarvoor lag.

En er kleeft ook enige haast aan die heel oude Nederlandstalige albums. De vertalingen zijn soms wat lui. Tegenwoordig heten sommige personages anders — wat ik dus als een wat late correctie moet zien op de haast in de productie van ruim veertig jaar terug. Verder is de volgorde van de reeks in het Nederlands anders dan dat die in het Frans was.

Asterix en de intrigant was volgens Nederlandse uitgever het dertiende album.

In Frankrijk was dit juist de vijftiende uitgave in de reeks, en zit het boek netjes in tussen Asterix in Hispania en Asterix en de Helvetiërs. Daarbij is dus wel keurig de volgorde gehandhaafd dat de avonturen om de beurt thuis en uit spelen; als waren het voetbalwedstrijden. Anders dan in de Nederlandstalige serie.

Die avonturen thuis in het Gallische dorp en de omgeving hebben mijn voorkeur licht. Al valt bij herlezing zo veel decennia later op dan dat er voor die boeken wel slechts een beperkt tal sjablonen bestaat.

Eerder merkte ik al op dat de verhalen thuis vaak als plot hebben dat die toverdrank ineens niet meer beschikbaar is — omdat de maker, druïde Panoramix, het niet lukt om deze te maken, of dat dan niet wil.

En ander veelgebruikt plotgegeven is dat de Romeinen proberen om de Galliërs onderling tegen elkaar op te zetten; en zo hun eenheid te doorbreken. In Asterix en de intrigant vindt het zaaien van tweespalt zelfs nogal onverbloemd plaats. Want de makers van de strip bedachten een Romeins personage dat er in slaagt om iedereen met iedereen ruzie te laten krijgen.

Asterix en de intrigant was altijd het album dat me het minste zei – man van het harmoniemodel als ik al jong was misschien. Bij herlezing viel het boek me van de weeromstuit niet eens tegen.

Vooral het gegeven dat in oorlog de waarheid altijd het eerste slachtoffer is, werd aardig gebruikt.

Werd zelfs nog het eeuwige plotgegeven benut dat de Galliërs zonder toverdrank machteloos staan tegenover de omringende legerkorpsen — want Panoramix wandelt verontwaardigd het dorp uit; na door het stamhoofd Abraracourcix te zijn beschuldigd de drank aan de Romeinen te hebben geleverd.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de intrigant
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1972
vertaling van La Zizanie, 1970

Asterix in Hispania ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Wat bij herlezing opvalt aan die avonturen van Asterix en Obelix in den vreemde is dat die vaak een zelfde sjabloon volgen. Ergens in dat verre buitenland is er een dorpje dat net als het dorpje van de Gallische helden manhaftig blijft vechten tegen de Romeinen.

Zij het dat ze daar dan niet de luxe hebben van een toverdrank die onoverwinnelijk maakt.

Dit gegeven speelt zo al in Asterix en de Britten, Asterix in Hispania, en Asterix en de Belgen. Voeg daar dan nog wat grappen, over de stereotype eigenschappen van de Belgen, Spanjaarden, of Britten, en het verhaal lijkt al half daar.

En wat René Goscinny nu zo goed maakte als scenarist is dat hij desondanks memorabele verhalen wist te schrijven; ondanks dat de basis van zijn script vaak precies dezelfde was.

Asterix in Hispania was ooit mijn lievelingsalbum, toen ik zeven jaar oud was. Of acht. En dat zal simpelweg zijn geweest omdat de eigenlijke hoofdpersoon in het boek nu eens een klein jongetje was.

Dat jongetje is de zoon van een Spaans stamhoofd — van een dorpje dat o zo dapper weerstand biedt — dat gevangen werd genomen door de Romeinen, en nu in gijzeling gehouden wordt. Dit had dan moeten gebeuren in éen van de legerkampen die het Gallische dorpje omringen. Maar voor de gijzelaar daar aankomt, wordt hij door Asterix en Obelix bevrijd. Waarop zij naar Hispanië reizen om het kind met zijn familie ter herenigen.

Dit kost vanzelfsprekend moeite.

Wat me nu onder meer opviel is dat het Spaanse stamhoofd in de Nederlandse vertaling Paella y Peseta heet, wat ik altijd nogal vreselijk vond. In het Franse album luidt zijn naam Soupalognon y Crouton [uiensoep met croutons].

En er werd ook eens leuk gespeeld met stereotypen over de bezoekers aan Spanje. Leuk gedaan zijn de vakantiefiles, van ossenwagens waarmee mensen hun huis vervoerden.

De betovering die dit boek ooit had, was evenwel weg.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix in Hispanië
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1972
vertaling van Astérix en Hispanie, 1969

Asterix en de koperen ketel ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Voor een serie die zich afspeelt in oorlogstijd, waarin dan slechts éen dorp nog niet ingenomen is door de bezetter, komt in de Asterix-albums toch opvallend weinig directe collaboratie voor. Slechts in twee boeken, De kampioen/De strijd van de stamhoofden en Asterix en de koperen ketel heult een ander Gallisch dorp openlijk met de Romeinen.

Opgave voor een academisch essay dat ik nooit zal schrijven daarom: vertolkte Goscinny hiermee de naoorlogse gevoelens over de Franse collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog? Dat er beter niet gesproken kon worden over het Vichy-regime?

Tegelijk wordt in Asterix en de koperen ketel pas op het allerlaatst helemaal zeker dat het dorp van stamhoofd Moraalelastix met de Romeinen collaboreert. Zelfs al verwoordt Abraracourcix al op de eerste pagina van het verhaal zijn twijfels over zijn collega. Die is gierig, en zou gemene zaak maken met de bezetter.

Moraalelastix geeft ook toe met de Romeinen handel te drijven. Alleen laat hij hen twee keer zo veel betalen als hij aan Galliërs zo vragen. Niet dat iets overblijft voor de Galliërs om te kopen, trouwens.

Overigens heet Moraalelastix ook Moralélastix in de oerversie, in dit dertiende album volgende Franse telling — dus mag ik ditmaal eens niet openlijk klagen dat de naam van een personage te veel over hem vertelt. Goscinny heeft die naam verzonnen, of zag hem, en vond dat goed.

Belangrijkste verhaallijn in dit album is evenwel éen van de leukste uit alle albums. Asterix en Obelix moeten ineens het normale leven in om geld verdienen. Een hele hoop geld. En ondanks al hun pogingen lukt dat niet. Ook niet als de hulp van hun toverdrank wordt ingezet.

Asterix moest geld verdienen, omdat hij gefaald had in het bewaken van Moraalelastix’ sestertiën – die voor de gelegenheid even gestald waren in het Gallische dorpje. Waar ze wel veilig zouden zijn.

Onderweg naar Moraalelastix’ dorp, op de moeilijke gang om hem te gaan zeggen dat ze gefaald hebben om diens geld terug te krijgen, plegen Asterix en Obelix dan ineens een misdaad. Ze overvallen een Romeinse belastingsinspecteur.

Gek vond ik dat hun eeuwige verzet tegen de Romeinen, of het laten zinken van de piratenboot, nooit als misdaden aanvoelen, maar zo’n brute overval ineens dat dan wel toch is. Ik herinner me zo gauw ook geen ander misdrijf van dit kaliber in de overige albums.

De misdaad loonde overigens. Asterix kon weer naar zijn dorp terug. Hij had de schande uitgewist die hij zijn dorpelingen had aangedaan door te falen in het bewaken van de schat.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de koperen ketel
48 pagina’s
Dargaud, 1977
vertaling van Astérix et le Chaudron, 1969

Asterix en de Olympische Spelen ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Vervelendste element aan de Asterix-albums blijft de toverdrank, die onoverwinnelijk maakt. Dus valt op dat Goscinny zijn helden na een tijdje in verschillende avonturen na elkaar opzadelt met problemen waarbij ze de makkelijkste uitweg niet hebben.

Ik zie dat als een stap naar meer kwaliteit. En wellicht hangt die stap ermee samen dat Goscinny en Uderzo de strip voortaan in het eigen tijdschrift Pilote konden voorpubliceren, in plaats van ergens anders in een krant.

In album 14, Asterix in Hispania, wordt de toverdrank gestolen van Asterix, waardoor hij zich zonder redden moet, in een Spaanse stierenarena.

Album 13, Asterix en de koperen ketel, komt met een opgave die niet op te lossen is door een paar teugen van een wonderdrankje. Er moest geld verdiend worden, en dat lukt dan slecht.

En in album 12 al, Asterix en de Olympische Spelen, mag onze held niet de hulp gebruiken van toverdrank bij deelname aan de sportwedstrijden, omdat deze daar als doping wordt gezien; en die is verboden.

Helaas draait de plot van het verhaal vervolgens wel om de toverdrank — waarvan al sinds het derde album, Asterix: de Gothen, bekend is dat deze nog een unieke eigenschap heeft. Iedereen die de drank drinkt, wordt even sterk als elk ander die het middel nuttigt.

In een onderlinge strijd kan er dan dus niemand winnen.

Asterix en de Olympische Spelen is vooral aardig als het verhaal speelt met het chauvinisme dat bij het kijken naar sport schijnt te horen. En toch ook dus in het aftasten van hoe ver men bereid is om te gaan voor een overwinning in een sportwedstrijd. Want de bijbehorende eer schijnt nogal groot te zijn.

Toch, om Midas Dekkers nog eens aan te halen, wat maakt het uit of je honderd meter binnen tien seconden lopen kunt, als elke straathond sneller is?

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Olympische Spelen
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1972
vertaling van Astérix aux Jeux olympiques, 1968

Asterix en het ijzeren schild ~ A. Uderzo & R. Goscinny

De hele Asterix-reeks overziend, volgt er na vandaag hoogstens nog éen klein rondje in deze zomerserie boeklogjes. Want de eerste avonturen uit de albumreeks zijn te oninteressant om er veel over op te merken. De reeks wordt pas prettig herleesbaar vanaf het achtste deel, Asterix en de Britten. Ook Asterix en de Noormannen heeft zijn momenten, net als Asterix en het 1ste legioen/Asterix als legioensoldaat.

Maar het elfde album daarna is dan weer heel matig. Van Asterix en het ijzeren schild blijven hoogstens de grappen aardig over het diëten. Want het stamhoofd Abraracourcix heeft het aan zijn lever, en zoekt daarom een kuuroord op.

De grap dat kleine negertjes gebruikt worden als intercom in een groot bedrijf slaat dan weer helemaal dood.

Het verhaal van dit boek draait evenwel om het schild van de Gallische leider Vercingetorix. Die gaf dat op, lang geleden, aan Caesar, omdat deze hem verslagen had. Alleen blijkt dat schild veel later zoek; als Julius Caesar deze krijgsbuit nog eens gebruiken wilde om de Galliërs publiekelijk te vernederen.

Dus wordt er het hele boek om dit schild gezocht.

Tegelijk kunnen trouwe lezertjes dat heel goed kennen, ook al vanwege de betekenis daarvan. Gallische stamhoofden worden, aldus de Asterix-reeks, rondgedragen op zo’n schild.

Doorlopende grap in alle boeken is dan ook dat stamhoofd Abararacourcix het zo zelden treft met zijn dragers. Hij dondert door hun onhandigheid telkens van zijn hoge positie af.

En nooit wordt er daarbij verder ingegaan op dat de betekenis die kleeft aan dat ene schild van hem, terwijl die er toch wel degelijk blijkt te zijn; volgens dit album.

Het is door een verhaal als dit dat je als lezer beseft dat de hele reeks een chronologie ontbeert. Weliswaar zijn er personages die later in de reeks voor even mogen terugkeren. Toch begint de hele serie bij elk album eigenlijk helemaal opnieuw.

Nu ja, anders zouden die Romeinen het dorp van onze helden ook niet telkens blijven aanvallen.

Het is me ook een raadsel waarom de tactiek om het Gallische dorpje te omheinen met een houten pallisade, en af te sluiten van de buitenwereld — zoals in De ronde van Gallia gebeurt — maar éen keer door de Romeinen wordt toegepast.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en het ijzeren schild
48 pagina’s
Amsterdam boek, 1972
vertaling van Le Bouclier arverne, 1968

Asterix en het 1ste legioen ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Losjes gebaseerd op een klassieke Laurel & Hardy-film is dit album van Asterix. Want in Beau Hunks uit 1931 al gingen de Dikke en de Dunne in het Franse vreemdelinglegioen. Oliver Hardy ziet dat dan als de enige manier om een vrouw te vergeten. Jeanie-Weenie. Een femme fatale, die verder nog een verbijsterende invloed op dat filmverhaal heeft zonder ooit bewegend in beeld te komen.

Goscinny ging overigens vaker uit lenen — al werd de inspiratie die films hem opleverden duidelijker zichtbaar in de reeks Lucky Luke. Toen hij eenmaal doorhad dat hij daarbij vooral het originele filmscript niet al te zeer moest volgen, kwamen daar ook heel goede stripalbums uit voort.

In Asterix en het 1ste legioen, of zoals de titel tegenwoordig luidt Asterix als legioensoldaat, nemen ook de Gallische helden ineens dienst in het leger. Alleen doen zij dit om een jonge vrouw te helpen. Haar vriend is namelijk in Noord-Afrika door een tegenstander van Caesar krijgsgevangen gemaakt. En dienst nemen, schijnt dan de snelste manier te zijn om ter plaatse te komen, om de problemen op te lossen.

Het Franse Vreemdelingenlegioen uit het voorbeeld is in dit boek dan vanzelfsprekend ingewisseld voor het Romeinse leger — in andere albums altijd de eeuwige tegenstander — waarin inderdaad ook tal van vreemdelingen dienst namen.

Wel zal de nog altijd bestaande censuur op stripverhalen indertijd hebben gemaakt dat Asterix noch Obelix zelfs iets krijgen konden met de schone Walhalla/Falbala.

Door dit stripalbum zit ik nu ineens wel met vraag opgescheept hoe anachronistisch het kazerneleven is dat door Goscinny en Uderzo werd bedacht. Hun grappen zijn leuk, en spelen heel aardig met de clichés die wij kennen over de kadaverdiscipline die nieuwe rekruten in het leger wordt opgelegd.

Maar hoe oefende het Romeinse leger echt?

Waarbij weer eens blijkt hoe gevaarlijk een klein beetje kennis is. Ik weet dat pas bij Maurits van Oranje tijdens de Tachtigjarige oorlog er weer door soldaten bewust geoefend werd; waardoor er discipline bij hen werd ingebracht.

Alleen zijn er dan veel eerder nog de falanxen, en dergelijke strijdopstellingen van de Spartanen en andere Grieken; waar toch ook ooit stevig voor getraind zal moeten zijn.

Paradoxaal aan dit stripalbum, vergeleken met de rest van de reeks, is dat Julius Caesar weer eens wint — zij het dan dat dit in een burgeroorlog is tegen Scipio. Bovendien geeft hij toe daarbij goede hulp te hebben gehad van de Galliërs.

Ook dat is een aardige afwijking van het vaste stramien.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en het 1ste legioen
48 pagina’s
Oberon, z.j.
vertaling van Astérix légionnaire, 1967

Asterix en de Noormannen ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Goscinny schijnt nogal wat grappen over Normandië en zijn inwoners te hebben gemaakt in Asterix en de Noormannen. Zo ontdekte ik, in een poging meer te leren over deze strip.

Frankrijk zag in het echt de Noormannen duizend jaar later komen dan in dit verhaal. Bovendien bleven ze meteen. Waarop vervolgens een hele landstreek naar ze werd genoemd. En uit Normandië komt dan bijvoorbeeld de calvados, een destillaat uit appelcider dat kortweg doorgaans calva heet.

En laat calva nu net de favoriete drank zijn van de Noormannen in dit Asterix-verhaal, die dat ook nog het liefst drinken uit bijbehorend servies. Uit doodskoppen. Want calva[ria] betekent dan weer schedel in het Latijn.

Nu zijn grappen nooit leuk eenmaal gedemonteerd. Als kind aanvaarde ik het ook simpelweg dat Noormannen in dit boek hun sterke drank uit schedels dronken. Al leek me dat nog wel ingewikkeld met alle lekken, als de oogkassen en de neus.

Toch maakt enige studie een heel vroeg album uit deze stripreeks dan net weer wat meer de moeite waard.

Asterix en de Noormannen zou ook ‘Asterix en de jeugdcultuur’ kunnen heten. Want ineens speelt een jongeling een rol in het verhaal, die er bovendien heel andere gewoonten op na houdt dan de Gallische helden uit de reeks. Volgens Asterix en het pretpakket zijn dat dan ook al mannen van inmiddels 35.

Hippix, heet deze jongeman in de Nederlandse vertaling, jammer genoeg. In het Franse origineel is zijn naam Goudurix [goût du risque [zin in risico, overmoed]].

Deze Hippix komt het Gallische dorp binnenscheuren in een karretje uit Milaan — waarvan ik altijd wel geweten zal hebben dat daarmee een Italiaanse sportwagen werd bedoeld, en me toch nooit duidelijk was welk merk. Alfa Romeo dus.

En het verhaal draait om de confrontatie tussen Hippix, die naar het Gallische dorp kwam om een man te worden, en om de Noormannen. Die toevallig op expeditie uit waren om te leren wat angst is. Want angst zou hen vleugels geven, waarmee ze dus voortaan konden vliegen.

De expeditie van de Noormannen slaagt overigens, voor een deel. Zo goed zelfs dat ze, zoals gemeld, pas een millennium later weer durven te komen buurten.

[ is vervolgd ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Noormannen
48 pagina’s
De Geïllustreerde Pers, 1971
vertaling van Astérix et les Normands, 1966

Asterix en de Britten ~ A. Uderzo & R. Goscinny

Armorica heette de regio waarin het dorpje ligt dat zo dapper weerstand biedt tegen de vreemde overheersers. En Armorica betekent zoiets als ‘land van de zee’.

Tegenwoordig heet hetzelfde gebied Bretagne. En eerder nog: Klein-Brittannië, vanwege de vele Romaanse Britten die er in de vroege Middeleeuwen naartoe emigreerden, en die daarbij een onderscheid maakten tussen hun streek en het Groot-Brittannië, aan de overkant van het Kanaal.

Dus als Asterix vanuit Bretagne naar de ‘Bretonnen’ gaat, zit daar al meteen een grap in, in het Frans; die door de vertaling verloren gaat.

Bovendien kon Goscinny zo ook verklaren dat Asterix geen enkel probleem had om zijn Britse neef Notax te verstaan — de grammatica die deze gebruikte, was alleen wat anders. Terwijl indertijd, in de jaren zestig, zowel het Frans als het Engels nog de pretentie hadden de enige beschaafde wereldtaal te zijn.

De beste grap uit dit stripalbum blijft dan ook dat alles wat de Britten zeggen simpelweg een letterlijke vertaling uit het Engels is. Voeg daar aan toe dat elk van hen in het boek flegmatiek is, en dus onderkoeld reageert op alles, en geef elk Brits personage rood haar, en het verhaal schrijft zich voor een deel zelf.

Asterix en de Britten blijft een hoogtepunt in de hele reeks, en dan vooral door de consequent doorgevoerde humor. Van de oudere albums is het al helemaal het beste.

Toch zette dit boek me aan tot nadenken, omdat er ook geen verhaal zal zijn dat zo leunt op anachronismen. Alle typische eigenschappen die in het verhaal aan de oer-Britten worden toegeschreven zijn hedendaagse eigenschappen. Van hun vroeg sluitende pubs tot hun rijtjeshuizen. Van hun dubbeldekkerbussen en hun lauwe bier en hun muntsaus tot het overdreven fanatiek supporteren voor sportteams.

Clichés zijn het allemaal, alleen voor de verandering dan eens clichés die bewust zijn ingebracht, om zo onmiddellijk herkenning op te roepen in een verhaal dat speelt in een andere tijd.

Sommige van die ideeën zijn overigens intussen achtergebleven in de tijd.

Een probleem bij de Asterix-strip is alleen dat je nu juist niet moet gaan nadenken over de historische nauwkeurigheid van de verhalen. Want dan stuit je bijvoorbeeld meteen al op het probleem dat indertijd waarschijnlijk de druïden de leiders van de stam waren — anders dan in de strip.

Of dat Asterix een Kelt was, die zich in de rest van Gallië waarschijnlijk niet of nauwelijks verstaanbaar had kunnen maken; anders dan in de verhalen gebeurt.

[ einde van dit zomerserietje, dat hier begint ]

A. Uderzo & R. Goscinny, Asterix en de Britten
48 pagina’s
De Geïllustreerde Pers, 1970
vertaling van Astérix chez les Bretons, 1966

Dirkjan 09 ~ Mark Retera

Humor hoeft zo heel moeilijk niet te zijn. Een simpele omdraaiing volstaat soms al om onbehoorlijk effect te hebben. Het negende stripalbum uit de reeks Dirkjan begint met avonturen van stoere gladiatoren, die ondertussen flink met elkaar tutten — als waren het huisvrouwen — en onderling tips uitwisselen, over hoe je het best bloedvlekken verwijdert in de was.

Dat eenvoudige procedé wordt dan herhaald en herhaald, tot een lach niet uitblijven kan.

 
En of dat ene uitstapje naar Romeinse tijden nog niet genoeg was, Asterix zelve heeft ook nog een opvallend optreden in dit boek.

In Dirkjan 9 staan dagstrips die ik al kende uit de krant indertijd. Het heugt me daarom niet dit album al eens gelezen te hebben. Waardoor de verrassing nu vaak een dubbele verrassing was. Niet alleen kon ik sommige grappen nu erg waarderen, er speelde ook mee dat ik me herinnerde eerder ook al eens erg te hebben moeten lachen om precies dezelfde clou.

Zo laat Superman zich van een opvallende kant zien in dit boek.

Vaste gasten als de smurfen en de kabouters komen ook weer langs.

Belangrijkste lange verhaal in het boek is evenwel gewijd aan het zomerkamp van de schoolkinderen die uit de serie bekend zijn. Waarbij DirkJan opvallend genoeg snel uit de vertelling verdwijnt. Hij was weliswaar als hopman mee, maar reist al gauw per taxi af. Ondanks alle insignes die hij verwierf als padvinder, lukte het hem nooit om dat ene simpele probleem op te lossen. Heimwee.

Dus wordt het Lord of the Flies onder de kinderen, nu deze het zonder leiding moeten doen. Daartoe heeft Frans-Josef — het jongetje op de kaft links, dat een dagboek begint getiteld Mijn kamp — het niet eens nodig om zijn leiderscapaciteiten aan te spreken. De hoogbegaafde Casimir is vanzelfsprekend kind van de rekening. En diens gruwelijke dood leidt zelfs tot een bezoek aan de hemel; waar dan weer een andere bekende uit de albumreeks voor God blijkt te spelen.

[ wordt vervolgd ]

Mark Retera, Dirkjan 9
48 pagina’s
Silvester, 2005

Asterix: de papyrus van Caesar ~ Jean-Yves Ferri & Didier Conrad

Opvallend, hoeveel gratis media-aandacht de verschijning kreeg van dit nieuwe Asterix-album. Volgens mij kon mijn generatie — die wel nog met strips opgroeide — weleens sterk oververtegenwoordigd zijn in de mediasector.

Anders is goed niet te begrijpen dat een zesendertigste album uit een reeks zo’n hypeje kon worden. Al helemaal niet omdat de reeks al sinds 1977 kwijnt; omdat toen de denkkracht erachter stierf.

Maar doe ik dan niet mee aan alle overdreven vreugde, door ook zo’n 36ste album meteen te kopen, op de eerste dag van publicatie zelfs, en er een boeklogje aan te wijden?

Natuurlijk.

Want het blijft nodig om kanttekeningen te plaatsen. Bij alles. En dan telt timing mee.

Het album De papyrus van Caesar heeft zonder meer tenminste éen heel goede grap. Want eindelijk wordt eens uitgelegd hoe het kwam dat Caesar, schrijver van de Commentarii De Bello Gallico, daarin nooit met éen letter heeft gerept over het bestaan van Asterix en Obelix.

Dat is wel degelijk een ommissie in het werk van René Goscinny.

Alleen was het vervolgens voor dit verhaal ook nodig om éen oeroude trope uit alle eerdere Asterix-albums radicaal af te schaffen. Standaardgrap in alle eerdere boeken — de eerste vierentwintig albums tenminste die voor mij de canon vormen — is dat altijd als de Romeinen iets aantekenen ze dit dan met een beitel in een stuk marmer houwen.

Dus als de postbode kwam, dan had deze een heleboel stenen tabletten mee te zeulen.

Alleen gaat dat gegeven in De papyrus van Caesar niet meer op.

Ineens ook gebruiken de Romeinen Egyptisch schrijfmateriaal. Die papyrus uit de boektitel. In plaats van gelooid danwel ongelooid leer (velijn), of de plakken was van de echte aantekenboekjes uit die tijd die archeologen vinden.

Nu viel dit nieuwe album me niet eens helemaal tegen, omdat ik de dragende grap van de eerste tien pagina’s zo aardig vond.

Ook heeft de vertaler zijdelings aardige grapjes gemaakt voor de wat meer gevorderde lezertjes.

En verder wisten Ferri en Conrad nog wel aardig te spelen met die andere vaste trope uit de Asterix-albums — dat als de druïde Panoramix op stap gaat, het dorp van de Galliërs meteen al niet meer te verdedigen lijkt.

Maar die in de media zo gehypete overeenkomst tussen éen van de nieuwe personages en Julian Assange, van Wikileaks, moet wel letterlijk uit een persbericht zijn overgenomen.

Mij dwong De papyrus van Caesar éen fundamentele vraag op. De Asterix-strip heeft een aantal eigenschappen die heilig zijn. En voor mij waren de beste albums in de reeks die waarin scenarist René Goscinny aan die zelfgeschapen dogma’s morrelde — zoals de boeken waarin de betekenis van die strontvervelende toverdrank ineens sterk werd gereduceerd.

Ditmaal schaften de nieuwe makers zonder enige verklaring iets af dat vrijwel alle eerdere albums deelden.

Dat kan. En toch kan het ook niet. Want dat doen, staat gelijk aan de ontkenning van de geschiedenis van de hele serie. En op dit moment voelt dat nog domweg niet goed aan. Zelfs al zijn Asterix en Obelix in alle boeken dezelfde mannen van ergens in de dertig, en worden zij noch hun dorpsgenoten ooit ouder.

In Monty Python’s film The Life of Brian komt de vraag aan de orde ‘What have the Romans ever done for us’. En datzelfde speelt in de Asterix-reeks ook. De Romeinen staan in onze cultuur domweg voor beschaving. De onbehouwen Galliërs niet. En toch moeten de Galliërs ons het meest sympathiek zijn — want de helden van de boeken zijn zij. Dus moeten in de stripalbums de negatieve kantjes van de Romeinen benadrukt worden.

Goscinny, waarschijnlijk, had daarbij het genie om te zien dat de bureaucratie in zo’n imperium helemaal heilige bureaucratie wordt, als alles met beitel en al in steen moet worden uitgehouwen. Want dit betekent dat zo’n rijk die onzinnig zware inspanning desondanks de moeite waard achtte.

Zodra dit soort subtiele commentaren uit de albums verdwijnen, blijft er weinig meer over dan een kinderlijk verhaal over lieden met een voorspelbare superkracht.

Jean-Yves Ferri & Didier Conrad, De papyrus van Caesar
48 pagina’s
Les Éditions Albert René, 2015
vertaling door Frits van der Heide van: Le papyrus de César