Looptijd ~ Dirk van Weelden

Ik geef toe, ik ben een hardloper geweest. Begonnen in een tijd dat dit nog zo ongewoon was dat ik werd nageroepen op straat. Opgehouden toen mijn knie de nare neiging kreeg spontaan te ontsporen, wat iedere duurloop tot een gevaarlijk kansspel maakte.

En, ik heb veel gelezen over hardlopen. Er geldt daarvoor gewoon hetzelfde mechanisme als bij iemand die na een aankoop de folder nog eens extra goed gaat bestuderen. Dat de keuze gemaakt werd, is niet genoeg. Elk argument dat de keus tot een bijzondere goede keus maakt, wordt ingezogen alsof het God’s woord is.

Dat hardlopen was ook de enige reden dat ik dit boek van Dirk van Weelden uiteindelijk toch ben gaan lezen. Want, met de schrijver heb ik nooit veel gehad. Op het onvolprezen Arbeidsvitaminen na, het ABC dat hij samen met Martin Bril maakte, lukte het hem nooit meer iets te schrijven dat langer dan een minuut of wat mijn volledige belangstelling houden kon.

Van Weelden is voor mij een schrijver van het eeuwige net niet. Daarbij stoort mij vooral de duidelijke literaire pretentie, omdat die niet wordt waargemaakt. De gekozen vorm versterkt het relaas nooit, maar leidt enkel af. Ook in dit boek wordt niet meer dan een oppervlakkig verhaaltje verteld met wat van elders geleende feitjes, maar de schrijver doet heel anders voorkomen.

Eerste ergernis is dat er in Looptijd een nogal clichématige truc gebruikt is. De hoofdpersoon heeft geen naam; wordt steeds enkel met ‘hij’ aangeduid. Bovendien krijgt hij nauwelijks achtergrond en zeker geen doel. Daardoor ben ik geneigd te denken dat Van Weelden hier het hardlopen in de betekenis voor een alleman beschrijft.

Dat zou ook verklaren waarom het boek saai is als een doorsnee leven.

Ook de betekenis van dat hardlopen in Looptijd was al sterker geweest als Van Weelden maar een moment had genomen om te beschrijven hoe erg het was om het niet te kunnen. Nu loopt die hoofdpersoon altijd maar door, nauwelijks gehinderd door enig malheur.

Bovendien is het hoogtepunt in dit boek, zijn deelname aan de Dam tot Dam-loop — die ook al niet bij naam wordt genoemd — dramatisch gezien totaal oninteressant. Wat doet het ertoe dat een middelmatig loper zijn persoonlijk record iets scherper stelt, als daar verder geen verhaal omheen zit. Ik heb zat wedstrijdenverslagen in clubblaadjes gelezen die spannender in elkaar zaten dan deze bespiegeling.

Nee, er had gezien Van Weelden’s soms helder opflakkerende formuleringen best een aardig boek ingezeten over hardlopen, maar dit is het niet. Een schrijver heeft toch minimaal de plicht zijn lezers aanleiding te geven de bladzijde om te slaan, lijkt me.

Dirk van Weelden, Looptijd
173 pagina’s
Uitgeverij Augustus, 2003


Marathonloper ~ Abdelkader Benali

Abdelkader Benali werd geïnspireerd om te gaan hardlopen door de TV-beelden die hij zag van Saïd Aouita. Dat was een Marokkaanse atleet die in de jaren tachtig internationaal domineerde op de middellange afstand.

Voor mij gold een beetje hetzelfde. Op mij maakte de marathonloper Gerard Nijboer een bepalende indruk. Eerst door zijn overwinning in Amsterdam, in 2.09. Toen door zijn eeuwigdurende achtervolging door de eindeloos lange en verlaten grijze straten van Moskou, tijdens de Olympische Spelen in 1980.

Ik ging middenafstandlopen, Benali marathons. Nadat hij het eerst geprobeerd heeft op de tien kilometer. En toch is dat hardlopen gemeenschappelijke ervaring genoeg om te telkens te vergelijken hoe hij het beleefde, en wat ik me ervan herinner.

Wat het lezen van dit boek ook raar maakte, is dat ik niet meer kan hardlopen door een slepende knieblessure. Maar het soms wel vreselijk kan missen.

Meestal lees ik romans over mensen waarvan ik blij ben niet zoals zij te zijn.

Maar door die eeuwige vergelijking met mijn eigen ervaringen viel me ook op waarover Benali niet schrijft. Hij blijft behoorlijk netjes bijvoorbeeld. Heeft het alleen expliciet over de marteling die het lopen van lange afstanden voor zijn voeten is. Terwijl hardlopen met het hele lichaam gedaan wordt, waarvan alle onderdelen kunnen reageren op de inspanning.

Enfin.

Dit boek is uit hoofdstukken opgebouwd zoals de marathon afstandsaanduidingen heeft. Iedere kilometer staat aangegeven, net als het punt halfweg. En Benali gebruikt ieder hoofdstuk om iets te vertellen over zijn ervaringen op dat moment tijdens het lopen van de marathon van Amsterdam. Maar omdat dit alleen een erg saai boek op zou leveren, zijn de hoofdstukjes aangevuld met fragmenten uit Benali’s hardloopleven.

Het zijn die opmerkingen naast dat wedstrijdverslag die dit boek voor mij interessant maken. Over hoe het voelt om te hardlopen, hoeft mij dan ook niets te worden verteld. In elk geval las ik daarover niets nieuws. Maar waarom gaat iemand in hemelsnaam hardlopen? Het is een erg zelfzuchtig genoegen.

Benali geeft daarover aan:

‘Is schrijven net als hardlopen niet een egoïstisch genoegen?’
‘Hardlopen is egoïstischer, want in plaats van hard te lopen kan je ook iets schrijven wat anderen zouden kunnen lezen.’ [115]

Abdelkader Benali, Marathonloper
164 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderpers, 2007

Altijd verder ~ Dolf Jansen

Het is jammer dat Altijd verder wat te veel pagina’s heeft gekregen; dat er zo veel Dolf Jansen in moest. Op het laatst wordt het wat repetitief, met weer een wedstrijd in het buitenland, en dit doet voor mij af aan de waarde.

Want, ik vond dit een onverwacht interessant boek.

Goed, Jansen ratelt op papier soms al evenzeer de woorden af als hij dit op de radio, of televisie gewoon is. Maar dit maakt niet zo veel uit. Ik ben nog altijd een hardloper, in het diepst van mijn gedachten, en ik las dankbaar voor het eerst iemand die in taal iets wist over te brengen van hoe het is om hard te lopen.

Of hoe het is om dit niet te kunnen.

Toch loopt Jansen marathons, en was ik zo’n rondjesloper op de baan. Gaat het bij hem om duur, en ging het bij mij om snelheid. Maar blijkbaar zijn daar genoeg overeenkomsten tussen. Baansnelheid moet zo lang mogelijk vastgehouden worden — en ook duurwedstrijden eisen snelheid. Beide worden verworven in training.

Het was misschien ook die drang om altijd maar weer te willen lopen die ik herkende. Dat rare egoïstische trekje. Omdat er maar éen ding prettiger is dan lopen, en dat is gelopen te hebben.

En een ander mooi ding van hardlopen was altijd dat je elders, ook in het buitenland, een andere atleet ogenblikkelijk herkende als atleet, zonder daarvoor woorden nodig te hebben. Zelfs zonder daarvoor trainingskleren aan te hoeven hebben. Zo’n zelfde effect speelde ongetwijfeld mee bij het lezen van dit boek.

Enfin.

Altijd verder is een relatief vroege autobiografie van een 44-jarige, die op zijn leven terugblikt aan de hand van wedstrijden die hij liep; of de bijzondere trainingskampen die hij doormaakte. Op de achtergrond ruist wel mee dat Jansen om andere redenen een ‘bekende Nederlander’ is, maar voor dit boek maakt dat niet uit. Hoogstens valt op dat een cabaretier wel iets van timing moet weten, en dat hij het al schrijvend niet kan nalaten eens een grap te maken.

Maakte ook allemaal niet uit.

Dolf Jansen, Altijd verder
367 pagina’s
Uitgeverij Thomas Rap, 2007


Quotable Runner ~ Mark Will-Weber ed.

Het is al vaker geconstateerd hier bij boeken over hardlopen, maar de schrijvers daarvan missen meestal iets. Ze roepen nooit de herkenning op hoe het voor mij was om hard te lopen. Daarbij vraag ik echt niet veel, hoogstens wat tekenende details.

Zelfs in een boek als dit, met uitspraken van sporters en trainers over het hardlopen, mist er een kern. Het is alsof iedereen toch al weet waarover het gaat, de lezer incluis, en de activiteit daarom verder niet benoemd hoeft te worden.

Niets in dit boek vertelde me iets over de lol die hardlopen brengt; over het plezier in wat het eigen lichaam aan inspanning vermag — die eeuwig luie broeder ezel.

The Quotable Runner gaat vooral over hardlopen als wedstrijdsport, en dan ook nog specifiek over de midden- en lange afstand. De samensteller heeft trouwens gelijk. De vaardigheid om te kunnen sprinten is een aangeboren afwijking. Daar hoeft verder geen aandacht aan besteed te worden.

Het verschil tussen een hardloper en een jogger is het inschrijfformulier voor de volgende wedstrijd, zo heet het dan. En dus krijgen nogal wat succesvolle atleten het woord, over de moeite die het hun desondanks kostte de top te bereiken. Dat maakt dit boek me iets te zeer zo’n eeuwig positief Amerikaans zelfhulpgeval.

Ik had dit in mijn tienertijd waarschijnlijk hogelijk gewaardeerd. En er toen denkelijk uitspraken uit overgenomen, als motivatie om nog beter mijn best te doen. Nu bracht alleen het hoofdstuk ‘Pain’ even die soms zo zeer door mij gewenste herkenning:

Unless you’re an athlete you can’t understand it. Joe Public can’t understand it. All they see is you racing in Oslo, Spain etc. and there’s all this talk about money. They don’t see the other side of it: being really depressed and having to go to the physiotherapist twice a day, thinking your career is over. Or walking backwards down the stairs because the Achilles is so tight.

Peter Elliot

En goed, aardig was dan ook wel weer de ontdekking hoe zeer drank heeft bijgedragen aan de verspreiding van de sport. Het georganiseerde hardlopen ontstond in Groot-Brittannië, waar kroegbazen hele atletiekbanen naast hun etablissement aanlegden; alles om maar volk te trekken.

Voor de rest maakte dit boek merkwaardig genoeg de indruk uit ergens diep in de jaren tachtig te stammen. Van het moment dat vrouwen eindelijk officieel marathonkampioenschapen mochten lopen; uit de tijd dat lopen ineens geen activiteit van freaks meer was, die werden nageroepen op straat.

En ondanks al deze bewaren waren alle uitspraken mij zeer aangenaam om te lezen.

Zo moet het dus zijn om te geloven, en je in dat geloof bevestigd te zien.

Mark Will-Weber, The Quotable Runner
Great Moment of Wisdom, Inspiration,
Wrongheadedness, and Humor

304 pagina’s
Breakaway Books, 1995

Fitter, harder & mooier ~ Ruud Stokvis & Ivo van Hilvoorde

Een filosoof [Van Hilvoorde] en een socioloog [Stokvis] schreven tezamen een cultuurgeschiedenis van de fitnesscultuur in Nederland. Daarmee terecht illustrerend dat er enorme verschillen zijn in waarom mensen zich vroeger lichamelijk inspanden, en de redenen van nu. Tegenwoordig is bewegen voor velen geen doel meer, maar een middel — om er gezonder of mooier uit te zien.

De kracht van dit boek is de systematische opzet, en dat is meteen ook de zwakte ervan.

Goed om te lezen was het hoe de auteurs onderscheid aanbrachten tussen de verschillende soorten sporten, en hun geschiedenis. Georganiseerde competitiesport ontstond om andere redenen dan heil- of schoolgymnastiek, laat staan als bodybuilding.

Vooral de oorsprong van al deze bewegingsvormen krijgt ruim aandacht, en de betreffende hoofdstukken zijn regelmatig feestelijk geïllustreerd.

Wat me aanmerkelijk minder beviel, was dat alle trends in het bewegen van dit moment voornamelijk met cijfermateriaal zijn geïllustreerd. Waarbij de auteurs ook nog hardop klagen dat het aantal hardlopers zo veel jaar geleden anders geteld werd dan tegenwoordig; zodat ze eigenlijk gissen.

Dan laten ze bijvoorbeeld wel zien dat de gymnastiekverenigingen met hun duffe zaaltjes — die al honderd jaar hetzelfde zijn ingericht — minder aantrekkelijk werden dan de sportschool is. Maar dan speelt er een vergelijkbare trend naar individualisering in het hardlopen, en daar wordt niets mee gedaan.

Gezien het enorme aantal hardlopers had de KNAU de grootste sportbond van Nederland kunnen zijn — toch is de atletiekunie er nooit in geslaagd al die nieuwe aanwas aan zich te binden. Maar waarom? Daar is elders toch echt over geschreven…

Soms volstaat alleen het benoemen van een cijfermatige trend dus simpelweg niet. Dit is wat ik ermee bedoel dat het boek soms wat vervelend systematisch blijft; daardoor komt de inhoud niet van de onderliggende schema’s los.

Wat ik verder miste was aandacht voor bijvoorbeeld de fiets — dat hier zo gebruikelijke vervoermiddel. Bijvoorbeeld omdat de fiets zo vaak genoemd wordt als een reden dat de Nederlanders nog niet zo obees zijn als Amerikanen.

Het lijkt me namelijk altijd nog slimmer om de hele dag meer te bewegen, dan om twee keer per week naar de sportschool te gaan, en daarna uren op de bank uit te puffen.

Sowieso had er van mij aandacht mogen uitgaan naar vergelijkingen van dagelijkse bewegingspatronen toen en nu; ofwel er mist me teveel echte cultuurgeschiedenis. Want, waarom komen mensen ineens beweging tekort?

Verder is mij wat te zeer bezuinigd op de eindredactie. Er staan regelmatig misbaksels van zinnen in, net als dat er slordigheden in de tekst voorkomen [zo is het Freikörperkultur, ipv het telkens gebruikte Freie Körper Kultur].

Ruud Stokvis & Ivo van Hilvoorde, Fitter, harder & mooier
De onweerstaanbare opkomst van de fitnesscultuur

250 pagina’s
De Arbeiderspers/Het Sporthuis, 2008

Puntjes op de ij ~ Erik Wijmeersch

Het geheime doel van boeklog is om vast te leggen wat in deze tijd normaal wordt geacht, en waarom dan wel. Al was het maar omdat elk tijdsgewricht met zijn eigen hypocrisie komt, en het daar in beschouwingen elders te zelden over gaat.

Zo is het op het moment aan topsporters verboden om zich zo goed mogelijk te verzorgen, voor en na hun trainingen. Dat zou namelijk vals spelen zijn. Zelfs de Vlaamse sprinter Erik Wijmeersch, die in dit boek uiterst openhartig is over wat hij aan doping heeft gebruikt, komt niet van het idee los illegaal te hebben gehandeld.

Hij kon misschien ook niet anders; de Belgische politie heeft hem in de zomer van 2006 opgepakt, en een paar dagen vastgehouden, op verdenking van dopingbezit. Zoiets maakt zonder meer indruk.

Maar was Wijmeersch twintig jaar later geboren, bijvoorbeeld, dan had hij nooit het onhandelbaar drukke jongetje mogen zijn, dat hij in zijn jeugd zo vaak was. Dan was zijn gedrag waarschijnlijk met medicijnen genormaliseerd — omdat het in onze cultuur juist een maatschappelijke eis kan zijn om iemand zware geneesmiddelen toe te dienen. Ter correctie. Om diens eigen bestwil, heet dit dan.

De hypocrisie over medicijngebruik is immens.

Nu was Wijmeersch te gretig in zijn dopinggebruik, wat hem nog bijna het leven kostte. Ik kan begrijpen dat de spijt over die gulzigheid zijn visie kleurt. Toch vind ik het jammer nog steeds geen oud-sporter gehoord te hebben die koel meldt alles te hebben uitgeprobeerd wat mogelijk was, en daar geen enkele spijt van te hebben. Ondernemen vergt nu eenmaal risico’s. Maar zo’n laconieke uitspraak zou misschien met terugwerkende kracht een prestatiereeks kunnen besmeuren. Zelfs al mag van de meeste verslagen concurrenten worden aangenomen dat die zich evenzeer prepareerden.

Enfin.

Aan dit boek is niettemin zelfs het voorwoord al interessant. Atletiektrainer Henk Kraaijenhof merkt daarin namelijk iets schokkends over topsporters op.

Wie de top wil halen in een oersport als de atletiek moet daarvoor in de eerste plaats genetisch geluk hebben gehad. Ik heb niet zo veel snelle spiervezels als Wijmeersch; dus al had ik dezelfde dopingkuren gevolgd, een goede sprinter zou ik nooit geworden zijn.

Maar spieren zijn slechts een onderdeel. Spieren worden altijd aangestuurd door de hersenen. Wie topsport wil bedrijven, in een sport als de atletiek, met zijn enorme prestatiedichtheid, moet daartoe mentaal vreselijk gedreven zijn. Atletiek is niet als voetbal, waar zelfs de caféteams al gesponsord worden. In de atletiek is maar voor een heel select gezelschap leuk geld te verdienen — terwijl ook de subtop jarenlang vreselijk hard moet trainen om iets te bereiken.

Kraaijenhof viel op dat veel van de topatleten een sterke drang hebben om zich te bewijzen door problemen in hun verleden. Van de atleten die hij naar de top begeleidde kwam 90% uit een gebroken gezin. Van zijn vrouwelijke topatleten was acht op de tien in hun jeugd seksueel misbruikt.

Nederlanders blinken waarschijnlijk met reden uit in sporten die maar in weinig andere landen leven, denk ik dan. Zoals schaatsen, of dameshockey. Overleven lukt hier ook zonder te vechten.

Wijmeersch verklaart zijn vechtersmentaliteit mede uit zijn te vroege geboorte. Daarnaast had hij het geluk dat zijn vader hem voor zijn droom topsprinter te worden sponsoren wilden. Wie niet per se afhankelijk is van de grillen van een sportbond, kan ook afstandelijker over de organisatie van zijn sport oordelen.

Ik vond dit boek om verschillende redenen boeiend om te lezen. Allereerst ben ik puur gefascineerd door wat er mogelijk is om iemand beter te laten presteren, zoals mijn andere weblog al jaren toont. Daarbij komen dan nog de taboes die er over doping bestaan. Wijmeersch schat bijvoorbeeld dat tweederde van de topatleten gebruikt, en slechts een derde puur sport. Maar alleen de domme gebruikers worden gepakt. De slimmeriken, die deel uitmaken van een georganiseerd systeem, testen nooit positief.

Want, natuurlijk bestaan er georganiseerde systemen. Wijmeersch’ grootste onthulling in dit boek, die in België nog een rel opleverde, was dat hij tot dopinggebruik werd aangezet door een bobo van de bond — thans in naam een fel dopingvechter.

Eindelijk ook heb ik bij Wijmeersch bevestiging gevonden dat een aantal mythen over doping niet kloppen. Groeihormoon zou bijvoorbeeld nergens voor helpen. Maar Wijmeersch meldt uit eigen ervaring dat zijn vetpercentage bij gebruik enorm snel slonk — wat ook inhield dat hij zich niet per se aan een onmenselijk topsportdieet hoefde te houden.

Verder ligt er het feit dat nergens zo veel astmapatiënten verzameld zijn, als onder de deelnemers aan een sportwedstrijd op een beetje niveau. Standaardexcuus is dat intensief ademhalen in de vieze buitenlucht de luchtwegen kan aantasten. Topsporters mogen daarom een puffertje gebruiken, mits zij daarvoor een medisch attest aanvragen. Maar volgens Wijmeersch is het gebruikte geneesmiddel, Ventolin, bijzonder goed werkzame doping; die iedereen met een astma-attest in ruime mate kan innemen. Controleurs kunnen niet meten of iemand een gezondheidsdosis innam via een puffertje, of het middel gretig ingespoten heeft.

En zo weet Wijmeersch meer aan te tonen. Over de manieren waarop wedstrijdorganisatoren een atleet van een goede prestatie kunnen bestelen, bijvoorbeeld. Allemaal zaken waar de sportjournalistiek geen oog voor heeft. Allemaal zaken waardoor Wijmeersch een klokkenluider is die waarschijnlijk nergens meer goed kan doen.

Maar dit is geen boek dat doodgezwegen worden mag.

Erik Wijmeersch, De puntjes op de ij
Over records, vrouwen en doping

232 pagina’s
Uitgeverij Van Halewijck, 2008

Snel, hoog, ver ~ Kees Sluys

Van alle dingen die ik nooit heb gedaan, en wel niet meer zal doen, is er vooral spijt dat ik nooit een volwassen tienkamp heb afgerond. De meerkampen van mijn juniorentijd bestonden nog niet uit tien onderdelen. En toen ik wel oud en groot genoeg was om ook die vierhonderd meter te mogen lopen tijdens zo’n tweedaagse wedstrijd, werkte mijn lichaam al niet meer mee.

Speerwerpen heb ik trouwens nooit gekund. Het is niet dat ik een goede tienkamper zou zijn geweest. Maar de ervaring had me erg interessant geleken. Mijn atletiekcarrière bestond veelal uit lange reizen, om dan ergens vijftig seconden actief te zijn. Was het een keer twee minuten als ik een ander onderdeel koos. Klaar. Niets van wat me zo intrigeert in zo’n meerkamp. Met die voortdurende concentratie op het volgende nummer. Met het besef dat de prestatie op een onderdeel kan tegenvallen, maar dat dit de inspanning daarop niet al mag tekenen. Of omgekeerd, dat een persoonlijk record niet te uitbundig gevierd kan worden, omdat dit de concentratie voor wat daarna komt verstoort.

De tienkamp is het enige onderdeel dat ik intensief volg bij de kampioenschappen op televisie, terwijl de discipline vrijwel altijd slecht in beeld wordt gebracht. Specialismen zijn ook makkelijker te verkopen. Daar hoeft het grote publiek niets voor te begrijpen. Wie het eerst over de finish komt, die heeft gewonnen. Dat werk. Terwijl zo’n tienkamp met abstracties als puntentabellen werkt. En met atleten die wel heel goed kunnen lopen, werpen, en springen, maar zelden op éen onderdeel tot de wereldtop behoren; dit slechts zijn op alle onderdelen samen. Wat ze blijkbaar niet heel interessant maakt.

Dit boek van Kees Sluys had éen merkwaardig trekje. Hij vertelt er een aantal grote tienkampen in na die ik al rechtstreeks had meegemaakt. Op de televisie dan, met hulp van teletekst, en later van internet. Dat is heel raar om te lezen. Alsof mijn persoonlijke herinneringen ineens niet meer van mij alleen waren, maar van iedereen.

Dus was interessanter wat Sluys aan geschiedenis bracht. Met een verklaring waarom Duitsland ineens opkwam als tienkampland — de puntentabellen werden evenwichtiger, wat in hun voordeel was. Met levensverhalen van bekende helden en schlemielen — Jim Thorpe, Jürgen Hingsen — en ook de mij onbekende grootheden, als de Est Heino Lipp, die van Sovjet-autoriteiten het land niet uit mocht reizen, en daarom nooit de op de kampioenschappen uitkwam.

Sluys zocht ook een aantal tienkampers op, in binnen- en buitenland, om hun ideeën te vernemen. Want, had Hingsen zich bijvoorbeeld bewust in Seoul uit de wedstrijd laten schieten met drie valse starts op het eerste onderdeel, de honderd meter. En was dit om doping dan?

Maar het boeiendst vond ik uiteindelijk de materie die alleen voor insiders waarde heeft; en waarvan het boek me net wat te weinig bevatte. Zoals de vraag hoe je het best voor een tienkamp traint. Is het slimmer de sterke onderdelen te trainen, om tijdens de wedstrijd daarop meer punten te halen, of moet de aandacht juist naar de zwakke nummers gaan?

Daarbij is zelfs een wezenlijke vraag hoeveel trainers een tienkamper hebben moet. Eentje, die goed het overzicht houdt? Of is er juist het meest aan punten te winnen door van specialisten te leren… Het is een vraag die een richtingenstrijd oplevert binnen de sport. Waarbij degenen die vinden dat een tienkamper het met éen trainer af kan, voor mij de sterkste argumenten hebben. Uiteindelijk gaat het erom dat een tienkamper heel blijft tijdens al die maanden training — zo’n atleet doet hoogstens een paar meerkampen per jaar. En vooral de sporters met meerdere trainers lijken wel erg vaak geblesseerd.

Kees Sluys, Snel, hoog, ver
Geschiedenis van de tienkamp
320 pagina’s
Thomas Rap, 2008

Hardloper Huizenga ~ Job van Schaik

Ergens midden jaren tachtig schreef ik een verhaaltje over een haast vergeten wonderatleet. Ik deed toen nog vlijtig aan atletiek. Het clubblaadje van de vereniging was als het ware mijn toenmalige weblog. En om te verklaren waarom die wonderman inmiddels vergeten was, had ik een prettig satirische oplossing bedacht. Die atleet trainde voor zijn wedstrijden, en dat keurden de autoriteiten af. Training ontwikkelde de spieren maar, en was niet in de geest van de sport.

Dit gegeven maakte het raar om zo’n kleine vijfentwintig jaar later een boek te lezen met een waargebeurde geschiedenis, die grote overeenkomsten vertoont met dit ooit door mij in scherts bedachte verhaaltje.

De Groninger slagersknecht Louwe Huizenga [1893 – 1973] was enkele jaren een onverslaanbare atleet op de lange afstanden. Zo zou hij een wereldrecord op de marathon hebben gelopen, als die tijd tenminste erkend was geweest. Nog bijzonderder was dat hij er van de ene dag op de andere stond.

Helaas voor Huizenga viel zijn korte glorietijd samen met de Eerste Wereldoorlog, waardoor hij alleen in Nederland actief was. Helaas was zijn overweldigende succes niet zo goed voor zijn karakter. Helaas ook deed hij mee aan vele wilde wedstrijden — georganiseerd door cafébazen die zo massa’s volk konden trekken — en kreeg hij daarvoor ruime onkostenvergoedingen. Daardoor werd Huizenga van professionalisme verdacht. Wat niet mocht in die tijd, en de autoriteiten uiteindelijk redenen gaf om hem van officiële wedstrijden uit te sluiten.

Zelfs tijdens het lezen van dit boek nog bleef ik moeite houden om Huizenga’s levensverhaal te geloven. Ondanks de vele foto’s die Van Schaik heeft gevonden, ondanks de talloze ware details in het boek.

Zo zijn de tijden die Huizenga liep heel geloofwaardig. Die waren zonder meer geweldig voor diens tijd — en tegelijk zijn ze naar hedendaagse maatstaven gemeten haalbaar voor meer mensen dan supermannen alleen. Wat het daarmee ook denkbaar maakt dat een getalenteerd iemand, die in zijn hele jeugd veel had gelopen, van de ene dag op de andere, zelfs zonder gerichte training, een topatleet kon zijn.

Ik heb als junioratleet trouwens vaak genoeg de frustratie gehad te denken al mijn tegenstanders te kennen, om dan ineens op een oud-voetballer of -korfballer te stuiten, die net twee weken lid van een club was, en hup zo maar sneller liep als iedereen.

En toch bleef er lang dat merkwaardige vooroordeel tegen dit boek. Dat misschien puur en alleen voorkwam uit het primitieve mechanisme dat iets niet waar kán zijn, als ik er nooit van gehoord heb. Maar waarschijnlijk speelt ook het bestaan van mijn eigen zo vrolijk bedachte verhaaltje een rol. De waarheid kan vreemder zijn dan fictie. Natuurlijk. Maar ook als die fictie bewust werd voorzien van onmogelijke elementen?

Nu goed, de wonderatleet uit mijn verhaaltje liep het liefst hard op klompen. Zo idioot was Huizenga niet.

Van Schaik’s boek wees me erop veel minder van de sportgeschiedenis te weten dan gedacht. Mijn kennis wordt zo ongeveer vanaf 1928 courant. Dat in het decennium daarvoor bijvoorbeeld de geïnterneerde Britse soldaten enorme invloed hebben gehad op het georganiseerde sportleven in Nederland, was duidelijk nieuw voor me.

En zo had ik nog wel meer algemene details over de sport uit die tijd willen hebben.

Job van Schaik is vooral bezig geweest met levensverhaal van Huizenga. En dat levert ook een behoorlijke indruk op van hoe de man was, met zijn perfectionisme, zijn teleurstellingen, en zijn drankzucht, ondanks het gegeven dat hij al zo lang dood en vergeten mag heten. Al blijft dit tegelijk een beeld dat een buitenstaander doorbrieft — een probleem dat overigens kleeft aan vrijwel alle biografieën.

En ik vind het zonder meer knap dat Van Schaik nog zo’n rijk gevuld boek heeft weten samen te stellen. Een probleem is evenwel dat hij zo over Huizenga geschreven heeft, dat er een verlangen groeide naar meer. Eén of twee woorden van de hardloper zelf, bijvoorbeeld over wat hij voelde bij het lopen. Iets onomstootbaar helemaal echts…

Job van Schaik, Hardloper Huizenga
Het verhaal van een vergeten wonderatleet

174 pagina’s
Uitgeverij L.J. Veen, 2009

* er is een website gewijd aan het boek


Loper ~ Sido Martens

Als een boek vol staat met sexscène’s, dan heet zo’n uitgave porno. Maar hoe dan een boek te noemen dat vol staat met hardloopscène’s? Hardloopporno als label gebruiken, kan eigenlijk niet. Want ik denk niet dat iemand in die zin opgewonden zal raken van Dirk van Weelden’s hardloopboeken. Of Dolf Jansen zijn marathonsaga’s. Of Sido Martens’ loopproza.

Ook hijzelf lijkt niet altijd even veel plezier aan het hardlopen te beleven. En toch moet dat lopen gebeuren.

Verslaafdenproza. Dat levert het hardlopen dus waarschijnlijk op. Omdat de activiteit allereerst zo’n zelfzuchtig genoegen is. Maar omdat zo veel andere mensen ook weleens loopschoenen aantrekken, roept het relaas van de éen al gauw herkenning bij de ander op. De kick is blijkbaar nogal universeel. Het lichaam loopt, en ondertussen mag het verstand ook nog mee, als blinde passagier. Maar helemaal doet het toch niet mee, al die tijd, onder de inspanning.

Het wonderbaarlijke aan De loper vond ik dat er zo veel variaties op een nogal voorspelbaar thema mogelijk waren. Vrijwel elk verhaal in deze bundel gaat over éen wedstrijd. Martens noemt de naam daarvan niet, noch de plaats waar het evenement plaatsvond, of het jaartal. Die doen er op zich ook niet toe, al meende ik als oud-atleet wel de Merenloop in Grou te herkennen, en de Leijenloop. Al die wedstrijden zijn anders dan de vorige, zelfs al speelt die zich op hetzelfde parcours af, een jaar later. Al die wedstrijden zijn anders voor wie ze zelf liep.

Het laatste verhaal in het boek, met de titel ‘De loper’, legt onder meer uit hoe de even zo succesvolle popmuzikant Sido Martens na zijn dertigste het rennen ontdekte. Eigenlijk wou hij fietser worden. Maar het gedaver over klinkerweggetjes, en het domme geleun met zijn handen op het stuur, taste zijn gitaarspel te veel aan.

Inmiddels is Martens alweer tijden als redacteur aan loopbladen verbonden.

Mooi aan dit boek vond ik vooral de zijdelingse opmerkingen, over hoe sommige zaken minder vanzelf spreken. Dan staat er dat hij inmiddels net zo lang doet over de tien Engelse mijlen als voorheen de halve marathon.

Over hoe het herstel na die wedstrijden verloopt, en of dat is veranderd, staat er dan weer niets in. Of over hoe het is om niet te kunnen lopen. Maar het boek gaat dan ook niet over hoe dat hardlopen móet, of gaat, Martens beschreef hoe dat hardlopen ís.

Sido Martens, De loper
160 pagina’s
Bornmeer, 2008

Helden van de 42 kilometer ~ Cors van den Brink & Barbara Kerkhof

De marathon van Rotterdam wordt nog elk jaar op televisie uitgezonden, in april. En vaak krijgt die van Amsterdam in het najaar ook die eer. Toch kijk ik zelden naar zulke uitzendingen; anders dan vroeger. Laat staan dat ik ter plaatse zou willen zijn.

Terwijl er toch sneller dan ooit gelopen wordt.

Maar het is als in de tijd dat het wielrennen geteisterd werd door epo-gebruik, en alle wedstrijden werden gewonnen door Italianen. Ik heb niets meer met de winnaars. Die hebben inwisselbare namen, en verder geen geschiedenis.

Er moet iets te herkennen zijn, willen zulke mensen me intrigeren. En het is me heel moeilijk in te beelden dat ik bruin vel heb, trommelstokjes van benen zou hebben, of geboren zou zijn in een armoedig zonnig land, ergens op grote hoogte. Laat staan dat hardlopen ooit een beroepskeuze zou zijn geweest met grote perspectieven.

Ik heb me te veel met de pioniers in Nederland geïdentificeerd; de mannen die naast hun atletiek ook nog werkten.

Toevallig viel mijn bewondering voor marathonlopers samen met het hoogtepunt van deze sport in Nederland. Nooit deden vaderlandse atleten beter dan in 1985, toen de tien besten 2:15.10 gemiddeld liepen over de afstand.

Sindsdien werd de basis van de prestatiepiramide weliswaar breder, want er gingen meer mensen dan ooit marathons lopen, maar juist de snelle lopers zijn een uitzondering geworden. En prompt wordt er van de paar die er zijn veel te veel verwacht.

Het boek De helden van de 42 kilometer biedt zestien interviews met Nederlandse marathonlopers en -loopsters, van vroeger tot nu. Daarnaast komen ook enkele van hun trainers aan het woord.

Onder de lopers zijn gelukkig ook enkele helden, van toen, zoals Cor Vriend en Gerard Nijboer.

De gesprekken tezamen geven een aardig beeld van hoe het marathonlopen als wedstrijdsport opkwam. En van hoe de atleten trainden, toen er nog geen hartslagmeters waren, en periodisering in de training ook nog moest worden uitgevonden.

Terugkomend element in vrijwel alle verhalen is dat het trainen voor de marathon opofferingen vergt. Of dat het er tegenwoordig weleens aan schort bij atleten om die extra stap te maken.

Tegelijk blijft er het raadsel. Hardlopen is een nogal egoïstische bezigheid. In de verhalen van de getrouwde atleten komt hun monomanie regelmatig terug. Waarom al deze mensen toch per se die afstand wilden lopen, en bleven lopen, is in het boek evenwel geen vraag.

Dat spreekt vanzelf.

Cors van den Brink & Barbara Kerkhof
De helden van de 42 kilometer
Een halve eeuw Nederlandse marathoncultuur

219 pagina’s
De Arbeiderspers | Het Sporthuis, 2009

Mens als duurloper ~ Jan Knippenberg

Niet de schrijver, of de lezer, maar de omstandigheden maken allereerst het boek. Had De mens als duurloper over een andere uithoudingsproef gegaan — solozeilen, een voetbalcompetitie, bergbeklimmen — denk ik niet dat het me heel erg had aangesproken.

Inmiddels las ik het tweemaal. De eerste keer toen ik nog een actief hardloper was. En nu. Omdat mijn herinneringen vervagen aan hoe het was om te hardlopen. Ik droom er zelfs nooit meer over. Als ik in mijn dromen onderweg ben is dat altijd op de fiets; en dan altijd moet het naar Denemarken of Berlijn, in éen dag.

In De mens als duurloper probeerde Jan Knippenberg [1948 – 1995] twee dingen aan te tonen. Eén daarvan is niet anders dan wat de titel aangeeft. Evolutie heeft de mens namelijk gemaakt tot wat die is; een efficiënte duurmachine, die heel goed lang kan hardlopen op een sukkeltempo.

Gelukkig ging hij daarbij niet in op de vele theorettes, die het hardlopen gebruiken om nog meer te verklaren. Zoals dat wij kunnen zweten.

Knippenberg gebruikte als bewijs allereerst de gewoonten van dicht bij de natuur staande volken, voor wie lopen een spel kan zijn, waarin ze ongelooflijke afstanden kunnen afleggen.

Het tweede doel dat hij had, staat dan eigenlijk haaks op het eerste. Deed Knippenberg eerst moeite om aan te tonen hoe normaal het hardlopen was, in de menselijke geschiedenis. Vervolgde hij met portretten van enkele ultralopers, om daarbij te laten zien hoe uitzonderlijk deze mensen zijn.

Herlezing deed me betrekkelijk weinig, daar waar het boek ooit als een loopbijbel gold; ook voor mij.

In plaats daarvan werd ik steeds nieuwsgieriger naar de auteur, van wie in het boek enkele dagboekaantekeningen zijn opgenomen, die het helaas zonder uitleg moeten doen. Knippenberg liep ooit 1000 mijl vanuit Hoek van Holland naar Zweden. Knippenberg liep ooit de 400 kilometer rond het IJsselmeer. En later nog een keer. Een uithoudingsproef die ik eenmaal op de fiets heb gedaan, en waarvan me vooral is bijgebleven hoe weinig me is bijgebleven. Eenmaal goed in beweging wordt men de beweging, en krimpt het waarnemingsvermogen in.

Knippenberg noemt dit verschijnsel anders, en is er vanzelfsprekend juichend over.

De beheersing van het lichaam in fysiek en psychologisch opzicht, met andere woorden, de bewustwording van techniek door oefening en louter oefening, is in de zen-opvatting van zo’n belang dat daaruit vanzelf de prestatie voortkomt. Als er al iets wijst op de afgeleide zen-euforie is het de herhaling, het ritme van de voeten van de lange-afstandloper, de cadans, die uiteindelijk leidt tot een zekere vorm van trance – vroeger second wind genoemd — en te verklaren door de stofwisselingsprocessen die zich bij een geoefend loper voordoen. Er zijn aanwijzingen dat deze toestand zich op zo’n 75 procent van de maximale inspanning voordoet. Dan levert het lopen niet die schokkende beelden van door eerzucht verkrampte ledematen en grimassende gezichten. De marathon heeft niets met zen te maken, althans voor deze groep van joggers en trimmers niet. De marathon is voor degenen die goed voorbereid en getraind zijn. […]

Hij liep ook met regelmaat over het strand naar Castricum, om les te geven, toen hij op Texel woonde. Wat toch een zestig kilometer zal zijn.

Graag had ik meer gelezen over dat, wat voor hem blijkbaar vanzelf sprak.

Lopen blijft tenslotte, voor ons, een zelfzuchtig genoegen. Dat Knippenberg zijn verslaving probeerde te rationaliseren, is éen ding. Maar dat hij zichzelf daarbij toch grotendeels buitenspel hield, doet nu afbreuk aan wat dit boek te bieden heeft.

Jan Knippenberg, De mens als duurloper
246 pagina’s
Prometheus 2008, oorspronkelijk 1987

Lopen met de Kenianen ~ Adharanand Finn

Een Britse man van 37 ging met vrouw en kinderen een jaar op hoogte wonen in Kenia, om uit te vinden waarom zo veel Kenianen zulke goede hardlopers zijn. Die zoektocht leverde al een weblog op, en resulteerde later in een boek.

Omdat ik het weblog kende, was mijn nieuwsgierigheid naar de boekuitgave niet heel groot. Tot me bleek dat wel dezelfde gebeurtenissen beschreven worden, maar dat dit niet in dezelfde bewoordingen gebeurt.

Finn neemt veel meer de ruimte in het boek. En dat is zowel de kracht van de tekst als direct ook de zwakte.

Kern van zijn queeste is dat de schrijver zelf ook hardloopt, enig talent had als junior, maar hij daar niets mee heeft gedaan. Enkele decennia later wil hij er nog eens alles aan doen om een marathon onder de drie uur te gaan lopen.

Zijn zoektocht naar wat de Kenianen zulke goede lopers maakt, wordt daarmee tegelijk een afweging waarom hij dan zo’n matige atleet is.

[Terzijde: in de decennia dat ik zelf niet meer loop, is de waardering van atletiekresultaten aan inflatie onderhevig geweest. Alleen het voltooien van de marathon al wordt bijvoorbeeld ineens gezien als een grootste sportprestatie — wat me rijkelijk onzinnig lijkt. En de drie uur-grens op de marathon die Finn tot een getalenteerde loper zou maken, lag vroeger voor mannen echt op twee uur en veertig minuten.]

Alleen leveren de exploten van matige atleten na de eerste zo prettige relativering zelden heel boeiende teksten op. Of ze moeten bovenmatig veel meer talent tot schrijven en introspectie hebben dan tot atletiek. Lopen met Kenianen was me kortom veel te lang.

Het boek is nog het best als de leefomstandigheden geschilderd worden van de Kenianen in de Rift-vallei. Zoals dat alle atletiekkampioenen er van het platteland komen, en als kind einden moesten lopen; omdat er geen geld was voor iets anders.

Finn heeft zelf nog als theorette dat het uit maakt dat ze van jongs af aan blootsvoets lopen. Daardoor is hun loopstijl beter. Zelf doet hij in de loop van het boek ook moeite om op schoenen te lopen die zo weinig mogelijk demping hebben.

Vervolgens biedt het hardlopen de Kenianen een enorme kans om uit de armoede te ontsnappen. En velen zetten daarom ook alles in op deze ene kans; waardoor ze alleen maar hardlopen, eten, en slapen.

Aan de carrière van de doorsnee Keniaanse loper valt alleen op dat die opvallend kort is. Met éen goed seizoen houdt het al gauw op. Dan is er prijzengeld geoogst, kan er een koe en een 4×4 worden gekocht, en is men gesetteld burger geworden binnen de eigen gemeenschap.

En van mij had Finn meer aandacht mogen besteden aan zulke mechanismen, in plaats de zoveelste beschrijving te wijden aan weer een loop waarin hij de hele tijd achteraan bungelde.

Om nog maar te zwijgen over het ontbreken van aandacht voor de vele tamelijke krankjorume wetenschappelijke theorieën die er bestaan om te bewijzen waardoor de dominantie komt van Afrikaanse lopers op de lange afstand.

Node miste ik bijvoorbeeld een beschouwing over het Oost-Afrikaanse onderbeen, dat zo veel dunner zou zijn als de onderbenen elders. De controverse rond ‘blade runner’ Oscar Pistorius heeft nu eenmaal geleerd dat het uitmaakt als er onder het lopen geen energie verspild wordt bij het uitstrekken van de voet.

Maar misschien negeerde Finn deze discussie omdat hij zich al had vastgebeten in de blote-voet-theorie. Het dragen van schoenen kost volgens hem 5% meer energie, vanwege hun gewicht.

Adharanand Finn, Lopen met de Kenianen
Op zoek naar het geheim achter de Afrikaanse hardloopsuccessen

262 pagina’s
De Arbeiderspers, 2012
vertaling van Running with the Kenians

Klaploper ~ Sido Martens

Verslaafdenproza, zo noemde ik de eerste bundel met verhalen over hardlopen van Sido Martens.

Dat was overigens vriendelijk bedoeld. Maar het hardlopen — dat in hedendaags Nederlands ‘running’ schijnt te heten — is een nogal egoïstisch genoegen. Met een vreemd manisch trekje bovendien. Weliswaar zie ik vele mensen hardlopen op straat; het schijnt de volksport van het moment te zijn. Alleen lacht daar nu nooit eens eentje van. Vertrokken gezichten zijn er daarentegen volop waar te nemen.

Toch weet ik wat deze types bezielt.

Ook ik was ooit een hardloper. En het is merkwaardig hoeveel invloed die relatief korte periode in mijn leven gehad heeft. Nog altijd ben ik in mijn dromen weleens aan het hardlopen, en is dat dan de volstrekt normale manier van zijn. Terwijl het minstens twintig jaar geleden is dat ik serieus in training was.

Tegenwoordig is er weliswaar dat fietsen voor mij — maar prettige dromen levert dit nooit op.

De klaploper vond ik in een aantal opzichten een rijkere bundel dan voorganger De loper. Sido Martens is inmiddels op leeftijd aan het komen. Het verval heeft ook al toegeslagen. Hij heeft zichzelf een klapvoet aangedaan. Door bij het gitaarspelen altijd met zijn benen over elkaar te zitten, is er links een zenuw beschadigd geraakt. Hierdoor is hij de precieze timing kwijt bij het neerzetten van de linkervoet.

Daarom struikelt hij weleens plots. Dan is er weer eens iets misgegaan bij de landing.

En toch moet dat hardlopen doorgaan. Als vanzelfsprekend. Ook als gebreken er bij gaan horen. Omdat een leven zonder hardlopen nu eenmaal geen leven is.

Wonderbaarlijk blijft hoe Sido Martens in zijn boeken telkens een nieuwe manier vindt om bijna krekt hetzelfde te vertellen. Want in bijna elk verhaal gaat hij een eindje hardlopen. Vaak is dat een georganiseerde wedstrijd. Soms beschrijft hij een trainingsrondje thuis.

Want, over dat lopen ís eigenlijk niet te schrijven — zoals ik laatst ook al constateerde van het schrijven over fietsen. De beweging spreekt te zeer voor zich. Daarom moet een verhaal al over de omstandigheden gaan buiten die loopbeweging om. En dus zit er een grote mate van toevalligheid in wat er dan op het pad komt van de schrijver.

Maar ziet, de plotselinge kwetsbaarheid van de schrijver maakt dat hij ook weleens tot universeler verhalen komt. Die niet per se meer verslaafdenproza zijn, allereerst bedoeld voor ingewijden, die er zo veel in zouden kunnen herkennen.

scheiding

Wat me wel stoort is het aantal dikbillen, kamerolifanten en hangbuikzwijntjes dat me tegenwoordig voor blijft tijdens een plaatselijk hardloopevenement. Hoe kan iemand met 10 kilo gestolde welvaart achter zijn navel harder lopen dan ik? Hoe bestaat het dat een vrouw met het vetschort van een blauwe vinvis mij halverwege een tien-kilometerloopje waggelend inhaalt terwijl ik heus niet stilsta en ook nog ruim voor de bezemwagen uitloop.

Is er dan geen enkele gerechtigheid meer? Ik die mijzelf ontzie, zo gezond mogelijk eet, geen alcoholische dranken nuttig en me matig in alles. Die elke dag minstens een half uur rent om vervolgens met bezweet voorhoofd en bestofte kuiten weer het tuinpad op te kreupelen in de hoop gespaard te worden voor enge ziektes, nare kwalen te vroegtijdig overlijden in het algemeen. Waarom moet ik het afleggen tegen dragonders en tweehonderdponders die met hoofden als stoomketels, uitpuilende ogen en veel te korte bleke pootjes in strakgespannen tights me voorbijdeinen alsof ik stilsta.

[Wegwaaiweg 82-83]
scheiding
Sido Martens, De klaploper
146 pagina’s
Ren Pen Produxies, 2013

Haile Gebrselassie ~ Klaus Weidt

Heb het over hardlopen, en al snel duikt de vraag op waarom éen Keniaanse stam het lange-afstandslopen de laatste decennia zo domineerde. De Kalenjin. Bij een beetje wedstrijd komt er zo een heel dozijn aan de start om voor de overwinning te strijden.

Onlangs nog wijdde het Amerikaanse RadioLab een uitzending aan een nieuwe theorie over de unieke talenten van deze stam. Want, naast dat de Kalenjin op hoogte opgroeien, van jongs af aan naar school rennen, hun anatomie mee hebben, en eenmaal volwassen door het hardlopen aan de armoede kunnen ontvluchten, zou er nog een factor meewegen.

Zowel de Kalenjin mannen als vrouwen moeten in hun jeugd nogal pijnlijke initiatierites doorstaan voor ze als volwaardige stamleden worden gezien.

Dus heet het ineens dat deze Kenianen bovenmatig goed pijn kunnen verbijten tijdens de sport. Eeuwenlang mochten alleen de meest stoïcijnse types zich voortplanten van de stam. Natuurlijke selectie heeft daarom plaatsgehad.

Punt wordt dan dat al een tijd voornamelijk Ethiopische hardlopers de grote prijzen pakken op de kampioenschappen. En dat er geen bizarre theorieën bestaan, die o zo makkelijk naar racisme neigen, om hun dominantie te verklaren.

Hoogstens valt kenners op dat de Ethiopiërs hun wedstrijdprogramma’s slimmer plannen dan Kenianen.

Ik las mede daarom de biografie Haile Gebrselassie van Klaus Weidt, en weet nu nog minder over het onderwerp dan voor het lezen.

Het is dat er op elke pagina’s foto’s staan; zodat ik het nog helemaal heb doorgenomen. Maar het boek blijft in de beschrijvingen merkwaardig afstandelijk en oppervlakkig. Van de wereldrecords die Gebrselassie liep op de baan wordt nog net vermeld dat hij ze ooit vestigde. Enkel de Olympische titels en Wereldtitels van deze atleet krijgen iets meer aandacht. Net als de wereldrecords die hij liep in de marathon van Berlijn.

Zelfs als ik dit boek tot de sportjournalistiek reken — een specialisme dat toch al in bulk warrige en oninformatieve teksten produceert — dan blijft deze biografie aan de zeldzaam onbenullige kant.

Enige poging om nader tot Gebrselassie te komen, ontbreekt. Laat staan dat er breder gekeken werd; dat de auteur heeft willen onderzoeken waardoor zo veel Ethiopische lopers zo opvallend presteren.

Alsof iemand los van zijn tijd kan bestaan; of de omstandigheden waaronder hij of zij leefde.

Het enige dat wel mijn aandacht vroeg in deze biografie zijn enkele tabellen. Zo worden van Gebrselassie’s marathonrecords de tijden per kilometer gegeven. Want tijdens zijn recordraces liep hij al deze kilometers, op soms éen of twee na, binnen de drie minuten.

En wie drie minuten over een kilometer doet, loopt twintig kilometer per uur.

Uit mijn tijd als atleet herinner ik me dat de zwaarste trainingen bestonden uit reeksen duizend-meter-loopjes. Die dan allemaal binnen de drie minuten moesten.

Alleen had ik dan telkens een pauze tussen de ene kilometer en de volgende. Gebrselassie liep dus 42 keer achter elkaar zonder te stoppen een duizend meter binnen drie minuten.

Mijn bewondering had dus een reeks kille cijfers nodig om uit te groeien boven het afstandelijke respect dat ik standaard voor alle kampioenen reserveer. Als de biograaf dus ergens nog om te prijzen is, dan om diens inspanningen om zulk cijfermateriaal ook op te nemen.

Klaus Weidt, Haile Gebrselassie
De grootste hardloper aller tijden

176 pagina’s
Tirion Sport, 2012
vertaling van Haile Gebrselassie — Auf den Spuren einer Lauflegende, 2011

Sports Gene ~ David Epstein

Biologie, of beter biotechnologie, is de belangrijkste wetenschap op dit moment. Daar gaat het meeste geld in om. Combineer dit met de wetenschap dat het menselijke genoom nu al ruim tien jaar in kaart is gebracht. Of met het gegeven dat er in sommige sporten ook miljarden omgaan. En ik meende daarom vooraf dat het lezen van The Sports Gene mijn kennis flink zou kunnen vermeerderen.

Dat bleek alleen niet zo te zijn.

Biotechnologie houdt zich niet direct bezig met uitzonderingen, zoals topsporters vormen. Biotechnologie is vooral geïnteresseerd in brede en algemeen toepasbare oplossingen.

De schaarse sportprogramma’s van het moment met zichtbare resultaten creëren vooral een cultureel klimaat om een bepaalde sport te gaan beoefenen. En als een sport door velen wordt beoefend, komen daarbij vanzelf talenten bovendrijven. Usain Bolt wilde bijvoorbeeld liever cricketer worden, en tegenwoordig voetballer. Hij kon zich alleen niet onttrekken aan de druk dat op Jamaïca het sprinten op de atletiekbaan de sport is met de grootste populariteit.

Een Nederlands programma om al jong topvoetballers te scouten, leverde toevallig wel éen van de nieuwe feiten op waar ik even van opkeek. Daaruit blijkt namelijk dat de echt snelle voetballers deze selectie doorgaans niet overleven. Die raken te gauw geblesseerd van alle trainingen. En vallen dan weg. Voetballertjes met minder specifieke spieren, waarin het gehalte snelle en trage spiervezels niet te veel verschilt, zijn veel beter in staat om jarenlang gezond te blijven op het voetbalveld.

Tegelijk schreef Joris van den Bergh ruim zeventig jaar terug ook al over dit verschil — dat voetballers het zich niet kunnen veroorloven hun spieren te verwennen.

Toch is The Sports Gene een goed boek. Zij het om andere redenen dan ik verwachtte. David Epstein vertelt mooie verhalen over sporters — zelfs al staan deze in een Amerikaanse traditie, waarin het levensleed van een sporter buiten de sport ook altijd flink benadrukt wordt.

De balans tussen deze levensverhalen, en de harde feitenkennis over genetica, of over wat trainers nu eigenlijk weten, is heel goed in dit boek. Het leest.

Punt blijft alleen dat eenieder die op een beetje niveau sport bedreven heeft, al op de vragen is gestuit die in The Sports Gene voorbij komen. En waar dan nog altijd nauwelijks een eensluidend antwoord op schijnt te zijn.

Oud-voetballers genoeg die op atletiek gingen, toen ook ik nog aan deze sport deed, en dan vrijwel zonder enige training sneller konden sprinten dan ik.

Maar er waren ook atleten die net zo hard trainden, en toch niet zo veel verbeterden tijdens het seizoen als mij lukte. Ik had uren nodig. En zon.

Wat is dan talent, kortom?

Epstein begint zijn boek historisch, met hoe het idee altijd was dat de hardware van een sporter er nauwelijks toe deed, en dat het om de software ging. Want die hardware leek toch nauwelijks te veranderen te zijn.

Daarbij gaat het alleen wel om ideeën uit 1925. Toen het idee ook nog was dat degene met het meest gemiddelde lichaam het best in sport zou zijn. Toen het idee misschien nog wel was dat trainen oneerlijk zou zijn ten opzichte van de tegenstander. Want trainen deed een gentleman niet.

Niemand zou alleen nu nog durven ontkennen dat basketballers er gauw eens profijt van hebben om lichaamslengte mee te brengen, of dat turnstertjes makkelijker en sierlijker om hun as draaien als ze een gedrongen postuur houden. En zo blijken nogal wat sporten als vanzelf te selecteren op bepaalde lichaamskenmerken — en dit gaat zelfs op voor spelen; heel wat beoefenaren van balsporten blijken uitzonderlijk scherp te kunnen zien.

Hardware speelt dus wel degelijk een enorme rol — wat het vervolgens tot een vraag maakt of die hardware nog is te veranderen, bij eenmaal volwassen geworden mensen. Legaal. Want dat doping alle vrouwen een stuk mannelijker kan maken in hun lichamelijke eigenschappen, heeft het Oostblok al enige tijd afdoende bewezen.

David Epstein komt in zijn antwoord op deze vraag nauwelijks verder dan ik in verschillende boeklogjes al kwam.

Het best vind ik The Sports Gene misschien daarom wel op de momenten dat ook Epstein moet toegeven dat het raadsel intact is gebleven.

Zo komt in het boek met regelmaat op het idee terug, ooit door Malcolm Gladwell gepopulariseerd, dat je eerst 10.000 uur moet investeren om een zeker niveau te kunnen halen in een bezigheid.

Dat is een mythe. Of hoogstens een gemiddelde dat helemaal niets zegt over de standaarddeviatie. Sommigen bereiken hun top na duizend uur, en verliezen dan hun interesse, anders zijn pas na 23.000 uur op enig niveau.

Meest illustratieve sportverhaal in The Sports Gene is namelijk dat van de strijd tussen twee hoogspringers, op het wereldkampioenschap atletiek in Osaka 2007. De Zweed Stefan Holm trainde al twintig jaar op dit onderdeel, ondanks zijn relatief korte lengte. Holm was de Olympisch kampioen op dat moment. En er is niemand die ooit hoger over zijn eigen lichaamslengte wist te springen dan hij [59 centimeter].

Winnaar van de wedstrijd werd ditmaal evenwel Donald Thomas, van de Bahamas. Die amper zeven maanden in de sport actief was, een houterige sprongtechniek had die anderen van afschuw deed huiveren, en die veel liever basketbalde. Want hoogspringen vond hij wat saai.

Thomas heeft zich sindsdien overigens niet verbeterd. Holm trok zich een jaar later uit de actieve sport terug.

En waarschijnlijk is het een romantisch idee, maar mij bevalt het wel dat er in sport dus plots oertypes kunnen opstaan die ogenschijnlijk zonder training of begeleiding alle jarenlang verwende talentjes verslaan.

Ook al geldt zo’n uitzondering dan waarschijnlijk alleen voor sport. Waar prestaties al gauw meetbaar zijn. Die een meritocratie is. Omdat er in winnen en verliezen wordt gedacht. Bij de meeste menselijke activiteiten spelen er al gauw gevestigde belangen, die zo makkelijk voorkomen dat buitenstaanders ook maar iets presteren.

David Epstein, The Sports Gene
Talent, Practice and the Truth about Success

338 pagina’s
Yellow Jersey Press 2014, oorspronkelijk 2013