Wiskundige op de beurs ~ John Allen Paulos

Wat viel mij dit boek tegen. John Allen Paulos heeft enkele heel aardige bundels gepubliceerd, waarin hij speels maar terecht waarschuwt tegen de gevaren van ongecijferdheid. Maar dit was geen leuk boek. En merkwaardig genoeg spreekt de inhoud ook het doel tegen waarvoor mensen speculeren op de beurs.

Hun geld moet uit zichzelf meer geld maken. Dat is de enige reden om te beleggen. Anders levert een bankrekening meer op.

Bedrijven vertrouwen ook op die hebberigheid. Ondernemingen die openbaar aandelen uitgeven, lenen daarmee eigenlijk geld van het publiek zonder enig ander onderpand dan de belofte dat die aandelen meer waard gaan worden.

Dit gaat nogal eens mis. Zoals Paulos ondervond toen hij zo’n beetje zijn hele pensioenreserve in aandelen WorldCom stopte, en uiteindelijk misschien net 20% van al dat geld overhield. Al is hij uit schaamte wat onduidelijk over het precieze verlies.

Dus gaat dit boek er vooral over hoe u voorkomen kunt ook zo’n zeperd te halen. En Paulos introduceert daarbij dermate veel mitsen en maren, en heeft zo veel wiskunde nodig om te laten zien wat nuttig is om te weten, dat zijn boodschap bij mij overkomt als: goed beleggen is heel hard werken.

Dan lijkt een bankrekening me eenvoudiger in het gebruik.

Bovendien is hij niet eerlijk. Hij meldt nergens hoe kleine beleggers doorgaans genoemd worden op de beursvloer.

Sukkels, zo heten die daar.

En de schrijver negeert gemakshalve ook hoe veel kennis iemand nodig heeft van de wereld, om met inzicht te kunnen speculeren. Paulos gokte erop dat netwerken alleen maar belangrijker zouden worden, vanwege de groeiende populariteit van internet. Daardoor zou WorldCom vanzelf almaar meer waard worden.

Maar eind jaren negentig zijn overal ter wereld voor miljarden communicatienetwerken aangelegd die toen nog niet nodig waren. Daarop gingen de bouwers bijna allemaal failliet. Zo vaak gebeurde dit, dat toeval mag worden uitgesloten.

En hoe zulk bedrog van het publiek als het ware geïnstitutionaliseerd is aan het einde van de jaren negentig, daar heeft Paulos ook bedroevend weinig inhoudelijks over te melden.

Dit boek bewijst wel dat hij inmiddels begrepen heeft hoe profijtelijk het kan zijn om anderen te vertellen hoe die moeten beleggen. Maar dat is toch een andere tak van sport.

John Allen Paulos, Een wiskundige op de beurs
254 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 2004
Vertaling van A Mathematician Plays the Stock Market © 2003


Black Swan ~ Nassim Nicholas Taleb

Na een week met dit boek te hebben omgepakt, zijn mijn conclusies erover wat gemengd. Ja, ik vind het in sommige opzichten een meesterwerk, dat iedereen gelezen moet hebben om meer van onze cultuur te begrijpen. Maar komt dit nu omdat ik vind dat Taleb iets volkomen nieuws beschrijft, en daar terecht voor waarschuwt, of eerder omdat ik zijn bezwaren deel over de blindheid in geïnstitutionaliseerde kennis? De afstand tot de tekst is nu nog te klein om die laatste vraag al te kunnen beantwoorden.

Verder heeft het boek zeker zo zijn irritantheden. Het is soms ontstellend Amerikaans in zijn mix van persoonlijk verhaal en abstract betoog. Zelfs al stamt de schrijver oorspronkelijk uit de Levant, en zijn de helden van de schrijver Europees. Wat ik hier schrijf zal overigens meer een afweging van Taleb’s ideeën zijn dan van dit boek; het gaat me nu even om de inhoud, en wat minder om de presentatie.

Nassim Nicholas Taleb hield zich lang bezig met de wiskunde achter de financiële markten. Na een profijtelijke carrière op Wall Street is hij zich gaan specialiseren in de filosofie achter willekeurigheid [randomness]. Daarover heeft hij inzichten die afwijken van de meeste statistici en econometristen.

Het simpelst is dit vrij fundamentele meningsverschil te illustreren met een anekdote uit dit boek. Taleb schreef eerder een werk met de titel Randomness, en daar moest natuurlijk een omslag voor komen. De illustratoren die hiervoor werden aangezocht, leverden beide een ontwerp aan, met daarop dobbelstenen afgebeeld. In onze cultuur zijn deze nu eenmaal het icoon dat bij onvoorspelbaarheid hoort, en dit roept een grote ergernis bij Taleb op. Niemand kan met éen worp van een dobbelsteen vijftien ogen gooien. Dat sluit zo’n gesloten systeem nu net uit. Maar in onze alledaagse werkelijkheid vinden er juist weleens gebeurtenissen plaats die totaal niet te voorspellen zijn. Deze kunnen daardoor alleen al enorme gevolgen hebben.

Taleb noemt zo’n totaal niet verwachte gebeurtenis een ‘black swan’. Waarschijnlijk naar een voorbeeld van de filosoof Karl Popper, die een ideaal over wetenschap opstelde om onderzoekers overbodig dom werk te besparen.

Als een werktheorie luidt dat zwanen wit zijn, bewijs je niets door daar duizenden witte zwanen bij te zoeken, zo stelde Popper. Nuttiger is het om te kijken of er ook zwarte zwanen zijn. Het bestaan van maar éen zwarte zwaan bewijst immers al dat de theorie nooit luiden kan dat alle zwanen wit zijn.

‘Black swans’ hebben bij andere denkers overigens ook weer andere namen. En een beetje zwak aan de metafoor vind ik toch ook dat Taleb onderscheid maakt tussen negatieve zwarte zwanen, zoals een beurskrach, en positieve zwarte zwanen, als die ongeremde waardestijging van een bedrijf als Google in slechts een paar jaar tijd.

Bij voorbeelden als dat van Google speelt ook mee dat voor Taleb het begrip schaalbaarheid erg belangrijk is. Wij leven volgens hem niet meer in ‘Mediocristan’; die begrijpelijke wereld naar onze maat. Ons tijdperk is allang een ‘Extremistan’, waarin bepaalde ontwikkelingen onvoorspelbaar grote gevolgen kunnen hebben.

Maar waarom gelooft iedereen nog in een ‘Mediocristan’ te leven? Taleb verklaart dit doordat we zo veel houvast hebben aan begrijpelijke structuren, zelfs al bestaan die alleen in theorie. Hij ziet daardoor drie fouten optreden.

  1. Onze neiging om gebeurtenissen vertelbaar te maken [the narrative fallacy]. Maar door een verhaal van iets te maken, worden onzuiverheden ingebracht. Gebeurtenissen kunnen dan ineens een oorzaak krijgen, die helemaal niet zo bestaan heeft;
  2. De hiermee vergelijkbare neiging om in een model meer te willen zien dan versimpelde weergave van de werkelijkheid [the lucid fallacy]. Iets waarin structuur is aangebracht, wordt zo verward met een werkelijkheid waarin alle structuur ontbreekt;
  3. En dan is er onze eeuwige neiging om te denken dat het verleden zich herhalen zal [the statistical regress fallacy]. Ofwel het idee dat de toekomst te voorspellen is door trends uit het verleden te begrijpen, maar daarmee te overdrijven;

Dit boek blinkt voor mij uit in de uitleg van deze drie denkfouten, en van nog een paar andere, zoals onze blinde eerbied voor experts. Tegelijk zijn die veel bekender als Taleb doet voorkomen. Onder historici tenminste, waartoe ik mijzelf reken. En ook het hier eerder aanbevolen boek van Gigerenzer over risico’s gaat wel degelijk over dezelfde materie. Wel waren Taleb’s illustraties en voorbeelden van een heel andere aard dan ik gewend ben. Dat was enerzijds heel prettig, en tegelijk ging ik hierdoor ook de beperkingen van dit boek zien.

Voor wie eenmaal een hamer bezit, wordt alles een spijker. Economen zien alles in termen van economie. Een expert van ontwikkelingen achter de financiële markten, zoals Taleb, kijkt vooral naar hoe geld stroomt, of waarom die stroom ineens stokt. En nu ben ik de laatste om de betekenis van geld te minachten, maar kapitaal is niet helemaal hetzelfde als politieke macht. Bijvoorbeeld.

De grote vraag die dit boek oproept is daarom, zijn er andere echt diep ingrijpende ‘black swans’ dan alleen in financiële zin, en dus met culturele oorzaken?

Niet dat Taleb geen vreselijke voorbeelden geeft. Zo dreigden alle banken in de VS in éen keer failliet te gaan in 1984, nadat het ene na het andere Latijns-Amerikaanse land zijn leningen niet afbetaalde.

Maar toch.

Daarom vind ik hem het minst overtuigend in het tweede deel van het boek, als hij probeert uit te leggen hoe ‘zwarte zwanen’ dan wel te herkennen zijn. Of beter, hoe het negatieve effect van een onverwachte gebeurtenis bij voorbaat gedempt kan worden, door voorzorgsmaatregelen te nemen.

Enfin, mijn kanttekeningen verpesten voor u bij voorbaat de waarde van dit boek misschien. Uit de ongebruikelijk grote hoeveelheid woorden die ik daarvoor nodig heb, blijkt hopelijk wel dat Taleb indruk heeft gemaakt. De schrijver is een razend intelligent man. Zelfs de bijzinnetjes zijn goed voor menige stekelige observatie, en alleen om die zijdelingse observaties al mag dit een geslaagd boek heten.

Nassim Nicholas Taleb, The Black Swan
The Impact of the Highly Improbable

366 pagina’s
Penguin / Allen Lane, 2007


Parliament of Whores ~ P.J. O'Rourke

Er is iets aan de organisatie van de Amerikaanse overheid dat de politici gevoelig maakt voor invloed van buiten. Hun verkiezing kost nogal wat geld, omdat de verkiezingscampagne zo kostbaar is. Ook wie eenmaal ergens voor verkozen wordt, moet vrijwel meteen beginnen fondsen te werven voor de herverkiezing. En dat geld komt voornamelijk bij organisaties weg die daarvoor iets in ruil willen.

Merkwaardig aan een boek dat Parliament of Whores heet, is dat de auteur er nauwelijks op in gaat wat de senatoren en afgevaardigden zo makkelijk te corrumperen maakt. O’Rourke wijdt er een aantal snijdende oneliners aan, maar trekt nooit conclusies uit zijn eigen woorden.

Al biedt een quote als die hierna volgt, inmiddels al gevleugelde woorden:

When buying and selling are controlled by legislation, the first things to be bought and sold are legislators [210].

Dus blijft dit een boek van iemand een buitenstaander, en dan bovendien eentje die er vanuit gaat dat de lezer allang weet hoe het bestuur in de VS is opgezet. Met al die staten, en dat federale bestuur. Al gaat dit boek alleen over het landsbestuur.

Toch heb ik absoluut kennis aan O’Rourke’s weinig eerbiedige boek over de Amerikaanse politiek overgehouden. Zijn snijdende kritiek op het landbouwbeleid, met zijn miljardensubsidies, vulde heel nuttig aan wat ik over de EU weet — en maakt daarmee duidelijk waarom beide van die hoge tariefmuren hanteren voor goederen van buiten.

Ook was het O’Rourke die me in dit boek uit 1991 vertelde waarom de hypotheekcrisis in de VS van het moment zo ernstig uitpakt. Dat is omdat de banken maar 6% van al hun kapitaal voorhanden hoeven te hebben. Bij andere financiële instellingen is dat slechts 3%, en de gebouwen en kantoren tellen in dat percentage mee. Op het moment dat er iets tegenzit voor deze bedrijven, en zij hun eigen verplichtingen niet meer kunnen afbetalen, gaan ze dus onverwacht makkelijk onderuit.

Blijft staan dat ik weer eens vaststel dat de grappen van deze schrijver vaak meer inzicht vertonen dan hij zelf door lijkt te hebben. Vaak vind ik het jammer dat hij niet meer doet met een zo waar klinkende uitspraak als:

Many reporters, when they go to work in the nation’s capital, begin thinking of themselves as participants in the political process instead of glorified stenographers.

P.J. O’Rourke, Parliament of Whores
A Lone Humorist Attempt
to Explain the Entire
U.S. Government

235 pagina’s
Vintage Books 1992, oorspronkelijk 1991

Als de dollar valt ~ Willem Middelkoop

In dezer dagen, nu zo vele financiële instellingen van de ene op de andere dag bankroet gaan, loont het soms om naar een boek te grijpen dat iets blootlegt over de achtergrond van wat er nu precies gebeurt.

Als de dollar valt was alleen niet een boek dat mij het grote inzicht bracht. Dat lag overigens aan mij. Willem Middelkoop, die in het dagelijkse leven onder meer economisch nieuws brengt op RTL-Z, schreef dit boek voor een wel heel brede doelgroep. Dat heeft als grootste nadeel dat hij maar zelden ingaat op de diepere consequenties van de zwakte van de dollar — er moeten eerst nog meer algemene ontwikkelingen worden uitgelegd. Hoe kon de dollar overal ter wereld reservemunt worden? Wat is er de betekenis van dat grondstoffen als olie in dollars afgerekend moeten worden? Hoe zit het met goud? Wat doen de centrale banken?

Prettig is wel dat Middelkoop allerlei handreikingen doet aan de lezer die meer verdieping zoekt. De honderd hoofdstukjes uit dit boek zijn ruim voorzien van noten, waaronder vele verwijzen naar bronmateriaal online.

Verder geeft de auteur een nieuwsbrief uit; met daarin telkens hyperlinks naar artikelen.

Maar het is op boeklog nu eenmaal zo dat alleen telt wat een boek mij persoonlijk als leeservaring bracht. En hoe blasé het ook klinkt, er stond niet vreselijk veel nieuws in. Alleen Middelkoop’s zijstapjes naar Nederland waren wel interessant, omdat eindelijk eens iemand zich uitsprak over wat ik al heel lang vermoedde. Zoals dat de overheid nogal wat statistieken manipuleert.

Dat Nederland de laagste werkloosheid van de EU heeft, omdat mensen in de WAO domweg niet meetellen in het staatje, was me overigens wel bekend.

En ook dat de grote economische groei van Nederland in de jaren ’90 kunstmatige groei is, wist ik. Die kwam vooral omdat er toen ineens heel makkelijk hypotheken verstrekt werden, voor steeds duurdere huizen. Veel te dure huizen. Dus heeft Nederland ook een huizenmarkt-bubble, al ontkende ons kabinet dit toen de OESO zulks opperde.

Economen van de OESO waarschuwen anders ook al jaren dat het ophoesten van de hypotheekaftrek hier zaken als werk veel te duur maken, door de hoge belasting daarop. Maar goed, als er éen politiek taboe bestaat in Nederland, danwel de vraag hoe het komt dat er te weinig huizen zijn — en wie van dit tekort allemaal profiteren.

Ik denk dat Chomsky ergens midden jaren negentig al de belangstelling bij mij heeft gezaaid voor de trits macht, geld, en energie; en de bijhorende manipulaties om die te verkrijgen en te behouden. Er nog van afgezien dat ik al eerder de betekenis van bijvoorbeeld Bretton Woods leerde, voor een tentamen contemporaine geschiedenis.

Vanaf toen heb ik me altijd geïnteresseerd voor wat de VS doet — en dan niet eens zo zeer om wat er gebeurde, maar vooral met welke propagandaleugens die beslissingen verkocht zijn. Daardoor ben ik erg cynisch geworden, over wat de kranten en TV-journaals mij melden als nieuws.

Willem Middelkoop, Als de dollar valt
Wat bankiers en politici u niet vertellen
over geld en de kredietcrisis

189 pagina’s
Nieuw Amsterdam, 2007

Does Anything Eat Bankers? ~ Andy Zaltzman

De Britse humorist Andy Zaltzman behandelt de financiële crisis van het moment in dit boek. Zijn debuut op papier. Ook al heeft hij geen enkel idee over zelfs maar de meest elementaire economische theorie. Nu goed, als de kredietcrisis iets bewijst, dan wel dat ook de economen geen verstand hebben van economie. Zaltzman houdt meer van cricket, en is nogal geneigd de wereld uit te leggen in bloemrijke, vaak aan het cricket ontleende metaforen. Zo wist ik ook wel, als trouw luisteraar naar The Bugle; een humoristische podcast over actuele zaken, die Zaltzman wekelijks verzorgd met vriend en collega John Oliver.

Dit boek moet het daarom vooral van zijn taal hebben. En van het idee dat, nu we toch met zijn allen tot crisis gedoemd zijn, het maar beter is daar om te blijven lachen.

54 vragen beantwoord Zaltzman in dit boek, en opmerkelijk daaraan is dat geen er ook maar een seconde toe doet. Aanmerkelijk grappiger dan de vragen ook, zijn de namen van de zogenaamde vragenstellers, en hun dagelijkse bezigheden.

Dus moet dit boek het niet alleen van zijn taal hebben, maar ook van de meligheid, die uiteindelijk onverbiddelijk toeslaat bij het omslaan van de pagina’s.

Stond er dan helemaal niets in dit boek dat het vermelden waard is? Toch wel. Omdat Zaltzman in zijn humor wel degelijk soms een waarheid vertelt die iedereen tot op dit moment ontgaan was. Zoals dat de VS en Groot-Brittannië gelijk hadden met hun claim dat Irak wapens bezat die een groot gevaar betekenden voor beide landen. Opmerkelijk daaraan is zelfs dat die wapens niet eens hoefden te bestaan, om de economieën van de landen die Irak binnenvielen uiteindelijk toch ernstige schade toe te brengen.

Andy Zaltzman, Does Anything Eat Bankers?
158 pagina’s
Old Street, 2008

Great Crash, 1929 ~ John Kenneth Galbraith

Ik had een wat ander boek verwacht dan dit. The Great Crash, 1929 is een neutrale kroniek van wat er in de Amerikaanse financiële wereld gebeurde vanaf 1928. Geen opiniërend boek zoals Galbraith ze gewoon was te schrijven. Analyse van wat er gebeurde blijft zelfs heel lang uit. Pas in het laatste hoofdstuk komen de onderliggende zaken van de beurskrach nog eens uitgebreid aan de orde, inclusief de waarschuwingen die daaruit te trekken waren. Dat was me wat weinig. Paul Krugman doet op zijn weblog bijna dagelijks al meer.

Natuurlijk, de geschiedenis herhaalt zich nooit. Maar er zijn wel degelijk lessen uit het verleden te trekken.

Het morele failliet van de bankwereld momenteel – en geen belastingbetaler kan daar iets aan verhelpen – toont evenzeer het fiasco van de economie als wetenschap aan. Want, niet alleen zagen te veel economen niets aankomen. Of waren zij het die overheden tot rampzalig beleid aanzetten. Velen onder hen stellen in de crisis nu ook telkens weer maatregelen voor waarvan in de periode na 1929 al bewezen is dat die niet helpen.

Dus geldt wel: wie de geschiedenis niet kent, zal onnodig fouten gaan maken.

Eén zo’n fout is om te denken dat bankiers het wel zonder toezicht zouden kunnen stellen. En het enige dat ik aan dit boek overhoudt zijn enkele uitspraken van Galbraith over de aard van die controle.

Toezicht zal in het begin altijd te streng zijn, zo waarschuwt hij. Omdat de toezichthouder dan nog zo veel te bewijzen heeft.

Maar die aanvankelijke strengheid verdwijnt, totdat de controleurs zo langzamerhand deel uitmaken van het systeem waarop ze toezicht houden – hun kennis is nu eenmaal schaars, dus worden stropers de nieuwe jachtopzieners – en supervisie meer tot een ritueel wordt dan iets anders. Galbraith schatte de tijd die deze verschuiving neemt in op tien tot twaalf jaar.

En gek, het gaat in het publieke debat al zo weinig over de effectiviteit van toezicht, laat staan dat hier eens hardop over nagedacht wordt.

John Kenneth Galbraith, The Great Crash
1929

224 pages
Mariner Books 1997, oorspronkelijk 1955

Bonus! ~ Pieter Klok en Xander van Uffelen

Bankiers zijn schuldig aan de huidige crisis. Die hebben onverantwoord grote risico’s genomen met dubieuze investeringen. Waardoor overheden vele miljarden aan belastinggeld in banken moesten pompen. Deze waren te groot om failliet te mogen gaan; omdat zo’n bankroet de economie anders nog meer schade zou hebben toegebracht. Tegelijk betalen de bankiers van deze banken zichzelf nog altijd exorbitante bonussen uit. Niemand in deze sector is gestraft.

De rest van de economie lijdt wel degelijk.

Zo luidde vooraf aan het lezen van dit boek ongeveer mijn Reader’s Digest-samenvatting van wat er momenteel speelt. Daarbij tegelijk heel goed wetend te simplificeren. Banken hebben alleen zo grof kunnen stunten, doordat traditionele belemmeringen voor het financiële verkeer zijn weggenomen. En ook omdat het toezicht op tal van gebieden afnam. Bijvoorbeeld omdat wettelijke beperkingen in de VS werden afgeschaft. Maar ook omdat banken mogen werken met een werkelijk miniem eigen vermogen. Elke euro die binnenkomt kon minstens acht keer worden uitgeleend.

Dus las ik Bonus! in de hoop beter geïnformeerd te worden, over wat me niet helemaal duidelijk was. En kreeg ik een boek dat wel veel feiten bracht, maar voor mij in economisch inzicht en historische analyse tekortschoot. Een boek kortom van journalisten.

Het is heel aardig hoor, om te lezen hoe de Nederlandse grootbanken zich onderling verhouden. Dat zij van ABN-Amro meenden langere pikken te hebben dan welke andere bank ook, bijvoorbeeld. En interessant is ook om te weten dat Nederlandse banken in de jaren negentig pogingen hebben gedaan om als zakenbank te opereren, maar daarin dan faalden.

Er stond alleen niet genoeg in dit boek om mijn waarom-vragen te verminderen. Zelfs al erken ik meteen dat het al moeilijk genoeg zal zijn om te beschrijven wat er precies allemaal gebeurd is, in 2008 en 2009.

Een voorbeeld van wat mij intrigeert dan toch. Ooit gingen in de VS alleen de minst getalenteerde afgestudeerden economie naar een bank. De slimsten bleven aan de universiteit, of gingen de consultancy in. Banken waren heel lang veel te saai. En ergens, in de afgelopen decennia, is de zakenbank toch een aantrekkelijke werkplek geworden voor de meest ambitieuzen en testosterongedrevenen. Waarom was dat precies?

Als dit een cultureel bepaald verschijnsel is, zou het op meer plaatsen moeten voordoen dan alleen bij de banken. En goh, toevallig hebben nog veel meer bedrijven, mede door boekhoudtrucs en willige accountants, de afgelopen decennia onmogelijk veel groei vertoond.

Klok en Van Uffelen constateren dat verregaand egoïsme bij bankiers maakte dat die alleen nog oog hadden voor kortetermijnbelangen. Dus werden er allerlei producten verkocht waarvan niemand meer snapte wat die inhielden; behalve dan dat ze zo lekker veel provisie opleverden. Maar, dat wist ik al. Daar had ik dit boek niet voor nodig.

Pieter Klok en Xander van Uffelen, Bonus!
Waarom bankiers de grote winnaars zijn van deze crisis

224 pagina’s
de Volkskrant en J.M. Meulenhoff, 2009

Utterly Exasperated History of Modern Britain ~ John O'Farrell

John O’Farrell schreef met An Utterly Impartial History of Britain een luchtige geschiedenis van de Britten tot en met 1945. Dat boek had succes. Dus is An Utterly Exasperated History of Modern Britain het logische vervolg over de jaren die nog ontbraken. En dit pakte goed uit.

Toegegeven, zo door en door humoristisch als O’Farrell’s eerste is dit boek niet. Maar dat kan ook moeilijk anders. De afstand in tijd ontbreekt. En er zijn nog geen geschiedenisboekjes waarin bijvoorbeeld staat wat de betekenis was van de huidige kredietcrisis.

Komt daar nog bij dat John O’Farrell in het recente verleden speeches heeft geschreven voor Labour-politici. Wat maakt dat hij toch niet even kritisch over Tony Blair kan zijn, als over diens voorgangers als prime-minister.

Staat het onderwijs er nu niet veel beter voor dan in de jaren negentig? Zijn de ziekenhuizen niet flink gemoderniseerd? Is er geen vrede in Noord-Ierland?

Toch had ik waarschijnlijk nooit een boek over de recente Britse geschiedenis gelezen, als daar die extra attractie niet was geweest dat de auteur weleens een grap probeerde te maken. Terwijl die geboden kennis toch wel nuttig is; omdat ik Britse auteurs lees, en dus baat heb bij kennis van het decor waarin hun boeken zich afspelen.

En een vakhistoricus had nooit met zo’n gloeiende hekel over Margareth Thatcher geschreven als O’Farrell zich af en toe permitteert. Terwijl hij toch ook teksten schreef voor het satirische TV-programma Spitting Image, en dit mede door Thatcher zo’n succes zou worden — wat weer positief was voor zijn carrière.

Groot-Brittannië was eind jaren zeventig trouwens wel gebaat bij een regering die de boel eens flink op orde bracht, zoals ook O’Farrell moet toegeven. Jammer alleen dat het dit ijzeren wijf werd, met de bijl.

An Utterly Exasperated History of Modern Britain loopt van de financiële crisis direct na de Tweede Wereldoorlog — waardoor alles in het Verenigd Koninkrijk jarenlang op de bon was — tot de financiële crisis nu. Het boek laat daarbij een land zien dat zich lang niet realiseerde geen wereldmacht meer te zijn. Het toont een land dat nog altijd niet goed weet of het nu beter de koers van de VS kan volgen, of toch meer heeft aan een beter contact met de Europese buren. En dan is er die Commonwealth ook nog.

Het was prettig de details van dat soort kennis probleemloos opgepikt te hebben, uit een boek dat mij ook nog eens moeilteloos tot doorlezen dwong.

John O’Farrell, An Utterly Exasperated History of Modern Britain
or 60 Years of Making the Same Stupid Mistakes as Ever

375 pagina’s
Doubleday, 2009

Prooi ~ Jeroen Smit

Merkwaardiger bestseller zal er de laatste jaren niet op de Nederlandse boekenmarkt zijn geweest. Een financieel journalist beschrijft er de ondergang van een bank in. De ABN Amro. Dat is een financiële instelling die zichzelf arrogant adverteerde als De Bank. En die anderen prompt voor de rechter sleepte als deze het waagden ook ergens De voor te zetten.

Bij het succes van ‘De Prooi’ zullen twee zaken hebben meegewogen. Het boek verscheen eind 2008, toen duidelijk werd dat er een financiële crisis was, veroorzaakt doordat banken jarenlang ongebreideld geld hadden kunnen maken uit niets. Alleen gaat dit boek daar vrijwel niet over.

Jeroen Smit heeft duidelijk nog moeite moeten doen de laatste ontwikkelingen van toen in zijn boek ter verwerken. Ineens moest namelijk de Staat inspringen, en De Bank redden voor het totale failliet. En de passages hierover aan het slot zijn niet in evenwicht met de rest van het boek.

Bij het succes van het boek zal hebben meegespeeld dat de kranten of opiniemedia te weinig ruimte hebben om zo’n groot verhaal — als de neergang van een zo trotse bank — goed te brengen.

Hierbij komt nog dat dit non-fictieboek een intrigerend plot heeft. Imposante bank, die groeide en groeide, en concurrenten opkocht, veranderde in slechts enkele jaren van jager tot makkelijke prooi. En werd uiteindelijk door drie anderen opgekocht.

Hoe kon al dit?

Daar zijn verschillende verklaringen voor. Eén is dat het al mis ging bij de fusie tussen ABN [Algemene Bank Nederland] en Amro Bank [Amsterdam-Rotterdam Bank]. Die bedrijven hadden verschillende culturen, tot een goede mix kwam het niet, de problemen die de samenvoeging opleverde, werden te lang niet opgelost. De overname van buitenlandse financiële instellingen hielp daarbij niet mee om de organisatie te stroomlijnen. Gebrek aan leiding bij dit alles evenmin.

En omdat ABN Amro desondanks flink winst bleef behalen, viel de gebrekkige leiding te lang niet op.

De Prooi’ gaat vooral over het hoogste management van de bank — hoe dat zich onderling tot elkaar verhield — en die keuze maakt dit een klein boek. Die financiële crisis in de hele wereld komt aan het eind letterlijk uit het niets, zoals gezegd. Dat maakt dit boek dus in de eerste plaats een journalistiek werk; als geschiedschrijving, of beeld van een tijd, schoot het me op te veel punten tekort.

Tegelijk heb ik het met plezier gelezen, ook al zal me er weinig meer van bijblijven dan het jachtongeluk van ABN Amro-topman Rijkman Groenink aan het begin. Er verschijnen altijd te weinig boeken waarin een bepaalde ontwikkeling voor anderen uitgelegd wordt; of die nu in de eerste plaats journalistiek zijn of niet.

Jeroen Smit, De Prooi
Blinde trots breekt ABN Amro

448 pagina’s
Prometheus, 2008

Geur van geld ~ Marcel Metze

Vanzelfsprekend is dit boek uit 1993 op een aantal punten inmiddels achterhaald. In 1992 werd vastgelegd om alle nationale munteenheden in de EU op te laten gaan in de euro; al heette die nieuwe munt toen nog niet zo. Daarom werd in 1998 de Europese Centrale bank ingesteld, en nam de politieke betekenis van de Nederlandsche Bank meteen drastisch af.

De huidige crisis van de euro is niet te begrijpen uit De geur van geld, en de bankencrisis van 2008 al evenmin.

Wat dit boek wel biedt, is wat nu dan maar voorgeschiedenis moet heten. De banken in Nederland veranderden in jaren tachtig en negentig structureel van karakter. Het volstond ze niet meer om enkel kredieten te verstrekken op basis van geld dat spaarders bij hen hadden ingelegd.

Dus werden allerlei manieren uitgeprobeerd om geld te creëren uit het niets.

En ondertussen haalden de banken ook meer omzet door samen te gaan, of andere banken over te nemen.

In die zin had ik dit boek eigenlijk voor De prooi van Jeroen Smit moeten lezen. Het verhaal over de uiteindelijk mislukte fusie tussen ABN en Amro volgt logisch gezien pecies op dit boek.

Marcel Metze is ook nog redelijk positief over het samengaan van ABN Amro — waarschijnlijk omdat het te vroeg was om daar iets over te zeggen. In De geur van geld krijgt vooral de vorming van de ING Groep veel aandacht. En uit dat verhaal had Metze toch iets kunnen afleiden. Van fusie komt al gauw ruzie.

De ING Groep ontstond door het samengaan van NMB Postbank, en de verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden. Waarbij NMB Postbank op zich al het product van een fusie was, tussen de Nederlandse Middenstandbank en de aloude Postgiro.

NMB was op een gegeven moment grof bezig om buitenlandse schulden op te kopen, voor een deel van de eigenlijke waarde. De Postgiro, die Postbank werd, was een organisatie van ambtenaren, die nauwelijks grote en zakelijke klanten had.

En toch verdwenen na de fusie in vrij korte tijd alle NMB-mensen uit de top van het nieuwe bedrijf; meestal door eigen schuld. Dat leverde interessante verhalen op.

Toch houd ik twee andere zaken over aan dit boek.

De eerste is Metze’s kritiek op het bestuur van de Nederlandsche Bank, dat ernstig tekortschoot in het toezicht op de activiteiten van de commerciële banken, die zo hun eigen geld begonnen te maken. En als er eindelijk wel werd ingegrepen, gebeurde dit ook niet goed — omdat het bestuur van de Nederlandsche Bank bestond uit hoge ambtenaren die het zakelijke bankieren niet begrepen.

De tweede is dat Marcel Metze ook ruimte besteed aan de verhouding van het Nederlandse publiek tot de banken. Daar heerst ergens nog steeds enig wantrouwen tegen de plicht om er een bankrekening op na te houden. En ergernis ook dat voor deze eer zelfs betaald moet worden.

Het is door signaleringen als deze, en ook door Metze’s uitleg over financiële constructies, dat ik dit boek beter vond als De prooi; terwijl dat boek in opzet en aanpak toch wel lijkt op dit.

Enfin, er is nog een derde gegeven dat ik overhoud aan De geur van geld. Het duurde werkelijk een tijd voor ik de voorkant van dat boek in verband bracht met het geld waarmee ooit in Nederland betaalden. De gulden, en de kleurige bankbiljetten die hoorden bij deze munt.

De herinnering aan wat ooit normaal was, kan snel vervagen.

Marcel Metze, De geur van geld
Een opmerkelijk bankafschrift

304 pagina’s
SUN, 1993

Utopie van de vrije markt ~ Hans Achterhuis

Achterhuis heeft veel vaker over de aantrekkingskracht van utopieën gepubliceerd. Wat mede komt omdat hij niet altijd even weerbaar was tegenover denkers met absolute ideeën. Maar over de utopie van het ongebreidelde kapitalisme, die staande houdt dat de markt zich immer zelf zal corrigeren, schreef hij niet eerder.

Een probleem lijkt me ook om te ontdekken waar deze gedachte voor het eerst postvatte.

Bovendien moest er eerst een wereldwijde financiële crisis komen, voor dit onderwerp actueel werd. Of misschien beter: tot er weer eindelijk publiek te vinden zou zijn voor oppositie tegen de blinde marktverheerlijking. Marx leek met de val van het Communisme doodverklaard.

Hans Achterhuis koos ervoor dit onderwerp te benaderen via een ander boek. In 1997 had hij namelijk het werk van de Russisch-Amerikaanse schrijfster Ayn Rand ontdekt, via haar voornaamste roman Atlas Shrugged. Hij vond dat meteen al een meeslepend boek; hij geeft het na herlezing zelfs nog steeds vier van vijf mogelijke sterren.

En deze Ayn Rand zou grote invloed hebben gehad op Alan Greenspan. Dat is de voorzitter van de Amerikaanse Federale bank, onder wiens leiding zo veel beperkingen op riskante financiële constructies werden afgeschaft, en zulke onmogelijke bubbles ontstonden. En dat waren nu net de redenen voor de crisis.

Rand heeft verder onder meer het Objectivisme als filosofie gegrondvest. Achterhuis meent dat de ideeën van deze denkrichting — die bijvoorbeeld stelt dat de mens zijn eigen geluk moet najagen door een rationeel egoïsme — een veel grotere uitwerking hebben gehad op de Amerikaanse samenleving dan wij Europeanen beseffen. Atlas Shrugged geniet enorme populariteit in de VS, zij het alleen niet in academische kringen. Uitleggen waar dit boek voor staat, maakt het daarmee ook mogelijk een heel gedachtegoed te karakteriseren.

Vandaar dus dat de roman uitvoerig aandacht krijgt in De utopie van de vrije markt. Ja, haast als leidraad dient voor het hele boek.

Ik moet zeggen dat ik daar om enkele redenen enorme moeite mee heb. Alsof in de VS al niet altijd een ‘frontier’ mentaliteit bestond die uitgaat van totale zelfredzaamheid. Voeg daar enkel een vleugje Weberiaans calvinisme aan toe, en ineens valt op dat Rand slechts varieert op wat er al leefde.

Mijn tweede bezwaar bestaat uit een instinctief, en dus emotioneel wantrouwen. Ik leerde de naam Ayn Rand al ruim voor 1997 kennen, en mijn associatie daarbij is nog altijd niet goed. Want als er in een interessante discussie online iemand onbedaarlijk bot en hondsvervelend dom het eigen gelijk ging zitten tamboereren, was dat altijd een trol die dan Rand als goddelijke autoriteit citeerde.

Ayn Rand heeft felle en actieve missionarissen. Maar Achterhuis beseft dat veel te weinig. Hij denkt bijvoorbeeld dat het iets zegt dat Atlas Shrugged en The Fountainhead zo hoog scoren op de lijst met publieksvoorkeuren van The Modern Library. Terwijl die ranglijst via een internetverkiezing tot stand kwam, en ieder ander dus meteen duidelijk is dat deze door een campagne van Rand’ters vertekend werd. Want, wie anders heeft zo’n actieve fanclub online? [Ook dat wordt trouwens perfect duidelijk uit de lijst: Scientology. Nog zo’n sekte.]

Achterhuis constateert zoiets als dat de Jehova’s getuigen verreweg de grootste en belangrijkste religie in Nederland zijn, omdat die het vaakst bij hem aanbellen.

De voor mij enig interessante vraag, waarom Rand’s ideeën zo aanslaan bij mannen die zo graag de psychopaat uithangen online, of andere volstrekte idioten, zoals een Pamela Geller en haar ‘Atlas Shrugged’-weblog, stelt hij helaas niet. Terwijl dat me toch wezenlijke punten lijken. Het is merkwaardig om een ideologie niet te willen beoordelen op zijn fundamentalisten.

Dat leidt me tot een derde en wezenlijker bezwaar. Omdat ik De utopie van de vrije markt rijkelijk ahistorisch vind. Alsof in de zeventiende eeuw niet al ineens rondom wereldlijke leiders beperkingen op de markt wegnamen, want daar groeide de welvaart zo prettig van. Alsof er niets geschreven is over vrije marktwerking toen het Verenigd Koninkrijk ineens toch handelsbeperkingen en andere restricties ging invoeren in de negentiende eeuw. Alsof er nooit iets gezegd is over de verhouding tussen markt en staat in de periode voordat politici de noodzaak van enige breidel inzagen — of de macht daartoe kregen.

En helemaal in de depressie van de jaren 1930, bijvoorbeeld in de tegenstand tegen Roosevelt’s New Deal-beleid, werd door velen toch duidelijk steevast fel de zegen van vrije marktwerking verkondigd. Zelfs als was die dan misschien gekleurd door een weerzin over wat als een opgedrongen staatssocialisme werd gevoeld.

Ayn Rand’s eerste roman The Fountainhead kwam pas uit in 1943.

Dat ze als auteur ideeën heeft opgepikt die speelden in haar tijd, en zij als immigrante — uit een Communistisch geworden land met een planeconomie nota bene — belangrijk achtte, lijkt me niet vreemd. Maar om haar dan met terugwerkende tot een grondlegster te benoemen van het ongebreidelde marktdenken, is hoogst merkwaardig.

Hans Achterhuis kijkt in de tweede helft van het boek ook veel te oppervlakkig naar wat een select rijtje aan andere denkers aan ideeën over de economie hebben voortgebracht. Iemand als Hayek behandelt hij daarbij wel, maar te terloops — omdat diens The Road to Serfdom nu net na 1989 in politieke kringen aantoonbaar meer invloed heeft gehad dan Rand. Zwijg ik nog over al die economen samen, die een klimaat creëerden waarin zij een status als onfeilbare zieners kregen; als er ergens utopisten aan te wijzen zijn, dan toch zeker onder deze lieden wel. Maar Achterhuis interesseert het te weinig hoe economieën zich historisch ontwikkeld hebben door technologische vindingen, dogmatische raadgevers, en politieke besluiten. Voor hem volstaat het de wereld te verklaren vanuit het idee dat Alan Greenspan weleens Ayn Rand heeft gelezen. En met zijn projectie van ideeën op een werkelijkheid, en het dan alleen behandelen van die ideeën, krijg ik dus steeds meer moeite.

Ja, als model werkt dat misschien. En dus als een manier om onwetenden te kunnen onderwijzen. Achterhuis zal werkelijk menen de beste metafoor te hebben gevonden om de kracht van éen ideeëngoed te kunnen toelichten. Maar verder?

Achterhuis zou eens moeten nadenken over de utopie dat wijsbegeerte de beste vragen stelt.

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt
319 pagina’s
Lemniscaat, 2010

Wat als de markt faalt? ~ John Cassidy

Wat de financiële crisis veroorzaakte, die in 2008 begon, heeft verschillende oorzaken.

Eén oorzaak, die zelfs toen al duidelijk was, is dat in de VS de huizenprijzen veel te hoog waren. En die prijzen konden zo hoog zijn, omdat de banken makkelijk hypotheken verstrekten — ook als mensen die niet konden betalen, bij wat tegenslag. Bovendien leenden de banken aanzienlijk meer geld uit dan zij zelf hoefden te bezitten. Dus hadden ze onvoldoende dekking om aan de eigen verplichtingen te voldoen.

Daarop spongen overheden de banken bij. Overal. Ook in Europa.

Ingewikkelder is het al om uit te leggen hoe het kwam dat banken zo veel geld konden uitlenen zonder onderpand. Of waarom overheden vervolgens de banken hielpen. Dat vergt een studie van economische theorieën, plus kennis over welke ideeën in 2008 in de mode waren, en dan ook nog een antwoord op de vraag waarom die mode zo weinig kritiek ontmoette.

John Cassidy probeert al deze uitleg te geven in Wat als de markt faalt?. Waarbij hij bovendien enig recht van spreken heeft. Cassidy plaatste al jaren voor de crash vraagtekens bij de overspannen huizenmarkt in de VS. Waarmee hij dus al vroeg twijfelde aan de zekerheden van de financiële sector.

Het grootste deel van dit boek is evenwel een kritiek op vigerende economische theorieën, die wiskundig voor het eerst wel mooi in elkaar zaten, maar zich al te zeer hadden losgezongen van de werkelijkheid. Schoonheid wordt onder economen nog te makkelijk aangezien voor waarheid; wat toont hoe weinig wetenschap dat vak nog is.

Dat was soms taai om te lezen, maar tegelijkertijd noodzakelijk. Want, boeken van journalisten genoeg over ontwikkelingen als deze die feitelijk misschien wel iets hadden, maar beschouwend veel te weinig brachten.

John Cassidy, Wat als de markt faalt?
De kracht van het irrationele in de economie

429 pagina’s
Ambo, 2010
Vertaling door Rob Hartmans van How Markets Fail

Schuldenberg ~ Jaap van Duijn

Op zich zou dit een ideaal boek zijn. Want een goed geïnformeerde professioneel legt er iets in uit, in dit geval over schulden, en dat verheldert wat speelt in de dagelijkse actualiteit. Omdat de media te makkelijk sommige onderwerpen negeren.

En hoewel ik er dankbaar vele feiten uit absorbeer, en meeneem in mijn kijk op de wereld, deugt er toch ook iets niet aan de De schuldenberg.

De auteur, die emeritus hoogleraar economie is, blijft het in een redelijk abstract betoog zoeken. Dit boek is daarom geen prettig leesboek; waar het als leerboek zeker dienst kan doen.

Abstracties berusten namelijk vaak op afspraken, waarop dan geen uitzonderingen mogelijk zijn.

Dus staat er keihard in het boek dat Nederlanders tot de grootste schuldenaren in de wereld horen. Vanwege de hoge huizenprijzen hier, en dus de enorme hypotheken die mensen moeten nemen; die ze dan niet eens afbetalen ook. Tegelijk telt bij de definitie van ‘schuld’ dan weer niet het bedrag mee wat iedere werkende Nederlander aan pensioenpremie heeft betaald, en dus nog recht op kan laten gelden. Nergens in de wereld ligt die som hoger, en zijn de pensioenfondsen steviger.

Van Duijn geeft beide feiten wel aan, maar het is aan de lezer om de consequentie te trekken.

De schuldenberg legt uit, zoals meer boeken die dezer jaren verschijnen, hoe de bankencrisis kon ontstaan, en wat de mogelijk gevolgen zijn. Dat vond ik niet het interessantste deel van dit boek. Zelfs al kon Van Duijn aantonen dat de dekkingsgraden van sommige banken nog lager lagen als ik al belachelijk vond. Een aantal leende tot veertig keer meer geld uit als ze zelf aan kapitaal hadden.

Het boeiendst waren mij toch de momenten dat de auteur liet zien waarin onze politici tekortschieten — en dus ook wat de media stelselmatig negeren die het doen en laten in Den Haag verslaan.

Dan staat er toch nogal onweerlegbaar dat de hypotheekaftrek onbetaalbaar wordt, en dat de overheid ook al zo veel aan huursubsidie verstrekt. Dan wordt bijvoorbeeld volkomen duidelijk dat huisvestingsbeleid in Nederland niet deugt, maar dat daar volkomen van weggekeken wordt.

Jaap van Duijn, De schuldenberg
Hoe de wereldwijde schuldenlast ons allemaal gaat raken

349 pagina’s
De Bezige Bij, 2011

Three Trillion Dollar War ~ Joseph Stiglitz & Linda Bilmes

Belangrijkste vraag voor het lezen van dit boek was voor mij: heeft de zeldzaam domme dadendrang van de jonge Bush in 2003 de huidige kredietcrisis mee helpen veroorzaken? En Stiglitz kan daar dan geen direct antwoord op geven, omdat de banken pas gingen wankelen toen hij The Three Trillion Dollar War al bijna af had.

Maar in het nawoord staat er dan toch iets. De oorlog tegen Irak is bekostigd met geleend geld — waardoor de Amerikaanse staatsschuld sterk toenam. Bovendien stegen de olieprijzen dramatisch door deze illegale invasie, en de daarop volgende bezetting. Om de eigen economie draaiende te houden, heeft de Fed daarom nogal wat dollars moeten bijdrukken. En op zijn minst is daarom te zeggen dat de Irak-oorlog het de Amerikaanse overheid een stuk moeilijker heeft gemaakt om adequaat te reageren op de crises in de financiële markten.

Grote schokken, zoals de forse financiële verplichtingen van een oorlog, zoals een bankencrisis, kunnen bovendien systemen voor altijd ontwrichten.

Het boek The Three Trillion Dollar War is allereerst een poging van Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz en Linda Bilmes om te becijferen wat een oorlog kost. Waarbij de schattingen expres laag zijn gehouden. Drieduizend miljard dollar moeten nog eens worden opgebracht door Amerikaanse belastingbetalers. En Bush verlaagde daarom de inkomstenbelastingen.

Opvallend is namelijk dat politici dergelijke rekensommen niet wensen te maken. De begroting van de Amerikaanse defensieministerie deugt al zeker een decennium niet. Geen accountant durft er zijn goedkeuring aan te verlenen.

Bovendien zijn er nogal wat verborgen kosten verbonden aan het voeren van oorlog. Je mensen slijten er nogal van. Zeker dertig procent van de uitgezonden soldaten komt thuis terug van het front met een trauma. De grootste uitgaven waartoe een overheid zich uiteindelijk verplicht, zijn die van de zorg voor de veteranen. Op het moment van schrijven, genoten in de VS nog altijd enkele veteranen uit de Eerste Wereldoorlog een invaliditeitspensioen.

Stiglitz gaat verder nauwelijks in op de wat de VS voor nuttiger zaken had kunnen doen, met het uitgegeven geld; maar hij geeft wel aan dat er opportuniteitskosten spelen.

Al evenmin is goed te berekenen wat de imagoschade kost die het land heeft opgelopen. Wat niet wegneemt dat het boek wel opsomt wat er allemaal niet deugt aan het internationale beleid van de Amerikanen.

Een politiek pamflet is dit daarmee niet. En tegelijk kan een tamelijk boekhoudkundige opsomming van onweerlegbare feiten wel degelijk die indruk wekken.

Joseph Stiglitz & Linda Bilmes
The Three Trillion Dollar War
The True Cost of the Iraq Conflict

357 pagina’s
Penguin Books, 2008

Grof geld ~ Roel Janssen

Er bestaat geen goed totaaloverzicht van de ontwikkeling van de financiële markten hier. En dat is een gemis. Niet alleen omdat de basis van zo veel geldzaken in de Nederlanden ligt — het woord ‘beurs’ dat internationaal in vele variaties gebruikt wordt, is bijvoorbeeld ontleend aan een Brugse familienaam. Maar ook omdat zo’n overzicht zou tonen dat speculatie van alle tijden is.

Zij het dat zelden in het verleden toch nooit de munt van zeventien verschillende landen in éen keer op het spel heeft gestaan.

Grof geld is dat overzicht al evenmin; al signaleert ook de auteur de behoefte aan zo’n totaalblik. Dit boek biedt capita selecta; geselecteerde episodes uit de geschiedenis die uitgekozen lijken op hun verhaal.

Roel Janssen begint zijn avontuur met het Romeinse schrijfplankje van Tolsum, dat de oudste tekst bevat die ooit in de Nederlanden gevonden is. Die bestaat uit een schuldbrief.

Vandaar gaat het met de hinkstapsprong door de historie. Na enkele middeleeuwse bankiers belandt de lezer vanzelfsprekend bij de tulpenmanie — die overigens sterk gerelativeerd moet worden. Van de eerste beurscrash in de wereld, die in Nederland plaatsvond, gaat het uiteindelijk tot moderne luchtbellen, zoals de zo gehypte beursgang van het internetbedrijf World Online [WOL].

Het is wel in deze eeuw aangeland dat Janssen’s aanpak mij de grootste problemen oplevert met dit boek. Zo vond er in de twintigste eeuw een beurscrash plaats in de VS, die zo zijn repercussies had in de wereld. Graag had ik iets meer gelezen over de gevolgen voor Nederland, dan weer wat verhaaltjes over twee financiële artiesten te krijgen.

Bovendien dwingt de aandacht voor de mislukkingen mij tot de vraag of er niet toch ook fantasten zijn geweest die hun luchtkastelen wel overeind hebben kunnen houden.

Verder is het de laatste jaren toch ook duidelijk geworden dat er in de vastgoedwereld nogal wat oplichters werkzaam zijn geweest — waarbij vele overheden medeplichtigheid verweten zou kunnen worden. En zulke financiële constructies ontbreken ook in het boek.

Tegelijk kan ik begrijpen dat Janssen een leesbaar boek heeft willen schrijven, en dat een goed verhaal niet beter wordt van macro-economische beschouwingen.

Maar nu bleven alle episoden me toch wat te veel los van elkaar in een luchtledig hangen.

Roel Janssen, Grof geld
Financiële schandalen en speculatie in Nederland

240 pagina’s
De Bezige Bij, 2011

Hond van Tišma ~ Geert Mak

Weinig is er zo bevreemdend als een doemprediker aan het werk te zien, en die niet te geloven. Omdat dan allereerst de stelligheid van de uitspraken opvalt, en daarmee ook de overdrijving. Want van de opgeroepen overtuigingskracht hangt nu eenmaal alles af. Te bewijzen dat het zo erg wordt als de prediker stelt, of niet, is meestal onmogelijk. Behalve dan dat de tijd vanzelf de proeve brengt.

Tegelijk is de menselijke psyche overgevoelig voor angsten. Of die nu reëel zijn of aangepraat. In iedereen, al is het soms wat zoeken, gaat nog steeds de primitieve humanoïde schuil die op de savanne enkel in leven blijven kon door altijd op gevaar gespitst te zijn.

Want als er geen directe gevaren meer zijn, zoals in de huidige verzorgingsstaat, dan worden die wel verzonnen. En voor geleerd lijkende doemzeggers die niet meteen op onzin zijn te betrappen, is er altijd aandacht.

Zo bezien is De hond van Tišma een kwalijk boek. Geert Mak ontpopt zich in dit pamflet als een handelaar in angst; een exploitant van onzekerheid — als het kwalijke menstype waar hij eerder nog eens een vlugschrift tegen heeft geschreven. Hij misbruikt daarmee het vertrouwen dat hij verwierf van zijn trouwe en grote publiek.

Toegegeven, het leek ook allemaal mis te gaan met de EU in 2011. Toen alles en iedereen meehielp om elkaar een crisis aan te praten. En de media haast elke week leken te meldden dat de Europese raad van ministers opnieuw voor een beslissende vergadering bijeen was om Europa te redden.

Mak weet alleen zo zeker dat alle politieke daadkracht niet uitmaakt. Omdat de verschillen tussen de lidstaten te groot zijn; het rijke noorden functioneert in de EU zo anders dan het sjacherende zuiden.

Gretig zoekt Mak parallellen die de geschiedenis schijnt te hebben om de situatie van de EU te duiden. Trad er tijdens de crisis van de jaren dertig niet ook pas herstel in nadat landen de goudstandaard loslieten? Leek de toestand in Joegoslavië voor de burgeroorlog, of die in Oost-Duitsland vlak voor Die Wende, niet sprekend op die in Europa nu?

Maar, als er ooit een moment is om als schrijver je publiek goed te bedienen, dan wel nu. Waar onzekerheid overheerst, lijkt het me een intellectuele plicht om juist zekerheden te bieden. Of om zijn minst dan toch om aan te geven waar het debat in de media in faalt, in feitenkennis of in analytisch vermogen.

En De hond van Tišma schiet alleen tekort in de feitelijke informatie die de tekst biedt. Mak lijkt hoogstens een mapje met krantenartikelen uit 2010 en 2011 te hebben samengevat om zijn verhaal zwaarte te geven. Terwijl het verhaal van de EU nu net nooit in de kranten staat.

Kranten krabben hoogstens schilfers van wat aan de oppervlakte speelt.

Zelfs een degelijke inleiding als Luuk van Middelaar’s boek De passage naar Europa geeft dat verhaal nog niet.

Wie het functioneren van de EU als organisatie wil begrijpen, moet breder durven kijken. En beseffen dat er zo veel is waarover niemand met rede uitspraken kan doen.

Die moet bijvoorbeeld weet hebben van de voor- en nadelen van de Franse staatsinrichting; met zijn gecentraliseerde gezag. Omdat de eerste Europese gemeenschappen vooral door Fransen zijn opgezet. Daardoor is er de constructie ontstaan dat de macht in de EU zou moeten liggen bij een centraal dagelijks bestuur, de Europese Commissie. Alleen staat daar dan als machtsfactor nog een Europese Raad van ministers naast, of tegenover, waarin de lidstaten zich gezamenlijk uitspreken over het gewenste beleid.

Hoe het staat met het evenwicht tussen die Commissie en die Raad, is nogal belangrijk in het functioneren van de EU. Speelt er ergens op de achtergrond nog een Europees Parlement mee ook; om van enkele kleinere gremia met vooral hindermacht nog maar te zwijgen.

Ondertussen geldt ook dat het functioneren van die Raad van ministers niet te begrijpen is zonder daarin de Europese geschiedenis te betrekken sinds pak hem beet 1870. Want Frankrijk en Duitsland zijn de grootste economieën in Europa, en oude vijanden bovendien.

Maar wat in de jaren vijftig nog voor West-Duitsland gold; dat het verstandig was in een pact met Frankrijk te gaan zitten; hoeft dat na de hereniging met Oost-Duitsland niet meer te zijn. Bovendien neemt de betekenis van Frankrijk af. Al was het maar omdat het gebruik van het Frans in het diplomatiek verkeer niet meer vanzelf spreekt.

Is er nog het niet geringe gegeven dat de problemen momenteel vooral optreden in landen zonder democratische traditie. Die nu enkel van buiten onder druk staan om te hervormen, terwijl de kongsies aan de macht dat natuurlijk niet voetstoots willen.

En binnen al deze krachtenvelden, waarin het lang vanzelf leek te spreken om almaar meer taken en bevoegdheden naar de EU te hevelen, vond een crisis plaats die allereerst ontstaan is door ongebreidelde schaalvergroting van de financiële sector. Mede omdat toezicht vanuit de overheden werd afgeschaft.

Vervolgens bleek dat met de komst van de euro enkele landen ineens kredietwaardig waren geworden, en meer konden lenen dan ooit terug te betalen was.

Vanzelfsprekend is dat een principiële fout aan de gezamenlijke munt, en hebben politici geblunderd door die fout niet te willen zien begin jaren negentig. Herstel zal duur zijn, en verschrikkelijk veel tijd nemen. En kan daardoor zelfs een hele generatie aan jongeren knoeien, omdat zij nu geen werk kunnen vinden.

Het is daarom niet zo moeilijk om een nog somberder verhaal te schrijven dan Mak bracht. Mij is dat niet alleen te makkelijk. Het lijkt me dom, en eenzijdig. En dus gevaarlijk.

Want wie heeft er baat bij dat het zo misgaat als Mak vreest? Behalve doempredikers die boekjes willen verkopen?

Geert Mak, De hond van Tišma
Wat als Europa klapt?

94 pagina’s
Atlas | Contact, 2012

Pensioenmythe ~ Martin Pikaart

Iedereen die in Nederland 65 wordt, en geruime tijd in het land gewoond heeft, krijgt er van de Staat AOW. Een uitkering om van te leven. Deze pensioenregeling is niet anders dan de meeste democratieën hebben sinds het midden van de 20e eeuw. Alleen is het bedrag aan AOW in Nederland laag, vergeleken met wat 65-plussers elders krijgen.

Dit komt omdat naast het AOW-stelsel nog een heel ander pensioenstelsel bestaat, waar de werkenden na hun actieve loopbaan een beroep op kunnen doen. Nu nog wel tenminste. Daarin sparen werknemers elke maand voor hun oude dag door een extra belasting op hun loon te betalen. [1] En dat geld komt via allerlei ingewikkelde constructies terecht bij een hele reeks sectorspecifieke pensioenfondsen — die daarmee dan investeren. En speculeren ook.

Dus toen in 2008 uitkwam dat banken en financiële instellingen gigantische hoeveelheden geld gecreëerd hadden waar geen enkele dekking voor was, bleken ook die pensioenfondsen veel minder waard te zijn dan altijd gedacht. Daarmee werd een vraag hoe het met de dekking van de fondsen zat. Waren alle pensioenen nog wel te uit te keren? En zo ja, voor hoe lang?

Volgens politici is er nauwelijks iets aan de hand, en heeft Nederland nog altijd het beste pensioenstelsel in de wereld.

Alleen weet je doorgaans meteen dat er rampen dreigen als Nederlandse politici eenstemmig verklaren dat een stelsel fantastisch is.

Dat de huizen in het land onbetaalbaar zijn voor een nieuwkomer op de woningmarkt komt nu eenmaal ook omdat de politici hier de volkshuisvesting zo goed hebben geregeld. Omdat de absurd royale hypotheekrenteaftrek toch echt geen villasubsidie genoemd mag worden van dezelfde politici. Hoe zeer economen van de OESO/OECD ook altijd waarschuwden tegen de lasten van dat systeem.

Ik las De pensioenmythe van Martin Pikaart om informatie te krijgen over hoe ‘het pensioengebouw’ erbij staat.

En Pikaart is in dit boek prettig partijdig. Niet zo vreemd, want hij was ooit de mede-oprichter van het AVV, het Alternatief voor Vakbond — een initiatief dat wilde opkomen voor de groepen die de traditionele vakbonden negeren. Zoals het legertje aan zelfstandigen, waartoe ook ik behoor.

Kern van De pensioenmythe lijkt me de vraag waarom de jongere generaties nog solidair zouden zijn met de 50-plussers. Want iedereen die nu tussen de vijftig en zeventig is, kan nog gebruik maken van de meest riante pensioenvoorzieningen ooit in de geschiedenis bedacht. Naast die voor de samenleving allang onbetaalbare hypotheekaftrek.

Al deze regelingen worden ondertussen bekostigd door de werkende dertigers en veertigers. Maar voor hen wacht er straks geen pensioen. Terwijl ze ook al de hoofdprijs betalen voor de huizen waar ze in wonen; terwijl die woningen dat niet waard zijn.

Zwijg ik nog over de hoge zorgpremies maandelijks, die door de jongere generaties ook in solidariteit worden opgebracht met al die ouderen; degenen die de meeste gezondheidszorg nodig hebben.

Prettig aan De pensioenmythe was bijvoorbeeld alleen al de gekleurde blik van Pikaart als hij de kwalijke rol bespreekt van de vakbonden bij al dit. Die hebben door de decennia tal van riante regelingen veroverd voor de oudere werknemer – hun ledenbestand. Die hebben alle jongeren daarmee schijnbaar voor eeuwig benadeeld.

Hadden ze maar lid moeten zijn, zeiden de vakbonden.

Maar wie wordt er op de kleuterschool al lid van een vakbond? Wie weet er als tiener al welk beroep die later zal hebben?

Pikaart is bovendien politicus genoeg om een alternatief pensioenstelsel te schetsen, dat wel bekostigd kan worden. Want dat het grandioos fout loopt met de huidige pensioenvoorzieningen lijkt volgens hem wel duidelijk. De boel klapt op zo’n vijftien à twintig jaar van nu.

Ik moet eerlijk zeggen niet alle passages in het boek met evenveel aandacht gevolgd te hebben. De regelingen die bedacht zijn en worden voor het in loondienst tam gehouden volk zijn nooit eens regelingen die voor mij gelden.

Moeilijk is het niet om je een vreemde in eigen land te voelen.

Martin Pikaart, De pensioenmythe
240 pagina’s
Contact, 2011
  1. Er bestaat nog een derde stelsel, waarin individuen zelf lijfrentes en dergelijke kopen. Daarover gaat het hier niet. Ondanks het belang voor mij. []

Euro ~ Joseph E. Stiglitz

Nederland is beter geworden van de euro. Al zijn de fouten van deze gemeenschappelijke munt zo groot, dat het land nog aanzienlijk beter af zou zijn geweest door aan de eigen valuta vast te houden.

Zoals trouwens een hele menigte economen hier al voorspelde, voor de euro er kwam.

Joseph Stiglitz noemt Nederland overigens amper in zijn boek. Hij focust vooral op de Pyrrusoverwinning die de euro Duitsland heeft gebracht. Al gaat er nog meer aandacht uit naar de slachtoffers van de munt. Griekenland in het bijzonder. Krijgen de problemen in andere perifere landen als Spanje, Portugal, en Ierland eveneens aandacht; omdat de munt ook daar tot uitwassen leidde.

Prettig daarbij is dat dit boek niet per se voor een Europees publiek geschreven lijkt. Stiglitz schroomde niet om de meest basale gegevens uit te leggen over de EU en zijn lidstaten. En daar dan ook weleens een Amerikaanse draai aan te geven; bijvoorbeeld door op te merken dat de landen hier verzot zijn op het onderhouden van een verzorgingsstaat.

Wel is deze uitgave veel te dik, omdat de schrijver dezelfde basale informatie nogal eens herhaalt.

De euro heeft de ongelijkheid vergroot tussen de lidstaten van de EU, terwijl de Europese politici indertijd toch dachten dat door een gemeenschappelijke munt de landen juist meer op elkaar zouden gaan lijken. Gebleken is alleen dat hoogstens Nederland op Duitsland lijkt, met zijn arbeidspopulatie bijvoorbeeld die er genoegen mee neemt structureel onderbetaald te worden; en daar nooit eens tegen in opstand komt.

En toch zet Duitsland in alles de toon.

Is er bovendien het pijnlijke gegeven dat enkel de inwoners van de lidstaten hebben moeten opdraaien voor alle wanbeleid in de financiële sector; om bijvoorbeeld heel veel geld te lenen aan bedrijven die zo kredietwaardig niet waren. Dat in Spanje om deze reden een merkwaardige huizenzeepbel ontstond, was me overigens bekend. Dat in Griekenland niet de overheid verantwoordelijk was voor de schuldenberg daar, maar die veroorzaakt werd door ondernemingen — doorgaans buitenlandse bedrijven daarbij — wist ik dan weer niet.

En, de perifere landen kregen daarbij nog de schuld ook, met allerlei oneigenlijke argumenten, dat ze de euro dreigden laten stranden — een staaltje van slachtoffer beschimpen dat de auteur werkelijk te zot voor woorden vindt.

Want, wat Stiglitz heel goed doet in De euro is om uiteen te zetten waarom de uitgangspunten principieel al niet deugden achter de invoering van een gemeenschappelijke munt. Waarbij niet in het minst een probleem werd dat de betrokken politici totaal achterhaalde economische ideeën lijken te hebben aangehangen. Bovendien meenden ze heel goed de toekomst te kunnen voorspellen.

Signaleert Stiglitz ook nog een duidelijke neoliberale agenda achter de meeste van hun besluiten.

Was de uitleg ook nuttig over wat de VS dan heeft, en de EU niet, waardoor de dollar als gemeenschappelijke munt voor alle vijftig staten een succes kon worden.

Daar is er bijvoorbeeld wel een federale overheid die met subsidies economische malaises plaatselijk kan opvangen. De EU als instituut heeft een te miniem budget om zoiets zelfs te kunnen overwegen. Nog afgezien van de weerstand bij politici op nationaal niveau om beleid gedicteerd te krijgen uit Brussel.

Bovendien verhuizen Amerikanen rustig naar een andere staat als ze denken dat het daar beter is. Want ook dan blijven ze voor iedereen Amerikanen. Binnen de EU is zulke massamigratie ondenkbaar; alleen al omdat niemand zulke migranten allereerst als mede-Europeaan zal zien. Nationalisme wordt nog altijd in alle lidstaten gekoesterd, op vele niveaus.

Na de diagnose van de dodelijk zwakke patiënt euro biedt het boek bovendien vier methoden om tot verbetering te komen. Waarvan de vierde optie, gewoon door blijven modderen zoals steeds gebeurde, volgens Stiglitz verreweg de slechtste is.

Meest uitgebreid worden in het boek de stappen behandeld die nodig zijn om de EU meer éen te laten worden. Dat zou dan onder meer van Duitsland verlangen dat het ophoudt dat belachelijk grote handelsoverschot te koesteren.

De tweede optie is om het verlies te nemen, en de euro op te heffen, en om dan te zien dat er een hervorming van de financiële markten komt die de economie wel dient. Joseph Stiglitz merkt daarbij fijntjes op dat we de banken wel erg veel betalen voor dienstverlening die deze instellingen, door de ICT, vrijwel niets kost.

Een derde alternatief kan nog zijn om met verschillende soorten euro’s te gaan werken; waarbij de Griekse variant dan een ineens andere waarde heeft dan de Duitse.

Joseph E. Stiglitz, De euro
Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt
Vertaald door Arian Verheij en Huub Stegeman
Met voorwoorden van Robert Went en Geert Noels
472 pagina’s
Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2016