Boekenbusiness ~ André Schiffrin

Vroeger was het beter. Althans, vroeger was het beter voor degene die deze uitspraak doet, en daarbij terugblikt op wat er in zijn of haar leven veranderde. Punt is alleen dat er over veertig vijftig jaar ook weer mensen zullen zijn die nostalgische gevoelens zullen koesteren over het jaar 2012. Terwijl dat helemaal niet kan, volgens de eerste criticaster.

In het boekenvak schijnt de nostalgiegrens op zo’n vijfendertig jaar te liggen — ofwel op iets minder dan de duur van een loopbaan is. Da capo. Dat geldt voor elke generatie. Er zijn vast nog wel ergens uitspraken te vinden van iemand die de uitvinding van Gutenberg’s drukpers de dood van het boekenvak vond.

Socrates fulmineerde al tegen het schrijven überhaupt.

Uitgever André Schiffrin kijkt in de The Business of Books terug op hoe de boekenmarkt in de VS verzakelijkte in de loop van de jaren zeventig, tachtig, en negentig.

Dat levert een aardig kijkje op in de keuken van een grote uitgeverij als Random House. En ook als autobiografie van een arbeidzaam leven biedt het boek wel wat. Schiffrin kan er onder meer op bogen met succes boeken uit het publieke domein goedkoop in paperback te hebben uitgegeven. Zijn vader bedacht dan weer de Pléiade-reeks; en die wist iets beter te beklijven.

Maar veel meer is het niet wat De boekenbusiness te bieden heeft. Voor een deel kan de eenzijdigheid van het boek komen doordat de tekst uit 2000 of 2001 stamt. Dat is een jaar toen de e-reader bijvoorbeeld al wel bestond, maar nog geen publiek had. Laat staan dat de traditionele uitgeverijen er toen al aan dachten om boeken elektronisch te publiceren.

Dat er maar éen manier was om boeken uit te geven, en onder de aandacht te brengen, lag daarmee nog muur- en muurvast.

De verontwaardiging in Schiffrin’s essay lijkt ook vooral te zijn gebaseerd op het idee dat goede uitgeverijen moeten sturen wat het publiek hoort te lezen. En zo bezien wordt het pijnlijk dat de beroemdheidjes van het moment miljoenen aan voorschot krijgen voor hun memoires, terwijl hoogwaardige literatuur van elders het land niet eens binnenkomt, alleen al omdat daar een vertaling nodig is; en het grote publiek geen vertalingen leest.

De schrijver negeert alleen de vraag wat het publiek wel tot lezen aanzetten kan. Naast een aanbod van goede titels.

Ik ben toch geneigd om bijvoorbeeld om de mensen die opgroeiden tijdens de depressie van de jaren dertig als de laatste echt geletterde generatie te zien. Auteurs als Saul Bellow, die uit deze periode stamt, gaan naar mijn idee anders met taal om dan de schrijvers uit latere leeftijdscategorieën. Zijn universum was aanmerkelijk taliger. Dat van zijn opvolgers is bijvoorbeeld al veel meer gekleurd door de beeldenrijkdom van de televisie; zij kunnen werken vanuit de zekerheid dat het publiek verteltechnieken zou begrijpen die de TV hen al geleerd had.

Een goed verhaal over het boekenvak, of de handel in bedrukt papier, zou dus het persoonlijke moeten overstijgen. En iets aan cultuurstudie horen in te brengen, om aannemelijk te worden.

Schriffrin kan bijvoorbeeld wel verontwaardigd zijn dat de boeken zo veel duurder werden dan ze in zijn begintijd als uitgever waren. Toen hadden paperbacks nog de prijs van een pakje sigaretten. Maar zo’n statement is leeg zonder de kennis over hoe het besteedbaar inkomen van de gemiddelde boekenkoper veranderde in de tijd. En welk deel van dat inkomen zij besteedden aan vermaak, zoals lezen. En hoeveel tijd zij gemiddeld hebben per dag voor hun vermaak, zoals lezen.

Bovendien, roken is ook al niet zo populair meer.

André Schiffrin, De boekenbusiness
Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd

Met een nawoord van Laurens van Krevelen
191 pagina’s
Wereldbibiotheek, 2011
vertaling van: The Business of Books, 2001

ABC van de literaire uitgeverij ~ Joost Nijsen

Er was eerlijk gezegd voor mij maar éen reden om ABC van de literaire uitgeverij te willen lezen. Benieuwd was ik wat uitgever Joost Nijsen te melden zou hebben over de grote onzekerheden in zijn vak op het moment.

Want de boekhandels verdwijnen uit de winkelstraten. En het grote publiek leest een almaar kleiner assortiment aan titels. Bovendien moet het boek de laatste decennia concurreren met allerlei nieuwe vormen van ontspanning en vermaak, en is informatie tegenwoordig ook op andere manieren te verkrijgen dan door een boek te lezen.

Verder verdwijnt zo langzamerhand het taboe dat boeken die in eigen beheer worden uitgegeven niets voorstellen. Waardoor een vraag wordt of een uitgever nog nodig blijft. Het aanmaken van een e-boek en de distributie daarvan, en dus de uitgave, kosten immers niets?

En daarbij viel op dat Nijsen al deze kwesties vrij evenwichtig behandelt, zonder er nu heel diep op te gaan. Omdat hij wat komen gaat al evenmin kan voorspellen dan wie ook. Het lemma ‘toekomst’ in het boek is weliswaar lang vergeleken met dat van andere trefwoorden. Maar dit komt vooral doordat Nijsen behoorlijk enerzijds-anderzijdst.

Uitgevers en schrijvers zullen elkaar nodig blijven houden, is daarbij zijn stelling wel. Want alle zaken rond het boek die niet met het eigenlijke schrijven te maken hebben, doet de uitgever nu eenmaal beter.

Tegelijk wordt in Nijsen’s boek ook duidelijk hoeveel uitgevers bijvoorbeeld aan betaalde promotie kunnen uitgeven.

Een vuistregel is dat binnen de begroting van een boek circa 5% van de netto-omzet voor promotie beschikbaar is. Bij een boek van € 20 in een oplage van 2000 exemplaren is dat 5% van 2000 x circa € 10 (de netto-ontvangst na aftrek van de boekhandelsmarge en de distributiekosten) = € 1000. Daarvan kun je twee kleine advertenties in het boekenkatern van de Volkskrant of NRC Handelsblad plaatsen. [160-161]

En ineens begrijp ik beter waarom mijn boeklog in de eerste jaren zo vaak door uitgevers gezien werd als podium om goedkoop reclame te maken. Of waarom ze dan verbaasd waren over mijn weigering zulks toe te staan.

Want uiteindelijk had ABC van de literaire uitgeverij vooral dat effect. Te veel was me misschien ook al duidelijk geworden in de loop der jaren, over het schrijven van boeken en het uitbrengen van boeken. Alleen werden daarbij nu eens ook alle vage details ingevuld.

Daardoor ontdekte ik ook onbewust met vragen te hebben gezeten. Waarom hebben Nederlandse boekuitgaven bijvoorbeeld het formaat dat ze hebben?

De redenen daarvoor zijn waarschijnlijk veel toevalliger dan gedacht.

Toen ik bij Nijgh & Van Ditmar werkte, wilden de hoofdredacteur en ik de nieuwe Nederlandse romans (zoals de debuten van Ronald Giphart en Arnon Grunberg) liefst in ‘12,5 x 20 cm’. Een gevoel, meer dan een wetenschap. Vertaalde literatuur wilden we dan weer in ’14 x 21,5′. Bij Podium voeren we vrijwel alle Nederlandse romans nu uir in ‘13,5 x 20 cm’. We zeggen dan dingen als ‘qua breedte toch net wat lekkerder in z’n vel, en draagt ook bij tot een soepeler gevoel’. Dat doen we net zolang tot het ons, en misschien ook de lezer, gaat vervelen en we overstappen op wat anders. [90]

Dus was dit een onverwacht informatieve gids, waarbij de keuze om alles via trefwoorden te behandelen niet eens vervelend was.

Goed, Nijsen negeert de kwestie of er op het moment niet wel erg hard beknibbeld wordt op mogelijke uitgaven. En of er voorheen niet te veel en te makkelijk is uitgegeven. Waardoor sommige schrijvers misschien zijn gaan geloven meer talent te hebben dan aanwezig. Hij geeft ook geen cijfers, meen ik, over hoe veel romans en dichtbundels er in Nederland uitkomen elk jaar; terwijl dat mij er nog altijd schrikbarend veel lijken.

Niet dat ik denk dat er een ideaal aantal is aan romans of gedichtenbundels dat uitgegeven worden moet. Wel meen ik dat er heel wat meer uitgeefmodellen mogelijk zijn dan nu bestaan — ik zie ook een toekomst voor me waarin veel meer met tests online gepeild wordt of een uitgave op papier zin heeft. Wat overigens nog niets nieuws is ook. In de negentiende eeuw werden veel boeken pas uitgebracht als er genoeg belangstellenden op hadden ingetekend.

Dus heb ik het idee dat de grootste waarde van het ABC van de literaire uitgeverij weleens kon zijn dat het een plaatsbepaling in de tijd is.

Kijk, zo zagen uitgevers in Nederland aan het begin van de eenentwintigste eeuw hun beroep.

Nijsen haalt ook enkele malen voorbeelden uit boeken van voorgangers aan om te laten zien dat zakenmodellen en mores in de boekenbranche veranderen.

Alleen gaan sommige ontwikkelingen momenteel sneller dan voorheen.

Joost Nijsen, ABC van de literaire uitgeverij
269 pagina’s
Podium, 2012

Vluchtigheid van literatuur ~ H. Verdaasdonk

Ook in de jaren tachtig werd er al ernstig gesomberd over de toekomst van de literatuur. Terwijl ze toen nét kabeltelevisie hadden — al het andere vermaak dat tegenwoordig thuis zo makkelijk de lege uren vullen kan, moest nog worden uitgevonden.

Ik ben mede daarom geneigd om zulk een cultuurpessimisme te zien als een sociaal mechanisme dat heel goed kan bestaan zonder dat daar per se grond voor hoeft te zijn.

Want, steek iets flink de hoogte in, benoem het daarbij als onmisbaar, en elke klager over de teloorgang van dat hoge krijgt ook iets aan status mee. Zij het dan dat dit enkel status zal zijn onder de bevolkingsgroepen met vergelijkbare waarden.

Bewijzen van de achteruitgang worden namelijk bijna nooit gevraagd. Het is allereerst de emotie die telt.

In het essay De vluchtigheid van literatuur verwerkte H. Verdaasdonk ogenschijnlijk nogal wat cijfermateriaal over de boekenmarkt in Nederland dertig jaar terug. Daaruit bleek onder meer dat in 1987 ‘de hoogste welstandsklasse’ per huishouden ongeveer 12 boeken aanschafte per jaar, tegen gemiddeld ƒ 21,20 per stuk [1]. Bij andere welstandklassen lag dat getal duidelijk lager.

Zijn tekst is duidelijk een plaatsbepaling in de tijd, want meer dan een momentopname van de boekenmarkt dan biedt de schrijver met dit cijfermateriaal niet. Cijfers uit eerdere perioden ontbreken — ook omdat die er blijkbaar niet waren. Structurele belangstelling voor het leesgedrag van de Nederlander schijnt er ook pas in de jaren tachtig te zijn gekomen — wellicht omdat men meende dat er iets te veranderen stond.

Ook Verdaasdonk begint zijn tekst met het signalement dat er nogal gesomberd wordt over de toekomst van de literatuur.

Het interessantst aan deze tekst is dat de auteur vervolgens in kaart probeerde te brengen wat boekenliefhebbers onderscheid van andere mensen. Zo is éen van zijn stellingen dat het behoorlijk wat tijd kost om vertrouwd te raken met literatuur — er moet eerst heel wat gelezen zijn, voor het iemand mogelijk wordt om op eigen kracht verstandige keuzes te maken uit het beschikbare boekenaanbod.

Verdaasdonk stelt ook dat boekrecensies in die zin een heel beperkte gidswaarde hebben. Recensenten kiezen er al gauw voor om nieuw werk te bespreken van auteurs die zich al bewezen hebben.

Waarmee heel het betoog van de schrijver inderdaad al staat samengevat in de titel. Een literair boek is doorgaans slechts even in de handel, moet dan ook net worden opgemerkt door lezers, en wordt daarop al gauw vergeten.

Op de schaarse uitzondering na dan die bestseller wordt, of door een bestseller-auteur is geschreven.

Ik las dit inmiddels op vele punten door de tijd achterhaalde essay om mijn eigen gedachten aan te scherpen over literatuur. Omdat mij toch ook de robuustheid opvalt die kleeft aan dit type boeken.

Want talloze malen ben ik teleurgesteld door een dichtbundel of roman. Vooral debutanten lijken op het moment met wel erg onvoldragen werkjes op de markt te verschijnen. De uitgevers brengen dus veel te veel uit, meer dan ooit welhaast, voor een krimpende markt — alles in de hoop dat er éen twee boeken aanslaan bij een groot publiek, die dan de rest van de bedrijfsvoering kunnen bekostigen. Een ander zakenmodel lijkt er nog altijd niet te zijn.

Is er bovendien het probleem bij romans dat ik bijna nooit meer blij verrast word. Auteurs lijken veelal vormen en verhalen te kiezen die al talloze malen eerder werden gedaan.

En toch is er dan een ‘en toch’.

Nog altijd sla ik elk literair boek volkomen onbevooroordeeld open. Klaar om verrast te worden.

En dat die onbevangenheid blijft, ondanks alle gemelde teleurstellingen, toont mij het meest aan over de potentiële kracht van woorden.

H. Verdaasdonk, De vluchtigheid van literatuur
Het verwerven van boeken als vorm van cultureel gedrag

60 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1989
  1. een kleine tien euro in hedendaags geld, ongecorrigeerd voor inflatie []

Zij zijn niet van Jeremia ~ Marc Kregting

Hier ruim elf jaar lang schrijven over wat ik net las, maakte van mij een andere lezer. Eentje die wat beter begrijpt waarop zijn oordelen gebaseerd zijn — ook al wijken die soms behoorlijk af van de algemene smaak.

In 2005 bijvoorbeeld had ik nog de bevestiging nodig van een uittredend criticus dat mevrouw Connie Palmen toch echt niet schrijven kan. Omdat haar hoge status in het wereldje me altijd zo had bevreemd. In 2016 kijk ik er evenwel niet meer van op dat ze genomineerd werd voor éen van die gesponsorde literaire prijzen. Weliswaar kan Palmen nog altijd niet schrijven. Wat ze maakt heeft poeha en verkoopt enorm. En dat zijn twee eigenschappen die haar vrijwel direct immuun maken voor een objectievere weging door de kritiek.

Ook heb ik hier meer dan eens moeten constateren dat er te veel boeken verschijnen in Nederland. En dat me onbegrijpelijk is waarom. Het schaarse wel gelukte boek verdwijnt zo makkelijk uit zicht in de overvloed aan misbaksels en hoogstens halfgeslaagde publicaties.

Ondertussen heeft het schotschrift Zij zijn niet van Jeremia mij uitputtend geïnformeerd over de markt voor bellettrie in Nederland en België. In dit boek kijkt Marc Kregting [1965] met afschuw terug op de korte tijd dat hij redacteur was bij uitgeverij Meulenhoff. Als romanticus stapte deze schrijver even de andere kant van het boekenvak in, om dit als cynicus weer te verlaten. Het was hem te slecht bevallen wat hij zoal had gezien.

Kregting was er vooraf vanuit gegaan schrijvers te zullen begeleiden. Om samen boeken te gaan maken, wikkend over elk woord, werkend aan iets moois. En toen bleek hij in de praktijk helemaal geen tijd te hebben om zo langzaam te mogen lezen. Het echte leeswerk van de manuscripten werd bovendien gedaan door goedkope freelancers van buiten de uitgeverij.

Had hij bovendien totaal verkeerd gezien dat auteurs wel dankbaar zouden reageren op de op- en aanmerkingen over hun werk.

Het is een ongeschreven wet dat de mate van ambachtelijkheid bij de auteur evenredig is aan zijn vermogen kritiek te incasseren. [48]

Nee, veel belangrijker aan het redacteursvak dan het begeleiden van schrijvers is volgens Kregting het netwerken. Waarbij het er om gaat goede auteurs en boeken voor de uitgeverij te verwerven, terwijl er anderzijds van alles aan moet worden gedaan om de reputatie van het fonds te vergroten. Publiciteit is daarbij het doel. Als daartoe toonaangevende critici gepaaid moeten worden, dan zij dit zo. Geef een bundeltje van hun recensies uit, zet daar ronkend ‘essays’ op, en zulke lieden zijn daarmee heel goedkoop tevreden te stellen.

Besprekingen zijn als sigaretten: niet-verslaafden voelen de drang niet. Voor de uitgevers is de nicotine in een kritiek Het Oordeel, waaruit ten bewijze van het ‘veelgeprezen’ geciteerd moet. En inderdaad schijnen critici eens in het kwartaal ‘het beste boek sinds jaren’ te lezen. Toch bestaat er altijd kans op ruis in de overdracht van het uitgeversalfabet. Te allen tijde moet de Eerste Recensent met handschoentjes aan behandeld worden, temeer daar hij doorgaans in een jury zit of zal zitten. […] [54]

Zij zijn niet van Jeremia dateert uit 2004, toen tal van boekenuitgeverijen nog deel uitmaakten van grote krantenconcerns; en daarbij nogal te lijden hadden onder alle problemen bij de dagbladen. Inmiddels bestaan concerns als PCM ook al niet meer. Dit lijkt me het enige punt waarop dit pamflet door de tijd achterhaald is geraakt. Want de uitgeefpraktijk op zich lijkt me ondertussen niet wezenlijk veranderd.

Kregting geeft achterin in dit boek een reeks aanbevelingen; zoals om het tal uit te geven titels te halveren, vooral aan romans; opdat de boeken die wel uitgegeven worden tenminste zorgvuldige publicaties zijn. Daartoe zijn dan ook twee keer zo veel redacteuren en correctoren nodig, om typ- en stijlfouten beter te kunnen weren — iets aan romanticus is deze auteur dus wel gebleven; want wie betaalt dat dan?

Hij zou graag zien dat uitgevers zich weer over het land verspreiden, en niet allemaal in de grachtengordel clusteren; zodat ze tenminste een eigen toon krijgen.

En hij stelt verder onder meer dat recensenten dit beroep niet langer dan vijf jaar zouden mogen uitoefenen. Om de doorstroming. Zodat niet telkens de mening van dezelfden de algemene opinie blijft kleuren.

En dan ben ik blij dit boek te hebben gelezen — vooral omdat me nu veel meer duidelijk is over waarom er zo veel verschijnt zonder waarde — alleen blijft er dan toch éen constatering pijnlijk staan: Een lezer heeft alles over de boekenwereld zelf maar uit te vinden. En wie komt ooit zo ver?

Marc Kregting, Zij zijn niet van Jeremia
Non-ficties

112 pagina’s
Vantilt, 2004

Boek en het badwater ~ Lisa Kuitert

De kwaliteit van een tekst kan merkwaardig genoeg nogal afhangen van de timing van de openbaarmaking. En het minste dat ik aan te merken heb op Het boek en het badwater is dat de publicatie me rijkelijk vroeg lijkt te komen. Zo is deze lofzang op het papieren boek me veel te eenzijdig benauwd.

Want hoelang leest de goegemeente nu helemaal van een scherm? Sinds de uitvinding van de iPad, en de daarop volgende hausse van tablet-computers? Dat is dan sinds 2010… Zes jaar op zijn best. Dus lijken me dat de ontwikkelingen die spelen nog amper begonnen zijn, laat staan al te zijn uitgekristalliseerd.

Ja, vanzelfsprekend waren er eerder ook losse schermen om van te lezen. eReaders genaamd. Een heel groot marktaandeel wisten deze apparaten hier alleen nooit te veroveren. Want waarom zou iemand ook een apparaat aanschaffen om daar enkel boeken van te lezen, terwijl er nog amper een infrastructuur was die deze titels verspreidde?

Ik geef toe, ik heb de wat bizarre neiging om ontwikkelingen altijd in een perspectief te willen zien. En Lisa Kuitert’s boek leest zo vreemd omdat zij het nu juist nalaat om de echt grote lijnen te schetsen — enkel komt er herhaald iets terug over de geschiedenis van het papieren boek. Alleen las ik daar al veel van dezelfde auteurs over als zij.

En Popper en andere wetenschapsfilosofen hebben vergeefs geleefd, voor Kuitert. Al wat zij doet in haar stukken is bewijsjes bijeengaren die haar het beste dienen. Terwijl ál dat bewijs voor niets zegt, als niet eens onderzocht is of er soms bewijs bestaat tegen haar bangste vermoedens.

De schrijver focust ook te zeer op het papieren boek alleen. En te veel in deze publicatie zit te zeer vast in het nu, en onderzoek van het moment. Ofwel, Het boek en het badwater mist relativering. En daarmee de echt nuttige inzichten.

Cultuurpessimisme heeft daarnaast als groot probleem dat de pessimist van dienst zo makkelijk een verleden kan beschrijven en verheerlijken dat nooit zo bestaan heeft. En Kuitert deed ook al niets om dit principe te ontkrachten.

Uitgeven kost tegenwoordig bijvoorbeeld minder dan ooit, om een heleboel verschillende redenen. Kuitert negeert al dit. Uitgevers gooien mede daarom veel meer op de markt dan hoeft, of zou moeten, ook al vanwege een merkwaardig gebrek, nog altijd, aan goede zakenmodellen.

Verder geldt, de geschiedenis van het papieren boek in Nederland lijkt me al niet te schrijven, vanwege een schrijnend gebrek aan inzichtelijk onderzoek. Belangstelling voor het onderwerp ontstond pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw. En hoogstens kan achteraf met heel veel moeite nog worden bepaald hoeveel originele titels er uitgekomen zijn in een jaar. En wat daarin dan het percentage literatuur was.

Maar alle uitgevers die ik sprak waren het erover eens dat heel veel boeken die verkocht werden de afgelopen decennia, waarschijnlijk nooit gelezen zijn. Het papieren boek was namelijk altijd zo’n leuk cadeau-artikel. Niet te duur. Intelligent zelfs, als dat je wens was. En je kun er zo leuk mee tonen de ontvanger voor vol aan te zien.

Verkoopcijfers zeggen daarmee lang niet alles. En de cijfers van de boekenverkoop moeten daarom zeker gewogen worden in een groter geheel der dingen: van wat gaven mensen in een zeker jaar aan luxegoederen uit, zoals geschenken? Toevallig valt de terugloop in het tal verkochte boeken nu dan ineens opvallend samen met een economische crisis.

Alle getob over de ontlezing van het moment valt of staat met de kennis over hoe we decennia geleden lazen. En daarover bestaat volgens mij enkel anekdotisch bewijs — zoals dat ik meen dat voor Saul Bellow en diens generatie taal en daarmee boeken een andere waarde hadden dan voor ons; alleen leefden zij in een hevige economische crisis waarin er voor hen ook werkelijk niets anders was.

Ik ben doorgaans niet van de voorspellingen, en al helemaal niet op het gebied van ICT, toch zou het me niet verbazen dat ook de boekenwereld de komende tien jaar een vergelijkbare zuivering doormaakt als er al is geweest in andere media- en entertainmentkanalen. Want ooit was ook daar slechts éen product leverbaar, waarover de leverancier alles bepaalde, en de klant slechts had te accepteren. En vervolgens bracht nieuwe technologie ineens wel een keuzevrijheid in.

Dat wrikte dan. Ontwrichtte zelfs.

Toen bleek ineens dat vrijwel alleen bejaarden nog naar de publieke omroep keken op het moment van uitzending, zoals naar Sesamstraat. Of dat jongeren het niet meer vanzelfsprekend achten om een krantenabonnementen te nemen. Of dat diensten die muziek naar keuze per stroom aanbieden al snel meer omzet maakten dan de verkopers van CD’s of DVD’s.

Van nogal wat soorten boeken lijkt me kortom dat die ooit toevallig even het best gedrukt op papier konden worden uitgegeven — voor een eeuw of wat. En ondertussen is van de encyclopedie absoluut duidelijk dat die online veel makkelijker actueel gehouden kan worden dan die op papier, en van vele andere genres en typen teksten zal een vergelijkbaar gebrek aan houdbaarheid nog wel blijken.

De Saskia Noorts van deze wereld hebben daarom nog even heel aardig aan hun boeken mogen verdienen. Haar teksten werden tot nu toe alleen wel op een traditionele en dure manier op de markt gebracht. Het e-boek, en de illegale kopieën daarvan in omloop, maakt nu tenminste duidelijk wat het publiek echt over heeft voor zulk hap-slik-weg-materiaal. Dat lijkt me geen ramp voor de cultuur als geheel, hoogstens voor Noort persoonlijk.

Ik heb toch ook het idee dat veel van de crisisstemming over het papieren boek wegkomt bij de uitgevers. Die nooit beter wisten dan om kookboeken uit te geven, of Saskia Noort en haar soort, voor de omzet. En die nu ineens moeten innoveren. Maar dit niet kunnen.

Lisa Kuitert heeft het in Het boek en het badwater dan wel telkens over boeken; volgens mij bedoelt ze daar toch echt allereerst literatuur mee. Haar boek werd samengesteld uit ergernis, omdat het papieren boek haar nu al te makkelijk werd afgeschreven. En vervolgens ontbrak me de grote greep op de materie, en een heldere betooglijn; ook al omdat de inhoud bestaat uit losstaand materiaal dat ze al eens eerder gebruikte elders.

Bleef het leesgenot dus helaas beperkt tot een aardige constatering van Kuitert hier en daar:

Volgens Parks hebben we simpelweg minder behoefte aan fictie en daardoor lezen we meer non-fictie. Fictie heeft lange tijd gefungeerd als uitlaatklep, om taboes mee te slechten. Wat in het werkelijke leven niet kan of mag, vindt via de verbeelding zijn uitweg. Maar in het werkelijk leven zijn er amper taboes meer–een levensdagboek zoals dat van Karl Ove Knausgård zou tweehonderd jaar geleden levensgevaarlijk zijn geweest om te publiceren. [130]

Lisa Kuitert, Het boek en het badwater
De betekenis van papieren boeken

186 pagina’s
Amsterdam University Press, 2015

Geluk van de kunst ~ Marc Reugebrink

Een tekstje als dit wordt op zijn minst enkele honderden keren geopend op de schermen van bezoekers. Of zo iemand deze woorden vervolgens ook leest, verraadt de software niet die de statistieken vast legt. De hoop kon weleens ijdel zijn.

Er zijn ook boeklogjes die inmiddels tienduizenden keren werden gezien. Waardoor ik heb geleerd — voor zover me dat nog niet bekend was — wat zoal een massaal bezoek kan trekken. Schrijf vooral over boekenlijsttoppers, en hele schoolklassen komen buurten. Of zet eens een plaatje uit een populaire strip online. De visite blijft binnenstromen.

De essaybundel Het geluk van de kunst van de Nederlandse Belg Marc Reugebrink [1960] is geen boekenlijstfavoriet. En van gebundelde essays is bovendien al een tijd bekend dat die nog moeilijker afzet vinden dan de toch al zo pover verkopende bundels van dichters. Dus is me bij het schrijven van deze regels al duidelijk dat hooguit een paar honderd mensen zullen lezen wat ik zoal dacht bij een boek dat optimistisch geschat misschien een duizend lezers gaat krijgen in zijn bestaan.

In beide gevallen zijn deze aantallen te laag. Al is dat voor Reugebrink en diens uitgever aanzienlijk vervelender dan voor mij. Zijn beschouwingen over de staat van de huidige literatuur horen tot de betere die ik ooit las. Terwijl dit boeklogje er éen der velen is; zelfs al neem ik het ook op in een apart dossier.

Wilde ik massa’s volk krijgen hier, dan werden er heel andere boeken besproken.

Reugebrink is overigens de eerste die toe zal geven dat hij geen grote naam heeft als schrijver. Ook al won hij in 2008 de Gouden Uil voor zijn roman Het grote uitstel, dat veranderde aan deze status niets.

In Het geluk van de kunst wordt onder meer verwerkt wat het winnen van zo’n commerciële literaire prijs betekenen kan in het leven van een auteur. Al is het misschien beter om in dit geval te schrijven: hoe weinig zo’n prijs uiteindelijk uitmaakt, op even wat extra aandacht na, een scheut prijzengeld, en een ongetwijfeld lillijk kunstwerk dat op de publiciteitsfoto’s even dienen moest als winnaarsbokaal.

Marc Reugebrink stelde zich met zijn essays ten doel om min of meer vast te leggen wat het betekende om een literair schrijver te zijn anno 2012. Hij droeg het boek mede daarom op aan zijn dan zevenjarige dochter. Voor later. Omdat zij een lezer is, die nog vindt dat ze lezen moet, terwijl haar vader nu al ziet dat er zo veel andere manieren bestaan waarmee ze haar tijd kan gaan vullen.

En de waarde van deze bundel zit er dan voor mij in dat het niet bij deze ene relativering bleef, uit het begin van het boek. Al leunt Reugebrink wel opzichtig op Sloterdijk als hij de teloorgang analyseert van de leescultuur sinds 1945.

Bovendien blijft Marc Reugebrink desondanks een romanticus — waar ik dat nu net niet ben — die een toestand uit het verleden absoluteert die zo wel nooit bestaan zal hebben. Zijn idee is het dat schrijvers ooit statuur hadden, en daarmee gezag; waarmee dus ook de literatuur van grote betekenis was in de cultuur. En daarmee nu niet meer is.

Maar het meeste uit het verleden verdwijnt — wat daarmee niet meteen iets zegt over de waarde van wat wel overblijft

En omdat voor mij de uitvinding van bijvoorbeeld de rioolpomp een veel grotere zegen voor de mensheid is gebleken dan welke roman ook, heb ik nog altijd enorme moeite met die standaardverheerlijking van bellettrie.

Er ligt voor mij nu eenmaal het simpele gegeven dat wij mensen weliswaar denken in verhalen — waardoor de vertelling altijd zal blijven bestaan; en religies waarschijnlijk ook — maar dat slechts éen vorm van verhalen vertellen op een vreemde manier heilig wordt verklaard. De roman. En daarmee wordt inmiddels bedoeld, de hedendaagse literaire roman, waarin verhalen zelden rechtuit worden verteld, en waar doorgaans enkel van te genieten valt voor een publiek met enige leeservaring.

Zulke lezers hebben niet alleen nogal wat tijd van hun leven moeten investeren om zoveel ervaring op te doen, elke roman opnieuw vergt weer uren van hun bestaan.

Voor mij is het inmiddels zo dat te weinig auteurs nog iets in romanvorm weten te vangen dat mij van begin tot eind kan boeien. Ik ben de verslaving voorbij, en acht het genre gauw eens te moeilijk geworden voor de beoefenaren. Er komen domweg te veel romans uit ook. Daardoor sneeuwt het schaarse goede onder, en is er te veel aandacht voor het wel heel matige.

De status van de roman is dus allereerst nog altijd dat iedereen denkt er éen te moeten schrijven. En te kunnen schrijven ook.

En dan is te begrijpen dat het een romanschrijver, als Reugebrink, niet zal lukken om zijn hele bestaan kapot te relativeren, en eens echt principiële vragen te stellen bij de status en aard van lange fictiewerken; van de prehistorie tot in het huidige tijdsgewricht.

Net als het logisch is dat zo’n auteur er dan voor kiest om zijn gedachten te vangen in een essay — het genre voor nog veel fijnere luiden dan de toch al zo selectieve literaire roman.

Alleen blijft diens boek daardoor grotendeels bestaan uit shoptalk. Intelligent geformuleerde en inzicht biedende shoptalk weliswaar, maar een principieel conservatief-romantische tekst, waarin de schrijver impliciet toont dat hij liever zag dat het anders was; terwijl hij niet begrijpt waarom het niet gewoon anders zijn kan.

Hoe interessant het verder ook was wat hij te melden had over het vak en de beschouwingen daarover. Zo maakt hij bijvoorbeeld pijnlijk helder duidelijk waarin Thomas Vaessens’ vreemde monografie De revanche van de roman, en sowieso de literatuurbeschouwing in Nederland, intellectueel tekortschiet. Boeken worden nooit eens in een context gezet. Breder kijken dan het boek alleen is hier vreemd.

Maar het perspectief in welke beschouwing ook, door wie ook geschreven, wordt mij helaas zelden ruim genoeg genomen.

Marc Reugebrink, Het geluk van de kunst
Essay

224 pagina’s
De Bezige Bij, 2012