deze boeklogjes vormen het dossier:

Is er democratie in Nederland? En elders dan?

  1. Bolhoed van Piet de Jong  Kees Sorgdrager03/2005
  2. Amsterdam Dream  Geert Mak03/2005
  3. Macht door representatie  F.R. Ankersmit03/2005
  4. Nieuw Babylon in aanbouw  James Kennedy04/2005
  5. Moderniteit en overheidsbeleid  Maarten Arentsen en Willem Trommel ed.11/2005
  6. Niet spreken met de bestuurder  Gerard van Westerloo03/2006
  7. Land van haat en nijd  Margarith Kleijwegt & Max van Weezel10/2006
  8. Zoetzuur  Syp Wynia10/2006
  9. Klem in de draaideur  Ad van Liempt & Ger van Westing12/2006
  10. Hoe word ik politicus?  Stemhok.nl01/2007
  11. Polityk yn Fryslân  Eelke Lok03/2007
  12. Commentator in verkiezingstijd  Breedveld & Goslinga03/2007
  13. Stuifzandsamenleving  Kees Schuyt03/2007
  14. Park Welgelegen  Marjolijn Februari08/2007
  15. Democratie in verval?  Joop van Holsteyn & Cas Mudde (red.)08/2007
  16. Politiek van goede bedoelingen  Hans Achterhuis11/2007
  17. Opgeblazen bestuur  Klaartje Peters01/2008
  18. Buiten is het koud en guur  Thomas von der Dunk03/2008
  19. Tegen de waarheid in de politiek  F.R. Ankersmit03/2008
  20. Rede en macht  J.A.A. van Doorn08/2008
  21. Haagse tegenstrijdigheden  André Rouvoet e.a.11/2008
  22. Verwarde natie  H.J. Schoo12/2008
  23. Innovatieplatform  Frans Nauta04/2009
  24. Benauwd in het midden  W. M. van Koppen red.05/2009
  25. Nederlandse droom  Paul van Liempt05/2009
  26. Communicatieoorlog  Frits Bloemendaal06/2009
  27. Lange Poten  Peter Middendorp07/2009
  28. Nederlands / Indonesisch Conflict  J.A.A. van Doorn & W.J. Hendrix01/2010
  29. Bloedsomloop van de samenleving  E.J. van Asselt, G.J. Buijs en M. ten Hooven02/2010
  30. Rapport Commissie Van Onderzoek Besluitvorming Irak  W.J.M. Davids (vz.)02/2010
  31. Passage naar Europa  Luuk van Middelaar03/2010
  32. Gevaar verplicht  P.H.A. Frissen06/2010
  33. Leve het populisme | Weg met de Randstad  Eric Hoekstra06/2010
  34. Drammen dreigen draaien  Leo Prick06/2010
  35. Nietzsche & Kant lezen de krant  Rob Wijnberg07/2010
  36. Je hebt het niet van mij, maar…  Joris Luyendijk11/2010
  37. Kennisdemocratie  Roel in ’t Veld12/2010
  38. Gevaarlijke vaagtaal  Arjen Ligtvoet & Cathelijne de Busser02/2011
  39. Democratie: Wezen en oorsprong  Alexis de Tocqueville04/2011
  40. Eeuwige terugkeer van het fascisme  Rob Riemen11/2011
  41. Lachende derde  Peter Middendorp06/2012
  42. Framing  Hans de Bruijn01/2013
  43. Bang Nederland  Jan Willem Duyvendak  Ewald Engelen  Ido de Haan02/2013
  44. Twintig maanden knettergek  Ella Vogelaar & Onno Bosma04/2014
  45. Tegen verkiezingen  David Van Reybrouck07/2014
  46. Op drijfijs  Willem van Bennekom08/2014
  47. Zeker weten?  Herman van Gunsteren04/2016
  48. Report of the Iraq Inquiry  Report of a Committee of Privy Counsellors07/2016
  49. Notes on Democracy  H.L. Mencken11/2016
  50. Republic, Lost  Lawrence Lessig11/2016

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Bolhoed van Piet de Jong ~ Kees Sorgdrager

Dit is een bundeling van aangenaam relativerende radiocolumns die oud-journalist Kees Sorgdrager uitsprak in het onvolprezen programma OVT. Er zijn persoonlijke memoires bij over hoe hij het vak inrolde, maar ook beschouwingen waarin zijdelings over de kwaliteit van de parlementaire journalistiek wordt geoordeeld, of die van het politieke bedrijf zelf.

Zo had hij veel sympathie voor Pim Fortuyn, ondanks alle onderhuidse krankzinnigheid die hij ook bij deze politicus vermoedde. Maar Kees Sorgdrager ziet dat Fortuyn problemen signaleerde die de gewone kiezer ook al lang had opgemerkt, maar de politiek stelselmatig negeerde.

Ambiguër is Sorgdrager in deze bundel over dat rare spel tussen politiek en parlementaire pers. Duidelijk is dat hij walgt van de opmars van de doctorandusjes communicatie die de overheidscommunicatie aantoonbaar tot propaganda hebben gemaakt. Of van de Melkert’s en andere politici die geen normale zin meer kunnen uitspreken, en geen mening durven te formuleren zonder goedkeuring van een focusgroep.

Maar wat is de plaats van de journalist daarbij dan?

Sorgdrager haalt zelfs Max Weber’s Politik als Beruf aan om de pers zijn plaats te wijzen. De journalist is een buitenstaander en moet daar ook vrede mee hebben.

Toch geeft hij ook voorbeelden dat het loonde om gewoon vriendschappen aan te knopen met de politici die hem toevallig goed lagen, op het persoonlijke vlak.

Anderzijds is het vak veranderd, zeker sinds hij er mee stopte. Zowel politici als pers lijken tegenwoordig in een permanent heden te leven, waarin iedere toevallige hobbel luidkeels tot berg wordt benoemd. Historisch benul ontbreekt, en dus is alle relativeringsvermogen weg. En als iedereen hetzelfde maar op hetzelfde moment erg vindt, wordt het vanzelf ook een ramp.

Kees Sorgdrager, De bolhoed van Piet de Jong
176 pagina’s
Uitgeverij Balans, 2002

Amsterdam Dream ~ Geert Mak

Misschien is het overdreven om de jaren tachtig van de twintigste eeuw als bepalend te zien voor ontwikkelingen waar we nog lang mee te maken zullen hebben. Het decennium maakte nu eenmaal op mij enorme indruk, omdat ik in die jaren van dertien drieëntwintig werd en grote stappen naar de volwassenheid deed, met alle mijlpalen die daarbij horen.

En toch.

De Koude Oorlog eindigde. Er werden wereldwijd belemmeringen in de kapitaalhandel weggenomen, wat de mondialisering van de economie plots enorm versnelde. De personal computer deed zijn intrede, en communicatie-infrastructuur werd gedigitaliseerd, wat die toenemende internationalisering ook mogelijk hielp maken.

De audiovisuele media commercialiseerden in Europa.

Ondertussen bezuinigden in Nederland de opeenvolgende kabinetten Lubbers het onderwijs kapot. En er was geen werk voor jongeren, ondanks dat al heel lang duidelijk kon zijn dat er nog nooit zo veel kinderen waren geboren als in de jaren zestig. Twintig jaar later zouden die een baan willen…

Ook werd het buurt- en jeugdwerk kapotgesaneerd. En dit is, althans volgens Geert Mak in zijn pas verschenen pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid, een belangrijke oorzaak achter de problemen die ontstonden in de wijken van de grote steden. Toen er moeilijkheden kwamen, was er niemand meer om de verantwoordelijke autoriteiten daarop te aan te spreken. Dit maakte het lang te makkelijk de integratieproblematiek van immigranten te negeren.

Maar dat is Mak’s opinie van dit moment.

Mede daarom leek het mij aardig om eens te kijken wat hij midden in de jaren tachtig schreef over de veranderingen die hij waarnam. In zijn allereerste boekje.

The Amsterdam Dream beschrijft vooral er een eind kwam aan de openheid die ontstond de jaren zestig en zeventig. Want, de politiek professionaliseerde en werd daarmee veel minder interessant voor mensen die geen carrière ambieerden in de ambtenarij of een bestuursfunctie in de publiek sector wilden. Maar daardoor werd het de autoriteiten ook mogelijk zich steeds minder aan te trekken van de bevolking.

Heel typisch is bijvoorbeeld dat in interviews met ministers en burgemeesters de burger steeds meer ter sprake komt als iemand die beschermd moet worden tegen criminaliteit, wanorde en andere bedreigingen en gevaren. Maar de burger die rechten heeft en zelf meedoet, over hem hoor je zelden of nooit meer spreken.

blz 41

Dit boek staat vol met klachten die op dit moment zonder wijziging weer in opiniestukken zijn over te nemen. Mak signaleert de opkomst een verwerpelijk neoconservatisme, hij klaagt dat de politieke cultuur door de televisie wordt beheerst. En:

Er rijzen steeds meer twijfels of, los van personen en partijen, ons bestuurssysteem de problemen van de komende decennia nog wel aankan. Hoe mooi dat systeem namelijk ook is, voor de éénentwintigste eeuw is het nooit gemaakt. Het drijft op verouderde modellen, verouderde probleemstellingen, op een wereld die allang voorbij is.

blz 102

Of iets anders bekeken:

Uit onderzoek naar de politieke ideeën van beleidsmakers komt telkens naar voren dat ze de neiging hebben om de wereld om zich heen te vereenvoudigen tot een beeld dat eenvoudig genoeg is om mee te kunnen werken.

blz 106

Dat ik me moet inhouden niet meer te citeren, zegt al genoeg. Mak komt tot scherpe analyses over de Nederlandse politiek in dit boek, die grotendeels nog altijd standhouden. Hoogstens is aan te merken dat hij zo zelden uitwerkt wat het structurele autisme van de overheden in de praktijk betekende. En ook begint hij zichzelf naar het eind toe wat te herhalen.

Maar vergelijk ik The Amsterdam dream met Gedoemd tot kwetsbaarheid valt op dat hij in het eerstgenoemde boek nauwelijks retoriek nodig heeft om zijn gelijk aan te tonen. Dit maakt dat mijn waardering voor zijn recente pamflet met terugwerkende kracht nog verder afneemt. Hij kan domweg beter.

Geert Mak, The Amsterdam Dream
Korte geschiedenis van de politieke
Cultuur in de jaren tachtig

134 pagina’s
Uitgeverij De Populier, 1986

Dossier Gedoemd tot Kwetsbaarheid


Macht door representatie ~ F.R. Ankersmit

Waarom werkt de democratie niet goed? Omdat het grootste probleem binnen onze maatschappij is dat politieke besluiten altijd zo veel onbedoelde gevolgen met zich meebrengen. Handelingen desintegreren. Nooit eerder is de afstand tussen intentie en het resultaat van ons collectief handelen zo groot geweest.

Deze, en nog vele andere verrassende uitspraken doet de Groninger hoogleraar Frank Ankersmit in dit boek, dat daardoor nogal verfrissend was om te lezen. Er even van afgezien dat toch nogal wat filosofische basiskennis verondersteld wordt bij de lezer, en die ook in staat moet zijn Franse citaten te ontcijferen.

Ankersmit probeert in de reeks Exploraties aan te tonen dat de gebruikelijke politieke filosofie impotent is geworden, omdat daarin nooit het besef leefde dat in een democratie de politiek maar een beperkte invloed heeft. En toen dit uiteindelijk wel beseft werd, leidde dat tot een merkwaardig paradoxaal beleid. Zoals in het idee dat door privatisering en andere deregulering de overheid meer greep op de werkelijkheid zou krijgen; altijd nog in dat streven naar beheersing. In Macht door representatie bepleit de schrijver daarom de voordelen van een esthetische politieke filosofie.

In zo’n esthetische filosofie ligt het accent op afstand en vermijding. Dit maakt het dan beter mogelijk om te begrijpen wat macht inhoudt, bijvoorbeeld. Omdat niet alleen de macht- en beheersmechanismen bestreken worden, maar ook al die eerder onbedoelde gevolgen; de censuur zowel als de zelfcensuur die daar mede het gevolg van zal zijn.

En het is prettig om politiek eens zo uitgelegd te krijgen. Want, waar Vuijsje of Mak eerst de werkelijkheid beschreven en van daaruit algemenere conclusies probeerden te betrekken, slaagden ze daar eigenlijk niet in. Ankersmit daarentegen probeert eerst die algemene principes te verwoorden, en reikt mij daarmee een heel nieuw gereedschap aan voor analyses.

Wel moet gezegd worden dat Ankersmit zelf zijn methode dan vooral toepast om het politieke bedrijf in Nederland te kraken, in de schaarse praktijkvoorbeelden die hij geeft. Al komt hij daarbij soms toch tot heel verrassende conclusies. Zo vindt hij merkwaardig aan de IRT-enquête dat daarin de wetgevende macht de uitvoerende macht aanklaagt, terwijl de fout nu net bij de wetgever lag; die zadelde de opsporingsdiensten met een onwerkbaar drugs- en opsporingsbeleid op.

Maar zijn esthetische politieke filosofie leidt hem er ook toe om de meeste mogelijkheden tot hervormingen te zien in de politieke partij. Want, de staat is te star en machtig, en de bevolking van buitenaf nauwelijks tot ander gedrag aan te zetten.

En dat vind ik dan weer bijna naïef gedacht. Als politieke partijen in Nederland op het moment meer zijn dan uitzendbureaus voor leuke baantjes in de publieke sector, hebben ze dat mij goed verborgen weten te houden. Beleid is daar niet eens secundair, maar komt hoogstens op een derde plaats. Na de machtshonger en de verdeling van baantjes.

Er nog even van afgezien dat om carrière in de politiek te maken een morele corruptie nodig is, die nu juist nooit met macht beloond zou mogen worden.

F.R. Ankersmit, Macht door representatie
Exploraties III: politieke filosofie

328 pagina’s
Uitgeverij Kok Agora / Pelckmans, 1997


Nieuw Babylon in aanbouw ~ James Kennedy

Wat verwachtte ik van dit boek? Dat is een vraag die absoluut meespeelt bij het bespreken van non-fictie. Zakelijke teksten moeten me op zijn minst nieuwe feiten aanreiken om de moeite waard te zijn. Van James Kennedy hoopte ik dat hij als Amerikaan iets aan de Nederlandse politiek zou zien dat voor hem als buitenstaander meteen duidelijk was, maar waar ik zelf altijd blind voor gebleven ben.

Inhoudelijk intereseerde zijn verslag over de maatschappelijke verschuivingen in de jaren zestig en zeventig me ook niet zo. Daarover ben ik sowieso al meer vergeten dan me ooit nuttig leek te weten. Bovendien is dit boek niet makkelijk te lezen. De ruim tweehonderd pagina’s tekst bieden interpretatie na interpretatie, en ontberen daartussen domweg lucht. Combineer dit met een redelijk hoog abstractieniveau, en dat alles maakt dit boek wat zwaar om te verteren.

En toch.

Ergens in de inleiding al maakt Kennedy de opmerking dat er in de Nederlandse politieke cultuur een eeuwig geloof bestaat dat veranderingen onverbiddelijk zullen komen. De loop der geschiedenis wordt als onvermijdelijk gezien. Wat dan weer tot komische of juist dramatische reacties leidt in tijden van crisis. Koning Willem II werd in éen nacht van conservatief tot liberaal, omdat elders een revolutie dreigde. Wilhelmina zette ingrijpende arbeidshervormingen in gang in 1918, ondanks dat Troelstra’s putsch mislukte.

Maar door dit verschijnsel hebben Nederlandse politici steeds een overdreven drang ‘met de tijd mee te willen gaan’. En daar zit zowel iets heel prettig pragmatisch in als ook iets heel lelijk lijdzaams.

Kijk, alleen om zo’n opmerking al is het de moeite zo’n taaie dissertatie door te nemen. Want, ook al beslis ik er over een tijdje misschien van dat het niet klopt; ik ben dan wel weer iets verder in mijn gedachten gekomen.

James Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw
Nederland in de jaren zestig

343 pagina’s
Uitgeverij Boom, 1995
vertaling Simone Kennedy-Doornbos

Moderniteit en overheidsbeleid ~ Maarten Arentsen en Willem Trommel ed.

Boeken zijn op verschillende manieren te lezen. De meest gebruikelijke is om je geheel over te geven aan de auteur, en erop te vertrouwen dat die je op aangename wijze van kaft tot kaft zal leiden. Ik kan dat maar zelden. Bij mij is lezen niet zelden juist een gevecht tegen de schrijver.

Waarom zou ik een schrijver vertrouwen? Waarom kloppen diens beweringen? En misschien wel de belangrijkste vraag: wat staat er allemaal niet in het boek, en waarom is dat dan wel?

In die zin bestaan er ook nauwelijks onbruikbare boeken voor mij; alles dat mij aanzet tot nadenken, en daarmee mijn inzichten vergroot, heeft nut gehad.

Moderniteit en overheidsbeleid werd geschreven als reactie op de kritiek van Pim Fortuyn. Want, klopte het wat die zei over de falende overheid? En als de overheid faalt, waar ligt het dan aan?

Om dit te onderzoeken hebben zeven verschillende auteurs, allen werkzaam in de bestuurswetenschappen, elk een beleidsterrein onderzocht dat meestal al jaren problemen oplevert. Dit zijn:

  1. de WAO;
  2. het universitaire stelsel;
  3. de gezondheidszorg;
  4. de arbeidsvoorziening;
  5. veiligheid;
  6. de integratie;

Conclusie is daarbij niet zelden: dat de overheid door zijn eigen beleid ook zelf steeds nieuwe problemen oproept. Maar tegelijkertijd is het niet waar dat er alleen maar gefaald wordt. Dat dit idee bestaat, komt volgens de auteurs ook omdat het publiek steeds makkelijker onmiddellijk bereid lijkt dat beeld van die falende overheid te accepteren.

Wat ik bij die conclusies evenwel deerlijk miste, was een werkelijk adequate analyse van hoe de politieke besluitvorming in Nederland werkt. Er wordt te veel vanuit theorie gedacht; beleid loopt altijd achter op ontwikkelingen, zo staat in dit boek. Ja, dat klinkt logisch, maar vraag je dan ook af waarom dat komt, denk ik dan.

Het openbaar bestuur is hier bijvoorbeeld bijna totaal vervlochten met politiek. Dat alleen al heeft enorme consequenties. Omdat in Nederland een klein land is, waarin alleen coalities regeren, komen politici en bestuurders elkaar telkens tegen, ook al zijn ze misschien dan van positie gewisseld. Een enorm probleem lijkt mij dat hierdoor bijna niemand op zijn persoonlijke falen af te rekenen is. Dit kan namelijk de prettige samenwerking in de toekomst bemoeilijken.

Als gevolg daarvan worden de gevolgen van beleid waarschijnlijk ook te zelden geanalyseerd, want waarom zou men? Of omgekeerd: welk nut heeft visie, als het hebben van een visie alleen maar de verplichting oproept anderen eerst te moeten overtuigen omdat zij nog allemaal niet zo denken?

Daarnaast komt in de probleemanalyses in dit boek te zelden aan bod waar de gevestigde belangen precies zaten, en wat voor invloed die hebben op voorgestelde beleidswijzigingen.

Wat bij mij tot de vrij harde conclusie leidt: als overzicht van de ontwikkelingen op de probleemterreinen biedt dit boek veel. Maar dat is niet het moeilijkste. Pluk een kaartenbak, of een ander archief leeg, en zo’n verhaal is vrij makkelijk te schrijven. In die zin is veel in dit boek eerder journalistiek dan wetenschap.

Het echte inzicht biedt dit boek dan ook niet. Misschien omdat de auteurs zich te zeer beperken tot het beschrijven van de ontwikkelingen alleen. Maar waarschijnlijk toch omdat ze te veel over het bestuur in Nederland als vanzelfsprekend aannemen, en daarom niet meenemen in het verhaal.

Maarten Arentsen en Willem Trommel ed., Moderniteit en overheidsbeleid
Hardnekkige beleidsproblemen en hun oorzaken

232 pagina’s
Uitgeverij Coutinho, 2005


Niet spreken met de bestuurder ~ Gerard van Westerloo

Dit is een elementair boek voor iedereen die een mening hebben wil over de politiek in Nederland. Het bevat zoveel basisinformatie over de rot in het openbaar bestuur dat ik het verplicht zou voorschrijven aan de lezers van mijn weblogs, als dat kon.

Dat zou nogal wat uitleg schelen.

Toch is het ook weer geen perfect boek. En bovenal laat het me treuren over het lage niveau van de journalistiek in Nederland.

Niet spreken met de bestuurder bevat elf lange journalistieke reportages. Van Westerloo schreef die grotendeels tijdens de opkomst van Pim Fortuyn als politiek fenomeen, maar vooral ook daarna. Hij mocht vlieg op de muur zijn bij onder meer de gemeenteraad in Arnhem, de PvdA-fractie onder Melkert, en ook de Eerste Kamer. Later sprak hij nog met gemeenteraadsleden in Rotterdam, en met wat nieuwe jonge kamerleden die aantraden na de verkiezingen die het kabinet Balkenende ii opleverde.

Maar daar gaat het niet eens om. Die meeste reportages zijn niet zo plaatsgebonden; vergelijkbare verhalen hadden vaak ook elders opgetekend kunnen worden. De teneur was dan niet anders geweest: in Nederland zijn openbaar bestuur en politiek totaal met elkaar vervlochten. Dit betekent dat dezelfde mensen het ene moment bestuurder zijn, een paar jaar later controleur, en dan weer adviseur. Zo’n systeem heeft een sterk afstotend vermogen om buitenstaanders te weren. In nabije buitenlanden heet zo’n systeem zelfs corrupt.

Van Westerloo schrijft helaas niet met zo veel woorden op wat dit betekent: maar politici en bestuurders kunnen in Nederland nergens meer op worden afgerekend. Dat hoort niet tot de mores; die mensen moeten eeuwig met elkaar verder kunnen, of anders wel met de partijen waar ze toe behoren.

Wel is zijn thema dat de politiek en het openbaar bestuur hier autistisch is, met als gevolg dat alle visie ontbreekt. Daardoor wordt er te veel tijd besteed aan bijzaken, en geneuzel. Meest schrijnende voorbeeld in dit boek: in de PvdA-fractie onder Melkert waren er veertien kamerleden woordvoerder over het onderwerp minderheden. Daarbij had de éen zich gespecialiseerd in de gezondheid van minderheden, en ander in het onderwijs aan minderheden, en een derde in het welzijn van de minderheden…

Dit boek dringt me ook twee conclusies op over de media in Nederland. De eerste is: Van Westerloo heeft hier zo ongeveer de beste reportages verzameld die er de laatste jaren in Nederland geschreven zijn. Toch is geen in aanpak en uitwerking heel bijzonder, vergeleken met wat ik uit de Amerikaanse of Britse journalistieke traditie ken. Gedegen vakwerk is het, maar niet meer dan dat.

Iedere krant of ieder tijdschrift moet reportages van dit niveau kunnen brengen. Dat dit niet gebeurt, stemt somber.

En ook: met de kennis die Van Westerloo de lezer biedt over het falen van het openbaar bestuur in Nederland, wordt ook duidelijk dat een heleboel journalistiek slechts meehelpt een schijnwerkelijkheid in stand te houden. De democratie hier is een mythe. Dat besef stemt nog somberder.

Gerard van Westerloo, Niet spreken met de bestuurder
366 pagina’s
Uitgeverij De Bezig Bij © 2003

Land van haat en nijd ~ Margarith Kleijwegt & Max van Weezel

Dit boek heeft al overal uitgebreid in de belangstelling gestaan. Maar dat kwam alleen omdat een toevallige opmerking achterin over de sharia, van de toenmalige minister Donner, door het dagblad AD zo negatief als mogelijk werd uitgelegd. En vervolgens had iedereen z’n meestal ongefundeerde mening klaar.

Dus had ik het eigenlijk liever genegeerd. Maar dit boek paste zo goed in het thema ‘typisch hollands‘ op dit boeklog, over mijn speurtocht naar wat er over het hedendaagse Nederland geschreven wordt.

En het moet gezegd dat dit een rijk boek is, waar ik zowel heel positieve dingen over te melden heb, als uiterst negatief over moet oordelen.

Mooi eraan is dat Het land van haat en nijd niet in éen ruk geschreven werd, maar bewerkingen bevat van artikelen uit 1992 tot nu toe. En al ligt de nadruk sterk op de laatste vijf jaar, het boek biedt een overzicht, en voert daarvoor heel wat zeer verschillende mensen sprekend op.

Soms spreken die mensen met een heel groot inzicht, ook.

Maar de auteurs dicht ik toch aanmerkelijk minder inzicht toe. Ik verwijt ze te hebben nagelaten om mij genoeg harde feiten aan te bieden. Nu is mij wel duidelijk dat het bijvoorbeeld moeilijk is om de opmars van het extremisme onder jonge mannen in cijfers aan te geven. Maar zelfs de constatering dat dit moeilijk is, ontbreekt.

En door te vaag over aantallen te blijven wordt dit boek, door de gekozen opbouw, zelfs gevaarlijk tendentieus. Dondert niet dat het een-na-laatste hoofdstuk ineens wel allemaal moslims bevat die begrijpen dat Nederland hun thuisland is, en dat die keuze misschien ook iets van hen vraagt.

In de hoofdstukken daarvoor wordt me er te vaak te makkelijk naartoe geredeneerd dat een als kansarm ervaren bestaan automatisch tot onaangepast gedrag leidt, of zelfs een gewelddadig extremisme veroorzaakt. Vanwege dat geloof.

Cijfers, of een betere context, hadden dat beeld misschien kunnen wegnemen, bij mij.

Want, het boek heeft een ander probleem; er is mij te weinig kader geboden. Er wordt dan ook het onmogelijke getracht. Namelijk om vanuit de kwalen de oorzaken te benoemen. Dat is een in de journalistiek gebruikelijke aanpak. Maar deze manier van werken heeft het probleem dat die op artikelniveau doorwrochte en spraakmakende stukken op kan leveren, maar in het grotere verband van een boek tekortschiet op analytisch niveau.

De auteurs proberen wel het tekort aan analyse en harde feiten te verbloemen door stemmen en tegenstemmen te laten horen, maar laten daarmee bijna alles aan de interpretatie van de lezer over.

Deze lezer trapt daar niet in, want ik vind zulks gemakzuchtig schrijven. En erger nog: verwijtbaar lui denken.

Margarith Kleijwegt & Max van Weezel, Het land van haat en nijd
Hoe Nederland radicaal veranderde

255 pagina’s
Vrij Nederland / Uitgeverij Balans © 2006


Zoetzuur ~ Syp Wynia

Eén van elke vijf besprekingen op dit boeklog gaat over een bundel. Zo noem ik de verzamelwerken met een inhoud die al eens elders gepubliceerd werd, in vaak dagelijkse of wekelijkse porties. Vaak zijn dat bundels met columns hier.

Nu is veel aan een column vorm, en mij valt op dat er maar weinig columnisten zijn die verder komen dan die vorm. Stijl is belangrijker dan inhoud. Meningen gaan boven feiten. En de waan van de dag wint het altijd van diepgaander analyses

Niet zo bij Syp Wynia. Al kan ik dan alleen voor de 66 columns in deze bundel spreken. Die werden geschreven tussen de lente van 2002 en juli van dit jaar, en zijn vast een selectie uit een groter corps. Ik lees het weekblad Elsevier niet, en kan daarom niet zeggen of hij alle weken op het hoge niveau schrijft dat in dit boek zo vaak behaald wordt.

Mij verraste bijvoorbeeld dat Balkenende en Bos wel in de subtitel van dit boek opduiken, maar nauwelijks als persoon in de tekst terugkomen. Wel wordt ingezoomd op waar hun politieke partijen voor staan. Daarbij kijkt Wynia naar wat overheidsbeleid in praktijk betekent, en niet naar wat onze politici zeggen of dat er gebeurt. Zo legt hij bloot wat het betekent als kabinet en parlement samen het merkwaardige idee koesteren dat met het instellen van almaar nieuwe regels alles vanzelf beter wordt.

Ik las veel voor mij nieuwe feiten. Alleen dat al was prettig aan dit boek. Want, de rubriek typisch hollands op dit weblog laat weliswaar zien dat ook ik zo mijn meningen gevormd heb over Nederland, Wynia’s kijk op de huidige samenleving is breder. En dieper vaak ook.

Net zoals hij keer op keer toont welk correct denken er invloed heeft op de politiek, laat hij ook zien wat er in de zakenwereld mis zit. Omdat daar net zo goed gepolderd wordt, hier. En heel wat bedrijven vormen misschien dan geen kartels, maar toch zeker wel oligopolies. Met erg veel macht.

Bovendien wist hij met sommige columns mijn blik beter te focussen, door precies de vragen te stellen die een onderwerp net even anders bestrijken. Daardoor komen zelfs sommige eerder hier besproken boeken in een ander licht te staan.

Neem nu Het land van haat en nijd. Daarin maken twee Vrij Nederland-redacteuren in 255 pagina’s minder zinnige opmerkingen over de achtergronden van de huidige integratieproblemen dan Wynia in twee, drie columns doet. Meest onthutsende constatering van hem is wel dat de kamercommissie die bekeek waarom veel immigranten hier zo slecht inburgeren daarvoor gebruik maakte van de dezelfde onderzoekers die de overheid almaar adviseerden tot die mislukte integratie.

Maar dergelijke merkwaardige coterietjes zijn schering en inslag hier.

Goed, Wynia brengt zijn conclusies soms met het aplomb dat een column vereist. En hem wordt nogal eens verweten ‘zuur’ te schrijven.

Ik vind hem nog mild blijven, bij alle toonbare idiotie.

Syp Wynia, Zoetzuur
Zesenzestig columns uit het
land van Balkenende en Bos

212 pagina’s
Elsevier © 2006

Klem in de draaideur ~ Ad van Liempt & Ger van Westing

‘De ontwikkeling van een woede’ — deze titel van Bob den Uyl had wonderwel gepast bij de geschiedenis die in dit boek verteld wordt. Want, voor een buitenstaander valt niet goed te begrijpen waarom een conflict tussen een minister en haar ambtenaren zo moest escaleren.

Goed. In Groningen ging het twee maal totaal mis in het opsporings- en handhavingsapparaat. Eerst werd politieman Lancee met overdonderend machtsvertoon door collega’s gearresteerd, op een valse beschuldiging door zijn dochter van incest. Toen kwamen de Oosterparkrellen, waarbij het politie-optreden juist veel te lang uitbleef.

Er waren fouten gemaakt daar. Die moesten worden uitgezocht. En in dat onderzoek kwam nog meer aan het licht dat niet volgens de juiste procedures was verlopen.

Mooi aan dit boek is de rijkdom aan bronnen, waardoor het verhaal van twee kanten verteld kan worden. Minister Sorgdrager en haar getrouwen maakten zeker foutjes. Maar Arthur Docters van Leeuwen en zijn college van procureurs-generaal deden dit ook. Toch was het vooral de onwrikbare opstelling van beide partijen tegenover elkaar, waardoor hun conflict zo hoog opliep. Niet in het minst daarbij geholpen door de media, die met een geregeld nogal tendentieuze berichtgeving een klimaat schiepen waarin geen redelijkheid meer mogelijk bleek.

Overigens wordt in dit boek prachtig duidelijk hoezeer journalisten zich hiervoor lieten gebruiken.

Grappig is hoe de auteurs achterin de lessen van deze affaire hebben samengevat. Anders doe ik dit meestal zelf, dus dit scheelde me werk.

En ik zou ook willen zeggen, jammer dat er een conflict nodig was om zo’n inzichtelijk boek te schrijven over hoe ons openbaar bestuur functioneert. Nu lijkt wat misschien wel gebruikelijk is waarschijnlijk plotseling fout — door de setting. Terwijl mij het uiteindelijk altijd om die twee vragen blijft gaan: wat is uitzonderlijk? Wat is normaal?

Ad van Liempt & Ger van Westing, Klem in de draaideur
Arthur Docters van Leeuwen
en het Ministerie van Justitie 1995-1998

228 pagina’s
Uitgeverij Balans © 2000

Hoe word ik politicus? ~ Stemhok.nl

Er zijn net verkiezingen geweest, dus las ik dit boek te laat. Tenminste, als ik nog enige ambitie zou hebben gehad om Kamerlid te willen worden. Dit is namelijk een handleiding om in het parlement te komen, geschreven door mensen die enige minachting voelen voor het niveau van wat zich daar afspeelt.

Tegelijkertijd, doordat zij de satire beperken tot beschrijvingen over de gewenste kwaliteiten van nieuwe parlementariërs, maken ze de Tweede Kamer wel erg belangrijk. Dat is de wat merkwaardige paradox die aan humor kleeft.

Een afrekening met de Nederlandse politiek is dit namelijk niet. In dit boek geen kritiek op de veelgelaagde organisatie van het openbaar bestuur hier, met die provincies en de gemeenten ook nog eens erbij.

Evenmin speelt Europa een rol.

Nee, het Kamerlidmaatschap wordt vooral als een mooi baantje voorgesteld. En wat iemand daarvoor moet kunnen, mag vooral niet worden overschat. Maar och, wat levert die positie een leuk tractement op, en is het niet een fijne uitgangspositie om later iets te gaan doen dat nog beter betaalt?

Te prijzen aan dit boek is dat de trucs benoemd worden waarvan politici zich bedienen. Wie eenmaal snapt wat de effecten zijn van de praktijkoefening ‘Eromheen praten’, en het cursusonderdeel ‘Effectief demoniseren’, kijkt voortaan anders naar het nieuws.

Maar, ik deed dat al. Een probleem voor mij was, bij het lezen van dit boek, dat mijn oordeel over de effectiviteit van de Tweede Kamer nog wat cynischer is dan dat van de makers. Dus kon ik genieten van een geslaagde formulering nu en dan. Maar bleef het daarbij.

Het mooist vond ik nog de motto’s bij ieder hoofdstuk; al waren dat dan steeds citaten van anderen.

extra: website stemhok.nl

Stemhok.nl, Hoe word ik politicus?
158 pagina’s
Uitgeverij Podium, 2006

Polityk yn Fryslân ~ Eelke Lok

Aan de vooravond van de Statenverkiezingen op 7 maart 2007 bracht journalist Eelke Lok een boek uit over zijn ervaringen met de provinciale politiek. Vlotte beschouwingen schrijft hij daarin, waaruit nogal wat relativering spreekt. Als jongmaatje bij de radio raakte Lok nog onder de indruk van alle rituelen van een Statenbijeenkomst. Maar op een gegeven moment kon hij voor de vergadering al voorspellen wat de uitkomst van de discussies zou zijn. Toen werd het tijd met de verslaggeving daar op te houden.

lok_polityk yn fryslan

Maar waarom is de provinciale politiek toch zo vervelend?

Lok’s analyse van dit probleem komt met de ideeën overeen die ik vormde in wat ik aan politieke verslaggeving deed. Voor het grootste gedeelte zijn er maar heel weinig bestuurlijke punten waarover de verschillende politieke partijen in een provincie echt strijd zullen hebben. Desondanks wordt van werkelijk iedere komma in beleidsplannen gewogen of die iets uitmaakt. Daardoor vallen beslissingen soms pas als iedereen al vergeten is wat de aanleiding was om tot een beleidswijziging over te gaan. Bijvoorbeeld.

Organisaties en procedures dijen uit tot ze alle ruimte vullen die er is om ergens aandacht aan te besteden. Als Lok met dit boek éen ding aantoont, dan wel dat er te veel Statenleden zijn, en te veel ambtenaren voor de provincies werken. Dit kan ook omdat er geen externe dwang gevoeld wordt om op tijd kwaliteit af te leveren.

Leve daarom een boek als dit, dat soms bij het cynische af is.

Goed vind ik verder hoe Lok uitlegt over welke thema’s de Friese provinciale politiek telkens weer gaat. En dan vooral dat hij kan aantonen hoe weinig daarin al decennia verandert; op wat details na dan misschien.

Wel ontbreekt wat een eigen visie van Lok op waarvan hij denkt dat dan meer nadruk nodig is. Ja, het kan best af met wat minder gemeenten, maar verder? Al valt te verdedigen dat een beschouwing daarover buiten het bestek van dit boekje valt.

Curieuzer vind ik het enorme aantal namen van Friese politici waarmee Lok zijn beschouwingen heeft gekruid. Het is haast of de uitgever erop speculeert ook een bestseller te hebben als iedereen die genoemd wordt het boekje kopen zal. Toch krijgt bijna niemand een uitgewerkt portret. En Lok geeft ook aan dat er niets met die mensen zelf mis is. Dat maakt de mentale verlamming die toeslaat als die namen in vergadering samenkomen juist zo merkwaardig. Iets meer analyse van wat die groepsprocessen bepaalt, was prettig geweest.

Toch, wat zou ik niet geven voor een boek waarin een insider de Haagse politiek eens afzet tegen bijvoorbeeld de Europese. Dit zal alleen al niet gebeuren omdat de parlementaire verslaggeving in Nederland merkwaardig genoeg het hoogste schijnt te zijn dat iemand in het vak bereiken kan.

Dus maken journalisten te zelden zo de balans op van hun werk als Lok doet in dit boek. Het kost waarschijnlijk ook te veel moeite toe te geven hoe merkwaardig het is jaren van een leven te hebben vergooid aan iets zo saais; van een dermate luttele betekenis. Bovendien is alle relativering een aanval op de beroepsblindheid van de collegajournalisten, en daarmee de mores.

Daarnaast moeten journalisten zorgen politici te vriend te houden; anders willen die niet meer praten. Eelke Lok is nog altijd medepresentator van een talkshow op Omrop Fryslân TV. Benieuwd daarom of dit boekje nog invloed heeft op wie daarin als gast verschijnt. Maar waarschijnlijk zijn politici zo ijdel dat het niets uitmaakt wat degene die ze interviewt echt over hen denkt.

Al hun mediatijd voelt als reclame. En bijten doen journalisten toch nooit hier.

wordt vervolgd

Eelke Lok, Polityk yn Fryslân
128 pagina’s
Steven Sterk Utjouwers, 2007

Commentator in verkiezingstijd ~ Breedveld & Goslinga

Voor mij is deze bundel om twee redenen interessant. En beide houden verband met de datum waarop het verscheen. Maart 2002. Dat was anderhalve maand voor de meest vreemde Kamerverkiezingen in Nederland ooit. De moord op Pim Fortuyn was op dat moment nog slechts het idee in het hoofd van een fanatieke milieubeschermer, die meende het vaderland te moeten gaan redden.

Dus zijn de commentatoren Willem Breedveld en Hans Goslinga hier nog even zo arrogant laatdunkend over Fortuyn als in de massamedia gewoon was, op dat moment. En daarmee negeerden ze de onvrede in grote delen van de bevolking op een wijze die niet pleit voor hun objectiviteit.

Maar, veel merkwaardiger was voor mij is de constatering dat Breedveld en Goslinga nu nog altijd politiek commentaar geven in het dagblad Trouw. Vijf jaar later. Terwijl ze toen de spelletjes in Den Haag al heel goed door hadden. Vooral in de eerste artikelen uit deze bundel staan sterke analyses over waar het in de Nederlandse politiek aan schort. De grote partijen klonteren samen in het midden.

De ruimte om echt politiek te bedrijven is zodoende tot bijna nul gereduceerd. [17]

Wat maakt dan dat beide heren dat geneuzel in Den Haag nog altijd zo vreselijk belangrijk vinden, dat ze ook nu alleen daar over schrijven?

Het moet wel heel gezellig zijn daar. Schurkend tegen wat zij als de macht ervaren.

Breedveld verbaasde me overigens gisteren toch, door mee te gaan [jpg] in de dodelijke conclusie van bestuurskundige Klaartje Peters dat de provincies hun nut nogal overdrijven.

Maar het belang van de provincies overdrijven is toch nodig? Anders vallen er ineens gaten in het gesloten baantjescircuit dat in Nederland bestaat, vanwege die ongezonde menging van politiek en openbaar bestuur hier. Dat moet Breedveld toch zeker wel weten?

Ofwel, dit boekje roept de grote vraag op waarom sommige mensen de consequenties van hun eigen woorden niet lijken te beseffen. Of hoe het kan dat twee heren in tekst altijd bagatelliseren wat ze tegelijk belangrijk maken door het eeuwig hun aandacht te blijven geven.

Breedveld & Goslinga, Commentator in verkiezingstijd
Trouw Dossier nr 18

176 pagina’s
Rainbow Pocketboeken en Dagblad Trouw, 2002

Stuifzandsamenleving ~ Kees Schuyt

Prettig aan mijn andere weblog is dat ik daar altijd direct kan reageren op het nieuws. Geen redactie weerhoudt me ergens van, en ik hoef nooit te wachten tot de dag dat iemand heeft ingeroosterd dat mijn stukje komen mag.

Elke dag een column schrijven voor een krant, of desnoods een paar keer per week, lijkt me daarom niet vreselijk moeilijk. Er speelt altijd wel wat, mijn belangstelling is breed.

Een veel grotere bewondering heb ik daarom voor de columnisten die maar éen keer in de week iets mogen aanleveren. Helemaal als zij dit voor een krant doen, en niet voor een weekblad. Kies dan maar eens iets uit dat anderen niet ook al behandeld hebben.

Maar de allerhoogste lof bewaar ik voor columnisten die niet alleen de wereld becommentariëren, maar ook tegen de hijgerige actualiteit schrijven van het dagblad waarin zij elke veertien dagen mogen publiceren. Zoals de socioloog Kees Schuyt is gelukt in de Volkskrant.

Er is nogal wat verschil tussen een redactie vol journalisten die kritiekloos de dunspraak van politici accepteren, en een columnist die telkens op zijn manier aantoont dat de media daarmee helpen een totaal abstract geworden werkelijkheid in stand te houden.

Dunspraak is het gebruiken van bekende woorden en begrippen zonder er iets reëels of betekenisvols mee aan te duiden. [30]

Kees Schuyt was bijna alle tijd dat hij de columns in deze bundel schreef een prominent lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). En veel van de thema’s waar die raad onderzoek naar deed, komen in Schuyt’s columns terug. Publieke en private verantwoordelijkheid. Burgerschap. Kennismanagement. Media. Nu zijn ook dit abstracte woorden. Maar goed aan Schuyt’s columns is dat hij toch telkens een vertaalslag naar de lezer maakt, door uit te leggen wat bij die kwesties eigenlijk speelt.

Zo komt hij via verschillende invalshoeken telkens op de vraag terug waarom wij allen zo weinig vertrouwen hebben in onze politici, en waarom dit vaak ook wel terecht is.

kiezers lijken wel stuifzand. Ze waaien, met het geringste zuchtje wind, alle kanten op. [146]

Nee, over journalisten wordt weleens beweerd dat zij in hun werk de geschiedenis in een eerste ruwe versie vastleggen. Geloof daar niets van, Nederlandse journalisten missen daarvoor de afstandelijkheid, en de kennis bovendien.

Wie echt iets wil begrijpen wat er hier speelt sinds 9/11, of de moord op Fortuyn, kan nu nauwelijks al beter terecht dan in een bundel als deze.

Kees Schuyt, De stuifzandsamenleving
Een selectie uit de columns 1997-2004

191 pagina’s
J.M. Meulenhoff en De Volkskrant, 2005


Park Welgelegen ~ Marjolijn Februari

De beslissing of een boek hier het predikaat ‘aanbevolen’ krijgt, valt normaal tijdens het lezen. Het etiket plak ik vooral op boeken die me enthousiasmeren, op welke manier ook. Maar omdat ik me weleens laat meeslepen in dat enthousiasme, is een aantal boeken die eretitel weer ontnomen, wat later.

Marjolijn Februari’s roman De literaire kring is de enige titel geweest waarvan ik heb overwogen om die achteraf nog eens aan iedereen aan te bevelen. Dit kwam omdat de actualiteit het boek heel relevant maakte. In dit jaar doken ineens overal schadelijke producten op van onze favoriete handelspartner China. Plots werd de grote betekenis duidelijk van wat de groothandel in landen als Nederland met zulke waar doet. Of nalaat.

Blijft staan dat die roman bijna goed is, en dus niet volmaakt. Gelukkig daarom maar dat Februari zo veel columns schreef over precies datzelfde onderwerp als De literaire kring heeft als kern. Kan ik nu iedereen de bundel Park Welgelegen zonder enig voorbehoud aanbevelen.

Elk boek is natuurlijk een spiegel, waarin de lezer vooral zichzelf ziet. Ik heb de vergelijking vaker op deze website vaker aangehaald. En deze bundel gaat voor mij over precies hetzelfde waar boeklog zich in de categorie Typisch Hollands ook mee bezig houdt, bijvoorbeeld.

Er zijn al die instituties in Nederland: mij wordt bijvoorbeeld de hele tijd voorgehouden dat we in een democratie leven. Tegelijk zie ik het falen van de overheden zo goed, de visieloze middelmaat bij de politici, of de structurele fouten die optreden bij onze rechterlijke macht. En ook neem ik waar hoe lui en kritiekloos onze media zich laten lenen voor propaganda.

Dit maakt blij met iedereen waarin ik een medestander vermoed.

Marjolijn Februari heeft bovendien een interessante achtergrond. Zij weet van filosofie, en ethiek. Zij weet van recht. Maar bovenal vertaalt zij die kennis steeds naar actuele problemen, door daar de principiële moeilijkheden in aan te tonen. Dit maakt dat de columns die zij voor De Volkskrant schrijft ver uitstijgen boven de waan van de dag, ook al kunnen ze daar wel degelijk een reactie op zijn.

Dus versterken haar stukken elkaar. En verouderen ze niet snel.

En tegelijk roepen haar woorden droefheid op. Februari maakt duidelijk dat vaak zo achteloos gebruikte begrippen als democratie, rechtstaat, of desnoods fatsoen wel degelijk ergens voor staan. Dat de inhoud daarvan wel degelijk een mogelijkheid biedt om beslissingen — of het gebrek aan besluitvaardigheid — mee te beoordelen.

Hoe makkelijk is het niet dat besef te negeren.

Marjolijn Februari, Park Welgelegen
Notities over morele verwarring

235 pagina’s
Uitgeverij Querido, 2004


Democratie in verval? ~ Joop van Holsteyn & Cas Mudde (red.)

Deze bundel opstellen dateert nog van voor de moord op Pim Fortuyn, en de opmars van diens partij de regering in. Hoewel éen essay daarmee achterhaald is — dat over de betekenis van extreme partijen — blijft het een actueel boek. De samenstellers legden wat belanghebbenden de stelling voor dat de democratie in verval is. Aan de deskundigen, of de politici, was dan vervolgens het woord hoe dit toch komt. En wat verbeterd kan worden.

Toch, terwijl dit boek dieper probeert te graven dan bijvoorbeeld Van Westerloo’s Niet spreken met de bestuurder, viel het me tegen. Er staat maar éen essay in waar ik echt wat aan had. Het opstel ‘Voor democratie maar tegen politiek’ van de rechtsfilosoof Herman van Gunsteren bood me enkele nieuwe inzichten, terwijl ik het tegelijk niet volledig vond.

Graag had ik meer gelezen over de taak van de overheid in een democratie als beschermer, en toezichthouder. Bijvoorbeeld.

Aan de andere stukken viel me ook op dat ze geschreven zijn door mensen die telkens te dicht op de materie lijken te staan. Dus luidt mijn klacht: ik las wel diagnoses, maar die signaleerden alleen de symptomen, en gingen nauwelijks in op de mogelijk onderliggende kwalen. Een simpele vraag die ik niet behandeld zag, is waarom de Nederlandse politiek het type mensen trekt dat zich nu geroepen voelt de publieke zaak te dienen. En dat antwoord geeft bijvoorbeeld een Van Westerloo wel.

Merkwaardig, om een zo hooggeleerd boek als dit toch een wat pijnlijke oppervlakkigheid te kunnen verwijten.

** zie ook: De Wet van behoud van ellende

Joop van Holsteyn & Cas Mudde (red.), Democratie in verval?
224 pagina’s
Boom, 2002

Politiek van goede bedoelingen ~ Hans Achterhuis

Dit essay van de filosoof Achterhuis is van even na de luchtoorlog tegen Kosovo, eind jaren negentig. Toen Nederland zich van de ene dag op de andere ineens in een oorlog bevond, elders in Europa. Dit gaf Achterhuis aanleiding genoeg om zich af te vragen waarom hij die betrokkenheid instinctief afwees.

Welke doelen werden er eigenlijk nagestreefd met die vijandelijke inmenging? Hoeveel daarvan waren enkel holle retoriek? Bühnepraat, en anders niet…

En wat werd er dan wel met die oorlog bereikt? Of anders gezegd, wat waren precies de negatieve gevolgen?

Achterhuis baseerde zich in dit essay vooral op het werk van Hannah Arendt, en Machiavelli. Al blijkt hij ook nog aardig wat prijzenswaardigs aan een boek van de geschiedtheoreticus Ankersmit te kunnen ontlenen. En met dit filosofische instrumentarium ontleedt hij dan onbarmhartig de uitspraken van de boven ons gestelden, om zo het doorgaans totale gebrek aan visie dat daar uitspreekt aan te kunnen tonen.

In die zin is dit een somber stemmend boekje. Politiek is de showbusiness van de lelijkerds en de talentlozen, ik heb dat hier vaker betoogd. Maar het blijft pijnlijk om te zien hoe die lelijkerds en talentlozen zich het nieuws inwringen als zij iets hebben waarmee zij zich daarmee kunnen profileren als krachtige persoonlijkheid.

Maakt niet uit als daarmee internationale verdragen eenzijdig worden opgezegd. Maakt niet uit als daardoor elders doden gaan vallen.

En zelfs als politieke liefdadigheid wel goede bedoelingen heeft, dan nog kent die smerige kanten, al was het maar door de afhankelijkheid die het kweekt.

Zo bekeken laat Achterhuis ook zien welke mechanismen zullen hebben gespeeld bij de beslissing van Balkenende’s CDA om mee op kruistocht te gaan met die wedergeboren Christen uit het Witte Huis. Of hoe de retoriek ontstaat die ons kabinet nu weer bezigt om een langer verblijf in Uruzgan te rechtvaardigen, zonder dat daarbij ooit wordt uitgelegd hoe lang de stammenstrijd in die regio al woedt. Want Afghanistan is een bedacht land, maar geen politicus die zich ook maar enige rekenschap geeft van dat gegeven.

Hans Achterhuis, Politiek van goede bedoelingen
144 pagina’s
Boom, 1999

Opgeblazen bestuur ~ Klaartje Peters

Dit was éen van die boeken uit 2007 die ik nog vergeten was te lezen. Zelfs al had ik bestaan zowel op mijn andere weblog als hier allang gesignaleerd. Maar toen de Provinciale Statenverkiezingen eenmaal geweest waren, leek de actuele aanleiding tot lezen ook wat voorbij.

Toch is dit een nuttig boek, zelfs zonder daarbij meteen een link met die twaalf Nederlandse provincies nodig is. Omdat bestuurskundige Klaartje Peters voor de verandering eens kijkt waarom beleidskeuzen gemaakt worden, en daar dan conclusies uit durft te trekken.

In mijn somberste momenten vrees ik dat de politici hier zich vooral bezighouden met schijnproblematiek. Doordat immer alleen over deelkwesties gezeurd wordt, doen zij ons voorkomen dat beleid maken iets vreselijks ingewikkelds is. Als het verbeteren van details al nauwelijks lukt, zo lijken zij ons te zeggen, dan is een vraag om de echte problemen aan te pakken natuurlijk onmogelijk, geachte burger.

Prettig aan Het opgeblazen bestuur is dat Klaartje Peters zich niets van al die gewichtdoenerij aantrekt. Zij heeft onder meer bekeken waarom provincies toch sommig beleid ineens ontwikkeld hebben. En uit die simpele vraag blijkt dan bijvoorbeeld dat sommige van die regionale overheden zich op het moment regelmatig groter maken dan ze zijn. Er worden allerlei projecten begonnen die niets met de traditionele taken van de provincies van doen hebben.

Voor een deel is deze drukdoenerij een reactie op een ontwikkeling uit de jaren negentig, toen even het bestaansrecht van de provincie als bestuurslaag ter discussie leek te komen. Meteen begonnen de provinciale besturen zich als brulkikkers op te blazen, om hun aanwezigheid rond te kwaken.

In dit boekje geeft Peters tal van redenen waarom het provinciaal bestuur in Nederland aanmerkelijk bescheidener kan. In elk geval zou het nuttig zijn als het geheel overheidsdiensten werden; rechtstreeks onder het bestuur van ministerie vallend. Dat politieke deel, met die Statenleden, en de Gedeputeerden, mag van haar meteen verdwijnen.

Tegelijk geeft Peters ook aan dat het in Nederland niet zo werkt. Provincies hebben nu eenmaal geschiedenis. Alleen al omdat ze bestaan, lijkt hun bestaansrecht voor eeuwig bewezen.

Maar vrijwel geen burger heeft een band met zijn provincie, en zeker niet met het bestuur daarvan. En het idee dat de Friezen dit dan nog wel hebben? Dat is een mythe volgens Peters. Protestanten zijn trouwere stemmers dan katholieken, en plattelandsbewoners zijn trouwere stemmers dan stedelingen. In een plattelandsprovincie met veel protestantse inwoners zullen de opkomstcijfers bij Statenverkiezingen dus hoger zijn dan elders. Daarmee is de relatief hoge opkomst in Friesland bij de Statenverkiezingen verklaard.

Klaartje Peters, Het opgeblazen bestuur
Een kritische kijk op de provincie

195 pagina’s
Boom, 2007

Buiten is het koud en guur ~ Thomas von der Dunk

Ik lees kranten, en van het TV-journaal zie ik ook weleens een flard, maar dat is niet omdat hun behandeling van de actualiteit me nu wezenlijk interesseert. Al hoop ik nog altijd wel geïnformeerd te worden. Voor een deel zal die drang om dagelijks kennis te nemen van het laatste nieuws weinig anders dan een gewoonte zijn.

Maar de massamedia concentreren zich altijd te veel op deelaspecten van een probleem, en hun hijgerigheid begint me steeds meer te storen. Ik wil iets alleen niet benoemd zien, ik wil iets geplaatst zien in een groter geheel. Maar dit kan niet in een paar honderd woorden, en een reportage van een minuut of wat. Dus bieden uiteindelijk alleen tijdschriften, met lange artikelen, en boeken soelaas.

Deze bundel beschouwingen van de cultuurhistoricus Thomas von der Dunk behoort tot het beste wat ik las over de grote ontwikkelingen in Nederland sinds 9/11. Dit komt doordat hij overzicht heeft. Dit komt omdat hij vijanden durft te maken. Von der Dunk’s oordeel over de vaderlandse politiek is zeldzaam hard, en daarmee nogal verfrissend vergeleken met het gezalf en gestrijk van anderen.

Met zijn evenredige vertegenwoordiging zonder enige drempel is ons kiesstelsel er vooral op gericht om pluriform te kunnen praten, niet om daadkrachtig te kunnen besluiten, en dat werkt vervolgens op regeringsniveau door. Ook daar is de macht onduidelijk, en daarmee bij feilen ieders verantwoordelijkheid — zie Srebrenica. [185-186]

Zo deze dikke bundel een centraal thema heeft, dan is dat de weinig vrolijk makende boodschap dat Nederland steeds meer op een angstig konijn lijkt, dat niets beter weet dan stofstijfstil te blijven zitten, in reactie op alle impulsen van buiten.

Vanzelfsprekend dat Von der Dunk zijn conclusies verwoordt met nogal wat aplomb. Maar gezien alle verstarring en het bestuurlijke autisme dat hij signaleert, is dat niet eens raar.

Thomas von der Dunk, Buiten is het koud en guur
Nederland na de aanslagen en de aanslag
424 pagina’s
Van Gennep, 2004

Tegen de waarheid in de politiek ~ F.R. Ankersmit

Zelden lees ik iets uit vrije wil dat me hard weer in de schoolbanken terugplaatst. Maar bij deze lezing van de theoretisch historicus Frank Ankersmit was dit toch het geval.

Hierbij speelt mee dat ik ook werkelijk in de schoolbanken heb gezeten tijdens colleges van Ankersmit. Zijn preoccupaties zijn me daardoor bekend. Net als dat ik weet hoe warrig hij zijn kan, zowel in presentatie als op schrift.

Toch kwamen de conclusies in het betoog van Ankersmit mij niet erg vreemd voor. De politici in Nederland plannen inderdaad nogal merkwaardig op uitkomst, en maken cijfers en statistieken op een merkwaardige manier heilig. Maar goed, hoeveel vaker is dat hier of op mijn andere weblog al niet aan bod geweest?

Ankersmit wijdt alleen het failliet van de huidige politiek aan iets dat ik niet begrijp, en waarschijnlijk ook nooit snappen zal.

Hij is mij in deze lezing toch te zeer een goochelaar die uiteindelijk het bekende konijn uit de hoed weet te toveren, maar de hele tijd daarvoor met veel misbaar een olifant op het toneel heeft laten dansen.

Voor hem is democratie pas mogelijk sinds de Franse Revolutie, omdat het Ancien Regime werd afgeschaft door mensen die daarbij nog geen programma hadden voor hoe het dan wel moest.

Goed. Ja. En dan?

Ankersmit legt na dit statement zijn model van de geschiedenis vervolgens over de gebeurtenissen heen, en dus klopt vervolgens alles daarmee. Mij ontgaat het nut van de exercitie eenvoudigweg wat. Ook al omdat Nederland nog altijd een regentenbestuur kent, zoals in de tijd van het Ancien Regime.

De lezing geeft het Rudolf von Laun Instituut dan wel aanleiding om te verklaren dat Ankersmit bij uitstek een metafysicus is; zelfs al had hij daar misschien helemaal geen weet van.

Enfin.

F.R. Ankersmit, Tegen de waarheid in de politiek
Lezing uitgesproken ter gelegenheid van de
Dies Natalis van het Rudolf von Laun Instituut,
op zaterdag 23 november 2002
in de Bonifatiuskerk te Leeuwarden

38 pagina’s

Rede en macht ~ J.A.A. van Doorn

Prachtig boek, op éen klein maar wezenlijk punt na. Als het Van Doorn te doen was om te definiëren wat interventiewetenschappen kunnen betekenen, dan blijft hij voor mij daarbij hangen in een te theoretisch ideaal. Simpelweg omdat detzelfde kritiek die hij geeft over de maatschappij, of de politiek, ook opgaat voor het wetenschappelijk bedrijf. Iedereen die zich niet bezighoudt met keiharde wetenschap, met bewijzen die overal ter wereld gelden — en waarover consensus mogelijk is — zal gevoelig blijken te zijn voor modes en andere sociale druk. En daarmee dus oogkleppen ophebben.

Van Doorn ziet dit overigens wel, maar komt helaas niet veel verder dan de constatering. En dat is dan voor het eerst, in dit boek.

Rede en Macht leest als een magnum opus — als een boek waarin alle kennis en ervaring uit een leven werd samengebald. Dat vond ik er ook zo prettig aan. Niet de hoeveelheid bronnen imponeerde, maar het gemak waarmee de socioloog Van Doorn verbanden legde tussen die bronnen. En dat dit boek zich niet beperkt tot de sociologie.

In het boek worden twee ontwikkelingen besproken, die elkaar wederzijds beïnvloeden. Aan de ene kant is dat de voortgaande rationalisering van de samenleving (rede), en anderzijds bestaat er dat streven naar verdere beheersing van maatschappelijke ontwikkelingen (macht). Van Doorn doet dit door een mentaliteitsgeschiedenis te geven van de negentiende en twintigste eeuw, en door na te gaan wat daarbij van invloed was.

Sterk aan het eerste deel is hoe Van Doorn conclusies aan deze trends verbindt die twintig jaar later ineens griezelig inzichtelijk lijken.

Of tolerantie alle problemen kan oplossen blijft een grote vraag. Nog afgezien van eisen die voortvloeien uit fundamentalistische standpunten, vertonen sommige minderheden, tenminste potentieel, een combinatie van religieus, cultureel en nationalistisch particularisme dat te zamen met sociale discriminatie en economische deprivatie een uiterst brandbaar mengsel maakt. [78]

Hoelang duurde het niet voor politici hier zoiets hardop durfden te denken? En nu ze het dan allemaal denken, is er vervolgens geen enkel nuttig idee waar de problemen aan liggen, of hoe die het best op te lossen zijn.

Vrijwel alle trends die beschreven worden, roepen de vraag hoe rationeel daarmee omgegaan wordt. Wat Van Doorn tot de conclusie dwingt dat het begrip rationaliteit misschien uitbreiding verdient. Alleen ziet hij vervolgens vooral kokerdenken bij de wetenschappelijke disciplines die zich bezighouden met vragen over de mechanismen achter politiek beleid. Beleidswetenschappers onderhouden nauwelijks relaties met organisatiewetenschappers.

En, zoals hierboven geconstateerd, tegenover zo’n gebrek zet Van Doorn vervolgens nauwelijks iets als alternatief dan een wensdroom. Er is meer publieke discussie nodig, tuurlijk. Wetenschappers zouden zich meer in het openbaar rekenschap moeten geven van wat speelt, vanzelfsprekend.

Maar hoe dan? Binnen de Nederlandse verhoudingen? In die cultuur waar de grootste publieke intellectuelen zelden gehinderd worden door kennis?

J.A.A. van Doorn, Rede en Macht
Een inleiding tot beleidswetenschappelijk inzicht
256 pagina’s
VUGA Uitgeverij BV, 1989

Haagse tegenstrijdigheden ~ André Rouvoet e.a.

Het gaat wat ver om van een dun boek als dit te verwachten dat het dé analyse biedt over de merkwaardige paniek in politiek Nederland sinds de moord op Fortuyn. De ruimte om de diepte in te gaan ontbreekt. En toch roept ook deze uitgave vooral dezelfde conclusies op die ik al maakte, over vergelijkbare, maar dikkere boeken.

De diagnose kan niet deugen, als die te zeer gericht blijft op een te klein deel van het probleem.

Goed, een actief politicus als André Rouvoet [CU] is moeilijk kwalijk te nemen dat hij zich alleen richt op waar de politieke partijen in de Tweede Kamer aandacht voor hebben.

Maar ook de blik van PvdA-er Bart Tromp blijft te zeer op partijniveau hangen. Al leer ik dan wel uit een voetnoot bij hem:

In de politiek betekent ‘professional’ dat iemand voltijds werkt, niet dat hij of zij over onbetwistbare expertise beschikt.

Paul Schnabel, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau [SCP], doet wel een bijna interessante poging om aan te geven welke maatschappelijke ontwikkelingen allemaal genegeerd zijn, door politici in Den Haag. Hij concludeert:

Opvallend is dat anders dan in de jaren zestig nu niet gepleit wordt voor een totale verandering van het systeem — politiek, economisch, sociaal. Integendeel, met het systeem is men eigenlijk wel tevreden, zeker als het beter zou functioneren. Het doelwit van de agitatie en de actie is niet het systeem, neen, het gaat om de dragers ervan: de politici, de ambtenaren. Tien jaar geleden werd in de Duitse politicologische literatuur al melding gemaakt van het samengaan van Systemzufriedenheit met Politikverdrossenheit. Voor Nederland kan daar nu aan toegevoegd worden dat veel burgers niet alleen genoeg hebben van de politiek, maar vooral van de politici.[…]

Jammer genoeg graaft Schnabel in zijn beschouwing niet dieper. Waardoor ik dus denk dat hij dit waarschijnlijk niet kan zonder zijn eigen positie te ondergraven.

Zijn SCP maakt deel uit van die hele constellatie aan NGO’s en overheidsinstellingen waar het politieke beleid voor een groot deel gemaakt wordt — zonder dat hier democratische controle op is. Als politici in het kabinet of de Kamer een beperkte visie te verwijten is, dan komt dit ook omdat juist al die planbureaus en andere adviesorganen hen systematisch met blindheid slaan.

Nu wilde ik dit boek per se lezen om de bijdrage van H.J. Schoo — de grootste buitenstaander van de vier. Zijn ‘Van oude en nieuwe klassen, of de deftigheid in gedrang’ is vooral een analyse van de vraag waarom Pim Fortuyn zo veel weerstand opriep.

Schoo had Fortuyn indertijd als columnist bij Elsevier gehaald — niet omdat hij het per se met hem eens was, maar omdat hij iemand met diens geluid verder mistte in de media.

Niet toevallig misschien schrijft Schoo dan ook over systeemblindheid bij politici en overheid. En dat nu had hij volgens mij zonder moeite nog een stuk etsender kunnen doen.

Haagse tegenstrijdigheden
Een jaar verder

69 pagina’s
Amsterdam University Press, 2003

Verwarde natie ~ H.J. Schoo

Hendrik Jan Schoo [1945 – 2007] heeft in bepaalde kringen ineens de reputatie van ziener. Zijn naam komt op het moment nogal eens terug in krantenstukken van opiniërende, of moralistische aard. Een simpele verklaring daarvoor kan zijn dat er net nog postuum een boek van hem verschenen is. Republiek van vrije burgers. Een wat ingewikkelder mogelijkheid is dat Schoo zichzelf tot onverdachte bron heeft gemaakt. Links en rechts — of wat daar in Nederland voor door gaat — kan hem gerust citeren. Want, ondanks dat Schoo in de jaren negentig hoofdredacteur was van het zo rechts geachte weekblad Elsevier, werd hij later adjunct bij de zo schijnbaar linkse Volkskrant.

Volgens een column in deze bundel, verwachte Schoo overigens meer heil in de Sociaal-Democratie dan van het Neo-Liberalisme. Waarmee trouwens niet gezegd was dat hij zich nu zo gelukkig voelde met de werken van de PvdA.

Dit boek is kritisch over de Nederlandse bestuurlijke elite. Trouwens ook over de paladijnen daarvan, zoals al de journalisten die claimen de vaderlandse politiek kritisch te volgen, maar dit niet blijken te doen.

Zo viel het Schoo in de jaren negentig op dat er onderwerpen zijn waar stelselmatig niet over gesproken werd, of geschreven. Op zijn manier probeerde hij daar verandering in aan te brengen. In De verwarde natie zijn vooral columns opgenomen die in Elsevier verschenen, tijdens de periode 1994 – 2000. Daarnaast komt er een enkele spreekbeurt voorbij, en voorzag Schoo het boek van een ruime inleiding.

Nu zijn inleidingen altijd nuttig, soms zelfs het enige nuttige onderdeel van een boek. De auteur gebruikt zo’n stuk, dat meestal op het allerlaatst gereedkwam, namelijk om uit te leggen waar het boek over zou moeten gaan.

En volgens Schoo kende Nederland in de jaren tachtig en negentig éen groot probleem, dat te zeer genegeerd werd. Het probleem dat een toch al dichtbevolkt natie in omvang bleef groeien, anders dan de omringende landen, en dat daar een complex aan oorzaken voor was. Een van de problemen daarbij was dat de asielwetgeving niet deugde.

Maar dat is lang de enige moeilijkheid niet:

De multiculturele samenleving betekent nieuwe marktkansen voor een overbodig wordende statelijke elite. Volkshuisvesters, sociale diensten, beleidsmedewerkers, het onderwijs, consultants, arbeidsbemiddelaars, gezondheidszorgers, lokale bestuurders — alleen doen momenteel aan behoud van marktaandeel en richten zich op de nieuwe groep.

[1995]

Op het moment zou aan de opinies die Schoo toentertijd verwoordde hoogstens opvallen hoe beschaafd en afstandelijk hij die formuleerde. Nu de Tweede Kamer meer populisten dan ooit bevat, lijkt schuimbekkende hysterie de toon van het debat te moeten zijn.

Ook dat is een reden om Schoo te blijven citeren.

Ik las overigens weinig dat nieuw voor me was, om eerlijk te zijn. En nee, dat is niet met terugwerkende kracht toevallig zo.

H.J. Schoo, De verwarde natie
Dwarse notities over immigratie in Nederland

198 pagina’s
Prometheus, 2000

Innovatieplatform ~ Frans Nauta

Het Innovatieplatform leest als het album ‘Kuifje in Bureaucratië’. Er is namelijk éen duidelijke held. Frans Nauta. Die in de loop van het verhaal opmerkelijk veel tegenstrevers ontmoet. Wat des te merkwaardiger is, omdat al die mensen toch duidelijk geacht worden medestanders te zijn, die voor hetzelfde ideaal vechten. Gek toch, dat alles wat zij tezamen willen, steken blijft in retoriek en goede bedoelingen.

Het Innovatieplatform leest ook als het nog niet eerder verschenen survivalhandboek: ‘Hoe overleef ik in Den Haag’. Frans Nauta rondt elk hoofdstuk zelfs af met een leermoment voor de lezer.

Belangrijkste tip daarbij is: neem nooit een opdracht aan, van welk ministerie ook, en wie de bewindspersoon zijn mag, zonder eerst duidelijkheid te hebben over de voorwaarden, de omstandigheden, en het budget. Omdat er nog altijd mensen zijn die alles blind accepteren om maar minister te worden, blijkt dit toch geen algemeen bekende waarheid te zijn.

Zo biedt dit boek wel meer wat geheel nieuw voor Nauta was, dat ik soms ook tot mijn schade heb moeten ondervinden, en waarvan het goed is dat het eens breder publiek wordt gemaakt.

Frans Nauta heeft bijvoorbeeld veel aandacht voor verschillende structurele gebreken in het Nederlandse bestuur, die ik voor het gemak maar even wat aanvul hier:

  • In Den Haag werken minstens 11.000 en mogelijk zelfs 16.000 ambtenaren dagelijks aan niets anders dan het vormgeven van nieuw beleid. Hun eerste taak daarbij is evenwel te garanderen dat hun ministerie de belangrijkste positie krijgt bij de uitvoering van dit beleid. Tenminste, als dit extra budget oplevert. Want omgekeerd, als de uitvoering geld kost, kan elke ander daar beter voor opdraaien. Dus zijn er nogal wat stammenstrijden tussen departementen, en soms zelfs binnen afdelingen op een ministerie, wat voor een buitenstaander onbegrijpelijk en nogal hinderlijk is;
  • Een andere hindermacht bestaat uit ooit gemaakte afspraken, in andere tijden, onder heel andere omstandigheden, waar de betrokkenen halsstarrig rechten aan blijven ontlenen. Zo wordt het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek in Nederland gefinancierd volgens een akkoord uit 1983, dat nooit is bijgesteld. Dus krijgen sommige universiteiten jaarlijks te veel geld. Daardoor krijgen sommige vakgebieden absurd weinig budget – terwijl andere overdadig veel toegeschoven krijgen;
  • En een ander nog historischer hinderaspect is dat Nederland bestaat bij overleg. Niets of niemand kan hier alle macht krijgen. Daardoor willen altijd meer partijen dan verwacht een inbreng hebben, en meepraten;
  • Of anders willen ze wel meedelen, in het geld dat beschikbaar komt in het nieuwe initiatief;

Vooral de manoeuvres die politici ondernemen om geld te krijgen van het Innovatieplatform, zijn een paar keer met smaak beschreven in dit boek.

Tegelijk stel ik dan dat het platform, waar dit hele boek om draait, vanaf het begin een amper levensvatbaar kindje was.

Publiek sprak het tweede kabinet Balkenende in 2003 de grote wens uit om Nederland tot kenniseconomie om te vormen — naar het succesvolle voorbeeld van Finland, en Zweden. Daarbij voor het gemak vergetend dat die landen minder inwoners hebben, minder instituties, dat een afspraak er een afspraak is, en er alleen daardoor al minder hindermacht bestaat.

Om het belang van de zaak aan te geven, zou Balkenende zelf de leiding op zich nemen. In praktijk bleek dat nergens uit. Maar goed, ik heb allang geleerd niet te luisteren naar wat politici zeggen, maar te kijken wat ze doen. En dan viel bijvoorbeeld alleen al op dat het Innovatieplatform driekwart jaar lang geen eigen website had — en dat voor een initiatief waarvan geclaimd werd dat de nadruk op hoogwaardige technologie zou komen.

Verder kreeg het platform een miniem budget om die cultuuromslag in Nederland in gang te zetten; budget hoogstens goed voor een paar kilometer nieuwe snelweg.

En vervolgens produceerden de knapste koppen uit bestuurlijk Nederland, aangevuld met wat topmanagement uit het bedrijfsleven, niets beters dan het idee dat Nederland vooral moet voortgaan met de dingen waar het toch al goed in is.

Alsof de buitenlandse concurrentie die sectoren al niet tot inspanningen dwingt.

Frans Nauta werd indertijd als relatieve buitenstaander aangezocht om secretaris te worden van het Innovatieplatform. Zijn status was niet meer dan dat hij de denktank ‘Kennisland’ had helpen oprichten, en dit initiatief niet met verve gepromoot had in Den Haag. En goed, Nauta is niet toevallig ook een PvdA-lid, en had in de oud-topambtenaar Roel in ’t Veld zelfs een mentor in die partij.

In ‘t Veld adviseerde hem vooral een dagboek bij te houden van zijn ervaringen. En het is goed dat dit gebeurde, in die relatief korte periode van dat secretariaat. Daardoor wordt treurig veel duidelijk over de boven ons gestelden, en hoe zielig het onder hen toegaat.

Frans Nauta, Het Innovatieplatform
Innoveren in het centrum van de macht
Met survivaltips voor vernieuwers in de polder
204 pagina’s
SDU Uitgevers, 2008

Benauwd in het midden ~ W. M. van Koppen red.

Het kan verkeren. In mijn halfslachtige streven om bij te houden wat F.R. Ankersmit overal aan opiniestukken publiceert, stuitte ik ditmaal op het tijdschrift van het wetenschappelijke bureau van het CDA.

Voor wie deze afkorting niet meteen iets zegt. Het Christen-Democratisch Appèl (CDA) is, met de voorgangers daarvan, de politieke partij die in Nederland al de macht heeft sinds Noach de Ark uitscheepte. Zulks is niet heel gezond voor een land, net wat u zegt. Slechts in de jaren 1994 — 2002 werden de Christendemocraten in de oppositie gedwongen. En blijkbaar was die ervaring zo traumatisch, dat de partij zich tegenwoordig ten koste van alles aan de macht vastklampt. Zelfs al moet daar voor geregeerd worden met een bende aan baantjesjagers, machtswellustelingen, en loslopende gekken, zoals wijlen de Lijst Pim Fortuyn ooit bevatte. Of anders wel met populist Wilders, in 2011, en de lui die zijn bekrompen wereldbeeld delen.

Dit tijdschrift is daarmee te lezen een verzameling rapporten aan een machthebber die zich realiseert dat zijn macht misschien niet meer vanzelf spreekt. Er is namelijk iets met de middenklasse aan de hand. Die lijkt op drift te zijn, en bij elke verkiezing op weer andere partijen te stemmen. Terwijl in die middenklasse nu juist vanouds de CDA-stemmers te vinden zijn. Ook al stemmen die daarmee misschien wel tegen hun eigen belangen in.

Alle democratieën, en Nederland al helemaal, worden namelijk door de middenklassen gedragen. Die betalen alle belasting — de armen zijn te arm, de rijken huren fiscalisten in om niet te hoeven — en krijgen daar in verhouding ook nog het minst voor terug. Omdat zij het minst van de sociale voorzieningen gebruik maken, bijvoorbeeld.

Dus buitelen de analyses, prognoses, en voorspellingen over elkaar heen in dit tijdschrift. Loopt de middenklasse echt weg? Wat is er aan de hand? Hoe is die groep te paaien? Is er nog wel sprake van éen groep? Moet het CDA nog meer gaan hameren op het gezin als hoeksteen van de samenleving?

Tussen al deze opinies en opinietjes kwam Ankersmit uitleggen wat het verschil is tussen democratieën die leven naar het Rijnlandse model, en de naties die in de Anglosaksische traditie staan. Dat is het verschil tussen overleg, egaliteit en lange termijn-denken, en machtswellust, overdreven krachtsvertoon en het ongezonde streven naar winsten op korte termijn, aldus de theoretisch historicus.

Tsja.

Was hij toch wat weinig kritisch over de uitverkoop van publieke diensten aan marktpartijen — zo’n typisch Anglosaksisch fenomeen — waar het CDA zo zelden vies van bleek. Of de kritiek moet wel erg tussen de regels door gegeven zijn, wat Ankersmit tot een beter politicus zou maken dan mij eerder was opgevallen. Maar toch, als een partij altijd de macht heeft gehad, is ook alles wat mis is in een land aan die mensen te wijten.

Benauwd in het midden
Christen Democratische verkenningen
Zomer 2008

308 pagina’s
Boom Tijdschriften, 2008

Nederlandse droom ~ Paul van Liempt

Opvallend aan het onderwijs in Nederland is dat het zo beschadigd wordt door het ministerie dat zich er over hoort te bekommeren. Zo kreunt de sector al een tijd onder een ver doorgedreven schaalvergroting, doorgedrukt onder invloed van dom calculerende bewindslieden als Jo Ritzen. Alsof welke scholier ook voor zijn ontwikkeling maar een tel gediend is met anonieme leerfabrieken.

Maar kritiek op het onderwijs wordt door politici altijd afgedaan met twee dooddoeners. Of als ik onvriendelijker wil zijn: twee leugens.

1] Nederlandse scholieren doen het goed in internationale vergelijkingen.
Nu zijn deze internationale testen voor een deel opgesteld of geïnspireerd door Nederlandse instituten, waardoor die bij uitstek aansluiten op de onderwijssituatie ter lande. Bovendien doen scholieren hier lang niet altijd mee aan alle testen; iets dat telkens tactisch verzwegen wordt door het ministerie.

2] Er gaat meer geld dan ooit naar het onderwijs.
Strikt genomen is dat geen leugen. Tot de vraag gesteld wordt wie dat geld dan ontvangen, en blijkt dat de uitgaven per leerling al decennia juist stelselmatig dalen, omdat ergens een nieuwe kaste aan managers en procesbeheerders alle extra investeringen wegvreet.

Eén van de onnozelste bezuinigingen van de laatste decennia in het onderwijs, om al die nieuwe managers te kunnen blijven betalen, was het afschaffen van de stapelroute. In Nederland ontvangt iedereen tot zijn twaalfde onderwijs van een vergelijkbaar niveau, maar dan worden de leerlingen gesplitst, in naam naar het niveau dat ze aankunnen. Dat beslissende moment komt voor velen te vroeg in hun leven. Maar mooi was dat de — tussentijdse — overstap naar een ander schooltype vrij soepel kon verlopen. Laatbloeiers liepen daardoor niet eens zo veel vertraging op vergeleken met wie wel direct goed had gekozen.

Alleen werd de ‘lange weg’ op een gegeven moment te duur geacht, en onmogelijk gemaakt.

Dit boek is een lange aanklacht tegen deze beslissing, in de vorm van een reeks portretten van Nederlandse prominenten die via soms lange omwegen toch de top in hun vak bereikten. Onder hen wetenschappers, hoge managers, en ministers. Van Liempt heeft daarbij ook mensen geïnterviewd die via het avondonderwijs een tweede kans benutten om hogerop te komen. Jammer genoeg ontbreken geslaagde mensen die dat onderwijs maar een last vonden. Daardoor wordt school heiliger gemaakt dan misschien goed is.

Aan al die gesprekken valt éen constante op: dat een enkele leraar alle verschil kan maken. Zowel in positieve zin, als ook in negatief opzicht.

En wat dit laatste betreft, is dit boek somber in zijn herhaalde signalering dat het onderwijs met een grote grijze plaag kampt, van uitgebluste leraren die ongeïnspireerd les blijven geven tot het pensioen als bevrijding komt.

Het is te duur om deze mensen te ontslaan.

Wee de ouders die hun kinderen aan deze types moeten overhandigen.

Het Nederlandse onderwijs is in dit opzicht ook al in de jaren tachtig verneukt — Van Liempt heeft het daar niet over, maar ik erger me genoeg om dit toch even te melden — toen de vakbonden de positie van hun contribuerende leden per se wilden beschermen ten opzichte van alle nieuwkomers, en alle nieuwe docenten ineens aanzienlijk minder goed betaald werden. Dus werd lesgeven oninteressant als beroep, behalve voor de groep die dit al deed. Die grijze prop. Dat inmiddels goeddeels dorre hout. De pest.

Paul van Liempt, De Nederlandse droom
Van mavo tot professoraat
hoe stapelaars de top beklommen

226 pagina’s
De Arbeiderspers, 2008

Communicatieoorlog ~ Frits Bloemendaal

De communicatieoorlog, een boek over de strijd tussen politiek en media, bevat een opvallende paradox. Frits Bloemendaal signaleert die wel, terwijl de importantie hem wat lijkt te ontgaan.

De betekenis van de politiek neemt in Nederland al een tijd af. Als open economie zijn invloeden van buiten het land van enorme invloed op het welvaren hier. En als lidstaat van de Europese Unie wordt almaar meer politiek beleid vanuit Brussel gedicteerd. Ondertussen organiseren ontevreden burgers zich via heel andere verbanden dan vroeger — terwijl de politieke partijen in ledental dalen, vinden mensen elkaar elders wel om tegen beleidsbeslissingen te protesteren.

En zo is er wel meer.

Bloemendaal signaleert dit allemaal correct, en helder, maar maakt vervolgens de opvallende keuze om de Haagse politiek toch weer heel erg belangrijk te maken in dit boek, door het alleen te hebben over hoe die omgaat met de pers.

Dat is merkwaardig.

Zelfs al begrijp ik wel waarom Bloemendaal dit doet.

Er bestaat alleen een duidelijk verschil tussen het journalistieke ideaal dat ik voorsta, en de dagelijkse praktijk waarin Frits Bloemendaal acteert. Hij is chef redactie bij de Geassocieerde Pers Diensten [GPD, een samenwerkingsverband van regionale kranten].

Ik zeg: luisteren naar politici heeft weinig zin. Je kunt beter kijken naar wat hun beleid uitricht, als je per se de democratie wilt bewaken als pers. Maar dat kost werk. Veel werk. En dat vraagt inzicht. Bovendien is zelfs te stellen dat deze journalistieke aanpak in Nederland helemaal niet kan, omdat zelfs de politiek nauwelijks controleert wat beleidskeuzes uiteindelijk hebben opgeleverd. Hoogstens schrijft de Rekenkamer nog eens een rapportje over het uitgegeven geld.

De politiek leeft namelijk in een eeuwig heden — misschien omdat politici zich slecht kunnen veroorloven er een geheugen op na te houden, anders komt er nooit een nieuwe coalitieregering tot stand — altijd op weg naar een toekomst waarin het beter wordt. En de journalistiek gaat veel te veel in die neiging tot oppervlakkigheid mee. Incidenten zijn daardoor veel te belangrijk, maar dit komt ook weer omdat incidenten lekker makkelijk journalistiek te verwerken zijn.

Visie ontbreekt, in beide kampen.

Dus als Bloemendaal klaagt over de groeiende invloed van ministeriële voorlichters op wat de kranten kunnen publiceren, heeft hij daarin ongetwijfeld gelijk. Maar hiermee benoemt hij slechts een deelprobleem. Wat er niet deugt, is volgens mij veel complexer.

Stelselmatig zijn mijn burgerrechten uitgehold sinds de jaren negentig, om maar éen voorbeeld te noemen, uit vele. Alles onder het mom van terrorismebestrijding. Maar toen Binnenlandse Zaken bijvoorbeeld bekendmaakte een centrale database te gaan aanleggen met de vingerafdrukken van alle Nederlanders, was er geen krant die daar over schreef. De berichtgeving bleef toch echt hangen op het niveau dat de paspoorten beveiligd werden tegen vervalsen, door een biometrisch kenmerk van de eigenaar op te nemen. Zoals ook in de persberichten van de ministeries gedicteerd werd.

Dus kan Bloemendaal terecht klagen dat overheden het liefst de media zouden negeren in hun communicatie met de kiezers; sinds een Commissie Wallage dat begin deze eeuw adviseerde. Maar dan denk ik: jullie journalisten zien niet eens wat er onder hun eigen ogen gebeurt.

Daarom heeft Frits Bloemendaal natuurlijk volkomen gelijk als hij bijvoorbeeld leden van het kabinet Balkenende verwijt autocratische machthebbers te zijn, die niet tegen kritiek kunnen. [Overigens is prachtig hoe hij beschrijft dat deze minister-president per se hoger wil staan dan journalisten bij de wekelijkse persconferentie, om zo meer autoriteit af te dwingen]. Maar daarom ook schiet Bloemendaal fundamenteel tekort om het falen van zijn eigen beroepsgroep te zien. Dat is op zich begrijpelijk, alleen doet dit gewoon af aan de waarde van een verder goed geschreven en informatief boek. Nu maakt De communicatieoorlog vooral de indruk uit kwaadheid geschreven te zijn om éen incident, waar later nog wat argumenten zijn bijgezocht om een echt betoog te krijgen.

In november 2007 logden voorlichters van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid — met passwords van eerst een partner, en later een vriend — in op het interne netwerk van de persdienst GPD. Daardoor kon hun minister al verwijtend reageren op een stuk voor dat in de kranten was afgedrukt. Bloemendaal begint het boek met deze affaire als om aan te geven hoe perfide het voorlichtingsapparaat van de overheid tegenwoordig is. En helaas lijkt de rest van het boek allereerst een uitwerking van de woede over wat zijn bedrijf indertijd overkwam.

Frits Bloemendaal, De communicatieoorlog
Hoe de politiek de pers in haar greep

probeert te krijgen
221 pagina’s
Ambo, 2008

Lange Poten ~ Peter Middendorp

Geen betere journalist dan de parlementair journalist. Zo schijnt het althans in het vak beleefd te worden, wonderbaarlijk genoeg. Ik heb daar werkelijk nooit iets van begrepen. Om een goed journalist te zijn, zou je juist alle contact met politici moeten vermijden, zo lijkt me. En slechts verslag moeten doen van wat politiek beleid in de praktijk uithaalt; en dan liefst met de redenen daarbij waarom.

Peter Middendorp moet dezelfde verbazing als ik hebben gehad. Zij het dan dat hij op onderzoek uitging om te kijken hoe het werkelijk is in Den Haag.

Van deze haast antropologische speurtocht naar de zeden en gebruiken op Het Binnenhof doet hij vanaf 2007 dagelijks verslag in dagblad De Pers. In deze bundel is het beste opgenomen wat het eerste jaar aan waarnemingen opbracht, toen zijn rubriek ‘Vreemdeling in Den Haag’ heette.

Middendorp’s columns winnen duidelijk bij bundeling. Misschien komt dit simpelweg omdat ze éen gemeenschappelijk onderwerp hebben. Dat thema wordt het duidelijkst samengevat in de column ”Koket’:

Laatst moest ik een titel bedenken voor de bundeling van deze stukjes. Ik stelde de uitgever voor de titel van de rubriek te handhaven, hij mailde terug dat Cees Veerman, de voormalige Landbouw-minister, een boek ging uitgeven met de titel: Een buitenstaander in Den Haag.

Koketterie is bij een ander gemakkelijker te doorzien dan bij jezelf; ik begon de kritiek te begrijpen. Iedereen afficheert zich hier als buitenstaander, tot ministers aan toe.
[…]
Kennelijk voelt iedereen aan zijn water dat er iets op het Binnenhof zodanig niet deugt dat je er maar beter gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor kunt dragen. Als iedereen verantwoordelijk is, is niemand het. [140]

Wellicht scheelde het ook dat Peter Middendorp naar Den Haag trok toen daar niet zo veel gebeurde. Het zoveelste kabinet Balkenende was aangetreden; en diens partij heeft al zolang de macht dat die weet hoe het loont om niets te doen.

Regeren is vooruitschuiven.

Nu ja, doordat Balkenende zo gul de illegale inval in Irak steunde, bleek dat het niet altijd loont om blind de zijde te kiezen van de machtigste instantie voorhanden.

De rust in Den Haag gaf Peter Middendorp de ruimte om te observeren. Maar verbazingwekkend genoeg stonden de kanten toch alle dagen vol met politiek nieuws, ondanks dat er niets aan de hand leek. Sterker nog, hoewel Middendorp trouw alle Kamervergaderingen afliep, moest ook hij uit de krant vernemen, wat er precies speelde.

Dus wordt de lezer geïntroduceerd in het geheim van Nieuwspoort. Dat is de journalistensociëteit waar verslaggevers en politici vrolijk mengen, in de zekerheid dat niets wat in Nieuwspoort gebeurt naar buiten zal komen.

Middendorp doet dit toch. Of althans, hij herhaalt een vuige roddel van de CDA-parlementariër ‘Vieze Jan’ in de krant, zonder daarbij namen te noemen. Maar anderen vulden daarbij later de details in; dus werd hij als bron gezien. Daarom ook werd Middendorp berispt door Max van Weezel; in naam journalist bij het opinieblad Vrij Nederland, maar ook de voorzitter van de sociëteit; misschien niet toevallig omdat zijn schoonvader Herman Bleich die club nog heeft opgericht.

Na nog een latere aanvaring gaat Middendorp zijn columns tijdelijk alleen over Max van Weezel schrijven. Mede omdat hem inmiddels is opgevallen hoe vuig de coterietjes zijn tussen pers en politiek.

In zijn hoedanigheid als Nieuwspoortvoorzitter probeert Max van Weezel journalisten buiten te sluiten zodra die stukken schrijven die niet goed vallen bij politici van CDA en PvdA. [216]

Het werd op boeklog al te vaak opgemerkt; wie kritisch over politici durf te schrijven, verspeelt hen direct als bron. En dat is dan weer zonde van al die uren netwerken in Nieuwspoort en de omringende Horeca.

En wie goed is met de macht, en eens als eerste een proefballonnetje van een machthebber mag oplaten, krijgt vanzelf ook autoriteit. Als de Nederlandse parlementaire pers dus iets uitstraalt, dan wel dat het mogelijk is om geëngageerd te lijken, zonder dit te zijn. Wat meteen mijn diepe hekel verklaart, aan wat mij alle dagen voorgeschoteld wordt als nieuws.

Meest verbazingwekkend aan Lange Poten was daarom voor mij niet wat Middendorp aantrof, maar dat hij gebleven is na dat eerste jaar; en nog dagelijks een column vult over schijn en werkelijkheid in het zogenaamde centrum van de Nederlandse macht.

Maar hij is voor mij onmisbaar aan te worden, in die rol. Nadat ik wel degelijk mijn bedenkingen had, die eerste maanden.

Peter Middendorp, Lange Poten
Een jaar lang vreemdeling in Den Haag

295 pagina’s
Prometheus, 2008

Nederlands / Indonesisch Conflict ~ J.A.A. van Doorn & W.J. Hendrix

Als ik een boek lees, is dat meestal zonder vooropgezet doel. Dat voorkomt zo makkelijk teleurstellingen. Maar soms is er wel een reden. Ik zou me nooit voor een boek over het grote koloniale conflict tussen 1945 en 1950 geïnteresseerd hebben, als Nederland nu niet weer in oorlog was.

Thans opereert mijn vaderland als bezettingsmacht voor een dubieus regime in een regio van Afghanistan. Een paar jaar terug bood het actief steun aan de illegale inval in een ander autonoom land, en legitimeerde het zo de Amerikaanse drang naar imperium. En telkens werden deze opvallende keuzes, want wie wil er nu burger zijn van een oorlogsvoerende natie, met leugens en propaganda verkocht.

Zo wordt bijvoorbeeld met zorg zelfs de suggestie al vermeden dat Nederland nu in oorlog zou zijn…

Want, er valt natuurlijk te twisten over de cijfers die de Nederlandse overheid opgeeft over het aantal slachtoffers, onder de burgerbevolking en onder tegenstanders, veroorzaakt door onze aanwezigheid in Afghanistan. Zijn dat er tientallen? Honderden? Feit blijft dat slechts éen Nederlandse militair in éen geval vervolgd is voor dood door schuld.

Ik ging er vanuit dat een socioloog als Van Doorn ook op dit soort mechanismen gespitst zou zijn. En het interesseerde me of hij daarbij universele onderliggende sjablonen had gevonden. Want, dat de waarheid het eerste slachtoffer in elke oorlog is, weet ik wel. Oorlogshandelingen in Indonesië heetten ook vergoelijkend politionele acties. En dat Nederlandse soldaten veel hebben mispeuterd in Indonesië, was me eveneens bekend.

Beide auteurs, Van Doorn en Hendrix, deden indertijd dienst in Indonesië. Met de Nederlandse bezetting erbij gerekend, hebben ze, maar zij niet alleen, daardoor tien jaar onder zeer uitzonderlijke omstandigheden geleefd.

Een vraag die mij daarom altijd geïntrigeerd heeft, is: waarom weigerden dan zo weinig Nederlanders, die toch net een bezetting door de Nazi’s hadden overleefd, om als bezetter dienst te gaan doen in Indonesië? Zelfs al hebben er dan duizenden geweigerd, en werd dit gegeven door de autoriteiten zo veel mogelijk gecensureerd, om escalatie te voorkomen.

Nu is dit een vraag die slechts gesteld kan worden vanuit de veilige afstand die de geschiedenis biedt. Ik kan alleen al een kolonie namelijk niet als eigen voelen. Mede omdat de geschiedenis mij heeft geleerd dat Indonesië eeuwenlang allereerst wingewest was, en er pas na de Franse tijd tot bestuurlijke kolonisering van het hele gebied werd overgegaan.

De auteurs legden mij redelijk uit hoe de Nederlandse propaganda in deze werkte. De ‘politionele acties’ waren bedoeld om Ons Indië te bevrijden van de opstandelingen. En de bevolking zou daar de Nederlanders ook zeer dankbaar voor zijn.

Wel merkwaardig dan dat diezelfde bevolking, nadat Nederland de zelfstandigheid van Indonesië had erkend, daar dan weer zo blij mee was.

Opvallend vond ik ook dat er pas nieuws over de excessen in Indonesië naar buiten kwam in 1969. De auteurs leggen daarbij niet de link met wat er op dat moment over Vietnam publiek bekend raakte, maar die zal er zijn geweest.

Interessant is daarom ook de geconditioneerde reflex van de Nederlandse politiek, en de verantwoordelijke officieren, die in eerste instantie verontwaardigd alles ontkenden. Alleen al omdat op het moment met dezelfde bewoordingen en ontkenningen nieuws over Afghanistan, of Irak, gebagatelliseerd wordt. Waarbij de media zich ook de afgelopen jaren opnieuw zonder meer kritiekloos leenden voor alle propaganda.

Maar enfin, zo las ik dit boek dus; om antwoord op een tal vragen te krijgen.

Goed aan dit herziene boek — de oorspronkelijke studie heette Ontsporing van geweld — is dat Van Doorn en Hendrix parallellen trekken met de dekolonialisatie elders. Omdat de excessen in Portugese en Franse kolonies nog aanzienlijk veel groter waren geweest. Maar tegelijk geldt daarbij ook dat die landen zich deze gebieden op een andere manier eigen hadden gemaakt, en bestuurd.

Voor de rest is dit boek een opvallend geslaagde poging om sociologie te vermengen met historische feiten. Algemene uitspraken over bestuur, en het geweldsmonopolie van bestuur, en leger, worden telkens verduidelijkt met details over wat er in Indonesië gebeurde.

Daarbij is een conclusie dat, gezien alle omstandigheden — het geringe aantal troepen, de aard van de tegenstand — buitensporig geweld niet te voorkomen was. En ik vind het huiveringwekkend hoe makkelijk zo’n fuik blijkbaar kan ontstaan.

J.A.A. van Doorn & W.J. Hendrix,
Het Nederlands/Indonesisch Conflict
Ontsporing van geweld

363 pagina’s
De Bataafsche Leeuw, 2e aangevulde druk, 1983

Bloedsomloop van de samenleving ~ E.J. van Asselt, G.J. Buijs en M. ten Hooven

Politiek en wetenschap gaan nogal vaak samen. In die zin is een pamflet als dit over vertrouwen, van het wetenschappelijk instituut van het CDA, in principe haast te prefereren boven werk van onderzoekers die zich wel neutraal wanen. Dat deze publicatie propaganda biedt, is vooraf aan het lezen duidelijk. Terwijl, wanneer ik als historicus over het verleden schrijf er ook kleuring optreedt van een doorgaans politieke aard. Zelfs al ben ik me daar bewust van, en probeer ik die subjectiviteit te voorkomen.

Tegelijk vielen eerdere beschouwingen van politieke partijen me zelden mee, door het bedenkelijk lage analytische niveau. Daar komt bij dat het CDA een partij van regenten is, die met iedereen wil regeren om maar aan de macht te blijven in Nederland. Dus intrigeerde me onder meer hoe die principeloosheid wetenschappelijk verkocht zou worden in deze publicatie.

Verder heb ik vooraf aan het lezen van deze studie stevig nagedacht over het onderwerp vertrouwen. Daar kwam een vijftal conclusies uit voort. En als De bloedsomloop van de samenleving daar nu maar minstens twee op enig inhoudelijk niveau zou behandelen, was het lezen de moeite waard geweest, leek me…

Wat is er zoal over dat vertrouwen te zeggen?

  1. De Nederlandse overheid vertrouwt mij niet meer. En u al evenmin. Onder de kabinetten Balkenende [CDA] is een haast eindeloze reeks maatregelen genomen om mijn gedrag te monitoren, of andere privé-gegevens vast te laten leggen in databases. Dit alles onder het mom dat zo het terrorisme beter bestreden kan worden. Of anders wel onder het excuus dat zo de schrijnende probleemgevallen in onze samenleving eerder te herkennen zijn. Ondertussen is daardoor iedereen die weleens internet gebruikt al haast tot terrorist gemaakt; omdat de invoering van deep packet inspection van wat u op deze website komt doen, slechts een kwestie van tijd lijkt — een maatregel verkocht als noodzakelijk om de muziekindustrie te redden. Hard bevochten burgerrechten zijn stilletjes afgeschaft. En zeg nu niet dat dit overal zo is. Nederland doet altijd veel meer aan opslag en bewaking van gedragsgegevens dan de Europese richtlijnen eisen;
     
  2. Nederlandse politici blijken een eindeloos vertrouwen in regels en wetten te hebben. Zelfs al neemt met elke nieuwe wet de bureaucratie toe, en juridiseert de maatschappij nog weer verder. En ook al komt elke regelgeving met ongewenste neveneffecten, wetten zijn hier altijd meteen voor onbeperkte tijd geldig; in plaats dat nieuwe regels voorlopig worden ingevoerd, waardoor evaluatie na enige tijd ook werkelijk zin heeft;
     
  3. Nederlandse politici wantrouwen alle niet-politici. Sinds begin jaren 70 de laatste partijloze Commissaris der Koningin afscheid nam, is de voornaamste eis voor welke functie ook in het openbaar bestuur dat de gegadigde lid is van een politieke partij, en dan het liefst van een grote politieke partij. Dienstjaren en loyaliteit spelen daarbij de grootste rol. Kwaliteit in het geheel niet. Zo’n stelsel aan openbaar bestuur is daarmee ingesteld op het weren van buitenstaanders, of afwijkende opinies. Dat maakt het op dit punt alleen al door en door gecorrumpeerd. In vele buitenlanden is dit wel degelijk anders;
     
  4. Nederlandse politici vertrouwen de media niet. Terwijl de media zich nochtans vaak opvallend kritiekloos lenen voor overheidspropaganda, of politieke ideetjes die gelekt werden met een doel. Ergerlijk is natuurlijk wel dat journalisten er een handje van hebben vooral stil te staan bij thema’s die er in werkelijkheid nauwelijks toe doen — en politici daarover blijven lastigvallen;
     
  5. Maar bij al dit houdt de Nederlandse bevolking toch een opvallend groot vertrouwen in zijn bestuurderen, en hun besluiten; waar er in nabije buitenlanden een veel groter wantrouwen bestaat. Waardoor het des te meer opvalt dat hier een menigte van zo’n 15%-20% aan kiezers de laatste tien jaar op drift is geraakt, en stemmen wil op wie nu maar weer het best de populistische gedachte verwoordt. Vooral de kramp waarmee de zittende machthebbers op deze ontwikkeling reageren blijft opvallend;

Dit CDA-rapport signaleert van alle genoemde problemen er weliswaar drie, maar uit zich daar slechts in de meest algemene zin over.

Nog meer wetten invoeren, leidt inderdaad ook tot een verdere verstroping van het openbaar bestuur. Meer dan deze conclusie staat er niet in.

En dat blinde vertrouwen van de bevolking in de overheid, tja, misschien moest toch maar eens beter verteld worden dat dit misschien niet altijd terecht is. Tegelijk wordt dan een probleem dat politici moeilijk zelf kunnen vertellen dat hun handen behoorlijk gebonden zijn. Maar zo’n conclusie wordt al niet eens geformuleerd.

Net zo bestaat de enige stellingname tegen de trend naar populisme in de politiek uit de titel van het rapport, en dus slechts uit een metafoor die verder niet uitgewerkt wordt. Want, als de bloedsomloop van een land toch eens mocht stokken…

Over deze studie kan ik ook weinig anders schrijven dan dat die een hoogst oppervlakkige verkenning biedt van wat er op het moment allemaal speelt in de wereld. Dat het een rapport is eerder bedoeld om de achterban gerust te stellen, dan om deze mensen met enige kwaliteit te informeren.

De meeste observaties worden ook op een zeer voorspelbare, ja welhaast journalistieke manier afgedaan. Bovendien staat er niets nieuws in, voor wie de afgelopen tien jaar weleens een minuut of wat nagedacht heeft over de moeilijkheden waar de Nederlandse politiek voor staat.

Dan is er bijvoorbeeld zo’n dooddoener te lezen als dat de wereld steeds groter wordt — steeds kleiner kan volgens mij ook — en dan wordt zo’n opmerking op telkens dezelfde manier uitgewerkt. Er volgen eerst wat citaten. Deze hooggeleerde expert zegt er namelijk dat over. En die professor heeft dit te melden. Waarop ter afronding een nietszeggend cliché volgt uit de oude christendemocratische propagandatoeter.

Dus nee, mijn vertrouwen in de boven mij gestelden is er met dit rapport niet groter op geworden. Zelfs al zullen er dit jaar nog twee studies volgen waarin de denkbeelden uit dit rapport worden uitgewerkt.

Het CDA wil wel heel erg graag niemand uitsluiten als volgende regeringspartner.

E.J. van Asselt, G.J. Buijs en M. ten Hooven
De bloedsomloop van de samenleving
Een christendemocratische visie op het belang van vertrouwen

160 pagina’s
Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, 2009

Rapport Commissie Van Onderzoek Besluitvorming Irak ~ W.J.M. Davids (vz.)

Eind 2001 viel de VS het land Afghanistan binnen, onder meer om het zittende Taliban-bewind te kunnen vervangen door een centrale marionettenregering. De plannen hiertoe waren al opgesteld voor 9/11, maar die rampdag excuseerde de VS in de ogen van de rest van de wereld volkomen voor wat een illegale inval is.

De inval in Afghanistan is volgens mij een even grote oorlogsmisdaad als de invasie van Irak, maar het verschil tussen beide oorlogen is dat de eerste gedekt wordt door VN-resolutie 1368. Die erkent dat de vliegtuigkapingen op 9/11, en wat daarop volgde, een vijandige aanval waren, wat de VS het recht gaf zich te verdedigen tegen de agressor. Alleen stamde geen van de terroristen uit Afghanistan, wat het wel vreemd maakt juist dat land te laten boeten. En zeg nu niet dat het deze mensen toch gastvrij onderdak heeft geboden, en dit niet mocht; Duitsland bood de voornaamste daders niet alleen gastvrij onderdak, dat land gaf ze nog een opleiding ook.

De al ruim voor 9/11 spelende reden om Afghanistan binnen te vallen, was omdat het weigerde enkele mensen, waaronder ene Osama Bin Laden, zo maar uit te leveren om wat verdachtmakingen. Zij hadden in dat land niets misdaan dat om vervolging vroeg. Maar de Amerikaanse regering bleef aandringen, en stelde op 10 september 2001 [!] een ultimatum.

Alleen was de VS jaren daarvoor onder Clinton ook al stevig bezig geweest meer stabiliteit in Afghanistan te krijgen, wat toen juist gebeurde door de Taliban te steunen. Doel van die exercitie? In naam was het onderdeel van de ‘War on drugs’. Maar de aanwezigheid van bepaalde mensen en bedrijven in het land wijst op inspanningen om probleemloos olie met pijnlijnen uit Tadzjikistan te kunnen doorvoeren, via vervolgens Pakistan; een land dat wel al netjes meespeelde.

Controle over olie, en een gegarandeerde olietoevoer, helpt de VS enorm als economische macht; zeker nu het zo veel minder producten uitvoert als voorheen. Olie wordt verhandeld in dollars. En nu ook nieuwe economische grootmachten zoals China olie moeten importeren, maakt het uit om daar iets over te zeggen te hebben.

Olie was daarmee ook de reden om Irak binnen te vallen. En verder heeft het land strategisch gezien een centrale positie in het Midden-Oosten. Het loont om in zo’n land sterke militaire bases te hebben. Of dat vervolgens nu democratisch is, of niet.

Alleen kon de Amerikaanse regering deze wens tot nog verdere uitbreiding van zijn invloedssfeer natuurlijk niet openlijk uitspreken. Dus werden er excuses bedacht die een oorlog tegen Irak konden rechtvaardigen. Pogingen zijn bijvoorbeeld gedaan om ook de toenmalige Iraakse dictator Saddam Hussein aan 9/11 te linken — een verband dat er niet is, maar waarvan een groot deel van het Amerikaanse publiek tot op vandaag zeker weet dat het bestaat. Maar uiteindelijk werd de invasie gemotiveerd met als reden dat Irak massavernietigingswapens had, deze verborgen hield voor VN-inspecteurs, en dus het onderzoek saboteerde, terwijl Londen daarmee wel degelijk binnen 45 minuten biochemisch getroffen kon worden.

De Verenigde Naties was niet onder de indruk van deze leugens. Dus kreeg de VS geen volkenrechtelijk mandaat om Irak te bezetten. Te stellen is zelfs dat alle vergeefse pogingen om de VN over te halen om een mandaat te geven, slechts maakten dat de invasie illegaal werd. Wat de regering Bush overigens niet veel uitmaakte, en de standaardbondgenoten evenmin.

Tot deze bondgenoten hoort Nederland. En daardoor hielp het land mee aan het plotten van een illegale oorlog tegen een autonoom land. Waarmee het een oorlogsmisdaad beging, naar de letter van het Volkenrecht.

Speculatie was er direct al of Nederland niet meer had gedaan dan enkel plotten, en morele steun bieden. Maar voor het ernst van het feit maakt dit niet uit. Een klein land als Nederland, dat bovendien de juridische hoofdstad van de wereld wil zijn, kan het zich slecht verantwoorden het Volkenrecht zo makkelijk te negeren. Zelfs al doet dit recht er betrekkelijk weinig toe, wanneer een partij als de VS zich er niets aan gelegen laat.

Bovendien was het merkwaardig dat Nederland zo tegen de opinie inging van zo veel landen waarmee het een Europese Unie vormt.

Daarbij zij opgemerkt dat mijnheer Balkenende, de minister-president onder wie de Irak-kwestie plaatsvond, in de rechtsgeleerdheid is gepromoveerd; wat het gemak waarmee hij regels negeerde een cynisch tintje geeft.

De meeste leugens over de invasie van Irak kwamen al snel uit. Bovendien bleek het Amerikaanse leger zich niet te hebben voorbereid op wat bezetting van het land vereiste. In zowel de VS als Groot-Brittannië moesten politici al snel hun woorden inslikken.


click image to play. 2.46 minutes

Zo niet in Nederland. Waar premier Jan Peter Balkenende halsstarrig bleef vasthouden aan opinies uit 2002, die overal elders al als leugen waren ontmaskerd.

En erger nog. Toen bij een nieuw kabinet Balkenende een andere coalitie noodzakelijk werd, bleken ook deze partijen bereid voortaan de invasie van Irak te negeren; een stilzwijgen dat wel heel makkelijk gekocht werd in ruil voor wat regeringsmacht.

Maar de kritiek op Balkenende bleef. Waarop hij uiteindelijk toch begin 2009 een Commissie onder leiding van een hoge jurist — Willibrord Davids, oud-president van de Hoge Raad — verzocht om éen en ander uit te zoeken.

Dit leek toen vooral een vlucht naar voren. Door instelling van de ‘Commissie Davids’, voorkwam Balkenende dat er een parlementaire enquête tegen hem werd ingesteld, met alle TV-uitzendingen, en media-aandacht annex.

Alleen is er nu een grote kans dat er alsnog zo’n enquête zal volgen. [1]

Davids presenteerde op 12 januari 2010 de bevindingen, geformuleerd in dit rapport, om daarbij tot de volkomen overbodige conclusie te komen dat de inval in Irak tegen het Volkenrecht inging. Toch was dit voor de Nederlandse media nieuws.

Verder bleek de beslissing om de VS blind in alles te volgen tussendoor in drie kwartier genomen te zijn door wat mensen op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Al is nog opmerkelijker dat dit haastbesluit vervolgens immuun bleef voor alle bewaren en tegenwerpingen, zoals van de eigen juristen.

Ook werd Balkenende door de Commissie Davids gebrek aan leiding verweten, en stelt deze dat de Tweede Kamer verkeerd is geïnformeerd.

Enfin. Ik nam dit rapport door om nog wat details helderder te krijgen. En daarbij viel me dat de tekst behoorlijk wat kritischer is dan de 49 conclusies, die al zo uitgebreid publiciteit kregen. Allerlei ‘checks and balances’ kunnen genegeerd worden, als dit zo uitkomt.

Maar, er speelt meer. Het Nederlandse leger is nog altijd in Afghanistan actief, als bezettingsmacht voor een dubieus bewind, in iets dat eufemistisch een ‘opbouwmissie’ heet. Ik sprak op boeklog eerder mijn verbazing uit over de propaganda waarmee ons dat verkocht wordt.

Het voornaamste dat het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak bij me oproept, is grote huiver over het gemak waarmee dus in Nederland beslissingen genomen worden die de levens van honderdduizenden kunnen verwoesten. En hoe de beslissingnemers vervolgens blijven ontkennen lichtvaardig gehandeld te hebben. Hoe zij daar mee weg blijven komen. En hoe zelfs een schijnbaar objectief rapport, van een commissie waarin voor de verandering eens geen politici zaten, toch blind is. Het negeert de brede context van de Amerikaanse drang tot imperium; en dus negeert het rapport dat het toevallig afhangt van welke president daar zit welk buitenlands beleid Nederland nu weer ontwikkelt.

Terwijl ons land toch al sinds eind 2001 in oorlog is, samen met de Amerikanen, in die regio. Zoals slechts zijdelings aan de orde komt bij de Commissie Davids, in éen enkel hoofdstukje.

** update: er volgde enige tijd later nog een kabinetsreactie op dit rapport. Daarna is er nimmer meer iets van vernomen.

W.J.M. Davids (vz.)
Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak
550 pagina’s
Boom, 2010
  1. update: hoe naïef kan een mens zijn om te geloven dat in de Nederlandse politiek iemand ook ooit maar ergens voor verantwoordelijk zal worden gehouden []

Passage naar Europa ~ Luuk van Middelaar

De geschiedenis van dit boek begint in 2001, als Luuk van Middelaar met de trein naar Brussel reist voor een lunch met Frits Bolkestein. Hij heeft dan een gidsje bij zich om nog even snel te leren waaruit die EU als instituut nu precies bestaat.

Die lunch leidde tot een stage, en een plek in het kabinet van Bolkestein, toen deze Europees Commissaris was. Daarop volgde een positie als persoonlijk secretaris bij de landelijke VVD in Den Haag. En vervolgens schreef hij, naast columns, dit proefschrift. De passage naar Europa. Een publicatie die dan weer zo veel indruk maakte dat Van Middelaar inmiddels deel uitmaakt van het kabinet dat Van Rompuy steunt, in het presidentschap van de Europese Raad.

Zelden zal het verloop van éen carrière zo volledig op boeklog te volgen zijn geweest.

Wat die Europese Raad is, en betekent, zou iedere burger horen te weten. Net als welke positie het Europese Parlement inneemt, en wat de Europese Commissie doet.

En het goede van dit boek is dat van Middelaar niet alleen dat uitlegt, ook wordt duidelijk wat in de onderlinge verhoudingen tussen deze drie gremia verschuift. Hij maakt bovendien zichtbaar hoe de regeringen van de lidstaten zich tot de EU verhouden. En welke uitwerking al die zo verschillende Europese verdragen hebben.

Bovenstaande opsomming doet alleen geen recht aan dit boek. Die laat het saaier klinken dan Van Middelaar is. Zo biedt hij bijvoorbeeld telkens mooie voorbeelden om de moeilijkheden te illustreren die de instelling van een Europese Unie veroorzaakt.

Wat is er bijvoorbeeld ‘Europees’ aan die unie? Bestaat er iets als een gezamenlijke identiteit? Is die vast te stellen, kan die worden opgelegd?

Komisch waren de verwikkelingen rond een bijbehorend lesboek. Historici uit twaalf landen schreven elk een concepthoofdstuk en ruzieden daarna over de woorden. In het hoofdstuk over Frankrijk moest de term ‘invasies der Barbaren’ worden vervangen door ‘invasies der Germanen’. De Spaanse omschrijving van de Engelse zeeheld Sir Francis Drake als ‘piraat’ werd geschrapt. Het bleek moeilijk tot een neutrale, ‘Europese’ versie van historische gebeurtenissen te komen. [318]

De tekst van dit boek is opgebouwd uit drie delen, waarvan het derde de titel draagt ‘De zoektocht naar publiek’. Want, dat is misschien wel de opvallendste constatering over de EU. Wij zijn dat Europa, en zijn dit ook al heel lang. En toch doen zelfs onze politici telkens nog alsof Brussel een vreemde macht van buiten is.

Van Middelaar hekelt terecht deze neiging om altijd te doen of EU-besluiten een staat plotseling overkomen. Hij noemt dat nare trekje zelfs propaganda.

Maar onze kennis over de Europese Unie schiet te kort. Op vele gebieden.

De paradox is dus dat de kiesgerechtigden sinds dertig jaar steeds minder belangstelling voor het Parlement tonen, terwijl zijn formele macht in dezelfde periode flink toenam. [387]

Het best vind ik deze dissertatie in het eerste deel, met de titel ‘Het geheim van de tafel’. Omdat Van Middelaar daarin laat zien wat verdragen, en overlegsituaties in de praktijk voor gevolgen hebben. Zo heeft de EU inmiddels 27 lidstaten, die heel verschillend over de dingen denken. Hoe kunnen die dan ooit overeenstemming bereiken in een Europese Raad?

Belangrijker dan de formele besluitvormingsregels is het feit dat men samen aan tafel zit. Niet zomaar een tafel, maar een tafel waar dingen, alleen al vanwege de band van het verdrag, tot gezamenlijk probleem moeten worden gemaakt en waar dus het vinden van een oplossing een gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt. Het betekent dat zodra er een regel is, welke dan ook, om tot een besluit te komen, deze de besluitvorming bevordert. Onder druk komt er altijd een besluit uit. [121]

Al signaleert Van Middelaar wel éen principiële verschuiving. Ging het er in het begin om, toen de unie nog vooral een mijnbouwunie was, dat iedereen het met een beslissing eens was. Tegenwoordig worden besluiten genomen als niemand het daar mee oneens is.

In dit boek bouwt Luuk van Middelaar wel wat veiligheid in, omdat alles nog zo in beweging is. En wanneer houdt een ontwikkeling op een ontwikkeling te zijn, en wordt die een feit? Het is mooi dat hij ondanks al deze onzekerheden toch heel wat heeft weten te verduidelijken over de EU.

Luuk van Middelaar, De passage naar Europa
Geschiedenis van een begin

531 pagina’s
Historische Uitgeverij, 2009

Gevaar verplicht ~ P.H.A. Frissen

De bestuurskundige Paul Frissen heeft in het verleden menigmaal de politiek doodverklaard. En dat zal in eigen kring indruk hebben gemaakt. De politiek trok zich er evenwel weinig van aan. En ondertussen is Frissen ook iets van dat standpunt teruggekomen. Alleen viel het vervolgens evenmin een buitenstaander op dat hij de politiek inmiddels gerehabiliteerd heeft in het recente boek De Staat van verschil.

Gevaar verplicht is een vervolg op deze rehabilitatie. Frissen legt er namelijk in uit hoe dat politieke leiderschap wel zou moeten. Daar heeft hij alleen opvallend veel woorden voor nodig — en dan niet eens alleen omdat hij zijn oplossing ook in de onderkop van het boek wist samen te vatten. Dit boek was weer eens zo’n zakelijke tekst die een heel aardig en prikkelend essay had kunnen opleveren, maar zo nodig meer moest zijn.

Of, om Nietzsche maar eens te citeren, en zo te tonen dat ook ik weleens een boek heb opengeslagen:

Die meisten Denker schrieben schlecht, weil sie uns nicht nur ihre Gedanken, sondern auch das Denken der Gedanken mitteilen.

Veel van de vulling bij Frissen bestaat uit parafrasen van andermans woorden — wat minder vervelend zou zijn al die auteurs daarbij niet ook telkens door Frissen werden genoemd.

Ik denk simpelweg dat alles wat je in een betoog schrijft commentaar geeft op wat anderen eerder schreven. Als jouw standpunt opvallend afwijkt, zegt dit genoeg. Voor de goede verstaander. Slechts filosofen, en filosofologen, vinden het nodig al die eerdere ideeën nog eens langs te lopen, uit te leggen, en daarbij schijnbaar ook nog te wegen. Daarbij lijken ze alleen altijd veel completer en geleerder dan ze zijn.

Teksten als die in dit boek doen me altijd denken aan een goochelshow, waarin de magiër van dienst talloze bloedmooie assistentes opvoert om zijn truc extra glans te geven. Mij leidden al die verschillende assistentes slechts van de hoofdact af. Sterker nog, diens optreden wordt er meestal fletser door.

Overigens verbaasde het me mede hierom niet dat Gevaar verplicht genomineerd was voor de titel ‘het meest prikkelende, Nederlandstalige filosofieboek uit 2009′.

Juist door de alom aanwezige vulling valt op waar Frissen’s betoog in tekortschiet. Het is éen ding om abstracta over de politiek te poneren. Of over het politieke — een onderscheid dat Frissen nogal wezenlijk vindt. Blijft alleen staan dat politici in een werkelijkheid functioneren. En dat politieke cultuur vervolgens verschilt per land, en in de tijd.

Bovendien is er in elke parlementaire democratie die wisselwerking met de bevolking. Onze politici worden namelijk geacht verantwoording af te leggen. En éen van de fundamentele problemen met de Nederlandse politiek voor mij is dat geen politicus hier ooit ergens verantwoordelijk voor lijkt. De gevolgen van beleidskeuzen worden bijna nooit achteraf gewogen, al was het maar om ze doorgaans niet eens bekend zijn. En er is altijd slechts aandacht voor een select tal problemen — meestal aangewakkerd door een media die veel liever relletjes zoeken, en speculatief ontleden, dan complexe materie uit willen leggen.

Dit boek had nut gehad als de abstracta en ideaalbeelden geholpen hadden om de Nederlandse situatie te verduidelijken. Dat deed het niet.

Toch schreef Frissen wel degelijk over de situatie hier en nu, anders had hij bijvoorbeeld Wilders niet als voorbeeld genomen om te beschrijven wat populisme is. Maar ook in de diagnose van waar Nederland structureel de fout in gaat, schiet het tekort.

Terwijl een roep om betere politici toch echt gebaat is bij een gedetailleerde analyse van waaraan het schort bij de huidige poseurs.

Een simpele vraag, die vrijwel nooit door deskundigen als Frissen behandeld wordt, is: welke mensen gaan in Nederland de politiek in? Wie maken er carrière in de grote partijen? En waarom?

Waarom is het in Groot-Brittannië voor ambtenaren simpelweg verboden om kandidaat te staan voor een politieke partij?

P.H.A. Frissen, Gevaar verplicht
Over de noodzaak van aristocratische politiek

294 pagina’s
Van Gennep, 2009

Leve het populisme | Weg met de Randstad ~ Eric Hoekstra

Twee pamfletten ineen biedt dit boek van Eric Hoekstra, die beide een eigen voorkant kregen. En het ene vond ik interessanter dan het andere — al komt dit mede omdat hier op boeklog al vele argumenten genoteerd staan die Hoekstra ook hanteert in éen van zijn aanvallen.

Leve het populisme biedt namelijk een systeemanalyse van het Nederlandse politieke wereldje, zoals hier ook weleens gegeven werd. Zij het dat ik mijn stellingen nooit zo netjes nummerde als Hoekstra.

Zijn analyse wijkt niet bijzonder af van de mijne. Kort gezegd komt die erop neer dat de grote politieke partijen hier bestuurspartijen zijn, die altijd meer naar elkaar kijken dan naar wat Nederland nodig heeft. Geregeerd wordt er nauwelijks. Geluld des te meer. Niet in het minst omdat de Nederlandse media zich zo geroepen weten om al wat in Den Haag gebeurt zo onnoemelijk veel belangrijker te maken dan het is.

Tegelijk is er nauwelijks oppositie. Want de partijen zonder regeringsmacht keren zich nu bijvoorbeeld juist vooral tegen Geert Wilders — die net als hen in de oppositie zit. Daarmee tonen D66 en GroenLinks volgens Hoekstra duidelijk aan tot de oude politiek te horen. En dus deel uit te maken van de verkalkte structuren.

Een opvallender uitgave vond ik Weg met de Randstad, omdat dit over een veel onbekender politiek taboe gaat.

In de Randstad wonen rond de 7 miljoen mensen. De meeste grote Nederlandse steden liggen in deze regio. Vrijwel alle universiteiten zijn gevestigd in deze Deltametropool. Er vindt de meeste economische activiteit plaats. Het landsbestuur is er gevestigd, en de grootste media hebben er hun hoofdkantoren.

Hierdoor heeft de legende postgevat dat het welvaren in alle andere regio’s in Nederland afhankelijk is van de steun die uit de Randstad komt. Terwijl nu net het omgekeerde opgaat.

De 10 miljoen Nederlanders die elders wonen, betalen grof mee aan de oplossingen voor de problemen die de 7 miljoen in hun mensenpakhuizen veroorzaken. Alle provincies buiten Noord- en Zuid-Holland en Utrecht zijn wingewesten voor die drie. En ze zullen dit nog lang blijven omdat het landsbestuur gedomineerd wordt door politici die uit de Randstad afkomstig zijn.

Eric Hoekstra was ooit even actief in de FNP — waarbij hij zoiets als partijgeweten en wetenschappelijk bureau tegelijk was. Waarom hij dat contact zocht, en of hij partijlid werd, is mij onbekend. Ik kan me voorstellen dat het interessant is even in de keuken van een politieke partij te kijken — zelfs als dit de Fryske Nasjonale Partij is.

Mij lijkt dat hij door die tijdelijke positie beter heeft nagedacht over wat de dominantie van de Randstad doet — of wat het taboe betekent dat die brute dwang nooit benoemd wordt — dan wat de problemen met de ‘oude politiek’ nu precies zijn. Weg met de Randstad is een doorleefder tekst dan het andere pamflet. De conclusies die hij trekt, en de onderzoekers die hij citeert, zijn inzichtelijker.

Elk miljoen dat niet in de Randstad wordt geïnvesteerd maar daarbuiten levert stelselmatig meer op.

Bijvoorbeeld.

De dominantie van de Deltametropool maakt dat de regio’s daarbuiten immer met een braindrain te kampen hebben. De vanzelfsprekende overmacht maakt velen zich op het moment met problemen bezighouden die alleen ontstaan omdat de ware oorzaak nooit benoemd wordt.

Het is nergens meer voor nodig om te veel mensen binnen zo’n beperkt gebied te concentreren.

* de pamfletten staan inmiddels ook online

Eric Hoekstra, Leve het populisme
Over regenten en hun critici

47 pagina’s
Uitgeverij Elikser, 2008
 
Eric Hoekstra, Weg met de Randstad
Laat de regio bloeien

44 pagina’s
Uitgeverij Elikser, 2008

Drammen dreigen draaien ~ Leo Prick

De belangrijkste conclusies zijn impliciet, in dit overzicht van twintig jaar politiek geknoei aan het onderwijs. Tenminste, dat geldt voor mij. De auteur stelt namelijk wel een duidelijke conclusie te hebben getrokken. En die luidt dat partijpolitiek gesjacher steeds boven inhoudelijke argumenten is gegaan; zelfs al ging dit ten koste van een maatschappelijk zo belangrijk onderwerp.

Als éen partij per se iets wil, zoals de PvdA in Nederland met onderwijs, dan geven andere regeringspartijen daar slechts aan toe, als zij in ruil iets terugkrijgen. En controle uit de Kamer op wat er daardoor nu eigenlijk gebeurt, is er niet. Daartoe ontbreekt de vakinhoudelijke kennis bij de parlementariërs.

Correctie vanuit de media is er evenmin. Die zijn alleen geïnteresseerd in de strubbelingen van de politici onderling; en vinden het niet boeiend wat beleidskeuzen in de praktijk betekenen.

Maar het merkwaardigst is nog wel dat ook de schoolbesturen, en de onderwijsbonden, in alles zijn meegegaan. Zelfs al waren de docenten op de middelbare scholen en lager beroepsonderwijs steevast tegen, op wat er gebeurde.

Dit boek bevat een gedetailleerd overzicht van de beleidskeuzen die een opeenvolgende rij aan politici in twintig jaar tijd hebben gemaakt, hoe deze verkocht werden, en wat er de rampzalige gevolgen van zijn. In die zin is het een voorbeeldig boek. Ik mocht willen dat er van meer beleidsterreinen zo eens in kaart werd gebracht, zodat duidelijk werd welke onbedoelde gevolgen politieke beleidskeuzen hebben. Plus vooral: welk advies daarbij genegeerd werd. En waarom.

Al was het maar opdat politici eindelijk eens iets zouden leren.

Tot in de kern teruggeredeneerd: er ontstond in de jaren tachtig in Nederland het probleem dat er ineens veel minderen jongeren waren op de scholen te vullen dan daarvoor. Dit demografische gegeven, dat toch al tien jaar bekend mocht heten, zorgde voor merkwaardige reacties bij de bestuurderen. Die zagen dat vele scholen nu te klein zouden worden, en daarmee te duur, dus moest er massaal worden gefuseerd en aan schaalvergroting worden gedaan. Terwijl ouders hun kinderen toch liever naar een kleine school sturen.

Bovendien zien ouders hun kind het liefst zo hoog mogelijk reiken. De demografische verschuiving had als gevolg dat HAVO en VWO evenveel leerlingen bleven trekken, maar MAVO en LBO leegliepen.

Door die schaalvergroting en de bijbehorende perikelen, verscheen er steeds meer management in het onderwijs. Tot op het punt dat van alle geld dat naar de scholen toeging ruim 41% vermorst wordt aan dergelijke overhead.

En naast deze onhandige planeconomie voerde de PvdA halsstarrig ook nog heel nieuwe schoolstelsels in, waarbij docenten van lesgevers tot begeleiders werden gedegradeerd, leerlingen zich zelf maar moesten leren redden, het praktische onderwijs werd afgeschaft, en de MAVO werd opgeheven als zelfstandig schooltype.

Bovendien schafte de PvdA, die zo de maakbaarheid claimt, ergens onder het bewind van Ritzen de mogelijkheid af om ‘te stapelen’; ofwel tussentijd naar een beter geschikt schooltype over te stappen; daarmee stiekem een Nederlandse droom vernietigend.

Niet alleen weten de politici dus heel goed hoe zij hele sectoren moeten runnen, denk ik dan, ze claimen ook de deskundigheid te weten hoe mensen het best kunnen leren. Want, daar zit voor mij toch de crux van dit boek. Wie het onderwijs opzet als industrie, en leerlingen vervolgens behandelt alsof het fabrieksproducten zijn die op een gegeven moment nog langs een kwaliteitscontrole moeten, om een ‘startkwalificatie’ te krijgen, die heeft niets begrepen van hoe mensen in elkaar zitten. Die is bovendien eng, in zijn pretenties.

Klagen politici nu weer steen en been dat er niemand met enige kwaliteit nog het onderwijs in wil.

Leo Prick, Drammen dreigen draaien
Hoe het onderwijs twintig jaar vernieuwd werd

189 pagina’s
Mets & Schild, 2006

Nietzsche & Kant lezen de krant ~ Rob Wijnberg

Rob Wijnberg was opinieredacteur bij NRC-Handelsblad toen deze krant op een nieuwsluw moment een bralstuk ontving van de populistische politicus Geert Wilders. Die stelde daarin onomwonden dat de Koran verboden moet worden.

NRC-Handelsblad publiceerde deze opinie niet. Dus wendde Wilders zich tot De Volkskrant, die het stuk wel direct opnam, en het daarnaast meteen becommentarieerde in een hoofdredactioneel artikel. Daarop was een rel geboren. En NRC-Handelsblad moest alsnog aandacht besteden aan Wilders’ holle woorden; maar een dag later, en nu in reactie op wat anderen daar al mee hadden gedaan.

Dit zou allemaal niet heel interessant zijn, had Rob Wijnberg de inleiding van Nietzsche & Kant lezen de krant niet gebruikt om de keuze te verdedigen dat stuk van Wilders te weigeren. En als juist dezelfde Wilders, plus de al even populistische Riet Haverdonk [1], vervolgens niet zo veelvuldig de Kop-van-jut waren in de artikelen die verzameld staan in deze bundel.

Als Wijnberg de opinies van Wilders kan gebruiken om de onnozelheid daarvan aan te tonen, of te laten zien dat ze niet stoelen op enig argument, dan gaat hij daar graag op in. Maar diens opinies onverdund aan de lezer tonen, zodat het publiek er zelf over kan oordelen, mag dus blijkbaar niet.

Er zit iets opportunistisch en wat vervelend paternalistisch in die manier van werken.

Bovendien lijkt mij een wezenlijke filosofische vraag of Wilders niet vooral een schepping is van de media die hem zo veel aandacht geven. Omdat zij hem overdreven veel aandacht geven. Net als dat alle gekeutel in Den Haag volgens hen het belangrijkste is van wat er in de wereld geschiedt.

Wijnberg wordt op 1 september 2010 hoofdredacteur van de krant NRC-next; tot verrassing van velen. Hij is jong. En dat maakt mij niet uit, maar ik vertrouw door een boek als dit zijn manier om de wereld te bekijken niet meer.

Op zich is er overigens weinig aan te merken op de artikelen in Nietzsche & Kant lezen de krant. Zij het, dat ze per stuk, zoals ze in de krant stonden, beter te verteren waren. Bundeling versterkte de teksten niet per se; ineens viel op dat Wijnberg regelmatig dezelfde kunstgrepen hanteert.

Rob Wijnberg deed ook telkens niets anders dan om een actueel feit van commentaar te voorzien met een praline uit de rijke bonbontrommel van de wijsbegeerte. Als inleiding tot het nut van filosofische kennis voor deze tijd deugt dit boek ook wel.

Alleen geven de stukken zo verzameld toch de impressie dat Wijnberg regelmatig batterijen aan kanonnen in stelling brengt om op een enkele mug te schieten. Alle politici gebruiken de media om reacties uit te lokken — de populisten niet anders dan de traditionele partijen. En te vaak gaan zijn artikelen over uitspraken, in plaats van daden. Waardoor Wijnberg macht toeschrijft aan mensen die deze niet bezitten.

Ik heb hier vaker betoogd dat woorden van politici me doorgaans niet interesseren — hoe onnozel of wijs die ook mogen zijn. Het gaat allereerst om wat hun beleid voor effect heeft. Evenmin kunnen Fortuyn, Haverdonk, of Wilders me boeien als persoon. Interessant is slechts waarom andere partijen niet goed met hen weten om te gaan. Of waarom ineens zo velen in de Nederlandse bevolking blind achter deze mensen aanlopen.

De krant die structureel aandacht voor zulke vragen zou hebben, die net een niveau dieper liggen als wat Wijnberg doorgaans behandelt, zou mij meteen als lezer winnen. Maar de kranten hier kunnen zoiets niet. Alleen al omdat ze dan zouden moeten uitleggen waarom ze tot nu toe zo in oppervlakkigheden blijven steken.

Rob Wijnberg, Nietzsche & Kant lezen de krant
Denkers van vroeger over dilemma’s van nu

285 pagina’s
De Bezige Bij, 2009
  1. de namen van deze mensen veranderen, het type politicus niet []

Je hebt het niet van mij, maar… ~ Joris Luyendijk

Lobbyisten besteden maar een klein deel van hun tijd op het Binnenhof, om parlementariërs te masseren. Dit ontdekte Joris Luyendijk tot zijn grote verbazing tijdens gesprekken met deze beroepsgroep. Het is veel effectiever om in Brussel te lobbyen, of op een eerder moment ambtenaren te voeren. Als beleidskeuzes nog in Den Haag beïnvloed moeten worden, is dit eigenlijk al te laat.

Dus begrijpt Luyendijk ineens niet meer zo goed dat de media alleen maar aandacht hebben voor wat er rond het Binnenhof gebeurt. Of waarom bijna alle verhalen in de kranten en op televisie over de poppetjes daar gaan.

Ik begrijp al die zo verkeerd gerichte media-aandacht evenmin. En de dossiers Democratie? en Media in crisis op boeklog getuigen ervan dat ik hier altijd al antwoorden zocht op de vraag naar de redenen voor die journalistieke gemakzucht.

Joris Luyendijk had een andere motivatie. Hij mocht het functioneren van de Haagse perssociëteit Nieuwspoort voor een maand observeren, in opdracht van deze organisatie. En omdat hij ooit tot antropoloog was opgeleid, werd het mogelijk politiek Den Haag te bestuderen alsof het een vreemde stam was, met hele eigen rituelen.

In Nieuwspoort komt namelijk iedereen. En tegelijk komt er niets uit Nieuwspoort. Dat is namelijk verboden. Het geheim. De sociëteit is ook ingebouwd in het gebouw van de Tweede Kamer, al zit de hoofdingang apart aan de zijkant.

Wat aan de rituelen van de stam opvalt, is hoe weinig open of transparant het politieke bedrijf in Nederland bedreven wordt. Een ledenlijst van Nieuwspoort krijgt Luyendijk niet. Welke journalisten en lobbyisten een pas hebben voor het Tweede Kamer-gebouw is geheim. Terwijl zulke lobbyisten in en uit kunnen lopen bij Tweede-Kamerleden; bij wie de deuren van hun kantoren niet eens op slot kunnen.

Bewindslieden hier schrijven ook vrijwel nooit memoires, zo stelt Luyendijk. [Boeklog heeft overigens een dossiertje]. En journalisten melden al evenmin alles wat ze weten. Anders krijgen ze een volgende keer niets meer toegeworpen aan nieuws. Doen ze eens een keer iets niet goed, in de ogen van politici, dan volgt er ook rustig een eenzijdige boycott.

De enige journalist in Den Haag die er positief uitspringt bij Luyendijk is Peter Middendorp. Maar die lijkt inmiddels vooral geaccepteerd te zijn als dorpsidioot. Middendorp geeft op zijn beurt aan vooral medelijden te hebben met iedereen werkzaam daar.

Terloops wordt ook even gesignaleerd dat de oppositiepartijen nauwelijks de kennis hebben, of de middelen, om adequaat tegenspel te bieden tegen regeringsvoorstellen. Een geciteerd Kamerlid vertrouwt erop dat de Nederlandse ambtenaar iedereen goed van dienst zal zijn.

Ondertussen worden Kamervragen meestal gebaseerd op krantenberichies, en andere hypes. Waarover de media dan opnieuw kunnen berichten, in een vicieuze cirkel aan nutteloos rumoer, denk ik dan.

Luyendijk verwoordt dan geen andere conclusie als C. John Summerville al in 1999 trok, en daarbij ook veel beter uitwerkte. Politiek nieuws werkt als een soap, met morgen weer een nieuwe aflevering, en daarom met hoogstens een cliffhanger vandaag.

Joris Luyendijk liep in september 2010 rond in Den Haag. Toen er volgens de media vreselijk veel speelde, omdat de kabinetsformatie het nieuws domineerde. Hij leerde daar vooral uit hoe belangrijk het voor de daar gelegerde journalisten was om gezien te blijven worden, zelfs al wilde geen van de politici iets meedelen aan het einde van een dag onderhandelen. Maar het blijft nodig de familieband daar goed te houden; in die incestueuze kliek.

Mede daarom probeert hij de komende maanden, samen met de krant NRC-next, eens politieke journalistiek te bedrijven op een dieper niveau. Om dan te kijken hoe een wet echt tot stand komt. En dat lijkt me nuttig, en goed, en ook een hoop werk.

Ik hoop wel dat hij daarbij ook eens bronnen met naam opvoert, in plaats van slechts anonieme zegslieden aan te halen, zoals in dit pamflet.

Nu is het beste aan dit boekje dat Luyendijk enigszins bekendheid heeft, door de TV, en zijn kritiek daarom hopelijk ook eens mensen bereikt voor wie het wel nieuws is wat hij vertelt.

Joris Luyendijk, Je hebt het niet van mij, maar…
Een maand aan het Binnenhof
111 pagina’s
Podium, 2010

Kennisdemocratie ~ Roel in ’t Veld

Kennisdemocratie is een neologisme dat In ’t Veld [1942] nadrukkelijk wil plaatsen naast het veel bekendere begrip kenniseconomie. Want, weliswaar is er nu aarzelend die nieuwe economie — die vooral uit bestaat dat mensen elkaar vanuit hun kantoor diensten verkopen, waarbij ze dan een computer nodig hebben — de samenleving veranderde al eerder op een andere manier fundamenteel.

Terwijl we leven in een parlementaire democratie die in de negentiende eeuw werd gegrondvest, naar negentiende-eeuwse ideeën, veranderde de bevolking sindsdien vrij radicaal van samenstelling. Meer mensen dan ooit hebben een middelbare en zelfs hogere opleiding gevolgd. En toch worden ook zij op ouderwets regenteske manier geregeerd.

Komt daar nog bij dat de Nederlandse politiek functioneert in een Europese Unie, en in een wereldeconomie. Zodat de hypothekenhandel in de VS ineens blijkt grote invloed te hebben op overheidsuitgaven hier; of noem de onverwachte dwarsverbanden maar op.

Door al deze ontwikkelingen, en meer, heeft de politiek in Nederland een wat merkwaardig karakter gekregen. De politieke partijen die er de dienst uitmaken verschillen nauwelijks nog van elkaar. Dit geeft zelfs In ’t Veld toe. Ik ben nog een stuk cynischer en denk: de voornaamste functie van de politieke partij is die van uitzendbureau, voor werk in de publieke sector.

De grote vraag van deze tijd is dus voor In ’t Veld hoe de bevolking nauwer te betrekken is tot de politiek, en hoe de overheid dan van hun kennis en bekwaamheden gebruik kan maken.

Het antwoord daarop leverde een nogal technocratisch boek op, met daarin veel aandacht hoe de Nederlandse overheid op het moment aan zijn kennis komt.

Wel negeert In ’t Veld voor het gemak éen element dat nogal vervelend kleeft aan de Nederlandse samenleving en zijn bestuur. De overheid bestaat hier uit een ‘closed shop’; invloed of inzichten van buitenaf worden vrij makkelijk geweerd; behalve dan dat lobbyclubs het systeem soms vrij effectief kunnen bespelen.

De overheid hier is namelijk zo ingericht dat dezelfde mensen elkaar steeds in wisselende hoedanigheden tegenkomen. Het ene moment is iemand ambtenaar, en dus uitvoerder. Dan wordt zo iemand bestuurder. Of controleur. Of adviseur. Tot de volgende carrièrestap, en de bijbehorende wisseling van rol.

De hele loopbaan van Roel in ’t Veld toont hem ook telkens in éen van deze vier hoedanigheden. En, dat vraagt toch een bepaald temperament van zo iemand; zoals het vermogen om telkens weer te vergaderen.

Het grote probleem is ook dat deze mensen niet per se hun eigen gedachten of wensen representeren, maar al gauw een partijpolitiek doel dienen; en de macht van deze partij niet mogen schaden. Tegelijk wordt Nederland altijd geregeerd door coalities. Dus kan dat partijpolitieke doel nooit te extreem zijn. Alles dat gebeurt, vindt pas plaats na overleg, en is doorgaans gekleurd door het compromis.

Als gevolg hiervan lukt er eigenlijk nooit iets in Nederland, net als dat er ooit iets totaal mislukt. De cultuur is die van pappen en nathouden; rekken en er bijblijven.

Slechts van buitenaf is hier kritiek op mogelijk, maar kritiek van buitenaf doet er nu net in het geheel niet toe; of pas als die wel een machtsfactor vertegenwoordigt, zoals via de lobbyisten.

Dus, terwijl In ’t Veld in dit boek bezig gaat met een internationaal verhaal — want overal wordt nu onderzoek gedaan naar hoe kennis uit het volk het bestuur kan dienen — gebruikt hij daarbij slechts de elementen van de Nederlandse situatie die geen afbreuk doen aan dit nieuwe ideaal. Daarmee gaat hij me te zeer voorbij aan de werkelijkheid. Theoretiseren is mooi, maar als alle verband met de werkelijkheid wordt losgelaten, ontstaan slechts theorietjes.

Uitleg over het begrip kennisdemocratie kan volgens mij niet zonder daarbij te laten zien dat democratie en daarmee bestuur in elk westers land net iets anders wordt ingevuld. Bijzonder aan Nederland is dat ambtenaren kandidaat kunnen staan voor een politieke functie, waardoor dat systeem ontstond om buitenstaanders te weren.

Bijzonder aan Nederland is dat de grote politieke partijen decennialang tamelijk effectief de macht op bijna alle niveaus hebben kunnen verdelen; en dat daarin pas sinds de opkomst van de partijen voor een plaatselijk belang ruim twintig jaar geleden enigszins iets aan het verschuiven is.

Roel in ’t Veld, Kennisdemocratie
Opkomend stormtij

214 pagina’s
Sdu Uitgevers, 2010

Gevaarlijke vaagtaal ~ Arjen Ligtvoet & Cathelijne de Busser

‘Vaagtaal is gevaarlijk en grijpt woest om zich heen’. Dit stellen Arjen Ligtvoet en Cathelijne de Busser in een pdf-uitgave van twee interviews die ook op hun weblog staan.

Vaagtaal is hun neologisme voor wat anderen, zoals journalisten, doorgaans dunspraak noemen:

Dunspraak is het gebruiken van bekende woorden en begrippen zonder er iets reëels of betekenisvols mee aan te duiden. [30]

Orwell muntte dan weer het begrip ‘Newspeak’ in 1984, en zo zullen er nog wel meer benamingen zijn voor taal die niet allereerst wordt ingezet om te communiceren.

Ligtvoet en De Busser geven in hun inleidende essay onder meer deze definitie:

Vaagtaal komt overal voor en heeft vele varianten. Zo lijden ambtenaren aan oubollige ambtenaritis, leggen beleidsmakers met beleidsbabbels een zachte wollen deken over snoeiharde maatregelen en spreken managers een semi-Engelse vorm van vaagtaal die managementspeak heet. [5]

Ik zou deze soorten taalgebruik eerder schimmel noemen, die bijna ongemerkt ineens alles overwoekerd hebben, dan een woest om zich heen grijpend verschijnsel. Kankers, desnoods; omdat daar de stille woeker ook al in zit.

Tegelijk is dunspraak of vaagtaal ook een fenomeen dat soms nut kan hebben.

Als ik als journalist een interview uitwerkte met iemand die ik mocht, werd al zijn jargon herschreven tot begrijpelijke spreektaal. Had het vraaggesprek me alleen irritatie opgeleverd, dan liet ik alle gelul zo letterlijk mogelijk staan. Wetende dat de goede lezer zo direct zou zien met een blaaskaak van doen te hebben, met niets meer dan lege praatjes in de aanbieding.

In deze elektronische uitgave staat een interview met de oud-politicus Frits Bolkestein, die zich opeens de luxe veroorlooft met enig afstand naar zijn vorige bezigheden te kijken. Al heeft hij eerder wel het neologisme ‘Binnenhofbargoens’ bedacht, voor de wollige ontaal in die politiek Den Haag voor Nederlands moet doorgaan.

Als je in de Nederlandse politiek stante pede komt met een heldere analyse en een oplossing, zou je gek genoeg die oplossing wel eens sterk kunnen vertragen. Politici denken dan dat er te weinig geworsteld en gediscussieerd is. De oplossing is te eenvoudig, en dus verdacht. [13]

In Nederland is het onnozel om duidelijke standpunten in te nemen, aldus Bolkestein; daarmee illustrerend wat hier op boeklog al te vaak in de orde kwam. In politiek Nederland is een ja nooit een ja; maar op zijn best een opening tot onderhandelen.

Bolkestein moppert verder nog wat over onze decadentie, of die van Europa, en pleit daarbij, zoals te verwachten viel, voor een nieuwe elite. Al zal hij waarschijnlijk eerder een echte elite bedoelen.

De andere gesprekspartner voor de auteurs van deze uitgave was Charles den Tex. Deze is vooral bekend als thrillerschrijver. Maar hij schreef ooit ook een boek over adviestaal, getiteld Van Aai-instrument tot zwaluwstaarten. Dat was mede een afrekening met de tijd dat hij als adviseur aan de kost kwam.

Den Tex weet onder meer duidelijk te maken dat de strijd tegen zulk taalmisbruik een vrijwel hopeloze opgave zal zijn:

In jullie boek ‘Vaagtaal’doen jullie de oproep om mee te vechten tegen vaagtaal. Te laat! Iedereen beschouwt deze taal al als volstrekt normaal. Vaagtaal en adviesbeeldspraak zijn voor de meeste mensen tastbare werkelijkheid. Door deze manier van spreken aan te vallen, val je mensen persoonlijk aan. De meesten zullen dat niet accepteren en hoeven het ook niet te accepteren. Kijk maar hoe managers zichzelf onmisbaar hebben gemaakt en zich afschermen met bonussen, optieregelingen en lucratieve winstuitkeringen. [22]

Enfin. Door publicaties als deze, hoe bescheiden ook, besef ik onder meer dat mijn boeklog ook een wapen is tegen alle wanstaltig taalgebruik, en het daarmee gepaarde slordige denken.

Al richt mijn strijd zich dan eerder nog tegen alle imponeergebazel. Vaagtaal is er in nog veel meer soorten dan Ligtvoet en De Busser in kort bestek hebben kunnen aangeven. En erger nog is de manipulatie die met een mist aan ontaal bedekt wordt, of de drang naar macht.

Arjen Ligtvoet & Cathelijne de Busser, Gevaarlijke vaagtaal
26 pagina’s
www.vaagtaal.nl, 2011

Democratie: Wezen en oorsprong ~ Alexis de Tocqueville

Wat ik te makkelijk vergeet, is dat mijn kennis over politiek leunt op de namen die verschijnselen hebben gekregen. Democratie is zo’n naam. Net als tirannie. Of representatie.

Zulke woorden hebben betekenissen die kunnen veranderen in de tijd, en soms komt dat enkel door het werk van éen denker. De Franse edelman Alexis de Tocqueville (1805 – 1859) was zo iemand die het denken over politiek opnieuw ijkte. Maar, dat zo veel van wat hij dacht voor ons gemeengoed is geworden, maakt het tegelijk ingewikkeld om zijn werk te beoordelen.

In Democratie: Wezen en oorspring is een bloemlezing opgenomen met de meest actueel gebleven stukken uit de twee boeken die Tocqueville wijdde aan de politieke filosofie. De la démocratie en Amérique verscheen in twee delen, en was het werk van een jonge man die op studiereis was geweest naar de Verenigde Staten. Daar had hij het gevangenissysteem bekeken, en waren hem daarnaast nogal wat meer zaken opgevallen.

In het latere boek L’Ancien Régime et la Révolution beschreef Tocqueville waarom de Franse revolutie wel moest gebeuren. Daarbij tegelijk afrekenend met wat zijn eigen adellijke familie was overkomen. Alleen is dat element in deze bloemlezing wat weggelaten.

Wat Tocqueville vooral in zijn beschrijvingen over democratie lukte, was om die bestuursvorm vrijwel onbevangen te bekijken. En dan was de manier waarop ze in Amerika alles organiseerden dan nieuw, tegelijk vielen daardoor de positieve punten zo veel duidelijker op. Omdat deze nog niet afgestompt waren onder de dikke laag stof der gewoonten. Net als de negatieve kanten in het oog sprongen. Of, waarin democratieën ook problematisch kunnen worden:

Boven al deze egocentrische individuen torent een enorm bevoogdend machtsapparaat als enige instantie die hun welzijn garandeert en hen van de wieg tot het graf begeleidt. Het is allesomvattend, voorzie en regelt alles tot in de details en wel met fluwelen handschoenen. Er zou een vergelijking te maken zijn met de verhouding ouders-kinderen, als het zijn doel zou de mensen tot mondigheid op te voeden. Het tegendeel is waar: het probeert de onderdanen hopeloos gefixeerd te houden in een staat van onmondigheid. Het stelt het op prijs, dat zij een aangenaam leven hebben, als hun gedachten en verlangens zich maar niet richten op iets anders dan hun welverzorgd bestaan. Het spant zich graag in voor hun welvaren, mits het zelf mag uitmaken waarin dat bestaat en het zelf de enige instantie blijft om dat welvaren tot stand te brengen. Het verschaft alle voorzieningen voor hun veiligheid, voldoet aan al hun behoeften, neemt de leiding van de belangrijkste zaken over, baant de weg voor de ontplooiing van hun energie, geeft regels voor erfopvolging en boedelscheiding, Het ontbreekt er nog maar aan, dat het de burger volledig de taak uit handen neemt zelf nog te denken en hem ontlast van de moeite adem te halen.

Zodoende wordt het inzetten van eigen oordeelskracht op den duur een nuttelozer en telkens zeldzamer voorkomende bezigheid. De reikwijdte van de individuele wilskracht raaks telkens minder ver; eenieder beschikt ten slotte ternauwernood over de eigen persoon. De onderlinge gelijkheid heeft de mensen hiertoe gedisponeerd. Zij worden erop ingesteld dit alles maar te verdragen; ja, dit zelfs te beschouwen als iets weldadigs. [190-191]

Tocqueville’s woorden hadden op mij het effect om nogal vaak wat hij beschreef te vergelijken met nu; in het Nederland anno 2011. En om dan te zien dat er toch wel wat mis is, met onze parlementaire democratie. Daarin speelt alleen al dat er te veel gevestigde belangen zijn onder de mensen die zeggen ons te vertegenwoordigen.

Bovendien is een partijkaart verplicht, voor wie een publiek ambt wil bezetten. Wat niet alleen rechtstreeks tegen de grondwet ingaat, maar ook een negatief selectieproces geeft; naast de partijkaart is het ook noodzakelijk geen vijanden te hebben in de eigen partij. Dus regeert vooral de meewaaiende middelmaat, die nooit op een eigen idee betrapt kan worden. Dus is zo’n stelsel betrekkelijk makkelijk te ontregelen door een populist — de kwaliteit om zo iemand te weerspreken ontbreekt; omdat daar nooit op geselecteerd is.

Hierdoor kan ik me ineens beter dan ooit voorstellen dat zijn boeken eenzelfde effect hadden op F.R. Ankersmit; waardoor deze ineens politiek actief werd; zich richtte op het hervormen van éen politieke partij; en mede een liberaal manifest opstelde met nieuwe grondslagen voor de VVD.

Dat avontuur mislukte. Misschien omdat Tocqueville niet alle problemen van de democratie al wist te benoemen.

wordt vervolgd

Alexis de Tocqueville, Democratie: Wezen en oorsprong
De belangrijkste gedeelten uit :
Over de Democratie in Amerika
Het Ancien Régime en de Revolutie
Samenstelling : prof.dr. J.M.M. de Valk
Inleiding: Andreas Kinneging
317 pagina’s
Agora|Pelckmans, z.j.

Eeuwige terugkeer van het fascisme ~ Rob Riemen

Er bestaan heel verschillende manieren om naar de pluspunten en problemen van de parlementaire democratie te kijken. Ik kijk allereerst met een historische blik, en vervolgens vanuit een pan-Europees perspectief. Daardoor erger ik me bijvoorbeeld zeer aan het hijgerige onbenulligheid waarmee de meeste massamedia het democratische proces verslaan.

Zo gaan journalisten er te makkelijk vanuit dat er democratie ís in Nederland; terwijl daar grote vraagtekens bij te zetten zijn, die helaas hoogstens wetenschappers weleens plaatsen onder elkaar.

Tegelijk heb ook ik zeker wel een mening over Geert Wilders, en zijn eenmansbeweging.

Mijn hekel aan Wilders en zijn Kamervak vol stemvee is namelijk al bijna even groot als mijn weerzin tegen de traditonele partijen CDA, PvdA, en VVD.

Toch is Wilders onschuldiger. Wat hij met nadruk nastreeft, voor zover daar een lijn is in te ontdekken, gaat meestal dwars in tegen bestaande grondrechten en internationale afspraken. De kans dat deze wensen vervuld worden, is daarmee vrijwel nihil.

Als andere politici zijn eisen inwilligen, schaffen ze namelijk af waar democratie in internationaal verband voor staat. En dat snappen de meesten waarschijnlijk nog net.

De drie grote partijen kan daarentegen wel degelijk verweten worden in hun onbenul mijn grondrechten te hebben uitgehold; om nog maar te zwijgen over de schade de Rechtstaat aangedaan. Is daar ook nog de stelselmatige schending van artikel 3 van de Grondwet:

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

omdat die een dode letter mag heten momenteel. Doordat in de praktijk een partijkaart en wat dienstjaren verplicht zijn voor functies in het Openbaar bestuur. Waardoor de boven ons gestelden uit een te kleine pool aan mensen komen, die bovendien op de verkeerde wijze is uitgeselecteerd. Eigenzin, of het vermogen tot zelfstandig nadenken, zal onder deze mensen nauwelijks nog voorkomen.

Goed beschouwd bestaat de parlementaire democratie in Nederland nog niet eens honderd jaar — vergeet 1848, want het algemene kiesrecht kwam er pas in 1919. En een eeuw kan best eens te kort zijn om de bestaande bestuurscultuur grondig te veranderen.

Dat VVD, CDA, en PvdA tegenwoordig allereerst uitzendbureaus zijn voor bestuurders, is geen andere situatie als in de tijd dat de regenten hier het nog afkonden zonder de schaamlap te hoeven gebruiken dat zij een politieke partij zouden vertegenwoordigen.

Rob Riemen ziet het evenwel anders. Riemen schreef eerder het boek Adel van de geest, met een pleidooi voor elitaire waarden. En hij bracht in 2010 dit pamflet uit, getiteld De eeuwige terugkeer van het fascisme. Met als voornaamste doel om Geert Wilders’ beweging gelijk te stellen aan alle kwalijks wat er in die kleine eeuw aan democratie geweest is aan politieke partijen elders.

Bovendien schrijft hij dat de grote partijen van dit moment

hun eigen gedachtegoed verloochenen.

terwijl het mij niet was opgevallen dat deze een idee hebben gehad, in de twintigste eeuw. Wat er veranderde, kwam toch allereerst door economische ontwikkelingen of technologische vernieuwing.

Pappen en nathouden volstond meestal wel. En laat ons de aardgasvondst ook niet vergeten, met al zijn gratis miljarden aan inkomsten die het onnodig maakten om werkelijk met beleid te besturen.

Ja, dat elke partij claimt een denkstroming te vertegenwoordigen, en het beste met de mensheid voor te hebben, weet ik ook wel. Maar juist bij politici doen hun woorden er niet toe, en dienen alleen hun daden aandacht te krijgen.

En ik moet de eerste politieke beschouwing nog lezen waarvan de schrijver het aandurft de woorden, en hun holle retoriek, van politici eens geheel te negeren.

Dat is veel te veel werk, namelijk. En zo’n tekst zou te zeer afwijken van wat men gewoon is.

Rob Riemen, De eeuwige terugkeer van het fascisme
62 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2010

Lachende derde ~ Peter Middendorp

Schrijf over een politicus, en noem daarbij zijn of haar naam, en er ontstaat een kans van 99% dat zo’n tekst plots op slag verouderd is. Politici spelen nooit zo lang een rol op het eerste plan. Hun carrière voor het oog van de natie is waarschijnlijk nog korter dan die van een blessuregevoelige sporter.

De lachende derde is een boek over Jan Peter Balkenende. Deze man was minister-president ooit, van een hele reeks Nederlandse kabinetten aan het begin van de eenentwintigste eeuw; die allen voortijdig vielen.

En het tijdperk Balkenende lijkt nu al einden terug te liggen, ondanks dat deze bundel van Peter Middendorp toch pas eind 2009 uitkwam. Sindsdien is er ook nogal wat gebeurd. De ontwerpfout in de euro werd tamelijk genadeloos blootgelegd en zorgt thans voor crisis. En er kwam een kabinet waaraan een partij deelnam die een groot deel van Grondwet en daarmee de rechtstaat wou afschaffen. Voor een beperkt deel van de bevolking dan.

Ook dat kabinet is ondertussen alweer weg.

Bij het lezen over Balkenende zit mij ongetwijfeld in de weg dat er geen politiek partij is waaraan ik een groter hekel heb dan het CDA — gehuichel, gekuip, en genever — en dat er tijdens mijn leven geen slechtere minister-president is geweest dan hij. Al dingen nog wel meer partijen en meer premiers naar deze titels.

Balkenende is allereerst een sprekend pak, volgegoten met clichès die hij opdeed bij de gristelijke jongemannenvereniging. Een man die op alle vragen een dooddoener wist die niets met de vraag van doen had.

Balkenende was een regent van het type ‘regeren is vooruitschuiven’. En als hij wel een beslissing durfde te nemen, deugde die niet.

Balkenende is namelijk een man die op normen en waarden hamerde, meende dat deze zaten in het spreken met twee woorden, maar die doodleuk zelf een illegale oorlog tegen een autonoom land mee hielp plotten. En daarmee naar de letter van het Volkerenrecht de grootste misdaad denkbaar pleegde; en dus een oorlogsmisdadiger is.

Dus vond ik De lachende derde enerzijds prachtig, omdat Middendorp als geen ander weet te tonen dat Jan Peter Balkenende een lul met vingers is.

Terwijl het simpel lijkt wat de auteur deed. Ga gewoon in de buurt staan als je onderwerp ergens komt, en beschrijf hoe hij zich dan gedraagt. Stap zijn werkkamer binnen en beschrijf wat je ziet.

Middendorp bundelde grotendeels columns uit dagblad De Pers in dit boek. Maar ook ging hij op onderzoek naar Balkenende’s Zeeuwse wortels, en reisde hij daartoe af naar Kapelle-Biezinge. Veel nieuwe feiten leverde dat niet op. Behalve dan dat de geslotenheid van een gemeenschap over éen van zijn bekendste zonen impliciet informatie geeft.

Meest opvallende onthulling uit het boek is overigens dat Jan Peter Balkenende als minister-president zijn handen niet thuis kon houden, en telkens de billen bevoelde van de jonge vrouwen die op recepties bij hem kwamen staan. Tegelijk beschrijft Middendorp in dit boek hoeveel spijt hij kreeg dit gemeld te hebben. Zelfs al weet iedereen in Den Haag dat de premier een aanrander is, als alleen een columnist dit durft te melden, en de rest van de journalisten daar over zwijgt, bestaat het hele feit domweg niet. Wel staat de columnist vervolgens overal buiten. De scoop maakte Middeldorp er helemaal tot dorpsidioot.

Dat Jan Peter Balkenende ooit minister-president werd, was grotendeels toeval, zo zullen de historici later schrijven. Eerst was er het merkwaardige gegeven dat de CDA in de oppositie zat, terwijl die partij al de macht in Nederland had sinds Noach de Ark uitscheepte. En bij een interne strijd om het lijsttrekkerschap bleek Balkenende ineens die lachende derde waar iedereen wel mee leven kon; waar de twee bekendere kandidaten de partij te veel polariseerden.

Vervolgens kwam Pim Fortuyn op, en die richtte al zijn woede op de partijen die aan de macht waren. Werkelijk stom toevallig was het CDA daar eens niet bij. Dus richtte zich na de moord op Fortuyn vervolgens ook alle volkswoede tegen iedereen behalve het CDA. En daarmee werd deze kwijnende partij nog eenmaal de grootste.

Maar vermoedelijk zullen historici de economische crisis van begin 21e eeuw interessanter vinden. En willen weten hoe de politieke verstarring ontstond waarin zo’n idioot systeem als de Europese muntunie boven alles heilig werd verklaard; zelfs al ontstond daardoor grote stagnatie waar dit niet had gehoeven.

De meest significante vraag voor mij die dit boek oproept — voor de zoveelste maal — is evenwel wat er in hemelsnaam deugt aan een politiek systeem dat een Jan Peter Balkenende oplevert als leider van het land. Want weliswaar heb ik gekankerd op die man, en wist Peter Middeldorp hem vrij grondig als sukkel af te schilderen, maar er zijn nog zo veel meer mannetjes en vrouwtjes van dat hopeloos middelmatige slag actief in Den Haag.

Peter Middendorp, De lachende derde
167 pagina’s
Prometheus, 2009

Framing ~ Hans de Bruijn

Dit boek van de hoogleraar Bestuurskunde Hans de Bruijn zette mij tot nadenken aan. Maar, op een andere manier dan hij hoopte te bereiken waarschijnlijk.

Want, wanneer heeft het nu werkelijk eens een keer iets uitgemaakt dat een politicus in Nederland een publiek debat won door slim taalgebruik?

Gevechten genoeg in de Kamer, daar gaat het niet om — alleen worden de echte beslissingen daar nu net nooit genomen. Hoogstens wordt voorgenomen beleid er iets bijgesteld.

Als in de Nederlandse politiek ooit eigen besluiten vallen, gebeurt dit vooral tijdens de kabinetsformatie, waar dan niemand over weten mag; omdat de deelnemende partijen nogal wat verkiezingsbeloften moeten breken. Beslist wordt er dus slechts in de achterkamertjes.

Al wat in het publiek plaatsvindt, is op zijn slechts heel matig marionettentheater, en zelfs op zijn heftigst nog altijd niet meer dan wat pikkenmeterij.

Dat de media vervolgens enorm veel aandacht geven aan zulke strijd, of, sterker nog, alle debat hier zien als wedstrijdjes, vind ik dan ook een ernstige weeffout in onze samenleving. Als Hans de Bruijn dan voor zijn boek slechts inzoomt op quotes uit zulke publieke woordenwisselingen bevestigt hij allereerst een schijnwerkelijkheid. Wat is Bestuurskunde voor wetenschap?

Ofwel, dit boek is gemakzuchtig. ‘Frames’ genoeg die momenteel ingezet worden door politiek of media, zonder dat daar iemand ooit commentaar op levert.

Toegegeven, fractieleider Roemer [SP] verloor de laatste verkiezingen misschien wel doordat hij tijdens een TV-debat premier Rutte [VVD] van leugens betichte over de hoogte van het eigen risico van de ziektekostenbelasting. Alleen loog Rutte inderdaad. Glashard. Tijdens dat debat. Maar vervolgens werd opvallend genoeg juist Roemer in de media aangevallen op zijn zichtbare verbazing over de leugen, en zijn aarzeling daarna.

Waarbij deze journalisten zich in plaats van onpartijdige verslaggevers ineens ontpopten als verdedigers van het establishment — tegen iemand die naar hun zin waarschijnlijk te hoog stond in de peilingen.

Over het waarom precies van deze collectieve media-reactie zou ik ook graag eens een geïnformeerd boek lezen. Waarom werd Roemer eerst groot geschreven — zodat zelfs hij in zijn potentiële macht geloofde en uitspraken ging doen over een premierschap — en daarna collectief klein gemaakt?

Zoals De Bruijn het gebruik van ‘framing’ in het politieke taalgebruik behandelde interesseerde me dat te weinig. Alleen al omdat hij weigerde dit taalgebruik terug te koppelen aan de realiteit die speelde.

Ik ga er vanuit dat politici slechts de waarheid spreken als hen dit het beste uitkomt, dat de meeste van hun uitspraken profileringsdrang tonen, en onderdeel van een machtsspel zijn.

Pim Fortuyn’s ‘Puinhopen van Paars’ was een handige uitspraak indertijd van een geborneerde columnist met nogal wat geldingsdrang. Maar waren er wel puinhopen? Of heeft die moord op Fortuyn alle perspectief op zijn uitspraken vertekent? En doet de crisis van het moment dat nu weer, maar anders?

De Bruijn bleek te blind gefascineerd te zijn door spelletjes. Bovendien voegde hij in Framing te veel voorbeelden van taalgebruik toe uit de Amerikaanse verkiezingsstrijd in 2008 ter illustratie — alsof die strijd een echte strijd zou zijn, en niet de meest obscene en dure vorm van theater die we kennen. Om Vidal of Chomsky maar weer eens te parafraseren, de Democraten en de Republikeinen in de VS zijn de vleugels van éen enkele politieke partij in de VS; en verdedigen beide de macht van het geld daar.

Nee. Ik kan me vele boeken voorstellen die interessant over framing en andere vormen van sturend taalgebruik zouden kunnen vertellen. Tenslotte gebruikt ieder van ons weleens een frame om de gedachten van een ander vast te pinnen in éen hoek. Psychologie speelt daarbij een rol. De taal zelf. Argumentatieleer. Debattrucs.

Een boek vol voorbeelden van wat gekwetter onderling tussen wat politici is niet genoeg om mij over dit verschijnsel te informeren. Hoe groot de media sommige van die politici ook hebben gemaakt.

Hans de Bruijn, Framing
Over de macht van taal in de politiek

236 pagina’s
Atlas Contact, 2011

Bang Nederland ~ Jan Willem Duyvendak  Ewald Engelen  Ido de Haan

Vijf jaar wachten om een politiek pamflet te lezen. Dat lijkt me de juiste termijn. De opwinding van dat moment is gesleten. En de politici waarover het gaat zijn dan vaak weg.

Hoofdrolspelers van toen als Bos en Balkenende zijn inmiddels goed betaalde consultants — daarmee benadrukkend dat er wel erg veel kringen zijn tegenwoordig waar het gaat om wie je kent, niet wat je kent.

Slechts de vaak in dit boek genoemde Geert Wilders is nog actief. Maar dat is hij dan ook al sinds begin jaren negentig. Ondanks al zijn grillen werd hij een baken van stabiliteit in de politiek. Wilders blijft nu eenmaal een wandelende paradox. De man werkte zijn hele loopbaan lang slechts in Den Haag, en doet nog altijd of hij er niet bijhoort daar. Komt er mee weg ook.

Kern van Het bange Nederland is dat onze elite onzeker is. Om hun leuke positietjes vooral. Dus willen deze mensen belangrijker lijken dan ze zijn. En dit lukt heel aardig door de bevolking telkens angst aan te praten. Dan lijken ze nodig. Dan kunnen ze krachtdadig doen.

De hoogleraren Duyvendak (sociologie) en De Haan (geschiedenis) en de onderzoeker Engelen keren zich daarbij vooral tegen ‘de greep van het klamme nationalisme’. De toon in het debat over de samenleving is niet goed, en moet anders. Er dient met een open blik naar de internationale economie te worden gekeken.

De geleerden zijn vooral tegen gekant dat de populisten het debat zo domineren dat we blind worden voor allerlei ontwikkelingen buiten Nederland.

Ze waren aan de late kant met deze constatering. Eén van de eerste rode draden op boeklog in 2005 al was mijn spot met alle pogingen om de idee Nederland ineens te verheiligen.

Bovendien lijken de strubbelingen van toen inmiddels op verwende ruzietjes uit een land dat niet wist hoe goed het er was.

Terwijl dit boek nog geschreven werd brak er een financiële crisis uit. Waarop schandaal na schandaal na schandaal liet zien dat nogal wat leden uit onze elite op geen enkel vlak te vertrouwen zijn. Eigenbelang ging hen vele malen boven algemeen belang. Honderden miljarden zijn verdwenen, en de schade wordt niet op de daders verhaald maar op ons allen.

Nooit sinds de Tweede Wereldoorlog zal het vertrouwen in politici en alle andere boven ons gestelde bestuurders lager hebben gelegen.

Nooit is sinds de Koude Oorlog de onzekerheid over wat de toekomst brengt groter geweest dan nu.

Alle wijsheden van economen bleken niets waard te zijn. Onbarmhartig is bovendien duidelijk geworden dat politici zonder enige visie wat deden, en bankers straffeloos overal mee wegkomen.

Maar nog altijd wordt via dezelfde mechanismen geprobeerd om greep te houden op de bevolking. Dreigen met bezuinigingen, en vergelijkbare ingrepen, werkt daarbij heel goed. Hoewel er in de praktijk nog altijd nauwelijks bezuinigd is.

Het bange Nederland is er nu nog om te prijzen dat in het boek werd aangeduid hoe belachelijk beperkt de kennis of het analytisch vermogen van bestuurlijk Nederland is. Punt blijft wel dat vergelijkbare conclusies zelfs op boeklog al tientallen malen langs kwamen.

Jan Willem Duyvendak Ewald Engelen Ido de Haan
Het bange Nederland
Pleidooi voor een open samenleving

160 pagina’s
Bert Bakker, 2008

Twintig maanden knettergek ~ Ella Vogelaar & Onno Bosma

Als iemand de wens uitspreekt om president te worden, moet er alles aan worden gedaan dat onmogelijk te maken. Mensen die willen regeren, zijn ipso facto niet in staat om dat te doen. De auteur Douglas Adams formuleerde zijn bezwaren tegen politici nog vriendelijk. Ik ben hetzelfde idee ook in cynischer bewoordingen tegen gekomen.

Iedereen die publiekelijk ambieert om president van de VS te worden, moest onmiddellijk ontoerekeningsvatbaar worden verklaard.

En dan lijkt de situatie in Nederland, met zijn eeuwige coalitiekabinetten, minder extreem dan in de VS of het VK; waar éen partij doorgaans de macht krijgt na de verkiezingen. Dan nog deugt er heel wat niet aan de boven ons gestelden. Die maken opvallend basale fouten. En merkwaardig genoeg is juist dit simpele probleem een taboe. Want daar gaat het nu net nooit over in discussies over de politiek.

Neem het ministerschap van Ella Vogelaar [PvdA] in het vierde kabinet Balkenende — het vierde kabinet ook overigens onder leiding van deze man dat voortijdig sneuvelde.

Vogelaar was iemand met tot dan vooral bestuurlijke ervaring; in de vakbeweging onder meer.

Toch besloot de PvdA juist haar te vragen voor éen van de moeilijkste posten denkbaar. Die van minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

Daarbij wegen verschillende zaken mee. Nederlandse kabinetten kennen namelijk twee soorten ministers. De ministers ván iets, en de ministers vóor iets. Die ván iets hebben een portefeuille, ofwel een eigen budget. De ministers vóor wat moeten het doen met al dat ze toegeschoven krijgen van een minister die wel over eigen geld kan beschikken.

Alleen vergat PvdA-fractieleider Wouter Bos bij de kabinetsformatie te regelen dat Ella Vogelaar een fatsoenlijk budget zou krijgen voor haar taken. En helaas wordt in de regeerakkoorden alles meteen voor jaren dichtgetimmerd.

Ella Vogelaar was bovendien de directe opvolgster van de toenmalige VVD-bewindsvrouwe Rita Verdonk. Die een nogal uitgesproken rechts populiste was — tot ook zij uiteindelijk een voetnoot werd in de parlementaire geschiedenis. Maar als minister voor Integratie had zij haar ideeën nooit verbloemd; of deze nu uitvoerbaar waren of niet.

Dus zouden er in de politiek en daarbuiten al meteen vergelijkingen worden getrokken tussen Verdonk en Vogelaar.

Was daar ook nog de populist Geert Wilders, en zijn kudde parlementair stemvee — opvallend genoeg de enige constante factor in de Nederlandse politiek van de afgelopen tien, twaalf jaar — wiens wereldbeeld nog eenvoudiger in elkaar steekt als dat van Verdonk. Alle problemen in Nederland zijn volgens hem ontstaan door mensen die hier niet horen, en daarom terug moeten naar hun eigen land.

Nogal wat van de mensen die Wilders weg wil hebben, wonen in de grote steden. In de achterstandbuurten die onder het bewind van Ella Vogelaar eufemistisch krachtwijken gingen heten.

Bovendien nemen de Nederlandse media al Wilder’s uitspraken nogal serieus — want zelfs wie er telkens badinerend commentaar op levert, schenkt aandacht aan al zijn holle gebral; en wordt aldus diens megafoon. Daardoor is er geen enkele serieuze discussie mogelijk over nogal wat onderwerpen. De populist heeft die gekaapt; want iedereen geeft hem deze ruimte.

Ofwel, zelfs al zou Ella Vogelaar tot het mirakel in staat zijn geweest om zonder eigen budget in éen keer veertig jaar aan nalatigheid in het overheidsbeleid te vereffenen, dan nog zou ze niets goeds hebben kunnen doen in de ogen van velen.

Een schaker die deze beginstelling overziet, zou nu misschien oordelen: Vogelaar was voor de PvdA dus niet meer een pion die makkelijk geofferd kon worden.

Maar waarschijnlijk is dat toch net te negatief gedacht. Bij alle handelen van mensen speelt ijdelheid en onbenul nu eenmaal een veel grotere rol dan kille berekening. Wouter Bos was oprecht blij te kunnen gaan regeren met de PvdA. Zelfs al moest hij daarvoor in de onderhandelingen met Balkenende’s CDA bijvoorbeeld toestaan dat er vervolgens nooit iets gezegd kon worden over de Nederlandse bijdrage in de illegale invasie van Irak.

Bos vergoelijkte een oorlogsmisdaad om zelf een goede positie te krijgen — dus principes verwachten van een zo machtsgeil iemand, laat staan ideeën, lijkt me werkelijk te veel gevraagd. In zijn autobiografie nietste het niets ook al zo opvallend.

En Ella Vogelaar was ooit oprecht vereerd om gevraagd te worden voor een ministerspost.

Twintig maanden knettergek biedt een kroniek van wat deze beslissing betekende voor haar en haar partner. Deze schreef dit dagboek vanuit een opvallend perspectief; door al wat Ella Vogelaar deed of dacht in de tweede persoon te zetten.

Vanochtend ben je, zoals elke week, om half acht present in de gymzaal van één van de departementen. Je slaapt elke donderdag, na het bewindsliedenoverleg in het Parkhotel in Den Haag, zodat je de volgende ochtend kan gymmen. Je maakt daar deel uit van de Rouvoet Angels, dat zijn de vijf vrouwelijke bewindslieden die vrijdagochtend met Rouvoet als enige man gymmen. De term is door jou bedacht en inmiddels gemeengoed geworden. [70]

Dit boek bevestigde voor mij twee vooroordelen over de Nederlandse politiek. Waarvan de eerste is dat de politieke partijen hier zelf opvallend weinig democratisch zijn. Vogelaar moest als minister na twintig maanden aftreden, omdat ze uit de gratie was gevallen bij de partijleiding. Niet omdat het parlement haar handelen had afgekeurd, of er andere echt wezenlijke problemen speelden.

Dat Vogelaar al voor haar aantreden in een onmogelijke positie was geplaatst, waarbij de partijleiding zelf nogal wat te verwijten viel, speelde daarbij dus geen enkele rol.

Nu, de supermarkt op de hoek heeft nog een beter personeelsbeleid.

Het tweede vooroordeel dat ik bevestigd zag, is dat de politiek en de politieke pers hier te innig verstrengeld zijn. Twintig maanden knettergek gaat opvallend vaak over het beeld dat er van Ella Vogelaar bestaat in de media. En omdat dit beeld op een gegeven moment niet meer zou hebben gedeugd, beschadigde zij de PvdA, en moest ze weg.

Nu blijft het waarschijnlijk een ijdele gedachte om van politici te verlangen dat ze leren van fouten uit het verleden — die problemen in de krachtwijken zijn ook door falend beleid ontstaan — of dat ze eens zouden durven aangeven geen oplossingen te hebben die dit jaar al zullen werken. Maar dat het politieke handwerk zo knullig verricht wordt als dit boek toont, slaat mij met een enorm cynisme.

Ella Vogelaar & Onno Bosma, Twintig maanden knettergek
Dagboek van een ministerschap

347 pagina’s
Balans, 2009

Tegen verkiezingen ~ David Van Reybrouck

Het overkomt me dus vaker. Het radiogesprek dat een schrijver voerde over zijn boek pakte veel interessanter uit dan het boek zelve.

Misschien is dat omdat David Van Reybrouck tijdens zijn interview met het programma Kunststof [mp3] een enthousiasme en gedrevenheid had in zijn woorden, die in zijn boektekst ontbreken.

Wellicht kwam dat omdat hij in het gesprek inging op wat hij zelf al gedaan had om de kloof tussen burger en politiek te dichten — zoals het overleg-initiatief G1000, dat vooral in Vlaanderen even furore maakte — en hij daarom wel gedwongen werd nog iets beter te benoemen waar het democratisch deficit uit bestaat.

Wij vertrouwen de politici niet.

Omgekeerd vertrouwen politici de bevolking al evenmin. Daarom hebben zij alles zo gedraaid dat ze slechts twee dingen van ons nodig hebben.

Ons belastinggeld ten eerste. Dat we opvallend braaf betalen — terwijl sinds 1 juli ineens bijvoorbeeld de belasting op drinkwater gewoon verdubbeld is, zonder dat iemand daar tegen protesteerde.

En eens in de zoveel tijd, in theorie om de vier jaar — geen kabinet die deze termijn nog haalt — mag er gestemd worden op een nieuwe samenstelling van het parlement. Terwijl dat na zo’n verkiezing steevast met hetzelfde onmogelijke slag middelmatig volk bezet zal worden. Stemmen verandert daarin niets.

Ik heb het vaker geschreven hier. Zolang politieke partijen weigeren gegevens over hun partijfinanciering openbaar te maken, en zolang de Tweede en Eerste Kamer geen lobbyistenregister hebben, sta ik bovendien in mijn recht de Nederlandse politiek door en door corrupt te noemen.

Daarnaast is de politiek ook dom. Want in zijn structurele wantrouwen tegen de bevolking, houdt het ook alle kennis buiten die deze bevolking heeft. Daardoor worden er telkens heel merkwaardige beslissingen genomen. Deze besluiten moeten vervolgens verkocht worden — omdat ze niet voor zich spreken, want zo vaak mede gebaseerd zijn op schimmige politieke koehandel — en dit maakt enkel dat het wantrouwen onder het slimmere deel van de bevolking zal toenemen.

David van Reybrouck ziet dit allemaal ook. Alleen is hij in het pamflet Tegen verkiezingen te beleefd om expliciet te benoemen wat er mis gaat in de huidige parlementaire democratie.

En hij moest ook wel; schelden helpt niet om gehoord te worden; hoe terecht dat geschimp verder ook zijn mag.

Van Reybrouck wil namelijk terug naar een vorm van democratie van helemaal uit het begin van deze staatsvorm; zoals hij eindelijk uitlegt na drie mij wat te uitvoerige hoofdstukken met politieke theorie.

De stadstaat Athene werd namelijk bestuurd door mensen die elk jaar per loting werden aangewezen. Enkel voor de beleidsterreinen waar echte vakkennis nodig was, zoals de legerleiding, werden mensen voor langer vast aangesteld; omdat dit nu net wel vakmensen moesten zijn.

Impliciet zegt Van Reybrouck daarmee: heren en dames politici, iedereen kan doen wat u doet. Alleen dan wel aanmerkelijk beter. Want wie voor een jaartje ingeloot wordt om politiek te bedrijven, wordt daarbij niet gehinderd door verkalkte partijbelangen, noch wegen er dan stiekem miljarden aan lobbygelden op de achtergrond mee. Lotelingen zullen over alles moeten nadenken, en praten. Lotelingen zullen betere besluiten nemen.

Daarom is de kans nihil dat politici iets zullen voelen voor wat Van Reybrouck beoogt — wie onaantastbaar de macht bezit, zal deze nooit vrijwillig afstaan.

En toch is een structureel andere manier van denken nodig, over het openbaar bestuur, en het fundamentele gebrek aan kwaliteit daarvan.

David Van Reybrouck, Tegen verkiezingen
174 pagina’s
De Bezige Bij, 2013

Op drijfijs ~ Willem van Bennekom

Dat het begrip rechtstaat eigenlijk voor een ideaaltoestand staat, begrijp ik ook wel. Dit probleem kleeft nu eenmaal aan zo veel woorden uit de politieke theorie. Die staan voor een uitgangspunt dat mooi is. De praktijk blijkt vervolgens aanzienlijk weerbarstiger.

Democratie is ook zo’n woord dat wel erg makkelijk gebruikt wordt.

Of anders wel vrijheid. Alle Nederlandse politieke partijen met vrijheid in hun naam, hebben namelijk een opvallende neiging de vrijheden van anderen telkens in te willen perken.

‘Rechtstaat’ zie ik als het stelsel van regels en gewoonten dat burgers beschermt tegen hun overheid. En trouwens ook tegen de misdragingen van andere burgers; dat aspect doet er alleen nu even minder toe.

En een probleem met die rechtstaat is dan zo al, dat dezelfde overheid, waartegen wij beschermd moeten worden, de regels voor de rechtstaat opstelt. En ze bewaakt.

Goed, op papier bestaat er een scheiding van machten. De Trias Politica. Waarin de rechterlijke macht onafhankelijk opereert van wetgevende macht; ofwel de politiek.

Alleen blijkt die scheiding der machten ook al niet zo absoluut te zijn als die per definitie zou horen te zijn; er is nu eenmaal verschil tussen de heldere filosofische theorie, en de moeizame menselijke praktijk.

In Op drijfijs onderzocht Willem van Bennekom mede hierom het functioneren van de Nederlandse rechtstaat. En hij kon dit doen vanuit een grondige praktijkkennis. Van Bennekom was onder meer advocaat in vluchtelingenzaken. En hij werkte daarnaast als rechter-plaatvervanger.

Zijn essay werd geen geweldig helder gestructureerd verhaal. Wat komt omdat hij vooral vanuit de anekdote — zoals een rond 2010 opzienbarende rechtszaak — probeerde te redeneren naar een ideaal.

Filosofen hebben het wat dit betreft makkelijker, die werken andersom, en passen de werkelijkheid aan hun ideeën aan.

En toch zal Op drijfijs me wel even bijblijven, omdat Van Bennekom laat zien dat die rechtstaat er nog wankeler bijstaat dan ik al vreesde.

Dat bestuursrecht in Nederland bijvoorbeeld? Sinds 1994 bedoeld om de burger meer bescherming te bieden tegen besluiten van een anonieme overheid? Dat bestuursrecht is log, en traag, en redeneert opvallend zelden in tegen de bureaucratie.

Daarbij kan het zijn dat Van Bennekom een gekleurde opinie heeft. Het Nederlandse vreemdelingenrecht is een gedrocht met absurd strenge regels, waarover het land telkens op de vingers wordt getikt door de Europese Hoven. Bovendien weet hij als advocaat van vreemdelingen dat vreemdelingen hier zelfs geheel buiten de wet staan.

De auteur laat alleen heel goed zien dat politici wel heel gretig zijn om bij bagatellen al wetswijzigingen te eisen, of zelf alvast voor te stellen.

Komt daar een mediaklimaat bij waarin met regelmaat hevige buien aan hysterie losbarsten, met daarin zo vaak rechtstreekse kritiek op een zaak, van politici zelfs, en daarmee op rechters.

Van Bennekom fakkelt mede hierom onder meer een inmiddels allang vergeten opiniestuk af van F.R. Ankersmit — dat hij nogal ongeïnformeerd vond; omdat deze geen vonnissen kan lezen. Kritiek op Ankersmit vind ik vanzelfsprekend altijd nuttig; ik heb mijn eigen problemen gehad met deze man. Kritiek ophangen aan een enkel krantenstuk is me alleen te licht en anekdotisch; wat een probleem blijft met dit kritische essay.

Net zo vond ik Van Bennekom’s opmerkingen over de invloed van de Europese Hoven, of het bestuur van de EU, op de rechtstaat, wat te vrijblijvend. Wij zijn nu eenmaal dat Europa. En Willem van Bennekom lijkt me dat wat te makkelijk te ontkennen. In zijn betoog lijkt Europa te zeer een soort vreemde bezettingsmacht, van wie de grillen nog niet helemaal bekend zijn.

Willem van Bennekom, Op drijfijs
Over het functioneren van de rechtstaat

160 pagina’s
Cossee, 2010

Zeker weten? ~ Herman van Gunsteren

Onwetendheid herkennen we eerder bij anderen dan bij onszelf, zo schreef politiek filosoof Herman van Gunsteren.

Van daaruit is het slechts een kleine stap om tegen die anderen te gaan schreeuwen dat ze dom zijn, zo moet daar tegenwoordig bij volgens mij. Nu zo velen op de sociale media ineens wel de absolute wijsheid in pacht hebben; omdat anderen hetzelfde krijsen.

Maar Van Gunsteren hield het klein in zijn boek Zeker weten?. Dwars tegen de tijdgeest in. Deze uitgave legt onder meer uit dat het soms helemaal niet verkeerd is om de eigen onwetendheid op te zoeken. Of zelfs om eens te falen.

Kun je een volgende keer nog beter falen, zoals Beckett dan altijd weer gaat zeggen op een moment als dit.

Zeker weten? las voor mij wat merkwaardig.

Van Gunsteren verwijst bijvoorbeeld met grote regelmaat naar boeken van auteurs hier al eens gesignaleerd op boeklog. Bovendien is deze hele website een lopend publiek onderzoek van mij naar de betrouwbaarheid van andermans opinies en beslissingen. Mijn les 6 uit 10 jaar boeklog: Opinies, ik had ze ook gaat daar zelfs heel expliciet over.

Herlees ik bovendien met grote regelmaat boeken die me ooit heel goed leken, in de hoop vooral om daar dan nog eens van te kunnen genieten — en toch ook in het besef dat veel van mijn oordelen heel best tijdelijke beoordelingen kunnen zijn; gekleurd door het moment.

Hoe elegant en leesbaar verpakt ook, Van Gunsteren vertelde mij kortom nauwelijks nieuws in Zeker weten?. Hoogstens gebeurde dat in de meer persoonlijke verhalen. Als de schrijver uitlegt bijvoorbeeld hoe een ervaren berggids denkt, om de wandelaars die hij begeleidt voor gevaren te behoeden. Niet zijn eigen fysieke mogelijkheden wegen daarbij het zwaarst, maar de fitheid en ervarenheid van zijn gasten.

Duidelijkste voorbeelden over waar het toe leidt als mensen niet willen toegeven het ook weleens fout te hebben, geeft Van Gunsteren over de Nederlandse politiek:

De eis van consistentie, het niet toegeven van fouten, de pretentie nooit te liegen, de halfhartige geheimhouding van wat er achter de coulissen gebeurt en de fractiediscipline laten al met al weinig ruimte voor politici om hun onwetendheid en falen te erkennen. Is dat erg? Ja, want het maakt politici hardleers. In de beeldvorming zijn ze daarom weinig geloofwaardig. Ze proberen karakter te tonen, maar waaien met winden mee. Ze doen zich op tv en twitter voor als gewone mensen, maar verhullen het bijzondere van hun werk, namelijk het uitoefenen van het geweldsmonopolie teneinde vrede tussen burgers te bewaren. In plaats van de bijzondere aard van hun werk uit te dragen en te laten zien wat dit aan de samenleving bijdraagt, doen ze alsof het allemaal zo gewoon is. Waarom hebben we jullie dan eigenlijk nodig, vraagt de kijker zich af. [86]

Meen ik toch dat het verhaal over dit onderwerp inmiddels nog groter is dan Herman van Gunsteren doet voorkomen in zijn boek. Want kijk onder meer eens naar wat Richard Sennett opmerkte over de afgenomen waarde van bijvoorbeeld vakmanschap in de economie van het moment. Mensen worden tegenwoordig niet meer aangenomen op wat ze al bewezen hebben te kunnen, ze krijgen een baan om het potentieel dat ze mogelijk hebben om met alle komende veranderingen mee te buigen.

Opvallend genoeg is het ineens een economische eis geworden om in het verleden opgebouwde routines ook weer snel af te kunnen leggen.

Herman van Gunsteren, Zeker weten?
Omgaan met verassingen, falen, onwetendheid

119 pagina’s
Van Gennep, 2011

Report of the Iraq Inquiry ~ Report of a Committee of Privy Counsellors

Ruim 2,6 miljoen woorden telt het Britse Chilcot-report — de weerslag van het in 2009 begonnen onderzoek naar de Irak-oorlog dat deze maand eindelijk verscheen. En die heb ik zeker niet allemaal gelezen. De samenvatting volstond wel, en een detail hier en daar. Al is zelfs die samenvatting nog altijd een kleine honderdvijftig pagina’s lang.

Bestaat er bovendien nog Chilcot’s eigen samenvatting van de samenvatting, van twaalf bladzijden [pdf] lengte.

Teruggebracht tot een tweet luidt het oordeel:

Blair lied, people died.

Alleen wist ik dat al. Net als dat geen van Chilcot’s harde conclusies nieuws brachten, voor mij:

Saddam Hussein was geen directe bedreiging voor het Verenigd Koninkrijk in 2003. Dus was een invasie van zijn land niet nodig.

De claim dat Hussein over massavernietigingswapens (WMD’s) beschikte, werd door de Britse premier Blair en de Amerikaanse president Bush met een zekerheid gebracht die volkomen ongerechtvaardigd was. Er is de afgelopen dertien jaar ook geen WMD aangetroffen in Irak.

En Blair misleidde zijn kabinet, door ze lang alles niet te vertellen. Alleen daardoor al ontbrak alle normale democratische controle op het besluit om een ander land binnen te vallen.

Maar zelfs dat laatste aspect, van dat gebrek aan controle, was niet nieuw. In Nederland had de Commissie Davids begin 2010 al over dezelfde invasie geoordeeld dat het besluit tot deze oorlogsmisdaad wel erg lichtvaardig was genomen.

En toch is The Report of the Iraq Inquiry niet helemaal een overbodig stuk, dat net als de studie van de Commissie Davids wel spoedig ergens in een la zal belanden om er nooit meer uit te komen. Zo hebben de onderzoekers de correspondentie weten te verkrijgen die er was tussen Blair en Bush. En die maakt onder meer duidelijk dat er al in 2002 besloten was tot invasie. Tony Blair zou de Amerikaanse president in alles volgen:

Alleen moest daartoe enkel nog een aanleiding worden gefantaseerd.

Net als dat het leuk was geweest als de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties wel hun toestemming hadden gegeven voor een inval. Al schijnt Bush daar vrij onverschillig tegenover te hebben gestaan. Het waren allereerst de Britten die toch liefst wel een mandaat hadden voor de invasie van een autonoom land.

Enfin. Lezing van het Chilcot-report moest op boeklog aangetekend worden, omdat ik de afgelopen weken nog zoveel meer las om deze publicatie heen. Hoeveel doden bijvoorbeeld, heeft de drieste geldingsdrang van Bush en Blair veroorzaakt? Mij was al onderzoek uit The Lancet bekend uit 2006, dat toen het getal van 650.000 noemde. Ondertussen raamt de organisatie Physicians for Social Responsibility dit aantal op ruim 1 miljoen doden. Conservatief geschat. Het kunnen er ook 2 miljoen zijn. Helemaal als de slachtoffers in de ‘War on Terror’ in Afghanistan en Pakistan mee worden geteld.

En het gaat me veel te ver om ook mijzelf tot indirect slachtoffer te maken van al die politieke dadendrang. Feit blijft wel dat ik voor mijn inlichtingen over politieke besluiten doorgaans aangewezen ben op de massamedia. En dat deze massamedia in de aanloop naar de Irak-oorlog van 2003 voornamelijk meeheulden met de toekomstige oorlogsmisdadigers. Toegegeven, dat was een groter probleem in het Verenigd Koninkrijk dan hier — dat land is ook veel militaristischer. Maar dan nog.

Als politici grote dadendrang vertonen, lijkt me dat de belangrijkste vraag meteen moest zijn: waarom?

The Report of the Iraq Inquiry
Executive Summary

Report of a Committee of Privy Counsellors
HC 264
145 pagina’s
Printed in the UK by the Williams Lea Group on behalf of the Controller of Her Majesty’s Stationery Office

Notes on Democracy ~ H.L. Mencken

In 1926 publiceerde de Amerikaanse brombeer H.L. Mencken een kort traktaat over democratie. Van dat boek werden toen amper 235 exemplaren gedrukt. En hoewel er dat jaar nog een druk verscheen, zou de titel vervolgens vijftig jaar lang in de vergetelheid verdwijnen.

Maar, ik wist van het bestaan. En ik had me ook al lang geleden voorgenomen het te lezen bij een volgende presidentsverkiezing in de VS. Omdat me Mencken’s Coda uit het boek bekend was:

I enjoy democracy immensely. It is incomparably idiotic, and hence incomparably amusing. Does it exalt dunderheads, cowards, trimmers, frauds, cads? Then the pain of seeing them go up is balanced and obliterated by the joy of seeing them come down. Is it inordinately wasteful, extravagant, dishonest? Then so is every other form of government: all alike are enemies to laborious and virtuous men. […]

Dus, terwijl Mencken in Notes on Democracy aangeeft dat het politici enkel te doen is om leuke baantjes en macht — en dat het volk waarover zij regeren gemiddeld nog te dom is om te poepen — concludeert hij tegelijk: daar verander je verder toch niets aan. Dus kun je beter van het onnozele spektakel genieten.

Zo onthecht ben ik evenwel nog niet. Zelfs al is enig cynisme mij niet vreemd.

Mencken’s boek biedt daarentegen een historisch perspectief. Want zo iets een constante is in de Amerikaanse democratie, dan toch wel de optocht aan praatjesmakers die het kiesvolk stroop om de mond smeerden met fraaie beloften; waar nooit wat van kwam.

En een andere permanent gegeven is dat angst heel goed werkt voor politici om hun zin door te drijven:

The whole history of the country has been a history of melodramatic pursuits of horrendous monsters, most of them imaginary: the red-coats, the Hessians, the monocrats, again the red-coats, the Bank, the Catholics, Simon Legree, the Slave Power, Jeff Davis, Mormonism, Wall Street, the rum demon, John Bull, the hell-hounds of plutocracy, the trusts, General Weyler, Pancho Villa, German spies, hyphenates, the Kaiser, Bolshevism. The list might be lengthened indefinitely; a complete chronicle of the Republic could be written in terms of it, and without omitting a single important episode. It was long ago observed that the plain people, under democracy, never vote for anything, but always against something. […]

In het boek werkt Mencken twee vergelijkbare voorbeelden nader uit. Hij kan daarbij zijn boosheid niet verhullen over hoe de Amerikaanse regering zijn land de Grote Oorlog in praatte, door ineens het grote Duitse gevaar te gaan overdrijven. Terwijl de echte strijd toen toch een hele oceaan verderop plaatsvond.

Ook geeft hij aan hoe een kleine fanatieke minderheid, zoals de alcoholbestrijders, de overgrote meerderheid in het land met een drooglegging kan opzadelen; waar vervolgens alleen de illegale drankstokers beter van werden.

Omdat Mencken tegen het alcoholverbod schreef, laadde hij juist weer de verdenking op zich betaald te worden door de bootleggers — want, zo werkt de publieke opinie in de VS. H.L. Mencken begreep deze aantijging niet eens. Als een groep goed aan de drooglegging verdiende, dan waren het de bootleggers wel. Waarom zouden die campagne voeren tegen het opheffen van het alcoholverbod?

En weliswaar helpt zo’n historisch perspectief aardig bij het relativeren. Tegelijk wordt elke krant en ieder opinieweekblad onleesbaar als je als lezer echt in lange termijnen gaat denken — en als je Nederland dan bijvoorbeeld beschouwt als een democratie met nog geeneens een eeuw aan algemeen kiesrecht. Waar de aloude regentenstructuren van daarvoor nog altijd bestaan, zij het in anders gekleurde jasjes.

Notes on Democracy bleek in sommige opzichten behoorlijk in de tijd achtergebleven te zijn. Mencken, hoe vooruitstrevend op sommige gebieden ook tijdens zijn leven, onderscheidt zijn landgenoten unverfroren in mensen die iets kunnen en in klootjesvolk. In deze tijden van politieke correctheid zou geen scribent dat zich meer kunnen veroorloven. Al maakt waarschijnlijk menigeen in gedachten wel zo’n tweedeling.

En op een aardige formulering na, hier en daar, viel er ook weinig aan Mencken’s tekst te genieten. Hij is me vaak net te cynisch, en zeker niet analytisch genoeg, wat me daarmee niet tot verder denken aanzette. Al vond ik zijn beschrijving van politiek idealisme fraai:

[…] there are still idealists, chiefly professional Liberals, who argue that it is the duty of a gentleman to go into politics–that there is a way out of the quagmire in that direction. The remedy, it seems to me, is quite as absurd as all the other sure cures that Liberals advocate. When they argue for it, they simply argue, in words but little changed, that the remedy for prostitution is to fill the bawdyhouses with virgins. My impression is that this last device would accomplish very little: either the virgins would leap out of the windows, or they would cease to be virgins.

H.L. Mencken, Notes on Democracy
208 pagina’s
Dissident Books 2008, oorspronkelijk 1926

Republic, Lost ~ Lawrence Lessig

De vis kent het water niet waarin die zwemt. Niemand denkt na over wat voor zich spreekt. Tot er in dat vanzelfsprekende ineens iets verandert.

En dan nog.

Vertrouwen is voor onze samenleving als wat water is voor vissen. Zonder vertrouwen gaat er niets vanzelf.

Ik geef toe, doorgaans komt zo’n gedachte enkel in mij op tijdens omstandigheden waaraan ik niet gewend ben. In de auto, tijdens een natte donkere avondspits in de Randstad bijvoorbeeld, als het verkeer drie vier rijen dik naar mijn idee net iets te hard rijdt voor de omstandigheden. Maar die andere automobilisten willen ook gewoon veilig naar huis, hoop ik dan in goed vertrouwen.

Toen Bas Haring onderzocht wat we nu eigenlijk weten over economie, ontdekte hij tot zijn verbazing dat geld op zich niets is. Het enige waaruit geld bestaat, is het luttele vertrouwen van het publiek, en de beleggers, dat die nummertjes in een computerbestand ergens ook nog voor iets staan.

Pas met dit boek van de Amerikaanse jurist Lawrence Lessig las ik dit jaar nog weer eens iemand die het stelselmatig over vertrouwen heeft; en wat er zoal toe leiden kan dat het verdwijnt. En dat verbaast me dan dus. Omdat het me zo’n wezenlijk onderwerp lijkt. Helemaal nu het overal verkiezingstijd schijnt te zijn, en er alom wantrouwen woekert tegenover de zittende machten.

Want dan wordt die onvrede vaak nog net wel gesignaleerd, alleen gaat de analyse waarom die er zou zijn mij vervolgens nooit diep genoeg. De nieuwsmedia hebben in die zin echt mijn vertrouwen verloren. Nu goed, die hebben er dan ook allereerst belang bij de status quo te handhaven. Die mogen niet verontrusten.

Mijn principiële ideeën over de betekenis van vertrouwen in de politiek schreef ik op boeklog hier al eens op, in reactie op een weinig analytisch rapport van het wetenschappelijke bureau van het CDA. Die inzichten zal ik hier daarom niet uitgebreid herhalen.

In zijn boek Republic, Lost legt Lessig uit wat het betekent dat het Amerikaanse Congress het beste parlement is dat er voor geld gekocht kan worden. Daartoe geeft hij eerst een les maatschappijleer, om te verduidelijken wat een overheid is en waar dus de staat voor staat. En daarbij gaat het onderhuids dus voortdurend over vertrouwen.

Wie een beker melk drinkt, gaat er daarbij vanuit dat de zuivelfabriek daar geen plastic aan toe heeft gevoegd voor het volume, zoals in China gebeurde.

Wie weet dat er voedsel in omloop is die door olie verontreinigd raakte, gaat er vanuit dat de verantwoordelijke ondernemer daar wel voor gestraft zal worden. En op zijn minst dat alle giftige waren uit de handel worden gehaald.

Lessig houdt het betoog in het boek lang breed en simpel, om zo te verduidelijken waarom een samenleving regels nodig heeft, en controlemechanismen. Want daarmee laat hij ook zien wat het tot zo’n groot probleem maakt dat in de VS de wetgevers te koop staan voor de meest biedende. Daardoor kloppen die noodzakelijke regels ineens niet meer, of ontbreekt goede controle. Of erger.

Toen de Amerikaanse presidentsverkiezingen plaatsvonden, een week geleden, werden ook de Senate en de House of Representatives opnieuw ingedeeld. Alleen brengt dit de verkozen Afgevaardigden geen respijt. Zij zijn slechts voor twee jaar aangesteld. Hun verkiezingscampagnes om een volgende termijn te krijgen, horen eigenlijk nu alweer te beginnen.

En om campagne te voeren, is geld nodig. Veel geld. En ondanks alle restricties aan de campagnefinanciering zijn politieke kandidaten daardoor nog altijd bereid zich te laten kopen.

Lessig heeft de afgelopen decennia gemerkt dat de Amerikaanse bevolking razend is over de corrumpering van het politieke systeem. Zelfs al lijkt vervolgens iedereen net iets anders te verstaan onder wat deze corruptie precies inhoudt. Eén gevoel overheerst alleen altijd: dat zíj daar, die hoge heren, dat stelletje, overal mee wegkomen, en alleen aan zichzelf denken.

Republic, Lost gaat er daarom vooral over op welke manieren de politieke klasse in de VS allereerst het eigenbelang dient, en dat van hun sponsors natuurlijk, en welke betekenis dit heeft. Vanzelfsprekend gebruikt de schrijver daarbij Amerikaanse voorbeelden. Alle politiek is lokale politiek. Alleen blijft in de VS alles altijd wel heel erg op het binnenland gericht.

Eindigt de auteur het boek met een bescheiden voorstel tot hervorming — dat geen enkele invloed zal hebben, omdat men in Washington DC principieel niet wil begrijpen wat er verkeerd is aan wat daar gebeurt. Hun normaal is anders dan dat van alle buitenstaanders. Ja, die andere partij is corrupt, zij toch niet?

Nu voerde Donald J. Trump campagne met de slogan het moeras aan corruptie in Washington te gaan dempen. Hij kon mede door het kanaliseren van bestaande woede bij de bevolking de presidentsverkiezingen winnen. Alleen lijkt het mij onwaarschijnlijk dat een wheeler-dealer, die in zijn leven eerder zo veel profijt had van de corruptie in het systeem, daar iets aan zou willen veranderen, nu hij ondanks alles verkozen is.

null
deze week gepubliceerde statistiek naar Gallup

Maar dat zijn boodschap massaal aansloeg is een gegeven — net als dat een schijnbare buitenstaander tenminste niet zo corrupt lijkt als die andere kandidaat, die juist wel zo grote steun genoot uit het zo rot geachte systeem.

Heb ik daarmee een volkomen onverwachte uitslag van een presidentsverkiezing verklaard? Nee, natuurlijk niet. Ik weet nu alleen wel waar naar te kijken in de analyses van anderen over die uitslag, en de betekenis daarvan.

Lawrence Lessig, Republic, Lost
How Money Corrupts Congress–and a Plan to Stop It

384 pagina’s
Twelve, 2011