Man in Full ~ Tom Wolfe

De ruzie om dit boek was veel interessanter dan de tekst ervan.

Zoals hier eerder opgemerkt, nadat A Man in Full aanvankelijk lovende kritieken oogste, werd de schrijver plots aangevallen door een triumviraat van beroemde collega’s. Daarom besloot ik deze zomer te kijken wie er gelijk had. Wolfe met zijn kritiek op het gebrek aan leven in de boeken van Updike, Mailer, en Irving. Of de laatste, met diens woorden dat Wolfe geen romanauteur is.

Ik had me de moeite kunnen besparen.

Noch Irving, laat staan Wolfe, schreven boeken die me iets zeiden. En dit had ik kunnen weten door alleen al naar de enorme omvang van hun romans te kijken. Obesitas is een dodelijke ziekte.

Bij dit boek van Wolfe speelde mee dat ik zo halverwege er de perfecte recensie over las. Daarna heb ik het boek nog doorgebladerd tot het einde, maar was het onbevooroordeelde lezen over. In zijn brievenboekje Aan een jonge romanschrijver lichtte Mario Vargas Llosa namelijk toe waar het een slechte roman aan ontbreekt, en het was alsof hij daarbij dit boek beschreef:

Een slechte roman, zonder of met weinig overtuigingskracht, overtuigt ons niet van de waarheid van de leugens die hij vertelt; deze blijft voor ons een ‘leugen’, een kunstgreep, een willekeurig verzinsel zonder eigen leven, dat zich moeizaam en houterig beweegt, als de poppen van een middelmatige marionettenspeler. Zij kunnen ons haast onmogelijk ontroeren, want hoe kunnen die nepfiguren zonder vrijheid, die geleende die afhankelijk zijn van een almachtige baas, hun heldendaden en leed nu echt beleven? [35]

Dat sloeg precies op de verzameling aan losse scènes die ik net gelezen had.

Dit boek gaat onder meer over smerige zaakjes, in en om de Amerikaanse stad Atlanta, Georgia. En goed, zo af en toe kwam er wel degelijk interessante informatie langs, bijvoorbeeld over wie een burgemeester daar allemaal te vriend moet houden om herkozen te kunnen worden. Maar dit bleek niet genoeg.

Ik las niets dat tot doorlezen aanzette. Ik zag scènes voorbijtrekken, zoals je op televisie ook weleens een film binnenzapt waarvan onduidelijk blijft waarom getoond wordt wat te zien is. Dat houdt de aandacht niet vast.

Tom Wolfe, A Man in Full
742 pagina’s
Random House, 1998

Cultural Amnesia ~ Clive James

Boek van de zomer van 2008 is voor mij Cultural Amnesia. Alleen al omdat het een heel EK voetbal, gevolgd door Wimbledon, en de Tour de France meeging. Dit was de ideale lectuur om even op te pakken, als de sport op TV te saai was, en na een bladzijde of wat weer weg te leggen. Haast elke pagina reikte genoeg aan om even iets langer over na te denken. Ook, omdat ik het lang niet altijd met de auteur eens was.

Clive James doet verschillende dingen in dit boek. Op het eerste gezicht biedt het tientallen biografieën van schrijvers, kunstenaars, en een enkele wetenschapper of politicus — trouwens ook van Adolf Hitler nog, en niet om diens schilderijen en autobiografie. Deze mensen worden steeds geïntroduceerd met een biografische schets, waarop dan een essay volgt. Maar vaak gebruikt James het werk van zo iemand dan slechts als aanleiding voor een eigen gedachtegang.

Tezamen leveren die ideeën een boek op over cultuur, met daarin een nadruk op de twintigste eeuw. Waarbij in tweede instantie opvalt dat James vrijwel geen oog heeft voor Angelsaksische beroemdheden. Dit boek lijkt me daarmee een duidelijke klacht te verwoorden tegen het provincialisme van al die Britse en Amerikaanse beschouwers, die maar in éen taal kunnen lezen.

Dus is dit ook een boek over wereldbeeld, en wat maakt dat wij nieuwe ideeën toelaten of domweg niet eens kunnen zien.

Bij James gaat het uiteindelijk vooral om de vraag steeds wat nu goed schrijven is. Maar omdat goed schrijven niet uit vorm alleen bestaat, bieden de essays telkens weer aanwijzingen aan de lezer om beter te leren denken.

Cultural Amnesia is zonder meer een magnum opus; een levenswerk waarover de auteur naar eigen zeggen veertig jaar heeft nagedacht. Waarin hij signaleert wat teloor dreigt te gaan, waarin hij opmerkt wat de Angelsaksische cultuur ontgaan is.

J.M. Coetzee noemde het boek in een bespreking een bijspijkercursus beschaving. In dien verstande dat ‘civilization’ ook een schoolvak is, bijvoorbeeld in de VS. Zo ver als Coetzee wil ik niet gaan, daarvoor schrijnt James’ gebrek aan belangstelling voor de exacte wetenschappen mij te zeer. Maar het is ontegenzeggelijk waar dat ik het een voorrecht vond het te mogen lezen. En om het nu op de plank te hebben staan, altijd klaar voor een vluchtige blik naar hoe het ook alweer zat met die-of-die. Altijd klaar om een aanleiding te zijn om verder te lezen.

Clive James, Cultural Amnesia
Notes in the Margin of My Time

876 pagina’s
Picador 2008, gecorrigeerde editie
oorspronkelijk 2007

origineel van de voorplaat:


Infinite Jest ~ David Foster Wallace

De zomer van 2009 was voor mij onder meer de zomer van het cultboek Infinite Jest. Dit kwam door een Amerikaans initiatief, met de naam Infinite Summer, dat eruit bestond om met zo veel mogelijk mensen tegelijk deze roman te lezen. En om daar dan over te discussiëren, online.

Lezen is doorgaans een eenzaam avontuur. Dus leek het me alleen al aardig om aan de Infinite Summer mee te doen, om eens iets gezamenlijk te beleven. Zelfs al zou meedoen betekenen dat ik me aan een heel traag leesschema moest houden, van rond de 75 pagina’s per week.

Maar toen bleek al snel dat ik Infinite Jest in mijn eentje nooit uitgelezen had. David Foster Wallace had nogal veel woorden nodig om iets te zeggen, als hij er al toe kwam om iets te zeggen. Dit gaf mij zo veel problemen, dat ik zelfs vermoed dat de schaarse wel geslaagde stukken uit dit boek niet eens van hem zijn. Infinite Jest is een postmodern werk, waarin tal van readymades werden opgenomen; die ik soms ook al kende.

Alleen door de Infinite Summer heb ik het volgehouden de 981 pagina’s te lezen, en de kleine honderd bladzijden met noten achterin daar nog bij. En door dit spontane verbond heb ik nog aanzienlijk meer gelezen ook. Zoals veel van wat de fans online schreven over wat zij zo geweldig vonden aan deze roman, en waarom ze van sommige personages waren gaan houden, tijdens het lezen.

Die liefdesverklaringen waren zo opmerkelijk voor mij, omdat ik die werkelijk totaal niet meevoelen kon. Infinite Jest is een roman over tamelijk trieste, ontstellend egoïstische Amerikanen, in een ietwat dystopische toekomst. Het boek biedt een verwarrend grote reeks verhalen. En alles wat iemand er in samenvatting over zegt, is waarschijnlijk meteen al een overdrijving.

Wallace meldde nogal wat zaken terloops, die in een uitleg meer nadruk krijgen dan hij misschien bedoelde.

Ik had als plan om tijdens de Infinite Summer wekelijks mijn bevindingen publiek te maken. Maar het reeksje dat dit plan opleverde, blonk helaas uit in nietszeggendheid; juist om Wallace’s zo doelbewuste vaagheid.

Een goede tekenaar zet éen lijn, en daarin is dan alles te lezen. Mensen die niet kunnen tekenen proberen zo’n lijn te benaderen, door tientallen kleine lijntjes neer te zetten, en de vorm die daaruit tevoorschijn komt dan nog eens te benadrukken.

Deze metafoor is niet van mij, maar van B.R. Myers, uit diens Reader’s Manifesto, tegen de groeiende pretenties van proza. Maar ik vind hem wonderbaarlijk van toepassing op de roman Infinite Jest. Waarbij David Foster Wallace dus die niet zo heel goede tekenaar is, en de lezer maar zelf die dikke lijn moet ontwaren in alle gekrabbel.

Het zo fragmentarische karakter van dit boek nodigt bovendien uit om er meer in te willen zien dan de schrijver erin gelegd heeft. Zelfs al heeft hij er veel in gestopt. Aan taal tenminste, of aan mogelijke verwijzingen naar Hamlet. En dit verklaart daarmee dus ook meteen de cultstatus van Infinite Jest. Als iedereen meteen kan zien wat de kunstenaar bedoeld heeft, roept dat geen enkele drang tot interpretatie op. Bij deze roman is er tenminste veel te speculeren.

Het boek lijkt ook onmetelijk veel te bieden, doordat Wallace zo veel verschillende registers gebruikte; van hoog naar laag, van vakjargon tot gemaakt dialect en sociolect. Het is of hij wilde bewijzen dat het Engels de taal is die de meeste woorden bevat, door ze allemaal minstens éen keer te gebruiken. Nu horen nogal wat merknamen tot die woordenschat — zo zijn op het laatst tientallen noten telkens gewijd aan medicijnen tegen geestelijke stoornissen. Vandaar dat een commentator op de Infinite Summer-site zich, wat mij betreft geheel terecht, afvroeg of dit boek door al die productnamen niet razendsnel veroudert.

In elk geval droegen die genoemde producten er ook nogal aan bij om dit boek ontstellend Amerikaans te maken. Nu is de roman zeker te zien als een kritiek op de manier van leven in de VS, en worden daar karakteristieken van overdreven. Maar ik ben geen Amerikaan, dus zullen mij waarschijnlijk alleen de grofste toespelingen en parodieën opgevallen zijn.

Zo was mij het gehele boek lang ook onduidelijk waarom zo veel lezers online melden zo te genieten van de humor. Omdat ik misschien alleen de zwarte grappen zag, plus de ergste overdrijvingen. En die waren telkens te flauw voor woorden. Zoals dat in de VS — dan samen met Canada en Mexico in het verbond O.N.A.N.; god wat leuk — de jaartallen voortaan de naam van een sponsor dragen. Het boek speelt zich grotendeels af in het jaar van de Depend volwassenenluier.

Enfin. Om toch nog iets over de inhoud te schrijven. Infinite Jest speelt zich grotendeels af binnen twee instellingen. De ene is een tennisacademie voor verder ook intellectueel begaafde studenten, de tweede is een project voor afkickende verslaafden. Niet toevallig vertonen de twee, en sommige van hun bewoners, nogal wat overeenkomsten in hun obsessies. En tuurlijk, afkicken is topsport. Tegelijk is er pas op het allerlaatst een ontmoeting tussen de belangrijkste personages uit beide instituten; en Wallace laat daar expres veel over weg. Naast al dit zijn er nog mensen actief die Quebec onafhankelijk willen hebben; of willen sommigen dat nu juist niet? En ook deze verhaallijn komt met complicaties, en grappen die maar niet leuk wilden worden.

Was er ergens ook nog een plot. Al moest ik daar door anderen op gewezen worden. Die tennisacademie werd opgericht door de inmiddels overleden James Orin Incandenza. Die was daarvoor filmmaker, en schepper van onder meer de Entertainment, ook bekend als Infinite Jest, of ‘the samizdat’; een film zo grappig dat elke kijker erin blijft. Die film is dan weer gewild door de Quebec-separisten, ongetwijfeld om als wapen in te zetten.

Het zal. En Monty Python had hetzelfde idee ook al eens.

Nu goed, als statement over de leegheid van de Amerikaanse cultuur, met zijn zo grote nadruk op instantbevrediging, en makkelijke oplossingen, had deze roman zo af en toe iets. Maar dat dit boek slechts te begrijpen zou zijn door het met de kennis van nu nogmaals te lezen, laat me vermoeden dat Wallace met Infinite Jest ook een grap met zijn publiek heeft willen uithalen. De roman zelf is de grap zonder clou. En wie daar toch eindeloos naar door wil blijven zoeken, gaat zijn gang maar. Ik geloof het verder wel.

* ziet ook: Zou een Nederlandse vertaling van Infinite Jest mogelijk zijn?

David Foster Wallace, Infinite Jest
A Novel

1079 pagina’s
Abacus 2009, oorspronkelijk 1996

Met alle geweld ~ Hans Achterhuis

Boeklog is een vrijwel dagelijks verslag van mijn fascinatie voor geweld. En nee, dat wist ik ook niet. Geen idee zelfs. Pas na het lezen van Met alle geweld drong dit gegeven tot mij door. Te veel schrijvers, en boektitels, die de filosoof Hans Achterhuis in dit grote werk behandeld heeft, kwamen de afgelopen jaren ook op boeklog langs.[1]

Dit maakte het lezen van dit boek tot meer dan een passieve bezigheid. Ik merkte de afgelopen jaren onbewust toch een groot aantal ideeën te hebben gevormd over macht en onmacht, en daarmee over geweld. En misschien daarom ook overtuigde Achterhuis me uiteindelijk niet.

Hoe dik Met alle geweld ook zijn mag, het mist voor mij iets. Er ontbreekt een kern. Als literatuurstudie van wat er relatief recent in romans, door filosofen, of door primatologen geschreven werd over bijvoorbeeld agressie mag dit een voorbeeldige uitgave heten. Maar er ontbrak me te zeer een synthese. Het leek of Achterhuis het hele onderwerp te verschrikkelijk vond om over na te denken, en daarom liefst alleen beschreef wat hij op een afstand kon houden.

Hans Achterhuis bleef problemen houden om vast te stellen waarover hij nu eigenlijk schrijven zou. Een heel hoofdstuk uit het begin van het boek heet ook: ‘Op zoek naar een definitie’. En hij komt dan uiteindelijk via een geleend citaat tot een soort werkhypothese bestaande uit vier elementen:

Geweld bestaat dan in ‘het min of meer intentioneel toebrengen of dreigen toe te brengen van schade aan mensen of voorwerpen’. [78]

Maar vervolgens bleef hij het mij toch te veel in extremen zoeken. Als oorlog. Of moord. En volgens mij zocht hij daarmee randverschijnselen op. Uitersten. Waarover lang niet altijd uitspraken van een algemenere aard zijn te doen. Behalve dan misschien dat Achterhuis telkens probeert te schrijven over wat er gebeurt als alle normale regels wegvallen, en alleen een recht van de sterkste regeert. En probeert te verklaren waarom dit kan voorkomen.

En ja, ik zie dat Hans Achterhuis daarbij het onderscheid handhaaft dat Hannah Arendt ooit bedacht, tussen geweld en machtsuitoefening door de staat. Maar ik vind dat verschil te clean theoretisch. Voor mij begint geweld al op een heel wat onschuldiger lijkend niveau. Waarbij er ook al schade optreedt.

Zo kan dit boeklogje als een verbale gewelddaad gezien worden, omdat ik afdoe aan wat Hans Achterhuis heeft geschreven. En wie ben ik dan wel om dat te zeggen?

Tegelijk, als ik in het koor meezing dat het boek al bejubeld heeft, buig ik onder een bepaalde maatschappelijke druk — zoals vertegenwoordigd in al die blij verheugde critici — die luidt dat een emeritus hoogleraar filosofie, met een grote bibliografie, bij voorbaat al gelijk heeft.

Ook al omdat dit boek zo dik is.

Die collectieve druk ervaar ik als gewelddadig. Al leidt die nu dan niet tot zelfcensuur, omdat ik hier wel hardop durf te blijven nadenken; en omdat Hans Achterhuis niet van mijn woorden zal wakker liggen. Maar in vergelijkbare gevallen zal ook ik wel degelijk aan deze krachten toegeven. En me dan op de vlakte houden. Of gewoon alle uitspraken vermijden. Omdat meelopen naar waar de menigte heen wil meestal zo veel makkelijker is.

Het is niet helemaal toevallig dat ik dit boeklogje publiceer aan de vooravond van 9 november; daags voor herdacht wordt dat de Muur viel in Berlijn, en spoedig het failliet van het Communisme kwam. Omdat mij het leven in het toenmalige Oostblok ook veel zegt over welke vormen van geweld er bestaan om mensen te dwingen tot gedrag.

Komt er in het ‘vrije westen’ evenzogoed dwang voor; al dan niet met fluweel bekleed.

Zoals er een banaliteit van het kwaad bestaat, is er voor mij ook iets als een banale vorm van geweld. En ik denk dat ook die de duidelijkste manifestatie krijgt in blind druk uitoefende bureaucratie; waaronder het zo makkelijk is om misvormd te worden. Hoeven de ambtenaren nog niet eens corrupt te zijn; kunnen ze zelfs menen mij zo goed mogelijk van dienst te zijn, binnen alle beperkingen van het wettelijk kader.

Laat me dicht bij het thema blijven. Juist dat ik weigerde om tot moordenaar opgeleid te worden, de militaire dienstplicht verwierp, en de procedure om tot gewetensbezwaarde erkend te worden in al zijn krankzinnigheid meemaakte, heeft me als niets anders doordrongen van mijn intrinsieke machteloosheid, zodra de overheid met al zijn instanties, regels, en procedures iets met mij wil dat ik vertik. Waarbij alle willekeur nog eens extra schrijnde. Vrouwen niet twee jaar van hun leven hoefden op te offeren aan het leger, tweederde van de jongens geboren in mijn jaar al evenmin.

Teleurstellend vond ik ook dat Achterhuis pas in de epiloog de notie lijkt op te pikken dat geweld weleens nut kan hebben. Dat geweld alleen daarom al niet uit te roeien is. En dat inzicht komt dan ook nog bij anderen weg. Uit een programmaoverzicht van de NWO pikt hij op dat:

conflicten en strijd een onontkoombaar deel uitmaken van de menselijke werkelijkheid. Te vaak worden ze alleen maar negatief gezien en probeert men ze totaal uit te bannen. Dat wordt volgens het eerste uitgangspunt van het programma juist omgedraaid: ‘Onderzoek en theorievorming kunnen veel baat hebben bij een sterkere gerichtheid op andere dan alleen de destructieve functies van conflicten.’ Wie oog krijgt voor de positieve mogelijkheden van conflicten, zo luidt een tweede utgangspunt, krijgt ook de mogelijkheid om de-escalerend te werken, […] [717-718]

Hoeveel ondernemers nemen zich niet voor om de concurrentie te beschadigen, en ontlenen daar hun motivatie aan? Hoeveel menselijke vooruitgang is er niet te denken aan gesublimeerde agressie? Uit de wil om radicaal te willen veranderen wat er niet deugt?

En goed, dan is er natuurlijk een grens in wat er kan om die gewenste veranderingen te bewerkstelligen. Alleen wordt het vervolgens moeilijk om te definiëren waar zo’n grens ligt. En daarbij lijken mij de inzichten van filosofen, en wat zij aan redeneermethoden hebben ontworpen, nu juist nuttig gereedschappen.

Politici, bijvoorbeeld, hebben het in dit namelijk makkelijker. Voor een politica als Margaret Thatcher was Nelson Mandela tot vlak voor zijn vrijlating van Robbeneiland altijd nog gewoon een terrorist.

Tegelijk zijn er bibliotheken gevuld met filosofische teksten over politieke theorie, en de betekenis van geweld daarin. En dit maakt het zo vreemd dat Hans Achterhuis daar vrijwel alles van negeert; en bijvoorbeeld slechts Abram de Swaan aanhaalt, als autoriteit die het heeft over wat een Staat zijn burgers kan aandoen.

Alsof in klassieke tijden al niet de vraag gesteld werd wanneer tirannicide geoorloofd is.

Alsof er nooit is nagedacht over de betekenis van het juridische begrip dat een staat het geweldsmonopolie heeft. Neem bijvoorbeeld alleen de uitspraak van Russell, dat ja, een overheid zo een macht moet hebben. Maar tegelijk nooit een goede overheid kan zijn, tenzij dit machtsmiddel hoogst zelden wordt ingezet.

Alsof ambtenaren niet met de beste bedoelingen levens grotesk kunnen beïnvloeden, zoals ik hierboven al schreef. Of politici, die al helemaal bij waan van het moment leven.

Nogmaals, voor mij begint geweld niet bij de extremen. Neem nu maar een actueel voorbeeld, over het schaduwbestaan van u en mij in allerlei overheidsdatabases. Als een overheid mij op deze wijze burgerrechten afpakt, of die ernstig beperkt, puur omdat deze overheid dit kan, ervaar ik dat als een gewelddaad. Kan de Tweede Kamer daar honderd keer mee hebben ingestemd. En dat de kabinetten Balkenende zulke maatregelen invoeren met als argument zo beter de terroristen te kunnen bestrijden — omdat Nederland dagelijks nog immer grote gevaren loopt, volgens diezelfde overheid, die twee keer de agressor meehielp bij invasies in moslimlanden — is daarbij helemaal een gotspe.

Enfin, filosofen houden zich op een veel abstracter niveau met de actualiteit bezig. En boeken moeten nooit besproken worden op wat erin ontbreekt. Is er dan werkelijk niets goed over Met alle geweld te zeggen?

Nu ja, wat Hans Achterhuis beschrijft, doet hij goed. Dat hij probeert te begrijpen waaruit geweld voortkomt, is telkens zichtbaar. En zelfs hoe hij boeken leest, is interessant om mee te krijgen.

En tegelijk werd voor mij bovenal duidelijk dat ik het als leek zo veel makkelijker heb om gedachten te vormen dan hij, als autoriteit. Dat Achterhuis eens zijn licht opstak bij Frans de Waal, om te kijken hoe de andere primaten geweld hanteren, is niet vreemd. Wel is opvallend dat het lijkt of hij nu pas, in zijn emeritaat, die vrijheid nam om buiten de door filosofen platgetreden paden te gaan.

Want zoals al gezegd, zelfcensuur, zoals het negeren wat andere wetenschappen aan nuttige kennis kunnen bergen, is voor mij toegeven aan een vorm van geweld. En zo geredeneerd wordt voor mij al interessant om na te gaan waarom ik dan toch soms bewust beperkingen opleg aan mijzelf.

Hans Achterhuis, Met alle geweld
Een filosofische zoektocht

793 pagina’s
Lemniscaat, 2008
  1. Achterhuis bekeek onder meer werk van Noam Chomsky, J.M. Coetzee, Charles Darwin, Richard Dawkins, Daniel Dennett, J.A.A. van Doorn, Wijnand Duyvendak, Norbert Elias, Marjolijn Februari, Theo van Gogh, John Gray, Eric Hobsbawm, Milan Kundera, Michel de Montaigne, Abram de Swaan, Dubravka Ugresic, Frans de Waal, en Koos van Zomeren. Waarbij ik twee keer nog zo veel namen had kunnen noemen, maar dit nalaat omdat wat op boeklog over hen staat, geen verband heeft met Achterhuis’ boek. []

2666 ~ Roberto Bolaño

Hoeveel Kitsch kan een boek verdragen om een goed boek te mogen heten? Dat is voor mij de belangrijkste vraag na het lezen van de roman 2666, van de Chileense auteur Roberto Bolaño [1953 – 2003].

Dit boek werd postuum uitgegeven. En hoewel de bezorger achterin bezweert dat Bolaño de roman vrijwel geheel gereed had, en het geheel in het Spaans ook ruim duizend pagina’s telt, kleeft er voor mij toch iets vervelend onafs aan.

Zo is het ingewikkeld om uit te leggen waar het boek nu precies over gaat. Iedere samenvatting wordt al meteen een interpretatie, en zal ook al gauw aanvullen of uitleggen waar de auteur hoogstens een hint naar gaf.

Dat 2666 overal zo uitbundig geprezen is, lijkt me ook in niet geringe mate samen te hangen met dit gegeven. Iedereen kan van alles in de roman lezen dat er domweg niet in staat.

Tegelijk was dat niet mijn probleem met het boek — waarvan mijn directe leeservaringen elders uitgebreid beschreven staan. Alles overziend vond ik er te veel clichés in staan, die voor mij nogal de waarde verminderen van wat 2666 wel tot een uniek boek maakt.

Een kern van dit boek is dat in en rond de Mexicaanse grensplaats Santa Teresa belachelijk veel jonge vrouwen worden vermoord. Maar, de autoriteiten staan machteloos. En dat al jarenlang.

Overigens heeft Bolaño hier weinig aan verzonnen. Santa Teresa lijkt op het echt bestaande Ciudad Juárez — een miljoenenconglomeratie, tezamen met het Amerikaanse El Paso aan de andere kant van de grens — en dat heeft de naam de gevaarlijkste stad buiten een oorlogsgebied te zijn. Er vallen daar nog altijd vele vrouwen te betreuren.

Het is te begrijpen dat een schrijver hier iets mee wil doen. Want, wie heeft er buiten Mexico weet van deze toestand? Er is daarom goed te billijken dat grote delen van het boek zich in Santa Teresa afspelen; omdat de lezer daarmee al een dreiging voelt bij de personages als deze geheel normale handelingen verrichten.

Tegelijk spelen zich overal in dit boek gewelddadige scènes af. Ook ver buiten Mexico.

Laten we maar aannemen dat Bolaño daar eveneens iets mee wilde zeggen.

In 2666 worden tientallen personages sprekend opgevoerd; maar geen draagt het hele boek. Tot de belangrijkste figuren hoort een Duitse schrijver, met het onmogelijke pseudoniem Benno von Archimboldi.

Het eerste van de vijf boekdelen van 2666 gaat over vier literatuurwetenschappers die zijn boeken bovenmatig bewonderen. Alleen is Archimboldi een zeer geheimzinnig auteur. Publieke optredens of interviews doet hij niet. Als de wetenschappers het gerucht horen dat hij in Mexico zou zitten, reizen zij alleen daarom al spoorslags af naar Santa Teresa. Om vervolgens geheel uit het boek te verdwijnen.

Archimboldi komt als personage pas in het vijfde boekdeel voor — terwijl zijn naam in het tweede, derde, of vierde boekdeel geheel onbreekt. Maar bij zijn verschijning krijgt de lezer ook vrijwel de hele eerste dertig jaar van zijn levensloop. En, omdat hij in 1920 in Duitsland geboren werd, speelt de Tweede Wereldoorlog daarbij een enorme rol.

Belandde Arcimboldi, toen hij gewoon Hans Reiter heette, ook nog in Rusland. Wat Bolaño dan weer uitgebreid de mogelijkheid gaf een intense biografie te schrijven van een Joodse Russische auteur en zijn leven onder Stalin. Arcimboldi mocht even in diens huis wonen, en zou daar zelfs tot schrijver worden, met hulp van de aantekeningen van de verdwenen auteur.

Maar goed, gevechtshandelingen van een Wehrmachtsoldaat, en wat manoeuvres en sexuele avonturen in Oost-Europa. Of, daarnaast, het leven van een schrijver onder Stalin. Ellende in Rusland. Niemand hoeft nu net Bolaño te lezen om die onderwerpen behandeld te zien worden. Bovendien schreven de auteurs die uit de regio kwamen, of er wel zelf iets hadden meegemaakt, daar beter over; want, met tekenender details. Een aanzienlijk stuk van het vijfde deel vind ik daarom vrij goedkope Kitsch — clichématige verhalen die gekozen lijken voor hun effect. Van elders geleende wanhoop. Goedkoop effectbejag.

Als een schrijver de ellende van anderen gaat exploiteren, om daar leuk een eigen verhaaltje uit te destilleren, levert dat voor mij bijna nooit iets prijzenswaardigs op.

Tegelijk mag een schrijver natuurlijk alles, als er maar een evenwicht in zijn boek zit.

En ik denk dat mijn voornaamste probleem met 2666 is dat er betrekkelijk weinig tegenover het soms zo merkwaardige verhaal staat dat de boel in balans houdt. Ja, Bolaño kon absoluut schrijven. Maar goed schrijven, is niet hetzelfde als iets te zeggen hebben.

Het vierde boekdeel van 2666 heet in mijn uitgave ‘The Part About the Crimes’. En dit gaat vrijwel alleen over moorden. Op klinische toon wordt van enige tientallen vrouwen beschreven hoe ze aan hun einde kwamen, in de jaren 1993 – 1997.

Wat de moorden vaak gemeen hebben, is dat het slachtoffer ook misbruikt werd.

Wat de vrouwen bindt, als het geen tieners meer zijn, is dat het meestal om naamlozen gaat. Prostituees waren het, of vrouwen die werkten in de vele sweatshops van Santa Teresa.

Al dit is enerzijds afstandelijk beschreven, maar tegelijk met oog voor detail. En ja, het zal best dat niemand ooit zoiets gedaan heeft in een boek. Tweehonderdtachtig pagina’s vol moorden, zonder dat daarvan ook maar éen dode iets verduidelijkt over de rest van het boek. Tjonge.

Maar mij is heus wel duidelijk dat de wereld een verschrikkelijk oord kan zijn. Of dat de werkelijkheid moeilijk kenbaar is. Ik lees nu juist om te zien hoe een schrijver daar dan toch enige orde in probeert aan te brengen.

En ik denk dat daar iets meer voor nodig is dan om de details van tientallen moorden in een boek te kopiëren, of desnoods om deze zelf te gaan verzinnen.

Mij interesseert niet of een schrijver clichés inzet, de Kitsch niet schuwt, of het platte sentiment exploiteert, als dat maar middel is om een goed boek te schrijven. 2666 was me in deze vorm veel te vrijblijvend. Ik las een roman die te veel elementen bevat waarvan iedereen vermoeden kan dat die opgevoerd worden om indruk te maken op het domme publiek.

Alleen vind ik het al een zwaktebod als een schrijver een dode nodig heeft om met het gevoelens van zijn lezers te spelen. Laat staan een heel mortuarium. Dan wordt zo naar zichtbaar dat het de bedoeling is dat ik iets ga voelen.

Roberto Bolaño, 2666
898 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, 2008
vertaling door Natasha Wimmer uit het Spaans
oorspronkelijk 2004

Ons betere ik ~ Steven Pinker

Meer nog dan andere gedragswetenschappers roept Steven Pinker bij mij automatisch tegenspraak op. Terwijl hij me nu juist zou horen te boeien. Omdat wat hij schrijft zo vaak tegen de heersende opinies ingaat. En zodra iemand dat intelligent doet, heeft hij of zij mijn aandacht.

Pinker is me alleen altijd net te onbescheiden zeker van zijn gelijk.

Toch kan het juist om mijn irritatie heel prettig zijn om een Pinker te lezen. Ik lees niet per se om bevestiging te vinden van mijn overtuigingen. Liever zie een schrijver aanduiden waar bij mij de vooroordelen zitten.

En het magnum opus Ons betere ik wist me voor de verandering bijna te overtuigen. Vooral het laatste hoofdstuk is heel aardig. Omdat Steven Pinker dan ineens wel aangeeft dat hij een momentopname biedt, maar daarmee geen absolute garanties voor de toekomst kan geven. Wij leven nu in tijden van ‘de lange vrede’. Dat hoeft niet zo te blijven. Losgeslagen jonge mannen genoeg in China en India die geen vrouw kunnen vinden, omdat ze nooit carrière zullen maken.

De centrale these van dit boek staat al in de ondertitel. Pinker meent dat de mens nu gemiddeld heel wat minder gewelddadig is dan eerder in de geschiedenis.

Vervolgens draagt de uitgave bewijzen aan voor deze theorie, en tracht de auteur te verklaren hoe het komt dat wij zo veel minder geweld gebruiken dan onze voorvaderen.

Daarbij leunt hij onder meer sterk op de civilisatietheorie van Norbert Elias. Doordat we allerlei normen zijn gaan internaliseren, weten wij ons beter dan vroeger te beheersen. De ergste impulsen zijn onder controle gekomen.

Daarnaast hebben zich in de geschiedenis natiestaten gevormd, met centrale overheden, en geweldsmonopolies. Deze ontwikkeling valt samen met de statistiek dat mensen elkaar minder zijn gaan vermoorden.

Zijn democratieën nog weer een stuk vredelievender dan autocratisch geregeerde landen. En hebben we het materieel beter gekregen; wat ook al prettig kalmeert. Dat is allemaal met cijfers te staven.

Ons betere ik overtuigde me dan ook het meest in het harde cijfermateriaal. In de Middeleeuwen werden dertig keer zo veel mensen vermoord in West-Europa dan nu is ook met een redelijke mate aan nauwkeurigheid te bewijzen.

En ergens voert Pinker een staatje op waaruit blijkt dat de genocides op tientallen miljoenen mensen uit de twintigste eeuw — onder Hitler, Stalin, en Mao — relatief gezien lang de ergste volkerenmoorden niet waren in de geschiedenis.

In een herschikte ranglijst krijgt de An Lushan-revolte uit de 8ste eeuw de dubieuze toppositie het meest vreselijke tijdvak ooit te zijn geweest. Toen werd in acht jaar een zesde van de hele wereldbevolking omgebracht. Lokaal.

De val van het Romeinse rijk staat vijfde op de relatieve ranglijst van gewelddadigste periodes.

Voor het gemak neemt Pinker dan maar even alle doden in zo’n periode samen. Of ze nu vielen in de strijd, door geweld, of door voedselgebrek, en andere indirecte gevolgen van onrust.

Voor het gemak negeert hij dat een lange periode van vrede en voorspoed ergens volkomen ongemerkt kunnen zijn gepasseerd door het ontbreken van historische bronnen of archeologisch materiaal. Want, waaruit bestaat zulk materiaal?

Het minst overtuigend is Pinker als hij aanvullend bewijs zoekt om zijn these te bekrachtigen. Zo bewijst de Bijbel aan het begin van het boek hoe gewelddadig de mensheid wel niet was in de tijd dat het Oude testament werd opgetekend. Zeshonderd oproepen staan er in die hoofdstukken om andere volkeren uit te roeien.

En op tweederde van het boek is religie ineens niet meer de voornaamste reden om geweld te gebruiken tegen anderen.

Pinker meent al evenmin dat oorlogen enkel gevoerd worden om de controle over grondstoffen te krijgen.

Dus blijft dit o zo dikke boek voor mij toch allereerst een essay, waarin een schrijver hardop denkend een these probeert te bewijzen. Want, het lijkt me echt dat het idee er eerst was en dat vervolgens de feiten bij elkaar werden geschraapt om dit verhaal te staven.

En die inspanning is zeer te waarderen. Al had ik ook weleens een boek van een psycholoog willen lezen waarin dat Milgram-experiment eens niet werd opgevoerd als bewijs.

Steven Pinker heeft ook geen enkele moeite gedaan om het omgekeerde van zijn these te bewijzen, en dus zijn verhaal te falsificeren.

Plus, weliswaar zijn over aantallen moorden en oorlogen controleerbare uitspraken te doen, maar zijn dit werkelijk de enige vormen van geweld? Ooit viel ik Hans Achterhuis aan op diens vaagheid op dit punt. Steven Pinker roert het hele onderwerp niet eens aan.

Doden lijkt mij nu net absoluut de enige vorm niet van geweld. Doden is hoogstens de meest extreme vorm van geweld. Waarbij er ook nog een principieel verschil bestaat tussen de daden van éen mens, en wat een groep vermag.

En het hoeft niets te zeggen over de frequenties van andere vormen van agressie als er enkel minder extremen zijn. Lijkt me. Om me nu maar tot een eerste bezwaar te beperken.

Bovendien, het leven lijkt me meer waard geworden, sinds de meerderheid van ons niet meer in het eerste levensjaar sterft. Taboes kunnen mensen ander gedrag opdringen.

Steven Pinker, Ons betere ik
Waarom de mens steeds minder geweld gebruikt

1113 pagina’s
Contact, 2011
vertaling door Hanneke Bos, Menno Grootveld, Inge Kok, en Meile Snijders van:
The Betters Angels of Our Nature, 2011

Scherp van de snede ~ Pierre Vinken & Hans van den Bergh [sam.]

Beide samenstellers van deze bloemlezing zijn eind 2011 kort na elkaar overleden. En dat is jammer. Alleen al omdat ik best een polemiek met ze had willen aangaan over de samenstelling van de bundel Het scherp van de snede.

Doel van dit boek is nog het meest krachtig omschreven in de ondertitel. ‘De Nederlandse literatuur’ te tonen ‘in 100 en enige polemieken’. Alleen leggen de samenstellers dat dan wel erg eng uit. Niet enkel de teksten behoorden literatuur te zijn, ze mosten ook nog eens gaan over literatuur alleen.

Daarbij stamt het grootste deel van de opgenomen polemieken uit de twintigste eeuw — vanaf pagina 299 is zelfs de periode voor 1945 al voorbij. En daarmee zit er nog een rare onbalans in het boek.

Het lijkt of de samenstellers vooral belangrijk vonden wat zich tijdens hun bewuste leven heeft afgespeeld. Met een voorkeur voor wat het studentenblad Propria Cures door de decennia heen zoal heeft opgeleverd.

Zoals in elke bloemlezing is hun keuze een persoonlijke keuze. Alleen vind ik de beperking om in de laatste 500 bladzijden van het boek vooral schrijvers op andere schrijvers te zien schelden wat vreemd. Want hoeveel van die woordenwisselingen waren er nu werkelijk principieel. En hoeveel waren misschien nog net opwindend op dat moment?

Nut van het boek is wel dat een aantal befaamde teksten handig in éen band verzameld werd. Hermans die Weinreb als oplichter ontmaskerde. Mulisch’ ‘Ironische van de ironie’. Karel van het Reve’s ‘Raadsel der onleesbaarheid’. Brouwers litanie tegen de ‘jongetjesliteratuur’. Zwagerman’s ontmaskering van de criticus Arjan Peters’ gespleten tong. Piet Grijs tegen Renate Rubinstein, en omgekeerd. Het zijn inmiddels allemaal klassieke voorbeelden in het genre geworden.

Al zij opgemerkt dat de lange teksten steeds sterk zijn ingekort tot reeksen lange fragmenten. Zelfs als naslagwerk is het boek dus niet volledig.

En juist doordat bovenstaande voorbeelden al zo bekend zijn, viel me van de bloemlezing tegen dat er niet minstens even krachtige maar aanzienlijk minder beroemde voorbeelden naast zijn gezet.

Om slechts enkele voorbeelden van mogelijke polemiek te geven die op boeklog langskwamen. Joris Luyendijk heeft zowel de parlementaire pers in Nederland vrij grondig ontmaskerd, als de correspondenten in dictatoriaal regeerde landen. Daar is genoeg protest tegen gepubliceerd van journalisten die zich ten onrechte bekritiseerd voelden.

Zou daar echt geen materiaal tussen zitten met een zekere literaire kwaliteit?

De rechterlijke macht hier weet niets, en kan alleen in juridische sjablonen denken, volgens deskundigen uit andere wetenschappen.

En democratie bestaat niet in Nederland, aldus de politicologen. Al schijnt dat tegenwoordig beter te zijn, omdat er nu eindelijk parlementariërs zijn die uit de EU willen — of andere denkbeelden vertegenwoordigen die tot 2002 volstrekt taboe waren.

Me dunkt, onderwerpen volop en schrijvers genoeg die iets publiceerden dat de status quo aanviel. En dit ook met kwaliteit deden.

Polemieken van auteurs onderling zijn zo bezien wat klein in belang. Hoe pittig de formuleringen ook uitpakten. Hoe veel reuring de woorden misschien ook gegeven hebben in sommige kringetjes, op een gegeven moment.

Kortom, het ontbrak mij wat aan blije verrassing in het boek. Aan een volkomen andere kijk op zaken.

De opgenomen historische teksten zijn zo bezien misschien nog wel het interessantst. Of het losse feit dat Jan Eijkelboom voor hij als dichter debuteerde zich nog duchtig geweerd heeft als criticus.

En misschien is de grootste makke gewoon wel dat de opgenomen teksten elkaar te weinig versterkten. Weliswaar komen een enkele keer de twee strijdende partijen beide aan het woord; maar dat maakt de polemiek meestal juist onbenulliger. Dit is meer een boek om even iets in na te slaan, dan om te gaan lezen.

Enfin. Door de jaren heen is er ook heel wat geschreven tegen bloemlezingen, en de problemen die er aan de samenstelling van zo’n bundel kleven. Het ware wellicht aardig geweest als de samenstellers tenminste éen zo’n stuk hadden opgenomen.

Het scherp van de snede
De Nederlandse literatuur in 100 en enige polemieken

Samengesteld door Pierre Vinken & Hans van den Bergh
846 pagina’s
Prometheus, 2010.

Essays ~ George Orwell

Er zijn een paar essays van Orwell die ik met regelmaat herlezen wil. Om even te zien hoe hij het alweer zei. En ook omdat er dan altijd wel een terzijde in staat dat me niet eerder opviel. Of een opmerking waarvan de portee ik nu pas begrijp.

Met zijn romans of reportageboeken is die drang er minder. De investering in tijd om die te lezen is dan al meteen zo veel groter.

En als vast staat dat die Essays in huis horen te zijn, wordt vervolgens een vraag wat dan de handigste uitgave is om te hebben.

Ik bezat al enkele deeltjes van Orwell’s verzamelde journalistiek en brieven — en daar staan veel van de nu nog bekende essays in.

Ook heb ik een enkel deeltje uit de Penguin serie Great Ideas waarin Orwell ruim vertegenwoordigd is met verschillende selecties uit zijn opstellen.

Eén van de oudste bestanden in mijn digitale archief is bovendien een verzameling van vijftig Orwell essays.

Maar al deze uitgaven hebben als nadelen dat ze óf incompleet zijn, of dat er niet heel makkelijk iets in terug te vinden is. Zelfs zo’n digitaal archief werkt pas prettig als je weet op welk trefwoord te zoeken.

Vandaar, en ook omdat het boek 12,50 kostte in de januari-opruiming, schafte ik de forse Everyman’s Library-uitgave aan Orwell’s Essays. Hoewel zulke dikke boeken niet heel prettig leesbaar zijn — daar zijn ze wat te lomp en te zwaar voor. Dit deeltje Everyman’s is verder overigens wel een fraai vormgegeven bezit.

En zo’n uitgave als deze heeft ook het voordeel compleetheid te bieden. Samensteller John Carey heeft de definitie voor het begrip ‘essay’ prettig ruim genomen. En daarom staat er ook nogal wat journalistiek werk in het boek. Orwell’s boekbesprekingen zijn opgenomen. Net als de ruim zestig persoonlijke opiniestukken die hij schreef onder de titel ‘As I Please’ voor het blad Tribune.

Toegegeven, ondanks de compleetheid miste ik bijvoorbeeld de brieven die hij schreef aan het Amerikaanse blad Partisan Review, over het leven in Engeland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Betoog gaat in deze uitgave dus boven reportage, of wat wij nu column zouden noemen.

Het kostte enkele maanden om dit boek door te nemen. En dan heb ik daarbij gekende klassiekers niet eens herlezen. ‘Politics and the English Language’ kan wachten. Net als ‘Why I Write’. Of ‘Such, Such Were the Joys’.

In deze ronde ging het er allereerst om te kijken of er nieuwe klassieke teksten aan het repertoire konden worden toegevoegd dat ik telkens herlezen wil.

Extraatje is dat deze uitgave van de Essays de teksten in chronologische volgorde toont. Wat soms extra context biedt. En daardoor valt ook op dat hij altijd al goed schreef — het meesterschap was er vrijwel meteen. Misschien omdat hij ook direct wel iets te zeggen had; kort na zijn ervaringen als onderdeeltje van het koloniale bewind in Birma.

En dan nog. Zien is éen ding. Vervolgens opschrijven en publiceren wat werd waargenomen gaat al heel wat stappen verder — helemaal als dit met de algemene opinie botst van de tijd.

Schrijvers als Orwell herijken mijn focus altijd weer even.

George Orwell, Essays
Selected and Introduced by John Carey

1369 pagina’s
Everyman’s Library, 2002

Briefwechsel ~ Thomas Bernhard & Siegfried Unseld

Geliefde schrijvers kunnen uit de gratie vallen. En dat is raar. Uren werden eerder in de relatie geïnvesteerd door het werk te lezen. Moeite is gedaan om de boeken te verzamelen. En dan verloochent de auteur deze liefdeblijken door onleesbaar te worden.

Desondanks heb ik nog altijd het idee iets met Thomas Bernhard [1931 — 1989] te moeten. Hoewel ik de krullendraaierij in zijn manier van schrijven inmiddels niet meer verteer. Een belangrijk stijlmiddel bij hem is de herhaling, en die hypnotiseert niet meer, maar ergert me.

Dus toen de briefwisseling met zijn uitgever Siegfried Unseld [1924 — 2002] in de Duitse kritiek een postume en grootse roman werd genoemd van Bernhard noteerde ik de titel van deze uitgave op het lijstje ‘nog eens te lezen’. Ik vermoedde namelijk dat Thomas Bernhard in zijn brieven niet zo verschrikkelijk gemaakt zou schrijven.

En dit idee klopte. Alleen werd in de briefwisseling een ander kwalijk kantje van zijn karakter wel vrij onbarmhartig duidelijk.

524 brieven zijn er opgenomen in Der Briefwechsel; waarbij onder brief ook weleens een telegram of een eenregelig telexbericht is begrepen. Sommige van deze epistels zijn toegelicht met paginalange voetnoten — soms bestaande uit brieven van éen der correspondenten aan anderen.

En, het betreft hier een strikt zakelijke correspondentie. Niet zo’n brievenboek als dat van Coetzee & Auster, of Houellebecq & Lévy, waar twee begaafde scribenten in dialoog eventjes de wereld doornemen.

Thomas Bernhard schreef voor het eerst aan Unsfeld in 1961, zichzelf daarin beleefd als auteur aanbevelend. De uitgeverij Suhrkamp zou pas enkele jaren later Bernhard’s werk voor uitgave accepteren.

Die zakelijke relatie duurde tot Bernhard’s dood in 1989, en maakte in die tijd heel wat drama’s door. Telkens ging het om geld. Steeds ook was Thomas Bernhard ontevreden met de marketing die Suhrkamp bedreef voor zijn boeken. Dus verbood de auteur weleens alle heruitgave van al zijn werk. Of dan verbrak hij op hoge toon alle betrekkingen.

Almaar toonde Siegfried Unseld zich dan de wijste, en bleef hij beleefd. Als het weer eens tot een verzoening kwam, nam hij het initiatief. En als Bernhard weer eens schandaal gemaakt had in Oostenrijk nam hij vaak een bemiddelende rol op zich — al was het maar door om een goede advocaat te zoeken.

Ongeduld toonde Unseld hoogstens in de jaren tachtig. Toen Thomas Bernhard wel erg makkelijk werk uit liet geven bij anderen, daarmee Suhrkamp nogal arrogant provocerend.

En goed, dan liggen die conflicten er. Is het boek daarover vervolgens geslaagd?

Bij de speurtocht naar achtergrondinformatie voor dit boeklogje ontdekte ik dat de briefwisseling tussen Bernhard en Unseld door anderen is omgewerkt tot hoorspel. En dat nu lijkt me inderdaad de perfecte vorm voor deze teksten. Is die hele relatie in een fractie van het originele aantal woorden geschetst; zijn al die voetnoten niet nodig.

Want een roman is deze briefuitgave niet. Daarvoor is het boek vier keer te lang. Daarvoor krijgt de persoonlijkheid van Siegfried Unseld bijvoorbeeld veel te weinig tekening. Terwijl dat toch ook een ontstellend ijdele man moet zijn geweest. Die het telkens had over míjn uitgeverij, míjn schrijvers, en míjn fonds. De hele staf aan lektoren van de uitgeverij is nog eens tegen hem in opstand gekomen — en dat bij die gezagsgetrouwe Duitsers.

Thomas Bernhard & Siegfried Unseld
Der Briefwechsel
Herausgegeben van Raimond Fellinger, Martin Huber, und Julia Ketterer

869 pagina’s
Suhrkamp, 2009

Dagboek van een dichter ~ Leonard Nolens

De relatie tussen lezer en schrijver is doorgaans vluchtig. Het kan heel goed dat die slechts een boek aanhoudt. En soms zelfs niet eens die tijdsduur haalt.

En hoewel bijna alles in de relatie tussen lezer en schrijver van éen kant komt, kan een tekst toch heel wat oproepen. Is het niet om de inhoud alleen, dan wel om wat de inhoud zoal vertelt over de maker.

Ik heb te veel boeken in mijn leven gelezen om ze niet te doorzien inmiddels, die schrijvers. Want ik neem hun pogingen tot imponeergedrag waar. Herken hun trucjes. En ik moet daardoor ook toegeven boeken weleens te beoordelen op de persoonlijkheid van de maker; of althans, mijn interpretatie daarvan — wat dan zelfs nog los kan staan van de inhoud.

Pochers en bluffers mag ik namelijk niet.

Een matig boek van een aardig iemand kon me daardoor best eens beter bevallen dan een alom bewonderd meesterwerk van een pretentieuze lul.

En in de weken dat ik met het Dagboek van een dichter van Leonard Nolens bezig was, heb ik met regelmaat moeten nadenken over dit verschijnsel.

Nolens legt namelijk nadruk in dit dagboek op een aantal gedragingen die me bij anderen, zoals een Jeroen Brouwers, hogelijk kunnen irriteren.

Man keert zich bewust af van de wereld om kunst te maken.

Man isoleert zich bewust van ieder ander, door geen normaal geregeld werk te nemen, met het bijbehorende normale inkomen, en geen pogingen tot netwerken te doen, en geen zitting te nemen in jury’s of andere commissies,

De man klaagt vervolgens op papier geen vrienden te hebben, en in alles alleen te staan.

Hoe vaak las ik dit niet eerder bij anderen. Komt daar in het geval van Leonard Nolens bij dat hij poëzie schrijft. In een tijd waarin gedichten iets geworden zijn voor een schaarse liefhebber — die dan liever nog een dichtersavond bezoekt dan een bundel te kopen.

Geeft hij bovendien aan jonge dichters als advies niet te denken dat het mogelijk zou zijn om meer dan tien à twaalf goede gedichten te schrijven per jaar. Zelfs als deze niets anders doet dan dichten.

De kunstenaar als lijdend voorwerp komt nogal hinderlijk aan bod in deze dagboeken derhalve. Het schrijverschap als slachtofferschap. Clichés zijn het inmiddels geworden. Poses kunnen het o zo makkelijk zijn.

Maar geen artiest of schrijver is interessant om wat hij of zij lijden moet. Van Gogh schilderde niet met zijn afgesneden oor. Of het resultaat van al die opoffering nog ergens op lijkt; dat is voor mij het enige dat telt. Nolens kende ik wel als dichter, en nu dus ook als dagboekauteur. En in beide stielen acht ik hem inmiddels hoog.

Nolens’ Dagboek van een dichter is een verzamelbundel, met aantekeningen uit een kleine dertig jaar leven. In deze periode verschenen al vier deelverzamelingen los. Daarom heb ik ook apart boeklogjes gewijd aan Stukken van mensen, Blijvend vertrek, De vrek van Missenburg, en Een lastig portret.

Daarover zij opgemerkt dat me de eerste twee delen beter bevielen dan de daarop volgende. Dat kan heel goed zijn omdat hij in die periode van schrijven nog niet van plan was om zijn aantekeningen te publiceren. Later wist hij dat anderen mee zouden lezen. De dagboeken worden ook klageriger dan. Waarmee ik overigens geen oorzakelijk verband suggereer.

Wellicht ook raakte ik aan Nolens’ toon gewend, waarmee deze ineens minder bijzonder leek.

Een vijfde deel had de titel Verborgen agenda zullen krijgen. Alleen verscheen dit nooit — behalve dan nu, in de verzamelband. Nolens heeft ook dat aangeboden aan zijn uitgever; maar waarom die er vervolgens mee wachtte wordt niet duidelijk uit de tekst. Wat mij dan weer aanzet tot speculatie. De drankzucht in die jaren, en het geklaag daarvan het gevolg, zijn in elk geval geen reclame voor de dichter als mens.

Waarschijnlijk hangt mijn grote waardering voor deze uitgave dus op enkele heel kleine dingen.

Leon Nolens merkte bijvoorbeeld dat zijn dagboekaantekeningen in 1979 ineens ergens op gingen lijken. Was hij al tweeëndertig, had hij al zijn hele leven zulke notities gemaakt, kregen deze ineens een opvallende kwaliteit.

Speculatie van mijn kant is dan weer dat hier misschien de invloed van Canetti speelde. Diens aantekenboek Die Provinz des Menschen was in 1976 in vertaling uitgebracht. En daarmee lag er een voorbeeld van hoe nuttig het was als iemand aantekeningen bijhield in de pauzes als hij niet met zijn hoofdwerk bezig was — bij Canetti was dat die Masse und Macht.

Nolens roemt Canetti ook een paar keer, door de jaren heen. Daar waar verder bijvoorbeeld hoogstens opviel dat hij Komrij’s polemiek zo vervelend vond; en diens gedichten Sinterklaasrijmelarij. [Komrij dan weer wijdde ooit een pesterige column aan de vervelende manier waarop Nolens zijn gedichten zou voordragen.]

Nee, de eerste tien jaar dagboek vooral maakten dat het heel logisch leek dat iemand zich wel verschansen moet, om zijn overgevoeligheid nuttig te kunnen gebruiken. Omdat het offers vergt om iets van kwaliteit te kunnen schrijven.

Konden de achttien jaar die daarop volgden dat beeld niet meer wegnemen — het enige voordeel waarschijnlijk van zo’n dikke verzamelband, waarin een half mensenleven even op looppas doorgenomen wordt.

Desondanks tekende ik uit de laatste tien jaar van Nolens’ aantekeningen onder meer aan:

Misschien is dat het enige spectaculaire wat een dichter in deze tijd nog kan doen: een taal van de intimiteit uitvinden, een verstild spreken tegen de bombast van de reclame in, tegen het pathos van de politieke slogans, tegen de dorheid van de economische analyses, tegen de sensationele waan van het werkelijkheidsonderricht dat kranten en andere media ons denken geven. […][698]

scheiding

Het vierde deel van dit dagboek, dat je dit najaar had willen publiceren, waarom komt dat er niet? Omdat je het niet durft te lezen. Hoe verklaar je dat het dagboek, toch bij uitstek het genre dat iemand vooral voor zichzelf schrijft, de schrijver ervan zo’n angst inboezemt? Omdat hij tijdens het lezen zijn leven moet overdoen? Zoals een hond terugkeert naar zijn braaksel? [705]

scheiding

Opnieuw: het materiaal van de schrijver is zijn gereedschap. […][749]

scheiding

Kunst maken is de meest elitaire bezigheid: men verlaat het huis en de geliefden, de massa en de straat om zijn intiemste droom te verwezenlijken. Het kunstwerk zelf is als het goed gaat de superieurste vorm van democratisch leven: het verzoent eigenmachtig en vrijelijk zijn mening en wensen met die van anderen, als is hun weerstand aanvankelijk nog zo groot.

De kunstenaar is een groot egoïst, het kunstwerk een groot democraat. [820]

scheiding

Je leest vooral wat de tand des tijds heeft doorstaan. Tijdgenoten lezen is vaak tijdverlies. Met die gedachte sta je niet alleen. Vergeet dus niet dat heel wat tijdgenoten hetzelfde denken van jou! [977]

scheiding

Zelfhaat is het beste bewijs dat er zoiets bestaat als een zelf. [1017]

Dit is het laatste boeklogje uit een reeks van vijf, die hier begint.

Leonard Nolens, Dagboek van een dichter
1979–2007
1060 pagina’s
Em. Querido’s uitgeverij, 2009

Histories ~ Herodotus

Elders op boeklog ga ik er uitgebreid op in dat het mij onmogelijk is om de historische romans te lezen die nu verschijnen. Want de mensen in zulke boeken kloppen namelijk nooit met hun tijd. Dat zijn veel te hedendaagse types, die zich ook nog eens bewegen in een onecht decor.

Een enigszins vergelijkbaar effect ontstaat als ik fictie probeer te lezen uit een tijd die de mijne niet is. Want het lukt me toch zelden om in romans of verhalen te verdwijnen die voor 1920 geschreven werden.

Zulke boeken hebben wellicht nog van alles te bieden, alleen dan niet wat ik allereerst zoek in mijn lectuur. Zulke boeken richtten zich ook op een publiek waartoe ik niet behoor, dat compleet andere verwachtingen had van zijn schrijvers. Bij boeken uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw is dit verschil al opvallend duidelijk, laat staan bij teksten die daarvoor verschenen.

Vrijwel onmogelijk te begrijpen, zonder studie, is nog ouder werk. Mede daarom trok ik verschillende maanden uit om De historiën van Herodotos toch eens te lezen — na hier al twee titels geboeklogd te hebben van auteurs die lyrisch waren over dit werk.

Het wereldbeeld van Herodotos van Halicarnassus (ca. 485 v.Chr. – 425/420 v.Chr.) verschilde namelijk op nogal wat punten fundamenteel van het mijne. Zo stelden vrouwen in de Helleense tijd niets voor, die waren hoogstens goed om zonen te baren. Meisjes werden nog net gedoogd. Men hield er wel eens éen, als een soort huisdier. De rest mocht gerust dood.

En bij al die mannelijkheid van de cultuur hoorde vervolgens ook een enorm eerbesef — dat vervolgens nogal sterk stuurde waarom iets gedaan werd of juist niet.

Daarom ook waren de enige mensen die ertoe deden degenen die met de hoogste eer bekleed waren; de koningen.

Alleen zijn dit dan in het boek de verborgen constanten. Veel duidelijker is meteen al dat Herodotos een magisch wereldbeeld had, waarin grote waarde gegeven wordt aan voorspellende dromen, en de uitspraken van de talrijke orakels overal.

Tegelijk dacht de wedergeboren christen George W. Bush in de 21e eeuw nog op een missie van God te zijn; wat hem bijvoorbeeld het volste recht gaf om Irak binnen te vallen — magische wereldbeelden zijn nooit verdwenen. Onverwachte besluiten worden nog steeds gerechtvaardigd vanuit een logica die alleen zo voor de beslisser bestaat.

En het is niet helemaal toevallig dat ik Bush hier nu noem. Want juist zijn daden deze eeuw hebben wat ideeën aangescherpt bij mij. Zoals het gegeven dat oorlog in deze tijd niet alleen nutteloos is geworden, maar ook zo ongelooflijk veel geld kost voor de oorlogvoerende.

Was er daarnaast nog alle propaganda waarmee die oorlogen van Bush verkocht werden, waar zo veel media zich zo willig voor leenden; zodat deze nimmer meer vertrouwd mogen worden mededelingen te doen van enige waarde.

Alle ergernis hierover heeft oorlog enkel onnozeler gemaakt voor mij. Dit maakt het vervolgens heel moeilijk om oorlogvoeren als eerbaar te zien.

En Herodotos’ Historiën is allereerst een boek over oorlogen. Vergeet even alle loftuitingen traditoneel aan zijn adres geuit. Dat hij de eerste reisjournalist zou zijn, of de eerste historicus — Thucydides strijdt overigens om dezelfde eer — of dat Herodotos zo heerlijk kon vertellen.

De man leefde in een periode waarin de totaal overwachte overwinning van de Grieken tegen een overmacht aan Perzen twee generaties terug nog levend in het geheugen lag. En Herodotos besloot de geschiedenis van al die Perzische oorlogen te reconstrueren vanaf het begin. Daarbij allereerst doorvertellend wat hij zoal had gehoord.

Uniek was daarbij dat hij beide kanten in zijn verhaal betrok, al lag zijn sympathie vanzelfsprekend het meest bij de Grieken.

Dus staat dit boek vol koningen die strijd leverden tegen andere koningen, of stadstaten veroverden, en die bondgenootschappen smeedden.

Veel van de daarbij genoemde namen zeiden me niets, wat het moeilijk maakte om gebeurtenissen te onthouden. Ik kon de Historiën ook enkel begrijpen door er telkens omheen te lezen, via bijvoorbeeld Wikipedia — waarin Herodotos dan overigens opvallend vaak als bron van kennis werd aangehaald. Mede omdat ik nu eenmaal gewend ben geraakt aan bepaalde conventies in de beschrijving van historische gebeurtenissen, zoals het gebruik van jaartallen.

Herodotos had nog het geluk dat er drie opeenvolgende koningen waren die de Grieken aanvielen, zodat er daardoor nog iets van een begrijpelijke chronologie ontstond in het boek.

Wat me toch ook ietwat teleurstelde bij het lezen, was dat Herodotos uiteindelijk toch gewoon oorlogen beschreef die nog altijd heilig zijn. Zelfs ik heb als brugklassertje van de Perzische oorlogen moeten leren. Van Marathon, Thermopylae, de slag bij Salamis. Dus zaten alle nieuwe verwikkelingen in dit boek aan het begin, als de opmars der Perzen begint, terwijl het einde me wel bekend was.

Toch was het ook weer geen straf om Herodotos te lezen, ondanks alle makkelijk op te sommen bezwaren. De man vertelde namelijk zelden een gebeurtenis rechtstreeks. Er kwam altijd wel een bijzaak tussendoor, en juist in die niet geheel terzake doende gebeurtenissen en vaak opvallend vreemde trivia zit de leesbaarheid van dit boek.

Niet al die fait divers zijn overigens onzinnig, hoe vergezocht ze soms ook lijken.

Herodotos beschrijft bijvoorbeeld dat de Scythen — een mythisch ruitersvolk — nogal van melk hielden. Maar om hun merries een beetje makkelijk te melken, moest een helper met een benen fluit — geen eufemisme waarschijnlijk — lucht blazen in de vagina van het paard, opdat de tepels van het beest zouden zwellen.

En zo’n techniek is dan zo krankzinnig — hoewel niet heel veel vreemder dan hoe varkens tegenwoordig geïnsemineerd worden — dat mij het bijna uitgesloten lijkt dat iemand zo’n verhaaltje verzonnen heeft. Al kan het vervolgens best dat zo’n observatie net niet helemaal klopt.

Is er bovendien ook nog Boek twee, van de negen Boeken in de Historiën. In dat boekdeel vertelt Herodotos ineens niet enkel door wat hij anderen heeft horen zeggen. Dan is hij zelf in Egypte, en bedrijft hij antropologie, door te beschrijven wat er anders is in het land dan bij de Grieken.

En was elk van de negen Boeken geweest als Boek twee, dan had ik het grote enthousiasme van onder meer Kapuściński over Herodotos’ werk aanzienlijk beter kunnen navoelen.

Herodotus, The Histories
Translated by Tom Holland
Introduction and notes by Paul Cartledge
834 pagina’s
Penguin Classics, 2013

Kunst is mijn slagveld ~ Nanne Tepper

Geen grovere belediging van een dode schrijver dan om veel later te gaan zeggen dat je zijn werk nu zo goed begrijpt. Nanne Tepper poneerde deze stelling toen ‘Basje Heintje’ [Bas Heijne] zich in zijn ogen te glibberig schuldig maakte aan retro-aanbidding voor Frans Kellendonk. En dit is slechts éen uit een grote reeks stellige oordelen die Tepper [1962 – 2012] vastlegde in zijn brieven.

Alleen stierf Nanne Tepper inmiddels zelf ook. Door eigen hand.

Kwam er bovendien een vuistdik boek uit met deze brieven, die bovenal gaan over zijn tijd in de letteren. Omdat samensteller Nick ter Wal daarin de nadruk heeft gelegd op de periode voor de publicatie van Tepper’s eerste roman — De eeuwige jachtvelden — en de goede ontvangst hiervan. Waardoor nogal eens passeert wat de schrijver wilde met dat boek.  [1].

Dus begrijp ik die debuutroman nu inderdaad beter. Vooral de vaagheden, zoals de gaten in de chronologie.

Vond Tepper alleen wel het derde gedeelte van De eeuwige jachtvelden het meest geslaagd aan het hele boek. Dit bestaat uit brieven die de personages elkaar sturen. Maar mij irriteerde bij herlezing dat mozaïek aan stemmen nu net. Omdat dit te zeer als een stijlbreuk kwam.

Verder was ik het overigens opvallend vaak met Nanne Tepper eens. Zo vaak kwamen onze oordelen over Nederlanders schrijvers overeen zelfs dat De kunst is mijn slagveld alleen daarom al heerlijk om te lezen was — want Tepper’s opinies waren altijd spottend verwoord. Van al die krabbelaars, op Arnon Grunberg na, werd op zijn minst de naam vervormd.

Alleen heb ik ook moeite met deze verzameling brieven. Ter Wal pikt de correspondentie op in 1993, als Nanne Tepper dertig is. Toch leek hij me toen jonger dan hij was. Zijn toon, en dan vooral de stelligheid daarin, herkende ik absoluut. Alleen dacht ik zo toen ik nog twintig moest worden, bij wijze van spreken. Tien jaar later was er absoluut al meer realiteitszin gekomen.

Tepper wist op zijn vijftiende, zestiende al dat hij schrijver moest worden, vertrok op zijn achttiende vanuit de veenkoloniën naar Stad, en mislukte daar op de lerarenopleiding Nederlands en Huishoudkunde. Volgde een decennium van drank en drugs, waarin hij dat schrijven wel probeerde, en daarin dan toch niet doorzette.

Zo bezien begint de brievenbundel op het juiste moment in het leven van de schrijver Nanne Tepper.

In de portretten die vlak na zijn dood verschenen, werd geopperd dat hij op dat moment voor het eerst goede medicatie kreeg. Ik weet dat niet, en wil daar ook niet over speculeren. Feit is wel dat er angsten speelden, en dat Tepper een psychiater bezocht — daar schreef hij ook over in zijn brieven. Tegelijk liep hij gewoon bij de sociale dienst en was hij dus niet afgekeurd; wat had gekund als zijn geestesziekten als zwaar genoeg waren bevonden.

Uit de laatste pagina’s van het boek blijkt dat ADHD bij hem is gediagnosticeerd.

En normaal zou ik niet zo diep op de biografie van een auteur ingaan, als die niet ook zo zwaar had meegewogen bij het lezen van dit boek. Want ja, ik kan een heel eind meegaan met alle juichende kritieken elders dat Tepper lange prachtbrieven schreef. Hij deed er ook behoorlijk moeite voor; waarbij de correspondenties van Flaubert of Reve lichtende voorbeelden waren.

Dat hij twintig brieven verstuurde per maand en hoogstens vijf terug kreeg, verminderde zijn schrijfdrang niet.

Alleen is er verder zo weinig anders in dat leven dan dit schrijven, of de literatuur, en daarmee zo lang de verwachtingen over de publicatie van een eerste eigen boek. De stad kwam hij bijvoorbeeld nauwelijks uit. [2]

Was het nog redelijk toevallig ook dat Atte Jongstra uiteindelijk een manuscript van De eeuwige jachtvelden oppikte, en hem zo geholpen heeft om dat boek gepubliceerd te krijgen. Vanaf toen pas kon Tepper ineens overal terecht met zijn teksten; en werd hij onder meer recensent bij NRC-Handelsblad over Amerikaanse literatuur.

Daarom heb ik onder meer nu nog moeite gedaan om online te kijken wat Nanne Tepper indertijd schreef over Infinite Jest. [Ook omdat ik mijn eigen ideeën heb over dit boek].

Ik ben blij dat De kunst is mijn slagveld niet leest als éen lange zelfmoordbrief — wat zo vaak onontkomelijk is als een auteur zichzelf tekort heeft gedaan. Dat Ter Wal de correspondentie laat ophouden in 2001.

En toch zit er door de hoogdravendheid van Tepper, en de absoluutheid in zijn voor- en afkeuren, wel heel veel in dit boek wat preludeert op de onvermijdelijkheid dat teleurstelling over het leven niet kón uitblijven. Dit maakte mij tijdens het lezen al triest.

Nanne Tepper, De kunst is mijn slagveld
Brieven 1993 – 2001
samengesteld en ingeleid door Nick ter Wal

752 pagina’s
Atlas Contact, 2016
  1. Over de totstandkoming van de andere twee boeken aanzienlijk minder. Al was aardig om te lezen dat Vaders van de gedachte eerst Om de dooie dood niet heette. En dat Tepper daarvan verwachtte dat het alle goodwill over zijn debuut in éen keer zou vernietigen. []
  2. Nu goed ja, de muziek. Ongetwijfeld is er ook een boek samen te stellen over Tepper en de muziek. Dan nog geldt daarvoor dat hij zelden Stad verliet om bijvoorbeeld ergens een concert te zien. []

Diary ~ Witold Gombrowizc

Dit boeklogje had in november 2012 horen te verschijnen, bijna vier jaar terug. Normaal ben ik vlotter. Er rees toen alleen een onoverkomelijk probleem bij het oordelen over Gombrowicz’ verzamelde dagboeken.

Want dat de vertaalde uitgave in éen band verscheen, is wat misleidend. Oorspronkelijk kwamen de dagboeken verspreid door de jaren in drie delen uit. En bij het lezen verschilde mijn oordeel over deze delen totaal.

In de periode 1953-1956, de jaren van het eerste deel, is Gombrowicz [1904 — 1969] nog een relatieve nobody. Een onbekende Poolse schrijver die in Argentinië woont; waar hij beland was op de laatste boot die toevallig net Polen verliet vlak voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Alle literaire successen die hij tot op dat moment beleefd had, waren vergeten; want zijn achtergebleven in zijn vroegere vaderland.

Die marginale positie gaf hem als auteur tegelijk ook een enorme vrijheid om te doen, en vooral om te oordelen. Dat boekdeel leest als een plaatsbepaling van hem in de literatuur. Daar kon ik zeer van genieten.

Tijdens de jaren 1961-1969, die in het derde deel van de dagboeken beschreven worden, zou hij internationaal doorbreken. Ineens is er daardoor wel geld. En Gombrowicz verruilde Argentinië voor Frankrijk.

En dat derde deel van de dagboeken zei me totaal niets. Daarin ontbreekt het eerdere vuur. Probleem daarop in 2012 bij het schrijven van een boeklogje bleek te zijn dat door mijn onverschilligheid over dat laatste deel de blijdschap over de eerste 280 pagina’s van deze uitgave amper meer terug te halen was. Dus deden mijn woorden toen geen recht aan de waarde die dit boek voor mij had.

Een schrijver beoordeel je aan het beste dat hij of zij te geven heeft.

Dus duurde het tot nu, vier jaar later, voor ik meende eindelijk in staat te zijn om onbevangen dat eerste dagboekdeel te kunnen herlezen. Inclusief de essays erna tegen de dichters, en tegen de heilige Poolse Nobelprijswinnaar Henryk Sienkiewicz.

Trad daarbij opvallend genoeg een nieuw bij-effect op. Gombrowicz was 49 jaar oud toen hij zijn dagboekfragmenten ging publiceren in het ballingenblad Kultura. En ineens zegt die leeftijd mij meer dan vier jaar terug. Want wie bijna vijftig is, oordeelt niet voor het eerst. Die heeft al eens conclusies moeten trekken; en die waarschijnlijk zelfs al eens moeten relativeren daarbij.

Mits er geen inmiddels gevestigde belangen te verdedigen zijn, natuurlijk. Als er dan nog vrijheid van denken mogelijk ís. Maar, zoals gezegd, die was er.

Dus genoot ik ditmaal nog meer van het essay tegen de dichters dan in 2012, ondanks dat me al half bekend was wat er komen zou.

Gombrowicz hield van poëzie, zo meldde hij daarbij. Alleen dan wel gemixt met andere, meer prozaïsche elementen, zoals in de drama’s van Shakespeare, of in het proza van Pascal en Dostojevski.

Why then does this pharmaceutical extract called ‘pure poetry’ bore me and weary me, especially when it appears in rhymed form? Why can’t I stand this monotonous, endlessly lofty singing? Why does rhythm and rhyme put me to sleep, why does the language of poets seems to me to be the least interesting language conceivable, why is this Beauty so unattractive to me and why is it that I don’t know anything worse as style, anything more ridiculous than the manner in which poets speak about themselves and their poetry?

[264]

En dan ging het mij niet zo zeer om de redenen waarom Gombrowicz een hekel had aan dichters. Ik las zijn woorden nu als een analyse van hoe een kunst zichzelf in een corset kan gorden, om daarbij dan zo te verstijven, dat er amper nog beweging mee mogelijk is.

En zulke gedachten zijn over meer kunstvormen te denken dan over de poëzie alleen. Geprezen zij de schrijver die het dan lukt om de lezer even over te halen dat ook te doen.

Tenminste, ik vind dat besef dan nuttig — zelfs al ben ik dan hier in dit publieke leesdagboek nog nooit verder gekomen dan wat vraagtekens over de merkwaardig heilige status van de roman.

Het eerste jaar uit Gombrowicz’ dagboeken heeft overigens ooit nog het motto geleverd waaronder mijn boeklog die eerste tien jaar opereerde:

Dus, oordeel niet. Beschrijf slechts uw reacties. Schrijf nooit over de auteur noch over zijn werk, slechts over uzelf in uw confrontatie met het werk of de acteur. Over uzelf heeft u het recht te spreken.

Punt is daarbij wel dat dit citaat hier niet stopt, en vervolgt:

Maar, over uzelf schrijvend, schrijf dan zo dat uw persoon aan gewicht, betekenis en leven wint, dat zij tot uw beslissend argument wordt. Schrijf dus niet als een pseudo-wetenschapper, maar als een kunstenaar. Kritiek moet even strak gespannen en vibrerend zijn als het werk dat zij aanraakt — anders laat zij slechts het gas ontsnappen uit een ballon, wordt zij tot een slachting met een stomp mes, tot ontbinding, anatomie, graf.

En die woorden heb ik bij het motto gemakshalve indertijd maar weggelaten. Omdat me wel duidelijk was dat mijn boeklogjes te snel geschreven worden om meer te zijn dan aantekeningen in een nog net publiek medium ergens in een doodlopend steegje op ’t internet. Gekrabbel op een blinde muur.

Punt is ook dat als je naar andermans voorschriften gaat leven, zoals die van Gombrowicz, depressie op de loer ligt, en andere problemen die het simpele doen dan belemmeren.

Alles heeft een ideale vorm. Mag alleen die vorm tegelijk ook weer niet te heilig worden. Het beste boeklogje over Gombrowicz Diary was waarschijnlijk gewoon al de hele reeks aantekeningen, wekelijks op mijn andere weblog gemaakt in de herfst van 2012. Daar is slechts nu deze lang uitgevallen voetnoot aan toegevoegd, om tenminste éen openstaande verplichting eindelijk eens af te ronden; hoe knullig ook.

Witold Gombrowicz, Diary
translated by Lillian Vallee
783 pagina’s
Yale University Press, 2012

Ruim duizend dagen werk ~ Koos van Zomeren

Boek van het jaar 2018 is waarschijnlijk nu al bekend, voor mij. Dat kan niets anders zijn dan de bundel Ruim duizend dagen werk van Koos van Zomeren, waarin integraal alle columns werden opgenomen die hij medio jaren negentig schreef voor de voorpagina van NRC Handelsblad.

Tegelijk moet ik meteen toegeven dat de vier bloemlezingen die indertijd verschenen uit deze columnreeks elk voor zich betere boeken zijn dan deze dikke pil. Selectie toepassen, maakte het soortelijk gewicht hoger van de bundels Zomer, Winter, Het eeuwige leven, en Wat wil de koe.

Wat Ruim duizend dagen werk namelijk ook deed, was om de onmacht van de schrijver te tonen. Zo heeft deze een putdiepe hekel aan de zomer. In die meer selectieve bundels viel ook op dat er wel eens hele weken aan columns ontbreken. Toevallig allemaal uit de zomermaanden. Ik meende indertijd nog dat Van Zomeren dan een zomerstop had gehad. Alleen bleek het weer dus werkelijk invloed te hebben gehad op zijn schrijven; de schrijver vond zelf dat hij dan zijn normale kwaliteit niet haalde.

Deze integrale bundel liet namelijk zien dat hij geen dag gemist heeft, in de periode van 21 maart 1993 tot en met 22 juni 1995 — op de zon- en feestdagen na, als er geen krant verscheen. En daarmee had ik ruim zes weken lang het voorrecht om iedere dag een maand aan redelijk tijdloos gebleven tekstjes te lezen van toen.

Mijn enthousiasme geldt dan ook vooral de ervaring die dit bracht; om de wetenschap bijna iedere dag dat er iets op mij wachtte om gelezen te worden met kwaliteit. Gek is dat. Om zoveel gelezen te hebben, en zoveel schrijvers te kennen, en dan toch zo zelden boeken te hebben liggen waarop ik me echt verheugen kan om er in verder te mogen.

Koos van Zomeren wist zo af en toe die minieme ruimte van 250 à 270 woorden per column op een perfecte manier te vullen.

Opvallend in deze integrale bundel was alleen ook dat hij, waarschijnlijk onbedoeld, nogal wat over zichzelf vertelde; zonder het daarbij dan over zichzelf te hoeven hebben.

Van Zomeren woonde indertijd nog in Woerden. Dat is een stad die zich weliswaar aanprijst als centrum van het Groene Hart, alleen ligt dat centrum wel in de Randstad; dat overvolle mensenpakhuis tussen de snelwegen in Holland in, waar het steevast stinkt; en er altijd menselijke activiteit merkbaar is; zo daar geen overlast aan beleefd wordt.

Zelfs de logische opeenvolging van de seizoenen, die dit boek zo fraai illustreert, heeft mede daarom vervelende kantjes. Van Zomeren kan nog zo blij verheugd in de lente de terugkeer van de grutto’s begroeten op de wandelingen thuis met zijn hond. Hij weet ook dat de gruttokindjes, net uit het ei, over een paar weken gruwelijk gehakseld gaan worden door boeren die hun eerste snee gras willen maaien.

De schrijver was net 46 toen hij met zijn columnreeks begon, en op dat moment een relatief beginnende natuurliefhebber. Nooit had hij getaald naar wat er buiten te zien was, tot er een hond kwam, en dat beest elke dag moest worden uitgelaten, ongeacht het weer. Sindsdien vergingen vijftien jaar, en in die spanne tijds veranderde er langzaam en zeker van alles, en nam hij dat ineens waar. En daar is hij dan fel over, met het fanatisme nog steeds van de nieuwe bekeerling.

De grutto’s, waar zijn ze gebleven?

Deels kwam die verandering dus door de schaalvergroting in de landbouw, en andere ingrepen van de mens.

Nederland is een geheel door mensen bedacht land, waar zelfs over elke vierkante meter ‘vrije natuur’ besluiten zijn genomen. Dus levert de wijsheid dat veeteelt daarbij ook nogal bepalend moet zijn geweest een wat eigenaardige sensatie op.

Want het lijkt zo aardig, het idee dat land zo goed mogelijk de koe van dienst zou moeten zijn — zoals Van Zomeren uiteindelijk concludeerde. En tegelijk begint op dat niveau toch ook de fnuikende invloed van het kapitalisme; dat de aarde allereerst onze winstmaximalisatie ten dienste hoort te staan.

Zelfs al kwamen de uitwassen er dan misschien in Nederland pas echt met de massale ruilverkaveling, de bijbehorende herinrichting van het landschap, het kappen van talloos veel boomwallen, de structurele verlaging van het grondwaterpeil, en het invoeren van de monocultuur van het Engelse raaigras.

Niettemin blijft opvallend aan die ruim duizend columns dat Koos van Zomeren er telkens op uit gaat, op zoek naar natuur die er nog wel is; vaak aan de hand van een lokale expert.

En misschien is de grote kwaliteit van deze tekstjes dus wel altijd geweest dat de taal iets aan beweging had vast te leggen. Waardoor er toch spanning was in wat heel goed tegelijk de beschrijving kan zijn geweest van een verstild moment. Stilte wordt pas echt invoelbaar als het rumoer erom heen ook is benoemd.

In het voorjaar van 1994 begon Koos van Zomeren aan een serie columns over de koe, die tot het eind doorliep, en dus ook tot een heel boek zouden leiden. En juist deze reeks teksten bleek ik bijzonder goed onthouden te hebben. Waarop een vraag werd waarom dit zou zijn.

Was het omdat er nu eens een serie lag met éen helder onderwerp? Had hij eindelijk de ideale invalshoek gevonden om over onze idiote omgang te schrijven met de natuur? Want zo’n koe is vanzelfsprekend een door-en-door gemanipuleerd beest. Telkens doorgefokt op eigenschappen die het nuttigst waren voor de mens.

Tegelijk waren ook zijn lezers nog niet eerder zo door een onderwerp geraakt. Hij ontving er talloos veel brieven over.

Enerzijds leverde zo’n brief weleens stof op voor een column. Dankuwel. Anderzijds raakte Van Zomeren er toch ook wat verveeld mee dat hij inmiddels getypecast leek te worden door zijn tekstjes.

De mensen beginnen mij aardig te vinden. Ik bedoel mensen die me niet kennen maar zo nu en dan een stukje van me lezen, en ja, dat zijn nu eenmaal aardige stukjes; huisje, boompje, beestje en in het ergste geval een wolk erboven, daar zul je je niet gauw een buil aan vallen; en ja, het is ook zo, iemand met zo’n fijn gevoel voor een vogeltje in zijn hand kan niet slecht zijn, niet echt.
[…]

De tol

En het laatste halfjaar van de reeks volgen er ook weleens venijnige columns over zijn keuze om vooral over de natuur te schrijven. Ineens moest Van Zomeren nog even bewijzen dat het niet uit onmacht was dat hij het zo vaak over vogels had. Uit zijn tijd als politiek journalist waren er echt wel verhalen te vertellen die misschien meer indruk zouden maken.

Dus is mijn conclusie nu, anders dan na de losse bundels, dat het wellicht goed was dat er een einde kwam aan de reeks, na ruim duizend dagen. Daar waar ik eerder altijd had gevonden dat de auteur nog jaren door had moeten gaan, en het betreurd heb dat hij stopte.

Koos van Zomeren, Ruim duizend dagen werk
1028 pagina’s
De Arbeiderspers, 2000