Infinite Jest ~ David Foster Wallace

De zomer van 2009 was voor mij onder meer de zomer van het cultboek Infinite Jest. Dit kwam door een Amerikaans initiatief, met de naam Infinite Summer, dat eruit bestond om met zo veel mogelijk mensen tegelijk deze roman te lezen. En om daar dan over te discussiëren, online.

Lezen is doorgaans een eenzaam avontuur. Dus leek het me alleen al aardig om aan de Infinite Summer mee te doen, om eens iets gezamenlijk te beleven. Zelfs al zou meedoen betekenen dat ik me aan een heel traag leesschema moest houden, van rond de 75 pagina’s per week.

Maar toen bleek al snel dat ik Infinite Jest in mijn eentje nooit uitgelezen had. David Foster Wallace had nogal veel woorden nodig om iets te zeggen, als hij er al toe kwam om iets te zeggen. Dit gaf mij zo veel problemen, dat ik zelfs vermoed dat de schaarse wel geslaagde stukken uit dit boek niet eens van hem zijn. Infinite Jest is een postmodern werk, waarin tal van readymades werden opgenomen; die ik soms ook al kende.

Alleen door de Infinite Summer heb ik het volgehouden de 981 pagina’s te lezen, en de kleine honderd bladzijden met noten achterin daar nog bij. En door dit spontane verbond heb ik nog aanzienlijk meer gelezen ook. Zoals veel van wat de fans online schreven over wat zij zo geweldig vonden aan deze roman, en waarom ze van sommige personages waren gaan houden, tijdens het lezen.

Die liefdesverklaringen waren zo opmerkelijk voor mij, omdat ik die werkelijk totaal niet meevoelen kon. Infinite Jest is een roman over tamelijk trieste, ontstellend egoïstische Amerikanen, in een ietwat dystopische toekomst. Het boek biedt een verwarrend grote reeks verhalen. En alles wat iemand er in samenvatting over zegt, is waarschijnlijk meteen al een overdrijving.

Wallace meldde nogal wat zaken terloops, die in een uitleg meer nadruk krijgen dan hij misschien bedoelde.

Ik had als plan om tijdens de Infinite Summer wekelijks mijn bevindingen publiek te maken. Maar het reeksje dat dit plan opleverde, blonk helaas uit in nietszeggendheid; juist om Wallace’s zo doelbewuste vaagheid.

Een goede tekenaar zet éen lijn, en daarin is dan alles te lezen. Mensen die niet kunnen tekenen proberen zo’n lijn te benaderen, door tientallen kleine lijntjes neer te zetten, en de vorm die daaruit tevoorschijn komt dan nog eens te benadrukken.

Deze metafoor is niet van mij, maar van B.R. Myers, uit diens Reader’s Manifesto, tegen de groeiende pretenties van proza. Maar ik vind hem wonderbaarlijk van toepassing op de roman Infinite Jest. Waarbij David Foster Wallace dus die niet zo heel goede tekenaar is, en de lezer maar zelf die dikke lijn moet ontwaren in alle gekrabbel.

Het zo fragmentarische karakter van dit boek nodigt bovendien uit om er meer in te willen zien dan de schrijver erin gelegd heeft. Zelfs al heeft hij er veel in gestopt. Aan taal tenminste, of aan mogelijke verwijzingen naar Hamlet. En dit verklaart daarmee dus ook meteen de cultstatus van Infinite Jest. Als iedereen meteen kan zien wat de kunstenaar bedoeld heeft, roept dat geen enkele drang tot interpretatie op. Bij deze roman is er tenminste veel te speculeren.

Het boek lijkt ook onmetelijk veel te bieden, doordat Wallace zo veel verschillende registers gebruikte; van hoog naar laag, van vakjargon tot gemaakt dialect en sociolect. Het is of hij wilde bewijzen dat het Engels de taal is die de meeste woorden bevat, door ze allemaal minstens éen keer te gebruiken. Nu horen nogal wat merknamen tot die woordenschat — zo zijn op het laatst tientallen noten telkens gewijd aan medicijnen tegen geestelijke stoornissen. Vandaar dat een commentator op de Infinite Summer-site zich, wat mij betreft geheel terecht, afvroeg of dit boek door al die productnamen niet razendsnel veroudert.

In elk geval droegen die genoemde producten er ook nogal aan bij om dit boek ontstellend Amerikaans te maken. Nu is de roman zeker te zien als een kritiek op de manier van leven in de VS, en worden daar karakteristieken van overdreven. Maar ik ben geen Amerikaan, dus zullen mij waarschijnlijk alleen de grofste toespelingen en parodieën opgevallen zijn.

Zo was mij het gehele boek lang ook onduidelijk waarom zo veel lezers online melden zo te genieten van de humor. Omdat ik misschien alleen de zwarte grappen zag, plus de ergste overdrijvingen. En die waren telkens te flauw voor woorden. Zoals dat in de VS — dan samen met Canada en Mexico in het verbond O.N.A.N.; god wat leuk — de jaartallen voortaan de naam van een sponsor dragen. Het boek speelt zich grotendeels af in het jaar van de Depend volwassenenluier.

Enfin. Om toch nog iets over de inhoud te schrijven. Infinite Jest speelt zich grotendeels af binnen twee instellingen. De ene is een tennisacademie voor verder ook intellectueel begaafde studenten, de tweede is een project voor afkickende verslaafden. Niet toevallig vertonen de twee, en sommige van hun bewoners, nogal wat overeenkomsten in hun obsessies. En tuurlijk, afkicken is topsport. Tegelijk is er pas op het allerlaatst een ontmoeting tussen de belangrijkste personages uit beide instituten; en Wallace laat daar expres veel over weg. Naast al dit zijn er nog mensen actief die Quebec onafhankelijk willen hebben; of willen sommigen dat nu juist niet? En ook deze verhaallijn komt met complicaties, en grappen die maar niet leuk wilden worden.

Was er ergens ook nog een plot. Al moest ik daar door anderen op gewezen worden. Die tennisacademie werd opgericht door de inmiddels overleden James Orin Incandenza. Die was daarvoor filmmaker, en schepper van onder meer de Entertainment, ook bekend als Infinite Jest, of ‘the samizdat’; een film zo grappig dat elke kijker erin blijft. Die film is dan weer gewild door de Quebec-separisten, ongetwijfeld om als wapen in te zetten.

Het zal. En Monty Python had hetzelfde idee ook al eens.

Nu goed, als statement over de leegheid van de Amerikaanse cultuur, met zijn zo grote nadruk op instantbevrediging, en makkelijke oplossingen, had deze roman zo af en toe iets. Maar dat dit boek slechts te begrijpen zou zijn door het met de kennis van nu nogmaals te lezen, laat me vermoeden dat Wallace met Infinite Jest ook een grap met zijn publiek heeft willen uithalen. De roman zelf is de grap zonder clou. En wie daar toch eindeloos naar door wil blijven zoeken, gaat zijn gang maar. Ik geloof het verder wel.

* ziet ook: Zou een Nederlandse vertaling van Infinite Jest mogelijk zijn?

David Foster Wallace, Infinite Jest
A Novel

1079 pagina’s
Abacus 2009, oorspronkelijk 1996

Met alle geweld ~ Hans Achterhuis

Boeklog is een vrijwel dagelijks verslag van mijn fascinatie voor geweld. En nee, dat wist ik ook niet. Geen idee zelfs. Pas na het lezen van Met alle geweld drong dit gegeven tot mij door. Te veel schrijvers, en boektitels, die de filosoof Hans Achterhuis in dit grote werk behandeld heeft, kwamen de afgelopen jaren ook op boeklog langs.[1]

Dit maakte het lezen van dit boek tot meer dan een passieve bezigheid. Ik merkte de afgelopen jaren onbewust toch een groot aantal ideeën te hebben gevormd over macht en onmacht, en daarmee over geweld. En misschien daarom ook overtuigde Achterhuis me uiteindelijk niet.

Hoe dik Met alle geweld ook zijn mag, het mist voor mij iets. Er ontbreekt een kern. Als literatuurstudie van wat er relatief recent in romans, door filosofen, of door primatologen geschreven werd over bijvoorbeeld agressie mag dit een voorbeeldige uitgave heten. Maar er ontbrak me te zeer een synthese. Het leek of Achterhuis het hele onderwerp te verschrikkelijk vond om over na te denken, en daarom liefst alleen beschreef wat hij op een afstand kon houden.

Hans Achterhuis bleef problemen houden om vast te stellen waarover hij nu eigenlijk schrijven zou. Een heel hoofdstuk uit het begin van het boek heet ook: ‘Op zoek naar een definitie’. En hij komt dan uiteindelijk via een geleend citaat tot een soort werkhypothese bestaande uit vier elementen:

Geweld bestaat dan in ‘het min of meer intentioneel toebrengen of dreigen toe te brengen van schade aan mensen of voorwerpen’. [78]

Maar vervolgens bleef hij het mij toch te veel in extremen zoeken. Als oorlog. Of moord. En volgens mij zocht hij daarmee randverschijnselen op. Uitersten. Waarover lang niet altijd uitspraken van een algemenere aard zijn te doen. Behalve dan misschien dat Achterhuis telkens probeert te schrijven over wat er gebeurt als alle normale regels wegvallen, en alleen een recht van de sterkste regeert. En probeert te verklaren waarom dit kan voorkomen.

En ja, ik zie dat Hans Achterhuis daarbij het onderscheid handhaaft dat Hannah Arendt ooit bedacht, tussen geweld en machtsuitoefening door de staat. Maar ik vind dat verschil te clean theoretisch. Voor mij begint geweld al op een heel wat onschuldiger lijkend niveau. Waarbij er ook al schade optreedt.

Zo kan dit boeklogje als een verbale gewelddaad gezien worden, omdat ik afdoe aan wat Hans Achterhuis heeft geschreven. En wie ben ik dan wel om dat te zeggen?

Tegelijk, als ik in het koor meezing dat het boek al bejubeld heeft, buig ik onder een bepaalde maatschappelijke druk — zoals vertegenwoordigd in al die blij verheugde critici — die luidt dat een emeritus hoogleraar filosofie, met een grote bibliografie, bij voorbaat al gelijk heeft.

Ook al omdat dit boek zo dik is.

Die collectieve druk ervaar ik als gewelddadig. Al leidt die nu dan niet tot zelfcensuur, omdat ik hier wel hardop durf te blijven nadenken; en omdat Hans Achterhuis niet van mijn woorden zal wakker liggen. Maar in vergelijkbare gevallen zal ook ik wel degelijk aan deze krachten toegeven. En me dan op de vlakte houden. Of gewoon alle uitspraken vermijden. Omdat meelopen naar waar de menigte heen wil meestal zo veel makkelijker is.

Het is niet helemaal toevallig dat ik dit boeklogje publiceer aan de vooravond van 9 november; daags voor herdacht wordt dat de Muur viel in Berlijn, en spoedig het failliet van het Communisme kwam. Omdat mij het leven in het toenmalige Oostblok ook veel zegt over welke vormen van geweld er bestaan om mensen te dwingen tot gedrag.

Komt er in het ‘vrije westen’ evenzogoed dwang voor; al dan niet met fluweel bekleed.

Zoals er een banaliteit van het kwaad bestaat, is er voor mij ook iets als een banale vorm van geweld. En ik denk dat ook die de duidelijkste manifestatie krijgt in blind druk uitoefende bureaucratie; waaronder het zo makkelijk is om misvormd te worden. Hoeven de ambtenaren nog niet eens corrupt te zijn; kunnen ze zelfs menen mij zo goed mogelijk van dienst te zijn, binnen alle beperkingen van het wettelijk kader.

Laat me dicht bij het thema blijven. Juist dat ik weigerde om tot moordenaar opgeleid te worden, de militaire dienstplicht verwierp, en de procedure om tot gewetensbezwaarde erkend te worden in al zijn krankzinnigheid meemaakte, heeft me als niets anders doordrongen van mijn intrinsieke machteloosheid, zodra de overheid met al zijn instanties, regels, en procedures iets met mij wil dat ik vertik. Waarbij alle willekeur nog eens extra schrijnde. Vrouwen niet twee jaar van hun leven hoefden op te offeren aan het leger, tweederde van de jongens geboren in mijn jaar al evenmin.

Teleurstellend vond ik ook dat Achterhuis pas in de epiloog de notie lijkt op te pikken dat geweld weleens nut kan hebben. Dat geweld alleen daarom al niet uit te roeien is. En dat inzicht komt dan ook nog bij anderen weg. Uit een programmaoverzicht van de NWO pikt hij op dat:

conflicten en strijd een onontkoombaar deel uitmaken van de menselijke werkelijkheid. Te vaak worden ze alleen maar negatief gezien en probeert men ze totaal uit te bannen. Dat wordt volgens het eerste uitgangspunt van het programma juist omgedraaid: ‘Onderzoek en theorievorming kunnen veel baat hebben bij een sterkere gerichtheid op andere dan alleen de destructieve functies van conflicten.’ Wie oog krijgt voor de positieve mogelijkheden van conflicten, zo luidt een tweede utgangspunt, krijgt ook de mogelijkheid om de-escalerend te werken, […] [717-718]

Hoeveel ondernemers nemen zich niet voor om de concurrentie te beschadigen, en ontlenen daar hun motivatie aan? Hoeveel menselijke vooruitgang is er niet te denken aan gesublimeerde agressie? Uit de wil om radicaal te willen veranderen wat er niet deugt?

En goed, dan is er natuurlijk een grens in wat er kan om die gewenste veranderingen te bewerkstelligen. Alleen wordt het vervolgens moeilijk om te definiëren waar zo’n grens ligt. En daarbij lijken mij de inzichten van filosofen, en wat zij aan redeneermethoden hebben ontworpen, nu juist nuttig gereedschappen.

Politici, bijvoorbeeld, hebben het in dit namelijk makkelijker. Voor een politica als Margaret Thatcher was Nelson Mandela tot vlak voor zijn vrijlating van Robbeneiland altijd nog gewoon een terrorist.

Tegelijk zijn er bibliotheken gevuld met filosofische teksten over politieke theorie, en de betekenis van geweld daarin. En dit maakt het zo vreemd dat Hans Achterhuis daar vrijwel alles van negeert; en bijvoorbeeld slechts Abram de Swaan aanhaalt, als autoriteit die het heeft over wat een Staat zijn burgers kan aandoen.

Alsof in klassieke tijden al niet de vraag gesteld werd wanneer tirannicide geoorloofd is.

Alsof er nooit is nagedacht over de betekenis van het juridische begrip dat een staat het geweldsmonopolie heeft. Neem bijvoorbeeld alleen de uitspraak van Russell, dat ja, een overheid zo een macht moet hebben. Maar tegelijk nooit een goede overheid kan zijn, tenzij dit machtsmiddel hoogst zelden wordt ingezet.

Alsof ambtenaren niet met de beste bedoelingen levens grotesk kunnen beïnvloeden, zoals ik hierboven al schreef. Of politici, die al helemaal bij waan van het moment leven.

Nogmaals, voor mij begint geweld niet bij de extremen. Neem nu maar een actueel voorbeeld, over het schaduwbestaan van u en mij in allerlei overheidsdatabases. Als een overheid mij op deze wijze burgerrechten afpakt, of die ernstig beperkt, puur omdat deze overheid dit kan, ervaar ik dat als een gewelddaad. Kan de Tweede Kamer daar honderd keer mee hebben ingestemd. En dat de kabinetten Balkenende zulke maatregelen invoeren met als argument zo beter de terroristen te kunnen bestrijden — omdat Nederland dagelijks nog immer grote gevaren loopt, volgens diezelfde overheid, die twee keer de agressor meehielp bij invasies in moslimlanden — is daarbij helemaal een gotspe.

Enfin, filosofen houden zich op een veel abstracter niveau met de actualiteit bezig. En boeken moeten nooit besproken worden op wat erin ontbreekt. Is er dan werkelijk niets goed over Met alle geweld te zeggen?

Nu ja, wat Hans Achterhuis beschrijft, doet hij goed. Dat hij probeert te begrijpen waaruit geweld voortkomt, is telkens zichtbaar. En zelfs hoe hij boeken leest, is interessant om mee te krijgen.

En tegelijk werd voor mij bovenal duidelijk dat ik het als leek zo veel makkelijker heb om gedachten te vormen dan hij, als autoriteit. Dat Achterhuis eens zijn licht opstak bij Frans de Waal, om te kijken hoe de andere primaten geweld hanteren, is niet vreemd. Wel is opvallend dat het lijkt of hij nu pas, in zijn emeritaat, die vrijheid nam om buiten de door filosofen platgetreden paden te gaan.

Want zoals al gezegd, zelfcensuur, zoals het negeren wat andere wetenschappen aan nuttige kennis kunnen bergen, is voor mij toegeven aan een vorm van geweld. En zo geredeneerd wordt voor mij al interessant om na te gaan waarom ik dan toch soms bewust beperkingen opleg aan mijzelf.

Hans Achterhuis, Met alle geweld
Een filosofische zoektocht

793 pagina’s
Lemniscaat, 2008
  1. Achterhuis bekeek onder meer werk van Noam Chomsky, J.M. Coetzee, Charles Darwin, Richard Dawkins, Daniel Dennett, J.A.A. van Doorn, Wijnand Duyvendak, Norbert Elias, Marjolijn Februari, Theo van Gogh, John Gray, Eric Hobsbawm, Milan Kundera, Michel de Montaigne, Abram de Swaan, Dubravka Ugresic, Frans de Waal, en Koos van Zomeren. Waarbij ik twee keer nog zo veel namen had kunnen noemen, maar dit nalaat omdat wat op boeklog over hen staat, geen verband heeft met Achterhuis’ boek. []

2666 ~ Roberto Bolaño

Hoeveel Kitsch kan een boek verdragen om een goed boek te mogen heten? Dat is voor mij de belangrijkste vraag na het lezen van de roman 2666, van de Chileense auteur Roberto Bolaño [1953 – 2003].

Dit boek werd postuum uitgegeven. En hoewel de bezorger achterin bezweert dat Bolaño de roman vrijwel geheel gereed had, en het geheel in het Spaans ook ruim duizend pagina’s telt, kleeft er voor mij toch iets vervelend onafs aan.

Zo is het ingewikkeld om uit te leggen waar het boek nu precies over gaat. Iedere samenvatting wordt al meteen een interpretatie, en zal ook al gauw aanvullen of uitleggen waar de auteur hoogstens een hint naar gaf.

Dat 2666 overal zo uitbundig geprezen is, lijkt me ook in niet geringe mate samen te hangen met dit gegeven. Iedereen kan van alles in de roman lezen dat er domweg niet in staat.

Tegelijk was dat niet mijn probleem met het boek — waarvan mijn directe leeservaringen elders uitgebreid beschreven staan. Alles overziend vond ik er te veel clichés in staan, die voor mij nogal de waarde verminderen van wat 2666 wel tot een uniek boek maakt.

Een kern van dit boek is dat in en rond de Mexicaanse grensplaats Santa Teresa belachelijk veel jonge vrouwen worden vermoord. Maar, de autoriteiten staan machteloos. En dat al jarenlang.

Overigens heeft Bolaño hier weinig aan verzonnen. Santa Teresa lijkt op het echt bestaande Ciudad Juárez — een miljoenenconglomeratie, tezamen met het Amerikaanse El Paso aan de andere kant van de grens — en dat heeft de naam de gevaarlijkste stad buiten een oorlogsgebied te zijn. Er vallen daar nog altijd vele vrouwen te betreuren.

Het is te begrijpen dat een schrijver hier iets mee wil doen. Want, wie heeft er buiten Mexico weet van deze toestand? Er is daarom goed te billijken dat grote delen van het boek zich in Santa Teresa afspelen; omdat de lezer daarmee al een dreiging voelt bij de personages als deze geheel normale handelingen verrichten.

Tegelijk spelen zich overal in dit boek gewelddadige scènes af. Ook ver buiten Mexico.

Laten we maar aannemen dat Bolaño daar eveneens iets mee wilde zeggen.

In 2666 worden tientallen personages sprekend opgevoerd; maar geen draagt het hele boek. Tot de belangrijkste figuren hoort een Duitse schrijver, met het onmogelijke pseudoniem Benno von Archimboldi.

Het eerste van de vijf boekdelen van 2666 gaat over vier literatuurwetenschappers die zijn boeken bovenmatig bewonderen. Alleen is Archimboldi een zeer geheimzinnig auteur. Publieke optredens of interviews doet hij niet. Als de wetenschappers het gerucht horen dat hij in Mexico zou zitten, reizen zij alleen daarom al spoorslags af naar Santa Teresa. Om vervolgens geheel uit het boek te verdwijnen.

Archimboldi komt als personage pas in het vijfde boekdeel voor — terwijl zijn naam in het tweede, derde, of vierde boekdeel geheel onbreekt. Maar bij zijn verschijning krijgt de lezer ook vrijwel de hele eerste dertig jaar van zijn levensloop. En, omdat hij in 1920 in Duitsland geboren werd, speelt de Tweede Wereldoorlog daarbij een enorme rol.

Belandde Arcimboldi, toen hij gewoon Hans Reiter heette, ook nog in Rusland. Wat Bolaño dan weer uitgebreid de mogelijkheid gaf een intense biografie te schrijven van een Joodse Russische auteur en zijn leven onder Stalin. Arcimboldi mocht even in diens huis wonen, en zou daar zelfs tot schrijver worden, met hulp van de aantekeningen van de verdwenen auteur.

Maar goed, gevechtshandelingen van een Wehrmachtsoldaat, en wat manoeuvres en sexuele avonturen in Oost-Europa. Of, daarnaast, het leven van een schrijver onder Stalin. Ellende in Rusland. Niemand hoeft nu net Bolaño te lezen om die onderwerpen behandeld te zien worden. Bovendien schreven de auteurs die uit de regio kwamen, of er wel zelf iets hadden meegemaakt, daar beter over; want, met tekenender details. Een aanzienlijk stuk van het vijfde deel vind ik daarom vrij goedkope Kitsch — clichématige verhalen die gekozen lijken voor hun effect. Van elders geleende wanhoop. Goedkoop effectbejag.

Als een schrijver de ellende van anderen gaat exploiteren, om daar leuk een eigen verhaaltje uit te destilleren, levert dat voor mij bijna nooit iets prijzenswaardigs op.

Tegelijk mag een schrijver natuurlijk alles, als er maar een evenwicht in zijn boek zit.

En ik denk dat mijn voornaamste probleem met 2666 is dat er betrekkelijk weinig tegenover het soms zo merkwaardige verhaal staat dat de boel in balans houdt. Ja, Bolaño kon absoluut schrijven. Maar goed schrijven, is niet hetzelfde als iets te zeggen hebben.

Het vierde boekdeel van 2666 heet in mijn uitgave ‘The Part About the Crimes’. En dit gaat vrijwel alleen over moorden. Op klinische toon wordt van enige tientallen vrouwen beschreven hoe ze aan hun einde kwamen, in de jaren 1993 – 1997.

Wat de moorden vaak gemeen hebben, is dat het slachtoffer ook misbruikt werd.

Wat de vrouwen bindt, als het geen tieners meer zijn, is dat het meestal om naamlozen gaat. Prostituees waren het, of vrouwen die werkten in de vele sweatshops van Santa Teresa.

Al dit is enerzijds afstandelijk beschreven, maar tegelijk met oog voor detail. En ja, het zal best dat niemand ooit zoiets gedaan heeft in een boek. Tweehonderdtachtig pagina’s vol moorden, zonder dat daarvan ook maar éen dode iets verduidelijkt over de rest van het boek. Tjonge.

Maar mij is heus wel duidelijk dat de wereld een verschrikkelijk oord kan zijn. Of dat de werkelijkheid moeilijk kenbaar is. Ik lees nu juist om te zien hoe een schrijver daar dan toch enige orde in probeert aan te brengen.

En ik denk dat daar iets meer voor nodig is dan om de details van tientallen moorden in een boek te kopiëren, of desnoods om deze zelf te gaan verzinnen.

Mij interesseert niet of een schrijver clichés inzet, de Kitsch niet schuwt, of het platte sentiment exploiteert, als dat maar middel is om een goed boek te schrijven. 2666 was me in deze vorm veel te vrijblijvend. Ik las een roman die te veel elementen bevat waarvan iedereen vermoeden kan dat die opgevoerd worden om indruk te maken op het domme publiek.

Alleen vind ik het al een zwaktebod als een schrijver een dode nodig heeft om met het gevoelens van zijn lezers te spelen. Laat staan een heel mortuarium. Dan wordt zo naar zichtbaar dat het de bedoeling is dat ik iets ga voelen.

Roberto Bolaño, 2666
898 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, 2008
vertaling door Natasha Wimmer uit het Spaans
oorspronkelijk 2004

Dagboek van een dichter ~ Leonard Nolens

De relatie tussen lezer en schrijver is doorgaans vluchtig. Het kan heel goed dat die slechts een boek aanhoudt. En soms zelfs niet eens die tijdsduur haalt.

En hoewel bijna alles in de relatie tussen lezer en schrijver van éen kant komt, kan een tekst toch heel wat oproepen. Is het niet om de inhoud alleen, dan wel om wat de inhoud zoal vertelt over de maker.

Ik heb te veel boeken in mijn leven gelezen om ze niet te doorzien inmiddels, die schrijvers. Want ik neem hun pogingen tot imponeergedrag waar. Herken hun trucjes. En ik moet daardoor ook toegeven boeken weleens te beoordelen op de persoonlijkheid van de maker; of althans, mijn interpretatie daarvan — wat dan zelfs nog los kan staan van de inhoud.

Pochers en bluffers mag ik namelijk niet.

Een matig boek van een aardig iemand kon me daardoor best eens beter bevallen dan een alom bewonderd meesterwerk van een pretentieuze lul.

En in de weken dat ik met het Dagboek van een dichter van Leonard Nolens bezig was, heb ik met regelmaat moeten nadenken over dit verschijnsel.

Nolens legt namelijk nadruk in dit dagboek op een aantal gedragingen die me bij anderen, zoals een Jeroen Brouwers, hogelijk kunnen irriteren.

Man keert zich bewust af van de wereld om kunst te maken.

Man isoleert zich bewust van ieder ander, door geen normaal geregeld werk te nemen, met het bijbehorende normale inkomen, en geen pogingen tot netwerken te doen, en geen zitting te nemen in jury’s of andere commissies,

De man klaagt vervolgens op papier geen vrienden te hebben, en in alles alleen te staan.

Hoe vaak las ik dit niet eerder bij anderen. Komt daar in het geval van Leonard Nolens bij dat hij poëzie schrijft. In een tijd waarin gedichten iets geworden zijn voor een schaarse liefhebber — die dan liever nog een dichtersavond bezoekt dan een bundel te kopen.

Geeft hij bovendien aan jonge dichters als advies niet te denken dat het mogelijk zou zijn om meer dan tien à twaalf goede gedichten te schrijven per jaar. Zelfs als deze niets anders doet dan dichten.

De kunstenaar als lijdend voorwerp komt nogal hinderlijk aan bod in deze dagboeken derhalve. Het schrijverschap als slachtofferschap. Clichés zijn het inmiddels geworden. Poses kunnen het o zo makkelijk zijn.

Maar geen artiest of schrijver is interessant om wat hij of zij lijden moet. Van Gogh schilderde niet met zijn afgesneden oor. Of het resultaat van al die opoffering nog ergens op lijkt; dat is voor mij het enige dat telt. Nolens kende ik wel als dichter, en nu dus ook als dagboekauteur. En in beide stielen acht ik hem inmiddels hoog.

Nolens’ Dagboek van een dichter is een verzamelbundel, met aantekeningen uit een kleine dertig jaar leven. In deze periode verschenen al vier deelverzamelingen los. Daarom heb ik ook apart boeklogjes gewijd aan Stukken van mensen, Blijvend vertrek, De vrek van Missenburg, en Een lastig portret.

Daarover zij opgemerkt dat me de eerste twee delen beter bevielen dan de daarop volgende. Dat kan heel goed zijn omdat hij in die periode van schrijven nog niet van plan was om zijn aantekeningen te publiceren. Later wist hij dat anderen mee zouden lezen. De dagboeken worden ook klageriger dan. Waarmee ik overigens geen oorzakelijk verband suggereer.

Wellicht ook raakte ik aan Nolens’ toon gewend, waarmee deze ineens minder bijzonder leek.

Een vijfde deel had de titel Verborgen agenda zullen krijgen. Alleen verscheen dit nooit — behalve dan nu, in de verzamelband. Nolens heeft ook dat aangeboden aan zijn uitgever; maar waarom die er vervolgens mee wachtte wordt niet duidelijk uit de tekst. Wat mij dan weer aanzet tot speculatie. De drankzucht in die jaren, en het geklaag daarvan het gevolg, zijn in elk geval geen reclame voor de dichter als mens.

Waarschijnlijk hangt mijn grote waardering voor deze uitgave dus op enkele heel kleine dingen.

Leon Nolens merkte bijvoorbeeld dat zijn dagboekaantekeningen in 1979 ineens ergens op gingen lijken. Was hij al tweeëndertig, had hij al zijn hele leven zulke notities gemaakt, kregen deze ineens een opvallende kwaliteit.

Speculatie van mijn kant is dan weer dat hier misschien de invloed van Canetti speelde. Diens aantekenboek Die Provinz des Menschen was in 1976 in vertaling uitgebracht. En daarmee lag er een voorbeeld van hoe nuttig het was als iemand aantekeningen bijhield in de pauzes als hij niet met zijn hoofdwerk bezig was — bij Canetti was dat die Masse und Macht.

Nolens roemt Canetti ook een paar keer, door de jaren heen. Daar waar verder bijvoorbeeld hoogstens opviel dat hij Komrij’s polemiek zo vervelend vond; en diens gedichten Sinterklaasrijmelarij. [Komrij dan weer wijdde ooit een pesterige column aan de vervelende manier waarop Nolens zijn gedichten zou voordragen.]

Nee, de eerste tien jaar dagboek vooral maakten dat het heel logisch leek dat iemand zich wel verschansen moet, om zijn overgevoeligheid nuttig te kunnen gebruiken. Omdat het offers vergt om iets van kwaliteit te kunnen schrijven.

Konden de achttien jaar die daarop volgden dat beeld niet meer wegnemen — het enige voordeel waarschijnlijk van zo’n dikke verzamelband, waarin een half mensenleven even op looppas doorgenomen wordt.

Desondanks tekende ik uit de laatste tien jaar van Nolens’ aantekeningen onder meer aan:

Misschien is dat het enige spectaculaire wat een dichter in deze tijd nog kan doen: een taal van de intimiteit uitvinden, een verstild spreken tegen de bombast van de reclame in, tegen het pathos van de politieke slogans, tegen de dorheid van de economische analyses, tegen de sensationele waan van het werkelijkheidsonderricht dat kranten en andere media ons denken geven. […][698]

scheiding

Het vierde deel van dit dagboek, dat je dit najaar had willen publiceren, waarom komt dat er niet? Omdat je het niet durft te lezen. Hoe verklaar je dat het dagboek, toch bij uitstek het genre dat iemand vooral voor zichzelf schrijft, de schrijver ervan zo’n angst inboezemt? Omdat hij tijdens het lezen zijn leven moet overdoen? Zoals een hond terugkeert naar zijn braaksel? [705]

scheiding

Opnieuw: het materiaal van de schrijver is zijn gereedschap. […][749]

scheiding

Kunst maken is de meest elitaire bezigheid: men verlaat het huis en de geliefden, de massa en de straat om zijn intiemste droom te verwezenlijken. Het kunstwerk zelf is als het goed gaat de superieurste vorm van democratisch leven: het verzoent eigenmachtig en vrijelijk zijn mening en wensen met die van anderen, als is hun weerstand aanvankelijk nog zo groot.

De kunstenaar is een groot egoïst, het kunstwerk een groot democraat. [820]

scheiding

Je leest vooral wat de tand des tijds heeft doorstaan. Tijdgenoten lezen is vaak tijdverlies. Met die gedachte sta je niet alleen. Vergeet dus niet dat heel wat tijdgenoten hetzelfde denken van jou! [977]

scheiding

Zelfhaat is het beste bewijs dat er zoiets bestaat als een zelf. [1017]

Dit is het laatste boeklogje uit een reeks van vijf, die hier begint.

Leonard Nolens, Dagboek van een dichter
1979–2007
1060 pagina’s
Em. Querido’s uitgeverij, 2009

Kunst is mijn slagveld ~ Nanne Tepper

Geen grovere belediging van een dode schrijver dan om veel later te gaan zeggen dat je zijn werk nu zo goed begrijpt. Nanne Tepper poneerde deze stelling toen ‘Basje Heintje’ [Bas Heijne] zich in zijn ogen te glibberig schuldig maakte aan retro-aanbidding voor Frans Kellendonk. En dit is slechts éen uit een grote reeks stellige oordelen die Tepper [1962 – 2012] vastlegde in zijn brieven.

Alleen stierf Nanne Tepper inmiddels zelf ook. Door eigen hand.

Kwam er bovendien een vuistdik boek uit met deze brieven, die bovenal gaan over zijn tijd in de letteren. Omdat samensteller Nick ter Wal daarin de nadruk heeft gelegd op de periode voor de publicatie van Tepper’s eerste roman — De eeuwige jachtvelden — en de goede ontvangst hiervan. Waardoor nogal eens passeert wat de schrijver wilde met dat boek.  [1].

Dus begrijp ik die debuutroman nu inderdaad beter. Vooral de vaagheden, zoals de gaten in de chronologie.

Vond Tepper alleen wel het derde gedeelte van De eeuwige jachtvelden het meest geslaagd aan het hele boek. Dit bestaat uit brieven die de personages elkaar sturen. Maar mij irriteerde bij herlezing dat mozaïek aan stemmen nu net. Omdat dit te zeer als een stijlbreuk kwam.

Verder was ik het overigens opvallend vaak met Nanne Tepper eens. Zo vaak kwamen onze oordelen over Nederlanders schrijvers overeen zelfs dat De kunst is mijn slagveld alleen daarom al heerlijk om te lezen was — want Tepper’s opinies waren altijd spottend verwoord. Van al die krabbelaars, op Arnon Grunberg na, werd op zijn minst de naam vervormd.

Alleen heb ik ook moeite met deze verzameling brieven. Ter Wal pikt de correspondentie op in 1993, als Nanne Tepper dertig is. Toch leek hij me toen jonger dan hij was. Zijn toon, en dan vooral de stelligheid daarin, herkende ik absoluut. Alleen dacht ik zo toen ik nog twintig moest worden, bij wijze van spreken. Tien jaar later was er absoluut al meer realiteitszin gekomen.

Tepper wist op zijn vijftiende, zestiende al dat hij schrijver moest worden, vertrok op zijn achttiende vanuit de veenkoloniën naar Stad, en mislukte daar op de lerarenopleiding Nederlands en Huishoudkunde. Volgde een decennium van drank en drugs, waarin hij dat schrijven wel probeerde, en daarin dan toch niet doorzette.

Zo bezien begint de brievenbundel op het juiste moment in het leven van de schrijver Nanne Tepper.

In de portretten die vlak na zijn dood verschenen, werd geopperd dat hij op dat moment voor het eerst goede medicatie kreeg. Ik weet dat niet, en wil daar ook niet over speculeren. Feit is wel dat er angsten speelden, en dat Tepper een psychiater bezocht — daar schreef hij ook over in zijn brieven. Tegelijk liep hij gewoon bij de sociale dienst en was hij dus niet afgekeurd; wat had gekund als zijn geestesziekten als zwaar genoeg waren bevonden.

Uit de laatste pagina’s van het boek blijkt dat ADHD bij hem is gediagnosticeerd.

En normaal zou ik niet zo diep op de biografie van een auteur ingaan, als die niet ook zo zwaar had meegewogen bij het lezen van dit boek. Want ja, ik kan een heel eind meegaan met alle juichende kritieken elders dat Tepper lange prachtbrieven schreef. Hij deed er ook behoorlijk moeite voor; waarbij de correspondenties van Flaubert of Reve lichtende voorbeelden waren.

Dat hij twintig brieven verstuurde per maand en hoogstens vijf terug kreeg, verminderde zijn schrijfdrang niet.

Alleen is er verder zo weinig anders in dat leven dan dit schrijven, of de literatuur, en daarmee zo lang de verwachtingen over de publicatie van een eerste eigen boek. De stad kwam hij bijvoorbeeld nauwelijks uit. [2]

Was het nog redelijk toevallig ook dat Atte Jongstra uiteindelijk een manuscript van De eeuwige jachtvelden oppikte, en hem zo geholpen heeft om dat boek gepubliceerd te krijgen. Vanaf toen pas kon Tepper ineens overal terecht met zijn teksten; en werd hij onder meer recensent bij NRC-Handelsblad over Amerikaanse literatuur.

Daarom heb ik onder meer nu nog moeite gedaan om online te kijken wat Nanne Tepper indertijd schreef over Infinite Jest. [Ook omdat ik mijn eigen ideeën heb over dit boek].

Ik ben blij dat De kunst is mijn slagveld niet leest als éen lange zelfmoordbrief — wat zo vaak onontkomelijk is als een auteur zichzelf tekort heeft gedaan. Dat Ter Wal de correspondentie laat ophouden in 2001.

En toch zit er door de hoogdravendheid van Tepper, en de absoluutheid in zijn voor- en afkeuren, wel heel veel in dit boek wat preludeert op de onvermijdelijkheid dat teleurstelling over het leven niet kón uitblijven. Dit maakte mij tijdens het lezen al triest.

Nanne Tepper, De kunst is mijn slagveld
Brieven 1993 – 2001
samengesteld en ingeleid door Nick ter Wal

752 pagina’s
Atlas Contact, 2016
  1. Over de totstandkoming van de andere twee boeken aanzienlijk minder. Al was aardig om te lezen dat Vaders van de gedachte eerst Om de dooie dood niet heette. En dat Tepper daarvan verwachtte dat het alle goodwill over zijn debuut in éen keer zou vernietigen. []
  2. Nu goed ja, de muziek. Ongetwijfeld is er ook een boek samen te stellen over Tepper en de muziek. Dan nog geldt daarvoor dat hij zelden Stad verliet om bijvoorbeeld ergens een concert te zien. []

Diary ~ Witold Gombrowizc

Dit boeklogje had in november 2012 horen te verschijnen, bijna vier jaar terug. Normaal ben ik vlotter. Er rees toen alleen een onoverkomelijk probleem bij het oordelen over Gombrowicz’ verzamelde dagboeken.

Want dat de vertaalde uitgave in éen band verscheen, is wat misleidend. Oorspronkelijk kwamen de dagboeken verspreid door de jaren in drie delen uit. En bij het lezen verschilde mijn oordeel over deze delen totaal.

In de periode 1953-1956, de jaren van het eerste deel, is Gombrowicz [1904 — 1969] nog een relatieve nobody. Een onbekende Poolse schrijver die in Argentinië woont; waar hij beland was op de laatste boot die toevallig net Polen verliet vlak voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Alle literaire successen die hij tot op dat moment beleefd had, waren vergeten; want zijn achtergebleven in zijn vroegere vaderland.

Die marginale positie gaf hem als auteur tegelijk ook een enorme vrijheid om te doen, en vooral om te oordelen. Dat boekdeel leest als een plaatsbepaling van hem in de literatuur. Daar kon ik zeer van genieten.

Tijdens de jaren 1961-1969, die in het derde deel van de dagboeken beschreven worden, zou hij internationaal doorbreken. Ineens is er daardoor wel geld. En Gombrowicz verruilde Argentinië voor Frankrijk.

En dat derde deel van de dagboeken zei me totaal niets. Daarin ontbreekt het eerdere vuur. Probleem daarop in 2012 bij het schrijven van een boeklogje bleek te zijn dat door mijn onverschilligheid over dat laatste deel de blijdschap over de eerste 280 pagina’s van deze uitgave amper meer terug te halen was. Dus deden mijn woorden toen geen recht aan de waarde die dit boek voor mij had.

Een schrijver beoordeel je aan het beste dat hij of zij te geven heeft.

Dus duurde het tot nu, vier jaar later, voor ik meende eindelijk in staat te zijn om onbevangen dat eerste dagboekdeel te kunnen herlezen. Inclusief de essays erna tegen de dichters, en tegen de heilige Poolse Nobelprijswinnaar Henryk Sienkiewicz.

Trad daarbij opvallend genoeg een nieuw bij-effect op. Gombrowicz was 49 jaar oud toen hij zijn dagboekfragmenten ging publiceren in het ballingenblad Kultura. En ineens zegt die leeftijd mij meer dan vier jaar terug. Want wie bijna vijftig is, oordeelt niet voor het eerst. Die heeft al eens conclusies moeten trekken; en die waarschijnlijk zelfs al eens moeten relativeren daarbij.

Mits er geen inmiddels gevestigde belangen te verdedigen zijn, natuurlijk. Als er dan nog vrijheid van denken mogelijk ís. Maar, zoals gezegd, die was er.

Dus genoot ik ditmaal nog meer van het essay tegen de dichters dan in 2012, ondanks dat me al half bekend was wat er komen zou.

Gombrowicz hield van poëzie, zo meldde hij daarbij. Alleen dan wel gemixt met andere, meer prozaïsche elementen, zoals in de drama’s van Shakespeare, of in het proza van Pascal en Dostojevski.

Why then does this pharmaceutical extract called ‘pure poetry’ bore me and weary me, especially when it appears in rhymed form? Why can’t I stand this monotonous, endlessly lofty singing? Why does rhythm and rhyme put me to sleep, why does the language of poets seems to me to be the least interesting language conceivable, why is this Beauty so unattractive to me and why is it that I don’t know anything worse as style, anything more ridiculous than the manner in which poets speak about themselves and their poetry?

[264]

En dan ging het mij niet zo zeer om de redenen waarom Gombrowicz een hekel had aan dichters. Ik las zijn woorden nu als een analyse van hoe een kunst zichzelf in een corset kan gorden, om daarbij dan zo te verstijven, dat er amper nog beweging mee mogelijk is.

En zulke gedachten zijn over meer kunstvormen te denken dan over de poëzie alleen. Geprezen zij de schrijver die het dan lukt om de lezer even over te halen dat ook te doen.

Tenminste, ik vind dat besef dan nuttig — zelfs al ben ik dan hier in dit publieke leesdagboek nog nooit verder gekomen dan wat vraagtekens over de merkwaardig heilige status van de roman.

Het eerste jaar uit Gombrowicz’ dagboeken heeft overigens ooit nog het motto geleverd waaronder mijn boeklog die eerste tien jaar opereerde:

Dus, oordeel niet. Beschrijf slechts uw reacties. Schrijf nooit over de auteur noch over zijn werk, slechts over uzelf in uw confrontatie met het werk of de acteur. Over uzelf heeft u het recht te spreken.

Punt is daarbij wel dat dit citaat hier niet stopt, en vervolgt:

Maar, over uzelf schrijvend, schrijf dan zo dat uw persoon aan gewicht, betekenis en leven wint, dat zij tot uw beslissend argument wordt. Schrijf dus niet als een pseudo-wetenschapper, maar als een kunstenaar. Kritiek moet even strak gespannen en vibrerend zijn als het werk dat zij aanraakt — anders laat zij slechts het gas ontsnappen uit een ballon, wordt zij tot een slachting met een stomp mes, tot ontbinding, anatomie, graf.

En die woorden heb ik bij het motto gemakshalve indertijd maar weggelaten. Omdat me wel duidelijk was dat mijn boeklogjes te snel geschreven worden om meer te zijn dan aantekeningen in een nog net publiek medium ergens in een doodlopend steegje op ’t internet. Gekrabbel op een blinde muur.

Punt is ook dat als je naar andermans voorschriften gaat leven, zoals die van Gombrowicz, depressie op de loer ligt, en andere problemen die het simpele doen dan belemmeren.

Alles heeft een ideale vorm. Mag alleen die vorm tegelijk ook weer niet te heilig worden. Het beste boeklogje over Gombrowicz Diary was waarschijnlijk gewoon al de hele reeks aantekeningen, wekelijks op mijn andere weblog gemaakt in de herfst van 2012. Daar is slechts nu deze lang uitgevallen voetnoot aan toegevoegd, om tenminste éen openstaande verplichting eindelijk eens af te ronden; hoe knullig ook.

Witold Gombrowicz, Diary
translated by Lillian Vallee
783 pagina’s
Yale University Press, 2012