Deskundologie ~ Matthijs van Boxsel

Van Boxsel’s idee om een Encyclopedie van de domheid op te willen stellen, is prachtig. Maar het is de intentie die ik daarmee prijs en niet het resultaat. De drie tot nu toe verschenen delen zijn mij te duur voor wat ze bieden. En wat hij daarin schreef, wisselt te zeer in kwaliteit.

Goed, ik stel natuurlijk bij het lezen altijd mijn visie op de domheid tegenover de zijne. Ik heb me ooit grondig in de wetenschapsgeschiedenis verdiept, en zie dat toch vooral als een studie van onnozelheid en achterlijke beknottingsdrift. Niet dat er vindingen worden gedaan, is het nieuws. Dat er altijd zo veel krachten zijn om verbeteringen tegen te houden, tekent de domme menselijke natuur.

Ik zou dus zeggen: er ligt al enig materiaal klaar om gebruikt te worden in de encyclopedie. De stelling dat er zo weinig over domheid gepubliceerd werd, gaat volgens mij gewoon niet op.

Dat Van Boxsel al dit negeert, is zijn goed recht. En zeker spannend. Maar het maakt wel dat ik wat hij schreef, ga afzetten tegen wat hij had kunnen schrijven. Die vergelijking pakt in zijn nadeel uit. Mij stoort dan de pretentie.

Dit deel over de Deskundologie gaat ook meer over de ‘domheid als levenskunst’ dan over de gevaren van specialisering; om maar een andere uitleg bij de titel te bedenken. Van Boxsel besteedt nogal ruim aandacht aan de levensinstelling van wat provo’s in de jaren zestig. En aan mij was dat allemaal niet zo besteed.

Daar tegenover biedt een ander deel in het boek het beste wat ik Van Boxsel heb zien brengen, tot nu toe. Daarin bestrijdt hij effectief de idée fixe dat Nederlanders zo veel bereikt hebben in hun strijd tegen het water. Want, wij zijn zelf schuld dat dit eeuwige gevecht nodig is, zo stelt de auteur. Hadden onze voorvaderen het land maar niet zo dom moeten bebouwen dat het inklonk, en lager dan de zee kwam te liggen.

De aandacht voor de ‘Darwin-awards’ en de ‘Ig-nobelprize’ in dit boek is natuurlijk terecht, maar weer niet van het unieke niveau dat ik verwacht.

En zo blijft mijn oordeel eeuwig half-half. Een encyclopedie brengt deze auteur niet, en het zal ongewijfeld dom van mij zijn dat nog te willen geloven. Maar knap dat hij al sinds 1995 van het exploiteren van domheid kan leven.

Matthijs van Boxsel, Deskundologie
Domheid als Levenskunst
[De Encyclopedie van de domheid]

280 pagina’s
Uitgeverij Querido © 2006

Why Things Bite Back ~ Edward Tenner

Dit is opnieuw een boek dat ik vooral van reputatie kende, en altijd nog eens zelf wilde lezen. En dan moet meteen gezegd dat die faam wel terecht is. Maar ook viel Why Things Bite Back mij wat tegen. Wat een vreemde hebberigheid is dat toch van mij, om altijd meer te verlangen van goede schrijvers dan ze geven.

De naam Encyclopedie van de domheid is al geclaimd door Matthijs van Boxsel, anders was het ook de perfecte titel titel voor dit boek van Tenner geweest. Beide mannen behandelen namelijk hetzelfde mechanisme; ze schrijven erover hoezeer het menselijk handelen altijd onbedoelde consequenties hebben kan.

Maar opvallend genoeg zijn mijn bezwaren tegen Tenner hetzelfde als tegen Van Boxsel. De onderwerpen die in hun boeken aan de orde komen, lijken nogal willekeurig uitgekozen uit nogal wat mogelijkheden meer. Illustraties zijn het slechts, van menselijk falen door de eeuwen heen. De boeken bieden nooit een panoramabeeld, omdat mij niet genoeg verklaard wordt over de mechanismen achter al die goede bedoelingen.

Tenner munt in dit boek het begrip ‘wraakeffect’, wat een heel bruikbaar woord is om alle ‘onbedoelde gevolgen’ nog eens een extra negatieve lading mee te geven. Maar, zijn oordelen blijven inzichten met wijsheid achteraf. Waarom is het bijvoorbeeld steeds weer mogelijk om dieren of planten van overzee invoeren in een milieu dat daardoor overweldigd wordt?

Veel aandacht gaat er ook naar de computer, en hoezeer wij ons aan het gebruik van computertechnologie hebben aangepast, in plaats van andersom. Het wraakeffect van de informatierevolutie is dat wij steeds verder verweken; omdat we de hele dag op een stoel zitten, op die verplichte pauze na misschien om onze RSI-polsen rust te gunnen.

Ach ja.

Tegelijkertijd is te merken hoezeer een boek uit 1996 al verouderd kan zijn, omdat we tegenwoordig meer en andere technologie gebruiken als toen. En ook had ik gehoopt dat Tenner zijn onderwerp wat minder oppervlakkig zou behandelen, door bijvoorbeeld meer te doen met de ontwikkelingen in de organisatie van arbeid. Nu verabsoluteert hij de nadelen van een momentopname in de geschiedenis van het kantoor nogal.

Toch, ook al is mijn eindconclusie dat er over bijna alles in dit boek meer te zeggen valt, het werkte wel heel inspirerend daardoor.

Edward Tenner, Why Things Bite Back
Technology and the Revenge of Unintended Consequences

431 pagina’s
Vintage Books © 1997, oorspronkelijk 1996


Iedereen heeft gelijk ~ Peter Bügel

Eigenaardig, dat Bügel’s bundels inmiddels alleen nog antiquarisch te krijgen zijn. Dat hij niet in druk is gebleven. Aan het prijspeil te oordelen lijkt er zelfs geen enkele vraag naar zijn werk te zijn.

De columns in Iedereen heeft gelijk bieden niet alleen een beknopte cursus aan in helder denken, zo zijn ook onderkoeld humoristisch, en in veel ervan staat een perfecte oneliner. Beter kan ik mijn lectuur nauwelijks wensen.

Domheid komt in alle lagen van de bevolking voor, maar is het ergst bij intellectuelen en machthebbers. Volgens Cipolla moet domheid zelfs als een beroepsziekte van intellectuelen worden gezien, zoals stoflongen bij mijnwerkers. [9]

scheiding

Door de evolutie zijn goede mannen en nette vrouwen uitgestorven [54]

scheiding

[…] het resultaat van de huidige gezondheidszorg is dat er steeds meer zieke mensen bijkomen. Vroeger was iedereen gezond of dood, tegenwoordig heeft een groot gedeelte van de bevolking medische zorg nodig. De grootste boosdoener is preventie. [81]

scheiding

Ook in de sport is de wetenschap alleen welkom wanneer zij geen twijfel zaait over de heersende moraal [95]

scheiding

Een winstgevend geneesmiddel moet aan één belangrijke voorwaarde voldoen: het mag niet genezen. [96]

scheiding

De grootste kans om vermoord te worden in deze westerse wereld loop je niet door inbrekers of dronken automobilisten, maar door de dokters die verworden zijn tot de dealers van de farmaceuten. [138]

Juist op dit moment, nu de kolder over wat gezond leven is weliger tiert dan ooit, wordt Bügel’s sarcasme node gemist. Had hij van mij ook alle gelul over ‘groen leven’ belachelijk mogen maken. In éen moeite door.

De basis achter wat in zijn columns staat, is natuurlijk al veel eerder verwoord door Ivan Illich, of in Nederland door Hans Achterhuis. Overaanbod aan zorg, creëert vraag naar zorg. Dit proces wordt versterkt door alvast elk maar tot patiënt te maken. Iedereen daarbij angst aanjagen helpt flink mee — zelfs als is die vrees op niets, of hoogstens zeer dubieuze claims gebaseerd.

Mensen die twijfelen of ze wel gezond leven, zijn per definitie al niet meer gezond. En er komen nogal wat zorgwekkende boodschappen op iedereen af. Weet u het gehalte aan uw LDL-cholesterol? HDL-cholesterol? Kunt u éen reden geven waarom deze kennis belangrijk zou zijn?

Belangrijkste column uit deze bundel is ‘Atlas’, waarin uitgelegd wordt waarom sommige statistieken over gezondheidsrisico’s niet deugen. Dit komt bijvoorbeeld omdat er per land verschillen zijn, in hoe artsen de overlijdenscertificaten tekenen. Bij ‘doodsoorzaak’ zullen zij bovendien vaak maar wat invullen. Mensen sterven namelijk nooit aan ouderdom op de certificaten, daar moet een reden voor worden aangegeven. En die reden hangt meer af van de traditie dan iets anders.

De fabel dat de mensen rond de Middellandse Zee zo veel gezonder leven? Ze worden gemiddeld niet ouder als Nederlanders.

En dus komt veel van de kennis over wat gezond zou zijn voort uit het selectief omgaan met gegevens, zo niet een totaal onbenul van statistiek. Ook die conclusie is niet nieuw, hier op boeklog. Maar Peter Bügel komt met Hans van Maanen de eer toe mij eeuwig wantrouwig te hebben gemaakt tegenover vrijwel welke gezondheidsclaim ook.

Te veel bedrijfstakken hebben er inmiddels belang bij om mij kwalen aan te praten. Om van politici nog maar te zwijgen. Lijkt het net of ze iets doen. Want hebben ze niet het beste met u voor?

Peter Bügel, Iedereen heeft gelijk
144 pagina’s
Uitgeverij Contact, 1998

Morosofie ~ Matthijs van Boxsel

Van de drie delen Encyclopedie van de domheid draagt deze aflevering de titel encyclopedie het meest terecht. Van Boxsel biedt namelijk in de laatste helft een ruim overzicht van de vele Belgen en Nederlanders die er een interessant waanidee op nahielden, en daarover hebben gepubliceerd.

Deze opsomming varieert van de gebruikelijke complotdenkers en perpetuum mobile-makers, die elke journalist weleens aan de telefoon heeft gehad, tot serieuze wetenschappers die waarschijnlijk oprecht meenden ook inhoudelijk te kunnen bijdragen aan ontwikkelingen buiten hun vak.

Nog ruimer aanwezig zijn de mooipraters, die klassieke Griekse teksten per se in Nederland wilden plaatsen, of de tallozen die bijvoorbeeld Friesland meer wilden laten zijn dan een plattelandsvlakte met koeien, en er daarom een heroïsch verleden voor bedachten.

Van Boxsel is vooral aanwezig in de ruime inleiding, en doordat hij voor dit boek de term morosofie heeft gemund; een nieuw gebied van de kennisleer waar alle miskende theorieën horen:

Morosofen worden aangetrokken door het mysterieuze; ze opereren bij voorkeur op terreinen waar gegevens schaars zijn en hun verbeelding vrij spel heeft. Ze willen zaken ordenen die zich juist kenmerken door hun onherleidbaarheid. Favoriet zijn de vraagstukken die het falen van de rede aan het licht brengen. Overal waar de logos het laat afweten grijpt de mythos in. Iedere wetenschap kent een hoekje waar morosofen opduiken. [40]

Het boeiendst vond ik Van Boxsel’s ondersteunende teksten onderaan de pagina over de psychologie achter gangbare denkfouten. Al was het maar omdat hij daarin zo veel meer zegt over hoe wij allemaal denken, en wat daarin verkeerd kan gaan, dan honderd lemma’s over kleurrijke morosofen doen.

Matthijs van Boxsel, Morosofie
Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en België
De encyclopedie van de domheid

258 pagina’s
E. Querido’s uitgeverij, 2002

Ueber die Dummheit ~ Robert Musil

Belangrijkste reden om deze toespraak nog eens te bekijken, is Matthijs van Boxsel. Vaak als diens Encyclopedie van de domheid ter sprake komt, volgt er die verwijzing naar deze tekst van Robert Musil. Daarmee begon diens belangstelling indertijd voor een onderwerp dat tot levenstaak lijkt te zijn uitgegroeid.

Van Boxsel verkondigt inmiddels het standpunt dat er zonder domheid geen nieuwe inzichten mogelijk zijn. Wat we menen zeker te weten, staat heel makkelijk de toegang tot nieuwe kennis in de weg. Relativering blijft nodig. Omdat geldt:

Geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen.

En het was dom van mij, om deze gedachtenexercitie van Musil via Van Boxsel te benaderen. Wat Musil aan ideeën zaaide over het onderwerp, is inmiddels door zijn navolger gepreciseerd, verbeterd, en uitgebreid. Kennis over wat Van Boxsel geschreven heeft, maakte me blind voor wat uniek was aan Musil’s benadering.

Enfin. Deze lezing uit 1937 las wel prettig, dankzij de satirische ondertoon, en ondanks alle bij zo’n voordracht horende retoriek.

Waar ik wel op gespitst bleef, was of Musil’s achtergrond als ingenieur zich nog in de tekst openbaarde. Omdat ik zelf ooit bijna ingenieur was, is me bijvoorbeeld iets bekend over hoe deze mensen de vele onzekerheden hanteren die samenhangen met het bouwen en ontwerpen van zaken.

De Wet van behoud van ellende is bijvoorbeeld ooit als eerste door een ingenieur opgesteld. Elke technische oplossing creëert elders weer een nieuw probleem. En zo blijft men bezig. Wat trouwens niet altijd dom hoeft te zijn; ook ingenieurs willen werk houden.

Maar Musil introduceerde zich allereerst als dichter bij zijn publiek. En als iemand die ook regelmatig fouten maakte. Hij had het verder niet alleen over domheid, hij stelde daar toch ook slimheid tegenover. Hoewel de vraag wat wijsheid is maar in een andere lezing beantwoord zou moeten worden.

Voornaamste conclusie van dit stuk? Dat de belangrijkste boodschap die Van Boxsel heeft — domheid blijft nodig, als antigif tegen de verstarring door al te stellige zekerheden — veel minder extreem ook al bij Musil aanwezig is. Bovendien ziet deze de verstarring ook al optreden als mensen niets doen, uit angst om fouten te maken, en dus dom te doen.

Gelegentlich sind wir alle dumm; wir müssen gelegentlich auch blind oder halbblind handeln, oder die Welt stünde still; und wollte einer aus den Gefahren der Dummheit die Regel ableiten: “Enthalte dich in allem des Urteils und des Entschlusses, wovon du nicht genug verstehst!”, wir erstarrten! Aber diese Lage, von der heute recht viel Aufhebens gemacht wird, ist ähnlich einer, die uns auf dem Gebiet des Verstandes längst vertraut ist. Denn weil unser Wissen und Können unvollendet ist, müssen wir in allen Wissenschaften im Grunde voreilig urteilen, aber wir bemühen uns und haben es erlernt, diesen Fehler in bekannten Grenzen zu halten und bei Gelegenheit zu verbessern, wodurch doch wieder Richtigkeit in unser Tun kommt. Nichts spricht eigentlich dagegen, dieses exakte und stolzdemütige Urteilen und Tun auch auf andere Gebiete zu übertragen; und ich glaube, der Vorsatz: Handle, so gut du kannst und so schlecht du mußt, und bleibe dir dabei der Fehlergrenzen deines Handelns bewußt! wäre schon der halbe Weg zu einer aussichtsvollen Lebensgestaltung. [61-62]

Of Musil’s oproep om niet te verstarren nog in die tijd van de redevoering gezien moet worden, is overigens wel een vraag die hangen blijft na lezing. Evenals het daaropvolgende idee dat Van Boxsel’s Encyclopedie weleens kan zijn voortgekomen uit een te enge interpretatie van een verholen protestrede tegen de dreigende Anschluß.

Robert Musil, Über die Dummheit
Vortrag auf Einladung des österreichischen Werkbundes
Gehalten in Wien am 11. März 1937 und
wiederholt am 17. März 1937

63 pagina’s
Alexander Verlag Berlin 2001, oorspronkelijk 1937

Irrationality ~ Stuart Sutherland

Als hier een geweldige eerste zin staat, waardeert u de tekst die volgt hoger dan als ik gewoon maar begin. Een goede eerste indruk kleurt al wat daarop volgt; zelfs als die indruk maar over éen element gaat.

Dit verschijnsel heet het halo-effect. En het werd al in jaren twintig ontdekt. Maar alleen reclamemakers schijnen zich er werkelijk van bewust te zijn, en het ook doelbewust te gebruiken. Breng eerst een mooi mens in beeld, en hup het product heeft ook meteen uitstraling.

Irrationality van Stuart Sutherland [1927 – 1998] staat vol met verhalen over het halo-effect, en alles wat nog meer ons denkvermogen beïnvloedt, of zelfs helemaal uitschakelt. Want, we horen dan wel tot de homo sapiens, maar met de kwaliteit van dat verstand valt het doorgaans nogal tegen.

Nog erger is dat zelfs een grotere kennis over onze irrationaliteit niet per se helpt. Hoewel Ben Goldacre dit een zelfhulpboek voor de denkende mens heeft genoemd, weet hij ook dat zijn gedrag er waarschijnlijk niet door zal veranderen. Een advies van Sutherland aan de lezer is onder meer om kennis op te doen over de waarschijnlijkheidsleer en statistiek. Tegelijk is op boeklog al vaker gesignaleerd dat zelfs statistici problemen hebben met de resultaten van hun leer, omdat iemands inschattingen zo vaak afwijken van het resultaat dat een harde berekening oplevert.

Intuïtie bestaat dan ook niet.

Elk van de 23 korte hoofdstukken van Irrationality wordt overigens afgesloten aanbevelingen van Sutherland. En waar dit toch al een prettig droog humoristisch boek is — hoewel er vreselijk rampen in beschreven worden — zijn zelfs die aanbevelingen nog erg goed.

Alleen het hoofdstuk over paranormale verschijnselen moet het zonder samenvatting doen. Maar dat komt mede omdat Sutherland onder meer moest constateren dat Britse universiteiten bewijzen accepteren dat telepathie bestaat, of een professoraat hebben ingesteld voor parapsychologie. En tegen zulk een geïnstitutionaliseerde domheid staat zelfs de humor machteloos.

Irrationality las als een soort oerboek — een handleiding voor strijders tegen de domheid die vele navolgingen heeft gekregen. Veel van wat Peter Bügel schreef, of Hans van Maanen, lijkt welhaast een uitwerking van onderzoek dat Sutherland al voor hen had gedaan.

Als boeklog ooit nog met een canon komt, over wat een mens gelezen hoort te hebben, om zich staande te kunnen houden in de eenentwintigste eeuw, dan is dit alvast een titel om daarvoor aan te tekenen.

Stuart Sutherland, Irrationality
258 pagina’s
Pinter & Martin 2007, oorspronkelijk 1992

Slimme onderbewuste ~ Ap Dijksterhuis

Vooraf intrigeerde me vooral wat Dijksterhuis over zijn eigen onderzoek had te melden in dit boek. Zijn naam was me onder meer een aantal malen positief opgevallen in 59 Seconds, van Richard Wiseman.

En aan beide boeken houd ik nu dan in elk geval een idee over, aan wat psychologen ‘priming’ noemen.

Dijksterhuis ontdekte, werk van anderen navolgend, dat je mensen naar believen slimmer of dommer kon maken door ze het juiste stereotype te voeren vooraf aan een test. Hadden ze zich in professoren moeten verdiepen, dan werden ze daar intelligenter van dan gemiddeld. Was ze gevraagd aan voetbalvandalen of fotomodellen te denken, dan sloeg hen dat met domheid.

En dat primen werkte ook door op gedrag. Wie schoonmaakmiddel had geroken werd netter, volgens andere onderzoekers. Wie was opgedragen over bejaarden na te denken werd langzamer en conservatiever.

Van politieke debatten worden mensen dan weer langdradiger.

En zulke effecten treden op zonder dat we ons daar bewust zijn; en tot voor kort, zonder dat we daar van wisten. Wat dan weer enkel kan omdat ons bewustzijn zo’n enorm klein deel is van wat we waarnemen.

Dijksterhuis poneert in Het slimme onderbewuste dat we bewust hoogsten 60 bits aan informatie kunnen hanteren — dat is het telefoonnummer wat een paar tellen moest worden onthouden. Tezelfdertijd verwerken onze zintuigen 200.000 keer zo veel informatie; maar dat valt pas op als er een direct nut voor is.

Dit boek bleek allereerst een introductie in dit onderwerp te zijn, waarbij in de loop ook heel wat misverstanden uit de geschiedenis werden opgeruimd.

Mij interesseerde hoofdstuk 6 het meest, waar Dijksterhuis over onbewuste creativiteit schrijft. Sommige aspecten van dat onderwerp had ik al verkend. Boeklog is zelfs een bewijs van het gegeven dat ik denk aan wat hier moet komen te staan, zonder daar aan te denken. Anders zou het me niet mogelijk zijn ’s ochtends zo snel een tekstje te maken.

Vanuit dat gegeven wordt heel interessant hoe anderen hun onderbewuste voor zich aan het werk zetten; zoals dat schilders als Picasso die niet wensten na te denken bij waar ze mee bezig waren.

Dijksterhuis formuleert dan iets dat velen, waaronder Norman Mailer, ook al hadden gemerkt:

Het onbewuste schrijft, het bewuste herschrijft. [146]

En het voordeel van Dijksterhuis’ onderzoek, en het werk van zijn collega’s is dan uiteindelijk dat er meer van dat soort nuttige vuistregels uit te destilleren zijn.

Zoals dat je betere beslissingen neemt na eerst nog even iets anders te hebben gedaan dat ook een stevige mentale inspanning vraagt…

Ap Dijksterhuis, Het slimme onderbewuste
Denken met gevoel

240 pagina’s
Bert Bakker, 2007

Adapt ~ Tim Harford

Zoals boeklogjes gaan, zijn er een paar soorten heel moeilijk te schrijven. Reageren op verzamelingen is altijd onbevredigend, of het nu om een bundel essays gaat, of om verhalen. Het lukt me nooit om hun rijkdom recht aan te doen in kort bestek.

Nog moeilijker is het bespreken van een monografie als deze. Adapt. Dat boek werd geschreven door de econoom Tim Harford; van wie ik eerder met plezier meerdere titels las.

Want, Adapt is een zeer leesbaar boek, en de meeste lezers zullen er een prachtboek aan hebben; dat hen vele intrigerende en nieuwe inzichten kan opleveren. Maar mij viel het wat tegen. En leg dan eens uit wat er niet aan deugt, zonder pedant te worden of de snob uit te hangen.

Hardop denkend: verfrissend aan de eerdere boeken van Harford was dat hij verschijnselen uit de alledaagse werkelijkheid kon duiden vanuit een economische theorie. En dat werkte dus twee kanten op. Zo’n verschijnsel werd er helderder door, door de analyse, en ik leerde meer over hoe economen denken.

In Adapt worden ogenschijnlijk amper of geen economische theorieën gebruikt om verklaringen om ontwikkelingen te verklaren. En daardoor is het of het boek een skelet mist; of het iets ontbeert dat de verzamelde anekdotes stevigheid geeft.

Verder waagde Harford zich met dit boek op een terrein dat ik redelijk bleek te kennen. Wetenschapsgeschiedenis houdt zich nu eenmaal bezig met vergelijkbare vragen. Waarom kreeg een bepaalde aanpak succes, op een gegeven moment? Of, welke factoren stonden tot dan toe structureel zo’n succes in de weg?

De studie van mislukking, of domheid, is door velen eerder vrij structureel beoefend.

En dan kende ik weliswaar weinig van de verhalen die Harford bracht in hun details. Tegelijkertijd vertelde hij nooit over principes die ik nog niet kende; ook al omdat sommige tot cliché zijn geworden.

Van boven opgelegd beleid werkt doorgaans verstikkend.

Gevestigde belangen maken dat organisaties zich op den duur niet meer kunnen vernieuwen.

Generaals bereiden zich altijd voor op het vechten van de vorige oorlog.

Echte innovatie, die alles verandert, komt nooit van gevestigde partijen. En de producten of diensten die zo’n verandering bewerkstelligen, kunnen aanvankelijk heel primitief zijn.

De interessantste pagina’s van het boek, voor mij, gaan over de financiële crisis van 2008. En hoe duidelijk werd door het Lehmann Brothers-bankroet, hoe deze bank zijn zaken zo complex had geregeld dat het jaren heeft geduurd voor duidelijk werd wat er nog aan geld was. En op zich is dat het probleem nog niet eens. Maar door het faillissement werd ook het geld van talloze andere organisaties bevroren, in de boedel van Lehmann Brothers, wat ook hen aanzienlijke schade zal hebben toegebracht.

De wereld is complex. Als we eens iets proberen, bestaat een grote kans dat dit de eerste keer onmogelijk kan lukken. En hoe ouder we worden, des te duidelijker dit mechanisme ons is, zo schrijft Harford.

Het laatste hoofdstuk van dit boek legt daarom dat we toch ruimte in ons leven kunnen maken voor het experiment; want dat heeft nut. En dat is een opvallend optimistische boodschap, in een boek dat grotendeels over falen gaat.

Tim Harford, Adapt
Why Success Always Starts With failure
309 pagina’s
Little, Brown 2011

Wilful blindness ~ Margaret Heffernan

Neem geen Röntgenfoto van een zwangere vrouw. De miniemste dosis Röntgenstraling maakt de kans dat het kind later leukemie ontwikkelt onaanvaardbaar veel groter. Dit stond al in 1956 in een wetenschappelijk artikel. Toch zou het meer dan vijfentwintig jaar duren voordat de NHS in Groot-Brittannië de simpele regel invoerde. In de tussentijd werden nog miljoenen zwangere vrouwen met straling bestookt.

Hoe kwam het dan dat de duidelijke en onderbouwde waarschuwing voor de hoge risico’s van straling bij zwangerschappen zo lang genegeerd werd?

Margaret Heffernan beschrijft in Wilful Blindness wat maakt dat wij ziende blind kunnen zijn. Daarbij biedt het boek weliswaar pop-sci. Alleen is deze van de soort die mij zeer intrigeert. Omdat hiervoor redelijk harde kennis uit de psychologie wordt gebruikt — zij het dat deze psychologie leunt nog altijd leunt op een erg beperkt tal fundamentele onderzoeken; die ik inmiddels wel ken. Zo’n uitgave moet met voldoende nieuwe voorbeelden komen, wil het boek me boeien.

En dit gebeurde.

Want ik kende het verhaal dus bijvoorbeeld niet over Alice Stewart [1906 — 2002] en haar onderzoek naar leukemie bij jonge kinderen. Anders dan bijvoorbeeld het verhaal over de arts Semmelweis, en de zegeningen van het handenwassen bij de geneeskunst. Of het gegeven dat decennialang niemand wilde geloven dat maagzweren door een bacterie worden veroorzaakt

Alice Stewart had ook veel tegen toen ze haar boodschap bracht. Artsen vonden het maken van Röntgenfoto’s een veel te handig middel bij de diagnose om zo maar op te geven. En Alice Stewart was evenmin al een toonaangevend onderzoeker. Tegen haar werkte zelfs dat ze een gescheiden vrouw was, met kinderen.

Bovendien sprak een wetenschapper van naam zich hard tegen haar onderzoeksresultaten uit, zonder zich daarbij op ook maar iets te baseren dan zijn intuïtie. Terwijl zijn inzicht dus niet klopte.

En in de geneeskunde maakt hardleersheid bij de beoefenaren meteen onschuldige slachtoffers. Wat dit betreft, ben ik zeer gevoelig voor verhalen over de beroepsblindheid in dat vakgebied. Laat staan voor machtsmisbruik, of het tegen alle gezond verstand in verdedigen van gevestigde belangen.

Maar de studie medicijnen leidt allereerst op tot gehoorzaamheid aan hiërarchie, en de meest succesvolle geneeskunde-studenten zijn veel eerder ‘pleasers’ dan kritische denkers. Goed beschouwd is alleen dat al een groot gevaar voor de volksgezondheid.

Enfin. Overal wordt er bewust weggekeken van de feiten. Of dat nu in de politiek is — hoeveel kost die zo merkwaardig heilige hypotheekaftrek niet — of dat nu in het dagelijks leven is, voor elk van ons.

Heffernan bespreekt fouten uit vele gebieden. En ze weet ook absoluut een aantal mechanismen te benoemen die maken waardoor blindheid optreedt. Iedere lezer kent ook bijvoorbeeld wel de struisvogeltactiek om de kop in het zand te steken, en alle invloeden van buiten te negeren.

Alleen vind ik haar wat optimistisch in haar laatste hoofdstuk, waarin ze stelt dat het iedereen mogelijk is om beter te kunnen zien. Wellicht geldt daarbij dat een auteur zijn of haar publiek op meer dan éen manier vleien moet.

Nadenken en eeuwig blijven nadenken, is alleen bijna niemand gegeven. Enkel al omdat dit inspanning vergt. En intelligentie. En moed. Wie durft het om telkens terug te komen op eerder ingenomen standpunten? Wie durft er de klokkenluider te zijn bij misverstanden, in de wetenschap dat de boodschappers het gauw eens gedaan hebben? Wie kijkt niet weg als het landskabinet uit oorlogsmisdadigers blijkt te bestaan?

Dat bewust blind kunnen zijn een universele karaktertrek is, lijkt me ook simpel te zien aan de blijvende populariteit van religies overal — die allen vooral de pijnlijke angel van de twijfel wegnemen; om daar zekerheden voor in de plaats te geven.

Maar over religie gaat dit boek geen tel.

Wilful Blindness is dan ook zeker niet compleet. Misschien dat de inhoud van het boek nog niet eens éen hoofdstuk zou zijn in een ideale Encyclopedie van de domheid.

Het boek zette mij wel tot denken aan.

Margaret Heffernan, Wilful Blindness
Why We Ignore the Obvious at Our Peril

391 pagina’s
Simon & Schuster 2012, oorspronkelijk 2011

Half-Life of Facts ~ Samuel Arbesman

Alles wat we weten heeft een houdbaarheidsdatum. Zo schrijft Samuel Arbesman al uitdagend op de voorkant van zijn boek.

En hij heeft daarin zowel groot gelijk als gauw eens ongelijk. Zo viel me op dat hij ergens geschiedenis noemt bij de wetenschappen waarover het snelst nieuwe inzichten verschijnen. Wat in het geheel niet klopt, naar mijn ervaring. Doorgaans gaat er namelijk gauw al een generatie overheen voor in historische publicaties naar andere accenten in hetzelfde verleden wordt gekeken als waar al eerder groot over geschreven werd. Voor historische feiten opnieuw gewogen worden kortom.[1]

Het vergt veel te veel durf anders, om de autoriteiten op je vakgebied aan te vallen. DIe moeten eerst met pensioen zijn. Anders kunnen ze je academische loopbaan nog te makkelijk hinderen.

Arbesman maakt in zijn boek wat te weinig onderscheid tussen feiten, interpretaties, en meningen, naar mijn smaak.

Want, er bestaan domweg heel weinig harde feiten. Dat is les éen voor wie nadenken wil over wat kennis is.

Les twee luidt dat wetenschappers grote kleuring kunnen aanbrengen in wat zij als feit presenteren, maar wat eigenlijk niet meer is dan een voorlopige verklaring voor iets.

Feiten en voorlopige interpretaties zijn bij Arbesman te zeer éen. En aan die voorlopige verklaringen kan dus nog van alles veranderen. Mits er bewijs is dat het anders zit. En mits de goegemeente daar vervolgens aan wil.

In de gezondheidszorg lijken vele professionals bijvoorbeeld nog altijd niet overtuigd van Semmelweis’ bewijs uit 1850 dat patiënten er veel baat bij hebben als hun verzorgers met strikte regelmaat de handen wassen. Want dat scheelt nogal in de besmettingen.

The Half-Life of Facts biedt een wat oppervlakkige introductie tot een nieuw studieterrein dat er de laatste decennia is ontstaan naast de wetenschapsgeschiedenis en de wetenschapsfilosofie. ‘Scientometrics’ heet dit vakgebied ietwat pompeus. En de wetenschappers die actief zijn op dit terrein proberen wiskundig te verklaren hoe snel de hoeveelheid feiten groeit, en wat dit dan betekent voor bestaande kennis.

Ik kocht dit boek vanwege de voorpublicaties die in 2012 hier en daar verschenen. Om bij het lezen vervolgens te merken dat die voorpublicaties alle interessants al hadden gebracht.

Wat ‘Scientometrics’ is wordt nauwelijks uitgelegd, en het boek biedt verder weinig meer dan een introductie in de wetenschapsfilosofie, met daarin veel voorbeelden uit de wetenschapsgeschiedenis.

Weer eens las ik non-fictie van het soort dat in een kort essay grote indruk had gemaakt, maar die tot boek uitgewerkt te veel overbodige vulling van node was.

The Half-Life of Facts was daarmee nog het aardigst als Arbesman schreef over de misverstanden die ontstaan in de wetenschappen. Zoals dat kennis vaak wel heel moeilijk van het ene vakgebied het andere vakgebied bereikt.

Zo vond ene Mary Tai in 1994 opnieuw de integraalrekening uit, toen ze een paper publiceerde over glucosetolerantie. Wat nog daar aan toe was. Maar ze meende oprecht een grote vondst gedaan te hebben en noemde haar manier om de oppervlakte onder statistische krommen te berekenen: ‘Tai’s Model’.

Het beste deel uit The Half-Life of Facts was ook niet de uitleg over die scientometrie, maar het hoofdstuk over verborgen kennis. Juist vanwege die schotten tussen de wetenschappelijke disciplines kan het helpen om zo veel mogelijk anderen te interesseren voor je probleem. Want het kan heel goed zijn dat iemand een vergelijkbaar probleem al eens oploste in zijn of haar eigen vakgebied.

Maar zelfs het principe dat samenwerking loont was me al uitgebreid bekend — uit de software-industrie. Waar er al sinds de jaren tachtig twee stromingen bestaan met bijna principieel tegengestelde belangen. Daarin willen de makers van ‘proprietary software’ alles geheim houden, en alles met eigen mensen in eigen huis oplossen. Bedrijven zoals Microsoft en Apple maken proprietary software, die vervolgens altijd lek blijkt te zijn, en telkens opnieuw dichtgepleisterd moet worden met ‘updates’.

In Open source software daarentegen kan iedereen alle code zien, en is er een aanzienlijk grotere kans dat fouten en lekken al ontdekt worden voor deze problemen kunnen opleveren. Bovendien bestaan van deze software altijd gratis versies — omdat iedereen bij de code kan. Deze website draait op een gratis server, Apache, en een gratis CMS, WordPress.

Verder lukt het veiligheidsdiensten als de NSA niet om achterdeurtjes aan te brengen in Open source software. Anders dan is gebeurd in Microsoft-producten als Office en Skype.

Toch kopen overheden altijd het liefst lekke proprietary software van dure monopolisten. En vrijwel geen kiezer die daar tegen protesteert.

The Half-Life of Facts stelde misschien ook wel teleur omdat het boek te weinig inging op wat domheid is, en hoe institutionele onnozelheid wordt gecreëerd. Of bestendigd.

Samuel Arbesman, The Half-Life of Facts
Why Everything We Know Has an Expiration Date

242 pagina’s
Current, 2012
  1. Hij heeft vanzelfsprekend wel gelijk als hij met zijn constatering bedoeld dat er tegenwoordig zo veel deelstudies met nieuwe feitjes verschijnen — alleen schrijft Arbesman dat nu juist niet zo op []

Encyclopedie van de domheid ~ Matthijs van Boxsel

Geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen, schreef Matthijs van Boxsel. En wie deze wijsheid kent, neemt vervolgens bijvoorbeeld altijd weer waar hoe voorspelbaar de meeste maatschappelijke discussies verlopen.

Teveel mensen hebben er geen enkel benul van hoe weinig ze eigenlijk weten.

Van Boxsel [1957] begon lang terug, tijdens zijn studie al, met systematisch onderzoek naar domheid. Daarover verschenen in de jaren negentig drie deeltjes van een Encyclopedie van de domheid in eigen beheer.

De aflevering die ik herlas van De encyclopedie van de domheid kwam in 1999 uit, bij een serieuze uitgever. En ik voelde me indertijd behoorlijk bekocht aan dit dure boek. Want weliswaar is de vormgeving prachtig. Er staat alleen zo weinig in. Voor een Encyclopedie is 160 pagina’s tekst nogal bescheiden. Ik had er nogal wat meer verwacht.

Ging in mijn herinnering een ontstellend groot deel ook nog over zoiets triviaals als gezichtsbedrog in de Franse en Engelse tuinarchitectuur eeuwen terug.

Herlezing nu stemde milder. Ook al omdat er sindsdien twee andere delen verschenen zijn van de encyclopedie — Morosofie, en Deskundologie — en ik nu dus wel weet dat deze uitgave niet de enige is.

Bleek het met die tuinarchitectuur vervolgens wel mee te vallen. Die neemt slechts een bescheiden hoofdstuk in, uit zo veel meer.

Deze aflevering van De encyclopedie van de domheid bestaat, goed beschouwd, uit drie onderdelen. Er is een soort algemene inleiding. Er zijn wat capita selecta. En het slotstuk is het lange laatste hoofdstuk VII — ‘Over de noodzakelijke domheid van de constitutionele monarchie’ — dat nog weer verschillende subhoofdstukken telt.

Dat slotdeel sprak me ditmaal het meest aan; want veel uit het begin van het boek was mij nu wel bekend.

Het slotdeel is opgedragen aan ‘W.A. van B.’ — het pseudoniem waaronder de toenmalige kroonprins ooit de Elfstedentocht schaatste — en het bood hem nog wat instructies voor als hij tot een hoger ambt geroepen zou worden.

Van Boxsel wijst daarbij onder meer fijntjes op de paradoxale kanten van de constitutionele democratie.

tijdens de verkiezingen die erop gericht zijn de volkswil te bepalen, valt het sociale gebouw uiteen in een verzameling asociale idioten. Bij de verkiezingen gaat het niet om de kwaliteiten van het individu, maar om het zuiver kwantitatieve mechanisme van het tellen. De burger wordt gereduceerd tot een onderdeel van een louter numerieke verzameling. Kortom: het enige moment dat het volk daadwerkelijk macht uitoefent, houdt het als eenheid op te bestaan.

En bij uitzondering bedreef iemand hier eens filosofie die me beter laat kijken.

Mijn probleem met de parlementsverkiezingen in Nederland is gebaseerd op pure praktijkervaring. Er verandert nooit wat, als de bevolking gestemd heeft. Altijd komt er een partij in het kabinet terug die er de vorige keer ook al inzat. En tijdens de coalitievorming blijken verkiezingsbeloften altijd weer loze praatjes te zijn geweest, om stemvee te paaien. Dit maakt de verkiezingen tot nogal loze exercities.

Het spel kaarten dat door de bevolking opnieuw geschud moet worden, is domweg vals.

Matthijs van Boxsel neemt aan dat W.A. van B. een goede koning zal worden:

De vorst moet slim genoeg zijn zich van de domme te houden. Bij publieke optredens dient hij zich als een marionet te gedragen, een houten Klaas, om duidelijk te maken dat hij een rol speelt. Hij mag geen oprechte gevoelens tonen, zijn ouders alleen formeel eren. Het ultieme bewijs van zijn geschiktheid is het onwillekeurig tonen van schaamte. Maar om te voorkomen dat zijn neus al te zeer opvalt, moet hij zijn optredens kort houden.

Uit de interviews met de kroonprins blijkt dat Willem-Alexander uit het juiste hout is gesneden. Zijn houterig gedrag, zijn gemeensplaatsen (‘langue de bois’), zijn hardhoofdigheid (inzake de jacht, de godsdienst, het huwelijk) maken hem bij uitstek geschikt voor de functie van constitutioneel monarch. [158]

Een principieel verschil tussen Van Boxsel en mij is dus dat hij verschijnselen benadert vanuit een vergelijking, een metafoor, of een andere abstractie. Waar ik liever de werkelijkheid als uitgangspunt neem.

Mijn beschrijving van de toneelstukjes die dagelijks worden opgevoerd rond de komst van de koning, of toen nog kroonprins, bestaat uit waarnemingen van wat er volgens mij plaatsvond.

Van Boxsel daarentegen gebruikt het sprookje van ‘De nieuwe kleren van de keizer’ om iets uit te leggen over wat de aanwezigheid van het Koningshuis met alle omstanders doet.

Zijn aanpak is niet per se beter dan de mijne. Maar omdat de werkwijze van Matthijs van Boxsel me van nature niet eigen is, kan deze soms even indruk maken. Ineens.

Op andere momenten zie ik niet waar hij heen wil, want dan lijkt de auteur met veel omhaal van woorden te bewijzen dat water nat is, of een dergelijke gemeenplaats meer. Dan staat me domweg de pretentie tegen van de schrijver. Een lot dat vele filosofen met hem delen.

Matthijs van Boxsel, De encyclopedie van de domheid
184 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1999