Van Santander naar Santander ~ Peter Winnen

Merkwaardig aan dit boek is dat ik het werkelijk prachtig vond, tot ik erover na ging denken. Toen bekroop me toch het gevoel ietwat bekocht te zijn, omdat Winnen nog over zo veel meer had kunnen schrijven dan hij nu heeft gedaan.

Hoofdmoot in de autobiografische brieven in dit boek is de eerste drie jaar uit het bestaan als wielerprof van Peter Winnen aan het begin van jaren tachtig. Toeval of niet, dat waren ook zijn beste jaren, met winst in verschillende opvallende touretappes, en zelfs een podiumplaats in Parijs.

Daarna was het op. Was er te veel van het lichaam gevraagd, en zou het tot eind van de jaren tachtig duren voor hij weer opvallende prestaties zou leveren. Maar, toen werd ook de bloeddoping algemeen in het peloton. Daarom, en door de gevolgen van een lullige aanrijding, hield Winnen uiteindelijk met koersen op.

Maar, over de wanhoop uit die jaren dat het ineens zo veel minder was niets in dit boek. Waardoor ik het merkwaardige gevoel kreeg dat mij toch iets onthouden werd. Als lezer ben ik blijkbaar een rupsje-nooitgenoeg; mijn voyeurinstincten moeten blijkbaar volledig bevredigd worden.

Goed, geen enkele recensie mag gaan over wat een boek had horen te zijn; de lezer moet het doen met wat het boek wel brengt. Dan dient zeker gezegd te worden dat Winnen beter schrijft dan menig bekroond literator. Hij slaagt erin om duidelijk te maken waarom het prettig is deel uit te maken van het peloton, hoe zwaar de wedstrijden ook kunnen zijn. En vooral dan hoe prettig buiten de koers geheel verzorgd te worden.

Bovendien zijn die eerste drie jaar uit zijn wielercarrière ook wel prettig om achteraf te beschrijven, met al die aansprekende prestaties. Zelfs al gingen die op het moment dan misschien grotendeels buiten de sporter om, door diens vermoeidheid bijvoorbeeld.

In een interview meldde Peter Winnen mede door dit boek uitgekotst is door zijn vroegere wielercollega’s. Zij denken dat hij de omerta doorbroken had. In werkelijkheid behandelt Winnen het onderwerp doping nauwelijks, zoals het hoort, terloops, horend bij de verzorging na de buitengewoon zware inspanningen van een wielerwedstrijd.

In het boek houdt hij zich dom over wat hem werd toegediend. Al kreeg hij zeker het éen en ander ingespoten. Maar is dat interessant? Misschien dat de schrijver besefte hoe link het is om een geleverde prestatie te koppelen aan het gebruikte middel. Bovendien lijkt fietsen me bij uitstek een sport waar het draait om de geestelijke kracht lijden zo lang mogelijk vol te houden.

Peter Winnen, Van Santander naar Santander
Brieven uit het peloton

238 pagina’s
Uitgeverij Thomas Rap, 2000

Prikken en slikken ~ Willy Voet

Ik had het nog altijd niet gelezen, dit boekje van de voormalige verzorger van de Festina-wielerploeg Willy Voet. Zijn arrestatie bij de grens in 1998 met een auto vol EPO was aanleiding voor de meest merkwaardige Tour de France ooit, Le Tour Dopage.

omslag prikken en slikken

Maar waren er redenen voor het niet te lezen?

Graag mag ik naar wielrennen kijken op de televisie; ook deze week weer, nu de Giro d’Italia zijn slotweek kent en de winnaar nog altijd niet helemaal vaststaat. Wilde ik die blik achter de schermen daarom niet? Er is altijd nog zoiets als de mythe van het wielrennen, de strijd die de renner bij zo’n meerdaagse wedstrijd niet alleen tegen andere renners voert, maar ook tegen zijn eigen lichaam, het landschap, en de elementen.

Wielrenners die gepakt worden ontkennen altijd iets genomen te hebben, maar waarom? Ik denk dat ik dit antwoord niet per se hoefde te weten.

En dus valt het cynisme in het métier over doping me het meest op in dit boek. Controles zijn er om ontdoken te worden, desnoods met urine van iemand anders, en andere trucs om de dopingarts te foppen. Maar verzorging met alle mogelijke middelen is normaal. Voet vertelt tussen het verhaal van zijn arrestatie ook terloops hoe hij renners prepareerde. Eind jaren negentig bestond die medische voorbereiding uit een kuurtje EPO en groeihormoon voor de spieren vooraf, nog eens iets hormonaals dat de agressie aanwakkerde vlak voor de wedstrijd zelf, en een overdosis coffeïne in een pil desnoods nog tijdens de koers.

Zelf slikte en spoot hij trouwens ook, om wakker te blijven tijdens de lange autoritten.

Het gaat me waarschijnlijk ook om het cynisme bij de wielerjournalisten, die niet in doping geïnteresseerd kunnen zijn, omdat ze anders niemand meer uit het peloton te spreken krijgen. Of de afgewende blik van wielerunie UCI. Die best nog eens een medisch attest accepteert dat een renner toestaat bepaalde medicijnen te gebruiken als deze al een positieve plas heeft ingeleverd.

Maar het meest zal me van dit boek bijblijven hoezeer wielrenners in staat zijn zichzelf voor de gek te houden. Elk van hen weet perfect wat er in zijn lichaam is gebracht. Tegelijkertijd zijn ze in staat te geloven niet te gebruiken, omdat ze bij testen zo vaak niet gepakt worden, bijvoorbeeld omdat wat ze gebruikt hebben dan al niet meer op te sporen is.

Wielrennen is tegenwoordig een vorm van georganiseerde misdaad, misschien moet ik er voortaan maar zo naar kijken. En over dat onderwerp worden tenslotte ook talloze films en TV-servies gemaakt, die interessant zijn zonder ook maar een moment over ethiek of moraal na te denken.

Willy Voet, Prikken en slikken
30 jaar doping in de wielersport

144 pagina’s
Uitgeverij De Fontein, 1999


Puntjes op de ij ~ Erik Wijmeersch

Het geheime doel van boeklog is om vast te leggen wat in deze tijd normaal wordt geacht, en waarom dan wel. Al was het maar omdat elk tijdsgewricht met zijn eigen hypocrisie komt, en het daar in beschouwingen elders te zelden over gaat.

Zo is het op het moment aan topsporters verboden om zich zo goed mogelijk te verzorgen, voor en na hun trainingen. Dat zou namelijk vals spelen zijn. Zelfs de Vlaamse sprinter Erik Wijmeersch, die in dit boek uiterst openhartig is over wat hij aan doping heeft gebruikt, komt niet van het idee los illegaal te hebben gehandeld.

Hij kon misschien ook niet anders; de Belgische politie heeft hem in de zomer van 2006 opgepakt, en een paar dagen vastgehouden, op verdenking van dopingbezit. Zoiets maakt zonder meer indruk.

Maar was Wijmeersch twintig jaar later geboren, bijvoorbeeld, dan had hij nooit het onhandelbaar drukke jongetje mogen zijn, dat hij in zijn jeugd zo vaak was. Dan was zijn gedrag waarschijnlijk met medicijnen genormaliseerd — omdat het in onze cultuur juist een maatschappelijke eis kan zijn om iemand zware geneesmiddelen toe te dienen. Ter correctie. Om diens eigen bestwil, heet dit dan.

De hypocrisie over medicijngebruik is immens.

Nu was Wijmeersch te gretig in zijn dopinggebruik, wat hem nog bijna het leven kostte. Ik kan begrijpen dat de spijt over die gulzigheid zijn visie kleurt. Toch vind ik het jammer nog steeds geen oud-sporter gehoord te hebben die koel meldt alles te hebben uitgeprobeerd wat mogelijk was, en daar geen enkele spijt van te hebben. Ondernemen vergt nu eenmaal risico’s. Maar zo’n laconieke uitspraak zou misschien met terugwerkende kracht een prestatiereeks kunnen besmeuren. Zelfs al mag van de meeste verslagen concurrenten worden aangenomen dat die zich evenzeer prepareerden.

Enfin.

Aan dit boek is niettemin zelfs het voorwoord al interessant. Atletiektrainer Henk Kraaijenhof merkt daarin namelijk iets schokkends over topsporters op.

Wie de top wil halen in een oersport als de atletiek moet daarvoor in de eerste plaats genetisch geluk hebben gehad. Ik heb niet zo veel snelle spiervezels als Wijmeersch; dus al had ik dezelfde dopingkuren gevolgd, een goede sprinter zou ik nooit geworden zijn.

Maar spieren zijn slechts een onderdeel. Spieren worden altijd aangestuurd door de hersenen. Wie topsport wil bedrijven, in een sport als de atletiek, met zijn enorme prestatiedichtheid, moet daartoe mentaal vreselijk gedreven zijn. Atletiek is niet als voetbal, waar zelfs de caféteams al gesponsord worden. In de atletiek is maar voor een heel select gezelschap leuk geld te verdienen — terwijl ook de subtop jarenlang vreselijk hard moet trainen om iets te bereiken.

Kraaijenhof viel op dat veel van de topatleten een sterke drang hebben om zich te bewijzen door problemen in hun verleden. Van de atleten die hij naar de top begeleidde kwam 90% uit een gebroken gezin. Van zijn vrouwelijke topatleten was acht op de tien in hun jeugd seksueel misbruikt.

Nederlanders blinken waarschijnlijk met reden uit in sporten die maar in weinig andere landen leven, denk ik dan. Zoals schaatsen, of dameshockey. Overleven lukt hier ook zonder te vechten.

Wijmeersch verklaart zijn vechtersmentaliteit mede uit zijn te vroege geboorte. Daarnaast had hij het geluk dat zijn vader hem voor zijn droom topsprinter te worden sponsoren wilden. Wie niet per se afhankelijk is van de grillen van een sportbond, kan ook afstandelijker over de organisatie van zijn sport oordelen.

Ik vond dit boek om verschillende redenen boeiend om te lezen. Allereerst ben ik puur gefascineerd door wat er mogelijk is om iemand beter te laten presteren, zoals mijn andere weblog al jaren toont. Daarbij komen dan nog de taboes die er over doping bestaan. Wijmeersch schat bijvoorbeeld dat tweederde van de topatleten gebruikt, en slechts een derde puur sport. Maar alleen de domme gebruikers worden gepakt. De slimmeriken, die deel uitmaken van een georganiseerd systeem, testen nooit positief.

Want, natuurlijk bestaan er georganiseerde systemen. Wijmeersch’ grootste onthulling in dit boek, die in België nog een rel opleverde, was dat hij tot dopinggebruik werd aangezet door een bobo van de bond — thans in naam een fel dopingvechter.

Eindelijk ook heb ik bij Wijmeersch bevestiging gevonden dat een aantal mythen over doping niet kloppen. Groeihormoon zou bijvoorbeeld nergens voor helpen. Maar Wijmeersch meldt uit eigen ervaring dat zijn vetpercentage bij gebruik enorm snel slonk — wat ook inhield dat hij zich niet per se aan een onmenselijk topsportdieet hoefde te houden.

Verder ligt er het feit dat nergens zo veel astmapatiënten verzameld zijn, als onder de deelnemers aan een sportwedstrijd op een beetje niveau. Standaardexcuus is dat intensief ademhalen in de vieze buitenlucht de luchtwegen kan aantasten. Topsporters mogen daarom een puffertje gebruiken, mits zij daarvoor een medisch attest aanvragen. Maar volgens Wijmeersch is het gebruikte geneesmiddel, Ventolin, bijzonder goed werkzame doping; die iedereen met een astma-attest in ruime mate kan innemen. Controleurs kunnen niet meten of iemand een gezondheidsdosis innam via een puffertje, of het middel gretig ingespoten heeft.

En zo weet Wijmeersch meer aan te tonen. Over de manieren waarop wedstrijdorganisatoren een atleet van een goede prestatie kunnen bestelen, bijvoorbeeld. Allemaal zaken waar de sportjournalistiek geen oog voor heeft. Allemaal zaken waardoor Wijmeersch een klokkenluider is die waarschijnlijk nergens meer goed kan doen.

Maar dit is geen boek dat doodgezwegen worden mag.

Erik Wijmeersch, De puntjes op de ij
Over records, vrouwen en doping

232 pagina’s
Uitgeverij Van Halewijck, 2008

Sportfilosofie ~ Jan Tamboer en Johan Steenbergen

Een leerboek als dit is voor een buitenstaander merkwaardig om te lezen. Ik hoor niet tot de doelgroep. Al interesseerde me wel wat filosofen over sport te melden zouden hebben. En dan vooral omdat zo veel in dit onderwerp me allereerst cultureel bepaald lijkt; en zich dus niet leent voor absolute conclusies.

Mede daarom las ik soms wat heen om de introducties tot de verschillende onderdelen van de filosofie die aan de orde kwamen.

Sportfilosofie bleek gelukkig ook aardig wat feitelijke informatie te bevatten. Waarbij ik onder meer het overzicht waardeerde dat de auteurs hadden opgesteld van sporten die hun regels veranderden, omdat de televisie dit wilde. De voorbeelden van de tie-break in tennis, of de extra reclamepauzes in de NBA, waren me bekend. Maar dan weer niet dat in een sport als biathlon ooit op papieren doelen werd geschoten, in plaats van metalen; die zo duidelijk zichtbaar dichtklappen na een treffer.

Over doping kwamen de auteurs tot de juiste conclusie dat alle rationele basis ontbreekt onder het argument dat dopinggebruik oneerlijk is. Ooit was training namelijk ook oneerlijk. Of het professioneel beoefenen van sport…

Mij lijkt ook dat bij dopingdiscussies er een olifant in de kamer is die nooit benoemd wordt. Want, wie willen er dan zo graag ‘eerlijke sport’? Dat zijn toch allereerst de sponsoren — waarbij ik ook de televisie tot de sponsoren reken, gezien de kapitale uitzendrechten die voor sommige wedstrijden of wedstrijdreeksen worden betaald. Dus in die zin heeft de TV zowel direct als indirect immense invloed.

Merkwaardig aan dit boek vond ik vooral dat typische trekje van sommige filosofen om zaken in taal te willen definiëren. Nogal wat pagina’s worden bijvoorbeeld besteed aan het vaststellen wat sport ís. Terwijl juist dat me dus cultureel bepaald lijkt; en dus telkens in betekenis zal verschuiven door de tijd. Ooit was het een volkssport om te proberen ganzen de kop af te trekken. Ooit streden gladiatoren op leven en dood.

Slechts heel weinigen buiten Nederland vinden korfbal een sport. Of hardschaatsen.

Bovendien zullen politici, in het kader van subsidieregelingen, weer anders denken over wat sport is, dan de beoefenaren zelf, of de eerder genoemde media. En anders wel de vele lieden die hun gelegenheid ‘Café de sport’ hebben genoemd.

Er was in de filosofie ooit een stroming, die de Scottish School of common sense heette. Het is jammer dat zo weinig filosofen daar de uitgangspunten van hebben overgenomen, denk ik dan.

Jan Tamboer en Johan Steenbergen, Sportfilosofie
214 pagina’s
Damon, 2000

Rough Ride ~ Paul Kimmage

Tot de weinige zekerheden in het leven hoort dat de Ronde van Frankrijk elk jaar in juli wordt verreden. En als liefhebber van wielrennen zou ik daar toch geen tel van mogen missen.

Toch de weinige zekerheden hoort helaas alleen ook dat de Tour een buitengemeen saaie wedstrijd is geworden, sinds renners als Indurain en Armstrong ontdekten dat je ook kon winnen door vooral maar niet te verliezen. Het algemeen klassement van zo’n grote Ronde komt allereerst tot stand op basis van berekenend rijden.

Daarom zijn de weken van de Ronde voor mij vaak weken met landerige namiddagen waarin ik vele boeken lees, terwijl de televisie ook nog aanstaat.

Tot de vaste boeken die dan vrijwel elk jaar voorbij komen, hoort De renner van Tim Krabbé; hoewel dat boek eigenlijk niet kan, en daarmee mislukt zou horen te zijn.

Om uitbreiding op mijn vrij beperkte repertoire te krijgen, besloot ik dit jaar onder meer eens te kijken wat Britse en Ierse auteurs over dat fietsen hadden te vertellen. Zo wilde ik altijd Rough Ride nog eens lezen, van de Ier Paul Kimmage. Die, na een goede drieënhalf jaar prof te zijn geweest, tijdens zijn derde Tour de France, nog niet eens halverwege, op 13 juli 1989 de remmen dichtkneep. En op deze dag niet alleen uit de wedstrijd stapte, maar ook het hele wielerbestaan abrupt vaarwel zei.

Op dat moment schreef hij al columns voor een Ierse krant. Dus hij kon een vrij soepel overstap maken van een bestaan als schrijvend renner naar verslaggever tout court.

Ware er niet nog dit boek geweest.

In Rough Ride probeerde Kimmage uit te leggen hoe ontieglijk zwaar het wielerbestaan is voor een doorsnee prof, en waarom hij die inspanningen uiteindelijk niet meer op kon brengen. Maar, omdat hij daarbij ook schreef over de herstelmiddelen die iedereen gebruikte, werd zijn vertrek heel anders geïnterpreteerd. Kimmage had de omerta van het peloton doorbroken, en dit maakte dat zelfs oude ploegmaats hem, zonder zijn boek te hebben gelezen — het was niet vertaald — de rug toe keerden.

Dat element doet sterk denken aan wat Peter Winnen meemaakte na publicatie van zijn wielerautobiografie Van Santander naar Santander.

De verboden middelen die Winnen en Kimmage noodgedwongen gebruikten, waren vooral oppeppers, als caffeïne en amfetaminen. Die naar de huidige stand der kennis lichamelijk nauwelijks een verschil zullen hebben gemaakt, maar zullen hebben geholpen de tegenzin te overwinnen om verder te moeten fietsen.

Deze uitgave van Rough Ride verscheen elf jaar na de eerste druk. Kimmage was inmiddels een ervaren journalist geworden, en had grootse plannen om dit boek eens grondig te herschrijven. Dat kwam er niet van. Hij voegde wel een inleiding en een appendix toe, waarin hij ineens akelig moralistisch wordt. Het kwaad dat EPO heet wordt dan uitgebreid beschreven; om aan te tonen dat het milieu nog rotter is geworden dan toen hij er in rondreed. Van bloeddoping, die bij onoordeelkundig gebruik de boel stroperig maakt, zijn mensen doodgegaan.

Aan de pep raakten renners slechts verslaafd.

En ik vond die tweede blik van de auteur afbreuk doen aan de oprechtheid aan het oorspronkelijke verhaal. Dat is een mooie geschiedenis van een Ierse jongen, met meer wilskracht dan talent, die echt dacht het te kunnen gaan maken in het Europese wielrennen. Zelfs al telde zijn land op dat moment maar twee wielerprofs, en zou hij uiteindelijk de vierde betaalde renner worden; en moest hij daarvoor de drastische stap zetten om naar het continent te emigreren.

Kimmage heeft als auteur tenslotte éen ding voor op Winnen, en dat was hij nooit meer dan een knecht zou worden in het peloton. Ergens als eerste finishen deed hij voor het laatst als amateur. Ik bedoel, iedereen die weleens een paar dagen achter elkaar redelijke afstanden heeft gefietst weet hoe zwaar dat kan zijn. Laat staan als dit in wedstrijdverband gebeurt. Bij de profs. Die drie weken lang onder alle weersomstandigheden niet alleen gezond moeten blijven, maar ook nog dienen te presteren.

Bij Kimmage rijpte het besef dat goed presteren voor hem op zijn best iets zou zijn als de kopman van de ploeg tevreden stellen. En omdat hij ook iets anders kon, moet de twijfel zijn gaan knagen of alle inspanningen op de fiets dat wel waard waren. Winnen won tenminste nog weleens wat. En kreeg daarom ongetwijfeld ook beter betaald.

Anderen zeiden daarom over dit boek dat het van een stakker was, die uit wraak terug keek, om zijn grote teleurstellingen. En dat oordeel is onzin.

Juist door een boek als dat van Kimmage wordt vooral duidelijk hoe uitzonderlijk het is wat kampioenen kunnen. Maar ons valt juist dat niet op, omdat er altijd wel iemand wint in de sport, hoera.

Waarom de anderen meedoen, en blijven meedoen, is een aanmerkelijk groter raadsel.

Paul Kimmage, Rough Ride
Behind the Wheel with a Pro Cyclist
261 pagina’s
Yellow Jersey Press 2001, oorspronkelijk 1990

Feest van list en bedrog ~ Herman Chevrolet

Wat maakt het wielrennen tot de enige sport die de moeite waard is om te volgen? Volgens Herman Chevrolet is dit, omdat we niets weten van wat er eigenlijk gebeurt. In andere sporten wint doorgaans de sterkste. Maar in de koers kan het heel goed zijn dat de sterkste renner en zijn ploeg zo veel tegenstand oproept dat iedereen mag winnen, behalve hij.

Dus is vrijwel elke wielerwedstrijd een verhaal, een vertelling geladen met geschiedenis.

En daarom gebruikt Chevrolet methoden uit de literatuurkritiek om de vaste elementen van dat verhaal te isoleren, en nader te onderzoeken. Helaas benoemt hij die methoden ook telkens. En dat bleek een kunstgreep die mij irriteerde en afbreuk deed aan het boek — anders had ik het zonder meer hier opgenomen in categorie aanbevolen.

Het feest van list en bedrog is een boek vol wielergeschiedenis, maar nu eens compleet anders. Wielrennen is nu eenmaal een profsport. En profs weten heel goed dat ze nog jaren samen verder zullen moeten. Dus kan niet altijd dezelfde winnen. Al hoeft het publiek dat verder niet te weten.

Die zakelijkheid, en het gegeven dat bedrog er bij hoort, zit al vanaf het begin in de sport — ook al omdat zo veel wedstrijden georganiseerd werden door kranten, die het liefst goede verhalen brachten.

Dus begint dit boek met de oerversies van de Tour de France, waarin nogal wat deelnemers delen van etappes aflegden met de trein. En komen er vele anekdotes langs over dopinggebruik, zoals hoe verontwaardigd renners waren toen er controle werd ingevoerd, in de jaren zestig.

Chevrolet schuwt daarbij ook de controverse niet. Zo stelt hij vraagtekens bij de Tourwinst van Jan Janssen in 1968. Voor Vlaamse wielerkenners is het overigens nooit een vraag geweest dat hun landgenoot Herman van Springel indertijd geflikt is, tijdens de laatste tijdrit. Maar Nederland heeft heel wat minder grote winnaars. Dus is Janssen hier heilig, en mag niet aan die heiligheid worden getwijfeld. Hoewel de cijfers laten zien dat Janssen geen enkele keer sneller heeft gereden in een tijdrit dan Van Springel. Op die slotrit na dan, van de Tour in 1968.

De suggestie daarbij luidt dat de Tour-organisatie liever geen onbeduidende Vlaming zagen winnen, en daarom slechts aan diens tegenstanders liet doorschemeren dat er voor hen geen dopingcontrole zou zijn, die dag.

Ook het laatste gedeelte van het boek, over de periode die ik toch vrij intensief heb gevolgd, bracht me nieuws. Zelfs al kan ook Chevrolet weinig anders doen dan vraagtekens stellen bij de overmacht van Lance Armstrong, bij diens Tour de France-overwinningen. Slechts van al zijn belangrijke tegenstanders staat inmiddels vast dat ze EPO gebruikten. Immers.

Maar het aardigste van Het feest van list en bedrog is het ontbreken van enige verontwaardiging, over wat er gebeurt en heeft plaatsgevonden — anders in dan zo veel ander boeken die relatieve buitenstaanders hebben geschreven over de sport.

Uitleggen hoe het zit, is immers altijd interessanter dan vertellen hoe het zou moeten zijn.

Herman Chevrolet, Het feest van list en bedrog
Een sinistere geschiedenis van de wielersport

390 pagina’s
Het Spectrum, 2011

Racing Through the Dark ~ David Millar

Op de laatste honderd pagina’s na is dit een zeer indrukwekkend boek. Tijdens het lezen. Racing Through the Dark is de openhartige autobiografie over alle fouten van een sporter. En dat waren er vele. Maar de Schotse wielrenner David Millar is nog actief in de sport. Hij had eigenlijk met racen moeten stoppen om een goed einde te krijgen aan zijn boek.

Nu ontbreekt die afstand nog. In het laatste deel verandert de meeslepende biografie in matig doelproza voor de afzetmarkt. Dan schrijft Millar bijvoorbeeld te veel over zijn verhouding tot die andere momenteel goed presterende Britse profs, zoals Wiggins en Cavendish.

Mijn ideeën over deze biografie veranderden overigens nog weer verder, een dag na lezing. Dit komt door iets buiten het boek; om hoe traditioneel op de aangesneden problematiek gereageerd wordt.

David Millar [1977] werd in 2004 voor twee jaar geschorst om zijn dopinggebruik. Hij verloor daardoor onder meer de wereldtitel tijdrijden die hij net behaald had. In Racing Through the Dark legt hij uit hoe er toe kwam om verboden middelen te gebruiken. Daarbij wordt duidelijk dat dit redelijk normaal was in het profwielrennen van dat moment.

Maar, dit boek is allereerst een catharsis. Millar werd spijtoptant. Hij kwam na zijn schorsing in het profpeloton terug, en weert zich sindsdien als ambassadeur van een ‘schone sport’. Want het is wel degelijk mogelijk om wedstrijden te winnen zonder doping, vindt hij. En dat idee wordt ook uitgedragen door het team SlipStream waarvoor Millar nu al jaren rijdt. [1]

En iets aan de catharsis klopt niet helemaal. Naar mijn gevoel.

De ideeën over dopinggebruik door sporters zijn namelijk veranderd in de loop der tijd. Tot midden jaren zestig werd er bijvoorbeeld openlijk over het gebruik gepraat in het wielermilieu. Toen pas ook kwamen er controles.

In de jaren zeventig hoefde een op doping betrapte renner slechts een boete te betalen. En in een meerdaagse wedstrijd kwam daar nog een tijdstraf bij, van tien minuten. Men mocht vrolijk verder fietsen.

Maar met de komst van de Amerikanen in het wielrennen veranderde alles. De Amerikaanse media brachten een Angelsaksisch besef mee over ‘fair play’; en daarmee het zo zwart-witte idee dat dopinggebruik altijd oneerlijk is. [2] Onzinnig daaraan lijkt me alleen al dat in wedstrijdsport en alles daaromheen altijd principiële oneerlijkheden bestaan.

Terwijl doping steeds effectiever werd, nam ook de hekel aan stimulerende middelen immer opvallender proporties aan. Mede daarom is er nog altijd niet fatsoenlijk over dit onderwerp te praten, met de meeste mensen dan.

Aan David Millar is te prijzen dat hij in zijn biografie laat zien dat zwart-wit ideeën over dopinggebruik onzinnig zijn. Iemand die beroepshalve een sport beoefent, staat nu eenmaal voor de plicht zich zo goed mogelijk te verzorgen, en goed te trainen. Bij een gebrek aan prestaties dreigt heel simpel ontslag. Dat een sporter bij al dit hulp zoekt, ligt voor de hand.

En op het wielrennen valt dan bijvoorbeeld aan te merken dat de sport zo aartsconservatief is dat de begeleiding te lang heeft bestaan uit Voodoo, bijgeloof, en een bovenmatig vertrouwen in spuiten en slikken. Zo wordt er pas nu enigszins gericht getraind wordt door een enkeling. De meeste profs kennen namelijk maar twee soorten oefening. Traditioneel is training éen het dommig uren maken op de fiets. En het enige alternatief bestaat uit het geruime tijd op extra hoge snelheid fietsen, om zo de zuigende werking van het peloton te imiteren. Hiertoe rijdt men dan einden achter een kennis op een brommer aan.

Racing Through the Dark illustreert onder meer nogal pijnlijk hoe primitief een profploeg georganiseerd kan zijn. Millar is vooral bekend als tijdrijder. Maar toen hij voor Cofidis reed vertikte die ploeg het om hem een goede tijdritfiets te geven; of goede aerodynamische kleding.

De eerste trainers met enige wetenschappelijke achtergrond die Millar leerde kennen, waren misschien niet toevallig ook doping-doktoren. De verkoop van verboden stimulantia verdient nu eenmaal aardig beter dan het bedenken van trainingschema’s. Door doping te dealen maakten deze doktoren hun klanten nog afhankelijker van hen bovendien.

En voor mij is dit het belangrijkste aspect van die hele dopingproblematiek. Aan sporters wordt heel zware eisen gesteld, doordat ze op jaarcontracten werken, en omdat wielrennen een idioot zware stiel is — bovendien kan een valpartijtje een jaar aan voorbereiding met éen klap tenietdoen. Als het hierbij dan aan adequate begeleiding ontbreekt, is zo’n sporter niet te verwijten dat deze zijn heil zoekt bij iedereen die maar heil belooft.

Toch werden tot voor kort altijd alleen de sporters gestraft die op dopinggebruik worden betrapt.

Millar stipt overigens al dit aan in Racing Through the Dark. Maar daarbij laat hij de feiten niet voor zichzelf spreken. Hij meent zich ook te moeten verontschuldigen voor zijn dopinggebruik. Hij vertelt iets te vaak hoe lang hij weigerde om ook maar iets te gebruiken na de wedstrijd; zelfs de standaardinjecties met extra vitamines gruwden hem aan. [3]

En het excuus achteraf van de zondaar geeft dit boek helaas iets larmoyants. Zo vind ik. Achteraf.

Tegelijk kon Millar waarschijnlijk nog niet anders. De cultuur is nu eenmaal zo dat zwart-wit ideeën over doping overheersen. Vandaar dat de meeste sporters die betrapt zijn of beschuldigd worden nog altijd glashard ontkennen.

David Millar, Racing Through the Dark
The Fall and Rise of David Millar
In collaboration with Jeremy Whittle

354 pagina’s
Orion Paperback 2012, oorspronkelijk 2011
  1. Ook Thomas Dekker, een andere ex-gebruiker, aan wie ik elders een dossiertje heb gewijd, fietst tegenwoordig voor Garmin/SlipStream. []
  2. Misschien komt dat doordat deze media zo afhankelijk zijn van sponsors en adverteerders dat ze geen enkel ongenoegen willen wekken bij hun inkomstenbronnen. Dat bedrijven zich liever niet publiek associëren met ‘bedriegers’ en een sport vol ‘bedriegers’ weegt dus ineens mee. []
  3. Overigens schijnen deze injecties niet te werken. []

Put Me Back On My Bike ~ William Fotheringham

Betere sportbiografieën dan deze zullen er niet veel zijn. Simpelweg omdat Put Me Back On My Bike de hele sport in perspectief plaatst die de hoofdpersoon beoefende. Dat de Britse renner Tom Simpson stierf tijdens een wielerkoers, op de flanken van de Mont Ventoux, was abnormaal. Maar een groot deel van de excessen die tot zijn dood leidden, waren dat absoluut niet. In het métier.

Toch blijft er zelfs na zo’n klassiek sportboek als dit wat onvrede achter bij mij, als lezer. Waarom is moeilijk aan te geven. Misschien omdat zelfs de beste biografieën beschrijvingen door buitenstaanders blijven; donuts zijn van een heel rijk deeg, maar met een duidelijk gat in het midden.

Dat ik zo jong al De renner las, van Tim Krabbé, blijkt zo langzamerhand dus eerder een vloek dan een zegen. Met een van de beste wielerboeken beginnen, maakt al gauw dat al wat daar op volgt minder lijkt.

Tom Simpson [1937 – 1967] is natuurlijk ook mede door zijn dood een legende geworden. Want vergeleken met de echt groten in de sport heeft hij niet veel gewonnen. Hij was eens wereldkampioen, er waren wat eerste plaatsen in klassiekers. Hij won Parijs-Nice eens — maar dat presteerde het broertje van Louison Bobet net zo goed.

Ook telt mee dat Simpson een exoot was indertijd. Omdat hij als Brit successen oogstte in een sport die gedomineerd werd door renners uit een beperkt tal landen, waar Groot-Brittannië toen zeker niet bijhoorde. Pas nu, 45 jaar later, is het niet vreemd als een Britse renner een wielerkoers wint.

Biograaf William Fotheringham bracht de bekende Angelsaksische afkeer van doping mee bij het schrijven van dit boek. Zelfs al gaat die afkeer nooit veel verder dan dat stimulerende middelen tegen de Fair Play ingaan van de sport. En dat toch een zeldzaam raar argument blijft bij het beschrijven van de wielersport; die op zo veel manieren meer niet eerlijk is. Omdat deze sport allereerst een beroep is, met een duidelijke eigen mores. Wie zich niet aan deze regels houdt zal nooit een wedstrijd winnen; die heeft iedereen voor altijd tegen.

Maar Fotheringham laat ook zien hoe merkwaardig het eigenlijk was dat de toprenners zo op doping vertrouwden. Niemand houdt nog echt een sjoege van voedingsleer, dus at vrijwel iedereen naar de huidige inzichten volkomen idioot.

En dan was er het simpele gegeven dat wielrenners tijdens de koers maar vier bidons, ofwel twee liter, met vocht kregen. Twee van deze drinkbussen namen ze mee van bij de start. Twee werden er onderweg aangereikt. Terwijl een beetje renner op warme dagen vele malen meer nodig heeft om de verliezen aan te vullen.

Dus leerden de profs elkaar dat het goed was om zo weinig mogelijk moest drinken tijdens de koers. Terwijl dat gedrag nu net hun prestaties geweldig negatief beïnvloedde.

Soms gedoogde de wedstrijddirectie op heel warme dagen dat de knechten van de toprenners tussendoor even de cafés afschuimden om drankjes. Toen Simpson stierf, was dat ook met een grote hoeveelheid alcohol in zijn bloed. Een van zijn knechten had bij een raid een flesje cognac buitgemaakt, en dat werd dankbaar geledigd.

Nadat een eerste versie van Put Me Back On My Bike verscheen, kwam er nogal wat verontwaardiging los over wat Fotheringham had beschreven. Dat hij de renners toch ook had geportretteerd als stakkers die grotendeels maar wat deden, leek niet echt te zijn opgevallen. Bovendien was een groot deel van Simpson’s carrière het gebruik van doping totaal legaal — de bestrijding kwam pas op gang vanaf het midden van de jaren zestig.

Ook werd pas na verschijning van de eerste druk bekend dat Simpson al eens eerder een bijna vergelijkbare inzinking had doorgemaakt als die op de Mont Ventoux. Tijdens de Ronde van Spanje van 1967, die toen nog voor de Tour werd verreden, had hij zich al bijna doodgereden op een helling, in de hitte. Uitgeput door de inspanningen van een meerdaagse wedstrijd. Voortgedreven door de pepmiddelen die hij als doping gebruikte. Gestuwd door zijn wilskracht bovendien.

Geen sporter had nu nog zo snel weer van start mogen gaan in een andere wedstrijd.

Put Me Back On MY Bike deed tenslotte nog iets anders. Ik merkte bij het lezen een vooroordeel te hebben gehad tegen Tom Simpson. Niet om zijn dopinggebruik, maar omdat hij zo dom was geweest om te sterven tijdens de beoefening van zijn sport. Alleen dat al leverde een weerstand op om me in deze sporter te willen verdiepen. Fotheringham wist alleen heel aannemelijk te maken wat Simpson voor man was. En hoe diens gedrevenheid om iets in de sport te bereiken zich zowel voor als tegen hem heeft gekeerd.

En elk boek dat er in slaagt de wereld even iets anders te kleuren dan die voorheen was, is een goed boek.

William Fotheringham, Put Me Back On My Bike
In Search of Tom Simpson

254 pagina’s
Yellow Jersey Press, 2007

Reasoned Decision of the United States Anti-Doping Agency; On Disqualification and Ineligibility ~ USADA

Zou iemand fictie hebben geschreven met een man als Lance Armstrong als hoofdpersoon, dan had dat tot voorkort misschien nog net een kinderboek kunnen opleveren. Voor een hedendaags literaire roman was zijn levensverhaal te zeer ‘over the top’, vanwege alle Dickensiaanse elementen die het ongeloofwaardig hadden gemaakt.

Hij heeft zijn vader nooit gekend. Zijn moeder kreeg hem toen zij nog een tiener was, en de man waar ze uiteindelijk mee trouwde was zeer hardhandig. En toen hij zichzelf de armoede uit sportte was dat in een activiteit die in eigen land geen enkel aanzien genoot. Daarop kreeg hij met een levensbedreigende ziekte te maken, was ten dode opgeschreven, en overwon ook deze tegenslag. Om daarna sterker dan ooit zeven keer de zwaarste sportwedstrijd in de wereld te winnen — vaker dan wie ook daar voor gepresteerd had.

Ondertussen richtte hij ook nog een organisatie op die veel goed beloofde te doen tegen die ernstige ziekte, en verkeerde hij op voet van gelijkheid met alle groten der aarde. Even schaarde zich zelfs een godin uit de rockmuziek aan zijn zijde.

Misschien is het daarom jammer dat ik niet heb vastgelegd wat mijn gedachten waren toen Armstrong voor het eerst na zijn balkanker de Ronde van Frankrijk won.

De Lazarus-legende levert een heel krachtig verhaal op. Alleen was ik in 1999 helemaal uitgekeken op de Tour; volgens een tekstje op een website die inmiddels niet meer bestaat. Omdat iedereen alleen die Ronde van Frankrijk belangrijk was gaan vinden, was die veel te belangrijk gemaakt. En daarmee saai. De renners koersten allereerst om niet te verliezen.

Wel nog geboekstaafd online is mijn immense hekel aan Lance Armstrong van enkele jaren daarna. Omdat hij en zijn ploeg de Tour zo domineerden dat alle verrassing uit de etappewedstrijd verdween. En ondertussen bleven de media maar overspannen doen of het drieweekse evenement het wielerhoogtepunt van het jaar was.

Dat doen ze trouwens nog.

Of Armstrong doping gebruikte of niet, interesseerde me daarbij niet wezenlijk. Dat zou wel. De afwezigheid van bewijs was nu eenmaal geen bewijs van afwezigheid, zoals de Tour de Dopage van 1998 al had geleerd.

En nog altijd is niet rechtstreeks bewezen dat Armstrong dopeerde. Al claimt de Amerikaanse dopingautoriteit USADA over bloedstalen te beschikken waaruit doping zou blijken. Lance Armstrong besloot zich evenwel niet meer te willen verdedigen tegen deze en andere aantijgingen; waardoor die bloedstalen nooit een contra-expertise zullen krijgen.

USADA schorste hem inmiddels voor het leven, en nam Armstrong ook maar meteen al zijn Tour-overwinningen af.

Wel moet de internationale wielerbond UCI dit oordeel nog bekrachtigen [1]. En daarom heeft USADA een overzichtsrapport gemaakt met alle bewijzen die verzameld werden tegen Armstrong. Met enige marketingpoehaa werd Lance Armstrong en zijn teammanager Johan Bruyneel daarbij verweten het meest gesofisticeerde dopingprogramma aller tijden te hebben gerund.

Het bestaan van Oost-Duitsland is ondertussen wel heel makkelijk vergeten.

Armstrong komt uit het rapport naar voren als een onmogelijke dwingeland; een berekenende psychopaat die ten koste van alles winnen wilde; een man die op alle mogelijke manieren mensen aanviel en kwaad deed die niet met hem meewerkten. De man ook met het perfecte programma, waarvan de beste doping slechts een onderdeeltje was.

Maar, het zij gezegd, wielrennen is een teamsport. Niemand wint een profkoers alleen. Omdat je nu eenmaal zo veel energie spaart in de luwte van een ander. Minstens 30% aan energie scheelt het al als een ander voor jou de wind breekt. En dat is nog wel het minste dat helpers doen.

Saillant aan het USADA-rapport is daarom vooral hoeveel teamleden alsnog bereid zijn gevonden om onder ede tegen Armstrong te getuigen. Die getuigenissen lijken me overigens ook het interessantst aan alle teksten. Mede omdat die nog iets bieden dat op een verhaal lijkt.

Zo vluchtte de renner David Zabriskie de wielersport in om aan een leven thuis met een drugsverslaafde vader te ontkomen; daarbij zwerend nooit te willen worden zoals hij. Om vervolgens door Bruyneel voor de simpele keuze te worden gesteld: of jij spuit met de mannen mee, of je krijgt je ontslag.

De rest van het rapport is niet de meest interessante leestekst denkbaar. Ook al omdat die eigenlijk niet gelezen kan worden zonder voorkennis. Maar wie deze kennis bezit, ziet veel dat al vermoed werd. En andere antwoorden ontbreken, zoals de grote vraagtekens die geplaatst moeten worden bij de rol van de UCI.

Het is ook niet handig dat dezelfde organisatie die de sport in de wereld populariseren moet tegelijk hoort te oordelen over alles was de sport in diskrediet kan brengen.

Armstrong was lang een enorm geschenk voor deze wielerunie. Het bestaan van de wielersport als Olympische discipline staat namelijk al een hele tijd ter discussie. Vanwege de doping onder meer, en omdat er dure fietsen voor nodig zijn, en de sport in slechts enkele landen op niveau wordt beoefend.

Het Lazarus-verhaal van de ten dode opgeschreven kankerpatiënt sprak alleen ook stevig buiten het wielerwereldje aan. Bovendien werd door Lance Armstong die gigantische Amerikaanse consumentenmarkt wakker geschud. En dat was iets waar de hele fietsindustrie van heeft geprofiteerd.

Wat ook meeweegt is dat Hein Verbruggen, de Nederlandse UCI-voorzitter tijdens wiens regeertermijn Amstrong heerste, uit de marketing komt. Die was getraind om zakelijke trends te herkennen.

Sinds de openbaring van het USADA-rapport vorige week duiken allerlei oude geruchten weer op over Armstrong en de UCI. Zo zou sponsor Nike een half miljoen dollar aan Verbruggen betaald hebben om hun product Armstrong uit de wind te houden na een positieve dopingtest.

Zeker is dat Bruyneel en Armstrong in 2001 op het hoofdkantoor van de UCI minstens een ton overhandigd hebben om dopingonderzoek te steunen. De UCI ontkent dat dit was om vervolging af te kopen. Floyd Landis en Tyler Hamilton hebben evenwel onder ede getuigd dat Armstrong hen zei dat dit een afkoopsom was.

Maar daarvoor was er nog 1996. In oktober van dat jaar werd ver uitgezaaide teelbalkanker ontdekt bij Armstrong. Gezien de aard van deze ziekte had die veel eerder gevonden kunnen zijn. Bij balkanker fluctueren de waarden van het mannelijke hormoon testosteron nogal flink. Van andere kankerpatiënten is bekend dat zij hun leven juist te danken hebben aan een positieve dopingtest, waardoor de ziekte vroegtijdig bij hen werd gevonden.

Armstrong had in 1996 tot oktober juist het beste jaar uit zijn carrière. Ondanks de kanker; wat voor normale mensen onmogelijk is. En hij testte nooit positief, ondanks zijn totaal afwijkende hormoonwaarden.

Het USADA-rapport gaat niet in op deze periode — bekeken is Armstrong’s loopbaan pas na de kankertijd. Evenmin gaat de dopingautoriteit in op andere geruchten over verdere ‘bescherming van hogerhand’. Zo werd dit jaar nog een Federaal onderzoek van het ene moment op het andere stopgezet, zodat onbekend blijft of geld van de Amerikaanse post misbruikt werd door Armstrong’s team om doping te kopen.

En al dit maakt dat Armstrong’s levensverhaal inmiddels wel tot stof voor speculatie en daarmee fictie is geworden. Want het USADA-rapport biedt als tekst te weinig; hoewel getracht is een systeem in kaart te brengen.

Is Lance Armstrong tijdens zijn loopbaan telkens beschermd door mensen met grotere belangen? Hoe kwam het dan dat Johan Bruyneel scheen te weten wanneer de dopingcontroleurs langskwamen?

En, wezenlijker misschien, en nog minder goed te beantwoorden, is een cruciaal deel van het sprookje Armstrong niet dom noodlot geweest, maar gewoon puur eigen schuld?

Bekend is dat Lance Armstrong vanaf 1990 begeleid werd door een coach die anderen tot dopinggebruik heeft aangezet. Daardoor zal hij al vroeg groeihormoon en anabolica hebben gebruikt — en beide zijn nu net middelen die in overmaat balkanker kunnen veroorzaken.

Hij kan dus heel goed zichzelf die kwaal hebben gespoten.

En wat had Armstrong nog te verliezen nadat hij die bijna accidentele dood had overwonnen? Ik herlees momenteel Bill Strickland’s Quotable Cyclist uit 1997, en kwam daarin dit onverwacht tekenende citaat tegen, van voor de kanker.

What athletes do may not be that healthy, the way we push our bodies completely over the edge to degrees that are not human. I’ve said all along that I will not live as long as the average person.

Lance Armstrong [2]

[ wordt vervolgd ]

Reasoned Decision of the United States Anti-Doping Agency;
On Disqualification and Ineligibility
201 pagina’s
USADA, 2012
  1. *update 22 x 2012: ook de UCI heeft Armstrong zijn zeven Tour-zeges afgenomen. Saillant detail bij dit alles: had Lance Armstrong meegewerkt met USADA’s onderzoek, dan waren zijn zeges van 1999, 2000, 2001, 2002, en 2003 blijven staan — omdat de misdaad doping te hebben gebruikt inmiddels verjaard was []
  2. [dan nog slechts de eerste Amerikaanse winnaar van een wielerklassieker, en de wereldkampioen van 1993] []

Supergenen en turbosporters ~ Sietse van der Hoek & Toine Pieters

Dertig jaar al hoor ik dat gendoping eraan komt. Dat wedstrijden gedomineerd gaan worden door in laboratoria gekweekte atleten.

Minder vernam ik sindsdien over de wetten in de weg, en de praktische bezwaren. Maar dat nog altijd niemand publiek speculeert over de aanwezigheid van genetisch gemanipuleerde sporters op grote kampioenschappen is aanwijzing genoeg.

Want, misschien kwam het voor het grote publiek nog als een verrassing dat zelfs Lance Armstrong toegaf alles gebruikt te hebben om wedstrijden te winnen. Geruchten over zijn dopinggebruik waren er altijd al.

In Supergenen en turbosporters las ik voor het eerst iets gefundeerds tegen het idee dat sporters in de baarmoeder of daarna via genetische modificatie tot betere sporters zijn te maken.

Het is namelijk veel simpeler om iemand een pilletje of injectie te geven met iets aan doping. Dat werkt altijd. Al hangt het wel van het individu af hoe goed.

Juist bij genetische aanpassing moet maatwerk geleverd worden — en dat is ontiegelijk veel duurder. Tenminste, dat was zo bij het schrijven dit boek. In de gen-technologie halveren de kosten inmiddels elk jaar.

Blijft wel staan dat natuurlijke genenuitwisseling een simpeler proces is. Laat twee goede sporters eenvoudigweg paren — dat doen ze toch al, veel meer mensen van hun leeftijd dan andere sporters ontmoeten ze niet — en er is grote kans dat éen hunner kinderen in elk geval de bouw, spieren, en coördinatie van de ouders erft.

Draait het in topsport alleen ook nog om iets anders. Talent is nooit genoeg. In geen enkele bezigheid. Topcoach Henk Kraaijenhof viel het bijvoorbeeld op dat succesvolle atleten ook altijd een enorme innerlijke drive hadden; die moesten iets bewijzen van zichzelf. Vaak om een redelijk trieste reden.

Over gendoping viel betrekkelijk weinig te schrijven. Vandaar dat Supergenen en turbosporters van Sietse van der Hoek en Toine Pieters voornamelijk over de dopingproblematiek in het algemeen gaat. Daarover hebben ze vele gesprekken gevoerd, met Nederlandse dopingautoriteiten, sporters, artsen, en onderzoekers.

Maar daarbij valt al gauw op dat het boek uit 2007-2008 stamt. Toen er nog vele onthullingen moesten volgen. Een geïnteresseerde leek die sinds het USADA-rapport over Lance Armstrong het nieuws een beetje volgde, weet het meeste daarom wel.

Hoogstens biedt dit boek een heel spectrum ideeën over doping en dopinggebruik, die lang niet allemaal eensluidend zijn; en waaruit de lezer zich dus zelf een mening zal moeten vormen.

Voor mij blijft vooral een vraag waarom het in de media lijkt of doping gebruiken het ergste is dat iemand kan doen. En oud-wielrenner Maarten Ducrot gaf daarover misschien wel het beste antwoord:

scheiding

Kinderen snappen heel goed wat de boze heks betekent in het sprookje Sneeuwwitje. De boze heks is nodig om Sneeuwwitje te kunnen laten gloriëren als het goede. Zonder de boze heks was iedereen Sneeuwwitje. Zonder het kwade kun je je niet profileren als het goede. In de sportwereld heeft doping die functie. [237]

scheiding
Sietse van der Hoek & Toine Pieters
Supergenen en turbosporters
Een nieuwe kijk op doping

336 pagina’s
Nieuw Amsterdam, 2009

Van start op twee linkerschaatsen ~ Harm Kuipers

Ooit was koffie doping. Althans, coffeïne stond op de dopinglijst. Zelfs al moest je een onmogelijk grote hoeveelheid espresso drinken om daar enig positief effect van te ondervinden. Op sportief vlak tenminste.

En toen heeft Harm Kuipers het nog voor elkaar gekregen dat coffeïne van die lijst geschrapt werd. Want, hoe zo zouden sporters geen koffie meer mogen drinken, als de hele samenleving koffie gebruikt om wakker te worden, en het middel werkelijk overal te koop is; zodat echt niemand er een exclusief voordeel uit zou kunnen halen?

Kuipers wilde nog wel meer middelen van die dopinglijst weghalen ook. En met zelfs nog betere redenen als met die coffeïne. Want onderzoek van hem en zijn medische collega’s in Maastricht had aangetoond dat een heleboel als doping beschouwde middelen sportieve prestaties niet of veeleer negatief beïnvloeden.

Maar, zo veel nieuwlichterij was ongewenst. Dopingbeleid bleek ook los van IOC gekomen allereerst politiek beleid te blijven — volgens Kuipers gestuurd door conservatieve Fransen — en bestaande politieke opinies zijn nu eenmaal merkwaardig bestand tegen kennis.

Dit kijkje achter de schermen beviel me het best aan Van start op twee linkerschaatsen. Een reeks anekdotes waarmee Harm Kuipers [1947] — Drent, wereldkampioen allround schaatsen in 1975, arts — toch allereerst een mannelijke autobiografie schreef.

Mannelijke autobiografieën gaan namelijk altijd allereerst over iemands werk. Persoonlijke gevoelens worden veelal buiten deze boeken gelaten. Zelfs van persoonlijke informatie, zoals de vraag of zo iemand kinderen kreeg, is het altijd afwachten of die zulke memoires nog halen.

Persoonlijk werd Van start op twee linkerschaatsen ook pas op het allerlaatst, toen Kuipers, nog altijd sec, beschreef hoe hij eerst prostaatkanker kreeg, en daarna nog eens slokdarmkanker.

Tegelijk ben ik ook allereerst een mannelijke lezer. Dus kunnen mij de heel intieme zaken niet altijd het meeste schelen — vooral niet als deze redelijk inwisselbaar zijn. Vele mensen kregen kinderen; en gingen gewoon door met hun leven.

Mij boeide vooral wat Harm Kuipers terloops duidelijk maakte over de wereldjes waarin hij telkens verkeerde. Over hoe weinig kennis er nog was over de beste trainingsmethodes in zijn tijd als topschaatser bijvoorbeeld. Kuipers vond sportief baat bij veel kortere en intensievere trainingen en veel meer rust dan in zijn tijd gebruikelijk was — zeker bij rust vlak voor een belangrijke wedstrijd. Het duurde nog lang tot zo’n inzicht breed gedeeld zou worden.

Waren er die passages over zijn avonturen achter de schermen van de dopingbestrijding.

En op het einde van het boek schreef hij toch ook over de aanpak van de kanker bij hem opvallende zaken. Zoals dat éen van de effecten van de bestralingen die hij kreeg, was dat zijn darmen melksuikers niet meer goed konden afbreken. Waarop Kuipers zijn dieet veranderde, met goed resultaat, en daarop merkte dat zijn behandelaars niet wisten dat die aanpassing in de voeding de behandeling behoorlijk kan verlichten.

Waarschuwt hij in het boek vervolgens in het boek trouwhartig tegen de vele kwakzalvers die iemand met een chronische ziekte tegen komen kan, op zoek naar relevante informatie. Terwijl deze hele uitgave in vrijwel alles al toont dat veel van wat voor waar wordt aangenomen dat helemaal niet hoeft te zijn.

En beter kunnen boeken voor mij toch nauwelijks doen.

Harm Kuipers, Van start op twee linkerschaatsen
Autobiografische vertellingen

144 pagina’s

God of Duivel ~ Peter Winnen

Lance Armstrong antwoordde drie keer ja, toen Oprah hem op televisie vroeg of hij doping gebruikt had. En met die bekentenis lijkt ook mijn belangstelling voor het onderwerp wat verdwenen te zijn. Wonderen bestaan dus niet. De man die de Tour de France vaker had gewonnen dan welke renner eerder, had daarbij verboden medicinale hulp gehad. Zoals iedereen met enig wielerverstand ook al vermoed had.

Fascinerend aan de kwestie was alleen dat Armstrong alle beschuldigingen altijd zo glashard bleef ontkennen. Vijfhonderd keer was hij op doping getest, en nimmer positief bevonden, zo was zijn argument daarbij.

Hangt het vervolgens meestal van strikt persoonlijke opvattingen af hoe erg iemand zulk een dopinggebruik vindt. En ik ben van de rekkelijke school, zoals hele dossiers op mijn beide weblogs getuigen.

Professionals moeten zich vooral zo goed als mogelijk verzorgen; het is hun beroep om lichamelijk te presteren. En dat er een lijst bestaat met middelen die niet gebruikt mogen worden voor het herstel na zware inspanningen, of om de conditie te verbeteren, leidt helaas toch ook tot willekeur. Want hoezo mag een verkouden of grieperige atleet dan geen volkomen alledaags hoestdrankje gebruiken, zonder daartoe een officiële ontheffing te moeten aanvragen?

In God of Duivel is een bloemlezing verzameld uit Peter Winnen’s columns met doping als onderwerp. Daardoor bestaat er enige overlap met andere bundels van hem. Het boek biedt ook enkel momentopnametjes. Deze verzameling begint chronologisch als wijlen Marco Pantani nog renner is, en eindigt met Lance Armstrong in de biechtstoel bij Oprah. En tussendoor komen tal van affaires langs, die me soms wel, en soms juist niet zijn bijgebleven.

Dat Johan Museeuw betrapt werd wel, mede om de afgetapte SMS-jes, en ook dat wijlen Frank VDB de aanwezigheid van al die dopingproducten in zijn huis verklaarde uit zorg om zijn hond. Maar als er toevallig éen verder minder bekende renner ooit erg hard reed tijdens éen koers, en Winnen daar iets over opmerkte, herinnerde ik me eerder dat al eens in een column van hem gelezen te hebben, dan dat me die koers nog bijstond.

De meerwaarde van een ex-prof als Winnen bij een onderwerp als doping is alleen al dat hij zelf, om te herstellen, weleens iets gedaan heeft of ondergaan moest wat volgens de regels niet mocht.

Waren dat alleen nog allemaal relatief onschuldige middelen. Pas met het gebruik van EPO veranderde er iets fundamenteels in het wielerpeloton. Van de ene dag op de andere werd de klimmer Winnen op hellingen voorbij gesjeesd door Italianen die voorheen nog geen heuvel op konden komen.

En toch waren die producten uit Winnen’s tijd zo onschuldig niet of mederenners konden er verslaafd aan raken. Verdovende middelen werkten ook om de pijn buiten de koers weg te nemen. Waren er nog wel meer redenen waardoor menig ex-prof niet heel oud werd, en zelf het leven beëindigde.

Wat goed blijft aan Peter Winnen’s columns is een paradox. Want, zo’n wielerwedstrijd, helemaal als die drie weken duurt, is een krankzinnig iets. Helemaal omdat de organisatoren telkenmale de ergste hellingen opzoeken om een parcours te krijgen dat strijd kan opleveren. Zo’n bestaan als beroep is moordend. En tegelijk blijft het peloton, ook in zo’n grote ronde, de meest leefbare plek die er bestaat voor een professionele fietser.

Groots blijft daarom dat zowel de verbazing over de sport als de liefde daarvoor in zijn verhalen door blijven klinken.

Peter Winnen, God of Duivel
Alles over doping

222 pagina’s
Thomas Rap, 2013