Goedfrou foar it libben ~ T. de Jager - van der Zee

Het was een goed idee om nog eens een boek te wijden aan het leven van de Dokkumer vroedvrouw Catharine G. Schrader [1656 – 1746]. Een vraag is voor mij wel of de romanvorm daartoe de beste mogelijkheden bood.

Catharine G. Schrader’s naam leeft nog altijd voort, in een naar haar genoemde stichting. Die heeft als het doel om kennis over de verloskunde te bevorderen. Deze faam dankt zij aan haar praktijkdagboek, dat bewaard werd gebleven, en een heel rijke bron van kennis is over geboorten en kraamzorg in de achttiende eeuw. Misschien wel de enige bron.[1]

Tineke de Jager – van der Zee gebruikt het bestaan van deze aantekeningen ook als kader voor haar boek. Ze laat de dan al op leeftijd zijnde Catharine Schrader telkens in het praktijkboek bladeren, en haar zo herinneringen ophalen aan kenmerkende gebeurtenissen van toen.

Bovendien staan er enkele korte citaten uit de historische tekst in de roman. Zoals het indrukwekkende slot, waarin de vrouw terug kijkt op haar leven:

Hebe dit in mijn 85 jaar mijnes ouwderdoms, 1740 den 18 september. En sall het nu mijn lesste licht wessen. En hebbe de tit mijnes sundigen levens een sware tit gehat. En omtrent over de virdusent kinders ter werrelt geholpen, dar onder 64 twelinge en 3 drylinge.

Schrader’s praktijkboek bevat vooral beknopte mededelingen over de bevallingen. Die aantekeningen zijn lang niet beeldend genoeg om daar zo maar uit een roman uit te destilleren. En dat geeft een schrijver dan weer de ruimte om zelf accenten en kleuring aan te brengen.

Of toch niet?

De schrijfster van de roman Goedfrou foar it libben koos er voor om enkele tekende bevallingen uit de loopbaan van de vrouw uitgebreider te beschrijven. Zo was er een eerste keer dat Catharine Schrader zonder haar man de chirurgijn een bevalling deed. Er was eens een kind dat met de helm op geboren werd. Het ging ook weleens mis. En omdat de vroedvrouw uit gegoede kringen stamde, is er ook dat accent nog. Dit levert een episode op over een verblijf van drie weken bij de regentenfamilie Van Aylva.

Dus lijkt dit boek in principe afwisselend en kleurrijk genoeg om van begin tot eind te kunnen boeien. Alleen was dit voor mij niet zo. En dit kwam door de manier waarop Tineke de Jager – van der Zee al deze voorvallen verwerkt heeft.

Zelf heeft ze het over een roman in verhalen. Ik denk dat het woord tafereeltjes meer op zijn plaats is dan verhaal. Tableaux vivants, waarvan Catharine Schrader steeds in het middelpunt van de actie staat.

De schrijfster lijkt haar manier van vertellen namelijk meer ontleent te hebben aan de televisie, of de film, dan aan de romanliteratuur. Tekenende beschrijvingen ontbreken vrijwel steeds. Of het moet zijn hoe ze emoties weergeeft. Als ik niet al had geweten hoe kinderen ter wereld komen, had dit boek me dat ook niet geleerd; zelfs al vindt er de ene bevalling na de andere in plaats.

Bovendien speelt vrijwel alles zich in ‘real time’ af, waarbij de seconden zeker tijdens de dialogen soms eindeloos langzaam door tikken. Terwijl het mooie van de romankunst nu net is, anders dan bij toneel of televisie, dat de schrijver zo makkelijk handelingen kan samenvatten in éen zin of twee. En zo dus vermijdt om uit te spellen wat vaak niet eens uitleg behoeft.

Tegelijk is heel goed te begrijpen waarom Tineke de Jager – van der Zee deze roman geschreven heeft zoals die geschreven is. Dat het originele praktijkboek van Catharine Schrader zo’n belangrijke historische bron is, betekent ook dat wij heel weinig weten over die tijd. Dus moet een schrijver, niet anders als een historicus, wel overal kennis weghalen, om een wereld rond 1700 te scheppen die geloofwaardig overkomt.

Maar hoe werd de navelstrengen afgebonden toen? Hoe veel luiers had een huishouden toen? Waren er wel luiers?

Dat zijn zo maar wat vragen die ik heb, uit een heleboel meer. En de antwoorden daarop zijn misschien helemaal niet nodig om een mooi verhaal te kunnen schrijven. Alleen is zulke kennis dat wel. Omdat een boek er zo veel rijker door wordt als de auteur zo nu en dan een verrassend historisch detail even kan laten flonkeren.

Al dit maakt de historische roman ook een heel moeilijk genre, en misschien wel een onmogelijk genre om mee te debuteren. Omdat er naast de problemen die het schrijven op zich al oplevert de moeilijkheid speelt dat er zo veel andere vakkennis bij nodig is. En daarbij heeft Tineke de Jager – van der Zee zich nog eens extra in het keurslijf gesnoerd door een verhaal te willen schrijven over het leven van iemand die echt heeft bestaan. Terwijl zo’n leven toch zo zelden een verhaalboog oplevert waaraan een boek is op te hangen.

Ik sluit daarom niet uit dat een roman de meest onmogelijk manier was om nog eens om aandacht aan Catharine Schrader te geven. Van Goedfrou foar it libben is mooi dat toch een poging gewaagd is, en dat de mogelijkheden gezien zijn dat er eem boek in dat leven zat; wat toch ook een talent is. Jammer alleen dat het ook zien liet hoeveel moeilijkheden de schrijfster daarbij te overwinnen had, en hoe vaak ze voor de moeilijkheden weggelopen is.

T. de Jager – van der Zee, Goedfrou foar it libben
Ferhaleroman oer it libben fan Catharine Schrader

198 pagina’s
Kristlik Fryske Folksbibleteek, nû. 447, 2008
ISBN/EAN: 978-90-74918-65-7
priis: € 14,00
  1. Het boek is opgenomen in de Basisbibliotheek met 1000 sleutelteksten uit de geschiedenis van de Lage Landen []

Libben reach ~ Greet Andringa

Libben reach, de debuutroman van Greet Andringa, zet stevig in. Het boek opent in het ziekenhuis. Waar Geeske aan het bed zit van haar tweejarige dochtertje Tjitske. Dat ligt in coma. En meteen is de vraag of dit kwam omdat ze van de trap viel, of doordat ze geduwd werd door haar moeder.

Geeske heeft dan net een zoontje gekregen. Het kan zijn dat ze daarom aan een postnatale depressie lijdt, en niet verantwoordelijk is voor eigen daden. Of misschien is het anders, en gebeurde alles in een vlaag van woede, omdat ze nu een keer zo in elkaar zit. Wellicht was het gewoon een ongeluk.

De schrijfster gebruikt deze onzekerheid vervolgens om motieven aan te reiken. En daarvoor duikt ze in het verleden. Dat maakt deze roman ook tot een bijzondere familiegeschiedenis, van drie generaties Wiggersma’s — al wordt vrijwel alles via de vrouwen in de familie verteld, en weet ik niet of die altijd deze achternaam zullen hebben gehouden.

Achterin het boek staat een geslachtsregister, om bij het lezen te helpen wie nu precies wie is. En dat is vooral in het begin nodig omdat vrijwel niets rechtstreeks verteld wordt in het boek. In de familie is nogal eens iets gebeurt, waar dan zelden openhartig over werd gepraat. Familieleden krijgen lang niet alles te horen — als ze tenminste nog met elkaar praten — of op zijn best in gedeelten, over een lange tijd verspreid. In Libben reach [‘Leven(d) spinrag’] weerspiegelt de vorm van de roman de inhoud. De hoofdstukken zijn fragmentarisch, en soms krijgt haast ongemerkt ineens iemand anders als Geeske even het woord.

Tegelijk krijgt de lezer op deze manier ook een tal andere opvallende geschiedenissen aangereikt. Zo komt in flarden het intrigerende verhaal van Gauke en Gertrud aan bod, de grootouders van Geeske. Hij werd tijdens de oorlog in Duitsland te werk gesteld, en woonde na 1945 een tijd in de DDR. Dat zijn zo al twee gegevens waar in Nederland nauwelijks of geen boeken over bestaan, laat staan dat er in fictie over geschreven werd. Rijk is de schrijver die zulke verhalen achteloos kan rondstrooien in het psychologische portret van een ander, en zo een verlangen oproept naar meer.

Greet Andringa [1971] is redacteur van het literaire blad Ensafh, en schrijft dit jaar het geschenk voor de maand van de Friese literatuur, die in september wordt gehouden. Ze debuteerde in 2003 met de verhalenbundel De diggels fan Che. In het dagelijks leven is ze arts bij de Verslavingszorg Noord-Nederland.

Haar roman Libben reach werkte voor mij op meerdere niveaus. Er is dat portret van die ene vrouw, dat gekleurd wordt doordat zij haast alles verteld. Er is die nuancering van dat privé-verhaal door die familiegeschiedenissen. En ook zag ik er een studie in naar het ‘Nature or nurture-debat’; die eeuwige vraag of mensen geprogrammeerd zijn tot bepaald gedrag, of dat ze zo worden gemaakt. Andringa is dan weer slim genoeg om haar verhalen in een familie te plaatsen. Waardoor zowel de genen een rol zullen spelen, als de omstandigheden van buitenaf gedrag kunnen triggeren.

Uiteindelijk heb ik slechts twee niet heel zwaarwegende bedenkingen bij het boek. De eerste is dat de taal soms onnodig aandacht voor zichzelf opeist. Korte zinnen. Staan er dan. Heel vervelend. Bij het lezen. Terwijl Andringa’s taal nu juist veel registers heeft die wel effectief zijn, haar taal dan wel daardoor de verhalen ten dienste staan; ongemerkt voor de oppervlakkige lezer.

En met dit debuut is het Greet Andringa nog niet helemaal gelukt om het stilzwijgende contract te vervullen dat een schrijver sluit met de lezer. Bij lezen, of welke andere vorm van hoge of lage cultuur ook, gelden namelijk voorwaarden voor de ruil. Het publiek schenkt zijn tijd en aandacht. En de kunstenaar komt de beloften na waarmee het publiek de voorstelling werd binnen gelokt.

Als een boek dus begint met iets vreselijks, en zo’n roman besteedt vervolgens veel ruimte aan het uitpluizen van motieven, dan moet het einde heel stevig zijn. Dat is een simpele vertelwet, die rechtstreeks voortkomt uit de keuze van de opening.

Libben reach heeft in opbouw geen andere structuur dan bijvoorbeeld het detective-verhaal — en trouwens niet het detectiveverhaal alleen. Ik bedoel dit overigens in het geheel niet denigrerend. Er bestaan namelijk slechts enkele manieren om een verhaal boeiend te vertellen van begin tot eind. Niets uit te sluiten is zelfs dat wij mensen slechts denken volgens een beperkt tal narratieve structuren. Het is daarom raar dat zo veel schrijvers denken dat zulke wetten niet voor hun gelden.

Maar anders dan een detective biedt deze roman geen opzienbare tweede climax, na die eerste zo hevige probleemstelling. Er is wel een soort van openbaring aan het eind, maar die viel me eerlijk gezegd wat tegen. Dus bleef er direct na het lezen toch onvrede hangen over wat dit boek bewerkstelligde. Ook al omdat de schrijfster heeft laten zien dat ze de ambachtelijke beheersing bezit om een roman onvergetelijk te maken.

Die onvrede trok overigens betrekkelijk snel weg. Daarvoor was dit een te goed boek.

Greet Andringa, Libben Reach
256 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2008
ISBN 978 90 330 0669 2
prijs: € 18,50

Grimmig eerlijk ~ Joke Corporaal

Biografieën blijven vreemde boeken. Traditioneel gingen biografieën over heiligen en grote mannen. Toen waren ze nog in de eerste plaats bedoeld als ideaal en voorbeeld, om de lezer tot een beter mens te maken. Tegenwoordig hebben biografieën al gauw een doel dat precies andersom is. De meeste worden geschreven om geheimen aan het licht te brengen, en zo een grootheid tot mens te degraderen. Daar wordt geen lezer meer een beter persoon van. Maar sommigen kunnen zich wel beter voelen als de stakker van wie de fouten dan ineens zo ongenadig op een rijtje staan.

De dissertatie van Joke Corporaal over Anne Wadman, waar ze in december mee promoveerde tot doctor in de letteren, werd een verhaal waarin veel aan het licht is gebracht. Toch is nogal wat dat in deze biografie staat belangrijk door wat het boek niet vertelt, opvallend genoeg.

Anne Wadman [1919 – 1997] is tegenwoordig een grote naam in de Friese literatuur. Hij was een vernieuwer; wat hem nu iemand maakt om te onderzoeken, en boeken over te schrijven. Enkele jaren terug verscheen er al in monografie van Steven H.P. de Jong over het literaire werk van Wadman. En eerder promoveerde Babs Gezelle Meerburg op onder meer de ontvangst van De smearlappen — Wadman’s afrekening met de traditionele Friese boerenroman.

Joke Corporaal zal er mede daarom voor gekozen hebben om een eerdere periode uit het leven van Anne Wadman te bestuderen. Haar boek loopt tot de tijd dat Wadman met De smearlappen begon, in 1963. Toen hij al wel de Gysbert Japicx-priis gewonnen had voor zijn essays over literatuur, maar hij nog een controversieel man was.

Sterker nog, zijn ideeën over waar het in de Friese literatuur aan miste, werden toentertijd als veel te negatief beschouwd. Te modern. En daarmee on-Fries. Terwijl Wadman toch niet meer wilde dan afscheid nemen van een al te nationalistisch pathos; hij slechts streefde naar een literatuur die was als de literatuur in andere Europese landen.

Die voortdurende weerstand, en het ontbreken aan de door hem zo gewenste veranderingen, hebben er vast aan bijgedragen dat Wadman al vroeg somber werd over zijn eigen verdiensten. Hij hield zijn hele leven het idee eigenlijk mislukt te zijn, want voor hem telden zijn successen als Fries schrijver uiteindelijk niet. En dit gegeven intrigeerde Joke Corporaal dan weer, bij haar onderzoek.
 

Psychologiserend portret
Grimmig eerlijk is bovenal een psychologiserend portret geworden van de auteur als jonge man. Daarbij werd dankbaar gebruik gemaakt van de duizenden brieven die Wadman geschreven heeft. Door deze rijke correspondentie kon Joke Corporaal de Friese literaire wereld beschrijven vanuit het perspectief van Anne Wadman en zijn contacten. En Wadman weerde zich in eerste instantie ook in het Nederlandse blad Podium, waardoor in hem die twee vaak zo gescheiden literaire circuits samenkwamen. Het leek er bijvoorbeeld zelfs een tijd op dat zijn debuutroman Fioele en faam bij de Arbeiderspers in Amsterdam verschijnen zou. In het Fries.

Tegelijk had Wadman ook weer niet veel invloed in het Nederlandse wereldje. Zo lukte het hem in 1947 niet om in Hollandse uitgever te interesseren voor L’Étranger van de latere Nobelprijswinnaar Albert Camus.

En de dichter Leo Vroman bekende in datzelfde jaar per brief aan Gerrit Borgers niemand van de Podium-redactie te kennen:

Naar de klank hunner namen te oordelen houd ik Paul Rodenko voor een korte athleet met zwart gemillimeterd haar, die enigszins pornografische detectiveromans schrijft; Fokke Sierksma is neem ik aan voor de culturele zaken en schrijft zo nu en dan een woordje over zoetemelks pluimvee, terwijl Anne Wadman, een vrouw van onbeschrijflijke leeftijd en onophoudelijk gekleed in bruin colbertjasje, groene broek met opgerolde pijpen en klompen met open tenen, haar gevechten met de straatjeugd omzet in epische rijmen.

zoals geciteerd in Hans van Straten, De Schrijflui, 35.

Corporaal vermeldt deze karikatuur niet in haar boek. En dat illustreert waar het voor mij in de dissertatie misschien aan ontbrak. Door de afstand in tijd, Wadman’s reputatie van dit moment, en alleen al omdat er een heel boek over hem geschreven is, krijgt veel uit dat leven gewicht.

Dat lijkt me niet altijd terecht. Daarnaast is de geschiedenis niet goed te bekijken vanuit het hoofdonderwerp alleen.

In de periode 1945 — 1963 was er bijvoorbeeld ineens heel veel belangstelling voor Friese boeken en andere publicaties. Jammer vind ik het daarom dat Joke Corporaal alleen ingaat op wat Anne Wadman had aan te merken op wat er toen verscheen. Wadman’s grootste successen buiten het boek houden is éen ding — die moesten ook nog komen — maar door de successen van anderen te negeren, krijgt zo’n tijdperk geen reliëf; terwijl het boek zich wel tot die periode beperkt.

Nu weegt misschien mee dat Wadman’s ideeën over literatuur tegenwoordig gauw ook onze ideeën zijn, en Joke Corporaal misschien mede daardoor automatisch zijn kant gekozen heeft. Diens idealen zijn ons niet vreemd. Wat alleen al zo is omdat haast iedereen nu zo veel meer opleiding genoten heeft dan in die tijd normaal was. Maar door de strikte focus op Anne Wadman als persoon, krijgt zijn biografie niet altijd de goede scherptediepte.
 

Taal en betere taal
Eén onderwerp waar Joke Corporaal inhoudelijk niet aan toekomt in het boek, is dat van Wadman en het Fries als schrijftaal. Eigenlijk komt dit aspect alleen opvallend aan de orde als ze het heeft over de korte pennenstrijd die Anne Wadman voerde met Jan Jelles Hof [1872 – 1958].

Hof, die toen hoofdredacteur was van het populaire tijdschrift Frysk en Frij, schreef in oktober 1945 aan Wadman:

jou Frysk mocht sims wol hwat better wêze, heite!

[noot 552 uit de dissertatie]

En Joke Corporaal heeft Hof’s verwijt vooral gebruikt om Wadman’s grote onzekerheid nog eens te tonen. Zelfs al schreef hij dan al tien jaar in de taal, volgens anderen kon hij er nog altijd niet veel van. En dat greep hem aan. In zijn dagboek staat:

‘Ik freegje my ôf, yn ‘e goeddichheid, hokker Fries kin dan syn eigen tael skriuwe?’

[noot 554]

Opvallend aan deze episode is voor mij dat Anne Wadman zich later nu net tegenover anderen zo vaak opstelde taalautoriteit. Zo wordt uit zijn boekenrecensies duidelijk dat het Fries van sommige schrijvers hem gauw te veel Hollandismen had. En Wadman gaf dan vaak voorbeelden van hoe het wel had gemoeten.

Na zijn pensionering had hij zelfs een taalrubriek in de Leeuwarder Courant. En hoewel dat tijdperk buiten het bestek van dit boek valt, en er dus niet over geschreven is, zegt zo’n ontwikkeling misschien veel over Wadman als persoon.

Nu valt meteen op aan deze dissertatie over een auteur uit Friesland, waarin voor het grootste deel uit Friese bronnen werd geput, dat die in het Nederlands verschenen is. En die keuze is natuurlijk het prerogatief van de schrijver. Die weet als beste welke taal hem of haar de meeste mogelijkheden biedt, of het grootste publiek zal aanspreken. En toch, alleen al dat ik me heb afgevraagd waarom dit boek in het Nederlands verscheen, zegt iets. Heeft er misschien angst meegespeeld voor Joke Corporaal? Wilde ze het verwijt voor zijn dat haar Fries niet zo goed was als dat van Wadman? Waren er praktische bezwaren?

Evenmin kan ik iets zeggen over haar keuze om alle citaten — op wat poëziefragmenten na — in het Nederlands op te nemen in de lopende tekst. Zolang de originele citaten maar ergens te vinden zijn — in dit geval als eindnoten achterin — is daar niets tegenin te brengen. Grimmig eerlijk lijkt me in de eerste plaats als leesboek bedoeld te zijn; dat maken zulke keuzes wel duidelijk.

En een prettig leesboek is het ook. Daar kan de schrijfster niet genoeg om geprezen worden. In deze dissertatie komen bijvoorbeeld horden volk voor, rondom Anne Wadman, die stuk voor stuk geïntroduceerd moesten worden. En het valt op dat deze miniportretjes zo elegant door de tekst gevlochten zijn dat hun verplichte aanwezigheid helemaal niet stoorde.

Joke Corporaal’s keuze voor het Nederlands maakte het alleen wel hele moeilijk om over de talige kant van het Fries te schrijven. En volgens mij kan geen biografie over een Friese schrijver zonder aandacht voor zijn of haar ideeën over taal.
 

Een geschiedenis over het nu
Het blijft nu eenmaal een heel bewuste keuze om in dat Fries te schrijven, omdat iedereen ook dat Nederlands in de macht heeft. Dit alleen al maakt het een nuttige onderzoeksvraag om te bekijken of ideeën bij een schrijver over de taal constant blijven in de tijd. Het antwoord op die vraag zegt veel over een persoon, maar kan ook veel vertellen over ontwikkelingen in de cultuur.

Het Fries is bijvoorbeeld nog altijd bezig met een standaardiseringsslag. Die brengt een heimelijke taalbeweging met zich mee, die een liefde lijkt te hebben voor purismen, en ook een voorkeur schijnt te bezitten voor taal die zo ver van het Nederlands af staat als maar kan. Anders zouden de Friese woordenboeken wel het idioom tonen dat dagelijks gebruikt wordt, in plaats van volkomen bedachte woorden op te nemen voor nieuwe technologie; om maar éen voorbeeld te noemen.

En al die zo zelden uitgesproken ideeën over wat nu precies goed Fries is, hebben meer gevolgen, denk ik.

Interessant vond ik bijvoorbeeld dat Anne Wadman in 1963 het verwijt kreeg, van schrijver Klaas de Wit, dat zijn literaire Nederlands moderner en strakker oogde dan zijn Fries. Bij Wadman zorgde die kritiek er voor dat hij toen even helemaal met het schrijven van fictie ophouden wilde. Alleen heeft de geschiedenis ons ondertussen geleerd, dat hij daarna alle hoge idealen aan de kant schoof, om de satire De smearlappen te kunnen schrijven, en zo eindelijk een groot publiek vond voor een boek.

Wat dit betreft houdt de dissertatie dus op een moment vol betekenis op. Een doorbraak zat er aan te komen, maar was er nog niet. En dit maakt dan opvallend genoeg dat het boek ook veel zegt over onze tijd, en niet alleen over die vroege periode in Anne Wadman zijn leven. De problemen die hij had, spelen nu voor veel meer schrijvers. Zijn ooit zo controversiële ideeën over kwaliteit zijn die van ons geworden; zonder dat wij daar nog over nadenken. Als Anne Wadman uitlegt waarom er slechts zo weinig romans verschijnen met enig niveau, dan zijn de oorzaken voor dat probleem niet anders geworden. Geen schrijver kan iets verdienen aan dat Fries, op de heel enkele uitzondering na.

Of, om nog een andere illustratie te geven van de overeenkomsten in mentaliteit van hem als controversiële kwaliteitsbewaker en ons. Toen Wadman in 1948 de bloemlezing Frieslands dichters samenstelde, nam hij bewust geen volkspoëzie op; aldus een groot deel van de Friese taalschat diskwalificerend.

Volgens de samensteller werd poëzie pas interessant als de dichter zich aan het niveau van de volksschrijverij had ontworsteld.

[pagina 290]

Zo staat in het voorwoord van het boek. Wel werden in de bloemlezing verzen opgenomen van auteurs die toen nog een publicatieverbod hadden, om hun rol in de oorlog; zoals Douwe Kalma en Douwe Kiestra.

In de eenentwintigste eeuw zijn er nu al drie grote bloemlezingen verschenen van Friese poëzie. En ik denk niet dat de samenstellers daarvan ook maar een tel overwogen hebben om volkspoëzie op te nemen. Dat er nagedacht is of het werk van ‘foute schrijvers’ wel mee kon, zou me dan weer niet verbazen.

Van de Friese literatuur wordt op het moment zelfs meer verwacht dan ooit, of van welke literatuur in welke taal ook. Lees de provinciale taalnota’s er maar op na. Die literatuur moet niet alleen kwaliteit brengen, maar ook nog de taal verdedigen, en mensen aanzetten tot het lezen en dus gebruiken van het Fries — terwijl er voor het publiek nooit meer andersoortig amusement bestaan heeft als op dit moment.

En goed, dan dacht Wadman dat alle zegen van romans moest komen. Hij is lang de enige niet met dat idee. Ook nu nog. Terwijl ik de hoge status van de roman als een langjarig modeverschijnsel zie, waar ik blij van ben dat er nu eindelijk eens iets in lijkt te veranderen — door de successen van sommige literaire non-fictie. Er zijn nu eenmaal veel meer mensen die fatsoenlijk een documentaire op papier kunnen krijgen, als dat er romanschrijvers worden geboren.

Dat er in vergelijking met andere talen zo veel podia ontbreken voor zakelijke Friese teksten, lijkt me daarom ook een groter probleem voor de gezondheid van de taal dan dat er jaarlijks niet genoeg romans zouden verschijnen.
 

Situatie of man?
Een vraag van mij is groter geworden door het lezen van dit boek. In deze levensgeschiedenis ligt de nadruk nogal op de onzekerheden, en frustraties van Anne Wadman. Hij vond zichzelf dus mislukt. En Joke Corporaal is in dit boek in die visie meegegaan doordat ze uitgezocht heeft waarom hij dat denken kon. Maar daarnaast staat voor mij ook zo duidelijk dr. Anne Wadman de autoriteit. De man die decennia lang honderden literaire kritieken geschreven heeft, waarin hij volgens zijn woorden in It kritysk kerwei strijd leveren mocht. De man ook die later heel zeker wist hoe het zat met de taal.

En dat je weet wat de normen zijn voor wat kwaliteit is, lijkt me éen ding. Dat je moeite doet om die eisen publiek te maken, in krantenstukken en andere publicaties is alweer iets anders. Duidelijk mag ook heten dat Wadman voor zichzelf nog strengere normen had als hij anderen oplegde, en dat hij gefrustreerd was over de kwaliteit van zijn schrijfwerk. Maar waarom bleef hij dan toch decennia lang met die normen bezig, en zocht hij de hele tijd die frustratie weer op?

Lag dit aan de man, of waren het de omstandigheden die hem tot zulk een masochisme dwongen? Omdat er in Friesland niet zo veel mensen bezig zijn in het literaire veld, en het snel dezelfden zijn die al het werk doen? Zet de positie van het Fries wellicht aan tot Messias-gedrag?

Deze vragen bevestigen voor mij anders niet meer dan dat een biografie niet alleen over een man of vrouw moet gaan, maar ook de omstandigheden uit zijn of haar tijd hoort mee te nemen. Anders ontsnapt zo’n boek niet aan het probleem dat de biografie in de kern een heiligenleven blijft, en de vorm dus de schrijver al stuurt.

* een Friestalige versie van mijn ideeën over Grimmig eerlijk staat in het tijdschrift Ensafh, nr 3 van 2010.

Joke Corporaal, Grimmig eerlijk
Anne Wadman en het probleem van de Friese literatuur

551 pagina’s
Uitgeverij Afûk, 2009
ISBN: 978 90 6273 818 2
prijs: € 27,50

Beferzen mar ~ Durk van der Ploeg

Harry Mulisch, die elk jaar gevraagd wordt of hij teleurgesteld is de Nobelprijs weer niet te hebben gewonnen, heeft ooit eens grote schade toegebracht aan mijn liefde voor literatuur. Dit kwam door een merkwaardige uitspraak van hem in een televisie-interview; lang geleden; toen ik nog niet wist dat je schrijvers niet bekijken moest, maar lezen.

Hij zei dat als hij een roman las van een ander het verhaal hem nooit zo interesseerde. Mulisch keek slechts hoe de verhaallijn was aangekleed; waarmee de pagina’s precies waren opgevuld.

Dit onverwachte kijkje in de gereedschapsschuur van de auteur liet me toen in éen keer te veel zien. Tot op dat moment had ik namelijk oprecht het idee gehad dat alle woorden in een boek even heilig zijn. En dat een auteur alleen de woorden zou gebruiken die noodzakelijk waren voor de voortgang van het verhaal.

Later las ik bij Koos van Zomeren hoe het nog weer anders zit. Niet alle auteurs werken namelijk op dezelfde manier. Niet iedereen pompt zijn mus manhaftig op met hete lucht om die zo tot arend te maken.

Je hebt schrijvers die de dingen groter maken en schrijvers die de dingen kleiner maken. Ik geloof niet dat het ene per definitie beter is dan het andere. In beide gevallen wordt door vertekening de juiste maat gezocht.

Koos van Zomeren, Wat wil de koe, oktober 1994

Van Zomeren noemde zichzelf daarbij een echte verkleiner, onder wiens handen hele romans vol verwikkelingen kunnen ineenschrompelen tot een bijzin, in een column.

Het duurde nog een tijd voor ik eindelijk doorkreeg dat lezers vergelijkbare voorkeuren hebben, die sterk de waardering kleuren van wat ze onder ogen krijgen.

Zo is nu zeker dat ik van het juiste en tekende detail houdt, en van auteurs die vlot manoeuvreren in hun teksten. Ik vind schrijvers goed die veel aan de verbeelding overlaten. Mijn temperament speelt gauw op als een boek rijen aan volzinnen biedt die maar om de brij heen blijven draaien, zonder die ooit te benoemen. Zulke teksten moeten dan wel heel mooie taal bieden, willen ze me blijven boeien.

Ik weet alleen niet of die voorkeur voor de vergroters of de verkleiners onder de schrijvers een aangeboren voorkeur is. In mijn eigen schrijfwerk moet ik ook altijd veel filteren, en me duidelijk focussen. Steevast gedwongen om de chaos van de realiteit terugbrengen tot de meest tekenende details, om zo nuttige beschrijvingen te kunnen geven. Mijn bewondering voor schrijvers die zoiets goed kunnen, is groot.

Dus ben ik wel verplicht hier de verontschuldiging te plaatsen dat ik Durk van der Ploeg van nature slecht kan lezen. Van der Ploeg is voor mij duidelijk een vergroter. Mijn leestemperament leent zich slecht voor zijn soort boeken; al heeft hij die eigenschap met vele van zijn collega’s gemeen; zoals de eerder genoemde Harry Mulisch. Mijn instinctieve reactie zegt dus niets over de kwaliteiten van zo’n auteur.

Maar, men hoeft de kwaliteiten van een schrijver ook niet persoonlijk te waarderen om ze te kunnen herkennen. En, het is ook niet verkeerd eens wat meer moeite dan normaal te doen om een boek te lezen.
 

In beferzen mar
Op zichzelf is het jammer dat mijn temperament me bij Van der Ploeg weghoudt. Er bestaat geen productiever romanschrijver in het Fries als Durk van der Ploeg [1930], gekeken naar de afgelopen jaren. In beferzen mar [Een bevroren meer] was alweer zijn negentiende roman. En alleen dit aantal al, en het blijvende succes van die boeken, laat toch vermoeden dat een mens iets mist door hem niet te lezen.

In potentie bevat dit boek ook zeker de ingrediënten voor een intrigerend verhaal.

In beferzen mar speelt zich af in deze tijd, zo rond 2007, in het noorden van Fryslân bij het Lauwersmeer. In de leegte daar heeft Lochman Raven zich teruggetrokken in de afgelegen boerderij van zijn vader.

Loch Raven is een man van eind veertig, die toch al een pensioen geniet. Hij was ooit een beroepsmilitair. Als het boek begint, doet hij nog weleens klusjes voor Staatsbosbeheer, en scharrelt hij zo wat door de dagen heen.

Raven is alleen, met nog wat beesten, zoals paarden. Zijn vrouw liep bij hem weg. Zijn vader is een paar jaar daarvoor gestorven. Zijn moeder overleed al toen hij nog een kind was van een jaar of zeven.

Als het winter wordt, staat er dan op een avond ineens een man aan zijn deur, die beweert zijn jongere broer Teves te zijn. En Teves zit met vele vragen over het verleden. Want hij werd als baby geadopteerd, verdween zelfs naar Holland, en zoekt nu opheldering waarom hij weg moest.

Teves blijft daarop bij Lochman overnachten.

En zo heeft Durk van der Ploeg een boek dat toch met vaart begon al binnen twintig pagina’s alweer tot bijna volledige stilstand gebracht; en daarbij de hele intrige zelfs tot in éen punt geconcentreerd. Hij heeft twee mannen bij elkaar gekregen in een totaal afgelegen boerderij. Twee broers die elkaar niet kennen, en beide zo hun problemen hebben. Van der Ploeg hint bijvoorbeeld telkens naar een oorlogstrauma bij Lochman. En die twee zullen nu met elkaar moeten gaan praten. Terwijl dat praten beide niet goed afgaat.

Even spieken leerde me toen dat ze dit moeizame gesprek misschien wel tweehonderd bladzijden moesten volhouden.

En op zich zegt dit natuurlijk nog niets. Er zijn boeken genoeg, vooral uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, die op een vergelijkbare manier beginnen. Alleen gebeurde dit dan vaak om een raamvertelling mogelijk te maken. Eén van de personages nam dan het woord om een verhaal te vertellen dat zich heel ergens anders afspeelde. Om zo dan met een grote omweg toch iets te vertellen over het hoofdverhaal.

Van der Ploeg pint die beide mannen evenwel vast in de benauwdheid van dat afgelegen boerderijtje. Nu goed, ze gaan ook weleens naar buiten, of naar de winkel. En hij beschrijft zelfs een avondje stappen in een grote stad. Maar dit boek blijft een bijna stilstaand verhaal dat gefocust blijft in dat ene punt.

Hoe lukte het Van der Ploeg dan toch om de pagina’s te vullen? Dit kon alleen door het verhaal met allerlei details aan te kleden — er staan veel natuurbeschrijvingen in het boek — en de handelingen van zijn personages enorm uit te vergroten. Zo geeft de schrijver niet alleen de gedachten weer van Lichtman, maar zelfs het moeizame formuleren van deze gedachten. En, terwijl deze setting zich dus wel leent om de mannen allerlei verhalen uit hun leven te laten vertellen, laat de auteur ze juist de hele tijd zaken verzwijgen. Praten ze wel, dan komen ze telkens op dezelfde onderwerp terug.

Vreemd is dat slechts over de vader van de personages zo meer duidelijk wordt. Alleen is dat nu net geen man bij wie het een plezier is die beter te leren kennen.

Door voor deze aanpak te kiezen, legde Van der Ploeg ook de uitkomst van dit boek al heel vroeg vast. Want, wat is het enige logische einde van een haperend gesprek? Dit is dat deze personages de gedachtewisseling niet langer volhouden. Zit de verrassing alleen nog in de manier waarop de stemmen stom worden, of éen daarvan uiteindelijk staakt.

Dit boek kreeg een sentimenteel einde. Enfin, dat is nu eens een mening over het boek, en geen feit. Ik vind het nu eenmaal altijd een groot zwaktebod als een auteur de dood nodig heeft om zijn verhaal af te ronden, zoals in deze roman gebeurde. Ik heb er niets op tegen om door een schrijver gemanipuleerd te worden, maar als dat zo grof gebeurt, voelt het ook als manipulatie. En dat moet nu net niet.

Maar zou ik mijn reactie op In beferzen mar in éen zin moeten samenvatten, dan luidt die: Van der Ploeg gaf mij als lezer veel te weinig te doen in deze roman. Dat maakte het boek vervelend.
 

Hoe vertelt de verteller?
Om dit opstel te kunnen schrijven, heb ik aardig wat om Durk van der Ploeg heen gelezen. Gekeken wat Jabik Veenbaas alweer over hem schreef in de bundel De lêzer is in duvel, of wat er stond in het jubileumboek Dreame fan in oare wrâld. En in zulke kritieken wordt vrijwel steeds Van der Ploeg’s vertelkracht geroemd, en zijn rijke en o zo gave Friese idioom. Tegelijk hebben besprekers lang niet altijd een eensluidend oordeel over hetzelfde werk. Maar niet éen stuitte op dezelfde problemen als ik heb met een roman als deze.

Ik betwijfel eerlijk gezegd of Durk van der Ploeg nu wel zo’n bijzonder goed verteller is. Wat ik van hem gelezen heb, had een merkwaardige eigenschap, die ik alleen kan beschrijven via een vergelijking over het vertellen.

Er bestaat een groot verschil tussen het horen van een tekst, en het lezen van een tekst. De beste redevoeringen, preken, en colleges zijn namelijk op papier vaak opvallend saaie teksten, die dan vol met dooddoeners blijken te staan. Omgekeerd zal het geen publiek langer als een minuut boeien als iemand de volzinnen van een typische schrijftekst gaat voorlezen.

Bij Van der Ploeg’s romans lijkt het telkens of ik de transcriptie lees van een aan een publiek verteld verhaal. Het is of hij slechts een deel van de technieken kent die enkel schrijvers hanteren om een verhaal spanning te geven. Zijn schrijfmethode dwingt op een heel andere manier. Door haast alles te benoemen, en door uitgebreide beschrijvingen te geven, is het alsof hij een luisterend gehoor wil laten geloven dat ze er in persoon bij zijn. Dat in een roman als In beferzen mar vele schijnbare herhalingen staan, ken ik eerder uit de succesvolle mondelinge communicatie dan uit de schrijverij.

Dus staan er veel te veel woorden op de bladzijde die het lezen maar ophouden. Want lezers hebben zo veel directe informatie niet nodig. Lezers moeten nu juist geprikkeld worden met nieuwe ontwikkelingen, en de hele tijd nieuwe vragen aangereikt krijgen die nieuwsgierigheid scheppen naar hoe het verder gaat. Zelfs auteurs die hun verhaal vergroten om zo de waarheid het dichtst te benaderen, kunnen niet om zo’n elementaire schrijfwet heen. Als de vulling de kwaliteit van een boek voor zo’n groot deel bepaalt, dan moet de vulling van de grootste kwaliteit zijn. Dat is met boeken niet anders als met banketstaven, of noem de delicatesse maar op.

* een Friestalige versie van mijn ideeën over In beferzen mar staat in het tijdschrift Ensafh, nr 4 van 2010.

Durk van der Ploeg, In beferzen mar
222 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2009
isbn 978 90 330 0839 9
priis: € 18,50

Paradys oan de baai ~ Douwe Kootstra

Geen boek is moeilijker te recenseren dan een verhalenbundel, zo heb ik de afgelopen jaren gemerkt. De ruimte ontbreekt meestal om aan alle verhalen uit zo’n verzameling recht te doen. Bovendien is een bespreking met alleen maar korte samenvattinkjes te saai om te lezen.

Dus wordt de recensent wel gedwongen om zelf lijnen te trekken, om zo de constanten in al de verhalen te laten zien. Maar wat dan als sommige delen van het boek zich nu net aan dit soort indelingen onttrekken?

In Douwe Kootstra’s meest recente bundel staat éen wat ander verhaal dan gewoonlijk. Normaal gaat Kootstra op pad, om daar dan later over te schrijven. Ergens een verhaal van maken, helpt het herinneren nu eenmaal zo goed. En Paradys oan de baai is ondertussen al zijn vijfde bundel met reisverhalen, sinds 1987.

Maar, ook het verleden is een ander land, waarin ze de dingen anders deden. En de mogelijkheden die dit biedt, voor een schrijver, lijkt Kootstra nu ook te willen verkennen.

In het verhaal ‘Drachten en Rome’ geeft Kootstra onder meer een persoonlijk gekleurde reconstructie van wat er ooit even opviel aan het katholieke leven in Zuidoost-Friesland. De moederkerk achtte het namelijk ooit vreemd om wel missionarissen naar Afrika te sturen, terwijl er ook in Nederland gebieden waren zonder schijnbaar maar éen katholiek. Daarom werd de Friese groeikern Drachten in de jaren dertig aangewezen als missiegebied.

Tegelijk ging het er daar de eerste jaren slechts om dat de enkele uitgezonden Franciscaner missionaris goed zichtbaar aanwezig was, ter plaatse. Van hun activiteiten heeft het lokale culturele leven ook behoorlijk geprofiteerd. Maar echt invloed kreeg de kerk in Drachten pas na de vestiging van een kraamkliniek, en een kleuterschooltje. Bovendien groeide het tal katholieken in de gemeente plots sterk in de jaren vijftig. Toen opende Philips er een fabriek, waarvoor de staf veelal uit het goed-Katholieke Brabant kwam.

Kootstra weeft in ‘Drachten en Rome’ drie verhaalelementen heel elegant door elkaar. Hij laat zichzelf er als kleuter in rondscharrelen, die bij de nonnetjes op school is geweest; hoewel zijn ouders niets waren. Hij toont en passant aan dat het grote tal zorginstellingen dat Drachten momenteel telt weleens kan voortkomen uit de katholieke inspanningen indertijd — en de reactie van de protestanten daar weer op, die niet voor de papen wilden onderdoen. En hij geeft een portret van pater Schilder o.f.m.. Als energieke jonge priester woonde deze man enkele jaren in Drachten, waar hij indruk maakte. Tot hij door zijn orde verder werd gestuurd; omdat de Franciscanen dat nu eenmaal altijd zo deden.

Nu ken ik Drachten vrij goed. Ik ging er school, en nog zo wat. Maar het is niet eens daarom dat ik juist dit verhaal zo interessant vond. Kootstra’s Drachten is het mijne ook niet, want hij tekent een vroegere versie; waar een Meindert Talma de plaats juist wel in dezelfde tijd beschreven heeft als ik er rondliep.

Het verhaal ‘Drachten en Rome’ benadrukte vooral wat Kootstra kan, als hij zich wat beperkt, en zijn persoonlijke perspectief voor een keer niet het belangrijkste element is in een verhaal. De andere verhalen in de bundel zijn strikte reisverhalen, zoals hij er al zo veel geschreven heeft, en die tonen de wereld altijd gezien volgens Kootstra.

En al probeert hij ook dan vaak het verleden in zijn betoog te betrekken, hij blijft dan altijd meer aan de oppervlakte steken.

Want, óf hij komt ergens waar hij al eens eerder was, en kan een kleine verandering melden. In Noorwegen valt hem dan bijvoorbeeld op dat de plaatselijke winkels, waar alles te koop is, tegenwoordig altijd door een landelijke keten worden gerund.

Óf hij gaat ergens kijken waar zich ooit algemeen bekende geschiedenis heeft afgespeeld, om daarbij zijn eigen impressies toe te voegen. In het verhaal ‘Tsjechië: de grinzen fan Leznice’ speelt de val van het Communisme een rol. En in ‘Dútslân: de Freiherr’ is dat de historische Baron von Münchhausen. En dat levert allemaal heel leesbare verhalen op, daar gaat het niet om. Maar de vijf andere verhalen uit de bundel zijn wat stuurloos, in vergelijking met dat ene verhaal over Drachten. Wat het toeval de reiziger op het pad bracht, speelt er wel een heel grote rol in, soms.

Zulke verhalen dwingen geen lezer ertoe om er iets van te onthouden.

In het andere lange verhaal uit het boek, ‘Kanada: Nova Scotia’, bewijst Kootstra overigens dat toeval afgedwongen kan worden, en dan de schrijver dienen kan. Onderdeel van deze vertelling is een bezoek aan de Zwaagstra’s, die in de jaren vijftig uit Fryslân emigreerden. Die visite was gepland, en werd het eerste doel op de reis. En hoewel de verhalen van de landverhuizers allemaal dezelfde elementen bevatten, zijn ze tegelijk allemaal uniek. Dat is interessant aan dat onderwerp.

Toch vind ik dat verhaal enigszins mislukt, hoe leesbaar het ook is. Kootstra vond het interessanter over zijn eigen ervaringen daar te vertellen. Waar hij zoal heen reed, hoe dik zijn auto daarbij was, en wie hij allemaal ontmoette. En dat is op het moment van lezen heel aardig, maar levert tegelijk nauwelijks iets op dat bijblijft.

Als recensent moet ik wel het resultaat beoordelen dat er ligt. Het is arrogant, en heeft weinig nut, om eigen idealen te willen opleggen aan de verhalen die een ander schreef. Maar voor mij stond ‘Kanada: Nova Scotia’ vol van gemiste kansen. Zo was er alleen al een grote mogelijkheid om de haastige blik van de doorgaande reiziger eens te contrasteren met wat het emigrantenpaar Zwaagstra ziet, als dat naar hetzelfde kijkt. Zoals het verhaal nu geworden is, staat er te veel in, waardoor niets echt bijzonder wordt.

Tegelijk komt deze gedachte alleen bij me op door de kwaliteit van dat verhaal ‘Drachten en Rome’. Omdat Kootstra daarmee ineens een standaard zet die zijn andere vertellingen prompt wat minder maakt.

Dus, als een schrijver beoordeeld moet worden op het beste dat hij schreef, dan reikt Douwe Kootstra hoog in Paradys oan de baai. Maar als het in een verhalenbundel ook gaat om evenwicht en balans in het opgenomen materiaal, dan heeft hij betere boeken uitgebracht, wonderlijk genoeg. Terwijl hij met dit boek wel een stap verder gekomen is , als schrijver.

* een Friestalige versie van deze tekst verscheen op Ensafh 37

Douwe Kootstra, Paradys oan de baai
168 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2010
isbn 978 90 330 0937 2
priis: € 16,50

Achter ljochte bergen / en zo nog vier ~ Douwe Kootstra

Vijf boeken met reisverhalen bracht Douwe Kootstra uit sinds 1987. Daarin toont hij zich telkens een bekwaam schrijver, met een oog voor het tekenende detail. En toch is er iets raars aan zijn verhalen. Ik ben namelijk vaak al vergeten wat ze te vertellen hadden als ik het boek weer dichtsla.

Maar, ligt dat nu aan de kwaliteiten van Kootstra, of weegt het genre dat hij bedrijft niet ook stevig mee bij dat probleem? Reisboeken zijn namelijk wel een ander soort boeken dan bijna alle andere. Misschien zit daar wel de crux.

Schrijven is een ambacht, waarin steeds dezelfde moeilijkheden op een andere wijze moeten worden opgelost. Elke tekst stelt nu eenmaal naast eisen aan de inhoud ook eisen aan de vorm. En de meeste auteurs hebben vaak moeite om een logisch einde te vinden voor wat ze schrijven; of het daarbij nu om een betoog gaat, of een verzonnen verhaal.

Alleen daarom al gaat er in romans opvallend vaak iemand dood aan het slot. En anders was alles daarvoor wel ineens toch een droom.

Slechts de reisschrijvers hoeven nooit na te denken over hoe ze kunnen ophouden met vertellen. Die vertrekken in hun tekst gewoon naar een andere bestemming. Of anders gaan ze naar huis. Klaar. Net als dat ze gewoon kunnen beginnen door de naam te noemen van de plaats waar ze ditmaal naartoe zijn gereisd. Alleen zo’n plaatsbepaling roept al voldoende vragen op. Want, wat zal de auteur daar tegenkomen?

De schrijvers van andere genres moeten veel meer moeite doen om een lezer te intrigeren, om ze vervolgens hun tekst binnen te kunnen lokken. Toegegeven, vervolgens krijgen ze het wel weer makkelijker. Romans, maar ook monografieën, beschrijven een ontwikkeling van iets of iemand. En een verblijf ergens, biedt de reisschrijver zo’n vanzelfsprekende spanningsboog meestal niet.

Dus, omdat voor het reisboek andere regels dan voor andere genres boeken, kan waarschijnlijk geen kwaad nog eens een paar van die wetten na te lopen. Zoals er alleen al het gegeven is dat reisverhalen per definitie het verhaal van éen waarnemer zijn; als ze al niet iets puur narcistisch hebben.
 

De reisschrijver reist alleen

Een uitzondering binnen het oeuvre van Douwe Kootstra, die daarmee de regel bevestigt, is bijvoorbeeld het verslag ‘Nei Larvik’, uit het boek Alde spoaren [2000]. Kootstra reist in dat verhaal voor éen keer mee als bemanningslid, op een zeiljacht dat aan een wedstrijd meedoet.

Alleen maakte hij een deel van de reis niet bewust mee, door zeeziekte. Het waaide behoorlijk onderweg naar Noorwegen. En in geen van zijn meer dan vijftig reisverhalen overkomt hem nog weer zoiets. Of beter: de lezer krijgt daar niets van te zien. Terwijl tijdens de vakantie van menig landgenoot het darmstelsel bijvoorbeeld toch duidelijk toont er weleens een eigen wil op na te houden.

Douwe Kootstra voegt zich daarmee dus in het grote koor aan reisschrijvers die het liever niet hebben over de ongemakken die kleven van het bestaan onderweg. Daar moet het namelijk niet over gaan.

Nu is reizen naar mijn persoonlijke ervaring zo vaak ook wachten. Of zoeken. En toch slaan de schrijvers van reisboeken de verveling en de onzekerheid onderweg maar liever over. En dit gegeven is tekenender voor het genre dan het misschien in eerste opzicht lijkt. Want verveling en angst is in een gewone roman nu juist zo vaak het grondthema van het hele verhaal; om de vergelijking met die literatuur nog eens te maken.

Kootstra’s positie als bemanningslid op die zeilboot is ook zo opvallend, omdat de reisschrijver doorgaans altijd in zijn eentje op pad gaat. Want zelfs al was de schrijver van reisverhalen niet alleen onderweg, dan nog krijgen de reisgenoten in de tekst geen aandacht. Naar hun aanwezigheid kan hoogstens worden gehint. Kootstra meldt weleens dat zijn vrouw mee is, of een maat, maar veel verder gaat die mededeling dan nooit.

Reisgezelschap belet namelijk maar dat de schrijver echt contact krijgt met de lokale bevolking van het land dat een visite krijgt. Terwijl zulke gedachtenwisselinkjes als weinig anders kunnen helpen om ergens de couleur locale te geven zonder die dan uitgebreid te hoeven beschrijven.

Medereizigers staan doorgaans vervelend in beeld. En of de reisboekenschrijvers nu Douwe Kootstra heet, V.S. Naipaul, Graham Greene, of vul de naam maar in, de schrijver in hun is boeken allereerst een camera die weergeeft wat er ergens anders aan opvallends te zien is.

Al zal de blik waarmee de reisschrijver kijkt behoorlijk subjectief zijn. De persoonlijke opvattingen kleuren altijd wat wordt gezien. En waar de reiziger ook naartoe gaat, de eigen geschiedenis, gevormd in zijn of haar thuisland, reist daarbij altijd mee.
 

Wie is Kootstra?

Daarom is een vraag voor mij geworden: cijfert Douwe Kootstra zichzelf misschien niet al te zeer uit de eigen verhalen weg? Want, wat weet ik bijvoorbeeld nu over hem, na die vijf bundels met reisverhalen te hebben gelezen, of dat Friese Boekenweekgeschenk uit 2001, met de titel Berjochten út Boedapest?

Dat hij in Veenwouden woont, meldt hij een paar keer. En dat hij tegenwoordig weleens optreedt als verhalenverteller, en daarom geïnteresseerd is andere vertellers, kwam naar voren in de laatste bundel Paradys oan de baai [2010]. Welke boeken hij op reis meenam, weet ik ook.

Regelmatig gaat trouwens een reis naar museum of ander oord dat aan een schrijver gewijd is. Tochten die ik nooit zou maken, omdat schrijvers nu eenmaal nog zo levend in hun werk te ontmoeten zijn. Reizen waarvan ik dus blij ben dat een ander ze heeft gemaakt.

Maar verder heeft hij zichzelf toch behoorlijk uit de verhalen weggegumd; behalve dan dat deze tonen wat hij wil doorgeven van wat hij meemaakte of zag.

Zelfs over de reden van zijn eeuwige reisdrift gaat het eigenlijk nooit. Die is er nu eenmaal. Waarom die kriebel er blijft, en hij er telkens op uit gaat, staat nog het best beschreven in het verhaal ‘The Alice en omkriten’ uit de bundel Yn de baan fan de boemerang [1990]. Kootstra geeft daarin terloops aan onder meer aan een levens-motto te hebben, dat ontleend werd aan Rabelais:

Ik bin erchtinkend oangeande minsken, dy’t grut wurden binne yn in tonne en noait oars dien hawwe as troch in gatsje sjen.[1]

Verder valt in datzelfde verhaal op dat het hem niet uitmaakt dat de wereld een dorp is geworden door het goedkope vliegverkeer. Of dat er, door al het gereis van iedereen, nauwelijks nog plekken zijn waar geen andere toeristen rondscharrelen.

Gewoan de bewende en dochs al fernielde paden op; it giet om de eigen wize fan sjen.[2]

Het meest duidelijk is Kootstra dan nog over zijn favoriete manier van reizen. In de verhalen spreekt hij met regelmaat tevreden uit een eind met de trein mee te mogen.

Vliegreizen worden juist niet beschreven; deze dienen enkel om van decor te kunnen wisselen.

En ook boten komen nauwelijks in de verhalen voor; op de hiervoor genoemde uitzondering na.
 

Schrijven is weglaten

Douwe Kootstra begon in de jaren tachtig reisverhalen te schrijven voor het toenmalige tijdschrift De Strikel. De boekuitgave van deze verhalen in 1987, met de titel De moanne op ‘e rêch, werd zijn debuut. En een opmerkelijk verschil tussen dat eerste boek van hem, en het latere werk, is dat Kootstra in het begin zijn verhalen nog dateerde. In de tekst staat dan gauw eens een aanduiding wanneer de reis plaatsvond; en onder elk verhaal prijkt zelfs het jaartal waarin het geschreven werd.

Van de vier boeken daarna verraadt alleen het jaartal van uitgave iets over wanneer een reis plaatsvond. Geen idee heb ik bijvoorbeeld van in welk jaar Kootstra precies in Vietnam was, in Australië, of wanneer hij de Salomons eilanden bezocht heeft.

Hoogstens kan de lezer meetellen hoe veel dagen Kootstra ergens verblijft.

Het lijkt me een bewuste keuze om verhalen zo tijdloos als maar kan te maken. Door deze eliminatietactiek gaat er dus nog meer aandacht uit naar wat Kootstra waarneemt; omdat hij zo zijn best doet alles wat daar van afleidt weg te laten. En op zijn minst is die verteltactiek ambitieus te noemen. Eén iemand bezoekt op éen enkel moment een bepaalde plaats, en hoopt dan toch daar iets universeels over te kunnen schrijven.

Kootstra weet ook heel goed dat hij inmiddels twee reizen maakt, door hetzelfde gebied. De eerste is de fysieke verplaatsing, waarbij dan systematisch aantekeningen worden gemaakt; het geheugen is te onbetrouwbaar gebleken en te selectief. En tijdens de tweede reis wordt die eerste reis zo goed mogelijk vorm gegeven op papier. Hij geeft ook weleens toe op te zien tegen de herhalingsoefening die het schrijven is.

Maar in het verhaal ‘Neat te kiezen’ uit de bundel Alde spoaren staat waarom het toch zo moet:

Der ha tiden west dat ik ‘gewoan’ reizge. Ik makke gjin notysjes mei it doel om in ferhaal te skriuwen, mar seach alles mei de eagen fan ien dy’t by thúskomst heechút de foto’s ynplakte of de dia’s op skoalle fertoande.[3]

Schrijven dient natuurlijk allereerst de eigen zaak. Zoals het geheugen. Of het denken. Dat is voor mij overigens niet anders.
 

Reizen als middel, reizen als doel

Door over het werk van Douwe Kootstra te schrijven, moest ik ook filosoferen over het reisboek aan genre. En daardoor denk ik dat hij, uit de brede baaierd aan mogelijkheden die een reisschrijver heeft, de misschien wel allermoeilijkste heeft gekozen.

Er bestaat namelijk een principieel verschil tussen verhalen waarin de reis een doel op zich vormt, of de reis eerder een middel is om iets te vertellen over een ander onderwerp.

En in de Nederlandse literatuur, waar ik de Friese voor het gemak maar even bij reken, zie ik opvallend weinig voorbeelden van schrijvers voor wie dat reizen allereerst een middel is; en de verplaatsing een noodzakelijk deel uitmaakt van een groter plan. Een Geert Mak is te noemen, die voor het boek In Europa naar allerlei plaatsen reisde om zo over de geschiedenis van de twintigste eeuw te kunnen schrijven. Jan Brokken nog wellicht. Maar reportageschrijvers van een literair niveau ontbreken hier, waar andere talen op een Ryszard Kapuściński of een John McPhee kunnen bogen. En ik vind dat jammer, omdat me lijkt dat het grote tal reisschrijvers dat er wel is zich daarmee in hun mogelijkheden beperken.

Als de reis het voornaamste doel wordt van een verhaal, dan moet die reis op zich al iets te betekenen hebben, wil deze memorabel worden. Anders komt ineens wel heel veel af te hangen van de persoonlijkheid van de auteur, of van de kwaliteiten hoe deze schrijft. En bij Kootstra gaat het telkens toch om wat hij zag, en hoe hij dit verwoordt, terwijl hij zijn persoonlijkheid nauwelijks aan de lezer opdringt. Al evenmin zoekt hij bijvoorbeeld ooit probleemgebieden op, om daar een verhaal over te maken.

Over die taal heeft hij ook voldoende macht; daar zit het probleem niet. Hij is alleen misschien wel te menselijk; niet arrogant genoeg. Daardoor wordt veel te belangrijk wat het toeval hem op het pad brengt, om hem stof te schrijven te geven. Dus mist er voor mij een dimensie in de reisverhalen. En dus worden automatisch de verhalen waarin hij uit veel meer materiaal kan kiezen; en nog strenger selecteren moet, de beste verhalen bij hem. Zoals dat boekenweekgeschenk, met die herhaalde bezoeken aan Boedapest door de jaren heen, en dat stukje vooroorlogse Friese geschiedenis. Zoals het recente verhaal ‘Drachten en Rome’. Niet toevallig zijn dat twee teksten waarin het reizen slecht een middel werd om een aantal grotere verhalen te kunnen vertellen.

Eigenlijk verwijt ik Douwe Kootstra dus dat hij nooit lang genoeg vakantie neemt van zijn werk, om voor zijn reisverhalen voldoende te kunnen beleven onderweg. Maar dat is geen literair criterium, dus zou dat niet mogen tellen.

* een Friestalige versie van deze tekst verscheen in Ensfh nr. 7, 2e jiergong, 2010

Douwe Kootstra, De moanne op ‘e rêch
reisferhalen

121 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 1987
 
Douwe Kootstra, Yn de baan fan de boemerang
114 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 1990
 
Douwe Kootstra, Achter ljochte bergen
Reisferhalen
159 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 1993
 
Douwe Kootstra, Alde spoaren
Reisferhalen

157 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2000
  1. Ik wantrouw mensen die groot zijn geworden in een ton, en nooit iets anders hebben gedaan dan door een gaatje kijken. []
  2. Gewoon de bewoonde en toch al vernielde paden op; het gaat om de eigen manier van kijken. []
  3. Er zijn tijden geweest dat ik ‘gewoon’ reisde. Ik maakte geen notities met het doel om een verhaal te schrijven, maar zag alles met de ogen van iemand die bij thuiskomst hooguit de foto’s inplakte of de dia’s vertoonde op school. []

Bokwerd totaal ~ Rink van der Velde

Veel indruk maakte de uitgave niet van Bokwerd totaal, in 2008. De uitgever leek met dit boek immers niet meer te doen dan met al die andere verzamelbundels vol verhalen van Rink van der Velde. Veeg maar een samenhangend boeltje bij elkaar. Doe er voor de gelegenheid een nieuw kaftje om. Adverteer er een paar weken mee, zodat het publiek zich de naam van de schrijver weer even herinnert. Klaar.

Het doel is namelijk allereerst dat er weer boeken van de auteur verkocht worden. Omdat er nog zo veel van die boeken in het fonds zitten, en die altijd zo’n aardige opbrengt hadden. Tot de schrijver stierf, en de automatische aandacht voor zijn werk wegebde, waardoor zo nu en dan de herinnering even geforceerd moet worden.

Ook ik wil Bokwerd totaal niet zonder meer tot mijn lievelingsboeken rekenen. Aan de bundel kleeft simpelweg het grote bezwaar dat alle verzamelde werken treft. Er staat te veel in. Het goede en voortreffelijke raakt dan wat uit het zicht door de drukke aanwezigheid van al het wat minder geslaagde.

Wonderlijk negatief is ook het voorwoord van de toenmalige Leeuwarder Courant-redacteur Pieter de Groot, die delen van de verzameling oudbakken noemt. Dit was dan omdat Van der Velde in zijn verhalen weleens verwees naar actuele politieke problemen van toen, die nu niet meer actueel zouden zijn. Dat is dan vooral omdat tegenwoordig andere politici de macht hebben.

Alsof er in Nederland ooit wat verandert door de politiek; alsof de namen van de boven ons gestelden doorgaans niet volstrekt inwisselbaar zijn. En, alsof de problemen van een kleine gemeenschap, die zich voelt achtergesteld, niet het eeuwige probleem blijft van alle plattelandsregio’s in Nederland.

Maar ondanks al deze makkelijk op te noemen bezwaren is Bokwerd totaal misschien wel het belangwekkendste Friese boek in mijn bezit. Zelfs al is het schijnbaar een Nederlandstalig boek.

Dit klinkt wellicht als een wat overspannen oordeel, over een doorsneebundel waarin op het eerste gezicht niet meer dan columns uit de jaren zeventig verzameld zijn. Columns dan ook nog, die aan een gimmick lijden. Rink van der Velde deed namelijk net of hij niet de schrijver was, maar de stukken zo had overgenomen uit een dorpsblad. Waarin de dorpschroniqueur Wabbe Wisses R.zoon vreselijk zijn best had gedaan zo goed mogelijk Nederlands te schrijven — al was dat duidelijk zijn moedertaal niet.

En toch zijn er geen teksten die mij meer hebben verduidelijkt over de eigenschappen van het Fries. Hoe anders de grammatica kan zijn. Welke wonderlijk kernachtige uitdrukkingen er in de taal bestaan, en wat er vrijwel standaard aan understatement in zit.

Precies dat maakte indruk op mij, als jongetje. Vooral ook omdat er toentertijd anderen waren die dezelfde grap ontdekten bij het kranten lezen. Dus praten we Nederlands met elkaar, dat heel raar klonk, maar toch klopte, omdat het Fries was. En zo begonnen we, geheel uit onszelf, met taal te experimenteren. Spelenderwijs.

Zelfs al was het hoofddoel misschien niet meer dan om iets te verzinnen waar de ander om lachen kon, dan nog heeft Rink van der Velde, met zijn stukjes uit het ‘Bokwerder Belang’ iets gezaaid dat geen schrijver hier verder zo gelukt is. Een inzicht rijpte over hoe taal werkt.

Ik heb Van der Velde eigenlijk nooit om zijn kwaliteiten als taalbevorderaar geprezen zien worden. En daar zijn misschien ook wel verklaringen voor. Of het nu het Fries is, of het Nederlands, de meesten van ons staan in een wat rare verhouding tot taal. We denken er gauw eens in schema’s over.

Als Nederlanders zeggen om taal te geven, dan is dat vrijwel altijd om taal waarvan zij menen dat die correct is; wat dan alle andere varianten fout maakt, of vervelend. Hele volksstammen zien woordenboeken niet als neutrale instanties, die vastleggen welke woorden en zinnen er algemeen in het gebruik zijn. Nee, voor hen is het woordenboek een absoluut soort autoriteit, van wiens wet niet mag worden afgeweken.

Ambrose Bierce noemde het woordenboek daarom terecht een kwaadaardig literair werktuig, om de groei van taal te stoppen, en die stijf en onelastisch te maken.

Taalkundigen, daarentegen, noemen niet gauw iets fout. Zij kijken dan ook hoe taal zich ontwikkelt, omdat talen zich altijd ontwikkelen, als het goed is. En wat de goegemeente nu als volkomen verkeerd in de oren klinkt, kan over twintig, dertig jaar best breed geaccepteerd taalgebruik geworden zijn.

Zelf moet ik altijd tussen deze beide polen schipperen. Taal is mijn gereedschap, maar het gebruik van dit werktuig levert enkel wat op als wat ik schrijf probleemloos door het publiek geaccepteerd wordt. Taal moet voor mij werken, maar net zo goed ben ik een bescheiden dienstknecht van de taal.

Als onderzoeker en ICT-journalist heb ik ook heel wat aan taal mee helpen uitvinden, de afgelopen kleine twintig jaar. Er was nu eenmaal een tijd dat ik nog niet over internet kon schrijven, zonder uit te leggen wat daarmee bedoeld werd. Ik kon een begrip als ‘downloaden’ pas gebruiken in een Nederlandse tekst, toen dat voor de meeste mensen een aanvaardbaar werkwoord was geworden; met verbuigingen en al daarbij; na misschien wel tien jaar wachten. Van de weeromstuit misschien schrijf ik nog altijd liever geen zinnen waarin dat ‘downloaden’ de persoonsvorm is.

En dan is over Van der Velde’s taalgebruik in Bokwerd totaal te zeggen dat hij juist een omgekeerde beweging aan de mijne maakte. Hem was het niet te doen om nieuwe woorden te vinden voor iets waar nog vrijwel niemand mee bekend was. Het is of hij telkens wilde laten zien wat er al was, maar vrijwel niemand meer zo gebruikte. Van der Velde speelde er mee om wat in Fries gauw oudbakken klinkt, zo het geen cliché is, toch een nieuwe bestemming te geven, door het letterlijk naar het Nederlands te vertalen.

Dit moet ook wel éen van de weinige voordelen van een minderheidstaal zijn. Dat een auteur heel opvallend de dominante taal van een land kan gebruiken om commentaar te geven op de rijkdom van die andere ook in dat land gebruikte tongval. Simpelweg door met de eigenschappen van beide talen te spelen.

De Afûk heeft dit overigens nu eindeljk ook begrepen. Eind april 2011 is een campagne gestart om Friezen trots te maken op hun tweetaligheid. Daartoe verscheen een boekje, met de titel Mijn vrouw is uitgenaaid! dat niet anders doet dan wat Van der Velde al in zijn ‘Bokwerder Belang’ toepaste. Friese zinnetjes worden letterlijk naar het Nederland vertaald, waardoor er Frisismen ontstaan, die een komisch effect hebben. Alleen zijn dat losse zinnetjes, die duidelijk mikken op snelle lach, waar Rink van der Velde juist zo makkelijk verhalen schreef, waarin dezelfde taalgrap met veel meer raffinement wordt toegepast.

Ik wil daarom oproepen om Van der Velde’s grote en aanstekelijke taalgevoel veel meer mee te laten wegen in de beoordeling van zijn schrijverschap. Want als het om hem gaat, worden zijn boeken wat mij betreft te vaak naar verkeerde maatstaven beoordeeld. Dan gaat het erover dat hij allereerst een verteller was, en dat is in Nederland altijd een wat vies begrip. Of dan kan alleen de novelle De fûke de toets van de kritiek doorstaan; omdat de rest geen literatuur zou zijn.

Maar critici hebben doorgaans een veel te nauwe blik. Die zien alleen wat zij geleerd hebben te moeten zien. Die beoordelen een boek ook nooit op zich, maar kijken allereerst naar de traditie.

Alleen moet er daarvoor wel een traditie zijn. Daarom weet ik domweg niet of standaardgereedschappen van de literatuurtheorie wel voor het Fries te gebruiken zijn. Daarvoor wijkt voor mij landschap van de minderheidstaal gauw te veel af van hoe rijkstalen functioneren.

Als het Fries ergens uniek in is, dan toch dat de spreektaal nog zo duidelijk terug gevonden kan worden in de geschreven teksten. Het taalgebied heeft nooit een prozacultuur gehad, of éen dominante auteur, wiens stijl anderen wel dwong tot éen manier van schrijven — al zullen er zeker schrijvers zijn geweest die elkaar beïnvloed hebben. Schrijvers in grote taalgebieden reageren nu net wel het eerst op wat er geschreven is in zo’n taal. En dan gaat het niet alleen om vorm of thematiek, dan is veel belangrijker nog wat er allemaal al klaar ligt aan zinnen en aan zinsconstructies.

Van der Velde is dan het voorbeeld van degene die de spreektaal zo goed mogelijk probeerde op te tekenen, en op andere plaatsen nuttig recyclede. En goed, dan ben ik de eerste om toe te geven dat hij hier niet altijd maat in hield. Zijn laatste boeken lijden weleens onder het gegeven dat hij graag bepaalde uitdrukkingen opnieuw gebruikte. Een zwangerschap is bij hem dan nooit een zwangerschap, maar een man heeft dan altijd zijn tuintje in de bloei bij zijn vrouw of minnares. Ook laat hij mij te vaak de mensen in zijn boeken het commentaar geven hoe rijk de Friese taal is.

Toch. Laatst las ik bij iemand dat de dichter Philip Larkin grote invloed heeft gehad op het ritme van het Britse proza; omdat hij zo veel bewonderaars had die ook schreven. Eén man zou daar het geluid gekleurd hebben van een hele op hem volgende generatie. En die uitspraak geloof ik dan ook nog, voor heel even, doordat ik de bewering graag wil geloven; want zou het niet mooi zijn als dichters werkelijk het taalgevoel van hun lezers zouden beïnvloeden?

Tegelijk vind ik het verdacht dat alleen de heel grote literatoren andere schrijvers kunnen beïnvloeden. Hoe iemand praat, of heeft leren praten, en dus hoe taal in zijn of haar omgeving wordt gebruikt, zal een veel directere invloed hebben op hoe deze schrijft, denk ik.

En zoals gezegd, mijn Fries, in welke vorm ook, is ooit sterk gekleurd door wat Van der Velde heeft geschreven. In het Nederlands.

* een Friestalige versie van deze tekst verscheen in Ensafh.nl 52 onder de titel:
Grutste foardiel fan it Frysk: der kin yn it Nederlânsk kommentaar op jûn wurde

Rink van der Velde, Bokwerd totaal
447 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2010
[bevat Bokwerd vooruit!, Bokwerd omhoog!, en Bokwerd for ever]

Ikarusblau ~ Greet Andringa

Nog niet eens zo lang geleden veranderde er iets fundamenteels aan de hele mensheid. Pas sinds het einde van 2008 wonen er meer mensen in de steden dan op het platteland. En dat is een verandering die goed te begrijpen valt. Zelfs de allerarmsten hebben een beter leven in de stad dan op het platteland, omdat ze er meer voorzieningen met anderen kunnen delen. Want die voorzieningen zijn daar tenminste.

De ontwikkeling dat mensen naar de steden trekken is ook niet nieuw. Stadsleven was alleen al die duizenden jaren lang zo ongezond dat de meeste mensen er te vroeg dood gingen. Steden konden pas in de twintigste eeuw in grootte exploderen, toen er zoiets elementairs als schoon drinkwater beschikbaar kwam, het riool werd uitgevonden, en er goedkope methoden waren bedacht om het eten hygiënisch te bewaren.

Ik heb nog altijd het idee dat dé grote Friese roman, zo die ooit geschreven kan worden, iets met dit oerthema zou moeten doen. En over die trek van de periferie naar het centrum hoort te gaan. Simpelweg omdat schrijvers vaak intelligent genoeg zijn om iets gestudeerd te hebben, en zo’n studie voor een Fries al gauw betekent dat hij of zij de provincie uit moet, eenmaal achttien jaar geworden. Waarna het voor de meesten vervolgens vrijwel onmogelijk blijkt te zijn om terug te keren. En er toch die emotionele verhouding tot de geboortegrond blijft bestaan. Er die taal kan zijn, bovendien, van thuis, die nergens anders nog nut heeft.

Iets van dit ideaal zag ik terug in de Friestalige roman Ikarusblau, van Greet Andringa (1971), maar dan toch heel anders dan gedacht. En gelukkig ook maar.

Deze uitgave is al haar vierde boek. Nadat ze met een verhalenbundel debuteerde, de roman Libben reach publiceerde 2008, en het geschenkboek schreef voor de Maand van het Friese boek in 2010.

Ikarusblau biedt een terugkeer naar het Friese platteland uit een jeugd. Alleen waren de omstandigheden daar niet helemaal Fries, en zeker niet eeuwig; eerder slechts typisch voor de jaren zestig en zeventig. Eén van de kernvragen in het boek is namelijk hoe het erom toe ging in een commune vol idealisten in een boerderijtje buitenuit. En hoe een kind daar opgroeit tussen mensen die allemaal een tik van de zweefmolen lijken te hebben gehad. Waarbij vader er telkens nieuwe vriendinnen op na houdt, niet zelden zelfs meer dan éen tegelijk, en moeder vooral omgaat met iemand die vader niet is.
 

Zonder kwaal geen verhaal
De hoofdpersoon in dit boek heet Tys. En Tys is geen gelukkige man. Hij werkt als wiskundeleraar op een middelbare school in de stad. Dat werd hij niet uit roeping. Ooit waren er grote plannen om een baanbrekende dissertatie te schrijven. Alleen bleef dat erbij, en werd die ambitie begraven.

Bovendien is Tys minder gezond dan zou kunnen. Hij kropt zijn onvrede op, waardoor hij weleens onmachtig wordt door hyperventilatie.

Overigens is er met vrijwel alle mannen in de roman wel wat mis. Wat enerzijds natuurlijk nodig is om een verhaal te krijgen. Maar anderzijds alle vrouwen wel erg praktische en grootmoedige wezens maakt.

Tys heeft een lief, genaamd Immy. En zij zorgt ervoor, met zachte hand, dat Tys eindelijk eens met zijn vader gaat praten over dat verleden, in die commune. Die plek waar alles mocht, en iedereen welkom was, en de liefde vrij werd rondgedeeld.

Tegelijk weet Tys heel goed niet uit een paradijs te komen. Ooit leefde er namelijk een ander kind in de commune. Een jongen met de naam IJsbrand, die iets ouder was als hem. En die toch even makkelijk weer werd uitgestoten, toen hij niet leek te deugen, als hij was opgenomen. Het jong had zijn naam ook niet mee. [1]

Bovendien ligt er het harde feit dat Tys zijn moeder jong gestorven is. En dat hij dit zijn vader verwijt. Omdat hij met zijn gezweef haar de gang naar de dokter belette. Waardoor een op zich simpele kwaal, die tegenwoordig met een injectie voorkomen kan worden — zoals Andringa opmerkt, die in het dagelijks leven dokter is — tot baarmoederhalskanker leidde. En daarmee de dood.

Daarmee scharniert het boek om een confrontatie, tussen vader en zoon. Bovendien zet Greet Andringa daarbij twee uitgesproken tegenpolen tegen over elkaar — wat op zich al veel zegt. Tys, de man die alles opkropt en niet over zijn emoties praten kan, en nu ineens toch wil. En Wouter, de ooit zo charismatische communeleider, die altijd zo makkelijk woorden vindt dat hij daarmee steevast iedereen betoveren kan.

Dat deze ontmoeting in het boek dan niet spettert, viel me in eerste instantie wat tegen. Terwijl ik me later bedacht dat confrontaties in werkelijkheid zelden heel groots uitpakken. Eerder is een verregaande lulligheid te verwachten. Dat mensen om de zaak heen praten, en van elkaar wegkijken, is aanzienlijk waarheidsgetrouwer. Greet Andringa heeft dus het realistische scenario gevolgd.

Het is ook heel moeilijk om een confrontatie goed te beschrijven, of om die geloofwaardig te filmen. Misschien gaat het hier wel om de meesterproef voor elke schrijver of regisseur. Misschien is het daarom geen wonder dat confrontaties, waarin het ene personage werkelijk lijnrecht tegenover het andere staat, meestal vermeden worden in fictie. Let daar maar eens op. Zulke scènes bepalen te veel; die zijn al gauw alles wat iemand van een boek of film herinnert. Die worden het duel met revolvers in de verder lege hoofdstraat, als de zon zijn hoogste punt bereikt. Een tumbleweed waait langzaam voorbij.

 
Het contract tussen lezer en auteur
In de roman komt het uiteindelijk wel goed met Tys, nadat er een aantal nieuwe mensen in zijn leven bijkwam. En die tournure naar ontspanning en verbetering van zijn leven zet al zo halverwege de roman in. Waardoor zich in de tweede helft van het boek misschien wat weinig nieuwe ontwikkelingen voor doen.

Ik had ook een wat valse start met de roman, waarna het eigenlijk niet meer goed kwam. Al zegt dit allereerst iets over mij, en pas dan iets over de kwaliteit van het boek.

De eerste hoofdstukken zetten mij te zeer tot nadenken aan. En door zulk denken begint eigenlijk de kritiek al meteen, en de neiging om de auteur te willen corrigeren op zijn of haar wegen.

Zo vielen me de eerste regels op die het eigenlijke begin van het boek zijn, na een korte proloog over een vrouw op zolder.

Us húshâlding telt seis soannen, doar ik no wol hast te sizzen. Stik foar stik binne it grutte keardels dy’t op harren heit lykje. Stik foar stik hawwe se harren eigen ferhaal, lykas alle minsken dat hawwe fansels. Mar it ferhaal fan ien fan dy mannen, fan Tys, is dochs krekt wat oars as oars, […] [2]

Geen regels zijn doorgaans belangrijker dan die waar het boek mee begint. Want over geen passage in het boek zal langer zijn nagedacht. Bij films is dit overigens net zo. Het begin vertelt veel meer over wat komen gaat, dan de meeste mensen beseffen.

Alleen had ik dus enkel mijzelf met deze wetenschap.

Toen iets verderop in de roman bleek dat de moeder van Tys al jong gestorven was, botste dit namelijk met de kennis uit die eerste regels. Maar, dit gegeven kwam later allemaal nog goed.

Veel storender was voor mij hoe in het boek de discussie begon over de afkomst van Tys. Want in het dorp, dat vriendelijke terpdorp, speelt al sinds Tys en Immy daar gingen wonen anderhalf jaar eerder, het gerucht dat hij toch wel erg op iemand lijkt. En die gelijkenis valt dan op omdat verder niemand in de streek zo donker van haar is als Tys, en daarbij zo wit van vel.

Daardoor werd ik bladzijde 8 al buiten het boek gegooid. De stilzijgende afspraak tussen de schrijver van fictie en de lezer dat alles wat in het boek staat voor nu even waar is, werd doorbroken. Omdat ik me direct moest afvragen waar in Nederland dan de bevolking nog zo puur en ongemengd is dat de mensen er aan de houding en het uiterlijk van iemand meteen ook diens stamboom aflezen.

En het boek speelt in deze tijd, de personages gebruiken internet.

Bovendien bracht de schrijver enkele hoofdstukken later een voor mij veel aannemelijker gegeven in om die zoektocht naar Tys’ verleden te motiveren. En dat wordt niet gebruikt. Immy raakt dan zwanger. En wat zou er dan logischer zijn om haar, nadenkend over de toekomst, in haar nesteldrang met de vraag te laten spelen wat haar vriend voor vader zal worden. Straks. Want wat heeft hij aan voorbeeld gehad?

Maar dit zijn details, die waarschijnlijk slechts de heel kritische lezers opvallen; de mensen die het boek niet alleen om het verhaal lezen. En ik moet deze aanmerkingen ook maken om iets op te merken te hebben. De boeken van Greet Andringa zitten namelijk heel goed in elkaar. Zelfs al vertellen haar romans hun verhaal nooit in éen keer rechtuit, en hebben de boeken meer van Russische matroesjka-poppen, waarin bij het openen altijd nog éen laag meer zit opgeborgen dan wel gedacht.

Ook speelt mee dat Andringa zo goed kan schrijven dat ik nog meer verlang. Dat ze een pakkend verhaal weet te maken over wat mensen elkaar aandoen, is na drie boeken wel duidelijk. Alleen verandert mijn wereldbeeld bijvoorbeeld niet door de wetenschap dat ook de meeste idealistische communes in de jaren zeventig leiders kregen die allereerst van anderen profiteerden. En dat daardoor mensen vernield zijn.

Als Greet Adringa toch nog iets meer aan wereld in haar boeken deed als deze keer, en wat daarin speelde. Zoals haar wel lukte in het geschenkboek Los sân. De thema’s liggen er. De vragen zijn er.

* Een Friestalige variant op deze tekst verscheen in de papieren uitgave van Ensafh, 4e jaargang nr.1

Greet Andringa, Ikarusblau
176 pagina’s
Friese Pers Boekerij/Uitgeverij Noordboek, 2011
ISBN 9789033009938
Prijs: € 17,50
  1. in Ikarusblau is de naam IJsbrand verfriesd tot Ysbrân []
  2. Onze huishouding telt zes zonen, durf ik nu wel haast te zeggen. Stuk voor stuk zijn het grote kerels die op hun vader lijken. Stuk voor stuk hebben ze hun eigen verhaal, zoals alle mensen dat hebben natuurlijk. Maar het het verhaal van éen van deze mannen, van Tys, is toch net wat anders dan anders. […] []