deze boeklogjes vormen het dossier:

Elementaire deeltjes

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

IJstijden ~ Gemma Venhuizen

Over tien, vijftien jaar kan ik opnieuw een inleidend boek lezen over de ijstijden, en dan zal bijna alles weer als nieuw zijn. Om éen of andere reden beklijft informatie over dit onderwerp nooit; zo is al gebleken.

Deels kan dit trouwens door de gebruikte benamingen komen. De ijstijden blijken per regio nogal eens anders te heten, omdat hun invloed plaatselijk verschild heeft. Zo hebben de Amerikanen er eigen begrippen voor, die niet lijken op de termen die in Noordwest-Europa in gebruik zijn — de ijsgletschers daar kwamen er ook niet uit Scandinavië, zoals hier. John McPhee’s werk lezen helpt dus niet om mijn kennis automatisch te doen toenemen — kan hij nog zo veel door mij geliefde boeken hebben geschreven.

De Elster-ijstijd, of Elsteriën, is de oudste periode die er hier onderscheiden wordt. Precieze data zijn daar niet aan te koppelen. Hoogstens dat daardoor meer dan 410.000 jaar geleden hier het land met ijs bedekt was.

Brak vervolgens het Holstein-interglaciaal aan, dat 40.000 jaar duurde.

Daarna waren er de Saale-ijstijd, of Saaliën, het Eem-interglaciaal, en tenslotte de Weichsel-ijstijd, ofwel het Weichseliën — die honderdduizend jaar duurde, en liep tot 11.500 jaar terug.

Het zijn ook allemaal geen namen die dagelijks in de conversatie voorkomen.

Gemma Venhuizen’s boek over de ijstijden is er éen uit de reeks Elementaire deeltjes van Amsterdam University Press. Dit betekent dat er slechts een inleiding in het onderwerp volgt — wat volgens mij vaak ook al wel volstaat — en dat er in zo’n boek weleens gepoogd wordt om de lezer op andere manieren bij het onderwerp te betrekken.

In IJstijden biedt Gemma Venhuizen bijvoorbeeld een fietstocht aan door Overijssel, beginnend bij de Stuwwal van Ootmarsum, die tijdens het Saaliën gevormd is door een 200 meter dikke laag ijs.

Deze tocht voert onder meer langs het Lutterzand — waar geologen van over de hele wereld naar toe trekken om de Laag van Beuningen; een laag kleine steentjes die ooit de oppervlakte van een poolwoestijn vormde tijdens de laatste ijstijd.

En het is mooi en nuttig als een landschap beschreven kan worden aan de hand van wat daar tienduizenden jaren terug allemaal plaatshad. Want dat kan helpen om elders voortaan beter te kijken.


illustratie die ik hier nuttig vind, maar die het boek ontbeert

Voor dit moment volstaat misschien de wetenschap wel dat de stuwwallen die ik ken van mijn fietsen, zoals die in Gaasterland of bij Steenwijk, uit het Saaliën stammen. Of dat ook de heuvels elders boven de rivieren in Nederland tijdens de een-na-laatste ijstijd werden gevormd.

Tijdens de laatste ijstijd reikten de gletsjers niet tot hier; en was er enkel permafrost.

Is er ook de kennis nog dat alles wat tijdens de ijstijden hier plaatsvond elders in het echt bestudeerd kan worden; zoals op Spitsbergen.

Gemma Venhuizen, IJstijden
128 pagina’s
Amsterdam University Press, 2014

Literatuur ~ Gillis Dorleijn, Dirk de Geest, Pieter Verstraeten

Lees een paar boeken van Saskia Noort, en mensen gaan oprecht bezorgd informeren of het wel goed met je gaat. Of je niet ziek bent geweest. Dat vind ik dan grappig. En toch ook: tekenend.

Want had ik niet alles gelezen wat er te lezen was, pulp net zo goed als de canon, dan ware het onmogelijk geweest om de lezer te worden die ik nu ben. En dat is er éen die plezier voorop stelt. Als ik een boek weg leg, om nooit meer in te kijken, zal dat allereerst zijn omdat er geen aardigheid aan te beleven was.

Alleen zit dat plezier hem soms in het getoonde intellect van een schrijver, dan weer in de vertelkracht, en weer een volgende keer in het briljante plot.

Als dat recente boek van Saskia Noort niet zulke merkwaardige gaten had gehad in het verhaal, die me tijdens het lezen al op waren gevallen, had ik er misschien wel een schrijver bij ontdekt om meer van te gaan lezen. Nu waren haar romans me te zwak, ook als ik ze enkel afzet tegen wat er verder beschikbaar is aan spannende boeken.

Kan er nog zo groot op elk kaft staan dat het literaire thrillers zijn.

Belezenheid, zo heet de eigenschap die me in staat stelt om elk boek opnieuw vrijwel direct op waarde te beoordelen. Ik las nu eenmaal al vele duizenden titels meer [1].

Maar belezenheid is geen kwaliteit waar ik per se trots op ben. Vrijwel al dat lezen ging nu eenmaal vanzelf. En vlug ook. Bovendien kon ik er rustig bij blijven zitten.

Alleen leef ik een samenleving waar door sommigen iets anders over dat lezen wordt gedacht. Waar mensen trots zijn inmiddels zo veel leesbagage te hebben dat ze zonder te lezen al zeker weten dat een Saskia Noort niets kan zijn. Of hoogstens een ‘guilty pleasure’; een stiekeme leesuitspatting waarover eigenlijk schaamte past.

Zulke mensen weten doorgaans ook vrij zeker wat tot de literatuur gerekend worden moet, en wat niet.

En ik mis die rotsvaste zekerheid nu net.

Wel is me zo ongeveer bekend, door al mijn lezen, wanneer een tekst een zekere literaire kwaliteit heeft. Vraag me alleen niet om even snel op een rij te zetten aan welke eisen het geschrevene dan zoal voldoet.

Mede daarom las ik Literatuur, van Gillis Dorleijn, Dirk de Geest, en Pieter Verstraeten. Want dat boek zou me een degelijke inleiding in het onderwerp kunnen bieden, leek me. De reeks ‘elementaire deeltjes’ van de AUP belooft nu eenmaal zulks. Om al snel te merken dat deze auteurs alle intieme nabijheid tot hun onderwerp schuwden, en dit enkel omsingelend, van een afstandje, hebben bekeken.

Van de vraag wat literatuur is, en dus aan welke eisen zo’n tekst dan voldoet, wordt weliswaar nog net gesignaleerd dat die bestaat. Daarop is de hele kwestie zorgvuldig ontweken. Dorleijn en de zijnen beschrijven namelijk wat er in de loop van de Westerse geschiedenis zoal gedaan werd met verhalen, en liederen, en uiteindelijk met dat lezen.

Helaas vertelden ze me daar weinig nieuws mee.

Alleen leidt hun betoog uiteindelijk wel tot de slotsom dat het onnozel is om te spreken over de ‘dood van de literatuur’ in deze tijden van massa-amusement. Eén kenmerk van literatuur is nu net dat de vorm daarvan, en daarmee ook de inhoud, zich telkens heeft aangepast aan nieuwe maatschappelijke werkelijkheden. Wat nu tot de literatuur gerekend wordt, kan in de toekomst heel goed ineens erbuiten vallen.

Wie de dood van de literatuur aankondigt, meent dus eigenlijk dat zijn of haar opvattingen over literatuur ondermijnt worden, volgens deze auteurs. En dat is toch iets heel anders.

Gillis Dorleijn, Dirk de Geest, Pieter Verstraeten, Literatuur
176 pagina’s
Amsterdam University Press, 2017
  1. Boeklog toont op het moment van schrijven dat ik in ruim 12½ jaar een kleine 3300 titels heb doorgenomen. Maar in de jaren tachtig en negentig las ik aanzienlijk meer boeken per jaar dan in deze eeuw. []