Vrouw ~ F.J.J. Buytendijk

Voor wie zich mocht afvragen of er nu helemaal geen lijn in mijn leesgedrag zit, Jaap van Heerden wijdde enige diskwalificerende woorden aan dit boek. Dat alleen was reden voor mij deze Aula pocket toch eens op te graven uit mijn collectie, en te kijken of het echt zo erg is.

Het boek opent gelukkig geruststellend:

Het uitgangspunt van deze studie is geweest, dat de vrouw een mens is.

Maar daarna doet Buytendijk toch vooral moeite om aan te tonen dat de man nog net wat meer mens is als de vrouw. Van haar wordt toch vooral verwacht blij haar plaats te weten, en dat dan vooral door te zorgen.

Curieus is ook het taalgebruik van de toenmalige hoogleraar algemene theoretische psychologie. Hij baseert zich niet zelden op de fenomenologie met al zijn subjectieve beleving, en dat levert dan kronkelzinnen op die er waarschijnlijk onaantastbaar geleerd uitzien voor wie geen professorenduits gewend is. Tegelijkertijd moet daarbij bedacht worden dat slechts het Duits en het Nederlands deze orakeltaal mogelijk maakt, wat de beweringen in dit jargon alleen daarom al verdacht maken.

De medemens begrijpt onze verschijning als de waarneembaarheid van ons-zelf en bedoelt met dit ‘zelf’ onze bijzondere, eigen wijze van zijn-in-de-wereld en zijn-bij-onszelf en wel als een zich in een bepaalde stemming en met een bepaalde bedoeling in een situatie bevinden.

Dus, wat te zeggen over dit boek? Behalve dat het bij tijden onleesbaar is, en zinnige observaties afgewisseld worden met katholiek gewauwel over hiërarchie en plaats, en lege filosofische bombast?

Blij dat de emancipatie dit soort publicaties al bij voorbaat suspect heeft gemaakt.

F.J.J. Buytendijk, De vrouw
Haar natuur, verschijning en bestaan.
Een existentieel-psychologische studie

288 pagina’s
Uitgeverij Het Spectrum 1964, oorspronkelijk 1951

Opstandige vrouwen ~ Ethel Portnoy

Bij mijn voornemen om alle boeken van Ethel Portnoy dit jaar te herlezen ben ik nu toch op een barrière gestuit. Er blijken zowaar essays van haar te zijn die me inhoudelijk niet bijster interesseren; waarbij het niet helpt om te lezen hoe goed of de schrijfster vaak kijkt.

Opstandige vrouwen gaat niet alleen over vrouwen, maar lijkt ook vooral voor vrouwen bedoeld. Dat is mijn probleem met dit boek. Het lukt me niet de problematiek in te voelen. Ik kan in gedachten nog zo’n geëmancipeerde man zijn, de achterstelling die vrouwen ondervinden zal ik nooit aan den lijve meemaken.

En. Terwijl dit boek heel goed inzet met de vraag waarom toch in zo veel feministische boeken de vrouw helemaal nooit iets slechts kan doen, begaat Portnoy in het stuk daarop merkwaardig genoeg dezelfde fout. Sylvia Plath wordt bijna heilig verklaard door haar. Maar goed, misschien ligt de irritatie die dit oproept aan mij. Ik weet dat het beeld over Plath en haar man de dichter Ted Hughes sinds 1989 aanmerkelijk genuanceerd is.

Interessantste beschouwing in dit boek is die over de flutroman, en waarom vrouwen die lezen. Daar valt bijna een gebruiksaanwijziging aan te ontlenen om zo’n boekje te schrijven. Al laat Portnoy ook zien dat dit eigenlijk niet kan, voor wie niet in het concept gelooft van het flutverhaal, waarin het meisje altijd een lagere beginstatus heeft als de man die ze na veel moeilijkheden weet te winnen.

Ethel Portnoy, Opstandige vrouwen
Verhalende essays

163 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1989

Vrouw bestaat niet ~ Maarten ’t Hart

Nooit eerder had ik het gelezen, dit pamflet. Al herinner ik me wel het rumoer van toen Maarten ’t Hart zijn kritiek op het feminisme verdedigde in een TV-programma van Sonja Barend. Was het werkelijk Hanneke Groenteman die toen zo onredelijk boos was?

Ook herinner ik me een bespreking van Renate Rubinstein over dit boekje, waaruit bewondering sprak dat ’t Hart zo veel namen van vrouwelijke componisten had weten te vinden. Dit, om voor altijd af te rekenen met het idee dat vrouwen immer in alles onderdrukt zijn.

Maar goed, vijfentwintig jaar na publicatie is het nu. Het eeuwig strijdbare feminisme heeft zichzelf inmiddels ontpopt als een beweging van al wat oudere, goed opgeleide vrouwen uit de hogere middenklasse. Want, ook al verdienen maar weinig Nederlandse vrouwen genoeg om zichzelf in leven te kunnen houden, dat is niet omdat geld verdienen ze verboden wordt. De wil tot meer leeft hier niet.

Maarten ’t Hart zelf trok in 1982 vast ook al vrouwenkleren aan. Maar het geheim van zijn ‘grote gekte’ zou hij pas jaren later in de openbaarheid brengen. Met die wetenschap van nu spreekt er toch een duidelijk verlangen uit dit boekje om vrouw te kunnen zijn. Al was het maar, omdat vrouwen zo veel meer mogen.

Dus geeft het vooral een tijdsbeeld, dit pamflet. En daarmee is het verouderd, hoe amusant verder ook. Eigenlijk blijft alleen ’t Hart’s stelling overeind staan dat het merkwaardig is om slechts te focussen op de veronderstelde verschillen in behandeling van man en vrouw. Ongelijkheden bestaat in elke samenleving, en de maatschappelijke achterstand waarop kinderen uit de arbeidersmilieu’s al meteen staan, is waarschijnlijk veel moeilijker te overwinnen.

* pas toen ik de twee titels onder elkaar zag staan, viel me op dat de titel van dit pamflet ook antwoordt op Buytendijk’s merkwaardige boek ‘De vrouw‘.

Maarten ’t Hart, De vrouw bestaat niet
157 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 1982

Seks en de seksen ~ Cas Wouters

Cas Wouters publiceerde de afgelopen jaren twee vergelijkbare boeken over het veranderen van de zeden in de twintigste eeuw. Dit: Seks en de seksen, en later nog Informalisering. Ik las dat tweede boek eerst, bijna volkomen ongeïnformeerd, wat me toen tot de onnozele conclusie bracht nogal wat te missen. Wat er miste stond namelijk al in dit boek beschreven.

Wouters gebruikte voor beide werken een van Norbert Elias geleende aanpak. Hij keek wat er veranderde in de etiquetteboeken, die in gebruik waren in Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië, en de VS.

En veel sterker nog dan bij Informalisering vielen me ditmaal de beperkingen op van deze werkmethode.

Hoe mensen met elkaar omgaan in het dagelijkse leven, zoals Informalisering beschrijft, is niet iets dat door duidelijke benoembare oorzaken direct zal veranderen in de loop der tijd. Dit maakt het razend moeilijk de ontwikkelingen daarin te beschrijven. En daarbij zijn etiquetteboeken dus een dankbare bron.

Terwijl er over wat veranderde in de omgang tussen man en vrouw nu juist wel andere bronnen te vinden zijn. Of anders waren er wel politieke omstandigheden — vrouwen deden het mannenwerk, terwijl de mannen de Wereldoorlog ingingen — of technische vondsten, als de pil, waardoor iets verschoof in de verhouding tussen de seksen.

De auteur moet dit beseft hebben, en hield niet strikt vast aan alleen die etiquetteboeken. Zo nam Wouters voor zijn onderzoek ook vele jaargangen door van het feministische tijdschrift Opzij; een periodiek dat doorgaans op mijn leestafeltje ontbreekt.

Toch las ik dit boek eerder als amusement, dan als sociaalhistorisch traktaat. Waarschuwingen en vermaningen van vroeger krijgen iets koddigs als de zeden zijn veranderd. Hoe benepen de wereld ook was van waaruit die regels stamden; en hoe vrouwen daar ook onder geleden moeten hebben.

Citaten van mannen die eens iets voor hun vrouw deden, en zich daardoor welhaast gebruikt voelden, riepen dan weer eerder ergernis op dan verbazing. Ben ik blijkbaar toch een hedendaagse man.

Cas Wouters, Seks en de seksen
Een geschiedenis van moderne omgangsvormen
302 pagina’s
Bert Bakker, 2005

Leve de burgertrut ~ Fleur Jurgens

Ik ben inmiddels op een leeftijd dat ik oud-leerlingen heb, die carrière maken, en daarmee ook de publiciteit halen. Opvallend genoeg zijn dit altijd mannen. De vrouwen die ik lesgaf, zijn haast allemaal in de anonimiteit verdwenen. Terwijl dat toch, doorgaans, de intelligentste en meest ambitieuze studenten waren van het spul.

Toen ik dit fenomeen voor het eerst opmerkte, verbaasde het me nog. Inmiddels niet meer zo. Iedereen moet zijn of haar leven vooral naar eigen keuze inrichten. En rijk is het land dat zich nog altijd veroorloven kan zo veel geld te spenderen aan opleidingen voor mensen die daar uiteindelijk weinig mee doen.

En ik ben historicus. Dus is er volgens mij in de loop der tijd aanzienlijk meer talent verspild dat maatschappelijk nut had kunnen hebben, dan op het moment gebeurt. Al bestaat er dan in Nederland nog steeds relatief weinig sociale mobiliteit; vergeleken met bijvoorbeeld Scandinavië. De hogere opleidingen hier worden veelal gevolgd door de kinderen van hoger opgeleide ouders.

Terwijl het toch simpel is, volgens mij. Een samenleving hoort zijn kinderen alle mogelijkheden te bieden om zichzelf te ontplooien. Alle kinderen. En alle mogelijkheden. Wat ze vervolgens doen met die ontwikkelde talenten, is toch allereerst aan hen.

Vandaar ook dat de gebruikelijke discussies over vrouwenemancipatie me weinig boeien. Die zijn altijd veel te absoluut, in hun zwart/wit-tegenstellingen.

Als iemand poneert dat er te weinig vrouwen hoogleraar zijn in Nederland, is daar simpelweg tegenover te zetten dat überhaupt te weinig mensen onder de vijftig jaar in die positie aan de universiteiten werkzaam zijn. Of te weinig mensen van wie de ouders alleen lagere school hebben. Praten over evenredige sekseverdelingen alleen lijkt me onzin, als er nog zo veel meer niet deugt aan een systeem.

Of dat vrouwen op een plafond stuiten als ze carrière willen maken bij een grote organisatie? Hoeveel mensen zijn er eigenlijk voor wie het nu echt aantrekkelijk is hogerop te komen in zo’n bureaucratisch hiërarchisch ingerichte omgeving? Ik kan me persoonlijk weinig vervelenders voorstellen dan om een carrière te ambiëren in een milieu waar het er allereerst om gaat dommig dienstjaren te maken, en zo blinde loyaliteit te tonen. Van wie moeten er dan quota komen om kunstmatig meer vrouwen aan de top te krijgen bij zulke organisaties? En om wat? 99% van de Nederlandse bedrijven valt onder het MKB…

Fleur Jurgens [1972] is een huismoeder, en trots daar op. Maar ze gebruikt de tijd als de kinderen naar school zijn dan wel weer nuttig om artikelen en boeken te schrijven. Zoals dit pamflet, tegen het al te ver doordravende feminisme.

Dat Jurgens’ haar leven naar eigen inzicht heeft ingericht, lijkt me overigens normaal. En ook iets dat steeds gewoner zal worden. Dat zij zich nog zo geroepen voelde om de verdediging te zoeken over de hiertoe gemaakte keuzes, zegt daarentegen meer.

Aardig aan dit pamflet was onder meer het historische materiaal. Zo was nieuw voor mij dat vrouwen in Nederland vanouds zo vrij zouden zijn geweest om hun beslissingen te nemen. Wel deed deze opinie me denken aan de mythe, die er in Scandinavië bestaat — waar de zo ver gevorderde emancipatie verklaard wordt uit de grote zelfstandigheid die vrouwen altijd al hadden doordat hun Vikingmannen telkens weer voor tijden op rooftocht moesten.

Volgens mij kon er trouwens weleens veel meer spelen, en is het kunstmatige verschil in de maatschappelijke positie van mannen en vrouwen op zijn minst mede vanuit de religies opgelegd. Daarnaast stierven vrouwen voorheen nogal snel, toen er nog geen fatsoenlijke kraamzorg bestond. Maar, enfin.

Minder overtuigend is Jurgens’ betoog in het slotdeel, als pas goed blijkt waarom zij zich met trots een burgertrut noemt. Omdat het gezin bij haar de hoeksteen van de samenleving is — als kinderen niet in alle rust thuis normen en waarden krijgen bijgebracht door de liefhebbende ouders, dan lijdt de hele maatschappij daaronder. En ja, ik gebruik hier bewust dezelfde woorden als uit de christendemocratische propaganda van deze eeuw.

En dan is het niet omdat Fleur Jurgens geen gelijk zou hebben, dat de boodschap van deze goed opgeleide vrouw uit de hogere middenklasse me zo onverschillig laat. Ik moest alleen lachen om haar simplisme. Trapt zij, ook in haar versie van het feminisme, toch in de eeuwige valkuil van deze leer; waarin de vrouwen uit slechts éen duidelijk te onderscheiden maatschappelijke klasse telkens hun positie en keuzes heilig verklaren, en dus aan elke vrouw willen opleggen.

Makkelijke oplossingen bestaan alleen op papier, of in het hoofd van de dogmaticus.

Fleur Jurgens, Leve de burgertrut
127 pagina’s
J.M. Meulenhoff, 2007

Good Women of China ~ Xinran

Eind jaren tachtig begon de Chinese staatsradio met een klein experiment. Aan het einde van elke dag zou er tien minuten aandacht zijn voor de verhalen van vrouwen. Dat moment, met de titel ‘Woorden op de avondbries’, werd gepresenteerd door de journaliste Xuē Xīnrán.

Haar programma werd een succes. Xuē Xīnrán maakte carrière. En toch verliet ze in 1997 China, om in Londen dit boek te kunnen maken. Want, weliswaar was er iets meer vrijheid gekomen — radio was in het begin van haar loopbaan slechts bedoeld voor staatspropaganda — toch kon ze lang nog niet alles zeggen. En totale vrijheid was nodig om te kunnen schrijven over de nog altijd benarde positie van de vrouw in de Chinese samenleving.

Het zelfmoordpercentage onder Chinese vrouwen is het hoogste ter wereld.

Nu kunnen vrouwen in China ook vrijwel alleen goed doen door een zoon te baren. Verder mogen ze geen eigen emoties hebben, moeten ze een sieraad voor de echtgenoot zijn, en tegelijk een hoer in bed. De eisen die gelden voor vrouwen, zijn onmogelijk te vervullen.

Bovendien groeien velen op zonder dat er ook maar over niets gepraat wordt. Komt de puberteit voor vele meisjes met onaangekondigde verrassingen. Wordt er bijzonder veel verkracht.

From the matriarchal societies in the far distant past, the position of Chinese women has always been at the lowest level. They were classed as objects, as a part of property, shared out along with food, tools and weapons. Later on, they were permitted to enter the men’s world, but they could only exist at their feet — entirely reliant on the goodness or wickedness of a man. If you study Chinese architecture, you can see that many long years passed before a small minority of women could move from the side chambers of the family courtyard (where tools were kept and the servants slept) to chambers beside the main rooms (where the master of the house and his sons lived). [49]

Door de vaak verschrikkelijke verhalen van de vrouwen in dit boek spelen nog twee geschiedenissen heen. De eerste is die van de Culturele revolutie, en het leed dat de Rode Garde toebracht aan de kinderen van mensen die volgens hen hadden geheuld met het kapitalisme.

De tweede geschiedenis is de persoonlijke ontwikkeling van Xuē Xīnrán zelf, die ook gekleurd werd door de Culturele revolutie; met een totaal liefdeloze opvoeding in een weeshuis tot gevolg; en alle machteloosheid die daar bij hoort.

Maar mij intrigeerde aan dit boek het meest, zonder dat ik het trieste lot van de Chinese vrouw hiermee wil bagatelliseren, om wat ze verteld over hoe ze als journalist kon functioneren in totalitair systeem. En weliswaar hint Xue Xinrán daarover meer dan ze uitlegt, duidelijk is dat journalisten in China een zwaar leven hebben.

in a society where the principles of the Party governed the news, it was very difficult for them to report the true face of what they had seen. Often they were forced to say and write things that they disagreed with. [215]

Bovendien was ze als radiomaakster te vaak hulpeloos, omdat de omroepvoorschriften het dan verboden iets te doen om het leven te verlichten van iemand die contact had opgenomen.

The Good Women of China is daarmee typisch zo’n boek dat bij het lezen bijna te erg is om te verdragen. Alleen dwingt zo’n uitgave dus ook tot de vraag: waarom vind ik het zo erg wat ik lees?

En alleen daarom al heeft lezen nut.

Xinran, The Good Women of China
Hidden Voices

230 pagina’s
Vintage 2003, oorspronkelijk 2002
Translated by Esther Tyldesley

Achter Mekka ~ Betsy Udink

Sterk boek, al kende ik een deel van de inhoud zonder het ooit gelezen te hebben. Gedeelten verschenen eerder als column in het weekblad Vrij Nederland; al ontbreekt daar elke verwijzing naar.

Er staat me ook nog vaag bij dat Betsy Udink’s teksten indertijd enige reuring gaven.

Het uitgangspunt van Achter Mekka is simpel. Vrouw van verhuist mee naar Riyad, in Saoedi-Arabië, opdat de carrière van haar echtgenoot in de Nederlandse diplomatieke dienst voorspoedig blijft verlopen. In Saoedi-Arabië bestaat alleen een totale apartheid tussen de sexen. Vrouwen mogen er vrijwel niets. En daar kan de auteur steeds minder goed mee leven.

In het begin van het boek zijn de problemen van het leven in een door en door Islamitisch land vooral onhandig. Want, hoe bepaal je of een pak melk nog vers is, als de houdbaarheidsdatum in een ander soort jaartelling staat?

Maar langzamerhand kan Udink steeds slechter omgaan met de beperkingen die haar worden opgelegd, enkel omdat ze een vrouw is. Variërend van het niet met haar man in éen zwembad mogen zwemmen, tot een verbod op autorijden, en het passen van kleding in winkels, tot het domweg ergens helemaal niet naar binnen mogen.

Halverwege het boek begint ze de lezers voor te lichten over Islamitische leefregels, door samen te vatten wat de probleemrubrieken in de Saoedische kranten behandelen. Zo heerst er nogal wat paniek in het land over moedermelk, omdat het gevolgen heeft als die per ongeluk door de echtgenoot van de zogende vrouw wordt ingeslikt.

Udink is in haar boek ook scherp in het schetsen van het ex-pat milieu, en dan natuurlijk vooral over de vrouwen van; die voornamelijk leven om te winkelen. Al hoefde ze tegelijk niets anders te doen om dat milieu te bekritiseren dan de mensen gewoon aan het woord te laten.

Evenmin is het bestaan als diplomatenvrouw een zegen, met alle dulle soireetjes, de plicht van alles te organiseren, eeuwig klaar te staan, en de permanente druk toch vooral niets te doen wat het landsbelang zou kunnen schaden.

Een bezoek van een zelfingenomen inspecteur van het ministerie aan het slot is dan nog net te overleven op tranquillizers en alcohol. Al dreigt dan ineens wel verbanning naar Luxemburg; omdat Buitenlandse Zaken nu eenmaal beschikt.

Dat laatste hoofdstuk was me dan net iets te karikaturaal, waar het boek voordien toch zo veel scherpe observaties bevat. Maar de kwaliteiten overstijgen ruim de gebreken, zoals dat voor mij toch wel zichtbaar bleef dat de inhoud over geruime tijd in stukken en brokken tot stand is gekomen.

Betsy Udink, Achter Mekka
218 pagina’s
Poema Pockets 2005, oorspronkelijk 1990

Wisseling van de macht ~ Mildred Hofkes

Interessanter dan dit boek was wat er aanvankelijk mee gebeurde.

In Wisseling van de macht staat voornamelijk éen lang reputatieonderzoek uitgewerkt. En dat onderzoek lijdt eronder dat ik de probleemstelling ook zo wel te kan beantwoorden, zonder daar reeksen van gesprekken voor te hoeven voeren.

Mannen in de top van het bedrijfsleven hebben gauw eens merkwaardig negatieve ideeën over vrouwen die ook leiding willen geven. Was dit niet zo, dan zaten er in Nederland domweg wel meer vrouwen in die top.

Hoogstens levert een uitgebreid onderzoek naar dit probleem antwoord op vragen als hoe ernstig die vooroordelen zijn. En op zijn best wordt het hele probleem dan nog eens geïllustreerd met schrijnende anekdotes. Zowel over de bekrompenheid van het old-boys-network, als van de extra inspanningen die een topvrouw moest doen om geaccepteerd te worden.

Helaas ontbrak zulk toelichtend materiaal wat in het boek.

Mildred Hofkes kon wel de resultaten van haar onderzoek kwijt bij een krant. De Volkskrant. Alleen vatten de redactie daar het materiaal wat ongelukkig samen, en openden ze zelfs de krant met de kop:

Vrouwen aan de top: net mannen

En alleen daarom al moest Hofkes telkens vooral praten over de kwaliteiten die topvrouwen al dan niet zouden bezitten. In plaats van over de vreemde ideeën over vrouwen te kunnen praten, die zij zo vaak had moeten aanhoren; en waarvan mij verbaasde dat die in 2008/2009 nog zo levend konden worden aangetroffen.

Enfin, dan biedt Wisseling van de macht ook nog enig betoog dat elk bestuur er beter van wordt als het niet alleen bestaat uit mannen die sterk op elkaar lijken. Dit zou vanzelf moeten spreken. Maar blijkbaar is dat voor velen nog een geheel nieuw idee.

Mildred Hofkes, Wisseling van de macht
Oplossingen voor de nieuwe bestuurlijke elite

157 pagina’s
Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009

Onverzadigbare vrouw [En de afwezige man] ~ Lisette Thooft

In De onverzadigbare vrouw is Thooft allereerst weinig vriendelijk voor haar sexegenoten. Want in elke vrouw zit een draak verborgen; die pas in harmonie met de man kan leven, als dat vuurspuwende beest onderdrukt wordt.

Voor deze theorie baseerde zij zich op oude mythen en legenden; waarvan enkele in dit boek worden samengevat. Want die beschrijven vrouwen telkens als heel agressieve wezens, met een geweldige drang naar sex. Omgekeerd zijn mannen in deze verhalen nooit agressief tegenover de vrouwen.

Dat mannen de vrouwen later zijn gaan onderdrukken, is zo bezien allereerst een reactie om die onverzadigbare wezens nog een beetje klein te kunnen houden.

Overigens schrijven bijvoorbeeld Betsy Udink en Marcel Kurpershoek in vergelijkbare bewoordingen over de ideeën die in Saoudi-Arabië heersen over de sexdrift van de vrouw. Voor sommige mythen hoeft echt niet in de historie gegraven te worden. En door zo’n conclusie valt dan weer op dat de ontwikkelingen die Thooft beschrijft een door en door Westers geschiedenisverhaal maken.

Tot haar eigen verbazing moet Thooft dan weer erkennen dat het Christendom een heel gunstige uitwerking heeft gehad op het gedrag van de vrouw, en daarmee haar positie. Omdat met dit geloof een idee als naastenliefde ging leven. Daardoor is er opofferingsgezindheid gekomen. En doordat bijvoorbeeld kloosterorden ascese eisten, wat allereerst de hoogstaande vrouwen civiliseerde, en zo ook de anderen inspireerden, is er steeds beter met vrouwmensen samen te leven. Al is die egoïstische sexdrift nu misschien wat te veel gesublimeerd in claimgedrag, en een eeuwig zeuren.

Thooft vertelt genoeg van de legendes na om een aannemelijk verhaal te hebben. Maar als ze dan aankomt in deze tijd — na beschouwingen over zaken als Hoofse liefde en coïtus interruptus in de Middeleeuwen — gaat het mis voor mij.

Ik heb weinig tegen hardop denken, of zelfs speculeren, en Lisette Thooft laat me met dit boek ook net even wat anders naar de geschiedenis kijken door de accenten die ze zo opvallend aanbrengt.

Dus was dit een boek dat ik met veel plezier las. Tot pagina 191 kwam, en hoofdstuk 14 aanbrak. Toen vond ik haar ineens wel heel grandioze conclusies trekken, zonder dat ik begreep waarop die aannames stoelden. En dat kleurde prompt ook mijn waardering voor alles waar ik wel van had kunnen genieten.

Zo wil ik niet zonder na te denken een theorie naast éen van haar kunnen zetten, die net zo waar is, net zo onbewijsbaar, en evenzeer leunt op wat toevallige waarnemingen.

In hoofdstuk 14 schrijft de auteur ineens:

Mannen houden van machines: dat komt van heel diep in hun biologische natuur en reikt tot aan een religieus ideaal. [191]

En vervolgens wordt dit idee uitgewerkt in het boek.

Zelfs als waar zou zijn wat daar staat, wat ik betwijfel, is deze bewering lang niet precies genoeg. Als iemand met een verleden in de technologie weet ik vrij zeker dat echte liefde en dus interesse voor machines maar bij een heel beperkt tal mensen bestaat.

Wel is er een grote drang tot bezit, bij mannen. Bezit, om zich te kunnen onderscheiden. En dat is een drang die soms ziekelijke trekken heeft. Ik weet van een man die vermoedelijk expres een ongeluk kreeg met zijn auto van de zaak, omdat een collega een nieuwere en mooiere had gekregen, en hij anders te lang op vervanging had moeten wachten.

Dat de drang tot bezit zich bij mannen anders uit dan bij vrouwen komt toch ook omdat mannen doorgaans niet het meeste te zeggen hebben, over het huis en andere grote aankopen.

Mijn theorette zou dus veeleer zijn dat mannen maar betrekkelijk weinig mogelijkheden hebben om iets te bezitten en daar mee te kunnen pronken en imponeren; want dat gaat dan om dingen, die hun vrouw al amper moeten interesseren; zoals sommige aspecten van technologie; als topsnelheid of processorkracht.

Maar, door dit te denken, ontdek ik even speculatief en onbewijsbaar bezig te zijn als Lisette Thooft. En dat ondermijnt de waardering voor dit boek dan weer.

Lisette Thooft, De onverzadigbare vrouw
[En de afwezige man]

Een nieuwe visie op de verhouding tussen mannen en vrouwen
256 pagina’s
Balans, 2011

Renegade History of the United States ~ Thaddeus Russell

Dit boek is geschreven met een agenda. Zo leek het mij tenminste. Ik denk dat Thaddeus Russell behoorlijk moet walgen van alle politieke stromingen in zijn land die zo zeker weten wat het juiste gedrag is dat een Amerikaan hoort te tonen. Alleen al omdat die standaard een nogal enge norm oplegt, die zelfs een onhaalbare norm wordt voor wie weleens nadenkt, toevallig homoseksueel is, of gekleurd, of openlijk durft te twijfelen aan georganiseerde religie.

A Renegade History of the United States vertelt de relatief korte geschiedenis van de Europeanen en negerslaven in het gebied dat de Verenigde Staten ging heten. Alleen is dat nu eens een geschiedenis van onderop. Om aan te tonen dat het zo vaak de renegaten, afvalligen, en onaangepasten waren, die de cultuur hebben bepaald.

Terwijl hun rol, en betekenis, door andere historici nog al te vaak genegeerd werd.

En enerzijds is het heel prettig om de geschiedenis eens zo te bekijken. Bijvoorbeeld als Russell uitlegt dat prostituees, hoerenmadammen, en kroeguitbaatsters al in de negentiende eeuw alle idealen verwezenlijkt hadden, waar feministes later nog zo om zouden strijden. Zij bezaten onroerend goed. Zij dreven ondernemingen. Zij verdienden geld, en verkregen daarmee zelfstandigheid.

Natuurlijk werd prostitutie daarop verboden. Net als de VS ook een tijd werd drooggelegd.

Slechts het gegeven dat lichte vrouwen hun gezichten verfden, en andere dames in de steden dit overnamen, was een tijd de enige directe invloed van de prostituees op de cultuur.

Russell plaatst in dit boek ook het leven van de negerslaven tegenover het harde bestaan van de pioniers in de rest van Amerika. Terwijl hard werk overal als een deugd werd gezien, anders was overleven zo moeilijk, werd die norm nu juist niet aan slaven opgelegd. Die deden betrekkelijk weinig, vergeleken met hun blanke landgenoten elders. En hun eigenaren keken wel uit al te harde discipline op te leggen; want dan gebeurde er helemaal niets meer.

Na de afschaffing van de slavernij konden de zwarte Amerikanen hun eigen culturen handhaven; ook al omdat ze elders apart gezet werden en gediscrimineerd.

En dan gaat van Russell van andere bevolkingsgroepen, als de zo massaal binnenkomende Ieren, Joden, en Italianen na hoe die integreerden. En wat hun invloed was op de Amerikaanse cultuur.

Dat leek me wat te veel op een invuloefening, helaas.

Dus moest dit boek het verder vooral van de verrassende feitjes hebben.

Daarom is de voornaamste verdienste van A Renegade History of the United States dat het terloops laat zien wat de heersende normen waren, op een gegeven moment, en waarom er altijd groepen zijn die zich daaraan onttrekken. Maar Russell maakte de afwijkende groepen vervolgens net wat te heilig, om me werkelijk te overtuigen.

Thaddeus Russell, A Renegade History of the United States
400 pagina’s
Simon & Schuster, 2010

Poldermodel ~ Santje Kramer

Mode-ontwerpers hebben éen groot probleem met de Nederlandse vrouw. Want die wil allereerst praktische kleding. Wat zij ook koopt, ze moet er wel in kunnen fietsen.

Maar in plaats dan mooiere kleding te ontwerpen om in te fietsen, wordt hierover gemokt en gespot door de modeverkopers.

Ik geef dit voorbeeld vooral omdat ik het zo typerend vind. Niet de vraag telt daarin, maar het aanbod wordt heilig gemaakt. Mode is dus simpelweg een vorm van indoctrinatie.

Het lijkt me een recept voor ongeluk en depressie bij de ontwerpers, als succes van hun dictaten dan uitblijft.

In Het poldermodel van Santje Kramer wordt ook stevig geklaagd over het kledingpatroon van de Nederlandse vrouw; met haar eeuwige spijkerbroek, en d’r veel te hoge platgehakte laarzen.

Eveneens worden soms andere ideeën heilig gemaakt die elders zijn opgedaan.

Deze klaagzangen komen van een heel scala aan buitenlanders dat naar Nederland kwam — niet zelden om de liefde — en zo uit de eerste hand ervaring opdeed met de vrouwen hier.

Daarbij geldt wel het vrijwel eeuwige bezwaar tegen teksten van een vrouw die haar sexe tot onderwerp maakte — die worden altijd geschreven over leden van krekt dezelfde sociaal-economische klasse als de auteur.

In dit geval gaan alle uitspraken dus over relatief jonge, goed opgeleide vrouwen in een grote stad, die werk buiten de deur hebben, zij het niet alle dagen van de week, en er daarnaast nog een actieve vriendenkring op na houden.

Velen van hen hebben bovendien kinderen. Nogal wat hebben weleens moeite om alles in hun leven in balans te krijgen.

Toch, als zo’n boek dan allereerst op het vermaak mikt, door vooral herkenning op te willen roepen, dan is het al gauw heel wat minder irritant dan het doorsnee feministische traktaat. Het poldermodel gelijkt nog het meest op een lang kringgesprek in de kroeg, omdat allereerst meningen voorop staan. Amusant allemaal, voor even. Uitermate snel vergeten daarna.

Zo’n boek stelt geen vragen over de ratrace elders, of wat het doet met vrouwen, welke ruimte zij hebben om zichzelf te presenteren, en dus hun uiterlijk, als werkgevers strikt hiërarchisch zijn georganiseerd. Zo’n boek constateert nog net terloops dat nogal wat zaken in Nederland iets anders zijn geregeld.

Santje Kramer, Het poldermodel
De Nederlandse vrouw is uniek
160 pagina’s
Contact, 2011

Man/Vrouw ~ Ivan Illich

Wanneer werk universeel van karakter wordt — unisex is van aard — dan stuiten vrouwen op achterstelling. Zo luidt éen van de theorieën die Ivan Illich poneerde in een collegereeks begin jaren tachtig. Later zijn deze teksten verzameld in de bundel Man/Vrouw.

Het bewijs dat Illich gaf voor deze stelling vond ik wat mager. Behalve dan dat er simpelweg het gegeven ligt dat vrouwen ook in onze economie nog altijd stelselmatig worden gediscrimineerd. Alleen al omdat ze voor hetzelfde werk zo vaak minder betaald krijgen dan mannelijke collega’s. Het gevolg was al bekend, voor onderzocht werd wat de redenen kunnen zijn die er toe leiden.

Maar jongeren worden ook stelselmatig achtergesteld bij ouderen — terwijl ze misschien wel meer presteren. Hiërarchisch ingerichte systemen zijn vrijwel nooit meritocratieën, denk ik dan. Een degelijke beschouwing over seksediscriminatie valt of staat dus met de kwaliteit van de inzichten over hoe werk georganiseerd wordt, en wat daarin verandert.

Illich was in zijn lezingen er vooral sterk in om de geschiedenis te schetsen van arbeid. Want ooit bestonden er wel degelijk verschillen tussen mannenwerk en vrouwenwerk. In de landbouw hanteerden mannen vanouds andere gereedschappen dan vrouwen. En de inzet van beiden was nodig.

Met het verdwijnen van de handenarbeid, en daarmee het ambacht, waren er in tal van bedrijfstakken minder mensen nodig. Dat ging dan gauw eens ten koste van de vrouwen.

Curieus is vervolgens de switch die hij maakt in zijn betoog naar de betekenis van professionalisering. Want toen de geneeskunde een beroep werd, ontstond er een strijd tussen doktoren — die vanzelfsprekend allemaal mannen waren — en de vroedvrouwen, die tot dan als vanzelfsprekend zwangerschappen en bevallingen hadden geleid.

Nu is dat allemaal niet onwaar. Zelfs Illich’s stelling dat baarmoeders publiek bezit werden, blijft staan; omdat er nog altijd talloze mannen zijn die menen dat het vanzelf spreekt om alle vrouwen het recht op abortus te onthouden.

Mijn probleem met al deze ideeën is vooral dat enkel symptomen beschreven worden, zonder dat daarop een degelijke diagnose volgt.

En andere symptomen die wijzen op de achterstelling van vrouwen zijn al evenmin moeilijk te vinden. Illich mistte bijvoorbeeld de klacht van nogal wat feministen dat de status van een beroep nogal daalt zodra de meeste beoefenaren van dat beroep vrouwen zijn geworden. Dat geldt voor de huisartenij in Nederland, dat geldt voor alle medische beroepen in het algemeen in Oost-Europa. Dat geldt voor het werk in het onderwijs.

Maar het signaleren van zo’n verschuiving is hoogstens het begin van de verklaring waarom. En dan ben ik de eerste die waarom-vragen niet altijd heel interessant kan vinden — omdat er zo vaak kennis ontbreekt om zulke vragen adequaat te beantwoorden. Toch meen ik dat bij een onderwerp als de structurele seksediscriminatie meer speelt dan Illich vermocht aan te geven.

Hij was een priester. Misschien dat dit hem bijvoorbeeld blind maakte voor culturele discriminatie vanuit religie; waarin vrouwen altijd minder zijn dan de man; en bovendien hun plaats moeten weten.

Ivan Illich, Man/Vrouw
Geslacht en sekse

195 pagina’s
Ambo boeken, 1984
vertaald uit het Engels, Duits, en Frans