Metroseksueel ~ Michael Flocker

Het is waarschijnlijk geen wonder dat Norbert Elias etiquetteboeken gebruikte om zijn theorieën te illustreren over de veranderingen in cultuur en civilisatie. Etiquetteboeken zijn tijdcapsules.

In dit boek wordt bijvoorbeeld meermaals de waarschuwing uitgesproken dat een echte man geen sokken aantrekt, als hij sandalen draagt. En als ergens tegen gewaarschuwd wordt, betekent dit ook dat het verschijnsel regelmatig voorkomt.

Overigens is dit boekje nog meer dan alleen een etiquettegids voor de man. Het hoort ook tot een ander genre. Dat van het zelfhulpboek. Het Amerikaanse zelfhulpboek bovendien, wat het bovenmatig optimistisch maakt over de structurele veranderingen die de lezer nog kan doormaken.

Als die maar wil, kan alles.

Van die dingen.

Ik geef toe een boekje als dit vooral te lezen om het humoristische effect dat onbedoeld optreedt als een Amerikaans zelfhulpboek naar het Nederlands wordt omgezet. En het was ditmaal smullen, omdat het de bewerkers niet echt lukte de toon van het boek te temperen om het wel bij de Nederlandse ideeën over de juiste maat te laten passen.

Om de loop van de geschiedenis te veranderen heb je waarschijnlijk meer nodig dan het amusante boekje dat je nu in handen houdt [10]

staat er dan. Maar vlak daarvoor gaat het wel over de sleutels tot persoonlijk succes. En die worden slechts geïllustreerd door selectief wat eigenschappen van enkele genieën op te noemen.

Tegelijk houdt Flocker zijn lezer voor tamelijk debiel. Uit zijn waarschuwingen determineer ik op dat hij zijn publiek ziet als obese TV-verslaafden, met een voorliefde voor fastfood, en de culturele bagage van een zilvervisje.

Stereotype Amerikanen, dus.

Wijn hoor je langzaam te drinken. Neem kleine slokjes, geniet van de smaak, maar sla de wijn niet als een glas limonade achterover. Als je dorst hebt, vraag je de ober om wat water bij de wijn. [38]

Nee, wat dit boekje werkelijk op een bizarre manier fascinerend maakt, is dat de auteur op nogal denigrerende wijze van ons onbenul uitgaat, en daar tegenover totaal optimistisch stelt dat dit allemaal niet uitmaakt. Alles kan echt nog helemaal goed komen. Volg deze regeltjes maar. Zo veel zijn het er niet. En al doende, wordt het makkelijk een aantrekkelijker eigen ik te vinden.

Michael Flocker, Metroseksueel
Het handboek voor de moderne man
175 pagina’s
A.W. Bruna Uitgevers, 2004
vertaling van The Metrosexual Guide to Style, 2003

Ueber den Prozeß der Zivilisation ~ Norbert Elias

Toen ik uiteindelijk geschiedenis ging studeren, was dit niet omdat de geschiedenisles op school zo leuk was geweest. Niet dat mijn herinneringen slecht waren daaraan, voor zo ver er nog herinneringen waren tien jaar later. Maar de geschiedenisles vroeg niet zo veel. Ik heb een goed geheugen voor nutteloze informatie, en kan een zin formuleren; en veel meer werd er ook niet geëist op de middelbare school.

Dat ik die studie koos, kwam mede door dit boek. Omdat het me leerde dat er ook op een andere manier naar het verleden te kijken was, dan door jaartallen te memoreren, of grote mannen te herdenken. Bovendien vertelde Elias in zijn beschouwingen over het verleden ook heel wat over het nu.

Daarbij kwam dat ik dit in sommige opzichten een heel geestig boek vond. Gek dat er nu zo zelden op dat aspect gewezen wordt.

Misschien kwam dit door Elias zelf, en diens droge uitleg later van wat hij allemaal bedoeld had. Misschien kwam dat door de serieusheid van zijn veelal Nederlandse discipelen.

Ik bedoel, dit eerste deel heeft in deze uitgave een inleiding van 82 pagina’s. Dat is meer dan een kwart van het eigenlijke boek. En deze inleiding is bovendien onvergelijkbaar veel droger en saaier dan de tekst die daarop volgt.

Elias wilde éen ding doen met zijn Über den Prozeß der Zivilisation, en dat was illustreren hoe wij een steeds groter arsenaal aan regels zijn gaan internaliseren in de omgang met elkaar. Daardoor hebben we heel andere ideeën over wat fatsoenlijk is, of hygiënisch, dan onze voorouders. En tezamen heten die ontwikkelingen dan beschaving, maar eigenlijk doet dit er al niet toe, voor mij.

Evenmin vind ik interessant waar dat verwerken van al die aangeleerde regels dan toe leidt, innerlijk gezien. Wat de psychologische gevolgen zijn.

Voor mij was interessant, en bij het herlezen bleek dit gelukkig nog steeds zo, dat veel van wat vroeger normaal was, nu nogal vreemd overkomt.

Norbert Elias gebruikte voor zijn onderzoek vooral oude etiquetteboeken, zo ongeveer beginnend bij dat van Erasmus. Daarbij het simpele uitgangspunt hanterend dat als tegen bepaald gedrag gewaarschuwd werd, dit waarschijnlijk in ruime mate voorkwam. Zo raadde Erasmus zijn tijdgenoten aan om bij het eten toch liever onder de tafel te spugen, in plaats van erop.

In dit deel gaat het over vele elementaire zaken. Wanneer begon men met een vork te eten, wanneer een servet te gebruiken. Waar deed men zijn behoefte, en wat moest de reactie zijn als er iemand in het zicht zat te poepen. Enzovoorts.

Wat ik vergeten was, is hoe zeer Elias nog tast naar vorm in de eerste hoofdstukken. Hij weet iets geheel nieuws te gaan bespreken, en daar de consequenties van aan te gaan moeten geven, en legt daarom telkenmale uit dat hoe wij nu denken niet was hoe dit toen werd gezien.

Ook was vergeten, of misschien verliep mijn kennismaking met dit boek via een andere editie, is hoeveel bronmateriaal Elias onbewerkt presenteert. Zestiende-eeuws Frans en vijftiende-eeuws Engels, of citaten in Latijn, die staan er allemaal zonder vertaling in. Daarmee terloops ook tonend wat iemand hoorde te weten, zo vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Meer over de ontvangst en implicaties van dit boek in een vervolg

Norbert Elias, Über den Prozeß der Zivilisation
Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen
Erster Band
Wandlungen des Verhaltens in den weltlichen Obersichten des Abendlandes
334 pagina’s
Suhrkamp taschenbuch 1980, oorspronkelijk 1936

Kleine encyclopedie van het snobisme ~ Anton Moonen

Kan de ene snob wel op de andere lijken? Of met andere woorden, zijn er voorschriften te geven over wat snobisme is?

Dit lijkt mij niet, en dat zal ongetwijfeld heel elitair gedacht zijn van me. Twee mensen, of meer, met dezelfde snobismen worden al gauw een club. Een heel vervelende club.

Een boek als dit was daarom ook aanmerkelijk geloofwaardiger geweest als het een gids had geboden om andermans snobismen te leren determineren. Dat aspect zit er ook wel wat in. Moonen schreef alleen veeleer een soort zelfhulpboek, voor de wannabe die nog net iets meer snob wil worden dan hij nu is.

Maar wie eerst een kontje nodig heeft om zich ver boven alles verheven te voelen, is in beginsel een nogal klein mens.

De aardigheid in dit boek zat er voor mij vooral in dat het te lezen is als een parodie op de stijlgids voor de succesvolle man van nu, zoals medewerkers van een bepaald soort zakenbladen met regelmaat uitgeven. Waarin altijd eenzelfde reeks aan truttige adviezen terugkomen. Die schoenen kunnen wel, die net. Dit pak deugt, dat kan echt niet. Gedraag je zus onder omstandigheid zo. Dan word ook jij als ons. Dan pas deug je.

Moonen zal het allemaal niet zo bedoeld hebben. Of anders was zijn intentie subtieler dan mij opviel.

De Kleine encyclopedie van het snobisme leunt zwaar op éen idee, dat helaas lang niet krachtig genoeg is om een heel boek interessant te maken.

Anton Moonen, Kleine encyclopedie van het snobisme
Over dandy’s, estheten en etiquette

223 pagina’s
Ambo, 2000

Informalisering ~ Cas Wouters

Cas Wouters ging verder waar Norbert Elias ophield, in diens Prozeß der Zivilisation. Dat is zowel heel interessant, door het panoramische overzicht, en toch soms wat te simpel door het ontbreken van verklaringen voor wat er veranderde.

Net als Elias gebruikt Wouters etiquetteboeken om te laten zien hoe de zeden veranderden in de loop van de tijd. Hij koos er daarbij voor om ontwikkelingen sinds 1890 in Nederland en Duitsland te vergelijken met die in Groot-Brittannië en de VS. Al deze landen waren standenmaatschappijen op dat moment, met een beperkt contact tussen de verschillende sociale strata. Maar dit veranderde. Daarom heet dit boek ook Informalisering. Voor een deel houdt die informalisering in dat steeds meer mensen dezelfde zeden zijn gaan internaliseren.

De belangrijkste verschuiving die dit opleverde, is dat er iets veranderde in wat door mij doorgaans de geschiedenis van het ik wordt genoemd. Wouters heeft het over verschuivingen in de wij-ik balans, maar dat is hetzelfde. Wie of wat ik ben, bepaalt ook wie wij zijn, en zij.

Daarom kan het vervolgens als een probleem ervaren worden als er groepen in een land gaan wonen die volgens andere gedragsregels leven.

Het is door dit soort verklaringen van welbekende problemen dat dit boek zijn grootste waarde had. Nu ja, ik vond de vaak behoorlijk lange citaten uit de etiquetteboeken ook prachtig. Wouters heeft een goede hand om amusante citaten te vinden, die tegelijk ook iets toelichten.

Minder is dit boek, of misschien Wouters’ onderzoeksmethode, als het evidente verschillen tussen de vier landen laat zien. Dan fnuikt het dat Wouters vooral signaleert wat er veranderde, en daarbij liever niet naar verklaringen zoekt.

Wat ik bij het maken van dit boeklogje bovendien niet begreep, was waarom er zo veel miste in het boek. Een thema als de vrouwenemancipatie bijvoorbeeld, of de informalisering in de omgang tussen man en vrouw, ontbrak nogal pijnlijk.

Waarom deed Wouters al die ontwikkelingen af in een kort tussenhoofdstukje over fitness en de lichaamscultuur? Waarin ook nog de kleffe dierenliefde van de Britten in een moeite meegenomen werd?

Het Britse huisdier heeft een dwingende psychologische aantrekkingskracht die ontbreekt bij de gemiddelde Eurohond of -kat. In dit land hebben we over het algemeen geen aanraakcultuur — vooral niet als het om mannen gaat. In Europa raken mannen iedereen binnen hun bereik net zo makkelijk aan als dat ze lachen of glimlachen; voor de Britse man blijft een toelaatbare aanraking beperkt tot zijn vrouw en zijn hond. En over het algemeen wint de hond. (Courey 1985: 137) [zoals geciteerd op pagina 275]

Ik begreep pas bij het schrijven van deze woorden dat er wel eerdere publicatie moet zijn geweest. Dus deed ik niet eerder dan nu, wat elke fatsoenlijke recensent direct had onderzocht. Om te ontdekken dat Cas Wouters jaren voor Informalisering al het boek Seks en de seksen had uitgebracht.

Had ik het verkeerde boek gelezen.

wordt daarom vervolgd

Cas Wouters, Informalisering
Manieren en emoties sinds 1890
388 pagina’s
Bert Bakker, 2008

Seks en de seksen ~ Cas Wouters

Cas Wouters publiceerde de afgelopen jaren twee vergelijkbare boeken over het veranderen van de zeden in de twintigste eeuw. Dit: Seks en de seksen, en later nog Informalisering. Ik las dat tweede boek eerst, bijna volkomen ongeïnformeerd, wat me toen tot de onnozele conclusie bracht nogal wat te missen. Wat er miste stond namelijk al in dit boek beschreven.

Wouters gebruikte voor beide werken een van Norbert Elias geleende aanpak. Hij keek wat er veranderde in de etiquetteboeken, die in gebruik waren in Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië, en de VS.

En veel sterker nog dan bij Informalisering vielen me ditmaal de beperkingen op van deze werkmethode.

Hoe mensen met elkaar omgaan in het dagelijkse leven, zoals Informalisering beschrijft, is niet iets dat door duidelijke benoembare oorzaken direct zal veranderen in de loop der tijd. Dit maakt het razend moeilijk de ontwikkelingen daarin te beschrijven. En daarbij zijn etiquetteboeken dus een dankbare bron.

Terwijl er over wat veranderde in de omgang tussen man en vrouw nu juist wel andere bronnen te vinden zijn. Of anders waren er wel politieke omstandigheden — vrouwen deden het mannenwerk, terwijl de mannen de Wereldoorlog ingingen — of technische vondsten, als de pil, waardoor iets verschoof in de verhouding tussen de seksen.

De auteur moet dit beseft hebben, en hield niet strikt vast aan alleen die etiquetteboeken. Zo nam Wouters voor zijn onderzoek ook vele jaargangen door van het feministische tijdschrift Opzij; een periodiek dat doorgaans op mijn leestafeltje ontbreekt.

Toch las ik dit boek eerder als amusement, dan als sociaalhistorisch traktaat. Waarschuwingen en vermaningen van vroeger krijgen iets koddigs als de zeden zijn veranderd. Hoe benepen de wereld ook was van waaruit die regels stamden; en hoe vrouwen daar ook onder geleden moeten hebben.

Citaten van mannen die eens iets voor hun vrouw deden, en zich daardoor welhaast gebruikt voelden, riepen dan weer eerder ergernis op dan verbazing. Ben ik blijkbaar toch een hedendaagse man.

Cas Wouters, Seks en de seksen
Een geschiedenis van moderne omgangsvormen
302 pagina’s
Bert Bakker, 2005

Dear Undercover Economist ~ Tim Harford

De Financial Times houdt er een opmerkelijke adviescolumn op na. De Lieve Mona van deze krant is namelijk een econoom, die vragen beantwoordt met vondsten uit de economische theorie. En wonderbaarlijk genoeg bieden die ruimte genoeg om nuttige uitspraken over heel het leven te doen.

Tim Harford heeft als econoom van dienst heel wat vragen behandeld in de rubriek ‘Dear Undercover Economist’, en in deze bundel zijn de honderdvijftig beste vragen en antwoorden samengebracht.

Dat levert aan de ene kant een humoristisch en inzichtelijk boek op, terwijl tegelijk het formaat snel vermoeit. Op vrijwel elke pagina komt weer een nieuw probleem aan de orde, en moet de lezer zich op weer iets heel anders focussen. Dus deed ik wonderbaarlijk lang over dit toch niet heel dikke boek. Met een paar vragen en antwoorden was het quotum voor een dag wel weer vol.

Meest fundamentele nieuwe inzicht dat dit boek me opleverde? Dat was toch de vraag over prijzen in winkels. Ik meende altijd, net als de vragensteller, dat het puur nogal grove psychologie is om prijzen voor producten niet af te ronden, maar te laten eindigen op 95 of 99 cent.

Harford ziet dit anders, en verwijst naar onderzoek dat uitlegt hoe zo’n prijsstelling diefstal door het winkelpersoneel voorkomt. Ronde bedragen zijn makkelijk gepast af te rekenen. Zo’n betaling kan het personeel dus ongemerkt in eigen zak steken. Maar voor vreemde bedragen moet de kassa altijd wel even aangeslagen worden, omdat een koper vast wisselgeld terug wil.

De vragen in dit boek zijn in vijf categorieën onderverdeeld. Het hoofdstuk liefde en dating behandelt onder meer de vraag of vrouwen hun orgasmen moeten faken, of niet. In het hoofdstuk werk, school, en geld vraagt iemand hoe hij het best de miljoenen kan spenderen die in hij in de loterij gewonnen heeft. Familieleven legt uit waarom het voor mannen loont om zittend te plassen, of in elk geval de wc-bril weer omlaag te doen na gedane arbeid. In voedsel, drank en vermaak staan onder meer tips om de wijnsnob af te troeven. En het slothoofdstuk met varia biedt bijvoorbeeld een prachtig antwoord op een Nigeriaanse e-mailscam.

Ergerlijk aan dit boek is wel dat ik nu telkens de neiging voel om iedereen wijsneuzig te gaan lastig vallen met de antwoorden van Harford.

Tim Harford, Dear Undercover Economist
179 pagina’s
Little, Brown, 2009

Big Necessity ~ Rose George

Ik mag altijd graag de rioolwaterpomp tot grootste uitvinding van de mensheid uitroepen. Dat is dan meestal als provocatie bedoeld, zeker. Maar de rol van de simpele ingenieur in de geschiedenis van de mensheid wordt me meestal te makkelijk onderschat. Net als dat altijd de verkeerde zaken wél belangrijk worden gemaakt.

In The Big Necessity komt Rose George met een simpel statistiekje. De uitvindingen om poep zo goed mogelijk uit de buurt van het drinkwater te houden, hebben de gemiddelde levensduur van de mens met zeker twintig jaar verhoogd. Die is alleen daardoor al zo veel minder vatbaar voor ziekten.

Waar er werkende riolen zijn, of de afvoer op een andere manier goed geregeld is, zijn de mensen gezonder, wat ze productiever maakt. Of, als het om kinderen gaat, alleen daardoor gaan er meer naar school.

Dat kroonprins Willem-Alexander zo flink aan het watermanagement doet, is dan ook wat eufemistisch gesteld. Hij helpt mee om mensenpoep uit de buurt van drinkwater te houden. Willem-Alexander doet dus vooral aan poepbeheer.

Tegelijk is het onnozel om daar lacherig om te gaan doen. Cholera en tyfus zijn ziekten die vooral verspreid worden via verontreinigd drinkwater. Miljoenen kinderen sterven daardoor per jaar. Of, volgens weer een ander statistisch weetje uit het boek, een aantal dat vergelijkbaar is met het crashen van twee Jumbojets vol kinderen elke vier uur.

En, zoals Rose George schrijft, zolang 2,3 miljard mensen op de wereld niet over fatsoenlijke sanitaire voorzieningen kunnen beschikken, is poep een doodserieus onderwerp.

De auteur van The Big Necessity is journalist. Voor het boek betekende dit dat ze telkens overal gaat kijken, in plaats van achter de schrijftafel over het onderwerp te filosoferen. Dus mag de lezer mee op onderzoek in het riool in Londen en New York, en naar rioolwaterzuiveringen. Leert de lezer ook hoe publieke toiletten eruit zien — in China zijn dat een soort gemeenschapsruimten waar iedereen alles van elkaar zien kan. Ook worden arme gebieden in India bezocht; waar het kastestelsel op sommige plaatsen alle normale ontwikkelingen tegenhoudt. Fatsoenlijke mensen praten namelijk niet over poep.

Dit had gezien alle problemen die aan het onderwerp kleven makkelijk een prekerig boek kunnen worden. Maar knap is alleen al dat Rose George zelfs in de meest ellendige omstandigheden nog de humor van situaties weet te vinden. Want, wat is de etiquette als je in een veld zit te poepen, en er komt een auto langs? En hoe veranderde dat met de toename van het wegverkeer?

Bovendien is dit boek bijzonder informatief. Zelfs over de technische ontwikkelingen. Er staat veel in, en dan altijd goed in een context geplaatst. Ik zou normaal ook niet geïnteresseerd zijn in de vraag wat biogasinstallaties voor het Chinese platteland kunnen betekenen. Maar, als een bekwaam auteur zo’n onderwerp oppikt, wordt het interessant, en stelt het wezenlijke vragen; zoals nu. Want, als zo’n biogasinstallatie alleen werkt bij voldoende aanvoer, moeten mensen er dan maar varkens bij gaan houden?

Mooiste hoofdstuk vond ik evenwel dat over de Japanse hightech-WC’s; met hun ingebouwde warmwaterdouche. Al blijft wel de vraag open waarom deze technologie niet wil aanslaan buiten het land.

Dat hoofdstuk leerde me bijvoorbeeld dat er een tijd toiletten gesmokkeld zijn, vanuit Canada naar de VS. Toen Amerikaanse wetgeving had opgelegd dat toiletten nog maar zes liter drinkwater mochten gebruiken voor het spoelen, in plaats van de twaalf tot dertien van voordien. Fabrikanten hadden toen lang moeite toiletten te leveren die met minder water even goed werkten.

Laatste staatje: maar 2% van alle water op aarde is drinkwater, en over tweederde daarvan kan niemand beschikken omdat het bevroren is. We gebruiken hetzelfde beetje water telkens weer, noodzakelijkerwijs, en het is zo makkelijk om dat water gedachteloos te verontreinigen.

Rose George, The Big Necessity
Adventures in the World of Human Waste

326 pagina’s
Portobello books, 2008

Lekker fris! ~ Mayke Groffen

Waarschijnlijk onthoud ik van dit boek vooral dat Tampax al in 1938 reclame maakte voor tampons — in het katholieke damesblad Libelle nota bene. Want dat is zo’n feitje dat zich onmiddellijk in het geheugen hecht, omdat het me verraste.

Shampoo is nog maar even op de markt. Voorheen volstond zeep wel.

Andrélon is een merk dat door de kapper André de Jong werd bedacht. De schubben die elke haar heeft, zijn nog altijd zichtbaar in de vormgeving van de flessen.

Staan er nog tientallen feiten meer in dit boek. Maar Lekker fris! is toch allereerst een zedengeschiedenis over hoe Nederland in de twintigste eeuw dacht over hygiëne. En daarmee werd het een boek vol meningen. Dat, omdat wij sommige van die opinies nu ouderwets vinden, zo niet volslagen belachelijk, benadrukt dat wat normaal is niet noodzakelijkerwijs ook normaal blijft.

Mayke Groffen ging daarbij prettig systematisch te werk. Ze begint met een hoofdstuk over de ideeën die er leefden over de verzorging van het hoofdhaar. En ze eindigt het boek met een hoofdstuk over de benen en voeten.

Daar tussen komt alles langs. Van oksel tot aars. Van mond tot kruis.

Waarbij dan weer opvalt dat de geschiedenis meestal over vrouwen gaat. Slechts het hoofdstuk over snorren en baarden is exclusief domein van de man.

Dit boek werd uitgebracht ter begeleiding van een tentoonstelling, in het Historisch museum Rotterdam. Die achtergrond valt helemaal niet op — of hoogstens dat ik zien kan dat de schrijver nagedacht heeft over wat er nodig is aan educatie van de lezer. Ook staan er prettig veel plaatjes in.

En Lekker fris! is prettig concreet — zelfs al haalde ook Goffen veel van haar ideeën over hoe het vroeger was uit etiquetteboeken, of werkjes met een opvoedende strekking.

Mij beviel vooral het evenwicht in deze uitgave. Zelfs bij de geschiedenissen die ik wel kende, zoals die van het scheermes, waren er wel illustraties die iets nieuws brachten. En hoewel geschiedenis altijd treurige misverstanden uit het verleden toont, bleef er lucht in het boek.

Mayke Groffen, Lekker fris!
Honderd jaar gezondheid, schoonheid, en fatsoen

319 pagina’s
SUN, 2009

Jeugd van tegenwoordig ~ Cas Wouters

Aan het oordeel over nogal wat boeken gaat een vraag vooraf. Wat stond er niet in? Dat er wellicht wel in had gemoeten?

Over De jeugd van tegenwoordig van Cas Wouters vroeg ik me af of hij werkelijk de beste manier had gevonden om te schrijven over hoe ouders en kinderen met elkaar omgaan. En over wat daarin sinds 1880 is veranderd.

Daarop moest ik Wouters toch gelijk geven, dat hij dit boek vooral over sex liet gaan. Ten eerste omdat in de ideeën daarover opvallende verschuivingen zijn aan te wijzen. En ten tweede omdat dit dan veranderingen betreft in de moraal; en dus in hoe mensen met elkaar omgaan.

Had hij het over kinderen en hun zakgeld geschreven, dan was er ook de plicht geweest de hele ontwikkeling van de welvaart in Nederland te beschrijven.

Had hij het over kinderen en onderwijs gehad, dan ware er bijvoorbeeld de paradox geweest dat het onderwijsbeleid telkens vanuit de overheid wordt bijgesteld, maar dat dit altijd onbedoelde gevolgen heeft.

De jeugd van tegenwoordig is een deelvervolg op Wouters’ eerdere studie Seks en de seksen uit 2005. Voor dat boek bekeek de socioloog nog etiquetteboeken, en vele jaargangen van het vrouwenblad Opzij. Ditmaal beperkte hij zich voornamelijk tot het vergelijken van verschillende wetenschappelijke rapporten en adviezen die na de Tweede Wereldoorlog zijn geschreven over sexualiteit.

Mede omdat deze publicaties lang altijd niet objectief wetenschappelijk bleken te zijn. Er klonken nogal wat waardeoordelen door in vroegere rapporten. Ongetrouwde jonge vrouwen die weleens met iemand in bed belandden, heetten daarbij ineens nogal plat ‘amatrices’. Omdat in de opvattingen van de onderzoekers toen dus alle sex buiten een huwelijk simpelweg primitief was.

Een boek als dit, dat veranderingen beschrijft die in ruim een eeuw plaatsvinden, moet een paar dingen extra doen om memorabel te worden. Want vrijwel alle sociologie, zelfs als die gebaseerd is op het werk van Norbert Elias, heeft de neiging volkomen vanzelfsprekend te gaan lijken aan het eind gekomen van de tekst.

En Cas Wouters slaagde er in elk geval in om mij een paar maal iets nieuws te vertellen.

Hij leerde me onder meer dat in Nederland de vrije verkoop van voorbehoedsmiddelen pas bestaat sinds het begin van de jaren zeventig. Die is dus pas vrijgegeven tijdens mijn leven — wat ik schokkend genoeg vind om te willen onthouden.

In 1968 was een meerderheid van de bevolking zelfs nog rigoureus tegen de vrije verstrekking van anticonceptie aan ongehuwden.

Dat klinkt dan ineens alsof ik uit de duistere Middeleeuwen stam.

Ten tweede heeft hij me geleerd om op een net wat andere manier naar het verleden te kijken. Eén van de stellingen die hij in zijn conclusies inneemt, is namelijk dat de emancipatie van het kind pas mogelijk wordt na de emancipatie van de vrouw. Want eerst moet de onverbiddelijke almacht van de man thuis zijn afgebroken.

Daardoor kon hij me ook iets verklaren dat me altijd bevreemd heeft. Waarom de sexuele moraal op het VMBO, en dus voorheen het lagere beroepsonderwijs, onder de leerlingen zo anders is dan onder de scholieren die abstracter vormen van middelbaar onderwijs volgen. Ze neuken er jonger.

Wouters beschrijft in De jeugd van tegenwoordig telkens een tweedeling — hij maakt heel ouderwets een klassenonderscheid. Die in Nederland onder meer inhoudt dat de kinderen van hoger opgeleide ouders vrijwel automatisch naar het type middelbare onderwijs gaan dat opleidt voor een vervolgstudie. Dat alleen al maakt zowat dat het leven van die kinderen in het teken staat van de uitgestelde beloning, zo denk ik dan. Die kinderen hebben nogal wat te internaliseren, aan regels, en zelfdiscipline. Tegenwoordig tenminste.

En dan is de tegenstelling met de VMBO-leerlingen misschien iets te zwart-wit gesteld in dit boek. Maar dan wil ik best geloven dat de emancipatie in de gezinnen van lager opgeleiden nog iets achterloopt. Wat dan weer van betekenis is op hoe deze ouders met hun kinderen omgaan. Zeg ik verder niets over zelfdiscipline, of impulscontrole.

Cas Wouters poneert ergens als theorette dat VMBO-leerlingen neuken om zichzelf — om te kunnen zeggen die stap gemaakt te hebben — en zich daarbij niet per se bekommeren met wie ze dat dan doen. Terwijl de HAVO- en VWO-leerlingen liefst toch ook al een zinvolle relatie willen hebben, voor als puntje bij paaltje komt.

Over het algemeen. Generaliserend gesproken.

En dan weet ik natuurlijk niet of dit waar is. Zo’n theorette verklaart alleen toch wel iets; ondanks alle onderliggende aannames.

Biedt dit boek verder nog een bescheiden vergelijking met ontwikkelingen in de VS, Wouters preludeert al op wat de betekenis van de webcam of smartphone is in de tienerkamer, en er staan beschouwingen over de herhaalde acties van vrouwen tegen porno, en alles wat zij verder zien als uitwassen. Want begin over sex, en ineens zijn er regels, en daarmee meningen volop ook over die regels.

Cas Wouters, De jeugd van tegenwoordig
Emancipatie van liefde en lust sinds 1880

390 pagina’s
Athenaeum―Polak & Van Gennep, 2012

Uncle Dysfunctional ~ A.A. Gill

Het is een elementair en onontkoombaar gegeven dat een rubriek uit een tijdschrift zelden werkt buiten de normale context. Bundeling in een boek maakt tijdschriftmateriaal vrijwel nooit sterker. Zo’n verzameling kan bijvoorbeeld dan onbarmhartig tonen hoe weinig ruimte er tot variatie is binnen het gebruikelijk geworden stramien. Gimmicks zijn zo ineens heel makkelijk doorzien.

En kleine variaties op éen thema moeten wel heel erg goed geschreven zijn, willen die een boek lang kunnen boeien.

A.A. Gill gaf jarenlang de antwoorden voor een probleemrubliek van het tijdschrift Esquire; wat een blad is dat zich op mannen schijnt te richten. Dit deed hij onder de pennaam Uncle Dysfunctional. Uitgangspunt werd daarmee dat hij zijn adviezen niet per se beleefd en voorkomend zou gaan geven, nee, daarbij kon hij zelfs weleens behoorlijk bits uitvallen. Anders dan toch gebruikelijk is bij zo’n rubriek.

En zeker, er staan adviezen genoeg in deze bundel die komen van iemand van wie je liever geen advies had gehad.

Nogal wat vragen gaan over sexueel getinte problemen — in de loop van dit boek dragen de vragenstellers zelfs amper nog andere moeilijkheden aan. Of anders ging het de brievenschrijver wel om iets in de gebruikelijke etiquette wat hem of haar onduidelijk was.

In een tijdschrift, tussen andere artikelen en vaste rubrieken, valt dan niet dat zo’n ingezonden probleem er nogal artificieel uit kan zien. Verzamelingen werken helaas anders. Te veel in Uncle Dysfunctional las voor mij als grappig bedoeld. Gezocht. Op een kunstmatige en daarmee veel te bedacht ogende vraag volgde een al even onecht antwoord. Tussen vraag en antwoord was er te vaak niet eens verschil in toon.

A.A. Gill stelde zichzelf trouwens ook weleens vragen; en dat viel me dus niet eens direct op.

Hier was weinig leeslol aan te beleven. Zelfs niet nadat ik mijn leestempo sterk had teruggeschroefd, en hoogstens nog een paar problemen las per dag.

Kan het trouwens wel zijn dat ik de grap achter dit boek te goed doorzag. Want die is ook een oude truc voor de makers van blaadjes, waaraan zelfs ik me weleens bezondigd heb. Ook ik begon ooit met schrijven in blaadjes die vol moesten. Waarop dan een probleemrubriek bedacht werd.

Dus vraag ik me nu af of deze bundel er enkel gekomen is omdat A.A. Gill plots overleed. Waarbij dit boek niet per se ter nagedachtenis diende. Schrijvers worden snel vergeten. Daar valt voor uitgevers hoogstens aan te verdienen als ze nog in het collectieve geheugen leven.

scheiding

Dear Adrian,
I know this sounds funny, as in amusing, but that’s why I’m reduced to writing to you about it. No one will take me seriously and, consequently, I suffer from nervous flatulence. I produce a lot of wind and release it at really inconvenient moments in lifts, and I have an overwhelming need to fart whenever I have a massage. I can feel the gasses building up, and the pressure on my sphincter is unbearable. […]

Charlie, Windermere

Get a dog. Get two dogs.

A.A. Gill, Uncle Dysfunctional
Uncompromising Answers to Life’s Most Painful Problems

221 pagina’s
Canongate, 2017

Draag nooit een gele trui ~ Alex van der Hulst

Al tijden wil ik een geel wielershirt kopen. Felgele kleding valt domweg goed op in het verkeer. Ik heb al een fluorescerend geel jack, met zwarte stukken. En het kan verbeelding zijn of niet, autobestuurders lijken me daardoor altijd veel eerder te zien.

Het probleem om onbekommerd een fluorescerend geel shirt te kopen, of desnoods een groen, of een felroze, is alleen dat de truitjes met zulke kleuren een betekenis hebben in de wielersport. Enkel wie op kop gaat in de Ronde van Frankrijk mag met recht en reden geel dragen, terwijl roze alleen bij de leider in de Giro d’Italia past. Dus kleeft er een taboe aan voor alle anderen, om shirts te dragen die daar op lijken.

En dit is dan slechts éen van een hele reeks ongeschreven regels — er liggen veel meer eisen vast waaraan ‘de echte fietser’ zich te houden heeft. Een lijst die weliswaar ironisch lijkt, en waaraan nogal wat mensen toch grote waarde toekennen.

Dus in plaats een pomp aan het frame te klemmen, en reservebanden in een tasje mee te voeren, stoppen dezulken al deze spullen in hun achterzak. Dirk Jan Roeleven reed nog liever met een onhandig zware rugzak op zijn nek naar Nederland vanuit Italië dan ook maar éen tasje aan zijn fiets te hangen.

Is er zelfs een verbod om een bel op de fiets te monteren, of spatborden.

Profwielrenners blijken opvallend genoeg deze stijlregels helemaal niet of amper te kennen, en ze bovendien verrassend makkelijk te negeren. Wie van hen geen zin heeft om in de regen met een natte kont rond te fietsen, met alle risico’s van dien voor verweking en dus beschadiging van het zitvlak, monteert gewoon een spatbordje achter.

Draag nooit een gele trui van Alex van der Hulst bleek door dit gegeven aanzienlijk beter te verdragen te zijn dan gevreesd. Het boek biedt weliswaar een ode aan het fietsen op snelle en lichte fietsjes. Alleen werd de tong daarbij wel ferm in de wang gepland. Passie is mooi, zo lijkt de schrijver te willen zeggen, alleen moest die liefde niet in een blind fanatisme ontaarden.

Alsof er toch al niet iets tragikomisch kleeft aan al die mannen van middelbare leeftijd in lycra (Mamils), die op zondagochtend in een groep nog net even doen of ze professionele wielrenners zijn; en daarom zo makkelijk de verkeersregels negeren. Op hun veel te dure fietsen. Met al die ontieglijk kostbare lichtgewicht onderdelen.

Terwijl menige zondagscoureur zelf nog zo veel kilo’s zou kunnen afvallen om een veel lichter rijgewicht te hebben.

Van der Hulst biedt in Draag nooit een gele trui onder meer interviews met actieve en gepensioneerde wielerprofs m/v, rubriekjes over wat bijvoorbeeld het merk fiets over iemand zegt, en een hele serie fietsende archetypes. Staan er ook nog verslagen in, zoals van een wielerclinic bij de oud-prof Henk Lubberdink.

Wonderbaarlijk genoeg spreekt in het hele boek als vanzelf dat fietsen op een racefiets geweldig is. Over waarom dit dan toch zo zou zijn, spreekt vrijwel niemand zich uit in detail. Dat hoefde niet. Wat de uitgave daarmee tot doelgroepproza maakt.

En doelgroep was ik lang niet altijd — alleen al omdat ik het hele jaar door fiets, me wel aan de verkeersregels houdt, pelotonnetjes haat, en niet veel om hoge snelheden geef. Alleen al omdat ik niet de hele tijd wil zitten op te letten onderweg. Hang ik bovendien rustig gigantische zadeltassen aan mijn fiets, zitten daar doorgaans spatborden op, hebben ze dan ook verlichting, en bovendien een bel.

Dat ik me dus wel iets aantrek van die ene regel, dat je geen kleding draagt die voorbehouden is aan wielerprofs, zit me daarom dwars. Al geldt daarbij ook dat er opvallend weinig mooi vormgegevens wielershirts zijn. Dat ik ook gewoon nog nooit een felgele trui zag die mijn begeerte wist op te wekken.

Alex van der Hulst, Draag nooit een gele trui
En andere wetten voor de bloedfanatieke wielertoerist

204 pagina’s
Nieuw Amsterdam, 2015