deze boeklogjes vormen het dossier:

Het Fries, en de manoeuvres van een minderheidstaal

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Turks swiet / Turks fruit ~ Jan Wolkers

Er zal vast een heleboel te zeggen zijn tegen de trend om boeken toch te vertalen die iedere Fries al lezen kan in het Nederlands. Ik vind het wel iets hebben. Al is het wat aan de late kant in de geschiedenis van de taal. Bijna dood wordt het Fries eindelijk nog eens gedwongen zich te rekken en overstrekken om andere manieren van zeggen over te brengen.

Jammer alleen dat nooit iemand er aan denkt om eens een handboek economie te vertalen. Een traktaat over de wereldpolitiek. Een wiskundeboek. Juist daar heeft het Fries te weinig woorden voor.

Nynke Beetstra deed Wolkers, en stond daarbij voor de taak iets over te brengen wat in de geschreven Friese literatuur vrijwel altijd ontbreekt. Vitaliteit. Overstatement.

Leven.

Ik hield het lezen van haar poging precies twee hoofdstukken vol, toen ruilde ik de Friese vertaling in voor het origineel. Dat kwam omdat Wolkers’ levende taal voor mij toch steeds door het Fries heen kwam. Ik ken Turks fruit te goed. Dat maakt het vreselijk moeilijk de vertaling neutraal te beoordelen. Wel viel me op dat Beetstra zich gelukkig onthouden heeft van het stijve boekenfries, dat menig werk zo onleesbaar maakt. Er zijn ook Friese schrijvers die zich op een kunstmatige manier zo ver mogelijk van het Nederlands houden als maar kan.

Wat verder over Turks fruit te zeggen? Dat het boek behoorlijk compact geschreven is? In mijn herinnering was het een veel langer werk, wat betekent dat sommige scènes die Wolkers beschreven heeft veel indruk hebben gemaakt.

Als verhaal over een liefde werkt het ook nog steeds, voor mij. Al hoefde het nu ook weer niet zo fataal af te lopen. Die dood maakt het boek ineens sentimenteel.

Jan Wolkers, Turks swiet
Vertaling naar het Fries van Nynke Beetstra
191 pagina’s
Fries Pers Boekerij, 2005
 
Jan Wolkers, Turks fruit
214 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1969

Zolang de wind van de wolken waait ~ Teake Oppewal e.a. red.

Eigenlijk voldoet dit boek niet aan de criteria die ik mijzelf gesteld heb om hier besproken te worden. Ik heb het namelijk niet voor minstens de helft gelezen. Het bleef bij doorbladeren. Bij plaatjes kijken, inzetjes lezen. Slechts zo af en toe kwam er iets van het betoog door. Maar goed, het meeste wist ik ook wel.

Een afgebeeld kranteknipsel van het Bokwerder Belang deed me ook meer plezier dan alle opgenomen essays. Er mist iets aan dit boek.

Komt bij dat het boek fraai werd vormgegeven en rijk geïllustreerd is. Dit maakt het onhandig in het gebruik. Zo glimmen de bladzijden te veel als er lamplicht op schijnt.

Nee, Zolang de wind van de wolken waait is een salontafelboek. Voor de heb, veel meer dan voor de lees. Handel, onder het mom van cultuur. Iedereen die ooit ergens een letter in het Fries gepubliceerd heeft, zal het willen hebben.

Her en der heeft deze doelgroep ook al kritiek op dit boek geuit. Zo zou de methode om al die eeuwen Friese literatuur te beschrijven niet goed zijn. Anderen weer, toonden zich verbaasd nergens genoemd te zijn.

Helaas lijkt me dit boek niet voor hen bedoeld. Het richt zich allereerst op een niet-Fries publiek, dat misschien wel meer wil weten over de tweede taal die in het Koninkrijk gesproken wordt. Maar in die zin is dit boek te traditioneel opgezet. Het schrijversteam heeft dezelfde fout gemaakt als ook menige biografie teistert. Een levensbeschrijving chronologisch beginnen met de jeugd is domweg saai, want een jeugd is zo zelden bijzonder.

Een ander probleem dat ik met dit boek heb, is dat er alleen over schrijvers verteld wordt, niet door hen. Eigenlijk is het hoofdstuk over Friese poëzie het aardigst, omdat daarin nog weleens een gedicht staat. Van romans worden enkel de omslagen getoond.

Het is alsof je in een boek over Hollywoodfilms leest hoe prachtig iemand bewoog en sexy ze was, en het dan moet doen met een statisch geposeerde publiciteitsfoto erbij. Beschrijven is niets, tenzij de beschrijvingen iets extra’s brengen in toon, of invalshoek. En dat lukte de makers van dit boek niet.

Teake Oppewal e.a. red., Zolang de wind van de wolken waait
Geschiedenis van de Friese literatuur
400 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 2006

Stasjonearre yn Fryslân ~ Lolle Nauta

In de schaarse in memoriams die inhoudelijk op het werk van de filosoof Lolle Nauta ingingen, dook ineens de titel van dit boek op. Ik kende het niet, en het kostte enige moeite dit in bezit te krijgen. Tot me daagde dat de Fryske Akademy ook een webwinkel heeft.

Maar waarom wilde ik het zo graag hebben?

Simpelweg omdat me wel bekend is dat Nauta in het Fries gepubliceerd had, maar ook dat hij daar op een gegeven moment mee ophield. Mij interesseerde waarom dat dan was. Zowel het schrijven als stoppen daarmee moeten allebeide heel bewuste keuzes zijn geweest.

Want, dat Fries raakt bij sommigen aan iets heel principieels. Ik krijg ook regelmatig striemende verwijten niet genoeg in het Fries te publiceren op mijn andere weblog. Het wel kunnen, maar vervolgens niet doen, roept merkwaardig genoeg boosheid op.

Dit taalfanatisme heeft ook opgeleverd dat Friezen inmiddels politiek gesproken de enige nationale minderheid in Nederland zijn. Nu heeft de overheid dus beloofd hen niet meer vervolgen om hun afkomst. En zo is er wel meer idioots in dat verdrag aan te wijzen.

Laat ik dus voorzichtig stellen dat ik maar enkele redenen zie om in het Fries te schrijven:

  1. omdat het de taal is die iemand toevallig het beste ligt;
  2. om iets in de taal te proberen;
  3. omdat het moet. Leerkrachten en ambtenaren kunnen die verplichting hebben;
  4. omdat iemand daar zo geld mee verdient;
  5. vanuit taalactivisme;

Een zesde reden zou nog kunnen zijn dat het in het Fries makkelijker is om uitgegeven te worden als in het Nederlands, vanwege alle subsidies en het gebrek aan capabele mededingers. Mijn opsomming is dan ook zeker niet uitputtend.

Maar ik ga zo uitvoerig op deze kwestie in omdat het dus niet vanzelf spreekt dat iemand Fries schrijft. Want, niemand leert die taal goed schrijven op school. Alleen al de redenen waarom Nauta in het Fries ging publiceren, en daar vervolgens mee ophield, zouden mij veel duidelijk maken over de man.

Hij deed het zeker om het geld eerst, en ook omdat hij in de Friestalige tijdschriften de ruimte kreeg zich te ontwikkelen tot essayist; wat een grote wens was. Nauta werd geboren in Sneek, en sprak thuis geen Fries. In het begin was Douwe Tamminga, taalactivist en zijn vroegere buurman, daarom de aangewezen ‘native speaker’ die hielp om zijn werk te verbeteren.

Later zou dezelfde Tamminga mede de oorzaak zijn dat Nauta ophield in het Fries te publiceren. Die botsing is te vergelijken met dezelfde strijd tegen de paternalistische autoriteiten in Nederland die wij nu geleerd hebben te associëren met de jaren zestig. De oude generatie streefde het ene na, de nieuwe iets anders, en botsingen waren het gevolg.

Resteert de vraag of het nu nog boeiend is over die geschillen van toen te lezen. En dan vind ik van wel, omdat Nauta zich toch al genoeg filosoof toont om bijvoorbeeld naar achterliggende motieven te speuren in de generatiestrijd.

Anderzijds is het ook gewoon niet vervelend om recensies te lezen, anders zoudt u hier nu niet zijn. Of om te zien hoe iemand zich tot een capabel essayist ontwikkelt.

Overigens staan zowel Fries- als Nederlandstalige stukken in dit boek. En ik ben het met Nauta eens dat zulks voor Friese auteurs vanzelf zou moeten spreken.

Lolle Nauta, Stasjonearre yn Fryslân
Essays, besprekken en polemiken

233 pagina’s
Fryske Akademy © 1999

Trochpaden ~ Geart de Vries

Reden om dit boek te lezen was om meer te leren over wat Lolle Nauta opgaf als reden niet meer in het Fries te schrijven. Naar eigen zeggen was dit om een ruzie met onder meer Douwe Tamminga. Nu is éen mening meestal geen mening, dus was ik benieuwd naar Tamminga’s opinie over dit conflict. Mede, omdat dit toch vooral een generatiestrijd zal zijn geweest.

Helder over deze kwestie wordt dit boek niet, wat misschien komt door de opzet. Het is een praatboek, waarvoor Geart de Vries in sessies Tamminga over zijn leven liet vertellen. Uit dit verhaal zijn de vragen weggelaten, waardoor mij niet duidelijk wordt waarom sommige zaken in het vage zijn gebleven. Gemakzucht kan een reden zijn, maar ook onverschilligheid van de interviewer, of simpelweg omdat de aanleiding van een 35 jaar oude kwestie al snel te onnozel voor woorden kan lijken. Ik noem maar wat.

Maar, die verteltoon is tegelijkertijd de grote kracht van dit boek, dat ik in éen zitting uitlas.

Tamminga was bijna 90 toen hij terugkeek op zijn leven, dus had hij ook iets om op terug te blikken. Timmerman was hij, kamphoofd, leraar, dichter, taalactivist en -onderzoeker. Vader. En toch. Tekenender nog dan zijn herinneringen aan mensen, de oorlog of de Friese taalstrijd, waren voor mij een paar terloopse opmerkingen van hem.

Zoals dat de werklui nog grapten een terp van oude Batavieren af te graven vlak bij Tzum, waar Tamminga woonde tijdens zijn lagere schooltijd.

Of dat volgens de man de definitieve nederlaag van de Romeinen tegen de Frisii weleens bij de Waddenzee kon zijn geweest. In plaats van bij dat altijd onbekend gebleven grote meer ergens in de donkere Duitse wouden.

Foutje in de overlevering misschien, want het verslag van die oorlog werd pas decennia later opgetekend.

Dit boek maakte mij een paar dingen duidelijk. Ten eerste van hoe ver weg die erkenning voor het Fries als taal moest komen. En ten tweede hoe zeer alles in het activisme alleen maar om die taal gedraaid heeft.

Misschien omdat de Nazi’s indertijd zo met die oude Germanen dweepten, zodat sommige ideeën besmet zijn geraakt.

Maar ik heb nog geen reacties gehoord of gelezen over de plaats van de Friese geschiedenis in die vermaledijde canon van de commissie Van Oostrom. Bijvoorbeeld.

Somber, maar realistisch, toont Tamminga zich aan het slot van het boek over de positie van de Friese taal. Die is in 1999 nog altijd tweederangs, en zal daar ook niet meer bovenuit stijgen. Daarvoor blijft de positie van het Nederlands in Friesland te sterk.

En ook dan vraagt de interviewer niet door, en komt de lezer niet te weten hoe Tamminga terugblikt op al die jaren strijd voor de taal. Of zijn inspanningen, die zo ten koste gingen van tijd voor zijn scheppend werk, uiteindelijk iets hebben opgeleverd waar hij tevreden naar kijken kan. Er staat dan alleen dat Tamminga het heilige vuur bij zijn navolgers mist, omdat alle taalactivisme inmiddels zo geïnstitutionaliseerd is.

Geart de Vries, Trochpaden
Oantinkens fan D.A. Tamminga
oan syn libben en wurk

224 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 1999

Dispatches From the Muckdog Gazette ~ Bill Kauffman

In Nederland lijkt elke regio op het moment bezig zijn eigen historische canon op te stellen. En anders zijn er wel maatschappelijke groeperingen bezig te selecteren hoe de geschiedenis gezien moet worden. Ik vind dat allemaal weinig boeiend, omdat die canons te zeer uitgaan van het bijzondere en eenmalige, en zelden van wat normaal is of was. In een commentaar op de voorgestelde canon van de Friese geschiedenis schreef ik al cynisch dat daarin de constatering ontbreekt dat die regio zijn slimste, of meest ambitieuze kinderen altijd heeft verbannen.

Nu is Fryslân er niet uniek in dat het zijn jeugd te weinig carrièremogelijkheden biedt. Veel erger speelt dit nog in de VS; dat gigantische land waar ouders er doorgaans juist trots op zijn als hun kinderen duizenden kilometers verderop wonen. Die hebben het dan ver gebracht.

Journalist Bill Kauffman doorbrak dit patroon, en ging na jaren elders weer in zijn geboortedorp wonen. Batavia is dat, in de staat New York. Op het moment van schrijven heeft dat nog een kleine 17.000 inwoners, maar elk decennium neemt dit verder af.

Dit boek gaat erover waarom deze plaats, die elke naam had kunnen hebben, en zich in elk land kan bevinden, toch de enige stad is die voor hem als thuis aanvoelt. Daarbij gebruikt Kauffman een proza dat nogal geladen is, waaruit een grote emotionele betrokkenheid blijkt.

Tegelijkertijd is hij merkwaardig genoeg nogal flegmatiek over wat er met Batavia gebeurt. Al zal iedereen, die ziet hoe zijn woonplaats steeds meer op andere plaatsen lijkt, zijn constateringen herkennen. Omdat er ineens alleen nog maar te winkelen is bij dezelfde ketenzaken als overal. Omdat zo veel gelijkgeschakeld wordt; zoals het verdwijnen van werk in een uniek eigen industrie.

Maar, misschien is al dat ook wel niet wezenlijk voor een woonplaats.

Juist door Kauffman’s nadruk op welke mensen en gewoonten er eigen zijn aan Batavia, gaat het stadje leven. Wat ergens kan, en wat er als onmogelijk geldt, vertelt ook heel veel.

Toch blijft het jammer dat hij in het boek net niet ver genoeg in de geschiedenis terugging om bijvoorbeeld de plaatsnaam te verklaren. Maar, misschien dat alleen een Nederlandse lezer daar nieuwsgierig naar is.

Bill Kauffman, Dispatches From the Muckdog Gazette
A Mostly Affectionate Account of a
Small Town’s Fight to Survive

206 pagina’s
Picador © 2004

Hoe binne de helten fallen ~ Tr. Riemersma (bes.)

Wat gebeurde er met Bauke de Jong nádat hij aanleiding was tot het grootste conflict in de na-oorlogse Friese literatuur? Volgens Lolle Nauta werd er nauwelijks meer iets van hem vernomen. Maar dat vind ik niet echt een antwoord.

Bezorger Trinus Riemersma gaat evenmin op die vraag in, in deze bundel met bronmateriaal uit de jaren zestig. En dit is werkelijk het enige dat ik op dit boek heb aan te merken. Omdat de voorgeschiedenis en het conflict ruim aandacht krijgen, maar het vervolg blijkbaar bekend wordt geacht.

Voor de rest had ik geen beter boek kunnen lezen over wat mij intrigeerde over deze kwestie, die hier eerder al terloops langs kwam in boeklogjes over Nauta en Douwe Tamminga. Dat conflict met zijn vele lagen. Omdat ik alle artikelen te lezen kreeg die er toen over verschenen.

Zo speelde er een voorgenomen fusie tussen Friese literaire tijdschriften. Maar niet alleen hadden de betrokken redacteuren verschillende opvattingen over literatuur, er was ook sprake van een gapende generatiekloof. Dat verschil was niet alleen merkbaar in hoe er over boeken werd gedacht, maar onder meer ook in de ideeën over wat er nu moest met dat Fries.

Kristallisatiepunt in deze meningsverschillen werd in 1965 een aanval van voornoemde Bauke de Jong in het blad Asyl, op éen van de grootheden in het Friese wereldje. Deze Eeltsje Boates Folkertsma had namelijk volgens De Jong in 1939 nog opmerkelijk anti-semitische frasen gepubliceerd, en ook wel erg benadrukt hoe uniek Germaans het Friese volk niet was.

Niemand die daar toen iets van vond. En ook na de oorlog bleef Folkertsma onverstoord doorpubliceren.

Er ontspon zich daarom een felle discussie over De Jong’s aanval. Waarin voor de ouderen vooral de boodschapper het gedaan had. Posities werden ingenomen, en harde taal gebruikt.

Maar ruim een jaar later kwam Bauke de Jong met nog een aanval op een Friese grootheid; de hoofdredacteur van de grootste dagblad: de Leeuwarder Courant. Na het dodelijke ongeval van deze Jan Piebenga sprak De Jong een kritisch in memoriam uit voor de regionale radio.

Als Piebenga en Folkertsma over het Fries-zijn spraken, was het of zij klaarkwamen. En nadenken kon Piebenga ook al niet, zonder in de geopenbaarde kennis te vervallen van de Christelijke retoriek, zo klonk het.

En ik ben blij deze woorden nu eens integraal te hebben kunnen lezen. Riemersma zij voor zijn vele speurwerk bedankt. Zo kan ik nu bijvoorbeeld beter begrijpen waarom Lolle Nauta met het Friese wereldje brak. Hij was het die Bauke de Jong voor de radio had gehaald, en redactielid maakte van het literaire blad De Tsjerne.

Dat die generatiestrijd even zo fel oplaaide, illustreert ook wel een aantal andere zaken voor mij. Bijvoorbeeld hoe geïnstitutionaliseerd het denken over de Friese taal is geworden.

Nu heeft dat zo zijn gevolgen. Ik kan bijvoorbeeld sinds december 2004 gewoon over Friese zaken schrijven, zonder meteen een politie-inval te hoeven verwachten. Dit is een hele opluchting, dat begrijpt u. Nee, dat er geen discussie is geweest over de onzinnige wet dat alle bepalingen uit het Europese handvest voor minderheden onverkort voor elke Fries opgaan, laat zien dat er ook van alles uitstierf sinds de jaren 60.

Zelfs al was toen ook niet te zeggen wie nu die Friezen zijn.

Trinus Riemersma (bes.), Hoe binne de helten fallen
199 pagina’s
Utjouwerij Venus, 2006

Prisma Woordenboek Fries ~ Janneke Spoelstra e.a.

Nee, ik wil niet beweren voor mijn lol ook hele woordboeken te lezen. Al is het soms zeker eens aardig in een woordenboek te bladeren. Maar dan liefst wel éen met wat meer idioom en voorbeeldzinnen als deze.

Er is alleen altijd iets met woordenboeken Fries. Tenminste, voor wie er vanuit gaat dat woordenboeken vastleggen welke woorden er in levend gebruik zijn, of waren. En dat komt door de incompleetheid van de taal. Het begon er al mee toen in 1498 een centraal gezag kwam, dat het Fries als bestuurstaal afschafte. Maar ook in de kerken wordt al eeuwen in het Nederlands gebeden.

En dan spreek ik nog niet eens het grote gebrek aan voor het onderwijs nuttige begrippen, of het tekort aan algemeen gebruikte woorden die met moderne techniek samenhangen.

Nu is dit nieuwe Prisma woordenboek bedoeld voor op school, en dit betekent dat het vooral terminologie bevat met nut voor scholieren. Bovendien was er nog geen algemeen woordenboek waarin de woorden verwerkt zijn uit de elektronische revolutie van de laatste decennia. Het is altijd nuttig om zeker te weten dat het werkwoord ‘chatten’ in het Fries toch als ‘tsjette’ wordt geschreven. Lekker fonetisch. Is zo’n woord ook meteen van zijn achtergrond en geschiedenis verlost.

Ik vroeg me dus gewoon af hoe zeer de taalweermacht greep heeft gekregen op een uitgave als deze. De zelfbenoemde woordwachters die ook mijn andere weblog niet met rust konden laten, en mij daar geboden Friese termen te gebruiken die zij hadden bedacht. Geen uitgave als deze kan bestaan zonder dat er taalpolitiek gevoelige keuzes in zijn gemaakt.

Dan moet gezegd dat dit woordenboek niet helemaal van dat soort smetten vrij is. Zo geeft dit woordenboek als Fries woord voor internetaanbieder het mij totaal onbekende: ynternetkedizer. Google vindt nu liefst twee vindplaatsen online voor dit woord; of straks eentje meer, als boeklog geïndexeerd is. Dan keuren er twee dat woord af.

Over levend taalgebruik gesproken.

Maar veel vaker staan woorden er gewoonweg niet in waarvoor ik een Friese vertaling zocht.

breedbeeld of breedbeeldtelevisie, ontbreekt.
privacy, ontbreekt.
sms-en, ontbreekt ook al. Maar is het Friese werkwoord nu ‘sms-e’, of ‘sms-je’? Het ene wordt anders vervoegd dan het andere.

U kunt er om lachen, maar afgelopen week nog moest ik toch echt het woord privacy gebruiken, in een Friestalige brief. En voor hetzelfde geld is een woord als dat dan wel degelijk al omgezet naar dat fonetische wantaaltje dat voor leenwoorden verplicht is. ‘Priffassy’, wordt het dan. Of misschien wel ‘preiwazy’.

Hawar. Zonder woordenboek gaat het dus vaak niet. En dan is deze trouwens echt niet verkeerd. Vooral de keuze om de woorden in blauw af te drukken, vond ik nu eens gewoon handig.

Janneke Spoelstra, Jantsje Post, Arjan Hut, Prisma woordenboek Fries
584 pagina’s
Uitgeverij Het Spectrum © 2007


Spikers & koppen ~ Hylke Tromp

Ondanks mijn klachten over de incompleetheid van de taal, heeft het Fries toch ook iets voor. Misschien wel door de gebreken trouwens. Ik doel op de onschuld. Er zijn niet zo veel Friezen die beroepsmatig taalerosie veroorzaken. De duntaal van de politici in de provinsje is minder losgezongen van de werkelijkheid dan die van de collega’s in Den Haag. En de schaarse reclamemensen die het Fries inzetten, hanteren eerder hypercorrecte vormen dan dat ze pogen om populair te doen op net die altijd verkeerde manier.

Taalerosie komt op een andere manier wel door de enorme invloed van het Nederlands. Maar die invloed is al eeuwen zo.

Dus beoordeel ik Friese romans en verhalen doorgaans milder dan die uit welke andere literatuur ook. Er is nog zo veel nooit beschreven in de taal. Daarom lijkt het of elke poging iets meer over het leven te vertellen krediet verdient.

Tegelijk las ik de afgelopen jaren nauwelijks Friese boeken, omdat er amper schrijvers lijken te zijn die me iets meer brengen dan taal, of grappig nieuw oud idioom. Al is er altijd vrees door mijn onverschilligheid misschien toch een meesterwerk te missen. Mede daarom las ik deze bundel met boekbesprekingen en opstellen van Hylke Tromp. Het kon zijn dat hem een schrijver opgevallen was die mij nog niets zei.

Dat viel wat tegen. Ook met een half oog gevolgd, is de Friese boekenproductie blijkbaar goed te overzien. Waarmee absoluut niets negatiefs gezegd zij over Tromp’s boekbesprekingen. Weinig is mij liever dan recensenten die begrijpen dat oordelen altijd subjectief zijn, ook al bestaan er wel degelijk basale objectieve kwaliteitscriteria waar boeken aan moeten voldoen.

Tromp reikte mij geen nieuwe titels aan, maar tegelijk was het mij aangenaam hem te lezen over al die soms alweer half vergeten boeken uit het midden van de jaren negentig. Goed ook om eens te zien wat anderen in Triemersma’s meesterwerk De reade bwarre zagen. Die roman won de Gysbert indertijd, Tromp schreef het in deze bundel opgenomen juryrapport.

Hylke Tromp, Spikers & koppen
137 pagina’s
Koperative Utjowerij, 1998

Lêzer is in duvel ~ Jabik Veenbaas

Er is iets merkwaardigs met dit boek. Als ik hier zou schrijven mee te kunnen gaan in de analyses van Veenbaas, heb ik namelijk meteen partij gekozen in een nu al jaren slepend conflict in de Friese schrijverswereld. En dat conflict interesseert me niet eens.

De Friese literatuur is in meerdere opzichten klein. Kleiner nog dan de provincie. Dit komt alleen al omdat de taal vanouds vooral een spreektaal is. Een groot aantal mensen dat de taal dagelijks gebruikt, heeft er problemen mee om ook maar iets in het Fries te lezen. En Fries schrijven, is al helemaal een daad. Ik maakte daar op mijn andere weblog vaker melding van.

Wie kijkt naar wat er voor boeken in het Fries uitkomen in een jaar, zal dan ook meteen opvallen dat werkelijk alle normale bulk mist.

Tienduizenden titels verschijnen er elk jaar nieuw in het Nederlands, en die bestaan voor het grootste deel niet uit literatuur. Natuurlijk niet. Maar schoolboeken, agenda’s, kookboeken, gidsen, of noem al die soorten gebruiksteksten op waarvan menig uitgeversconcern leeft, worden in het Fries niet of nauwelijks uitgegeven. Zelfs non-fictie verschijnt er amper.

Wat er vooral op de markt komt, zijn literaire romans. Of dichtbundels. En kinderboeken. De Friese boekenmarkt heeft daarmee een kwetsbaar waterhoofd, dat getorst wordt door uiterst iel nekje, en het bezit het lichaam en de weerstand niet om gezond in leven te kunnen blijven. Uitgever Abe de Vries somde onlangs op dat er bijna alle uitgaven in het Fries verlies opleveren, maar dat de provincie gelukkig bijspringt met subsidies.

Wat de Friese schrijverswereld daarentegen in overvloed bezit, is pretentie. De ego’s zijn er soms groot, en dan ook nogal gelijkhebberig.

Alleen speelt mee dat waar de belangen het kleinst zijn, de toon het felst is, en de ruzies het hoogst oplopen. Dit mechanisme ken ik maar al te goed uit de academische wereld.

Zo mag Jabik Veenbaas niet over Josse de Haan schrijven wat hij over De Haan schreef. In deze bundel. Of in het Wolkenboek; een luxe uitgegeven koffietafelboek over de Friese taal dat merkwaardig genoeg de status heeft gekregen van leerboek op sommige universiteiten. Terwijl het me daar helemaal niet voor bedoeld lijkt.

Josse de Haan krijgt deze maand de Gysbert Japicxpriis uitgereikt voor zijn oeuvre. Volgens de provincie vanwege zijn bijdrage aan de vernieuwing van de Friese literatuur.

Fijn voor De Haan. Nog gefeliciteerd.

Alleen schrijft hij doorgaans het experimentele proza dat mij geen twee minuten boeien kan. Wat De Haan wil, is spelen met de taal. Wat ik van een schrijver eis, is heel simpel dat die mij boeit. Dit kan heel goed door iets te zeggen op een geheel nieuwe manier. Mits aan de normale voorwaarde voldaan is dat zo’n tekst blijft communiceren.

Maar in wat ik van Josse de Haan las, weigerde hij pertinent aan de elementaire voorwaarde te voldoen om mij redenen te geven door te willen lezen. Er zijn miljoenen boeken op de wereld die wat dit betreft meer bieden, dus is het niet moeilijk zo’n oeuvre vervolgens geheel te negeren. Even goede vrienden. Maar dank u. Veel succes verder gewenst.

Veenbaas zou als prozarecensent voor de Leeuwarder Courant onbarmhartig gewezen hebben op de gebreken aan in Josse de Haan’s roman Piksjitten op Snyp. Deze recensie is onder meer gebundeld in dit boek. Ik kende dat stuk alleen nog maar van reputatie, en het viel me behoorlijk mee in zijn mildheid. Evenmin lukte het mij iets vreselijks onvertogens te ontdekken in de lange beschouwingen over De Haan’s wapenbroeder Trinus Riemersma.

De Friese boekenwereld heeft niet alleen een topzwaar waterhoofd, maar ook mijlenlange tenen. Misschien om niet meteen om te kieperen.

Nu leeft er oud zeer tussen Veenbaas en De Haan, waar de laatste ook al uitgebreid over geschreven heeft. Oud zeer — het zou weer eens niet. Maar wat is het toch zonde van mijn tijd dat ik me in dat geneuzel verdiepen moet.

En ben ik hiermee nu ineens op Veenbaas’ hand, en is dit bundeltje voortaan mijn bijbeltje om de Friese literatuur mee te beoordelen? Absoluut niet. Wel prijs ik Veenbaas als lezer. Hij heeft zich hele oeuvres van Friese schrijvers eigen gemaakt, en ik waardeer hem zeer om het rijke overzicht dat hij hier biedt van het werk van een dichter als Tjêbbe Hettinga, of een romancier als Durk van der Ploeg.

Veel minder interesseert me het eerste gedeelte uit deze bundel, dat volstaat met tamelijk academisch geliteratureluur. Deze essays illustreren voor mij weer eens alleen dat je de wereld wel kunt willen verklaren met theorieën en modellen, maar dat de werkelijkheid zich daar erg weinig van aan hoeft te trekken.

Voor mijn wens om iets meer overzicht te krijgen van wat de Friese literatuur te bieden heeft, naast een enkele dichtende witte raaf, bood De lêzer is in duvel mij daarom wel iets concreets, maar uiteindelijk toch wat weinig.

En gaat over tot de orde van de dag.

Jabik Veenbaas, De lêzer is in duvel
essays

159 pagina’s
Utjouwerij Bornmeer, 2003


Miskende taaiheid fan it Frysk ~ Bertus Mulder

Vele malen werd de ondergang voorspelt, maar nog altijd is het Fries in levend gebruik. Door Douwe Tamminga is dit verschijnsel de taaiheid van taal genoemd, en deze uitspraak werd gretig door de politicus Bertus Mulder geparafraseerd in de titel van dit bundeltje. Twaalf jaar was Mulder namens de PvdA gedeputeerde van de provincie Fryslân. In zijn portefeuille zat altijd cultuur. Dit boekje biedt een overzicht van wat hij in die tijd heeft bereikt.

Nu blijven talen misschien wel onverwacht lang bestaan, maar de woorden in zo’n taal willen nog weleens subtiel van betekenis veranderen. Tegenwoordig wordt alleen in het bejaardentehuis over de ‘Ouwe taaie’ gezongen. Yippie yippie yee. Maar ikzelf gebruik bijvoorbeeld het woord taai vrijwel alleen als negatieve kwaliteitsaanduiding; als het over vlees als leer gaat, in een restaurant.

Er gaapt een generatiekloof. Ik begrijp wel wat Mulder met de titel van zijn boek bedoelt. Maar ik lees die toch vooral als de waarschuwing dat het Friese taalbeleid nauwelijks nog smaak of sappigheid heeft.

Dit laatste was mij ook wel bekend. Dezelfde Douwe Tamminga verzucht aan het einde van zijn gesprekken met Geart de Vries, in Trochpaden, namelijk alle vuur te missen bij de hedendaagse voorvechters van het Fries. De taalstrijd is volkomen geïnstitutionaliseerd, en daarmee gebureaucratiseerd.

Wat die institutionalisering betekent, wordt door Bertus Mulder in dit boekje helder uitgelegd. De ene titel van een provinciale nota volgt op de andere, en trots wijst Mulder ons op twee recente hoogtepunten in de geschiedenis van de Friese taal. Nederland heeft in 1996 het Europese Handvest voor Regionale of Minderheidstalen geratificeerd. Daardoor wordt het Fries sindsdien officieel als minderheidstaal erkend. Bovendien heeft de Eerste Kamer op 30 november 2004 ingestemd met het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden. Sinds dit moment zijn de Friezen, en de Friezen alleen, hier als nationale minderheid erkend.

Voor een politicus zijn zulke beslissingen prachtig. Zijn harde werk wordt beloond, en ook er komen allerlei nieuwe fondsen vrij. Daarmee krijgt de politicus dus ook wat meer macht, want de mogelijkheid om dat extra geld als subsidie toe te kennen. Of juist niet.

Maar wat betekent bijvoorbeeld die erkenning dat Friezen de enige nationale minderheid zijn? Heeft iemand dat Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden weleens gelezen? Ik begrijp er vooral uit dat het sinds december 2004 onmogelijk is om mij te vervolgen, als ik eens iets opschrijf in het Fries. Evenmin mag de politie de mensen oppakken die zulks dan lezen. En dan overdrijf ik niet.

Zo staat in artikel 10, lid 1:

De Partijen verplichten zich ertoe te erkennen dat iedere persoon die tot een nationale minderheid behoort het recht heeft vrijelijk en zonder inmenging zijn minderheidstaal te gebruiken, in het privé-leven en in het openbaar, mondeling en in geschrifte.

Leve daarom Bertus Mulder, die deze enorme vrijheid voor ons bevochten heeft, in ongetwijfeld urenlang durende vergaderingen en moeizame jaren aan lobbywerk.

Problemen heb ik wel met bepalingen als die van artikel 4, lid 1:

[…] elke discriminatie op grond van het behoren tot een nationale minderheid [is] verboden.

Dit komt door het principe achter zo’n uitspraak. Zolang taalbeleid een zaak is van de politiek alleen, zijn er altijd compromissen mogelijk. Politiek blijft in de kern de kunst van het haalbare. Maar het Friese taalbeleid is nu dus voor een deel gejuridiseerd. Bovendien zijn er ineens allerlei vreemde elementen aan toegevoegd. Omdat zo’n Europees handvest nu eenmaal algemene bepalingen bevat; en ook moet gelden voor minderheidsgroeperingen die wel actief worden vervolgd door hun nationale overheden. Dit levert een wat merkwaardige situatie op.

Strikt juridisch gesproken heeft iedere Friese dwarskop die zich gediscrimineerd voelt door de overheid — bijvoorbeeld omdat een politieagent geen Fries lijkt te verstaan — nu dus de regels mee om zo’n ambtenaar te laten ontslaan. Dit lijkt me niet iets waar ik als politicus trots op zou zijn het bereikt te hebben.

Nee, die bepaling ‘elke discriminatie’ zit me dwars. Ruim veertig jaar nadat een jonge generatie schrijvers hard afstand nam van alle gedweep met het Fries-eigene, heeft de politiek nog eens officieel goedgekeurd dat er wel degelijk zoiets als het Fries-eigene bestaat. Erkenning voor deze vorm van identiteit — die dus verder reikt als het gebruik van de taal alleen — ligt internationaal vast. En er is nu vast wel een stel idioten te vinden dat deze officieel ingestelde leegte gaat vullen. Zeker omdat de overheid zich stevig verplicht heeft hen ten dienste te zijn.

Als ik over politiek schrijf, interesseert het me doorgaans niet zo wat de poppetjes zelf te zeggen hebben gehad. Politici zijn passanten, interessant is hoogstens wat ze als dank aan rommel achterlaten. Mij boeit alleen welke uitwerking politieke besluitvorming heeft, en welke mechanismen daarbij een rol hebben gespeeld. En hierover is in het algemeen te zeggen dat beslissingen in Nederland vaak en veel onbedoelde gevolgen hebben. Voor een groot deel komt dit door wat ik hierboven terloops al de juridisering van de politiek heb genoemd. Zodra iets in regels vastligt, kan heel veel ineens niet meer. En tegelijk kunnen regels voor van alles misbruikt worden waar ze nooit voor bedoeld zijn.

Ik geef toe, doorgaans is het de overheid zelf die als eerste de eigen regels oprekt. Niemand kent de eigen bepalingen beter. Voor burgers rest dan alleen nog de vaak de erg dure gang naar de rechter, om zulk een machtsmisbruik aan te klagen. Dus gebeurt dit nauwelijks. Dit nu noem ik een van de fundamentele gebreken aan onze democratie.

En Bertus Mulder is waarschijnlijk niet eens aan te rekenen dat hij kritiekloos heeft meegedraaid in dit systeem, maar er braaf onderdeel van was. Wie carrière maken wil in een politieke partij moet daar de mores van onderschrijven. Over zijn boekje, dat aanleiding was tot deze beschouwing, kan dan ook op zijn vriendelijkst nog gezegd worden dat het vrijwel onschadelijk is. De meeste teksten erin zijn niet meer dan vluchtig gelegenheidswerk, en bovendien stikt het van de herhalingen. Nogal wat redes zijn er bij, uitgesproken bij een prijsuitreiking, een opening, of op een congres. In Nederland komen officiële gelegenheden nu eenmaal met sprekers, al luistert niemand ooit naar ze. En Mulder was zo’n spreker, wiens woorden even moesten worden doorstaan.

Laten we ons de gedeputeerde Bertus Mulder daarom anders herinneren. Laten we hem vooral herinneren als de politicus die driftig meehielp om een monster van Frankenstein tot leven te wekken; als de man die de omstandigheden schiep waarin de ‘etnische Fries’ nog weer groot kan groeien; als de politicus die een stevig juridische status gaf aan een bijna vergeten zombie. Hij wist waarschijnlijk niet dat hij dit deed. Het zal vast een onbedoeld gevolg zijn van wetgeving die voor iets ander bedoeld was — en het zou ook hoogst ironisch zijn als burgers ineens van hun kant overheidsregels gaan oprekken.

Yippie, yippie, jee.

Bertus Mulder, De miskende taaiheid fan it Frysk
144 pagina’s
Friese Pers Boekerij, Ljouwert 2007
ISBN 978 90 330 0611 1
Priis: € 14,95

Kul oer it skouder ~ Tr. Riemersma (bes.)

Voor schrijvers als Hemingway was het een vertrouwd literair gereedschap. Laat belangrijke zaken of gebeurtenissen uit het verhaal weg, en het wordt daar sterker door, zo schreef hij in ‘The Art of the Short Story’. Lezers gaan dan nadenken.

Of noem een toneelstuk Wachten op Godot, en duidelijk is dat Godot er in een grote rol in speelt. Daarvoor hoeft die niet eens te zien te zijn.

Literaire voorbeelden genoeg om te verdedigen waarom in een boek of tekst nogal wat feitelijke informatie mag ontbreken. En toch vind ik zoiets een nogal elementair gebrek dat bij de uitgave van wat toch een bronnenboek is over literatuurgeschiedenis. De kul oer it skouder is zo’n verzameling bronnen.

Riemersma draait merkwaardig om de hete brei heen met dit boek. De ruimte in zijn inleiding gebruikt hij helaas vooral om vooruit te lopen op de inhoud. En die inhoud bestaat uit wat anderen schreven over het Friese literaire tijdschrift Quatrebras [1953-1968], het tijdschrift voor experimenten. Wat die anderen schreven was doorgaans weinig vleiend.

Maar het is heel simpel, alles wat in dit boek staat, geschiedde voor mijn geboorte. Dus heb ik context nodig om de inhoud te kunnen begrijpen. Ook al omdat Riemersma nog weleens aanvoert dat er in de jaren zestig tenminste nog belangstelling was voor Friese literatuur. Dus vraag ik me gewoon een paar heel elementaire dingen af. Hoeveel mensen lazen Quatrebras? Hoe vaak kwam het uit? Hoeveel nummers zijn er in totaal van verschenen? Wie waren de redacteuren, en wat werd er van hen? Waren de openbare bibliotheken erop geabonneerd, of deden die bijvoorbeeld niet aan Fries?

Waren er wel openbare bibliotheken zoals we die nu kennen?

Nu mist de samensteller zelfs de voorkomendheid om lezers te verwijzen naar andere boeken, waar wel iets feitelijks over Quatrebras is te vinden. Met plaatjes van het uiterlijk bijvoorbeeld. Of met fascimiles van een colofon.

Ik vind het jammer de schaarse feitjes die vermeld staan, nu moeten worden ontleend aan meningen van anderen. Dat is toch of je een schouwburgvoorstelling beoordelen moet aan wat je aan gebabbel in de pauze opvangt, zonder verder iets te kunnen zien.

Of — om de vaak zo zure toon van dit boek aan te houden — het is of ik als lezer een ongeluk moet reconstrueren door wat getuigenverklaringen van mensen die een klap vernamen en sirenes langs hoorden gieren.

Wat zich nu ook wreekt, is dat Riemersma’s eerdere bronnenboek, Hoe binne de helten fallen, zo aardig compleet was. Dat boek had namelijk wel een duidelijke kern. De twee teksten die Bauke de Jong in de jaren zestig schreef, en uitsprak, tegen alle gedweep met het Fries-eigene stonden er beide in zijn geheel in. Dit maakte het juist zo aardig om te kijken hoe diens woorden door anderen ontvangen werden.

Ook de bundel Op ‘e barrikaden en der by del uit 2005 toont wel een min of meer afgerond geheel. Dit bevat een verzameling aan tijdschriftartikelen die Riemersma zelf schreef, tot 1972. Wat hij daar deze eeuw aan toevoegde als commentaar, verrijkte het geheel.

In De kul oer it skouder mist mij daarom te veel. En door die twee eerdere boeken, die voor mij wel zeer geslaagd waren, begrijp ik niet goed waarom er zo veel moet missen.

Tenzij ik aan het interpreteren ga. Tenzij ik me dan bedenk dat geloven altijd weglaten. Een fundamentele eigenschap van menig religie bestaat eruit de kwaliteiten of eigenschappen van het allerhoogste juist niet te beschrijven. Of dit zelfs te verbieden.

Misschien is dit boek daarom nog het meest te beschouwen als een late eredienst van Trinus Riemersma persoonlijk. Een eredienst aan het experiment in de literatuur, dat ook voor hem zo belangrijk zou worden. Alleen zag hij dat toentertijd nog niet. Riemersma werd in 1964 redactielid van De Tsjerne, en niet van Quatrebras. Terwijl bij De Tsjerne de grootste kritikasters tegen het experiment bleken te zitten. Toen.

Tr. Riemersma (bes.), De kul oer it skouder
198 pagina’s
Utjouwerij Venus, 2007
isbn 978-90-5998-042-6
priis: € 17,90

Mijn Friesland ~ Rimmer Mulder

Zoals vaker met Friese zaken, broeit bij dit boek onderhuids van alles mee. Dit begint al met de titel, waarin de provincie “Friesland” wordt genoemd. Merkwaardig genoeg is zoiets al een statement. Het provinciaal bestuur wil namelijk hebben dat iedereen de officiële naam “Fryslân” gebruikt voor het gebied. Al lijkt het mij dat een regio die toch al perifeer is, door die dwang alleen maar verder op een afstand komt te staan.

En dan is er de persoon van de auteur nog. Dezelfde uitgever bracht bijvoorbeeld twee vergelijkbare boeken van Geert van Istendael uit — Mijn Duitsland en Mijn Nederland. Maar daarin schrijft een geïnformeerd iemand van buitenaf wat opvalt aan een ander land. Terwijl voor Mijn Friesland juist een inboorling werd uitgekozen, en dan eentje met een vooraanstaande positie in het gebied daarbij.

Rimmer Mulder is al decennia éen van de hoofdredacteuren van de Leeuwarder Courant, in Friesland verreweg het meest gelezen dagblad. Hem wordt hierom alleen al een enorme invloed toegedicht, door sommigen. Zijn de media de vierde macht niet?

Nu kan ik de Leeuwarder Courant niet zo goed meer lezen. Er staat te zelden iets in dat mij verrast. Al geef ik toe dat het volschrijven van een regionaal dagblad me een hondse taak lijkt. In een mediawereld waarin steeds meer op precies omschreven doelgroepen wordt gemikt, is het leefgebied van een publiek alleen zelden een inhoudelijk criterium. Toch moet een regionale krant zich wel op mensen richten die hoogstens de eerste cijfers van hun postcode gemeen hebben.

De Leeuwarder Courant is voor mij daarom een krant die altijd voorzichtig zal opereren; noodzakelijkerwijs; om iedereen toch maar zo goed mogelijk te vriend te houden. Een uitgave waaraan vooral opvalt hoe weinig uitgesproken die is. Tegelijk zijn er nogal wat groeperingen en individuen in de provincie die blijven vinden dat zij te weinig aandacht krijgen voor hun afgeperkte belangetjes. Ook een voorzichtige koers ontmoet kritiek, als iedereen beter weet hoe de vaargeul moet lopen.

Een grote vraag was daarom voor mij vooraf, durft Rimmer Mulder het aan om zich voor de verandering eens duidelijk uit te spreken in dit boek? Daarnaast speelde mee of het hem zou lukken iets over Friesland te schrijven dat ik nog niet wist.

Bij mijn beoordeling woog bovendien mee dat ik Mulder’s werk onwillekeurig toch moest vergelijken met de boeken van Geert van Istendael. En die Belgische auteur is niet alleen een groter stilist; hij permitteert het zich ook om te schilderen met een rijker palet aan persoonlijke opinies. In Mulder’s Mijn Friesland komt dat Friesland daarom wel naar voren, maar blijft het “mijn” nogal onderbelicht.

Dit is zeker een onderhoudend boekje, maar het blijft aan de journalistieke kant. Als Mulder hiervoor alleen onderwerpen gebruikt heeft die hij de laatste tien jaren al eens aanstipte in zijn hoofdredactionele commentaren, zou mij dat niet verbazen. Er mist mij te veel aan eigenheid, en ook aan diepte.

Mijn Friesland is, evenals het vergelijkbare Mijn Duitsland, of Mijn Nederland, opgezet om via een alfabetische lijst met trefwoorden toch een brede verscheidenheid aan onderwerpen te kunnen behandelen, zonder dat daarbij een rode draad noodzakelijk is. Opvalt dat Van Istendael het in zijn boek over Nederland onbekommerd heeft over Friese zaken als de Beerenburg van de weduwe Joustra, of de mummies in het kerkje van Wiuwert. Mulder vermijdt deze onderwerpen. Maar hij kiest dan weer wat andere willekeurige Friese cliché’s, zoals het polstokverspringen, het schuitjezeilen, en de eeuwige strijd rond het eierzoeken.

Ik geef toe dat hij af en toe iets schreef dat nieuw voor me was. Mulder bracht een verhelderend artikel over de positie van de stichting Je Maintiendrai in de Nederlandse uitgeversmarkt. Maar dat onderwerp is aanmerkelijk groter dan Friesland alleen. Daar tegenover staat dat ik niet goed begrijp waarom bijvoorbeeld TV-kok Reitse Spanninga een eigen lemma waard was.

En zo gaat er wel vaker belangstelling uit naar namen of ontwikkelingen die over tien of twintig jaar niemand meer iets zal zeggen. Is de schrijver me toch te weinig losgekomen van de actualiteit die in zijn dagelijkse werk zo’n grote rol zal spelen.

Door een soms opvallend gebrek aan een meer historische duiding van ontwikkelingen zal Mijn Friesland snel verouderen, denk ik. Iets minder vluchtig dan een krant is het, die morgen alweer oud papier wordt. Maar toch ook niet zo heel veel minder oppervlakkig. Er blijft na lezing weinig hangen.

Neem ik dan helemaal niets mee uit Mulder’s voorzichtige opinies? Nee, hij doet toch een opvallende uitspraak over de positie van de Friese taal. Die taal verklaart hij namelijk dood in dit boek, al citeert hij daarbij wel heel laf iemand anders om dit als oordeel uit te kunnen spreken — en wat een naar journalistentrucje is dat toch. De Friese taal is dood, omdat er in het geschreven Fries geen nieuwe woorden bijkwamen in een bepaald jaar. Nu verbaast dit oordeel mij inhoudelijk niet, maar wel dat Rimmer Mulder ineens met deze opmerking komt. Als hoofdredacteur van de meest gelezen uitgave in Friesland heeft hij namelijk een bijzondere positie in het stimuleren of het tegenhouden van het schriftelijk gebruik van het Fries. Maar zoals hierboven al gemeld, daarbij kan hij het nimmer goed doen, voor velen.

Rimmer Mulder, Mijn Friesland
272 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2007
isbn 978 90 450 0076 3

Woorden van de wereld ~ Abram de Swaan

Aardig aan dit boek van Abram de Swaan is dat het nu eens anders naar taal kijkt dan bijvoorbeeld linguïsten gewoon zijn. Ik kan het geen straf vinden om niet over Sapir-Whorf te hoeven lezen, of Chomsky’s syntactische structuren.

Eén van de vragen die De Swaan zich stelt, is bijvoorbeeld wat de economische waarde van een taal bepaalt. En in dit principe doorredenerend stelt hij dat talen een Q-waarde gegeven kan worden; waarbij geldt dat hoe hoger deze Q-waarde is, hoe interessanter het wordt deze taal goed te beheersen. Er bestaat een groot netwerkeffect. Netwerken zijn des te rijker naarmate er meer mensen op zijn aangesloten, of aan meedoen.

Tegelijk wordt de keuze welke taal je het best beheerst meestal al bij de geboorte voor je gemaakt, door je ouders.

Ik vond dit boek het interessantst in de eerste helft, als De Swaan in abstracto redeneert over wat maakt dat de talen talen zijn.

Toen dit boek gepubliceerd werd, was er behoorlijk wat media-aandacht voor. Ik herinner me daaruit dat De Swaan toen ook het verschil tussen taal en dialect samenvatte met een zin als: een taal is een dialect met een leger. Ofwel, zodra er redenen zijn om een bepaalde tongval te beschermen, dan komen die redenen er wel.

Opvallend vond ik bijvoorbeeld dat De Swaan signaleert dat schrijvers zo’n enorm conserverende werking kunnen hebben. En het zijn dit soort gedachten die ik dan onmiddellijk vertaal, bijvoorbeeld naar de positie van het geschreven Fries.

Schrijvers hebben als producenten van teksten een groter belang bij het behoud van de oorspronkelijke taal en het culturele erfgoed dan anderen, vanwege hun kostbare investering in taalvaardigheden en in de kennis van verzamelde teksten.

Abram de Swaan, Woorden van de wereld, 76

In de tweede helft van Woorden van de wereld onderzoekt De Swaan drie keer wat maakt dat éen taal in een gebied dominant kon worden, of toch juist niet. Hij schrijft daarbij over de rivaliteit van het Hindi en het Engels in India, en de redenen waarom het Maleis uiteindelijk de algemene taal van eilandenrijk Indonesië zou worden, terwijl het zo’n lage startstatus had. Het derde hoofdstuk gaat over de taalsituatie in de Europese Unie, met zijn 27 lidstaten. Waarschijnlijk door dit gedeelte is het dat ik wat gemengde gevoelens overhoud aan dit boek. Het voelde als niet helemaal af. Ja, de diagnose wordt gesteld, maar daar blijft het wat bij. Ik leek een voorstudie te lezen. Heel interessant, na de inleiding alleen niet zo vreselijk verrassend.

De Swaan heeft als specialiteit om de kennis uit verschillende vakgebieden bij elkaar te brengen, en op zijn unieke manier tot iets nieuws te maken. In dit geval maakte hij vooral nieuwsgieriger naar zijn bronnen.

Abram de Swaan, Woorden van de wereld
Het mondiale taalstelsel

298 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2002

Perron Nederland ~ Abram de Swaan

Nuttig aan het achter elkaar lezen van Abram de Swaan’s boeken, is dat me duidelijk wordt wat me in hem aantrekt als schrijver, en wat eigenlijk niet.

Bundels zoals deze, Perron Nederland, met essays die voor een algemeen publiek geschreven zijn, bevallen me het best. En dat komt waarschijnlijk omdat er zo veel minder vormdwang is.

De Swaan doet dan misschien wel interessanter observaties in zijn specialistischer sociologische werk — of formuleert daarin de echte waarheden, voor zover mogelijk — maar die boeken zijn ook een knellend corset. De bewijsvoering voor zijn ideeën dwingt hem tot een uitgebreide uitleg, maar daarvan kan ik eigenlijk altijd het meeste wel overslaan. Dit kan zijn omdat ik al te veel gelezen heb van de mensen die hem beïnvloed hebben. Het kan ook zijn dat hij overbodig veel woorden en voorbeelden nodig heeft. In die boeken staat me te veel tekst in dienst van te weinig ideeën.

Dat onderstreept misschien het belang van die ideeën en inzichten, maar levert niet noodzakelijk ook boeiende lectuur op.

Essays en lezingen, zoals in deze bundel, moeten daarentegen wel van begin tot eind blijven communiceren, zonder dat ze daarbij iets te bewijzen hebben. En die relatieve vrijheid brengt veel.

In Perron Nederland zijn twaalf artikelen verzameld, waaraan gemeenschappelijk is dat ze over Nederland gaan, of het Nederlands, en de plaats daarvan in de wereld.

Wie zijn overige werk kent, zal opvallen dat in dit boek zijdelings nogal wat onderwerpen aan bod komen die elders al eens anders uitgewerkt waren, of later tot een heel boek zouden leiden. Dat maakt Perron Nederland toch ook weer nuttig als extra toelichting op het meer wetenschappelijke werk.

‘Het Nederlands in het Europese talenstelsel’ en ‘Verdriet en lied van de kosmopoliet’ zijn bijvoorbeeld te zien als de voorafspiegelingen van het latere boek Woorden van de wereld. Al vraag ik me af of De Swaan de opinies in de essays nog steeds zo fel zou formuleren, nu hij inmiddels meer onderzoek had gedaan naar wat taal voor waarden heeft. Sommige Friezen willen hem bijvoorbeeld niet meer lezen, om citaten als deze.

[M]et drang, dreiging en subsidie worden gezonde kinderen geprest om te praten in het namaakantiek dat voor de streektaal doorgaat. In Friesland is het geloof ik al zover dat de scholieren die kitschtaal wettelijk krijgen opgedrongen. Dat zal hun in elk geval levenslang een weerzin inboezemen. Want wie wil er nu worden opgescheept met een geheimtaal, een taal die afsluit van de buitenwereld in plaats van er toegang toe te geven? [132]

Maar waarschijnlijk onderstreept een quote als die hierboven ook het duidelijke verschil dat er zijn kan tussen de boeken van De Swaan. Het verschil dat er is tussen wetenschappelijke distantie, en persoonlijke opinie.

Abram de Swaan, Perron Nederland
235 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1991

Foar de taalspegel ~ Pieter Breuker ea ed.

Wie weleens nadenkt over de toekomst van het Fries, ontdekt dat zelfs een basaal leerboekje als dit heel elementaire vragen oproept. Foar de taalspegel behandelt het onderscheid tussen ‘min Frysk’ en ‘geef Frysk’, tussen aangetast en gaaf, tussen slecht en goed, tussen misdaad en gezagsgetrouwheid. De kwestie hierbij is alleen wie toch bepaalt wat er precies goed is, en waarom dan wel.

In het Nederlands leeft dit probleem ook wel wat. Maar hierin gaat het vooral om spellingskwesties. En, omdat er tegenwoordig zowel een Groene als een Witte voorkeursspeling bestaat, kan niemand meer het absolute gelijk van zijn opvatting claimen.

In het Fries ligt het wat moeilijker. Dit komt omdat het vooral een gesproken taal is. Om te schrijven, gebruikt vrijwel elke Fries het Nederlands. En mede door dit orale karakter is er ook niet éen overheersende vorm van Fries. De provincie kent vier of vijf verschillende Friese dialecten — al zijn het er meer als ook de stads- en eilanddialecten meegeteld worden.

Toch gaat Foar de taalspegel er vanuit dat er wel degelijk éen correcte vorm van het Fries bestaat. En dat is dan de geschreven vorm, die misschien een paar duizend mensen in levend gebruik houden, pessimistisch geschat. Dat is het Standertfrysk, een corpus aan woorden en frasen gebaseerd op teksten die sinds 1800 op papier zijn vastgelegd.

Goed, voor een taal- en leerboekje als dit heeft het wel degelijk nut er vanuit te gaan dat een standaard bestaat. En de samenstellers hebben ook moeite gedaan om voorbeelden te vinden met overduidelijke verschillen tussen goed en minder goed.

Maar toch.

Ik nam dit boekje door om te zien hoe het ondertussen met mijn kennis van het Standertfrysk gesteld was. Of ik de opgaven bij elk hoofdstuk zonder problemen kon beantwoorden.

Dit bleek niet zo te zijn. Sterker nog, een paar keer was het goede antwoord me ook na raadpleging van het woordenboek een raadsel. Daardoor durf ik toch de stelling wel aan dat zo’n frase niet meer in levend gebruik is, en daarmee inmiddels dood.

Nu heeft samensteller Pieter Breuker later duidelijk gewaarschuwd voor puristische tendensen in het Standertfrysk. Zo signaleerde deze taalwetenschapper in zijn dissertatie dat er bij sommige gebruikers een duidelijke neiging bestaat om woordvormen te kiezen die zo ver mogelijk van het Nederlands af liggen.

En zo kijk ik nu ook aan tegen de taal. Niet alleen is er die drang tot purisme, er is ook nog die vloek van de Steatestavering; de door de Friese politiek opgelegde spelling die de geschreven taal vrijwel fonetisch heeft gemaakt; zelfs als dit helemaal geen nut heeft. Ook namen die tot begrip zijn geworden, zoals diesel, taxi, en luxaflex, moeten in het Fries anders worden gespeld.

Maar daarmee kon de boel weleens helemaal op slot zijn gezet. Leenwoorden voor begrippen die het niet Fries nog niet kent, moeten ook worden verfriesd, zodat niet zelden hun oorsprong volledig onzichtbaar wordt.

En het Fries heeft nu juist voor een heleboel begrippen in deze zo snel veranderende cultuur helemaal nog geen eigen woorden.

Pieter Breuker, Margreet G. Dyksma-Hogeveen, Sytze T. Hiemstra, Koop C. Scholten, Willem Visser, Adam Zantema
Foar de taalspegel
Koart oersjoch fan Hollânske ynslûpsels yn it Frysk

93 pagina’s
AFUK, 1984

Einde van de standaardtaal ~ Joop van der Horst

Joop van der Horst is hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de KUL, en toch wil hij dat dit boek over taalgeschiedenis als een essay wordt beschouwd. Het is geen wetenschappelijke monografie, omdat Van der Horst verder in zijn uitspraken wil gaan dan hij misschien al onderbouwen kan. Dat vond ik prettig. De enige aanmerking van mij op dit boek is dat het zich nogal eens herhaalt.

Van der Horst laat zien dat in verschillende Europese talen parallelle ontwikkelingen zijn, die meestal iets te makkelijk worden weggehoond als taalverloedering. Dezelfde klachten dat kinderen niet meer kunnen spellen komen werkelijk overal voor. Tegelijk beseffen diezelfde klagers niet dat ook zij anders lezen en schrijven dan twintig jaar geleden. Dus is er meer aan de hand.

Als verklaring geeft Van der Horst onder meer dat de invloed van een idee over taal uit de Renaissance langzaam, en soms met horten, aan betekenis verliest.

Elke landstaal heeft verschillende processen van standaardisatie doorgemaakt — en de eerste daarvan begon zo’n vijf zes eeuwen geleden. Daarbij hadden eerst de drukkers en uitgevers een belangrijke rol. Doordat zij vast gingen houden aan éen bepaalde spelling, groeide er gestaag acceptatie dat woorden soms misschien wel anders geschreven werden dan uitgesproken.

Het Renaissancemodel van Van der Horst verklaart daarmee dat er in elk Europees land altijd verschil is tussen wat de mensen spraken en hoe zij schreven. Daar kwam bij dat, omdat er voor de volkstaal geen grammatica’s bestonden, de schrijftaal veel aan het Latijn ging ontlenen. Zelfs al werden er zo constructies gewrocht, die in het normale spraakgebruik helemaal niet voorkwamen.

Het verschil tussen schrijf- en spreektaal was lang immens, maar Van der Horst neemt ergens halverwege de negentiende eeuw het begin een trendbreuk waar. Die verandering heeft zich alleen nog lang niet volledig doorgezet. Nog altijd leven wij in een cultuur waarin schrijftaal de hoogste status heeft — zelfs al staat hoe wij schrijven aanmerkelijk dichter bij de spreektaal dan voor eerdere generaties gold. Dus worden afwijkingen van een ideale schrijftaal nog steeds maar moeilijk geaccepteerd. Dat zo veel jongeren niet lijken te kunnen spellen, wordt zelfs als een taalcrisis gevoeld, door velen. Van der Horst probeert uiteindelijk vooral dat pessimisme te temperen, en slaagde hierin voor mij.

Maar mij zal dit heldere essay vooral bijblijven door een onverwacht bijeffect. Dankzij de manier waarop Van der Horst het proces van taalstandaardisering ontleedde, kreeg ik ineens instrumenten in handen om de ontwikkeling van het Fries te kunnen analyseren.

Opvallend aan deze minderheidstaal is namelijk dat het proces van standaardisering nog altijd bezig is. Het Fries is een vrijwel pure spreektaal. Slechts een kleine, maar fanatieke, groep zet dat de taal ook als schrijftaal in. Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat Friese woordenboeken niet de terminologie opnemen die algemeen gebruikt wordt, maar ook nog normerend willen zijn; en daarom eigen bedenksels plaatsten. Daarbij gaat het Fries ook tegen een andere pan-Europese trend in. In elke taal komen steeds meer internationale woorden voor — mede door de grote invloed van het Engels; de taal van commercie en entertainment. Hierdoor groeien talen min of meer naar elkaar toe. Maar het Fries koestert zich juist liever in afzondering.

Joop van der Horst, Het einde van de standaardtaal
Een wisseling van de Europese taalcultuur

375 pagina’s
Meulenhoff, 2008

* extra: een clip van het gesprek met Van der Horst in het VPRO-programma Boeken


click image to play. 1.30 minutes

Identiteit en kowesturten ~ Abe de Vries

Essaybundels verschijnen er nauwelijks in het Fries, al was het maar omdat er nauwelijks essays in de taal geschreven worden. En dat is allebeide jammer. Al hebben essays altijd iets elitairs, waar ze ook gepubliceerd worden. Maar als zelfs de schrijvers binnen een cultuur het al niet eens de moeite waard achten om daar hun persoonlijke ideeën over te publiceren, en anderen zich evenmin geroepen voelen, laat dit voor mij bovenal zien hoe armoedig zo’n cultuur is.

Een literatuur als de Friese, die alleen kinderboeken, wat fictie, en opvallend veel dichtbundels produceert, levert daarmee slechts eindteksten op. En eindteksten zijn op zichzelf niet zo veel. Op hun best zijn het doodlopende stegen die een paar onverwachte doorkijkjes bieden. Eindteksten gaan pas breder leven als er praat over komt, of er met regelmaat over gepubliceerd wordt. Dit mechanisme alleen al maakt het verschijnen van essays tot noodzaak.

Heb ik het nog niet eens over alle andere onderwerpen die rijker belicht worden door persoonlijk gekleurde reflectie.

In deze bundel schrijft Abe de Vries — dichter, uitgever, man for all seasons — voornamelijk over recent verschenen Friestalige poëzie. Al komen ook eeuwige helden van elders langs, zoals de singer-songwriter Townes van Zandt, en Joseph Brodksy. Regelmatig zijn de essays die dit oplevert lang uitpakkende boekbesprekingen, waarin De Vries de ruimte neemt om van gedicht naar gedicht te schrijven. Soms doet hij iets meer.

De Vries heeft namelijk duidelijke ideeën over wat de Friese poëzie uniek maakt. Al werkt hij die dan hoogstens impliciet uit in dit boek, en is hij veel directer in een ander recent verschenen werk. Zijn poëziebloemlezing Het goud op de weg bevat een begeleidend essay, om onder meer te verantwoorden waarom hij de Friese gedichten koos die hij verkozen heeft. De Vries legt daarbij uit vooral de dichters te waarderen die oplossingen vonden voor de tegenstelling tussen de traditie, die in een plattelandsprovincie nog zwaarder drukt dan elders, en het experiment.

Ik zal nog weleens dieper op die gedachte ingaan, eventueel bij een boeklog over Het goud op de weg. Bij mij hebben de afgelopen anderhalf jaar wat andere ideeën postgevat over het Friese wereldje. Zoals dat het ook nogal schrijnt hoe weinig gebruiksteksten er in het Fries verschijnen – niet alleen essays ontbreken deerlijk – al was het maar omdat daardoor de Friestalige literatuur heiliger gemaakt wordt dan mij goed lijkt. Ik zie bijvoorbeeld niet in waarom slecht geschreven romans lof verdienen, alleen omdat ze toevallig in een taal uitkomen die slechts weinigen kunnen schrijven.

Bovendien, door vooral de literatoren met de last op te zadelen de lijfwachten van een taal te zijn, wat nu telkens zeer opvallend gebeurt, wordt hun invloed nogal overschat. Gedichies noch verhaaltjes laten iets gebeuren.

Enfin, alleen al door publiekelijk dit soort conclusies te trekken, zal ik wel weer allerlei mensen diep beledigd hebben. Het Friese taalgebied is nu eenmaal klein. En in plaats dat de publicisten daarom hun eigen betekenis wat relativeren, gebeurt regelmatig het omgekeerde. Er bestaan tal van ongeschreven normen, en overtreding levert merkwaardig heftige reacties op.

De Vries’ zijn essaybundel riep vooral het gevoel op hoe jammer het is dat er niet tien van zulke bundels verschijnen per jaar. Omdat ik bijna noodgedwongen nu toch teksten lees die ik in het Nederlands niet snel had opgezocht. Ik vind ook niets speciaals van dit boek. Dat iemand met een grote belangstelling voor poëzie onderzoekt waar bepaalde ontwikkelingen startten, en wie er misschien invloed had op wie, lijkt me logisch.

Mijn oordeel over deze bundel luidt wel dat Abe de Vries iets te veel de journalist is gebleven die hij ooit was. Ik begrijp wat beter wat er mooi is aan sommige gedichten, of wat juist helemaal niet, maar ik miste het persoonlijk gevoelde en zelf doorleefde in dit oordeel vrijwel steeds. Hoe informatief ook, er stond niets in dat me voor altijd bij zal blijven aan dit boek.

Abe de Vries, Identiteit en kowesturten
Essays oer Fryske literatuer

236 pagina’s
Bornmeer, 2008

Goud op de weg ~ Abe de Vries (sam.)

dit is het derde deel uit een reeks van vier boeklogjes, die hier begint

Naarmate de 21e eeuw vorderde, werden de bloemlezingen met Friese poëzie dikker. Veel dikker. Of werden ze juist dunner? Dat is toch de vraag die me bezighoudt. Een boek als Het goud op de weg lijkt bij voorbaat veel te bieden, met zijn 576 pagina’s. Tegelijk valt al het goede misschien wat weg tussen de middelmaat.

Vrijwel niets behoudt z’n kracht en smaak, door de inhoud almaar aan te lengen. Tenzij men de Friese poëzie als homeopatisch middel wil beschouwen.

Van alle vier bloemlezingen keek ik er het meest naar uit om dit boek te lezen. Al was het maar omdat Het goud op de weg als enige niet in commissie werd samengesteld. Deze bloemlezing is het werk van éen man, die zich bovendien een gelauwerd dichter mag noemen, en van wie ik ook geloven wil dat hij de gehele Friese poëzie gelezen heeft; en vanuit een overzicht kiezen kan.

Had hij daarbij zelfs nog een programma, dat verwoord werd in het inleidende, Nederlandstalige essay.

Friese dichters, zo heeft het laatste decennium van de vorige eeuw getoond, weten steeds vaker ‘typisch Friese’ thema’s en motieven te combineren met elementen uit de wereldpoëzie en de mondiale poëziegeschiedenis. Eng-Friese kaders worden doorbroken, maar zonder de Friese referentiewereld op te geven of af te wijzen, […] [11 -12]

Nu heb ik geen idee wat die ‘Friese referentiewereld’ is, en dat wil ik graag ook zo houden. Maar dat inleidende essay was dus al anders dan verwacht. Abe de Vries poogt hierin zo objectief als hij kan ontwikkelingen in de Friese poëzie te duiden, sinds 1880, waar ik toch een wat subjectiever aanpak verwachtte. Zelfs al is De Vries kritisch genoeg om te zien dat literaire standaarden weleens te laag liggen, en het kleine Friese wereldje de rug soms wat makkelijk naar de rest van de wereld keert.

Mijn probleem met dit boek zit hem, zoals gezegd, onder meer in de dikte. En dat de inleiding wel ongeveer uitlegt waarom De Vries de dichters koos die gekozen werden, maar niet waarom juist deze opgenomen verzen. Mijn grote voorkeur voor persoonlijk gekleurde bloemlezingen kleurt dit oordeel, natuurlijk.

Maar wie een overzicht gaat bieden vanaf 1880, en niet al sinds die tijd leefde, kan er daarbij kiezen op de conclusies van voorgangers te leunen. Dat is ook wel zo makkelijk om vast te stellen wat er precies belangrijk was tussen, zeg, 1920 en 1940. Hiermee liggen delen van een poëziebloemlezing alleen al vast voor die verschijnt.

Aanmerkelijk verrassender is het als de samensteller van dat stramien afwijkt, en heel andere gedichten kiest dan normaal. Of dichters in ere probeert te herstellen die ten onrechte vergeten zijn. Gerrit Komrij’s bloemlezing over de Nederlandse poëzie uit de twaalfde tot en met zestiende eeuw was bijvoorbeeld ooit zo aardig, omdat hij ineens allerlei onbekende rederijkersgedichten bracht. Die hadden nog niet eerder in een publicatie voor zo’n breed publiek gestaan.

Abe de Vries toont ook wel iets aan eigenzin met een enkele dichter — Nyckle Haisma ontbreekt in de overige bloemlezingen, net als cabaretier Rients Gratema — en hij laat ook weleens werk van iemand weg, als dat van de heilige taalactivist Fedde Schurer, maar toch werd ik veel te weinig positief verrast. Helaas. Terwijl de Friese poëzie geen poëzie is waarin ik me nu zo vreselijk verdiept heb. En zo’n conclusie roept dan alleen maar nare vragen op. Zoals, is het taalgebied gewoon niet te klein voor een dik boek als dit? Er staan nogal wat oudere gedichten in waarvan ik niet geloven kan dat De Vries die nu zo goed vindt — maar hij wilde nu eenmaal dat overzicht brengen.

Deze bedenking geldt overigens onverkort ook voor de Spiegel van de Friese poëzie, die hierna aan bod komt. Beide bloemlezingen zijn ook zo fantasieloos, door alles in gelid, per dichter, op geboortejaar te doen, zodat het nooit boeken konden worden, maar het chronologisch geordende verzamelingen zijn.

Ik begrijp het principieel niet dat als je mensen het mooiste van een taal wilt tonen, door hen de beste gedichten te presenteren, ze dan eerst toch verplicht door het knekelhuis moeten, daarna nog de dodenakkers dienen af te lopen, en ook even een rondleiding door het mortuarium krijgen, voor er eindelijk iets gebeurt. Dat is niet eens fantasieloos, dat is er arrogant vanuit gaan dat het belang van de verzamelde poëzie vanzelf spreekt, en de presentatie er daarom niet toe doet.

Zaai nu eerst toch eens belangstelling voor een taal, dan groeit er vanzelf bewustzijn dat zo’n taal ergens in wortelt.

wordt morgen vervolgd

Abe de Vries (sam.), Het goud op de weg
De Friese poëzie sinds 1880

576 pagina’s
Uitgeverij Bornmeer, 2008

Spiegel van de Friese poëzie ~ Teake Oppewal e.a. sam.

dit is het slot aan een reeks van vier boeklogjes, die hier begint

In de hedendaagse Friese literatuur is er éen moment aan te wijzen waarop het idee ontstond dat een klein taalgebied toch ook iets groots te bieden heeft. Dit was toen de dichter Tsjêbbe Hettinga op de Frankforter boekenbeurs in 1993 een optreden gaf dat bijzonder veel indruk maakte. Hettinga’s verzen duren ook nogal even, en hij heeft een zeer eigen manier van voordragen — die om een onverbiddellijke parodie schreeuwt wat mij betreft.


Dat er daarom in 1994 een Spiegel van de Friese poëzie verscheen, was niet toevallig. De belangstelling was immers gezaaid, en diende dan ook maar geoogst te worden.

Die editie uit 1994 werd ingeluid met een lang essay waarin de Friese literaire geschiedenis in zijn ontwikkeling geschetst werd. Dit was een gedegen beschouwing, die volgens sommige besprekers van toen alleen de prijs van de aankoop al waarmaakte. [1]

Typerend genoeg is dit essay weggelaten uit de derde en herziene druk van de Spiegel van de Friese poëzie uit 2008. Er bestaat inmiddels immers een heel koffietafelboek over de Friese literaire geschiedenis, waar naar verwezen kan worden, zo moeten de samenstellers hebben gedacht. Of anders was het de uitgever.

Ik vind dat een ontstellende vergissing.

Hierdoor is bijvoorbeeld compleet onduidelijk waarop de gedichten in dit boek uitgekozen zijn. Overigens geldt dit gebrek aan verantwoording in meer of mindere mate voor alle vier de recente bloemlezingen. En het is waarschijnlijk inmiddels een stokpaardje van me, maar bloemlezingen die enkel een verzameling gedichten brengen, zijn alleen interessant als dan toch op éen of andere manier duidelijk wordt waarom juist die gedichten zijn opgenomen.

Philip Larkin’s Oxford Book of Twentieth Century English Verse is niet interessant om de gedichten die in elke andere bloemlezing te vinden zijn. Dat boek wordt speciaal door de subjectieve keuze van de vele onbekenden die Larkin duidelijk als geestverwanten zag. Maar dit aspect hoefde hij niet uit te leggen, bij uitzondering.

Voor de herziene druk van de Spiegel van de Friese poëzie geldt dat die terecht aandacht heeft voor wat er sinds 1990 aan poëzie verschenen is. De jongens die Droom in blauwe regenjas samenstelden, hebben in elk geval dat bereikt.

Maar er staat terloops wel iets heel typerends in de korte toelichting achterin:

In de achterliggende periode verschenen drieëntwintig uitgaven van verzamelde gedichten of bloemlezingen uit één oeuvre. Sommige hiervan bevestigen de canon zoals die gepresenteerd werd in de eerste Spiegel, andere kunnen worden gezien als een reactie op die selectie met de bedoeling de canon ‘op te schudden’. [495]

Dit boek biedt dus de Friese poëziecanon, zonder dat de samenstellers de moeite hebben genomen uit te leggen waarom die dan zo is. Nog afgezien van mijn elders uitgebreid beschreven afkeer van canons, vind ik het gemis aan toelichting daarmee wel erg arrogant. Bovendien klopt de claim niet. Abe de Vries’ anthologie Het goud op de weg, is namelijk vaak vollediger in het tonen van de canonische gedichten van de twintigste en eenentwintigste eeuw, zoals alleen al uit het staatje blijkt van de meest gebloemleesde gedichten.
 

 
 
Dibr100mGodwSpigl
Boorsma, Pier    
In Memoriam Matris
  
 
Bruinja, Tsead    
leave nimmen wit hoe’t yn… 
Kelder
 
Feddema, Anne    
Yn ’e neisimmer
 
 
Hettinga, Tsjêbbe    
It Wikeler hop
 
 
Krol, Sybe    
Hjir leit de see…
 
 
Kuiper, Elmar    
Bylden
 
 
Schoorstra, Willem    
Ynwijing
 
 
Soepboer, Albertina    
De pleats
 
 
Tamminga, Douwe    
De sitadel
 
 
Vries, Abe de    
Igge 
In waarm wek altiid
 
 
Wal, Cornelis van der    
Românse 
Skjinhead
 
 

Enfin, meldde ik eerder al dat Tsead Bruinja’s ‘Kelder’ het absolute bloemleesgedicht is geworden, omdat het in alle vier de recente anthologieën werd opgenomen. Dertien andere gedichten staan er in drie van de vier. Welk overzicht leert dat als er ooit een ‘dichter fan it Heitelân’ gekozen moet worden, naast Tsead Bruinja ook Abe de Vries en Cornelis van der Wal zouden moeten solliciteren.

Er is zonder moeite nog veel meer te schrijven over dit boek, zoals dat ik het lelijk vind dat de gedichten achter elkaar door blijven lopen op de pagina’s. Of dat de middeleeuwen van een taal niet de meest interessante periode zijn voor een hedendaagse lezer, en mij onbegrijpelijk blijft waarom een bloemlezer daar toch wil beginnen. Maar zulks schreef ik gisteren ook al.

Verder heb ik bij geen van de bloemlezingen iets over de vertalingen naar het Nederlands gezegd, terwijl velen daar toch over schijnen te vallen. Ik heb die omzettingen namelijk simpelweg niet gelezen. Poëzie is dat wat er verdwijnt bij vertaling; en zelfs als een vertaling een goed gedicht oplevert, is dat toch een ander gedicht dan het origineel. Dus, dat anderen dan de dichter toch poëzie hebben willen maken van de vertalingen, leidt allicht tot irritaties bij degenen die beide versies kunnen lezen.

Mij ging het de afgelopen weken om een paar zaken bij het doornemen van al die poëzie. Om weer eens te kijken wat de Friese taal me brengen kan. En om te zien wat de klassiekers zijn onder de gedichten; wat de poëzie is die iedere bloemlezer opneemt; wat daarmee in het algemeen goed wordt gevonden; en of ik het daar mee eens ben.

Luidt mijn conclusie toch dat mijn ideale bloemlezing van Friese poëzie een heel andere presentatie zou krijgen — logisch van gedicht naar gedicht gaand, desnoods dwars door de eeuwen of decennia heen — maar dat zelfs dit gedroomde boek lacunes zou kennen. Friese dichters bieden soms veel, en op het moment misschien zelfs opmerkelijk veel in het licht surreële genre, maar ik mis toch enkele registers die de poëzie in andere talen mij wel brengt. Noem het een lucide intelligentie, noem het een afstandelijke spot.

Noem het de wijsheid die de echt groten zo terloops als wapen weten in te zetten.

[Meer opmerkingen over het totaal aan Friese poëzie dat mij gepresenteerd werd hier]

morgen, bij wijze van epiloog

Spiegel van de Friese poëzie
Van de zeventiende eeuw tot heden
Samengesteld door Teake Oppewal en Pier Boorsma
320 pagina’s
Meulenhoff, 1994
 
Spiegel van de Friese poëzie
Van de zeventiende eeuw tot heden
Samengesteld door Pier Boorsma, Teake Oppewal, en Geertrui Visser
526 pagina’s
Meulenhoff 2008, derde en herziene druk
  1. *update 10 iv 2010, Die tekst is tegenwoordig als pdf hier te downloaden. []

Heiteleaze bern ~ Oebele Vries inl.

Het vaderloze kind is de ster van het Oud-Fries, zo schrijft de historicus Oebele Vries in de toelichting op deze feestbundel. Dit vaderloze kind komt voor in oude Friese wetsteksten, die op hun beurt weer van enorm belang zijn voor de status van de taal. Literatuur van voor het jaar 1500 is er namelijk amper. Maar omdat in die wetten weleens een poëtische regel staat — vast om ze memorabel te maken, in een periode waarin slechts weinigen lazen — hebben ze ook de betekenis van oerliteratuur gekregen.

Ik weet niet goed wat daar van te denken.

Een recent overzichtswerk van de Friese literatuur — dat toch vooral over de laatste honderdvijftig jaar gaat — kreeg ook al een titel uit een Oud-Friese wettekst. En dit geeft dat geringe tal nog te lezen oude woorden toch een opvallende status. Helemaal omdat de overgeleverde teksten niet uit de regio stammen die tegenwoordig Friesland heet, maar uit een gebied in Noord-Duitsland; dat weliswaar nog steeds de naam Ostfriesland draagt, maar waar de volkstaal nu toch al eeuwen een Saksisch dialect is.

Aan het gebruik van die oude wetsregels als boektitel kleeft voor mij daarom iets ideologisch. Terwijl er verwezen wordt naar de schoonheid van de taal, is er tegelijk die hint naar dat grote Friesland, van vroeger, van voor Albrecht van Saksen het bestuur overnam in 1498, en de ‘Friese vrijheid’ eindigde; naast het gegeven dat de nu wat marginale taal ooit toch wetstaal kon zijn.

Nostalgie bestaat alleen wel uit een verlangen naar iets dat geïdealiseerd wordt.

Nu kwam de bundel It heiteleaze bern uit om de verbouwing en herinrichting te vieren van Tresoar. Dit is een instituut, waarin enkele jaren terug terug de Provinciale Bibliotheek verenigd werd met het Rijksarchief, en het Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Ondertussen zijn nog aanzienlijk meer Friese-taalactiviteiten onder de vleugels van Tresoar geplaatst; wat het in praktijk een monopoliepositie geeft.

Dat gegeven verlicht mijn twijfel niet subtiel propaganda opgedrongen te krijgen.

Tegelijk is dit een verzorgd boek, met een doordachte vormgeving. De wetstekst over het vaderloze kind staat er drie keer in — in Oud-Fries, hedendaags Fries, en Nederlands — en die bevat ook werkelijk fraaie regels, over een bepaling uit het erfrecht.

Het derde noodgeval is: wanneer het kind spiernaakt is of dakloos en dan de duistere nevel en bitterkoude winter en de lange duistere nacht zich uitspreiden over de omheinde velden, dan gaat een ieder op zijn hof en in zijn huis en in zijn warme hoeken en het wilde dier zoekt de beschutting van de bergen en de holle boom, waar het in leven kan blijven. Dan weent en schreit het onmondige kind en dan beklaagt het zijn naakte leden en zijn dakloosheid en (het gemis van) zijn vader, die het (kind) moest beschermen tegen de honger en de door nevel koude winter, dat hij [de vader] zo diep en zo donker met vier nagelen onder eik(enhout) en onder de aarde ligt besloten en bedekt. Dan mag een moeder het land van haar kind verpanden en verkopen, omdat zij, zolang het onmondig is, de verantwoordelijkheid en de plicht heeft (om ervoor te zorgen) dat het noch door de vorst noch honger noch in gevangenschap omkomt.

Deze bepaling diende dertien hedendaagse dichters en vijf verhalenschrijvers tot inspiratie voor een bijdrage. Over hun werk is verder weinig algemeens te zeggen. Behalve dan dat ‘dood’ en ‘winter’ nogal eens in de teksten terugkomt.

Of het moest zijn dat een enkeling toch het verband legde tussen het vaderloze kind en de toestand waarin de Friese taal zich bevindt…

It heiteleaze bern
92 pagina’s
Tresoar, 2010

dit boek bevat bijdragen van:

  • Renske de Boer
  • Wietske Borger
  • Piet Bult
  • Klaas Feenstra
  • Edwin de Groot
  • Tsjisse Hettema
  • Klaske Hiemstra
  • Hein Jaap Hilarides
  • Elske Kampen
  • Aggie van der Meer
  • Andries Miedema
  • Froukje Postma
  • Ron Postma
  • Marije Roorda
  • Sipke de Schiffart
  • Jacobus Quiryn Smink
  • Geart Tigchelaar
  • Oebele Vries
  • Abe de Vries

 


Grimmig eerlijk ~ Joke Corporaal

Biografieën blijven vreemde boeken. Traditioneel gingen biografieën over heiligen en grote mannen. Toen waren ze nog in de eerste plaats bedoeld als ideaal en voorbeeld, om de lezer tot een beter mens te maken. Tegenwoordig hebben biografieën al gauw een doel dat precies andersom is. De meeste worden geschreven om geheimen aan het licht te brengen, en zo een grootheid tot mens te degraderen. Daar wordt geen lezer meer een beter persoon van. Maar sommigen kunnen zich wel beter voelen als de stakker van wie de fouten dan ineens zo ongenadig op een rijtje staan.

De dissertatie van Joke Corporaal over Anne Wadman, waar ze in december mee promoveerde tot doctor in de letteren, werd een verhaal waarin veel aan het licht is gebracht. Toch is nogal wat dat in deze biografie staat belangrijk door wat het boek niet vertelt, opvallend genoeg.

Anne Wadman [1919 – 1997] is tegenwoordig een grote naam in de Friese literatuur. Hij was een vernieuwer; wat hem nu iemand maakt om te onderzoeken, en boeken over te schrijven. Enkele jaren terug verscheen er al in monografie van Steven H.P. de Jong over het literaire werk van Wadman. En eerder promoveerde Babs Gezelle Meerburg op onder meer de ontvangst van De smearlappen — Wadman’s afrekening met de traditionele Friese boerenroman.

Joke Corporaal zal er mede daarom voor gekozen hebben om een eerdere periode uit het leven van Anne Wadman te bestuderen. Haar boek loopt tot de tijd dat Wadman met De smearlappen begon, in 1963. Toen hij al wel de Gysbert Japicx-priis gewonnen had voor zijn essays over literatuur, maar hij nog een controversieel man was.

Sterker nog, zijn ideeën over waar het in de Friese literatuur aan miste, werden toentertijd als veel te negatief beschouwd. Te modern. En daarmee on-Fries. Terwijl Wadman toch niet meer wilde dan afscheid nemen van een al te nationalistisch pathos; hij slechts streefde naar een literatuur die was als de literatuur in andere Europese landen.

Die voortdurende weerstand, en het ontbreken aan de door hem zo gewenste veranderingen, hebben er vast aan bijgedragen dat Wadman al vroeg somber werd over zijn eigen verdiensten. Hij hield zijn hele leven het idee eigenlijk mislukt te zijn, want voor hem telden zijn successen als Fries schrijver uiteindelijk niet. En dit gegeven intrigeerde Joke Corporaal dan weer, bij haar onderzoek.
 

Psychologiserend portret
Grimmig eerlijk is bovenal een psychologiserend portret geworden van de auteur als jonge man. Daarbij werd dankbaar gebruik gemaakt van de duizenden brieven die Wadman geschreven heeft. Door deze rijke correspondentie kon Joke Corporaal de Friese literaire wereld beschrijven vanuit het perspectief van Anne Wadman en zijn contacten. En Wadman weerde zich in eerste instantie ook in het Nederlandse blad Podium, waardoor in hem die twee vaak zo gescheiden literaire circuits samenkwamen. Het leek er bijvoorbeeld zelfs een tijd op dat zijn debuutroman Fioele en faam bij de Arbeiderspers in Amsterdam verschijnen zou. In het Fries.

Tegelijk had Wadman ook weer niet veel invloed in het Nederlandse wereldje. Zo lukte het hem in 1947 niet om in Hollandse uitgever te interesseren voor L’Étranger van de latere Nobelprijswinnaar Albert Camus.

En de dichter Leo Vroman bekende in datzelfde jaar per brief aan Gerrit Borgers niemand van de Podium-redactie te kennen:

Naar de klank hunner namen te oordelen houd ik Paul Rodenko voor een korte athleet met zwart gemillimeterd haar, die enigszins pornografische detectiveromans schrijft; Fokke Sierksma is neem ik aan voor de culturele zaken en schrijft zo nu en dan een woordje over zoetemelks pluimvee, terwijl Anne Wadman, een vrouw van onbeschrijflijke leeftijd en onophoudelijk gekleed in bruin colbertjasje, groene broek met opgerolde pijpen en klompen met open tenen, haar gevechten met de straatjeugd omzet in epische rijmen.

zoals geciteerd in Hans van Straten, De Schrijflui, 35.

Corporaal vermeldt deze karikatuur niet in haar boek. En dat illustreert waar het voor mij in de dissertatie misschien aan ontbrak. Door de afstand in tijd, Wadman’s reputatie van dit moment, en alleen al omdat er een heel boek over hem geschreven is, krijgt veel uit dat leven gewicht.

Dat lijkt me niet altijd terecht. Daarnaast is de geschiedenis niet goed te bekijken vanuit het hoofdonderwerp alleen.

In de periode 1945 — 1963 was er bijvoorbeeld ineens heel veel belangstelling voor Friese boeken en andere publicaties. Jammer vind ik het daarom dat Joke Corporaal alleen ingaat op wat Anne Wadman had aan te merken op wat er toen verscheen. Wadman’s grootste successen buiten het boek houden is éen ding — die moesten ook nog komen — maar door de successen van anderen te negeren, krijgt zo’n tijdperk geen reliëf; terwijl het boek zich wel tot die periode beperkt.

Nu weegt misschien mee dat Wadman’s ideeën over literatuur tegenwoordig gauw ook onze ideeën zijn, en Joke Corporaal misschien mede daardoor automatisch zijn kant gekozen heeft. Diens idealen zijn ons niet vreemd. Wat alleen al zo is omdat haast iedereen nu zo veel meer opleiding genoten heeft dan in die tijd normaal was. Maar door de strikte focus op Anne Wadman als persoon, krijgt zijn biografie niet altijd de goede scherptediepte.
 

Taal en betere taal
Eén onderwerp waar Joke Corporaal inhoudelijk niet aan toekomt in het boek, is dat van Wadman en het Fries als schrijftaal. Eigenlijk komt dit aspect alleen opvallend aan de orde als ze het heeft over de korte pennenstrijd die Anne Wadman voerde met Jan Jelles Hof [1872 – 1958].

Hof, die toen hoofdredacteur was van het populaire tijdschrift Frysk en Frij, schreef in oktober 1945 aan Wadman:

jou Frysk mocht sims wol hwat better wêze, heite!

[noot 552 uit de dissertatie]

En Joke Corporaal heeft Hof’s verwijt vooral gebruikt om Wadman’s grote onzekerheid nog eens te tonen. Zelfs al schreef hij dan al tien jaar in de taal, volgens anderen kon hij er nog altijd niet veel van. En dat greep hem aan. In zijn dagboek staat:

‘Ik freegje my ôf, yn ‘e goeddichheid, hokker Fries kin dan syn eigen tael skriuwe?’

[noot 554]

Opvallend aan deze episode is voor mij dat Anne Wadman zich later nu net tegenover anderen zo vaak opstelde taalautoriteit. Zo wordt uit zijn boekenrecensies duidelijk dat het Fries van sommige schrijvers hem gauw te veel Hollandismen had. En Wadman gaf dan vaak voorbeelden van hoe het wel had gemoeten.

Na zijn pensioen had hij zelfs een taalrubriek in de Leeuwarder Courant. En hoewel dat tijdperk buiten het bestek van dit boek valt, en er dus niet over geschreven is, zegt zo’n ontwikkeling misschien veel over Wadman als persoon.

Nu valt meteen op aan deze dissertatie over een auteur uit Friesland, waarin voor het grootste deel uit Friese bronnen werd geput, dat die in het Nederlands verschenen is. En die keuze is natuurlijk het prerogatief van de schrijver. Die weet als beste welke taal hem of haar de meeste mogelijkheden biedt, of het grootste publiek zal aanspreken. En toch, alleen al dat ik me heb afgevraagd waarom dit boek in het Nederlands verscheen, zegt iets. Heeft er misschien angst meegespeeld voor Joke Corporaal? Wilde ze het verwijt voor zijn dat haar Fries niet zo goed was als dat van Wadman? Waren er praktische bezwaren?

Evenmin kan ik iets zeggen over haar keuze om alle citaten — op wat poëziefragmenten na — in het Nederlands op te nemen in de lopende tekst. Zolang de originele citaten maar ergens te vinden zijn — in dit geval als eindnoten achterin — is daar niets tegenin te brengen. Grimmig eerlijk lijkt me in de eerste plaats als leesboek bedoeld te zijn; dat maken zulke keuzes wel duidelijk.

En een prettig leesboek is het ook. Daar kan de schrijfster niet genoeg om geprezen worden. In deze dissertatie komen bijvoorbeeld horden volk voor, rondom Anne Wadman, die stuk voor stuk geïntroduceerd moesten worden. En het valt op dat deze miniportretjes zo elegant door de tekst gevlochten zijn dat hun verplichte aanwezigheid helemaal niet stoorde.

Joke Corporaal’s keuze voor het Nederlands maakte het alleen wel hele moeilijk om over de talige kant van het Fries te schrijven. En volgens mij kan geen biografie over een Friese schrijver zonder aandacht voor zijn of haar ideeën over taal.
 

Een geschiedenis over het nu
Het blijft nu eenmaal een heel bewuste keuze om in dat Fries te schrijven, omdat iedereen ook dat Nederlands in de macht heeft. Dit alleen al maakt het een nuttige onderzoeksvraag om te bekijken of ideeën bij een schrijver over de taal constant blijven in de tijd. Het antwoord op die vraag zegt veel over een persoon, maar kan ook veel vertellen over ontwikkelingen in de cultuur.

Het Fries is bijvoorbeeld nog altijd bezig met een standaardiseringsslag. Die brengt een heimelijke taalbeweging met zich mee, die een liefde lijkt te hebben voor purismen, en ook een voorkeur schijnt te bezitten voor taal die zo ver van het Nederlands af staat als maar kan. Anders zouden de Friese woordenboeken wel het idioom tonen dat dagelijks gebruikt wordt, in plaats van volkomen bedachte woorden op te nemen voor nieuwe technologie; om maar éen voorbeeld te noemen.

En al die zo zelden uitgesproken ideeën over wat nu precies goed Fries is, hebben meer gevolgen, denk ik.

Interessant vond ik bijvoorbeeld dat Anne Wadman in 1963 het verwijt kreeg, van schrijver Klaas de Wit, dat zijn literaire Nederlands moderner en strakker oogde dan zijn Fries. Bij Wadman zorgde die kritiek er voor dat hij toen even helemaal met het schrijven van fictie ophouden wilde. Alleen heeft de geschiedenis ons ondertussen geleerd, dat hij daarna alle hoge idealen aan de kant schoof, om de satire De smearlappen te kunnen schrijven, en zo eindelijk een groot publiek vond voor een boek.

Wat dit betreft houdt de dissertatie dus op een moment vol betekenis op. Een doorbraak zat er aan te komen, maar was er nog niet. En dit maakt dan opvallend genoeg dat het boek ook veel zegt over onze tijd, en niet alleen over die vroege periode in Anne Wadman zijn leven. De problemen die hij had, spelen nu voor veel meer schrijvers. Zijn ooit zo controversiële ideeën over kwaliteit zijn die van ons geworden; zonder dat wij daar nog over nadenken. Als Anne Wadman uitlegt waarom er slechts zo weinig romans verschijnen met enig niveau, dan zijn de oorzaken voor dat probleem niet anders geworden. Geen schrijver kan iets verdienen aan dat Fries, op de heel enkele uitzondering na.

Of, om nog een andere illustratie te geven van de overeenkomsten in mentaliteit van hem als controversiële kwaliteitsbewaker en ons. Toen Wadman in 1948 de bloemlezing Frieslands dichters samenstelde, nam hij bewust geen volkspoëzie op; aldus een groot deel van de Friese taalschat diskwalificerend.

Volgens de samensteller werd poëzie pas interessant als de dichter zich aan het niveau van de volksschrijverij had ontworsteld.

[pagina 290]

Zo staat in het voorwoord van het boek. Wel werden in de bloemlezing verzen opgenomen van auteurs die toen nog een publicatieverbod hadden, om hun rol in de oorlog; zoals Douwe Kalma en Douwe Kiestra.

In de eenentwintigste eeuw zijn er nu al drie grote bloemlezingen verschenen van Friese poëzie. En ik denk niet dat de samenstellers daarvan ook maar een tel overwogen hebben om volkspoëzie op te nemen. Dat er nagedacht is of het werk van ‘foute schrijvers’ wel mee kon, zou me dan weer niet verbazen.

Van de Friese literatuur wordt op het moment zelfs meer verwacht dan ooit, of van welke literatuur in welke taal ook. Lees de provinciale taalnota’s er maar op na. Die literatuur moet niet alleen kwaliteit brengen, maar ook nog de taal verdedigen, en mensen aanzetten tot het lezen en dus gebruiken van het Fries — terwijl er voor het publiek nooit meer andersoortig amusement bestaan heeft als op dit moment.

En goed, dan dacht Wadman dat alle zegen van romans moest komen. Hij is lang de enige niet met dat idee. Ook nu nog. Terwijl ik de hoge status van de roman als een langjarig modeverschijnsel zie, waar ik blij van ben dat er nu eindelijk eens iets in lijkt te veranderen — door de successen van sommige literaire non-fictie. Er zijn nu eenmaal veel meer mensen die fatsoenlijk een documentaire op papier kunnen krijgen, als dat er romanschrijvers worden geboren.

Dat er in vergelijking met andere talen zo veel podia ontbreken voor zakelijke Friese teksten, lijkt me daarom ook een groter probleem voor de gezondheid van de taal dan dat er jaarlijks niet genoeg romans zouden verschijnen.
 

Situatie of man?
Een vraag van mij is groter geworden door het lezen van dit boek. In deze levensgeschiedenis ligt de nadruk nogal op de onzekerheden, en frustraties van Anne Wadman. Hij vond zichzelf dus mislukt. En Joke Corporaal is in dit boek in die visie meegegaan doordat ze uitgezocht heeft waarom hij dat denken kon. Maar daarnaast staat voor mij ook zo duidelijk dr. Anne Wadman de autoriteit. De man die decennia lang honderden literaire kritieken geschreven heeft, waarin hij volgens zijn woorden in It kritysk kerwei strijd leveren mocht. De man ook die later heel zeker wist hoe het zat met de taal.

En dat je weet wat de normen zijn voor wat kwaliteit is, lijkt me éen ding. Dat je moeite doet om die eisen publiek te maken, in krantenstukken en andere publicaties is alweer iets anders. Duidelijk mag ook heten dat Wadman voor zichzelf nog strengere normen had als hij anderen oplegde, en dat hij gefrustreerd was over de kwaliteit van zijn schrijfwerk. Maar waarom bleef hij dan toch decennia lang met die normen bezig, en zocht hij de hele tijd die frustratie weer op?

Lag dit aan de man, of waren het de omstandigheden die hem tot zulk een masochisme dwongen? Omdat er in Friesland niet zo veel mensen bezig zijn in het literaire veld, en het snel dezelfden zijn die al het werk doen? Zet de positie van het Fries wellicht aan tot Messias-gedrag?

Deze vragen bevestigen voor mij anders niet meer dan dat een biografie niet alleen over een man of vrouw moet gaan, maar ook de omstandigheden uit zijn of haar tijd hoort mee te nemen. Anders ontsnapt zo’n boek niet aan het probleem dat de biografie in de kern een heiligenleven blijft, en de vorm dus de schrijver al stuurt.

* een Friestalige versie van mijn ideeën over Grimmig eerlijk staat in het tijdschrift Ensafh, nr 3 van 2010.

Joke Corporaal, Grimmig eerlijk
Anne Wadman en het probleem van de Friese literatuur

551 pagina’s
Uitgeverij Afûk, 2009
ISBN: 978 90 6273 818 2
prijs: € 27,50

Kritysk kerwei ~ Anne Wadman

Recenseren is een vreemde activiteit. Zo vergt het schrijven van een serieuze recensie nogal wat inspanning, waar relatief weinig tegenover staat. Domweg omdat er tussen de bespreker en het besprokene zelden iets moois groeit, en hij of zij er dan toch over moet schrijven.

Het meeste wat gemaakt wordt, is niet opvallend goed. Noch opvallend slecht.

Recenseren is ook een merkwaardige activiteit door het verschil in beleving tussen makers en het publiek waartoe de bespreker hoort. Het kost tijd om een kunstwerk te produceren — terwijl dat werk altijd in een veel kortere tijd te consumeren is. Elke bespreking oordeelt daarmee ook of de inspanning van de kunstenaar de moeite waard is geweest; en is daarmee makkelijk als een opinie op te vatten over hem of haar als persoon.

Van alle recensies moeten besprekingen over Friese boeken wel het moeilijkst te schrijven zijn. Bij zo’n boek overheerst altijd de vreugde dat er toch weer een titel verschenen is, terwijl tegelijk de kwaliteit de ervaren lezer niet altijd zal meevallen. En, het wereldje is te klein. Iedereen die in het Fries publiceert, kent wie dat nog meer doet. Dus komt het regelmatig voor dat vrienden of collega-redacteuren elkaars werk bespreken. Dus ontstaan er ook al snel onwerkzame brouilles, die ondergronds decennia blijven smeulen.

Ik heb indertijd slechts enkele maanden Friese boeken gerecenseerd voor het literaire tijdschrift Farsk. Dit was voor het Skriuwersboun bij gelegenheid al voldoende aanleiding een Berufsverbot bij de provincie te eisen voor mij als beoordelaar van literatuur.

De auteur Anne Wadman [1919 – 1997] is meerdere decennia actief geweest als recensent van Friese boeken. Naast besprekingen voor het literaire blad De Tsjerne schreef hij tientallen, zo niet honderden, recensies voor Het Vrije Volk, en de Leeuwarder Courant. Een selectie daarvan uit de jaren 1950-1970 is verzameld in de bundel It kritysk kerwei. Daarnaast staan in dit boek nog enkele algemene stukken in over de Friese literatuur, en zijn de teksten opgenomen van enige radiocauserietjes.

Nu heeft Wadman de interessantste boeken uit de periode 1950-1970 niet gerecenseerd, zo bleek me al snel. Toen in 1964 een roman als Fabryk uitkwam, van Trinus Riemersma, had hij tijdelijk geen podium voor zijn besprekingen. En toch was ik ook niet direct geïnteresseerd in het luttele feit of Wadman het experiment in de Friese literatuur waardeerde.

Mij ging het bij het lezen om het grotere verband. Om de vraag hoe een recensent handelde die de wereldliteratuur kende, grootse ideeën had over wat literatuur moet zijn, en vervolgens veelal de brave voorspelbaarheid moest bespreken van publicaties uit de Kristlik Fryske Folksbibliotheek.

Wadman stelde zich daarbij vaak op als schoolmeester, zo viel me op. Wat op zich niet vreemd is, met dat vak verdiende hij zijn brood.

Zo corrigeerde hij meer dan eens in een recensie het gebruikte Fries van een auteur.

Opvallend vond ik ook dat Wadman weleens lui was als recensent. Hij deed soms stevige uitspraken zonder daar dan bewijs voor aan te dragen. Daarbij dan bijvoorbeeld een groot overzicht over iemands eerdere boeken suggererend, zonder dit ergens mee te staven. Dit kan een vorm van gemakzucht zijn geweest bij het schrijven, of misschien komt ook dat verschijnsel weer voort uit zijn schoolmeesterschap — iemands karakter wordt er zelden beter op als hij altijd slimmer is als zijn meest directe publiek, en dus te weinig tegenspraak krijgt.

Wadman won met zijn eerste bundel literaire kritieken in 1952 ook meteen de hoogste taalprijs in de Friese literatuur. Dat moet hem als criticus een zekere onaantastbaarheid hebben gegeven.

Over het geheel genomen leek hij me hard, maar helder te oordelen. En zo te zien werden boeken onbevooroordeeld bekeken. Als een boek waarvan hij niets verwacht had toch meeviel, gaf Wadman dit eerlijk aan. Alleen viel het meestal tegen. Wat het recenseren volgens mij toch tot een behoorlijk corvee moet hebben gemaakt. Al geldt dit vooral voor de besprekingen van romans — waar het verschil tussen lectuur en literatuur behoorlijk groot kon zijn — in de poëzierecensies had hij doorgaans minder te klagen.

Ik geloof best dat Anne Wadman iets had aan het inkomen dat het schrijven van recensies voor de krant moet hebben opgeleverd. Maar er moet toch ook wel meer hebben gespeeld. Mij intrigeert dus nogal waarom Wadman vrijwel zijn hele schrijvende carrière kritieken bleef schrijven. Vanwaar die opoffering, waarom dit masochisme?

Nu bevat de bundel It kritysk kerwei een titelstuk, dat bestaat uit een betoog dat Wadman in 1966 hield voor de regionale radio-omroep Rono. Daarin legde hij uit wat zijn opvattingen als criticus waren.

Elke vorm van literatuur had recht op toegewijde aandacht, zo zei Wadman bij die gelegenheid. Zelfs al was het misschien niet prettig om een boek te lezen dat ook in 1912 geschreven had kunnen zijn. Alleen betekende die aandacht ook dat een criticus daarop zijn eigen opvattingen hanteren mag. En dus dat hij vervolgens strijd mocht leveren.

Er moet toch iets aan die strijd zijn geweest dat hem ertoe kon verleiden telkens weer de pen op te pakken, en stevige correcties aan te brengen. Ook na die eerste tijd, toen hij zweeg over wat de Friese literatuur moest brengen.

Joke Corporaal schrijft hier alleen met geen woord over, in Grimmig eerlijk; de biografie die ze aan Wadman wijdde.

En ik denk: Wadman moet al die honderden kritieken haast wel uit een soort zendingsdrang hebben geschreven. Enerzijds om Friese auteurs aan te moedigen het volgende keer nog beter te doen, en aan de andere kant om het publiek zo goed mogelijk voor te lichten wat er allemaal verschenen was.

Of was er meer? Wilde hij zich misschien als autoriteit blijven positioneren? En verwierf hij door de positie als recensent niet ook een ideale verdedigingspositie tegen wie hem maar durfde kritiseren?

Het is jammer dat de vragen waar een biograaf antwoord op had moeten geven, vaak pas na het lezen van een levensbeschrijving worden geformuleerd.

Anne Wadman, It kritysk kerwei
Resinsjes en skogingen

332 pagina’s
Fryske Akademy, 1990

Rode tasje van Salverda ~ Goffe Jensma

Sommige boeken kan ik lang negeren; vanuit de arrogantie wel ongeveer te weten wat daar in betoogd wordt. Bovendien houd ik van grote lijnen in de geschiedenis. Onderzoek naar wat precies in éen landstreek gebeurde, lijkt daardoor niet vreselijk spannend; want dat is hoogstens een kwestie van aanvullende details.

De Fryske beweging, en het bijbehorende verlangen de lokale taal en geschiedenis iets bijzonders te laten zijn, leek me in oorsprong een typisch negentiende-eeuws verschijnsel. Overal in West-Europa waren er die nationalistische tendensen, met alle bijbehorende verlangens naar identiteit. Overal werden ineens tradities uitgevonden.

Dus las ik Het rode tasje van Salverda heel lang niet. En leefde er ook niet het idee daarmee iets te missen.

Toch was dit onterecht. Al had ik meer aan dit boek door wat Goffe Jensma terloops vertelt om een tijdperk te tekenen, dan dat zijn belangrijkste these me nu zo veel nieuws vertelde.

Ik wist bijvoorbeeld wel dat Friesland tot de negentiende eeuw tot de welvarendste provinciën in de Republiek behoorde. En dat daarna relatief gezien snel het verval intrad; de economie in elk geval minder groeide dan elders. Waar ik nooit in detail over had nagedacht, was waarom dat kwam.

Centralisatie zal er iets mee te maken gehad, was mijn idee. Nederland werd een eenheidsstaat, waarmee Friesland ineens in de periferie lag.

De zo grote nadruk op landbouw als inkomstenbron speelt de provincie zelfs nu nog parten.

En Jensma verwijst bijvoorbeeld ook naar de aanleg van het Noordzeekanaal, die maakte dat alle scheepverkeer vanuit Amsterdam niet meer langs Friesland hoefde. Daardoor nam de betekenis van de havens in de regio nogal af.

Toch zal die ontwikkeling pas in het vierde kwart van de negentiende eeuw hebben gespeeld, lijkt me. Terwijl er voordien al zo veel veranderde. De universiteit van Franeker werd al door Napoleon gesloten. En in de decennia daarop trok de adellijke en grootburgerlijke elite in vrij grote getale uit de provincie weg, omdat er elders meer gebeurde.

Een belangrijke these van Jensma is dan ook dat de Fryske beweging opvallend door de nieuw opkomende middenklasse werd gedragen. Zelfs al is het Fries Genootschap [1827], dat vanuit een Nederlandstalige elite voortkwam, ouder dan het Frysk Selskip [1847].

En goed, helemaal nieuw is het niet voor mij dat al die Romantiek, en die wens tot een identiteit vooral uit de kleine burgerij komt. Maar, die algemene wetenschap voortaan met de juiste details te kunnen invullen, verheldert toch mijn begrip over de regio — zelfs bij wat er nu nog speelt. Dat het eerste boekgedeelte ‘De uitvinding van een Friese plattelandscultuur’ heet, zegt op zich al veel.

Overigens beperkt Jensma zich in Het rode tasje van Salverda tot slechts enkele thema’s uit de Friese geschiedenis. Zoals de betekenis van al die genootschappen voor het geestesleven in die tijd; zoals de invloed van de stoomvaart op de economie; zoals hoe er naar armoede werd gekeken in die tijd. Compleet is het boek zelfs als mentaliteitsgeschiedenis niet.

Goffe Jensma, Het rode tasje van Salverda
Burgerlijk bewustzijn en Friese identiteit
in de negentiende eeuw

316 pagina’s
Fryske Akademy, 1998
FA-nr. 852

Op ’e nekke fan ’e wrâld ~ Tr. Riemersma

Ook het Fries heeft columnisten. Misschien wel te veel, net als het Nederlands. Alleen valt op dat slechts weinig Friese columnisten hun werk naderhand nog eens laten bundelen. Dit maakte me op zich al dankbaar dat Trinus Riemersma de moeite heeft genomen een selectie te verzamelen van de columns uit de jaren 1992 tot 2002 .

Is Riemersma bovendien op het moment verreweg de interessantste columnist.

Maar, er blijkt toch een duidelijk verschil te bestaan tussen de columns die hij nu wekelijks schrijft voor de Leeuwarder Courant, en wat hij voorheen publiceerde in de tijdschriften Frysk & Frij en Trotwaer. Ik vind hem nu beter, omdat de hele wereld onderwerp kan zijn in de columns. Deze bloemlezing uit dat oude werk gaat opvallend vaak over Friesland, of de Friese taal. En dat onderwerp is niet groot genoeg om telkens weer iets nieuws over te schrijven.

Nu hebben al die inspanningen wel éen klassieke column opgeleverd: ‘De befruchtsjende holder’, uit 1999. Daarin legt Riemersma uit dat iedereen die in het Fries schrijft daarmee het gebruik van de taal stimuleert, en dus een taalbeweger is. Ook als zo’n auteur hier heel anders over denkt, en slechts meent kunst te scheppen.

Intentie staat nu eenmaal los van ontvangst.

Andersom geldt dan weer niet dat de Friese taalbeweging ook maar iets te zeggen heeft over waar schrijvers zich mee bezig moeten houden. Ook een vernietigende beschouwing over Friese aangelegenheden bevordert het gebruik van de taal, als die in het Fries is geschreven.

Opvallendste uitspraak in deze bundel vond ik evenwel Riemersma’s opmerking over de verschillen tussen het schrijven in het Nederlands, en in het Fries:

[…] dat ferskil liket my te wezen dat it Hollânsk in hele macht sinkonstruksjes klear lizzen hat foar allerhande sitewaasjes. Konstruksjes dy’t troch elkenien brûkt wurde en troch elkenien akseptearre wurde. Hânsume en kreaze ferpakkingen foar kin neat skele hokker ynhâld. Politisy binne bazen yn produsearjen fan ditsoarte foarprogrammearre konstruksjes dy’t har suver fansels folje mei wurden en dêr in sin oan jouwe.

Yn it dialekt wol soks net slagje. Ast yn it dialekt soksoarte út ‘e kultuertaal liende konstruksjes brûkst, beart it as skuorde klokken en de harkers freegje gnyskjend ofst it nochris sizze wolst. It dialekt is de taal fan ‘e lytse mienskip. [94 – 95]

Ik verklaar de tekorten van het Fries als schrijftaal voor niet-literaire teksten altijd omdat er in het corpus aan gepubliceerd werk zo veel zakelijke teksten ontbreken die in andere talen juist wel geschreven worden. Riemersma constateert dat zijn Fries een aardig zelfreinigend vermogen heeft; puur kan blijven zonder dat daar purismen voor nodig zijn.

De ene constatering sluit de andere ook niet uit, natuurlijk.

Tr. Riemersma, Op ’e nekke fan ’e wrâld
(In kar út de kollums fan 1992 – 2002)

118 pagina’s
Utjouwerij Venus, 2004

Skiep binne der inkeld om skeard te wurden ~ F.J. Bergstra

Het is allemaal al eens gedacht. Alles werd al een keer geschreven. En dat vind ik wel een prettige wetenschap. Op basis van dezelfde gegevens zijn anderen tot vergelijkbare conclusies gekomen. En dat maakt de eigen ideeën toch net een pietsje sterker.

Zolang die eigen ideeën er maar eerst waren natuurlijk.

En, elke generatie moet nu eenmaal veel opnieuw uitvinden.

Freark Bergstra [1914 – 2001] werkte als zenuwarts te Leeuwarden, was enige tijd voorzitter van de Fryske Akademy, en toonde zich een kritisch volger van de Friese Beweging.

In Skiep binne der inkeld om skeard te wurden [1] zijn tien essays verzameld over Friese aangelegenheden, waarvan de meeste in de jaren zestig en begin jaren zeventig werden geschreven. Volgens sommigen is dit een periode dat de taal er nog niet eens zo slecht voor stond — vooral de literatuur zou een bloeitijd hebben door gemaakt. Maar Bergstra was ook toen al uiterst kritisch.

Van luchtfietserij over de Friese mythe moest hij niets hebben. Wat uniek Fries was, was enkel de taal. En met die taal stond het er niet goed voor, zonder dat er nu veel hoop op verbetering was. Daartoe gebruikten te weinig mensen het Fries, daarvoor werd de taal in een te beperkt tal situaties benut.

En wat de Friese Beweging daar dan tegenin bracht, was hoogstens goed om het Fries zo rustig mogelijk uit te laten sterven. Stervensbegeleiding. Bergstra ergerde zich daaraan; omdat alle inspanningen voor de taal daarmee zo makkelijk als vergeefse en daarmee overbodige inspanningen waren te zien.

Dus kon hij schrijven:

It is eins spitich dat it Frysk net útstjert, want wie dat it gefal, dan wiene wy mei inkelde jierren, mei inkelde generaasjes fan gâns ellinde ûntslein. [184][2]

En zo staan er wel meer messcherpe citaten in deze bundel — mede omdat wat nu essay heet, gauw eens een lezing was, en er in lezingen hardop vaak net wat meer kan worden uitgesproken.

Daarom waren sommige stukken wat wijdlopig, zoals voordrachten nu eenmaal eisen.

F.J. Bergstra, Skiep binne der inkeld om skeard te wurden
Tsien essays oer de Friezen en it Frysk

Redaksje en ynlieding P.A. Bergstra
203 pagina’s
Utjouwerij Montaigne, 1998
  1. Schapen zijn er enkel om geschoren te worden []
  2. Eigenlijk is het jammer dat het Fries niet uitsterft, want als dat het geval was, dan waren we binnen enkele jaren, met enkele generaties van een hoop ellende ontslagen. []

Taal yn Fryslân; Op ’e nij besjoen ~ Durk Gorter & Reitze J. Jonkman

Vier jaar terug nog maar passeerde het Fries een absolute mijlpaal. Het Frysk Hânwurdboek kwam uit — en dat is het eerste woordenboek waarin zowel de lemma’s als de uitleg in het Fries staan. Voordien waren de woordenboeken altijd vertaalwoordenboeken, of werd de verklaring van een Fries woord in het Nederlands gegeven.

Met een omweg dus.

Nog beter had ik het gevonden als er een Fries synoniemenwoordenboek was uitgebracht. En als ik dan toch aan het wensen ben: een degelijke digitale grammaticacontrole ware ook niet verkeerd.

Maar met dat handwoordenboek waren ook wel synoniemen te vinden. Dus schafte ik het aan. Terwijl het eigenlijk onzin is om naslagwerken te kopen in deze digitale tijd, nu machines zo veel sneller zoeken en vinden dan wij.

En de prijzige aanschaf is dus ook al vrij snel weggegooid geld gebleken. Dezelfde Akademy die het handwoordenboek uitbracht, heeft inmiddels tot een spellingshervorming van het Fries bevolen. En deze is onlangs zonder discussie door Provinciale Staten aangenomen. Bovendien maakt de Akademy een standaardwoordenlijst die oplegt welke dialectvariant van een bepaald woord voortaan het beste is.

En er zijn nogal wat dialectvariaties. Maar de keuze om het woord te gebruiken dat je zou uitspreken, kan dus op schrift ineens heel goed verdwenen zijn.

Ondertussen is niet alleen het dure handwoordenboek maar zijn alle naslagwerken in mijn bezit plots op slag onbetrouwbaar geworden.

Het enige protest tegen die spellingsverandering komt tot nu toe van schrijvers en een enkele taalwetenschapper. En dat is niet vreemd. Zij hebben meer dan wie ook geïnvesteerd in de beheersing van die taal. Voor hen is zelfs het geschreven Fries levend, omdat latent de hele literatuurgeschiedenis van die taal meeweegt in hun werk.

Onder de bevolking blijft het ondertussen erg rustig. En ook die onverschilligheid valt goed te verklaren. Het Fries is allereerst een levende spreektaal. Lezen doen de meesten Friestalige teksten al niet. Laat staan dat ze moeite doen om de taal te schrijven.

Want, dat is ook vrijwel niemand op school geleerd. De meeste Friestaligen zijn analfabeet. In die taal.

Elders in Nederland regeert overigens het misverstand dat het Fries een verplicht schoolvak is — en dat dit logische consequenties heeft. Terwijl die verplichting nu net op typisch Nederlandse wijze geregeld werd. Ja, er staat wel ergens dat in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs waar dit toepasselijk is aandacht moet worden gegeven aan het Fries. Maar waaruit die aandacht bestaan moet, werd daarbij niet ingevuld. Want zulke details leiden maar tot vervelende verplichtingen. Zoals het eeuwig beschikbaar stellen van geld.

Ondertussen was voor mij vraag geworden hoeveel mensen eigenlijk met regelmaat in het Fries schrijven — hoeveel directe slachtoffers het taalbeleid van een tamelijk overbodig politiek orgaan gaat eisen; behalve dan dat hele bibliotheken onleesbaar worden omdat het woordbeeld gaat veranderen.

En dan blijkt dat in officiële stukken nog altijd terugverwezen wordt naar de enquête Taal yn Fryslân; Op ’e nij besjoen van Gorter en Jonkman uit 1995.

Dat onderzoek is een herhaling van de gelijknamige exercitie door dezelfden van eind jaren zeventig. Toen de taalsocioloog Gorter wilde weten wie er in Friesland het Fries praten, en wanneer ze dat deden. Want, bij ieder domein in het leven hoort ander gedrag. Met de buren ga je anders om dan met de dokter, of de dominee.

Op Taal yn Fryslân is methodologisch alleen wel van alles aan te merken. Zo bestond de steekproef uit een lang interview, waarbij een vrijwilliger nogal wat vragen kreeg te beantwoordden. Een situatie die heel makkelijk tot sociale wenselijke antwoorden kan leiden — want wie denkt er ooit bewust na over zijn taalgebruik. En bovendien controleerde de interviewer de uitspraken niet — die moest bijvoorbeeld naar eigen inzicht interpreteren over de gesprekspartner inderdaad Fries zou kunnen lezen, of schrijven, als deze beweerde van wel.

En in het vervolg Taal yn Fryslân; Op ’e nij besjoen dook ineens het magische getal 17% op — dit zou het percentage aan inwoners van Friesland zijn dat de taal aardig kon schrijven.

83% geeft dus aan dit niet te kunnen.

En mij viel vooral die 17% op omdat dit zo veel hoger is dan in eerdere onderzoeken. Bij een enquête uit 1967 lag dit percentage op 11,5% — met een foutenmarge van zeker plus of min drie procent zo schat ik in. Tijdens de eerste ronde van Taal yn Fryslân was het 10,6%, plus of min circa 2% gezien het aantal ondervraagden.

Toegegeven, begin jaren negentig was er wel Friestalige regionale televisie bijgekomen. Maar dat leek me eerder voor ontlezing en analfabetisme in eigen taal te pleiten dan tegen.

Het ontbreken van een verklaring voor de stijging valt dus op in het rapport.

Hadden onderzoekers zo’n stijging op dit moment gevonden, dan had ik die cijfers overigens weer niet meteen betwijfeld. De digitale cultuur van het moment is voor de meesten een communicatiecultuur waarin oppervlakkige tekstjes uitwisselingen in de spreektaal vervangen. Het Facebook-Fries wordt daarmee een nieuwe loot aan de oude stam van de taal; waaraan vooral de vrijheid te prijzen is waarmee de gebruikers hun woorden spellen.

Blijft alleen staan dat ik 17% aan schrijvende inwoners van de provincie een rijkelijk hoog percentage vind. Dat zijn er namelijk dan 17% x 640.000 = 108.800.

Intuïtief ligt het aantal Friezen dat de taal met regelmaat schrijft voor mij eerder op 3.000 — geredeneerd naar wat ik online waarneem, en wat ik ooit ontving als redacteur van een literair blad.

Anderen noemen een aantal van 10.000.

Nu gaat het mij niet per se om de juistheid van de getallen. Zoals altijd met politieke besluiten interesseert mij allereerst de proportionaliteit. Er wordt namelijk zo vaak daadkracht verkocht die weinig meer is dan spierballenrollerij; maar ondertussen wel ongedachte negatieve gevolgen heeft.

Politici zijn bovendien de grootste taalvervuilers die er bestaan. Dat juist zij, op hun provinciale niveau, het recht schijnen te hebben om anderen een spellingswijziging op te dringen, is erg cynisch.

Als dit ook nog gebeurt zonder motivatie, of op basis van cijfers waar wel wat op af te dwingen is, wordt politiek helemaal verkeerde dwang.

En zeg nu niet dat alleen ambtenaren verplicht zijn om zich aan spellingsafspraken te houden. Ondertussen is de provincie ook éen van de belangrijkste subsidiegevers geworden bij de uitgave van Friestalige boeken. En vrijwel geen van deze boeken komt zonder subsidie uit.

Mits ze aan bepaalde eisen voldoen, natuurlijk. Taaleisen, onder meer.

Taal yn Fryslân; Op ’e nij besjoen
Durk Gorter & Reitze J. Jonkman
90 pagina’s
Fryske Akademy, 1995

En gjin ein ~ Jan Pieter Janzen

Toen vorige week het Fries dictee werd gehouden, deed ik vanzelfsprekend niet mee. Aan een Nederlands dictee had ik ook niet mee gedaan — spellen volgens algemeen gedeelde regels is een hoffelijk gebaar naar de lezer toe, meer niet. En er bestaan inmiddels een Groen en een Wit boekje die beide claimen de voorkeurspelling te bieden; dus heeft geen van beide gelijk; en mij interesseert het niet wie.

Aan de Friese dicteewedstrijd kleeft nog een extra akeligheid. Dat komt door een spellingshervorming van eind jaren zeventig. Toen de provinciale politiek ineens van bovenaf bepaalde dat alle leenwoorden fonetisch Fries moeten worden gespeld. Dus wijkt het beeld van zulke woorden af van hoe dat in andere talen gewoon is. Ik vind dat vrij principieel onzinnig gedoe. Alle normale ontwikkeling van een taal wordt geremd ook, als nieuwe woorden eerst nog moeten worden omgespeld.

Bij het bekijken van het dictee van 2014 kwam ik in de eerste zin al meteen het woord ‘bêzje’ tegen, voor de kleur die normaal toch gewoon ‘beige’ heet, in bijvoorbeeld het Engels, Frans, en Duits. En ik weiger dus zulke uitzonderingen uit mijn hoofd te gaan leren. Dat verpof ik zo wit als karnemelk.

Van Jan Pieter Janzen leerde ik ondertussen dat die vreemde fonetische spelling niet eens de hoofdreden was voor de spellingsveranderingen van eind jaren zeventig. Het was politici te doen om de status van het Fries te verhogen. Daaraan zou flink bijdragen als de taal een verplicht schoolonderdeel werd. En om de mensen in het onderwijs mee te krijgen die tegen zo’n verplichting aanhikten, werd het argument gemunt dat het Fries na een spellingsvereenvoudiging veel makkelijker te leren zou zijn.

Sindsdien is het Fries weliswaar verplicht op de scholen in de meeste gemeenten; alleen werd die plicht op typisch Nederlandse wijze ingevuld. Er staat geen minimumaantal uren voor. En extra geld wordt er doorgaans ook al niet voor uitgetrokken.

Op papier lijkt alleen alles heel fraai. En daar gaat het om. Allereerst.

Jan Pieter Janzen [1945 — 2005] was een auteur die ik bij leven slecht lezen kon. Voor een deel kwam dat door ongewoonte — ik kwam zijn werk niet vaak genoeg tegen om aan zijn toon te kunnen wennen. Voor een deel kwam dat ook door een afstand in tijd. Janzen was een levensfase of wat verder. Wat hem bekommerde, zei mij niet altijd zo veel.

En gjin ein [En geen einde] bleek mede daarom een verrassend rijke bundel te zijn, met stukken en stukjes uit drie decennia schrijven, gerangschikt op thema. Al zat de voornaamste waarde ook in het tijdsbeeld dat Janzen daarin heeft vastgelegd.

Bovendien las hij -rapporten en taalnota’s; om die vervolgens op een nog altijd bruikbare manier samen te vatten voor een lezer decennia na dato.

Jan Pieter Janzen had de relatieve hoogtijdagen van de geschreven Friese literatuur nog meegemaakt. In de jaren zestig. Toen de boeken van de meest vooraanstaande auteurs vrij vlot in een vertaling verschenen. Enkele malen biedt zijn bundel de bekentenis dat hij Wadman en Riemersma voor het eerst in het Nederlands las.

Janzen was ook getuige van de eerste structurele onderzoeken naar de Friezen en hun taalgebruik. Die dan weer illustreren dat er in de provincie heel weinig verandert. De toestand van de taal is onverminderd slecht. En dat is ook al eeuwen zo. Het Fries blijft allereerst spreektaal; en dus sterk gevoelig voor invloeden van buiten. Lezen doen er al veel minder. Schrijven wordt al helemaal een probleem.

Toch lenen de bibliotheken nergens zo veel boeken uit als in Friesland. Dus gelezen wordt er wel. Waardoor bijvoorbeeld opvalt dat de Friestalige schrijvers zich weinig bekommeren om waar vraag naar is in de provincie.

Wat vervolgens tot kwestie maakt hoe erg dat dan weer is.

Jan Pieter Janzen, En gjin ein
Stikken en stikjes
1972 – 2000

213 pagina’s
Koperative utjowerij, 2001

Friezen op sosjale media ~ Lysbeth Jongbloed-Faber

Er staat éen zinnetje in dit onderzoeksrapport dat het redt, voor mij. Dat is de slotzin, waarin Lysbeth Jongbloed-Faber vaststelt dat het Fries nog nooit eerder door zovelen als schrijftaal is gebruikt. Want het vreemde amalgaam van websites en diensten online dat tezamen de sociale media heet, dwingt dus meer mensen dan ooit ineens om de taal — die toch altijd eerst en vooral spreektaal was — te gaan schrijven.

Eerder bestond er blijkbaar niet zoiets waardoor iemand die dwang kon voelen. De verandering kwam pas met de opmars van het beeldscherm dat aan internet gekoppeld was, en dan vooral het scherm dat vrijwel iedereen inmiddels altijd bij zich heeft.

Maar Friezen op sosjale media is als studie uiteindelijk niet meer dan een eerste verkenning — zelfs al deed Lysbeth Jongbloed dan eerder zelf al onderzoek naar het sociale mediagebruik van Friestalige jongeren.

Voor dit rapport is online een enquête gehouden — waartoe belangstellenden zichzelf moesten aanmelden. Er werden ook nog wat gesprekken gevoerd. En er is eens gekeken naar parallellen in onderzoek over andere minderheidstalen, zoals het Welsh.

Waarmee mij, zelfs voor een eerste plaatsbepaling in de tijd, wel erg veel aan het taallandschap hier bekend werd verondersteld.

Verzachtende omstandigheid is wellicht wel dat ik nog nergens onderzoek zag waarin wel heel opvallende oordelen getrokken werden over die sociale media. Het onderwerp is waarschijnlijk te nieuw. En daarbij is het woord ‘media’ al te vaak een ongelukkig containerbegrip gebleken, waaraan het ‘sociale’ aspect vervolgens enkel verwarring toevoegt.

Volgens nogal wat gebruikelijke onderzoeksdefinities bijvoorbeeld is ook boeklog een sociaal medium, enkel omdat bezoekers hier onder deze tekst wat terug zouden kunnen zeggen. Terwijl boeklog toch echt niet meer dan mijn eigen knollentuintje is, ergens in een afgelegen hoekje van internet. Bezoek zegt ook zelden iets terug.

Veel onderzoek op het moment doet ook weinig meer dan tellen. Zoveel 65-plussers gebruiken inmiddels Facebook, tegenover zoveel vijf jaar terug. Zoveel jongeren hebben een smartphone, waarop ze dan zoveel minuten in de week met vrienden communiceren. En zoveel mensen zetten hun telefoon geen enkel moment meer uit.

Ook Friezen op sosjale media is in de eerste plaats zo’n telstudie. Waarvan me de voornaamste verdienste lijkt dat over een tijd weer zo’n zelfde telstudie kan worden gedaan, waarna er wellicht veranderingen of zelfs trends zijn aan te geven.

Bleek overigens van de geheel niet representatieve groep doelnemers aan het onderzoek, die zich daartoe immers zelf hadden opgegeven, 18% te melden het Fries goed te kunnen spellen. Wat mij nogmaals in de mening sterkt dat die 17% aan soepel de taal schrijvende Friezen, waarmee de Provinsje sinds 1995 schermt in het taalbeleid, een onzingetal is.

De enige echt interpreterende onderzoeken die ik tegenkwam tijdens mijn werk neigen er dan weer naar om vooral op de negatieve kanten te wijzen van sociaal mediagebruik. Volgens het Deense Happiness Research Institute bijvoorbeeld, knappen de levens van heel wat mensen op als ze stoppen met Facebook. Want dan zijn ze ineens bevrijd van de voortdurende dwang hun eigen leven te vergelijken met dat van anderen; zo is daarbij de hypothese.

Terwijl iedereen zich online constant beter voordoet dan die is.

Als iemand een profielfoto gebruikt bij zijn of haar sociale media-account staat hij of zij daar vrijwel zeker lachend op, en doorgaans ook een stuk jonger dan hij of zij is. Deze Binsenweisheit werd nu dus ook aangetoond door bureau Multiscope. Die daarbij meent dat het de sociale media-gebruikers hiermee gaat om een positieve uitstraling te geven.

En ik vind wel iets van onderzoek dat niet meer aantoont dan wat iedereen al aanvoelt — of dit nu van commerciële bureau komt of van wetenschappers.

Het is dus totaal niet verrassend als het rapport Friezen op sosjale media meldt dat de mensen die de taal niet kunnen schrijven dit liever niet doen op een medium waar iedereen hun zinnen zou kunnen lezen. En dat er aanzienlijk minder schroom is om op een besloten medium — zoals in een WhatsApp groep — in een zelfbedacht fonetisch Fries te schrijven, aan diegenen met wie ook altijd al in deze taal wordt gepraat.

Op school is ons nu eenmaal verteld dat goed kunnen spellen belangrijk is. Waardoor slecht spellen dom lijkt.

Terwijl het gebruik van een standaardspelling toch niet meer dan een beleefdheid blijft tegenover de lezer. Voor wie geen ambtenaar is.

Vrienden onderling kunnen elkaar veel vergeven.

Bij de presentatie van Friezen op sosjale media werd nogal de nadruk gelegd op het gegeven dat velen nu ineens hebben ontdekt eigenlijk analfabeet te zijn in de eigen taal. En niet geheel toevallig viel de presentatie in tijd samen met de introductie van een tal nieuwe spellingcheckers, voor computer, tablet, en smartphone.

Waarmee voor het gemak, weer eens, genegeerd werd bijvoorbeeld dat lezen vrij noodzakelijk is voor het verwerven van vocabulaire. En dat het voor Friezen vrij moeilijk is om ergens normale Friese teksten tegen te komen. Literaire verhaaltjes worden er geschreven. Gedichies. Omrop Fryslân brengt korte nieuwsberichtjes in het Fries op zijn website en op Teletekst. Er zijn propagandasites van organisaties die vinden dat er iets moest met dat Fries. En daarnaast is er hoogstens nog een schaarse eenling die een weblog bijhoudt in de taal, en daarbij iets aan normaal dagelijks taalgebruik laat zien.

Dat is een nogal eenzijdig taallandschap, omdat slechts enkele registers van de taal op schrift gebruikt worden — mede omdat vrijwel al die teksten online enkel met Friesland of met Friese onderwerpen hebben te maken. Dus bestaan er weinig mogelijkheden om met het totale woordbeeld van het Fries vertrouwd te raken. Terwijl vertrouwdheid met woordbeeld nu net nodig is om goed te kunnen spellen.

Zo zijn alle leenwoorden uit andere talen naar een fonetisch Fries toegeschreven — een politiek besluit dat mij een gruwel blijft. Zelfs al zal ik ook beleefd ‘sosjale’ schrijven in een Friese tekst. Of dat ik als ‘sjoernalist’ heb gewerkt. Terwijl ik dat liever niet deed.

Maar geen politicus is er die een afwisselend taallandschap zou kunnen creëren. Geen politicus bestaat er die het soepel kunnen schrijven van het Fries tot een economisch nuttige vaardigheid kan maken; waardoor het meer dan enkel wat sociale waarde heeft om de taal foutloos te kunnen spellen. Want het Nederlands was er immers ook al hier.

En dat zijn dan factoren die nooit benoemd worden, zelfs niet in wetenschappelijk onderzoek — terwijl die ondertussen allesbepalend zijn.

* de studie Friezen op sosjale media is hier te downloaden [pdf]

Lysbeth Jongbloed-Faber, Friezen op sosjale media
Rapportaazje ûndersyk Taalfitaliteit II

40 pagina’s
Mercator Research Centre, z.j. [2015]