deze boeklogjes vormen het dossier:

Geneeskunde, die vooral diagnostiek lijkt te zijn

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Refrein is Hein ~ Bert Keizer

Hoewel ik dit boek eerder gelezen had, en mijn exemplaar achterin uitpuilt met krantenknipsels van en over de schrijver, was me helemaal ontschoten dat het een roman is. Merkwaardig genoeg had ik dus wel de inhoud van Keizer’s betoog in de kern onthouden, maar niet de vorm.

Fictie kan trouwens misschien ook wel beter waarheden vertellen, dan monografieën die voor de helft uit voetnoten bestaan. Als het ergens schuurt, kan in een roman voelbaar worden gemaakt hoe het daardoor schrijnt.

De hoofdpersoon van dit boek is als arts aan het minstbedeelde kant van de gezondheidszorg terecht gekomen, in een verpleeghuis. Alles draait in de geneeskunde om diagnostiek, genezing en zorg lijken er nauwelijks toe te doen. Miljarden worden er weggesmeten aan kankeronderzoek dat nooit iets oplevert. Ondertussen kunnen de mensjes in de verpleeghuizen niet eens een eigen kamer krijgen in hun ellende. Daar zit duidelijk iets scheef.

Er gaan in Het refrein is Hein tal van mensen dood, al dan niet geholpen door de hoofdpersoon. Euthanasie is ook bijna de enige actieve genezing die de verpleeghuisartsen kunnen bieden aan het type patiënten die ze binnen krijgen. Verder is het zien de pijn en het lijden draaglijk te houden.

Ondertussen houden de doktoren zich door een professionele distantie overeind, vaak gevoed door galgenhumor. Toch worden ook zij weleens emotioneel, al mag dat dan hoogstens twee keer per jaar.

Keizer heeft met Het refrein is Hein een even wreed als prachtig boek geschreven. Nog even afgezien van de euthanasie-kwestie als onderwerp, is het erg bijzonder dat in de Nederlandse literatuur eens professionals aan het woord komen die realistisch praten over de valse pretenties in hun métier.

Bert Keizer, Het refrein is Hein
Dagen uit een verpleeghuis

316 pagina’s
Uitgeverij SUN, 1994

Waanzin ~ Roy Porter

Het vervelende aan deze korte geschiedenis is dat die toch wat al te beknopt uitviel. Porter doet vele stevige uitspraken, maar die worden zo weinig gestaafd dat ze daardoor wat doodslaan.

Ik bedoel, het is niet moeilijk nu bijvoorbeeld hier al met het schrijven van deze recensie op te houden. Dan heb ik toch een uitgesproken mening over dit boek gegeven, ook al is er dan eigenlijk nog niets gezegd.

Nogal wiedes dat ‘een korte geschiedenis’ zich beperkt tot hoofdlijnen. Maar Porter heeft al een heel principiële keuze gemaakt bij het schrijven van dit boek. Hij signaleert in het voorwoord dat er steeds verschillend over geestesziekten gedacht wordt. Door de eeuwen heen is vaak ook gewoon verzonnen wat waanzin zou wezen, omdat dit de bewindhebbers, kerk, of medici toevallig goed uitkwam.

Dat is vervolgens ook Porter’s uitgangspunt. Hij schrijft niet over wat waanzin is, maar hoe daarover steeds gedacht werd. Daarmee plaatst hij heel slim het object van zijn monografie eigenlijk buiten het verhaal. Dit leidt ertoe dat er op uiteindelijk alle benaderingen ooit kritiek is, en dat maakt de visie die uit dit boek spreekt nogal karig. Want, waren er dan werkelijk geen successen te melden in de behandeling van de gekte?

En, wat maakt dan dat mensen toch steeds bevattelijk zijn voor al die misverstanden?

Merkwaardig hoe een op zich rijk boek me dan toch zo arm aan nieuwe inzichten achterlaat.

Roy Porter, Waanzin
Een korte geschiedenis

231 pagina’s
Uitgeverij Nieuwezijds, 2003
Vertaling van: Madness, A brief history


Welkom in het Koninkrijk ~ Hubert Smeets

Dit boek biedt een somber stemmend verslag van de strijd van een man en een vrouw tegen de Nederlandse bureaucratie. Waarin bestuurders nooit verantwoordelijkheid wensen te nemen uit angst precedenten te scheppen. Waarin logica of gezond verstand er geheel niet toe doet. Waarin regels als vanzelfsprekend regels zijn, maar alleen volgens de kokerblik van een jurist.

De strijd zou ook vergeefs zijn geweest, als die niet dit boek had opgeleverd, dat als waarschuwing dient wat er gebeurt als procedures heilig worden, en vergeten wordt waar deze voor staan.

Smeets’ Russische vrouw Olga Polsatsjova komt uit liefde voor hem in Nederland wonen in 1994. En ze wil hier werken. Het liefst natuurlijk in het specialisme waarvoor ze is opgeleid. In Moskou heeft ze jaren een kliniek geleid waarin allergiepatiënten werden behandeld.

Bovendien heeft ze over de behandeling van allergieën tal van wetenschappelijke artikelen geschreven. Daarnaast schreef ze toch al twee dissertaties. In Nederland blijken al die kennis en ervaring uiteindelijk evenveel waard als het propedeutisch diploma medicijnen. Want, dat is op den duur het enige waar ze vrijstelling voor krijgt, als ze uit nood dan maar opnieuw gaat studeren om hier als arts erkend te worden.

De beroepsgroep in Nederland houdt niet zo van buitenstaanders.

Interessantst voor mij aan de strijd die vooral Hubert Smeets voert, is dat hij een stap verder kon gaan dan de meesten. Smeets kende een paar politici, waarschijnlijk vanuit zijn werk voor NRC Handelsblad. En het lukte hem die politici voor de zaak te interesseren.

Maar dat maakte helemaal niet uit. Hoogstens raakten de autoriteiten die werkelijk iets hadden kunnen betekenen in deze zaak alleen maar geïrriteerd door die extra druk.

Dat stemt extra somber.

Als klein kritiekpuntje op dit boek moet me toch van het hart dat alle verwikkelingen voor mij als buitenstaander wel wat ingewikkeld waren. Het ware prettig geweest als ergens een soort chronologische tabel had gestaan met een overzicht van welke instantie wanneer precies benaderd werd met wat voor verzoek.

Zoals in dikke Russische romans vol verwikkelingen ook altijd wel ergens een geslachtentabel voorkomt, om in na te zoeken wie wie ook weer met welke koosnaam aansprak. Al had Smeets dan weer weinig reden om koosnaampjes voor zijn opponenten te bedenken.

Enfin.

Hubert Smeets, Welkom in het Koninkrijk
Gevangen in de medisch-juridische bureaucratie

160 pagina’s
Uitgeverij Mets & Schilt © 2002


Medicijnenmafia ~ Jeffrey Robinson

Onbedoeld las ik twee boeken tegelijk waarin wordt beschreven hoe ooit giftige glycerine aan Haïti werd geleverd als grondstof voor geneesmiddelen. Bij Marjolijn Februari is die affaire een centrale klacht in haar roman.

Het gif van dat Nederlandse bedrijf Vos BV kwam in een hoestdrankje terecht, waardoor vooral kinderen erdoor stierven. Robinson schrijft dat daar tachtig doden vielen. Andere bronnen hebben het over zestig.

In dit boek hier over de farmaceutische industrie komt Haïti slechts terloops langs. Ik leer er wel uit dat er nog een vergelijkbare zaak speelde, in Brazilië. Daar werd onbruikbare glycerine in oogdruppels verwerkt, waar twaalf mensen aan stierven.

Deze feiten op zich zijn al ernstig genoeg om misantroop van te worden. Maar dat het verkopen van dodelijk gif als geneesmiddel niet kan, is niet heel moeilijk om uit te leggen. Robinson heeft zich in dit boek tot taak gesteld te bewijzen dat de farmaceutische industrie op heel wat manieren meer onethisch werkt.

Dat leverde een wat warrige monografie op.

Goed aan dit boek is wel dat Robinson veel moeite doet om de lezer te laten begrijpen dat medicijnen speciale handelswaar zijn. Niet alleen kunnen ze over leven en dood bepalen. Een principieel punt is ook dat medicijnen door een ander worden uitgekozen en voorgeschreven. Elke patiënt levert zich daarmee totaal over aan het fatsoen van vreemden.

Dit was uiteindelijk ook het belangrijkste inzicht dat ik aan het lezen van het boek Fast Food Nation overhield. Hoe machteloos éen mens uiteindelijk is tegenover een steeds verder corrumperend systeem.

Elk individu kan nog de vrij eenvoudige beslissing nemen om nooit meer bij McDonalds te eten. Maar het wordt iets anders als handelspraktijken van de fastfood-ketens helpen om de kwaliteit in de hele voedselproductie te ondergraven. En ineens bij haast alle eten kritische vragen te stellen zijn.

Maar waar Robinson in dit boek niet uitkomt voor mij, is om het onethische handelen van de fabrikanten van medicijnen helder op te delen in een schaal van erg.

Het ene moment gaat het bij hem over laakbaar optreden waar blijkbaar de hele industrie zich schuldig aan maakt, het volgende hoofdstuk wordt ingezoomd op een incident met éen bedrijf als kwaaie pier. Zoals het verdraaien van onderzoeksresultaten. Dan ineens blijken andere fabrikanten er wel ethische standaarden op na te houden.

Neemt niet weg dat Robinson bij mij heel principiële vragen heeft helpen formuleren.

Hoe kan het bijvoorbeeld dat wij ons als samenleving telkens weer uitleveren aan monopolisten, die de productie van een medicijn naar willekeur kunnen stoppen?

Jeffrey Robinson, De medicijnenmafia
348 pagina’s
Uitgeverij Elmar, 2003
Vertaling van Prescription Games

Iedereen heeft gelijk ~ Peter Bügel

Eigenaardig, dat Bügel’s bundels inmiddels alleen nog antiquarisch te krijgen zijn. Dat hij niet in druk is gebleven. Aan het prijspeil te oordelen lijkt er zelfs geen enkele vraag naar zijn werk te zijn.

De columns in Iedereen heeft gelijk bieden niet alleen een beknopte cursus aan in helder denken, zo zijn ook onderkoeld humoristisch, en in veel ervan staat een perfecte oneliner. Beter kan ik mijn lectuur nauwelijks wensen.

Domheid komt in alle lagen van de bevolking voor, maar is het ergst bij intellectuelen en machthebbers. Volgens Cipolla moet domheid zelfs als een beroepsziekte van intellectuelen worden gezien, zoals stoflongen bij mijnwerkers. [9]

scheiding

Door de evolutie zijn goede mannen en nette vrouwen uitgestorven [54]

scheiding

[…] het resultaat van de huidige gezondheidszorg is dat er steeds meer zieke mensen bijkomen. Vroeger was iedereen gezond of dood, tegenwoordig heeft een groot gedeelte van de bevolking medische zorg nodig. De grootste boosdoener is preventie. [81]

scheiding

Ook in de sport is de wetenschap alleen welkom wanneer zij geen twijfel zaait over de heersende moraal [95]

scheiding

Een winstgevend geneesmiddel moet aan één belangrijke voorwaarde voldoen: het mag niet genezen. [96]

scheiding

De grootste kans om vermoord te worden in deze westerse wereld loop je niet door inbrekers of dronken automobilisten, maar door de dokters die verworden zijn tot de dealers van de farmaceuten. [138]

Juist op dit moment, nu de kolder over wat gezond leven is weliger tiert dan ooit, wordt Bügel’s sarcasme node gemist. Had hij van mij ook alle gelul over ‘groen leven’ belachelijk mogen maken. In éen moeite door.

De basis achter wat in zijn columns staat, is natuurlijk al veel eerder verwoord door Ivan Illich, of in Nederland door Hans Achterhuis. Overaanbod aan zorg, creëert vraag naar zorg. Dit proces wordt versterkt door alvast elk maar tot patiënt te maken. Iedereen daarbij angst aanjagen helpt flink mee — zelfs als is die vrees op niets, of hoogstens zeer dubieuze claims gebaseerd.

Mensen die twijfelen of ze wel gezond leven, zijn per definitie al niet meer gezond. En er komen nogal wat zorgwekkende boodschappen op iedereen af. Weet u het gehalte aan uw LDL-cholesterol? HDL-cholesterol? Kunt u éen reden geven waarom deze kennis belangrijk zou zijn?

Belangrijkste column uit deze bundel is ‘Atlas’, waarin uitgelegd wordt waarom sommige statistieken over gezondheidsrisico’s niet deugen. Dit komt bijvoorbeeld omdat er per land verschillen zijn, in hoe artsen de overlijdenscertificaten tekenen. Bij ‘doodsoorzaak’ zullen zij bovendien vaak maar wat invullen. Mensen sterven namelijk nooit aan ouderdom op de certificaten, daar moet een reden voor worden aangegeven. En die reden hangt meer af van de traditie dan iets anders.

De fabel dat de mensen rond de Middellandse Zee zo veel gezonder leven? Ze worden gemiddeld niet ouder als Nederlanders.

En dus komt veel van de kennis over wat gezond zou zijn voort uit het selectief omgaan met gegevens, zo niet een totaal onbenul van statistiek. Ook die conclusie is niet nieuw, hier op boeklog. Maar Peter Bügel komt met Hans van Maanen de eer toe mij eeuwig wantrouwig te hebben gemaakt tegenover vrijwel welke gezondheidsclaim ook.

Teveel bedrijfstakken hebben er inmiddels belang bij om mij kwalen aan te praten. Om van politici nog maar te zwijgen. Lijkt het net of ze iets doen. Want hebben ze niet het beste met u voor?

Peter Bügel, Iedereen heeft gelijk
144 pagina’s
Uitgeverij Contact, 1998

Pijn ~ Amanda Kluveld

Pijn is een nogal intiem onderwerp. Niemand kan een ander vertellen hoe het is om een bepaalde pijn te lijden; hoogstens is die ervaring met lotgenoten te delen.

Pijn verhevigt weliswaar de beleving van het nu, maar meestal niet op een nuttige manier, omdat de pijn zelf al zo veel aandacht opeist. Zo weet ik helaas, uit eigen ervaring.

Door de eeuwen heen is er zo verschillend tegen pijn aangekeken, of wat daarin aanvaardbaar was, dat daardoor alleen al een interessante cultuurstudie mogelijk wordt. Dit boek bracht alleen die niet, omdat ik er te veel in miste. Het is me ook te braaf.

Geen boek mag beoordeeld worden op wat er niet in staat. En toch zag ik te veel omissies om dit boek een overzichtstudie of monografie te noemen. Het is op zijn best een lang essay, van een belezen cultuurhistoricus. Waaruit heel soms ook doorklinkt dat het geschreven werd vanuit het perspectief van iemand die chronisch pijn lijdt. Amanda Kluveld noemt de oorzaak daarvoor niet in dit boek, dus laat ik die discretie eerbiedigen.

Maar misschien zijn sommige omissies toch te verklaren uit Kluveld’s persoonlijke omstandigheden. Iemand die al chronisch pijn heeft, zoekt waarschijnlijk niet uit zichzelf even nog meer pijn op, om op een ander moment beter te kunnen functioneren. Terwijl miljoenen sporters elke dag niet anders doen. Het verbaasde me nogal in dit boek wel te moeten lezen over die enkele zelfmutilant, of die ene freak die zijn balzak aan z’n dijbeen vastniet, en bijvoorbeeld juist niet over de topsporters met hun voortdurende pijntjes, en hun eeuwige strijd tegen de grenzen van hun lichamelijke vermogens.

‘No pain, no gain’, is sinds de fitness-cultuur in de jaren ’80 het adagium voor sporters om net nog even wat meer te doen. Een Amerikaans zinnetje waarin meteen de hele Amerikaanse droom ligt opgesloten — een gegeven ook dat inmiddels tot onze cultuur is doorgedrongen.

‘Pijn is fijn’, luidt de wat iele Nederlandse hertaling. Die bovendien extra lullig klinkt omdat de kreet meestal gebruikt wordt door dameshockeysters, of andere uitblinkers in luxe-sporten zonder enige prestatiedichtheid wereldwijd.

Evenmin schrijft Kluveld inhoudelijk over de biochemie achter pijn. Terwijl ook daar heel interessante conclusies aan te ontlenen zijn. Ik zal ongetwijfeld veel van mijn eigen hang-ups prijsgeven nu. Maar weer in een boek te moeten lezen over de uitvinding van anesthesie, en het gebruik van ether, of lachgas, vind ik niet vreselijk boeiend. Er is echt evenveel over moderne pijnstillers te zeggen. De ideeën daarachter. De huidige pillencultuur. Laat staan het falen van de pijnbestrijding.

Netzomin interesseerde het me om paginalang nogal uitgekauwde schrijvers te zien passeren, als een Sade, of die volkomen oninteressante Bataille, omdat deze weleens een gedachte gepubliceerd hebben aan pijn, of vernedering.

Zwijg ik nog over hoe interessant het is om te onderzoeken hoeveel invloed de angst voor pijn op ons gedrag heeft. Kluveld heeft het daar op zich wel over, maar door even de Sacks-aanpak te imiteren; en alleen te schrijven over het lijden van meisjes die door een aangeboren afwijking geen pijn kunnen voelen. Hoe interessant deze ziektegevallen ook zijn, die zeggen niet alles over normale pijnbeleving. Zo’n omkering is me, zoals altijd, al gauw veel te grof.

Wat dit boek wel biedt, lijkt soms nogal bijeengeharkt. Misschien dat cultuurstudies niet anders geschreven kunnen worden, maar door vooral te kijken naar de beschrijving van pijn, of lijden, in eerdere boeken, stond het me te zeer los van de treurige werkelijkheid.

Pijn van Amanda Kluveld is absoluut een pleidooi voor meer serieuze aandacht voor dit met zo veel taboes omhangen onderwerp, maar op zijn best dus een summiere eerste verkenning.

Amanda Kluveld, Pijn
De terugkeer naar het paradijs en de wens
er weer uit te ontsnappen

223 pagina’s
De Arbeiderspers, 2007

Stiff ~ Mary Roach

Mary Roach liet me opnieuw nadenken over de cultuur waarin wij leven. Zo vind ik het ineens nogal merkwaardig hoe miljarden mensen ter ontspanning elke avond op TV bekijken hoe andere mensen worden vermoord. Waarop kloeke polities onvervaard hun best doen de snode dader binnen vijftig minuten op te pakken, en te laten bekennen.

Het werk van de patholoog-anatoom en de technisch rechercheur krijgt doorgaans alleen aandacht verpakt in licht amusement.

Ook aan begrafenisondernemers is tegenwoordig een succesvolle TV-serie gewijd.

Maar verder gaat het nooit over dat onderwerp. Wat gebeurt er met iemand na diens dood? Mary Roach schreef als haar eerste boek een heel werk waarin het nut van kadavers voor de rest van de mensheid besproken wordt. Daarbij kijkt ze onder meer hoe lijken van nut zijn als oefenmateriaal voor plastisch chirurgen, of om veiliger auto’s te krijgen. Ze bezoekt een griezeltuin, waar menselijke kadavers liggen te ontbinden; zodat onderzoekers meer informatie kunnen geven aan politieagenten, over hoe lang een aangetroffen lijk al dood is.

En ondertussen schept ze er een vrij sadistisch genoegen in om de lezer mee te geven wat ze ziet. Of ruikt. Mensen bestaan deels uit vet, dat niet in het grondwater oplost, maar zich op andere wijze verspreid. Na het bezoek aan die griezeltuin stonken haar schoenen nogal een tijd.

Zoiets zou morbide kunnen heten. Net als dat dit hele boek makkelijk als luguber is af te doen.

Toch vond ik haar poging interessant. Stiff is alleen wel duidelijk een eerste boek. Er mist nog een evenwicht in wat ze brengt, waar bijvoorbeeld Bonk dit wel heeft. Nu dwaalde Roach me soms wat al te makkelijk af in de krochten van de medische geschiedenis, waarin bijvoorbeeld poep zo vaak als geneesmiddel blijkt te zijn voorgeschreven. Hoe interessant zulke feitjes ook zijn, ze doen in groter verband niet terzake.

Stiff is daarmee een eminente poging om een met taboes bekleed onderwerp enigszins van zijn van huiveringwekkende kantjes te ontdoen. Daarbij helpt Roach’ licht verbaasde blik zeer. De dood hoort bij het leven; en dat wordt misschien wel te zeer alleen in genrefictie weggestopt, denk ik.

Mary Roach, Stiff
The Curious Life of Cadavers

304 pagina’s
Penguin Books 2004, oorspronkelijk 2003

Bad Science ~ Ben Goldacre

Domheid is alom aanwezig. En misschien was dit altijd al zo. Maar er waren niet altijd media, die totaal onkritisch allerlei onzinnige claims doorbrieven van types die allereerst iets te verkopen hebben ter eigen gewin. De kranten staan vol met medisch nieuws dat helemaal geen nieuws is maar marketing. En de televisie geeft breeduit ruimte aan alle piskijkers, strontpeurders, en kwakzalvers die melden de mensheid gezond te kunnen maken, zelfs al hanteren deze daarbij methoden die principieel al niet deugen.

Of anders maken de media zelf wel medisch nieuws. Bad Science besteedt ruim aandacht aan een Brits angstverhaal over inentingen dat nergens op gegrond was, maar toch tien jaar lang telkens weer terugkeerde in het nieuws. Eén enkele onderzoeker linkte de MMR-prik (tegen bof, mazelen, en rodehond) aan het ontstaan van autisme. Alle andere onderzoekers zagen geen verband, en zien dit nog steeds niet. En toch was die ene paniekzaaier voor journalisten reden genoeg om stelselmatig alle tegenbewijs te negeren, en het Britse inentingsprogramma voor peuters jarenlang te ontregelen.

Autisme is een verzamelnaam voor een reeks aandoeningen die vrij vaak voorkomt. Dat er dus kinderen bestaan die ingeënd zijn en waarbij later autisme geconstateerd wordt, zegt op zich niets. Er zullen ook veel kinderen zijn die de MMR-prik hebben gehad en gaan roken in hun puberteit. Of die kaal worden na hun dertigste. Dus is er uiterste zorgvuldigheid geëist bij claims als dat A leidt tot B. Dat zouden journalisten moeten begrijpen.

Waarschuwingen tegen dit soort rare hypes zijn er natuurlijk wel. In Nederland hebben bijvoorbeeld Hans van Maanen en Peter Bügel zich met regelmaat tegen onzindelijke wetenschappelijke claims geweerd. In het Verenigd Koninkrijk is het dus de arts en opleider Ben Goldacre, met zijn column in The Guardian.

En hoewel ik van zijn werk geniet, en dit een bijzonder verhelderend boek vond, weet ik tegelijk dat het allemaal tevergeefs is.

Om te begrijpen wat Goldacre stelt, moeten lezers al bereid zijn een wetenschappelijke manier van denken te omarmen. Die manier van denken houdt allereerst in dat het niet uitmaakt of een autoriteit in een witte jas iets zegt, maar slechts of diens uitspraak gestaafd wordt door onderzoek van voldoende kwaliteit.

Maar begrijpen dat wetenschap bedrijven gelijk staat aan een kritische manier van denken — en een zorgvuldige manier van werken en testen — en dat de wetenschap niet een grabbelton is vol absolute waarheden, gaat voor de meesten al te ver.

En de pest is, in de geneeskunde komen zo vaak onverklaarbare verschijnselen voor. De mens kan geestelijk nogal veel invloed op zijn eigen gezondheid uitoefenen. Er bestaat een duidelijk placebo-effect; al is dat er zelden als iemand bijvoorbeeld een arm breekt. Dus kan homeopathie helpen, omdat iemand die een homeopathisch medicijn inneemt, wil dat het werkt.

Om dezelfde reden helpen dure merkmedicijnen beter dan goedkope generieke pillen met dezelfde bestanddelen. We zijn geprogrammeerd om te denken dat we krijgen naar wat we betalen.

Dit boek ontrafelt zulke mechanismen prachtig.

Goldacre is ook heerlijk op dreef, als hij bijvoorbeeld twee typisch Britse mediafenomenen ontmaskert. Zoals poeppeurder Gillian McKeith. Die op de televisie zo met d’r gekochte doctorstitel pronkt, dat zelfs echte doktoren dachten met een collega van doen te hebben. Alleen strookte dat niet met het nogal elementaire gebrek aan kennis over de biologie bij mevrouw McKeith, en de onzin die ze daardoor uitkraamt.

En dan is er ‘professor’ Patrick Holford. Een pillenverkoper die als voedingsdeskundige in alle grote Britse talkshows op televisie meepraat, en ondertussen in pseudogewichtige imponeertaal de meest wilde beweringen doet over de werking van pillen en preparaten. Zijn Vitamine C.-pillen zijn een beter geneesmiddel voor Aids-patiënten dan AZT, bijvoorbeeld.

Al is nog erger dat Holford als een der weinigen voedingsdeskundigen opleidt in het Verenigd Koninkrijk.

En dat wonderpillen niet bestaan.

De ontmaskering van deze mensen is heerlijk om te lezen. Maar ondertussen verdwijnt McKeith niet met schande overladen van de televisie, mag Holford ook overal zijn onzin blijven verkondigen, en worden critici als Goldacre op allerlei manieren juridisch gepest. De advocaten lazen mee met dit boek, zodat de auteur soms zichtbaar terugschrikt om uitspraken te doen die op smaad kunnen lijken.

Nu ja, wie leest er ook nog? En wie is er bereid om na te denken, als er zoveel deskundigen zijn die altijd het beste met ons voor hebben…

* Bad Science heeft een uitgebreide website.

Ben Goldacre, Bad Science
370 pagina’s
Harper Perennial 2009, oorspronkelijk 2008

Viruses, Plagues, & History ~ Michael B.A. Oldstone

Helemaal eerlijk was het niet, toen ik schreef nooit meer boeken op de groei te kopen; dingen aan te schaffen in het besef er nu niet aan toe te zijn, maar later misschien ooit wel. Ik schuim nog immer de bakken af met boeken voor een euro, die boekhandels en antiquariaten buiten zetten. En koop daar altijd titels die mogelijk nut kunnen krijgen. Naslagwerken. Monografieën.

Onder die impulsaankopen was ooit dit boek. En dat stond ongelezen in de kast, omdat raadpleging online, over wat ik nu eigenlijk had aangeschaft, me leerde dat er betere boeken over dit onderwerp zouden zijn.

Dat zal. Ongetwijfeld. Oldstone is te zeer viroloog om zich altijd om het begrip van de lekenlezer te bekommeren. Dit boek bevat deels nogal technische informatie, bijvoorbeeld als het gaat over hoe het immuunsysteem een virus aanvalt — of wat daarbij mis kan gaan, zodat een virus in de mens overleeft.

Die puur technische informatie had ik nodig, na een week waarin media vooral de gevaren hypte van de varkensgriep — die later om politieke correcte redenen weer geen varkensgriep mocht heten, en Influenza A werd — en het nooit ging om wat griep nu eigenlijk inhoudt. Want, gaat het daarbij wel altijd om virusbesmettingen alleen? Veroorzaken bacterieën niet even vrolijk problemen als iemands weerstand eenmaal gebroken is?

Wetenschappelijk begrip is zowiezo nodig om te beseffen waarom sommige virussen — zoals de varianten die voor griep zorgen — nog altijd voorkomen.

Dit boek is opgedeeld in hoofdstukken over twee soorten virussen. Het begint met de virussen die de mens vrij succesvol overwonnen heeft, zoals pokken, en polio, en eindigt met de kwaaiere soorten.

Deels vertelt Oldstone daarbij de wereldgeschiedenis na, maar nu eens gezien vanuit de beslissende betekenis die virussen hadden. Vooral de pokken hebben de historie enkele malen beslissend beïnvloed. Koningen stierven eraan, waardoor hele dynastieën ophielden te bestaan. En de oorspronkelijke inwoners van de Amerika’s hadden er geen weerstand tegen, zodat ze door een legertje van slechts een paar man al te kolonialiseren waren.

Pokken hebben zelfs in 20e eeuw nog 300 miljoen slachtoffers geëist.

Door de Gele koorts dan weer stierven zo veel oorspronkelijke Amerikanen dat er massa’s negerslaven moesten worden ingevoerd; die er meer immuun tegen waren.

Over AIDS in Afrika heeft Oldstone het nog niet eens heel uitgebreid, maar die ellende daar is ook zo wel voor te stellen.

En dankzij de Spaanse griep verloor Duitsland de Eerste Wereldoorlog. Net op een moment dat ze aan het Westelijke front versterking kregen van de troepen die niet meer tegen de Russen hoefden te vechten, waardoor ze vier soldaten tegenover elke geallieerde militair konden stellen.

Was de vraag toch: ben ik door het lezen van dit boek anders gaan denken over alle virologen in media, of de WHO, die al bijna een grieppandemie heeft uitgeroepen?

Ik begrijp hun zorg iets beter, maar vind het nog altijd enorm overtrokken dat er zo veel paniek is gezaaid. Of dat nu alle grieplaboratoria ter wereld non-stop moeten werken aan een vaccin tegen die Mexicaanse varkensgriep. Of dat de leugen geplant is dat een snelle ingreep van de autoriteiten betekent dat alles onder controle blijft.

Big Pharma profiteert ook iets te opzichtig door de enorm gestegen verkoop van symptoomonderdrukkers als Tamiflu.

Er sterven jaarlijks tienduizenden mensen wereldwijd aan de griep. Dat slordige dozijn aan deze nieuwe variant valt daarbij in het niet. Bovendien sterven er vele mensen aan griepvaccinaties.

Omdat influenzavirussen voortkomen uit het contact tussen mensen en dieren, en ook om hoe het immuunsysteem op griep reageert, is er betrekkelijk weinig bescherming tegen influenza mogelijk. Er zullen altijd nieuwe virusvarianten opduiken. Volledige immuniteit bestaat niet — zelfs als iemand een bepaalde griep al gehad heeft, kan die er toch weer slachtoffer van worden.

Preventieve vaccinaties zijn 30% tot 70% effectief om ziekteverschijnselen te verminderen; maar kunnen al evenmin maken dat iemand de griep niet krijgt.

Dit boek gaat ook over het gepiel van wetenschappers om oplossingen te vinden. Over de schaarse doorbraken daarbij. Over de tijd die alles kost te ontdekken, omdat zoiets simpels als een griepje niet zo eenvoudig is als misschien lijkt.

Of in het proza van Oldstone:

In addition to antigenic shift, which signifies major changes in existing viruses, antigenic drift permits slight alterations in viral structure. These follow pinpoint changes (mutations) in amino acids in various antigen domains that relate to immune pressure, leading to selection. For example, the hemagglutinin molecule gradually changes while going antigenic drift. Such mutations allow the virus to escape from attack by antibodies generated during a previous bout of infection. Because these antibodies would ordinarily protect the host by removing the virus, this escape permits the related infection to remain in the population.

With these difficulties of antigenic shift and, drift and animal reservoirs, it is not surprising that making an influenza vaccine as effective as those for smallpox, poliovirus, yellow fever, or measles is difficult to achieve. [185]

Michael B.A. Oldstone, Viruses, Plagues, & History
211 pagina’s
Oxford University press, 1998

Broeder Ezel ~ A.J. Dunning

Er is iets heel dubbels aan het beroep van medicus. En dat komt door het gegeven dat artsen al een stevige status hadden verworven als professionals, voor ze iets konden. Daardoor vallen doktoren nu niet rechtstreeks onder het strafrecht, maar hebben ze een eigen tuchtrecht. Daardoor kunnen ze iedereen uitsluiten van de medische stand die niet de door hen goedgekeurde opleidingen heeft gevolgd.

Tegelijk waren doktoren heel lang vrijwel machteloos tegenover ziekten, en hadden patiënten slechts een goede geneesheer als die hen niet eerder het graf in hielp dan had gehoeven. De nuttigste geneesmiddelen zijn pas in de twintigste eeuw uitgevonden. Maar zelfs basale kennis, zoals dat artsen toch echt zelf ook enige hygiëne in acht moesten nemen voor de behandeling, werd door de beroepsgroep ontstellend lang niet aanvaard.

Met de status van het beroep — en die is bij artsen hoog — komt ook de magie van het beroep. En patiënten hebben zich daar altijd vrij willoos aan overgegeven. Zelfs al betekende dit dat zij zich met bloedzuigers moesten aderlaten, of dat er tabaksrook in hun endeldarm geblazen werd. Bij sommige kwalen is het nu eenmaal zo dat mensen ervan genezen, omdat ze denken genezen te worden.

Al dit maakt het wel weer interessant om een medicus over de pretenties van zijn of haar vak te lezen. Of dit nu de Britse huisarts Ben Goldacre is, die momenteel de ergste uitwassen van de magische geneeskunde bestrijdt. Of dat A.J. Dunning [1930 – 2009] is, die in zijn werkende leven hartspecialist was.

Dunning’s Broeder Ezel — een klassieke metafoor voor het lichaam, van de heilige Franciscus — bleek helaas geen monografie te zijn, maar bestaat uit een reeks essays. Daardoor kwamen sommige onderwerpen uit de medische geschiedenis vrij uitgebreid aan bod, maar ontbrak bijvoorbeeld een inleiding in wat de status van het vak bepaald heeft; zoals ik hierboven in drie halen schetste.

Toch heb ik dit boek wel met plezier gelezen; Dunning wist soms wel heel bizarre geneeskunsten uit het verleden op te rakelen. En hij bleek soms prettig bescheiden over wat zijn beroepsgroep tot stand brengt. Maar ik miste iets als een synthese; een overzicht; terwijl Dunning, omdat hij zichzelf ooit gespecialiseerd heeft, die misschien wel helemaal wenste te geven, uit angst te makkelijk te oordelen.

Dus houd ik twee dingen over aan dit boek. Dunning’s uitspraken over de pretenties van de strijd tegen kanker:

Samenvattend moet worden gezegd dat ons beeld van kanker tot de mythologie behoort. Het is de boeman die ons leven aanvreet, de duivel die wij moeten uitdrijven met man en macht. Dat brengt ons tot militaire grootspraak inzake vorderingen bij het kankeronderzoek, waarbij alsmaar vooruitgang wordt bereikt, een sprookje dat met regelmaat verteld wordt door organisaties die beter moesten weten. [59]

En diens opmerkingen over waar de opleiding in de medicijnen toe leidt:

[…] wij [kweken] technici die een deelgebied tot in hun vingers beheersen, maar hun vak veelal uitoefenen in een maatschappelijk luchtledig en in een noest geloof dat meer beter is. Dat geloof wordt gevaarlijk wanneer wij meer doktoren opleiden dan gezond is en die situatie bestaat nu. Niemand heeft ooit de vaderlandse artsenbehoefte kunnen peilen omdat de welvaart die vraag elastisch maakte. Dat is niet meer het geval en wee de dokter die onvoldoende om handen heeft. Hij schept zich werk, van sportgeneeskunde tot plastische chirurgie, van psychotherapie tot consultatiebureau, van internist voor gezonden tot anesthesist voor chronische klagers. Medische overconsumptie bestaat al in allerlei vormen en het aantal keelamandelen, baarmoeders en galblazen dat in plaats van een haan aan Asklepios wordt geofferd is gigantisch. [267]

Dr. A.J. Dunning, Broeder Ezel
Over het onvermogen in de geneeskunde

269 pagina’s
Meulenhoff, 1981

Ziektemakers ~ Jörg Blech

Het gegeven is me welbekend, en ook hier op boeklog werd al regelmatig gesignaleerd:

dat eenmaal gevormde instituties kunstmatig vraag gaan creëren om hun bestaan te rechtvaardigen, en andere maatregelen nemen om het systeem dat zij vertegenwoordigen te versterken. [bron]

wee de dokter die onvoldoende om handen heeft. Hij schept zich werk, [bron]

[…] het resultaat van de huidige gezondheidszorg is dat er steeds meer zieke mensen bijkomen. Vroeger was iedereen gezond of dood, tegenwoordig heeft een groot gedeelte van de bevolking medische zorg nodig. [bron]

En dan negeer ik nog verschillende andere titels ook. Waarom dan toch weer een boek gelezen dat slechts bevestigd wat ik al weet? Dat ik tegenwoordig slechts gezond ben omdat nog niemand de goede diagnose van mijn kwalen heeft gemaakt?

Het eenvoudige antwoord luidt: omdat de werkelijkheid altijd nog erger is dan ik vrees.

Het wat gecompliceerdere antwoord luidt: bedachte griezelverhalen doen me niets. Ontleed zien worden hoe corrupt de werkelijkheid in elkaar zit, maakt juist wel indruk. Zelfs al is me de uitkomst van de sectie bij voorbaat bekend.

Jörg Blech is een Duitse wetenschapsjournalist, en schrijft derhalve over de toestand in Duitsland. Waar de pillenfabrikanten nog net iets meer invloed schijnen te hebben op wat doktoren aan ziektes herkennen, dan elders.

Tegelijk wijst de Nederlandse arts Ivan Wolffers er in het nawoord op, dat ook Duitsland zo zijn medische problemen kent, die nergens anders ter wereld bestaan. Duitsers kunnen aan ‘Kreislaufswachheit’ lijden. En Blech meldt daar niets over. Terwijl hij wel kritisch is over het bestaan van het ‘irritable bowel syndrome’; dat alleen in Anglosaksische landen voorkomt.

Fransen kennen dan weer de elders onbekende ‘crise hépatique’; waarvoor velen behandeling krijgen.

Ik moet daar om lachen, maar dat is ook om niet te hoeven huilen.

Ondertussen blijft het percentage van het Bruto Binnenlands Product dat aan zorg wordt besteed van jaar tot jaar stijgen. Ondertussen heeft Big Pharma ontdekt hoe profijtelijk het is om pillen te slijten voor kwalen die nog niet bestonden voor de pil was gemaakt. En anders zijn het wel kunstmatig verrijkte etenswaren. Een correctie op deze ontwikkelingen lijkt onmogelijk te zijn.

Houd ik dan nog iets speciaals over aan De ziektemakers? Ja, toch wel. Omdat Blech voor mij eeuwig alle gezeur over cholesterol verdacht heeft gemaakt — ik wist niet dat mijn hersenen voor 15%-20% uit cholesterol bestaan.

En toch ook Blech’s cynische conclusie dat de vrouw biologisch gezien zo ingewikkeld in elkaar zit — met die wisselende hormoonspiegels in de loop van de maand — dat de medische wetenschap werkelijk nog altijd weinig beter lijkt te kunnen, dan om haar alvast maar geheel ziek te verklaren.

Prutsers.

Jörg Blech, De ziektemakers
Hoe wij tot patiënt gemaakt worden

191 pagina’s
Wereldbibliotheek, 2005
vertaling van Die Krankheitserfinder, 2003

Onverklaarbaar bewoond ~ Bert Keizer

Onwillekeurig riep dit boek herinneringen op aan de roman Het refrein is Hein. Of eigenlijk is dat al zo bij elk boek van Bert Keizer, omdat ik hoop dat hij die prestatie nog eens herhaalt.

Onverklaarbaar bewoond mist alleen iets, ten opzichte van dat vroege meesterwerk. Hoe goed de beide boeken verder ook te vergelijken zijn. Noem het humor, noem het lucht. Noem het overzicht.

Wat Het refrein is Hein zo prachtig maakte was het evenwicht. Want ja, voor buitenstaanders was het nogal grimmig wat er allemaal plaatsvindt in een verpleegtehuis; die stille laatste halte voor de dood. Maar Keizer had al even in die omstandigheden verkeerd, voor hij aan zijn boek begon. Als hij niet had kunnen relativeren, was het werk daar nooit vol te houden geweest.

In Onverklaarbaar bewoond is Keizer een indringer, die even in een andere wereld kijken mag, en uiteindelijk toch buitenstaander blijft. Hij liep een tijd mee, als toeschouwer, op de afdeling neurochirurgie van het Academisch Medisch Centrum van de Vrije Universiteit [VUMC] in Amsterdam.

Waarom nu per se daar, op die afdeling? Als Keizer dat aan de daar werkzame artsen moest uitleggen, begrepen zij hem niet echt. Terwijl het voor hem toch zo duidelijk was. Wie iets in of aan zijn hersenen oploopt, loopt daarbij ook het gevaar op een andere manier gekwetst te worden. Anders dan bij een beenbreuk, of ander probleem elders in het lichaam. Bert Keizer gebruikt daarbij dan nog het woord ‘ziel’, als de gebruikelijke steno, voor wat er dan aangetast kan raken. En misschien is dat het dan wel wat op onbegrip stuit.

De medici vinden het juist een nogal beperkt vak.

Want Keizer beschrijft in het boek ook vooral een technocratie, met artsen die alle hulpmiddelen hebben om diagnoses te stellen, en vervolgens iets te doen. Of juist niet. Maar wat kunnen ze dan precies?

Over neurochirurgie zei Gorter van Wagendonk: ‘Je kunt het een aap leren’

‘Maar alleen chimpansees hoor,’ sust Suzanne, ‘bavianen kunnen het echt niet.’

Over snijvaardigheid zegt Kees: ‘Het is als het pellen van een sinaasappel. De ene gaat moeiteloos, schil laat lekker los, partjes vallen makkelijk uiteen, maar de volgende is een en al probleem. Of je nou wilt of niet, je trekt alles stuk. Technisch moet je zo ver zien te komen dat je ze allemaal even keurig pelt’ [199]

Reparaties aan een beschadigd ruggenmerg zijn ook Keizer te eenvoudig, en worden daarom genegeerd. Die behelzen immers weinig meer dan basale werktuigbouw, van een stel kabels die in hun buis ongehinderd moeten kunnen werken.

Alle eerbied gaat in het boek uit naar de hersenen. Dat onbegrijpelijke ding van ruim een kilo, in die schedel.

Zo veel eerbied is er zelfs dat Keizer blijft schrikken van de manier waarop hersenoperaties plaatsvinden. Hij kan niet wennen aan het geluid waarmee het zaagje een luikje in de schedel maakt. Hij vindt het verschrikkelijk als een patiënt tekenen van leven geeft tijdens de ingreep. En dat een chirurg dan bijvoorbeeld laconiek ijswater op de hersenen kan spuiten om weer rust te krijgen.

En ondertussen realiseert hij zich tot welke gewoonten zijn eigen beroep hem gedwongen heeft. Omdat hij weet niet zo veel te kunnen doen voor zijn patiënten, dan ze bij staan of te trachten om hun pijn te verlichten.

feit blijft dat ik als verpleeghuisarts vaak bij een patiënt sta met pijn, angst, benauwdheid, zwelling, koorts, bloedverlies, roodheid enzovoort als een voorbijganger tegenover een huis waar hij niet in kan, terwijl zich binnen mogelijk allerlei akeligs afspeelt. Je hoort een kreet, een slag, geratel of gepiep, maar het blijft gissen naar wat er nou echt gebeurt daarbinnen.

Hier kunnen ze dan wel het huis binnen. En dikwijls weinig uitrichten, behalve uitstel regelen bij de meeste tumoren. [119]

In het laatste hoofdstuk van dit boek gaat Keizer langs bij twee patiënten die hij in het VUMC heeft meegemaakt. Beide mochten nog even wat langer doorleven. Al is éen zich daar bewuster van dan de ander, wat de beperking verlicht dat er nu altijd een looprek nodig is.

En het is mooi dat hij even die moeite nam zich om deze mensen te bekommeren.

Tegelijk had ik bij dit boek steeds het gevoel een ongeluk mee te maken. Maar, wat was dat ongeluk dan?

Bert Keizer, Onverklaarbaar bewoond
Het wonderlijke domein van de hersenen

269 pagina’s
Uitgeverij Balans & VU Uitgeverij, 2010

Pest in de geschiedenis ~ William H. McNeill

Voor de zestiende eeuw kwam de ziekte malaria niet voor de Amerika’s. En nu deze plaag daar wel is, wordt die op minder manieren verspreid dan in Europa, Azië en Afrika; wat nog een extra evolutionair bewijs is dat het probleem daar niet ontstaan kan zijn.

En zo waren er veel meer ziekten die in Europa en Azië hoogstens een tijdelijke plaag waren, of alleen de kinderen troffen, en in Zuid-Amerika ongenadig hard toesloegen. Naar schatting bleef slechts 1 op de 20 tot 25 oorspronkelijke inwoners in leven, nadat er contact kwam met de Europeanen; sinds Columbus.

Ook ik leerde tijdens de traditionele geschiedenisles nog net dat de Europeanen de Amerika’s konden veroveren met hulp van de ziekten die met hun meekwamen. Dat de Europeanen immuun waren, was een gegeven. En getallen werden al evenmin niet genoemd.

Maar zulke lacunes in kennis vallen pas op bij het lezen van een boek als Plagues and people, van de Canadese historicus William H. McNeill. Bij hem doen er, prettig genoeg, redelijk toevallige details niet toe, als wie wanneer wat veroverde. Bij hem gaat het om de constanten in de geschiedenis.

Waar kwam een plaag als de pest weg, bijvoorbeeld? En wat was er nodig om de ziekte zo veel mensen te laten doden?

Want, alleen een dodelijk virus, of een fataal uitpakkende bacterie, volstaat nog niet.

De macht van de Griekse stadstaat Athene werd gebroken door een dodelijke koorts, zo leert McNeill me. Maar eerder of later in de geschiedenis lijkt dezelfde koorts nergens op te treden. En dan geldt ook: als een ziekte iedereen dood maakt die er aan lijdt, is er niets of niemand meer over om de plaag verder te verspreiden.

En bij de pest waren het de zwarte ratten, en hun vlooien, die aan de verspreiding bijdroegen.

In Europa waren dan weer de huizen zo weinig schoon dat zulk ongedierte er in kon overleven. McNeill verklaart het wegebben van pestepidemieën na de zestiende eeuw mede door de toegenomen hygiëne. De huizen kregen glazen ruiten; daardoor werd de vuiligheid binnen zichtbaar, en verwijderd.

Veel van de plagen die de mensheid troffen, kwamen tot ons via een tussengastheer. De variant van de pokken die tot en met de twintigste eeuw zo dodelijk was, bereikte ons waarschijnlijk via een kameel. De pestbacil kwam de wereld in via marmotten, en hun vlooien, die dan weer andere kleine knaagdieren besmetten.

In Amerika ontbreken de meeste van zulke tussengastheren. Vandaar dat het zo veel ziekten nog niet kende, tot Columbus hun kant op kwam. Tegelijk waren er wel zulke bevolkingsconcentraties dat een enkele plaag er fataal kon toeslaan.

En mede door al die beesten, in de omgeving van de mens, zullen er nieuwe ziekten blijven ontstaan, en zullen fatale kwalen de wereld blijven kwellen, zo schreef McNeill.

Toen hij die conclusie verwoordde, was AIDS nog niet eens bekend.

En goed, de soesa die er nu gemaakt wordt bij elk willekeurige griepvariant die te zeer afwijkt van de standaard, is weer een andere uiterste.

Maar dankbaar ben ik voor boeken als deze uitgave. Dankbaar omdat de oppervlakkigheid van de doorsnee evenementiële geschiedenis er zo duidelijk mee wordt aangetoond. Of anders is het wel de immer zo Westers-geöriënteerde positie van zulke geschiedenisboeken.

We kunnen wel druk doen over de uitvinding van het pokkenvaccin, bijvoorbeeld — en geschiedenisboeken genoeg waarin de introductie daarvan nog groot gebracht wordt. Moslimculturen, en de Chinezen, kenden zoiets toen al eeuwen.

William H. McNeill, De pest in de geschiedenis
372 pagina’s
De Arbeiderspers, 1986
vertaling door Tinke Davids van: Plagues and peoples, 1976

Ghost Map ~ Steven Johnson

Karel van het Reve sprak er eens met bewondering over. Hoe knap het was dat iemand de grote cholera-epidemie van 1854 in Londen had weten te herleiden tot de besmetting van een waterbron. Want, voor wie dat verband tussen besmet water en cholera eenmaal kent, lijkt het allemaal zo simpel. Maar kies zonder deze kennis uit alles wat een dodelijke ziekte verspreiden kan maar eens het juiste medium.

The Ghost Map van Steven Johnson is het verhaal van die wetenschapper, en zijn speurtocht naar die verdachte waterbron.

En daarmee is het ook een verhaal over gevestigde belangen, die onderzoeksresultaten bagatelliseren. Of de onderzoeker verdacht maken.

Want, weliswaar vond de medicus John Snow de besmette pomp al gauw. Hij had ook al een tijd de theorie dat besmet water een rol speelde bij cholera. Vervolgens werden zijn onderzoeksresultaten jaren genegeerd. De vigerende theorie was namelijk dat ziekten verspreid werden door vieze lucht. Zelfs al waren de mensen die dagelijks met grote stank in aanraking kwamen, als de doodgravers, de beerputlegers, of de rioolwerkers doorgaans opmerkelijk gezond.

Pas in 1858 toen de Theems zo walgelijk stonk dat het vergaderen in het Britse parlement vrijwel onmogelijk was geworden, werd het mogelijk te twijfelen aan de theorie van de slechte lucht. Omdat er niet meer mensen doodgegaan waren dan normaal, ondanks de ‘Big Stink’.

Dus verwijt Johnson terloops de eigenaren van de waterbedrijven dat deze te lang de autoriteiten beïnvloed hebben niet over de kwaliteit van water na te denken.

Grote delen van het verhaal dat op The Ghost Map volgt, zijn algemeen bekend. Toen eenmaal duidelijk was beerputten niet gezond waren, en drinkwater zo zuiver mogelijk moest blijven, werd met de riolering onder Londen begonnen. De bouw daarvan is een wonder, dus dat verhaal wordt veel vaker verteld.

Daarom vreesde ik vooraf ook een voorspelbaar boek te lezen te krijgen. En dat was dit toch niet.

Verbluffend bleek bijvoorbeeld de rijkdom van het historische materiaal te zijn. Door de onderzoeken uit die tijd is na te gaan dat de besmetting met cholera begon, nadat een baby de ziekte opliep, en de moeder van het kind het waswater van de poepluiers in de beerput bij haar huis gooide. Die beerput lekte. Naar een bron. En toevallig was de pomp die uit deze bron putte een heel populaire bron, vanwege het frisse water.

Goed is ook wat Johnson aandraagt over de manier van denken uit de tijd, en waarom dr. John Snow zo’n bijzondere wetenschapper was — doordat hij methodisch werkte in een tijd waarin men nog niet aan wetenschappelijke bewijzen deed.

En zoals altijd met dit soort verhalen denk ik: hoe zouden mensen over honderdvijftig jaar kijken naar al wat wij voor waar aannemen?

Steven Johnson, The Ghost Map
The Story of London’s Most Terrifying Epidemic–
and How It Changed Science, Cities, and the Modern World

320 pagina’s
Riverhead, 2007

Breakdown ~ Stuart Sutherland

Misschien is het niet helemaal eerlijk om een boek uit 1976 te lezen, over de stand van zaken in de geestelijke gezondheidszorg. Breakdown werd nadien ook meermaals herzien. Waarvoor de uitvinding van geneesmiddelen als Prozac dan weer verantwoordelijk was, omdat die zulke nuttige effecten leken te hebben, bij zware depressies tenminste. Terwijl Sutherland het in 1976 nog geen moment had over pillen als geneesmiddel bij geestelijk lijden.

En toch.

Breakdown wil twee dingen doen; waarbij beide boekdelen een commentaar op elkaar leveren.

Stuart Sutherland besteedde de eerste tachtig pagina’s aan het beschrijven van zijn eigen depressie. Wat om meerdere redenen interessant is. Sutherland [1927 – 1998] was een gerenommeerd psycholoog, wat hem een iets groter inzicht dan gemiddeld geeft in wat normaal gedrag is. Ten tweede was hij niets ontziend eerlijk over zijn crises, de opnames in een psychiatrisch ziekenhuis, en de kwaliteit van de hulp die hij ontving. Bovendien kon hij schrijven.

Zijn behandeling begon alleen wel met uren psychotherapie door een Freudiaan. Dat sloeg niet zo aan.

Toch wijdde Sutherland vervolgens nog drie hoofdstukken vol eerbied over Freud in het tweede boekgedeelte over de medische stand van zaken in de strijd tegen gekten dan. Hij begint dat boekdeel daar zelfs mee. Want Freud, die godheid, had toch maar mooi gesignaleerd dat er van alles in ons gebeurt waar we ons niet van bewust zijn.

Nu goed, helemaal genezen was hij nog niet op het moment van schrijven — als genezing van depressie ooit al mogelijk is.

Dus was het waarschijnlijk de juiste keuze voor mij om de versie van Breakdown uit de jaren zeventig te lezen. Want, misschien dat de behandelmethoden voor gekten inmiddels beter, maar het zou me evenmin verbazen als we nog net zo blind rondtasten als toen. Punt is alleen: van wat ze nu aan behandelmethoden proberen, is pas over 35 jaar te zeggen wat er onzinnig aan was, en wat niet.

Over deze versie van Breakdown is te zeggen dat die om meer dan éen reden de lezer met stomheid zal slaan.

Stuart Sutherland, Breakdown
A personal crisis and a medical dilemma

276 pagina’s
Weidenfeld and Nicholson, 1976

Wilful blindness ~ Margaret Heffernan

Neem geen Röntgenfoto van een zwangere vrouw. De miniemste dosis Röntgenstraling maakt de kans dat het kind later leukemie ontwikkelt onaanvaardbaar veel groter. Dit stond al in 1956 in een wetenschappelijk artikel. Toch zou het meer dan vijfentwintig jaar duren voordat de NHS in Groot-Brittannië de simpele regel invoerde. In de tussentijd werden nog miljoenen zwangere vrouwen met straling bestookt.

Hoe kwam het dan dat de duidelijke en onderbouwde waarschuwing voor de hoge risico’s van straling bij zwangerschappen zo lang genegeerd werd?

Margaret Heffernan beschrijft in Wilful Blindness wat maakt dat wij ziende blind kunnen zijn. Daarbij biedt het boek weliswaar pop-sci. Alleen is deze van de soort die mij zeer intrigeert. Omdat hiervoor redelijk harde kennis uit de psychologie wordt gebruikt — zij het dat deze psychologie leunt nog altijd leunt op een erg beperkt tal fundamentele onderzoeken; die ik inmiddels wel ken. Zo’n uitgave moet met voldoende nieuwe voorbeelden komen, wil het boek me boeien.

En dit gebeurde.

Want ik kende het verhaal dus bijvoorbeeld niet over Alice Stewart [1906 — 2002] en haar onderzoek naar leukemie bij jonge kinderen. Anders dan bijvoorbeeld het verhaal over de arts Semmelweis, en de zegeningen van het handenwassen bij de geneeskunst. Of het gegeven dat decennialang niemand wilde geloven dat maagzweren door een bacterie worden veroorzaakt

Alice Stewart had ook veel tegen toen ze haar boodschap bracht. Artsen vonden het maken van Röntgenfoto’s een veel te handig middel bij de diagnose om zo maar op te geven. En Alice Stewart was evenmin al een toonaangevend onderzoeker. Tegen haar werkte zelfs dat ze een gescheiden vrouw was, met kinderen.

Bovendien sprak een wetenschapper van naam zich hard tegen haar onderzoeksresultaten uit, zonder zich daarbij op ook maar iets te baseren dan zijn intuïtie. Terwijl zijn inzicht dus niet klopte.

En in de geneeskunde maakt hardleersheid bij de beoefenaren meteen onschuldige slachtoffers. Wat dit betreft, ben ik zeer gevoelig voor verhalen over de beroepsblindheid in dat vakgebied. Laat staan voor machtsmisbruik, of het tegen alle gezond verstand in verdedigen van gevestigde belangen.

Maar de studie medicijnen leidt allereerst op tot gehoorzaamheid aan hiërarchie, en de meest succesvolle geneeskunde-studenten zijn veel eerder ‘pleasers’ dan kritische denkers. Goed beschouwd is alleen dat al een groot gevaar voor de volksgezondheid.

Enfin. Overal wordt er bewust weggekeken van de feiten. Of dat nu in de politiek is — hoeveel kost die zo merkwaardig heilige hypotheekaftrek niet — of dat nu in het dagelijks leven is, voor elk van ons.

Heffernan bespreekt fouten uit vele gebieden. En ze weet ook absoluut een aantal mechanismen te benoemen die maken waardoor blindheid optreedt. Iedere lezer kent ook bijvoorbeeld wel de struisvogeltactiek om de kop in het zand te steken, en alle invloeden van buiten te negeren.

Alleen vind ik haar wat optimistisch in haar laatste hoofdstuk, waarin ze stelt dat het iedereen mogelijk is om beter te kunnen zien. Wellicht geldt daarbij dat een auteur zijn of haar publiek op meer dan éen manier vleien moet.

Nadenken en eeuwig blijven nadenken, is alleen bijna niemand gegeven. Enkel al omdat dit inspanning vergt. En intelligentie. En moed. Wie durft het om telkens terug te komen op eerder ingenomen standpunten? Wie durft er de klokkenluider te zijn bij misverstanden, in de wetenschap dat de boodschappers het gauw eens gedaan hebben? Wie kijkt niet weg als het landskabinet uit oorlogsmisdadigers blijkt te bestaan?

Dat bewust blind kunnen zijn een universele karaktertrek is, lijkt me ook simpel te zien aan de blijvende populariteit van religies overal — die allen vooral de pijnlijke angel van de twijfel wegnemen; om daar zekerheden voor in de plaats te geven.

Maar over religie gaat dit boek geen tel.

Wilful Blindness is dan ook zeker niet compleet. Misschien dat de inhoud van het boek nog niet eens éen hoofdstuk zou zijn in een ideale Encyclopedie van de domheid.

Het boek zette mij wel tot denken aan.

Margaret Heffernan, Wilful Blindness
Why We Ignore the Obvious at Our Peril

391 pagina’s
Simon & Schuster 2012, oorspronkelijk 2011

Hoofdsom der psychiatrie ~ P.C. Kuiper

Misschien is het overdreven om Ver heen een relativerende voetnoot te noemen bij de leerboeken die de psychiater Piet Kuiper eerder schreef. Wel valt op dat in de autobiografie vraagtekens staan bij de gebruikelijke inzichten van zijn vakgebied.

Het grootste vraagteken lijkt mij dan dat Kuiper werd opgenomen in zijn eigen kliniek, en daar toen niet adequaat kon worden geholpen.

Ook beschrijft Kuiper in Ver heen een pijnlijke lezing, waarin hij moest terugkomen op zijn eerder wat ongelukkig geformuleerde ideeën over homosexualiteit — tot betrekkelijk kort geleden volgens alle handboeken immers nog een ziekelijke afwijking.

Weer anderen verweten hem in het leerboek Hoofdsom der psychiatrie ten onrechte geen aandacht te hebben gegeven aan enkele nieuwe klassen van medicijnen.

Verder is dit lesboek gelaakt omdat daarin het bestaan van de DSM werd genegeerd — de Amerikaanse Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, die mede werd ingevoerd vanwege de spraakverwarring internationaal in het vak. Welke geestesziekten er zijn, en hoe deze heten, verschilde per land tot dan. Depressie of psychose was overal iets anders.

Bij het lezen van Hoofdsom der psychiatrie wist ik dus al wat er op aan te merken was.

En misschien doet ik zonder deze voorkennis zelf ook nog wel ontdekt had dat een standaardwerk als de DSM geen éen keer genoemd wordt. Zo viel mij op dat termen als ‘neurotransmitter’ ontbreken, en andere aanduidingen voor wat in het brein chemisch plaatsvindt, die dertig jaar later toch al gezonken cultuurgoed zijn geworden.

Tegelijk is het onnozel om te pretenderen fundamentele kritiek te kunnen hebben op een boek dat nooit voor mij bedoeld was. Ik kocht het weliswaar, voor bijna niets, als afgeschreven bibliotheek-exemplaar — maar dat het in mijn bezit is, komt enkel door toeval.

Wel is me duidelijk wat voor soort kennis dit boek wil doorgeven.

Dit komt omdat ik bijvoorbeeld weet hoe een ingenieursstudie in elkaar steekt. De meeste ingenieurs zijn namelijk enkel bezig om algemeen bekende inzichten praktisch toe te passen. Wetenschap is het daardoor nooit wat zij bedrijven. Wetenschap wordt door anderen gedaan, die de nuttig bruikbare kennis aanleveren.

Ook doktoren lijken me allereerst de praktische toepassers van andermans inzichten. Loodgieters met almachtspretenties heb ik ze elders wel genoemd. Wat mede komt omdat zo veel geneeskunde allereerst uit symptoombestrijding bestaat — waardoor kwalen ontstaan, is namelijk vaak onduidelijk. Als er oorzaken weggenomen worden, is dat zeker zo vaak toeval of natuurlijke genezing als een bewuste ingreep van buiten.

Kuiper wist nog niet dat maagzweren van een bacterie komen — hij ziet in zijn leerboek stress als de oorzaak.

Hoofdsom der psychiatrie is in opzet ook goed vergelijkbaar met een praktisch handboek voor loodgieters; om die vergelijking nog eens aan te halen. Al zullen er hopelijk in de leerboeken voor loodgieters wel plaatjes en schema’s staan.

Een voornaam verschil tussen psychiaters en de andere medisch specialisten is dan weer dat in de psychiatrie blijvend het vertrouwen van de patiënt gewonnen moet worden. Het elders onder vooral de mannelijke specialisten zo gebruikelijke imponeergedrag werkt niet. Veel aandacht biedt Hoofdsom der psychiatrie daarom aan het gesprek. Ook al omdat Kuiper ruim aandacht schenken moest aan de klassieke psychotherapie, waarin het gesprek de voornaamste behandelmethode was.

En daardoor ging ik me van de weeromstuit afvragen hoe zo’n boek als dit getentamineerd werd.

Bij sommige hoofdstukken leek me dat simpel. Van de psychofarmaca gaf Kuiper niet alleen de namen, en de toepassingen, maar ook de doses, en de bijverschijnselen. Maar de stukken over die geneesmiddelen zijn de weinige hoofdstukken met echt gemeten kennis in het boek — en dan zullen de namen van de pillen en poeders en hun samenstelling inmiddels helemaal anders zijn.

Hoofdsom der psychiatrie liet me vooral zien dat dit vak waarschijnlijk vooral in de praktijk geleerd moet worden. En dan zullen veel van de vuistregels die Kuiper gaf vast nog opgaan.

Zeker is hoogstens dat niemand in het métier tegenwoordig nog termen als ‘debiel’ en ‘idioot’ gebruikt voor mensen met een verstandelijke beperking, zoals in dit boek nog onbekommerd gebeurt.

Prof. Dr. P.C. Kuiper, Hoofdsom der psychiatrie
392 pagina’s
Bijleveld 1985, oorspronkelijk 1973

Mens als speelgoed ~ R.H. van den Hoofdakker

Ook de hoogleraar psychiatrie Van den Hoofdakker belandde ooit als patiënt in zijn eigen kliniek. Net als zijn collega Piet Kuiper. Ik vond dat toeval groot genoeg om er toch even verder onderzoek naar te doen. Mede omdat Kuiper er eigenlijk niet over schreef hoe hij onder bekenden behandeld was als patiënt.

Serieel lezen, zoals boeklog deze week toont, biedt ook altijd wat extra’s. Naast de inhoud van het ene boek staat er dan wat dat andere boek vertelt. Soms vult dit elkaar heel mooi aan. Even zo vaak ook maakt de ene tekst duidelijk wat mist in de andere.

Van den Hoofdakker [1934 — 2012] — die beter bekend zal zijn onder zijn dichtersnaam Rutger Kopland — raakte in de war na een auto-ongeluk. Hij reed tegen een boom, nadat hij onwel werd; waarschijnlijk door een hartaanval. Blijvende schade van dit ongeval was dat zijn geheugen sterk verminderde, en dat hij snel vermoeid raakte. Het verblijf op de gesloten afdeling van het UMCG was tijdelijk, zo blijkt uit een interview [pdf]. [via] Maar hij was thuis simpelweg even niet te handhaven.

Hem kwelden als patiënt vooral onverklaarbare angsten ’s nachts — en waarschijnlijk ook een lichte depressie, naast zijn verwarring. En wat dit betreft, is het jammer dat zo’n interview niet ingaat op wat maakte dat Van den Hoofdakker uiteindelijk verlichting vond.

Want, in zijn werkzame leven had hij hierover ideeën volop. Zij het dat hij als hoogleraar biologische psychiatrie, met als specialisatie depressie, in het publiek vooral zijn best lijkt te hebben gedaan om modieuze tendensen te ontkrachten. Al was juist hij dan weer sterk voor herintroductie van de elektroshock als behandelmethode voor patiënten die niet op therapie reageerden.

De mens als speelgoed is een verzamelbundel met werk dat dateert uit verschillende decennia — wat komt omdat er ook opstellen uit oudere bundels in staan opgenomen. ‘Het bolwerk van de beterweters’ was zelfs ooit de titel van een heel boek. Verder bevat deze bundel het script van een documentaire.

In het meest recente stuk, ‘De mens als speelgoed’, richt hij zich vooral tegen de zegeningen die Prozac zouden brengen bij de behandeling van depressie. Daar werd volgens hem veel te kritiekloos over gedacht. Door patiënten zowel als doctoren. Menselijk gedrag gelijkstellen aan hoe moleculen in de hersenen zich gedragen, is een mens tot een speelgoedautootje maken waarvan de radertjes niet meer werken.

En de tijd heeft Van den Hoofdakker ondertussen gelijk gegeven. Prozac werd veel te snel voorgeschreven. Betwijfeld wordt inmiddels zelfs of het middel wel positief werkt bij depressie. Zeker is hoogstens dat geneesmiddelen van die aard stevige bijverschijnselen kunnen hebben, zoals diepe depressie — onder Prozac-slikkers kwam bovenmatig veel zelfmoord voor.

Maar ondertussen blijft het mechanische denken over zaken als gedrag, en daarmee ook afwijkend gedrag, onverminderd populair. Een hersensnijder als Dick Swaab scoorde onlangs nog een bestseller met de titel Wij zijn ons brein. En gelukkig zijn er ook nu weer tegenstemmen die kritisch opmerken dat het zo simpel allemaal niet is; zoals van een Bert Keizer.

Van den Hoofdakker weerde zich in de jaren zeventig al tegen de ergste uitwassen van de anti-psychiatrie, volgens De mens als speelgoed. En vrijwel steeds blijkt dat zijn weerleggingen erop neer komen dat de ander een te simpele blijde boodschap uitdraagt.

Onpopulairder standpunt kun je niet hebben. Als auteur al niet, laat staan als autoriteit.

Een succesvolle behandeling bestond voor Van den Hoofdakker én uit het geven van medicijnen, indien nodig, en het bieden van therapie. Alleen was hij er niet blind voor dat ook de omgeving voortdurend negatief op iemand kon inwerken, en ook dat effect zal hebben. En zonder dat dit zo uitgesproken werd, zit in zo’n constatering natuurlijk wel de machteloosheid van de ingehuurde geneesheer.

R.H. van den Hoofdakker, De mens als speelgoed
191 pagina’s
Bohn Stafleu Van Logchum, 1995

Waar blijft de ziel? ~ Bert Keizer

Geen onpopulairder boodschap dan de mededeling: jullie kunnen je bewering nooit staven — want daarvoor schiet onze kennis domweg te kort.

Mensen die relativeren zijn ongeveer even populair als klokkenluiders, of als het kind dat zo terecht gelyncht werd toen het waagde op te merken dat de keizer helemaal geen kleren droeg. Blijkbaar zit de menselijke psyche zo in elkaar dat we liever geloven dat autoriteiten het goede nastreven; de waarheid in pacht hebben; en ons aller belang daarbij voorop stellen.

Anders zouden die autoriteiten toch zeker wel steviger kritiek ontmoeten ook?

Bert Keizer deelt harde kritiek uit in Waar blijft de ziel? — dat in 2012 actieboek was voor de Maand van de filosofie. Hij valt daarin de vrij eenvoudige visie aan die de neurosofie uitdraagt. Dat is de leer die plotseling opkwam sinds het mogelijk is om met scans in de hersenen van levende mensen te kijken, en daar activiteit in waar te nemen.

Voornaamste profeet van dit neuroreductionisme is in Nederland Dick Swaab. Een onderzoeker is dat, die voorheen slechts in hersenen sneed van mensen die al dood waren. En die volgens Bert Keizer op basis van vooral die kennis, en de bijbehorende autoriteit, er veel te stellige oordelen op nahoudt over alle gebieden waarvoor Swaab niet heeft doorgeleerd.

Wij zijn ons brein luidt de titel van de bestseller die Swaab uitbracht in 2010. Een programma van vier luttele woorden is dat waar Keizer zich uit alle macht tegen keert in zijn boek; omdat dit een verkeerd frame laat ontstaan, en omdat Swaab ook met zijn stelling nogal wat helemaal niet kan verklaren.

Voor Keizer is daarbij een uitspraak van zijn intellectuele held, Ludwig Wittgenstein, de meest indrukwekkende relativering.

Het menselijke lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.

In het boek houdt Keizer er overigens liever nog een driedeling op na — lichaam, geest, en omgeving — om aan te geven wat bepaalt wie wij zijn.

En van mij had Bert Keizer best wat meer harde medische kennis tegenover de neurosofie mogen stellen. Zo wordt bijvoorbeeld almaar duidelijker dat onze darmflora grote invloed heeft op ons welbevinden, en zelfs op zaken als overgewicht. Die flora bestaat uit bacteriën — een kilo of vier aan vreemd bezoek bij een gezonde volwassene — en is toch bijna als een tweede brein te zien; voor wie graag reduceren wil. Een extern brein dan nog bovendien.

Belangrijkste boodschap van Bert Keizer in dit boek luidt wat mij betreft dezelfde als hij al uitdroeg in zijn eerste boek, Het refrein is Hein. Het is nogal mager gesteld met het onderdeel zorg in de gezondheidszorg. De middelen en methoden om diagnoses te stellen worden steeds verfijnder. Technisch kan er ook wel wat meer in de chirurgie. Maar te vaak bestaat de geneeskunde nog altijd uit het enkel wegnemen van symptomen — zonder dat duidelijk is wat er nu precies ten grondslag ligt aan de kwaal.

De populariteit van neurosofie heeft vooral kwalijke gevolgen in de geestelijke gezondheidszorg. Om niet te zeggen dat het gevaarlijk en dom is om een mens te reduceren tot een stel hersenen in chemische onbalans, voor wie allereerst medicijnen baat kunnen brengen.

Het psychofarmacologisch arsenaal bevat wel degelijk effectieve pillen: antipsychotica, angstremmers en sommige middelen tegen bipolaire stoornis. Maar er is geen wetenschappelijk kader waarbinnen hersenstoornissen eenduidig gecorreleerd blijken aan specifieke psychische nood. Psychose, depressie, bipolaire stoornis, borderline-syndroom, ADHD, autisme e.v.a. zijn (nog) niet te herleiden tot een anatomische grondslag, Men doet echter alsof dit wel het geval is en het meest groteske gevolg daarvan is dat 950.000 Nederlanders antidepressiva slikken. Dat krijg je ervan als er geen empirische wal is die het pillenschip keert. In mijn dagelijks werk heb ik veel te maken met psychiatrische patiënten. De ernstige ijver waarmee psychiaters hen volproppen met angstremmers, antipsychotica, antidepressiva en anti-epileptica, niet zelden in persoonlijk verzonnen combinaties, contrasteert pijnlijk met de vastbeslotenheid waarmee ze de langdurige ontmoeting met deze mensen uit de weg gaan. [84]

Maar de simpele constatering alleen al dat dezelfde kritische visie op de gezondheidszorg al twintig jaar lang te geven is, toont dat Keizer’s ideeën niet populair zijn.

Bert Keizer, Waar blijft de ziel?
148 pagina’s
Maand van de filosofie, 2012

Bad Pharma ~ Ben Goldacre

Heel wat gretiger was ik om Bad Pharma van Ben Goldacre te hebben, dan om het te lezen. Zijn Bad Science-website en de latere uitgave met dezelfde titel hadden me tot fan gemaakt. Dus tekende ik al in op een aankoop voor zijn nieuwe boek verschijnen zou.

Alleen brak er online al een discussie over de inhoud los voor Bad Pharma uitkwam, die het boek ineens tot een al bekende verzameling kennis leek te maken.

Zo ging een deel van deze felle discussie over nogal bekend terrein. Die was in Nederland ook al gevoerd over Diederik Stapel, en alle mogelijkheden die er bestaan voor onderzoekers om fraude te plegen in de presentatie van hun onderzoeksresultaten.

En goed, dan vernietigde Stapel slechts de academische loopbaan van zijn promovendi; zo niet hun werkende leven. En dan is over de farmaceutische industrie, met zijn $ 600 mrd omzet op jaarbasis, te zeggen dat onderzoeksfraude daar toch echt mensenlevens kan kosten. Maar de enige tactiek die de pillenfabrikanten toepassen die frauduleuze wetenschappers nog niet hebben bedacht, is het geheel bekostigen van wetenschappelijk lijkende tijdschriften — om daarin zogenaamd onafhankelijke onderzoeksresultaten te publiceren.

Reed-Elsevier, toch ooit deels Nederlandse trots, laat zich door Big Pharma betalen door meerdere van dergelijk schertstijdschriften uit te geven. Disclaimers hierover ontbreken in deze publicaties.

Anderhalf jaar na de eerste discussies lijken een aantal ideeën van Goldacre tractie te krijgen in het Verenigd Koninkrijk. Dus werd het tijd de precieze formulering van zijn inzichten toch eens te bekijken.

En toen viel het boek Big Pharma me in éen opzicht wat tegen. Zelfs al is het uitmuntend in de beschrijving van hoe een industrie almaar nieuwe middelen op de markt weet te brengen, die soms amper geneesmiddel zouden mogen heten. Omdat de enige eis aan zo’n nieuw geneesmiddel is dat het meer moet doen dan niets — wat iets fundamenteel anders betekent dan: beter werken als bestaande medicatie.

Maar Ben Goldacre is huisarts, in de NHS, naast al zijn nevenactiviteiten. En hij lijkt wat een blinde vlek te hebben voor de rol van zijn beroepsgroep bij de verdeling van al die pillen die de industrie zo gretig pusht.

Toegegeven, hij geeft aan geleerd te hebben om zijn patiënten nooit lastig te vallen met het nieuwste van het nieuwste aan middelen. Laat anderen eerst maar ervaring opdoen met doseringen en mogelijk bijwerkingen; laat anderen tonen bij welke patiënten zo’n nieuw geneesmiddel aanslaat en bij wie niet.

Alleen kunnen die anderen dus flink gefêteerd zijn door de pillenfabrieken om die nieuwe poeiers ook onder collega’s te promoten.

Goldacre ziet dat weliswaar ook, en wil domweg transparantie door registers in te stellen, zowel voor de industrie — wie heeft wat aan wie gegeven? — als voor de artsen zelve — wie heeft zich laten omkopen, met reisjes naar congressen, of leuke bijspijkercursussen op Aruba betaald door een fabrikant?

Maar een effect als bijvoorbeeld Bert Keizer signaleert, dat artsen ook pillen kunnen geven gewoon om van de patiënt af te raken, lijkt toch net een te abstract idee voor Goldacre.

Net zomin vroeg hij zich in Bad Science overigens af waarin dan toch de aantrekkelijkheid schuilt van de alternatieve geneeskunde. Terwijl aan alle succesvolle kwakzalvers nu juist opvalt dat ze de tijd nemen voor hun klandizie, en deze overladen met begrip — zoals goede oplichters overigens altijd doen — wat nu net twee zaken zijn waar de reguliere geneeskunde nogal eens in te kort schiet.

Belangrijkste punt dat Big Pharma maakt, staat in het eerste hoofdstuk; en weegt door op de rest van het boek. Er bestaat veel meer kennis over de werking van geneesmiddelen dan er lijkt te zijn. Dat vindt Goldacre de grootste misstand die rechtzetting behoeft — want alleen zo is te voorkomen dat mensen verkeerde middelen worden voorgeschreven.

Deels komt die leemte aan kennis door de frauduleuze praktijken van sommige pillenfabrikanten. Deze testen nieuwe geneesmiddelen soms aanzienlijk vaker dan naar buiten komt. Omdat ze zo aan ‘cherry picking’ kunnen doen. Stel dat ze acht verschillende proeven op testpersonen laten verrichten, dan kan het goed zijn dat alleen de test die een opvallend positief resultaat oplevert uiteindelijk in een wetenschappelijk artikel beschreven wordt.

Toch zegt nu juist die uitschieter het minst over de waarde van zo’n medicijn in de praktijk — zoals elementaire statistiek ons leert.

Dus moeten ook doktoren elkaar veel meer gerichte feedback geven, over hoe geneesmiddelen in de praktijk uitpakken. Terwijl iedereen recept na recept uitschrijft, duurt het meestal veel te lang voor opvalt dat sommige middelen wel heel negatieve bijwerkingen hebben.

Ben Goldacre, Bad Pharma
How Drug Companies Mislead Doctors and Harm Patients

430 pagina’s
Fourth Estate, 2012

Man Who Mistook His Wife For A Hat ~ Oliver Sacks

Nederland is een land waarin een optreden van de Jostiband primetime-televisie oplevert. Daarentegen moeten de liefhebbers van het Concertgebouworkest doorgaans wachten tot er na middernacht eens een concert wordt uitgezonden.

Ik vind daar iets van.

Ook al omdat het altijd gristelijke omroepen zijn die iets doen met die Jostiband. Waarmee het syndroom van Down ineens een wapen wordt in de strijd tegen abortus die sommigen blijven voeren; en daarmee dus munitie is in de stelselmatige vrouwenonderdrukking die nog altijd zo aan religie kleeft. Want kijk toch eens hoe blij mongolen kunnen zijn.

Die overdreven aandacht voor de prestaties van de geestelijke gehandicapte medemens komt alleen ook nog ergens anders weg.

En lang heb ik de neuroloog Oliver Sacks daar mede voor verantwoordelijk gehouden; wat altijd voor enige wrevel zorgde bij het beoordelen van zijn boeken. Wist Sacks niet immer weer briljante autisten te vinden? Liet hij niet hoogst amusante lijders aan het woord met Tourettes? Boden zijn boeken niet prachtige staalkaarten van hoe wonderbaarlijk het is wat er allemaal mis kan gaan met het brein?

Is zulk griezelen niet heerlijk?

Wat ik tot voor kort niet wist, is dat Oliver Sacks op zijn beurt een dissident was. Hij heeft er niet per se vrijwillig voor gekozen om interessante ziektegeschiedenissen in boekvorm te behandelen. Sacks was enkel niet zo geïnteresseerd in het soort wetenschappelijke artikelen dat de tijdschriften publiceerden in de jaren zestig zeventig. Hij wilde zo goed mogelijk verhalend beschrijven wat hij zag — indachtig zijn grote voorbeeld A.R. Loeria. Maar de mode in de wetenschap was nu net dat er vooral tabellen in de artikelen moesten, en statistieken met bloedwaardes, en andere schijnbaar objectieve maatstaven. Dus kon hij zijn medische bevindingen niet via de reguliere kanalen aan de wereld kwijt.

Oliver Sacks werd na zijn debuut Awakenings ook vrijwel doodgezwegen in het medische circuit. Terwijl zijn beschrijvingen in dat boek hem wel een literaire doorbraak opleverden; opvallend genoeg.

De cases die beschreven worden in de bundel The Man Who Mistook His Wife For a Hat zijn ook deels in boekenbijlagen gepubliceerd.

Dus mag ik het niet alleen aan Oliver Sacks verwijten dat zijn manier van werken anderen inspireerde. Of dat inmiddels zo veel documentairefilmers en programmamakers de abnormale medemens als dankbaar onderwerp hebben ontdekt. Misschien dat hij een kiem heeft gezaaid aan belangstelling. Maar vervolgens bleek de grond wel heel makkelijk in cultuur te brengen en vruchtbaar te zijn.

The Man Who Mistook His Wife For A Hat viel me overigens niet eens tegen, bij herlezing. Sacks probeerde in deze bundel toch ook nog altijd leraar te zijn, over neurologie, en over wat er zoal mis kan gaan in de hersenen. Het grootste gedeelte van dit boek gaat over allerlei manieren waarop iets in de hersenen kan uitvallen; en wat daar dan de gevolgen van zijn.

Mij viel zelfs op hoe terughoudend hij was als het gaat om de mensen te beschrijven die aan autisme leden, of Tourettes.

Maar dat zijn distantie opvalt, komt ook door de talloze beelden die sindsdien vervaardigd zijn van autisten, of Tourettes-lijders, danwel mensen met een pijnlijk geheugenverlies. Wij hebben deze al in al hun onmacht langs zien komen op televisie. De freakshow leeft nog immer voort, ook zonder de kermis.

Oliver Sacks, The Man Who Mistook His Wife For A Hat
And Other Clinical Tales

256 pagina’s
Touchstone 1998, oorspronkelijk 1985

 


Geschiedenis van de contraceptie ~ Ernst W. Hoonakker

Aan de geschiedenis van de geboortebeperking viel me op hoe zeer die soms nog op het heden gelijkt. In sommige streken dan, hè. Regio’s genoeg in de wereld waar er nog steeds opvallend meer jongetjes opgroeien dan meisjes — want meisjes kosten maar geld, en worden daar nauwelijks van nut geacht. Hoogstens kunnen ze goed doen door zonen te baren.

Toch wisten de schaarse cijfers die Hoonakker gaf in zijn monografie me nog te raken. Terloops kwam onder meer langs dat Romeinse vaders tot 374 het volste recht hadden om een ongewenst kind dood met het afval mee te geven.

Dat afval bestond dan vaak uit bastaardjes, geboren uit de bijslaap met slavinnen, en uit meisjes.

Van de 179 kinderen die Romeinse burgers in een zekere stad inschreven in een geboorteregister waren 145 jongens, en 34 meisjes. Daar waar in de natuur de verhouding eerder naar 50:50 neigt. [De verhouding die ik ooit leerde was 105:100; waarbij die 105 jongetjes als een natuurlijke compensatie werden gezien van het gegeven dat het bij mannen in de aanbouw makkelijker misgaat, waardoor ze makkelijker jong sterven].

Hoonakker’s Geschiedenis van de contraceptie wees me — door wat in het boek ontbrak — er ook op dat ik nodig een eigentijds boek over dit onderwerp moet vinden.

Er spelen te veel vragen op het moment, voor mij, om genoeg te hebben aan een vrij beknopte uitgave uit 1992. Die bovendien vooral ingaat op een enkel element — hoe werd voorkomen dat er er een kind kwam — terwijl anticonceptie voor mij historisch gesproken onderdeel is van een veel groter geheel.

Want hoe werd er over kinderen gedacht? Uberhaupt? Als zo vele die het wel gegund was om geboren te worden al stierven voor hun tweede levensjaar?

De Geschiedenis van de contraceptie is grotendeels helaas een geschiedenis zoals die over bijna alle medische onderwerpen geschreven kan worden. Ooit ontbrak tamelijk fundamentele kennis — van het soort dat wij nu vanzelfsprekend achten — en toen deed men dit-en-dit-en-dit. En niet alles daarvan is achteraf gezien helemaal fout of dom.

Sommige middelen, zoals kinine, tasten de ongeboren vrucht wel degelijk zo aan, dat deze spontaan kan aborteren.

Ernst W. Hoonakker biedt verder onder meer nuttige informatie over de recente Nederlandse geschiedenis van de geboortebeperking — zodat ik eindelijk begreep waarom Rutgershuizen zo heetten.

Hij beschreef daarmee alleen allereerst het eeuwenoude probleem hoe zwangerschappen voorkomen werden, of onderbroken. Maar cultureel speelt er zo veel meer, lijkt me. Helemaal nu. Twintig jaar later, omdat inmiddels van veel kinderen die nu in de geïndustrialiseerde wereld mag je er vanuit gaan dat hun komst gewenst is, en er tegelijkertijd technisch zo veel meer kan.

Ineens zijn er daardoor nieuwe vragen gerezen. Hoe erg gehandicapt mag een kind zijn, wil het nog geboren mogen worden? Bijvoorbeeld. Waarbij ouders vanzelfsprekend een andere positie innemen dan dat abstracte wezen met beslissingsmacht dat we samenleving noemen.

Ernst W. Hoonakker, Geschiedenis van de contraceptie
Geboortebeperking van de oudheid tot nu

160 pagina’s
BZZTôH, 1992

Bodies Politic ~ Roy Porter

Porter nam zich in dit boek voor om eens een nieuw soort bronnen te gebruiken voor zijn werk aan de geschiedenis van de geneeskunde. Hij richtte zich daarbij op historisch beeldmateriaal, en welke ideeën dit dan doorgaf over gezondheid. Veelal kwam die informatie dan van Engelse centsprenten, en andere spottend bedoelde illustraties.

Verrassendste uitkomst daarbij was niet eens medisch. Het bleek hem dat ook politiek commentaar in minder verlichte tijden gauw eens verpakt werd in geneeskundige termen — waarbij het land dan een lichaam werd, en de leider een dokter — omdat de tekenaars op deze manier zo goed de censuur konden ontwijken.

En op zich vertelde Roy Porter me nog niet eens zo veel nieuws in Bodies Politics. De geschiedenis van de geneeskunde was namelijk tot voor kort gewoon de historie van hoe de ingrepen van artsen vrijwel steeds de dood van hun patiënten bespoedigden. Waarbij voor mij overigens nog altijd geldt dat er geen ongezonder plekken bestaan dan de ziekenhuizen.

Lichamelijke gebreken en ziekten werden bovendien erg lang gezien als iemands eigen schuld. En daarmee als een straf van God.

Ontwikkelden de geneesheren in de loop der eeuwen overigens wel enorme pretenties.

Voornaamste bijsturing die Porter met dit boek aanbracht in mijn kennis, is dat de rol van vrouwen in de geneeskunde veel groter was dan doorgaans gedacht wordt. Domweg omdat veel vrouwen, in hogere kringen weliswaar, liever een sexegenote raadpleegden dan een man aan hun lijf te laten.

Toen de vrouwelijke doktoren ook mannen gingen behandelen, in de Victoriaanse tijd, leidde dit vervolgens wel tot tal van spotprenten.

En het waren zulke prenten ook, en hun geschiedenis, die dit een plezierig boek maakten. Al geef ik ook toe niet elk van de tientallen afbeeldingen even goed bekeken te hebben. Zulke illustraties werden vroeger nogal vol getekend. Bestudering van een verkleinde reproductie in een boek lukt dan haast niet.

Enkel bij het kleurige werk van Thomas Rowlandson [1756 – 1827] heb ik moeite gedaan om te zien wat daarvan — hopelijk op ware grootte — online zou staan.

Mooi was verder dat Porter ook liet zien hoe iedereen voorheen van dit beeldmateriaal kennis kon nemen. Voor wie de centsprenten niet betalen kon, was er de mogelijkheid ze in de etalage van de drukker te bekijken.

Al verdween dat fenomeen toen de tijdschriften opkwamen in de negentiende eeuw. En met die tijdschriften werd de humor overigens ineens vaak een stuk subtieler; en daarmee plots onbegrijpelijk; omdat ik dan de taboes niet na kon voelen waarmee werd gespeeld; voor de doelgroep.

Roy Porter, Bodies Politic
Disease, Death and Doctors in Britain 1650-1900

328 pagina’s
Cornell University Press, 2001

Chirurgie en technologie ~ Theo Wobbes

Zo filosofie nog een plaats heeft in de wetenschap, dan hoogstens als onderdeel van een discipline. Als een nevenactiviteit dus. Want elk terrein heeft baat bij onderzoekers die ook wat afstand durven te nemen van de dagelijkse waan. En de filosofie kan dan technieken aanreiken om de grote vragen die er spelen beter te formuleren.

Dit is geen meninkje van mij, ik parafraseer hierbij slechts beroepsfilosofen als Lolle Nauta.

En het is om zo’n reden dat ik een boek als Chirurgie en technologie wel durfde te proberen. De auteur, Theo Wobbes, werd namelijk eerst chirurg, en daarna pas filosoof. En in de medicijnen spelen vanouds nogal wat ethische zaken. Terwijl er door technologische ontwikkelingen enkel meer van zulke problemen bijkomen.

Zijn daar ook nog de wetten van de economie die nu die van de geneeskunde raken.

Chirurgie en technologie
was helaas geen uitgave die mij verder hielp. Wobbes heeft helaas net de verkeerde filosofen als helden uitgekozen. Husserl en Heidegger, en meer van dat volk. Zijn filosofie moest vooral de leegte opvullen die het verdwijnen van religie als machtsfactor achterliet. Bij hem dus te veel geleuter over ‘de mens’, waar dan een visie op zou ontbreken.

Alleen ware daar nog wel over heen te komen geweest.

Een groter probleem bleek ik te hebben met het gegeven dat Theo Wobbes niet leek te beseffen dat medisch specialisten een tamelijk unieke positie innemen in onze samenleving. Al geef ik toe dat het wellicht een bovenmenselijke afstandelijkheid had gevraagd van de auteur om zijn eigen vak ook eens als buitenstaander te durven te bekijken.

Toch: waartoe dient filosofie anders?

Maar als ik in iemand snijd, is dat een strafbaar misdrijf.

Bij hem is het zijn hoofdberoep. En hij wordt er naar verhouding vorstelijk voor betaald — nadat de samenleving toch al eerst zijn ellenlange opleiding betaald heeft. De maatschappelijke aanbidding voor chirurgen is nogal groot.

En als dank werden vele medisch specialisten onuitstaanbare horken.

Deze uitgave las als enkel voor vakbroeders geschreven; mede door de achteloos gebruikte vaktermen tussendoor. Ook gaf Wobbes me veel te weinig historie van zijn vak. Misschien uit schaamte overigens; artsen hebben het grootste deel van de geschiedenis vooral hun best gedaan om mensen sneller dood te maken.

Dit maakte dat zijn impressies een veel te schoongewassen versie van zijn vak leken te geven.

Tegenover Theo Wobbes’ mededeling dat chirurgen het pas in de twintigste eeuw aandurfden om in een lichaam naar binnen te gaan, kan ik simpelweg tal van anekdotes zetten uit de recente medische geschiedenis waaruit lang zo veel mededogen niet blijkt.

Zo was er onder chirurgen opvallend lang weerstand tegen anesthesie; zij vonden dat hun scalpel bij het snijden zo prettig geleid werd door de pijn en dus reactie van hun patiënt.

En gek genoeg geloof ik dat van die chirurgentrots meteen dat pijn zo nuttig is, terwijl ik me de Wobbes’ chirurgenschaamte zo veel minder goed kan voorstellen.

Wobbes gaat overigens wel degelijk in op de betekenis van dat snijden in een mens. En hij wijdt ook een nuttige passage aan het oneindige vertrouwen dat de patiënt in doktoren stelt, dat deze hem weer wakker zullen laten ontwaken uit de narcose, en dat ze hun best gaan doen hem beter te maken.

Alleen waren ook die nuttige eigen observaties verpakt in wollige van elders geleende filosofenpraat, die helemaal niets verhelderde.

Theo Wobbes, Chirurgie en technologie
Een filosofische essay

160 pagina’s
Damon, 2005

Tumult bij de uitgang ~ Bert Keizer

Maak een wet, en de werkelijkheid heeft zich daar dan ineens naar te voegen. Wat situaties niet zelden binair maakt. Iets mag dan, of iets wordt juist verboden. Andere smaken zijn er niet.

Wetten hebben daarom dikwijls onbedoelde gevolgen. Politici lijken dat nooit te begrijpen.

Aardigste voorbeeld van waar juridisering toe leiden kan, vind ik altijd nog de uitvinding van ‘de etnische Fries’, als gediscrimineerde minderheid, die er in 2004 zomaar ineens was op papier — door politiek gemanoeuvreer om wat Europese subsidietjes binnen te harken. Bijna jammer dat nog geen Fries de macht beseft die deze positie oplevert.

Nederland heeft sinds 2002 een Euthanasiewet — na in de jaren daarvoor met een soort gedoogconstructie te hebben gewerkt voor professionele hulp bij het sterven. Mensen die uitzichtloos lijden, zij het geestelijk of fysiek, kunnen, mits hun arts meewerkt, hulp krijgen bij het bespoedigen van hun dood.

Voorwaarde is wel dat ze deze wens aantoonbaar hebben geuit op een moment dat ze bij hun volle verstand waren. En ziet, daarmee ontstaan de juridische moeilijkheden al. Want nogal wat ouderen worden kinds, om dat oude begrip maar weer eens te gebruiken; die raken de weg kwijt in hun eigen hoofd. En zij voldoen daarmee dus al niet aan die ene eis uit de wet, dat ze toerekeningsvatbaar horen te zijn bij het nemen van de beslissingen over hun leven of dood.

Bert Keizer heeft nogal eens met dit probleem te maken. Hij is, of was gezien zijn leeftijd, verpleeghuisarts; werkzaam derhalve in het minst bedeelde hoekje van de zorg. En in dergelijke tehuizen belandden nu eenmaal slechts de mensen die helemaal niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. Waaronder de flink demente bejaarden.

En Keizer heeft met regelmaat over deze problematiek geschreven, in bredere zin. Zijn debuutroman Het refrein is Hein ging er deels al over. En de recente bundel Tumult bij de uitgang bevat voor een groot deel korte teksten over de dood, en over niet dood mogen — die al gauw eens ergens anders zijn gepubliceerd.

Zo heeft Bert Keizer al tijden onder meer een column in het protestants-christelijke dagblad Trouw; wat ik altijd pikant heb gevonden. Christelijke partijen hebben zich nu eenmaal altijd blind gekeerd tegen euthanasie. En de christelijke kranten deden dit ook; die hadden nu eenmaal een doelgroep te bedienen.

Maar mooi aan de woorden van Keizer is alleen al diens eeuwige nuance.

Want zelfs al is er van alles op die Euthanasiewet aan te merken, dat de Wet bestaat is al van grote betekenis. Hij heeft bijvoorbeeld als beginnend arts nog net meegemaakt dat er werkelijk niets kon. Dat hij en zijn collega-artsen beurtelings, zonder daar over te praten, het lijden van doodzieke mensen wegnamen door hen telkens wat extra morfine toe te dienen; tot de dood eindelijk intrad. Overleg had zo’n dood toen nog tot moord gemaakt. Om de voorbedachten rade.

In landen zonder wetten of regels wordt oude en kwetsbare mensen nog altijd flink afgebeuld, door ingrepen die in Nederland al gauw als overbodig medisch handelen zouden worden gezien. Want in een verpleegtehuis hier staat elke patiënt onder de hoede van éen arts, die de hulp van collega’s desnoods inroept als dat nodig is. In Duitsland, dat Keizer als afschrikwekkend voorbeeld aanhaalt, bestaat zo’n coördinatie niet, en gaat elke specialist telkens nog op eigen gezag in de weer met doodzieke mensjes.

Komt daar bij, wat wel weer ook voor Nederland geldt, dat de medisch specialisten doorgaans veertigers zijn. Relatief jonge mensen, met al gauw eens jonge kinderen, die hun eigen doodsangst projecteren op hun oudere patiënten. En die daardoor al gauw te veel willen doen.

Artsen hebben ook levensjaren nodig om te beseffen dat ingrijpen lang niet altijd het beste hoeft te zijn.

En Keizer is inmiddels zo’n arts op leeftijd. Die enerzijds schrikt als een jongere collega in tranen uitbarst nadat er euthanasie gepleegd is. Maar die tegelijk moet toegeven dat het nooit helemaal went om een ander dood zien te gaan.

Nogal wat werk uit Tumult bij de uitgang bleek ik al eens eerder te hebben gelezen. Los. In het vrije wild wellicht [1]. Al kan het ook zijn dat ik Bert Keizer inmiddels wel erg goed ken als auteur. Zijn principiële boodschap verandert niet; zelfs al is het verhaal misschien net even anders waarin hij zijn conclusies giet.

Ik lees hem ook graag.

Alleen komt er nu ineens schoorvoetend een publieke discussie op gang, mede geëntameerd door Boudewijn Chabot, dat het eigenlijk vreemd is dat doktoren zo’n centrale rol hebben bij de vragen over de dood. En zelfs Bert Keizer maakt duidelijk dat die artsen helemaal niet op die verantwoordelijkheid te wachten zaten.

Alleen is er vervolgens die wet. Of domweg het gegeven dat er ook altijd partners of kinderen zijn die het sterven van iemand best willen bespoedigen, met een handig middeltje. Zelfs als er nog geen ondraaglijk lijden speelt.

Bert Keizer, Tumult bij de uitgang
253 pagina’s
Lemniscaat, 2014
  1. Nee, er is behoorlijk wat uit de bundel Alles wordt niets hergebruikt in dit boek []

Alles wordt niets ii ~ Bert Keizer

Merkwaardig hoe het geheugen werkt. Ik las de bundel Alles wordt niets eerder in oktober 2006, zoals toen op boeklog werd aangetekend. Ruim acht jaar later, en zeker 2.500 boeken verder, viel mij op dat in Bert Keizer’s meeste recente bundel, Tumult bij de uitgang, columns en essays stonden die ik al kende.

De meest logische verklaring daarvoor leek me dat ik die dan ondertussen wel ergens online zou hebben gelezen.

Alleen bleek me toen bij herlezing van Alles wordt niets dat daarin voor een deel gewoon dezelfde teksten staan als in dat latere boek. Beide uitgaven hebben dan ook beschouwingen over de dood als onderliggend thema; zoals al uit de titels blijkt.

Keizer veranderde ondertussen alleen van uitgever.

En wellicht heeft deze gedacht straffeloos een themabundel uit diens werk uit te kunnen geven, zonder daarbij aan te geven dat de inhoud deels gerecycled is. Hoeveel kopers had Alles wordt niets nu eenmaal gehad? Essaybundels trekken per definitie geen lezers in Nederland. En was dat eerdere boek niet kansloos verrasmjt?

Herlezing nu leverde dus een gemengde ervaring op — terwijl ik Bert Keizer toch meer dan eens een geliefd schrijver heb genoemd; zo het ooit mogelijk is om straffeloos auteurs te omarmen.

Er speelden twee zaken. Niet alleen herlas ik een boek, waarvan ik delen zelfs vorige maand nog gelezen had. Ook woog het eeuwige bezwaar mee dat een schrijver zich zo veel minder ontwikkelen kan dan een lezer.

Bert Keizer’s kritische opvattingen over de gezondheidszorg hebben mijn blik gescherpt, lang terug inmiddels al. Kwam daar vervolgens nog wat praktijkervaring bij die enkel bevestigde wat Keizer zoal gelaakt heeft. Dus is zo’n verzameling van columns en essays vervolgens nooit meer onbevangen te herlezen. Delen van de kennis die er in staat, is ondertussen volkomen eigen geworden. Dus lijkt de auteur ook opvallend vaak niet meer te brengen dan variaties op hetzelfde.

Tegelijk, wie moest hij anders herhalen? Zijn werkkring veranderde niet. Hij bleef allereerst die verpleeghuisarts.

Blijft bovendien staan dat de o zo fundamentele kritiek van Keizer nog alle dagen genegeerd wordt; wat dus enkel bewijst dat de woorden van een wijs man geen enkele waarde hebben.

Ook morgen zullen de media weer op een totaal vertekende manier de resultaten van medisch onderzoek presenteren – daarbij kritiekloos de hype van éen of andere PR-kloot of -kut omarmend.

Zo stormde collega Cools uit Nijmegen op 23 maart 2000 de publiciteit in. Met als gevolg deze kop op de voorpagina van Trouw: ‘Nieuw middel stopt Parkinson vrijwel geheel.’ Let op het woordje ‘vrijwel’.

Cools heeft achteraf nog wel tegengeprutteld dat het zo niet bedoeld was. U denkt wat ik denk: hou dan je mond. Maar onlangs zag ik weer zo’n grapjas in de weer, dit keer voor een wat kleiner zaaltje, maar toch. Collega Scheltens beweert in Synaps, het AZVU-magazine: ‘Ik voorzie dat binnen afzienbare tijd de ziekte van Alzheimer in ieder geval in een vroeg stadium tot staan kan worden gebracht, misschien zelfs worden genezen.’ Jongens, hou hier toch in godsnaam mee op. Het kost ons uren om uit te leggen aan wanhopige familieleden dat ‘binnen afzienbare tijd’ voos gezwets is. Áls je de wonderpil hebt tegen Alzheimer, dan ligt de hele wereld binnen zeven minuten gegarandeerd snikkend aan je voeten. Als je hem niet hebt: hou dan je mond. [146-147]

Alles is niets toonde in het gedeelte met de columns een opvallende preoccupatie met de schrijver Samuel Beckett, die nogal vaak de maat aller dingen is. Die teksten zijn dan overigens telkens net te kort om te begrijpen waarom. Zoals een dominee naar God grijpt in zijn preken, zo roepen columnisten dus blijkbaar ook autoriteiten aan.

Waarbij ik dat trekje overigens wel begrijp. Geen schrijver heeft al zijn of haar kennis zelf ontdekt. Dus past het niet om andermans vondsten te presenteren als eigen ideeën. Terwijl het tegelijk dus niet altijd mogelijk is om de bron van de geponeerde wijsheid elegant binnen het eigen betoog te noemen.

Toch viel weer op in de stukken waar Bert Keizer niet aan een maximumlengte gebonden was — het gedeelte met de essays achterin — dat zijn teksten daar niet per se beter van werden. Deze opstellen waren minder constant in kwaliteit.

Bert Keizer, Alles wordt niets
Columns & essays

234 pagina’s
SUN, 2002

Van start op twee linkerschaatsen ~ Harm Kuipers

Ooit was koffie doping. Althans, coffeïne stond op de dopinglijst. Zelfs al moest je een onmogelijk grote hoeveelheid espresso drinken om daar enig positief effect van te ondervinden. Op sportief vlak tenminste.

En toen heeft Harm Kuipers het nog voor elkaar gekregen dat coffeïne van die lijst geschrapt werd. Want, hoe zo zouden sporters geen koffie meer mogen drinken, als de hele samenleving koffie gebruikt om wakker te worden, en het middel werkelijk overal te koop is; zodat echt niemand er een exclusief voordeel uit zou kunnen halen?

Kuipers wilde nog wel meer middelen van die dopinglijst weghalen ook. En met zelfs nog betere redenen als met die coffeïne. Want onderzoek van hem en zijn medische collega’s in Maastricht had aangetoond dat een heleboel als doping beschouwde middelen sportieve prestaties niet of veeleer negatief beïnvloeden.

Maar, zo veel nieuwlichterij was ongewenst. Dopingbeleid bleek ook los van IOC gekomen allereerst politiek beleid te blijven — volgens Kuipers gestuurd door conservatieve Fransen — en bestaande politieke opinies zijn nu eenmaal merkwaardig bestand tegen kennis.

Dit kijkje achter de schermen beviel me het best aan Van start op twee linkerschaatsen. Een reeks anekdotes waarmee Harm Kuipers [1947] — Drent, wereldkampioen allround schaatsen in 1975, arts — toch allereerst een mannelijke autobiografie schreef.

Mannelijke autobiografieën gaan namelijk altijd allereerst over iemands werk. Persoonlijke gevoelens worden veelal buiten deze boeken gelaten. Zelfs van persoonlijke informatie, zoals de vraag of zo iemand kinderen kreeg, is het altijd afwachten of die zulke memoires nog halen.

Persoonlijk werd Van start op twee linkerschaatsen ook pas op het allerlaatst, toen Kuipers, nog altijd sec, beschreef hoe hij eerst prostaatkanker kreeg, en daarna nog eens slokdarmkanker.

Tegelijk ben ik ook allereerst een mannelijke lezer. Dus kunnen mij de heel intieme zaken niet altijd het meeste schelen — vooral niet als deze redelijk inwisselbaar zijn. Vele mensen kregen kinderen; en gingen gewoon door met hun leven.

Mij boeide vooral wat Harm Kuipers terloops duidelijk maakte over de wereldjes waarin hij telkens verkeerde. Over hoe weinig kennis er nog was over de beste trainingsmethodes in zijn tijd als topschaatser bijvoorbeeld. Kuipers vond sportief baat bij veel kortere en intensievere trainingen en veel meer rust dan in zijn tijd gebruikelijk was — zeker bij rust vlak voor een belangrijke wedstrijd. Het duurde nog lang tot zo’n inzicht breed gedeeld zou worden.

Waren er die passages over zijn avonturen achter de schermen van de dopingbestrijding.

En op het einde van het boek schreef hij toch ook over de aanpak van de kanker bij hem opvallende zaken. Zoals dat éen van de effecten van de bestralingen die hij kreeg, was dat zijn darmen melksuikers niet meer goed konden afbreken. Waarop Kuipers zijn dieet veranderde, met goed resultaat, en daarop merkte dat zijn behandelaars niet wisten dat die aanpassing in de voeding de behandeling behoorlijk kan verlichten.

Waarschuwt hij in het boek vervolgens in het boek trouwhartig tegen de vele kwakzalvers die iemand met een chronische ziekte tegen komen kan, op zoek naar relevante informatie. Terwijl deze hele uitgave in vrijwel alles al toont dat veel van wat voor waar wordt aangenomen dat helemaal niet hoeft te zijn.

En beter kunnen boeken voor mij toch nauwelijks doen.

Harm Kuipers, Van start op twee linkerschaatsen
Autobiografische vertellingen

144 pagina’s

Slapen en dromen ~ Michel Jouvet

De grote ontdekkingen over slapen en dromen lijken in de jaren vijftig en zestig te zijn gedaan. En Michel Jouvet [1925] was daarin toen éen van de pioniers. Sindsdien is er enkel op deelterreinen wat structurele vooruitgang geboekt.

Ineens werd het bijvoorbeeld profijtelijk om iets aan snurkproblemen te doen. En ook was het voor de kennis over impotentie nuttig om te weten dat bij elke man en vrouw ’s nachts de zwellichamen in hun geslachtsorganen meerdere malen met bloed worden volgepompt — want dat levert het inzicht op of zo’n impotenteling met lichamelijke of geestelijke problemen zit als de hydraulica niet meer zo functioneert als gewenst.

Tenminste, zo las ik Slapen en dromen. Dat in de eerste plaats toch een boek was uit het begin van de jaren negentig. En daarmee vijfentwintig jaar oud. En dat kan te oud zijn in de wetenschap.

Soms kan het begrip in éen keer grote stappen voorwaarts maken, doordat nieuw onderzoek mogelijk wordt. Dus heb ik ook nog behoorlijk om Slapen en dromen heen gelezen. Om daarbij nooit zo’n volledig overzicht tegen te komen als Jouvet gaf in zijn boek.

Een probleem is bijvoorbeeld al dat volgens Michel Jouvet de ‘paradoxale slaap’ niet per se hetzelfde is als de REM-slaap. Tijdens die paradoxale slaap zijn de hersenen net zo actief als overdag, alleen gebeurt dit dan in een lichaam waarin de spieren door de slaap tijdelijk lam zijn gelegd. ‘Rapid eye movement’ [REM] treedt op als iemand droomt.

Lees dan een recent artikel online over dromen, en de frasen ‘paradoxale slaap’ en REM-slaap worden daarin meestal rustig als elkaars synoniem gebruikt. Wat er na het lezen van dit boek dus op wijst waarschijnlijk met een versimpeling van doen te hebben.

Dat er sinds 1992 geen enorme verbetering is gekomen in ons begrip over de slaap neem ik nu overigens slechts aan.

En waarschijnlijk komt dat mede omdat mij zulke kennisleemten wel bevallen. Want dan bestaat er zo’n fenomeen als de slaap, en dan is eenieder gemiddeld als het goed gaat daar een derde van zijn of haar leven aan kwijt, maar dan lukt het toch nauwelijks om daar heel veel meer over te weten te komen.

Hoe zou ik dan een politicus of een econoom op diens woorden kunnen vertrouwen? Die stellige uitspraken menen te kunnen doen over veel chaotischer processen?

Het is ook wat pijnlijk soms hoe Jouvet schetst dat kennisvermeerdering heeft plaatsgevonden. Want dan zijn er bijvoorbeeld ouderwetse antidepressiva — MAO-remmers — die het vermogen tot dromen uitschakelen. En dan blijkt na onderzoek dat de patiënten die deze pillen slikten bijvoorbeeld geen problemen met hun geheugen leken te krijgen.

Waarmee vele theorieën over het nut van dromen onderuit zijn te halen.

Begrip in deze moest alleen dus ontleend worden door mensen te onderzoeken aan wie er al iets mankeert, aan wie dan ook nog telkens wat vergelijkbaars mankeert — en gevoelsmatig wil mij heel moeilijk aan dat daarmee vervolgens uitspraken te doen zijn met een meer algemene geldigheid.

Michel Jouvet, Slapen en dromen
Analyse van een mysterie

204 pagina’s
Contact, 1994
vertaling door Walter Hund van: Le sommeil et le rêve, 1992

Being Mortal ~ Atul Gawande

Rondom die ene zekerheid van het leven, dat het eindig is, veranderde nogal wat in de loop van de twintigste eeuw. De artsenstand kreeg ineens wel de mogelijkheid om vele tot dan toe tamelijk fatale aandoeningen te genezen. Plots werd ook zoiets als veiligheid belangrijk op het werk, en in het verkeer. Groeide de algemene welvaart daarnaast enorm, zodat sociale verbanden zich wijzigden.

Ineens werd het hier abnormaal om vader of moeder in huis te nemen tijdens hun laatste jaren.

De dood kwam daarmee op een almaar grotere afstand te staan. En vreemd genoeg: de waardigheid van ouderen eveneens.

Ik las Being Mortal van de Amerikaanse internist Atul Gawande over deze onderwerpen, en dat boek riep gemengde gevoelens op bij mij.

Enerzijds was het genadeloos goed. Want een prettig formulerend medicus weet nogal treffend te beschrijven wat ouder worden eigenlijk is. Wat er daarmee lichamelijk verandert, en geestelijk. En ook, wanneer dit verval intreedt.

Gaf hij zelfs waardevolle tips om te kunnen zien hoe het eigenlijk met iemand is. Kijk dan vooral naar hun voeten; want daar kunnen ze doorgaans niet meer goed bij. Als bij ouderen de voeten slecht verzorgd zijn, kan dit veel zeggen over hun staat van zijn.

Alleen is dit dus ook het boek van een medicus. En medici maken weliswaar meer doden mee in hun dagelijks werk dan vrijwel iedereen — op de begrafenisondernemers na. Alleen worden artsen nog altijd eerst opgeleid om mensen beter te maken.

Doen ze volgens Gawande ook nog veel te weinig van hen iets aan ouderengeneeskunde tijdens hun vorming.

Met als gevolg dat er nogal wat mishandeling plaatsvindt van oudere patiënten — omdat hen behandelingen opgedrongen worden die hun leven weliswaar vaak nog even rekken, maar de kwaliteit van dat leven ondertussen behoorlijk drastisch kunnen verminderen.

Een gegeven dat ik overigens ook al uit het werk van Bert Keizer had opgestoken.

Keizer stelt daarbij alleen altijd expliciet wat Gawande in Being Mortal veel implicieter verwoordt: dat de medische stand niet zo goed raad weet met de dood. En ik ben als lezer dan nog weer kritischer, ik verwijt Atul Gawande bijvoorbeeld zelfs te onnozel naar euthanasiewetten te kijken; omdat die er allereerst zijn gekomen om de doktoren te vrijwaren van moordaanklachten. En er hoogstens zijdelings kwamen om de rest van de mensheid ook nog te dienen.

Het is kortom jammer dat de medische stand zo veel te zeggen heeft over leven en dood — en dan al helemaal over de kwaliteit van dat leven op het einde — en tegelijk deze verantwoordelijkheid liever niet lijkt te hebben. Want ook Gawande doet net of een patiënt de reikwijdte kan begrijpen van een ingreep die een medicus voorstelt.

Dat maakt de vele ziektegeschiedenissen in dit boek vaak ook zo schrijnend. De auteur zal ze bedoeld hebben als portretten van indrukwekkende mensen, die totterdood hun waardigheid behielden. Terwijl ik toch enkel zie hoe aan patiënten behandelingen worden opgedrongen; enkel omdat de arts in hen het sprankje hoop ontwaart dat het allemaal nog goed kan komen.

Toegegeven, Gawande biedt hierover ook een tegenvoorbeeld. Zijn vader, die eveneens arts was, liet zich een hele tijd niet opereren aan een langzaam groeiende tumor in diens ruggenmerg; omdat de gevolgen als het mis zou gaan hem te groot waren. En dit besluit pakte redelijk goed uit.

Alleen blijft de conclusie over de betekenis van zijn vader’s wens, die daarmee tegen het advies inging van éen van de geraadpleegde specialisten, mij dan weer te impliciet in dit boek.

Is die dood daarom elders dan inmiddels zo’n taboe dat er enkel zo omfloerst over te schrijven is? Heeft Bert Keizer gewoon gelijk met zijn stelling dat Nederland decennia voorop ligt in begrip; omdat wij hier tenminste die euthanasiediscussies hebben gehad?

Atul Gawande, Being Mortal
Illness, Medicine, and What Matters in the End

282 pagina’s
Profile Books 2015, oorspronkelijk 2014

Checklist manifest ~ Atul Gawande

Gebruikt er iemand weleens het woord afvinklijst of afstreeplijst? Serieus? Ik betrap mijzelf er namelijk op wel bij voorkeur de werkwoorden als afvinken of wegstrepen te gebruiken, in plaats van checken of zelfs afchecken, terwijl checklist toch de enig juiste aanduiding blijft voor een lijst die dient ter controle of aan alle vereisten voldaan is.

Wellicht dat dit over tien twintig jaar anders is. Voorspelbaar is niets. Want tekstverwerker haalde het bijvoorbeeld wel in plaats van word processor. Terwijl rekenblad nog altijd een vreemd puristische aanduiding is voor wat iedereen altijd spreadheet noemt.

Het checklist manifest van de Amerikaanse internist Atul Gawande gaat over twee zaken. Hij vertelt de nog relatief korte geschiedenis van een nieuwe manier van denken, die het professionals helpt om fouten te voorkomen. En daarnaast is er zijn eigen verhaal; over hoe hij voor de WHO geprobeerd heeft om een standaard-checklist op te stellen voor chirurgische ingrepen. Zodat er minder fouten zullen worden gemaakt in de operatiekamers wereldwijd.

Dat medische verhaal heeft wel éen opvallende omissie wat mij betreft. Omdat altijd zo omfloerst in het nieuws komt hoeveel doden er nu werkelijk vallen door missers in het ziekenhuis. Als ik de ergste cijfers moet geloven, is incorrect medisch handelen in de VS de op twee na meest voorkomende doodsoorzaak. Alleen dan wel eentje die te zelden in de ‘normale’ lijstjes voorkomt.

Peter Bügel had me er lang geleden ook al op gewezen dat het dodental altijd drastisch daalt op het moment dat de doktoren gaan staken.

Gawande’s verhaal heeft evenwel een andere invalshoek. Voor hem werd steeds duidelijker dat chirurgie teamwerk is, waarin elk teamlid een ander direct moet kunnen corrigeren als deze de fout ingaat. De invoering van checklists bleek namelijk opvallend goed te helpen om iedereen medeverantwoordelijk te maken voor wat er allemaal gebeuren moest.

Moeilijkheden met de invoering van controlelijsten zijn er overigens volop. Zo blijkt het problematisch te zijn om tot een goede beknopte uitsplitsing te komen, waarop dan enkel de hoogst noodzakelijke taken staan. Checklists nalopen, mag namelijk niet te veel tijd kosten.

En ook is nog lang niet elke professional overtuigt van het nut van checklists. Chirurgen waren nu eenmaal decennia lang God in de operatiekamer. Die werden niet tegengesproken, zij waren almachtig. Terwijl ook chirurgen zonder checklist geen enkel overzicht hebben van wat er allemaal al met een patiënt gebeurd is, voor deze de operatiekamer wordt ingereden.

Ze menen te weten wat er allemaal moet zijn verricht, aan premedicatie bijvoorbeeld, alleen valt dit zonder goede lijst nooit te controleren.

Meest opvallend aan dit boek vond ik dat Atul Gawande’s pogingen om tot betere werkmethoden te komen nog zo nieuw zijn. Pas sinds deze eeuw wordt in ziekenhuizen serieus werk gemaakt van betere controlemechanismen en protocollen, als ik hem moet geloven.

Omdat de checklist immers al zo veel langer bestaat. Gawande beschrijft ook hoe de luchtvaart al in de jaren dertig methodiek probeerde aan te brengen in het werk van professionals. De vliegtuigen werden zo ingewikkeld dat ze domweg konden neerstorten als de piloot enkel afgaand op zijn ervaring alles klaar maakte voor de vlucht.

Boeing blijkt ook nog steeds enorme expertise te hebben in het opstellen van compacte checklists.

Atul Gawande, Het checklist manifest
Over de juiste manier van werken

206 pagina’s
Uitgeverij Nieuwezijds, 2010
vertaling door Henk Moerdijk van The Checklist Manifesto, 2009

Iedereen slaapt ~ Ysbrand van der Werf

Op de eeuwige vraag of onze hersenen inmiddels slim genoeg zijn om hun werking te begrijpen, luidt het antwoord nog altijd nee. En zolang wetenschappers dit maar erkennen, is er ook geen probleem.

Toch zijn er hele vakgebieden waar onderzoekers net doen alsof zij wel met rede vergaande uitspraken kunnen doen over bijvoorbeeld zoiets onvoorspelbaars als collectief menselijk gedrag. En helaas hebben sommigen van hen, zoals de economen, daarbij dan nog onredelijk veel maatschappelijke invloed ook.

Vandaar misschien dat ik altijd blij word van een boek waarin de wetenschapper eerlijk is over al wat zijn of haar vak nog niet heeft weten aan te tonen; ondanks alle mogelijke pretenties.

Ysbrand van der Werf nam bijvoorbeeld in zijn boek Iedereen slaapt een heel hoofdstuk op over alles wat hem als slaaponderzoeker nog onbekend is, en waarvan hij heel graag meer zou willen weten.

Een heel basale vraag waarop ik nooit een bevredigend antwoord heb gekregen is waarom we in cycli slapen. Het ziet er zo complex uit, die afwisseling van lichte slaap, diepe slaap en remslaap, en dat vijf keer per nacht, waarbij er ook nog een subtiele verschuiving optreedt in de loop van de nacht van meer diepe slaap aan het begin naar meer remslaap aan het einde van de slaapperiode. Is er een reden dat die slaapfases elkaar afwisselen? Hebben ze elkaar nodig?

Slaaponderzoek blijkt inmiddels ook grotendeels hersenonderzoek te zijn. Want het brein blijft actief, zij het in elke slaapcyclus anders, en het lichaam rust uit; de grote spieren tijdelijk lamgelegd. En tegelijk heeft Van der Werf nog altijd geen helder idee welke hersengebieden precies betrokken zijn bij welk type slaap.

De meetmethoden die er zijn om hersenactiviteit te onderzoeken, kunnen niet tegelijk worden toegepast. Evenmin kan een MRI-scan meerdere afbeeldingen per seconde vastleggen.

Is er ook dat tweede brein nog, in de mens, in het darmstelsel gezeteld, dat misschien invloed heeft.

Duidelijk werd in Van der Werf’s onderzoek al wel dat licht van grote betekenis kan zijn bij slaapproblemen, en zelfs bij geestelijke moeilijkheden. Daglichtlampen in verpleeginstellingen verbeteren de slaap van demente bejaarden. Het nut van lichttherapie wordt daarom nu breder onderzocht op tal van ziekten waarin slaaptekort een deel kan zijn van de problemen.

En goed, dan gaat dit boek grotendeels over de algemene waarheden die inmiddels over slaap bekend zijn. Daarvan zijn de meeste al sinds de jaren vijftig geweten. De vraag wáarom we slapen, bleef alleen nog altijd onbeantwoord. Evenmin is het nut van dromen bekend. Alleen slapen alle zoogdieren, op een vrijwel vergelijkbare manier, en kon inmiddels al wel worden aangetoond dat in de hersenen tal van herstel- en opruimactiviteiten plaatsvinden tijdens die slaap.

Slecht slapen betekent bovendien dat iemand minder gaat functioneren.

Staan er daarom ook tips in het boek, natuurlijk, voor een goede nachtrust.

Toch, Iedereen slaapt is vooral aanbevelingswaardig omdat Van der Werf niet bezig is de lezer zijn waarheden op te dringen. Vaak genoeg denkt de schrijver hardop na over de betekenis van iets, waarbij dan ook direct duidelijk blijkt dat hij de voors en tegens van een idee of theorie aan het wegen is.

Ysbrand van der Werf, Iedereen slaapt
Alles wat we weten willen over onze nachtrust

156 pagina’s
Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2016

Secret Life of Fat ~ Sylvia Tara

Vet is een orgaan, zo schrijft Sylvia Tara. Om vervolgens een heel boek te wijden aan wat dit orgaan zoal doet. Hormonen aanmaken, blijkt dan het belangrijkste antwoord te zijn. Hangt het alleen nogal van de omstandigheden af wanneer er wat gebeurt. Dat zo veel obese mensen suikerziekte krijgen, is bijvoorbeeld niet voor niets.

Verdwijnt dat probleem bovendien nogal eens als er gewicht wordt verloren.

Meisjes beginnen ook pas te menstrueren als hun lichaam daar vet genoeg voor is geworden — wat dan mede gebeurt doordat ze plots meer vet gaan opslaan.

Al zulke informatie maakt The Secret Life of Fat tot een nuttig en informatief boek. Moeite had ik alleen nogal eens met de presentatie van het onderzoeksmateriaal. De schrijver bedt haar informatie namelijk telkens in verhaaltjes in. Telkens wordt de levensgeschiedenis van éen enkel iemand dan gebruikt om iets te illustreren over een eigenschap van lichaamsvet.

Toegegeven, informatieve TV-programma’s werken altijd zo — alleen hebben die ook echt beelden nodig om een verhaal te kunnen vertellen. Boeken konden het vanouds wel af zonder zulke trucs.

Zo is in deze uitgave de vraag of virusinfecties van invloed kunnen zijn op hoe het lichaam vet opslaat verteld via de geschiedenis van een jongen die eens door een kip werd gekrabt. Sindsdien heeft hij altijd honger.

Wordt pas veel later in de tekst duidelijk dat er niet per se wetenschappelijke consensus is over de invloed van het kippenkrab-virus op het overgewicht bij mensen.

Sylvia Tara begint haar boek met een klacht die veel over haarzelf zegt. Ze heeft een lichaam dat bijzonder efficiënt voedsel verwerkt. Alleen is dat evolutionair gezien enorme voordeel in deze tijden van overvloed haar tot een last. Want anderen kunnen namelijk veel meer eten dan zij, zonder daar meteen kilo’s van aan te komen. En dik wil zij niet zijn.

Dus wordt The Secret Life of Fat door twee krachten voortgedreven. Tara heeft een duidelijke wil om te weten hoe het zou kunnen dat zij zo makkelijk vet wordt. En daarnaast leeft zij in een samenleving waarin een meerderheid van de bevolking op zijn minst enig overgewicht met zich meedraagt. En die vooral om de vigerende schoonheidsidealen een miljardenindustrie in stand houdt van middelen en makkelijke methoden om af te vallen.

Het slotdeel van het boek is dan ook doelgroepproza van het optimistische Amerikaanse soort. Dat dan de lezer voorhoudt dat ook hij of zij op een lager gewicht kan komen, mits daartoe enige strikte leefregels in acht worden genomen. Maar als je echt wilt dan kan het!

Sylvia Tara, The Secret Life of Fat
The Science Behind the Body’s Greatest Puzzle

235 pagina’s
Blink Publishing, 2016

Verhalen uit de ambulance ~ Mariëtte Middelbeek

De vijftig korte geschiedenissen in dit boek gaan uiteindelijk allemaal simpelweg rechtstreeks over leven en dood. Wat zowel een kracht is, als ook een wel heel directe en haast primitieve aanslag op de emoties. Menig ander schrijver zou zulke verhalen veel meer hebben aangekleed.

Want, er was eens iets met iemand aan de hand, en daarop snelde een ambulance toe. En aan de mensen in deze ziekenwagen was het dan om te redden wat er nog gered worden kon. Vaak ging dat goed. Soms helemaal niet.

Leerde dit boek toch ook dat hun mogelijkheden tot handelen relatief beperkt zijn. Protocollen volgen, dat heeft het ambulancepersoneel geleerd. Maar het is pas aan een dokter, in een ziekenhuis verderop, om de beslissende diagnose te stellen.

Op Verhalen uit de ambulance is misschien van alles aan te merken. Zo heeft Mariëtte Middelbeek de anekdotes van de elf verpleegkundigen en chauffeurs nogal droog opgeschreven. Haar aanpak is journalistiek. En doorgaans kan ik slecht tegen een boek waar niet ook van de taal en de formuleringen valt te genieten.

Toch raakte deze bundel verhalen me vaker, en harder, dan willekeurig welk bekroond literair boek doorgaans lukt. Dus zal het zijn dat ik vanwege het metterjaren afnemende gehalte aan testosteron in mijn bloed een enorme softie aan het worden ben.

Evenmin is uit te sluiten dat er nogal wat persoonlijke beleving speelde, bij het lezen van sommige verhalen. Want ik heb een keer te vaak op de komst van een ambulance moeten wachten. En of het daarbij nu om een buurman ging die het aan het hart kreeg, of een stil op straat liggende bejaarde fietser, die de reflexen niet had gehad om met de snelheid van zijn e-bike om te gaan, en ik daarbij telkens slechts een toevallige omstander was die wat eerste hulp kon bieden. Ik voelde me altijd diep verantwoordelijk dan voor het welzijn van die ander; hoe weinig daar verder ook aan te doen was voor mij.

De komst van de ziekenauto ontlastte mij vervolgens meteen van die loden last — professionals hadden het direct voor het zeggen.

Confronteerde Verhalen uit de ambulance er me alleen mee dat ook bij die beroepskrachten eenzelfde stille wanhoop spelen kan als ik had als toevallige betrokkene. Zij het dat de professionals dan wel kunnen terugvallen op uren aan training.

En routines maken rustig. Dat is een wet.

Bestaat er bovendien voor ambulancepersoneel de mogelijkheid om het gebeurde nog eens van zich af te praten. Hun werk heeft zulke nazorg geregeld.

Is er bovendien een heel stelsel aan ziekenhuizen beschikbaar als achtervanger. Op de goede dagen. Als de spoedeisende hulp niet al helemaal vol zit met mensen die het slachtoffer werden van hun eigen drank- of drugsgebruik.

Nog een ander aspect aan de verhalen was: ambulances komen overal. Net als dat vrijwel niemand er in zijn of haar leven aan ontkomt eens in een Nederlands ziekenhuis te worden opgenomen. Het rijke maatschappelijke palet terloops in deze uitgave geschetst, maakt het ook wel degelijk rijker dan de meeste boeken.

Mariëtte Middelbeek, Verhalen uit de ambulance
176 pagina’s
Uitgeverij Marmer, 2009