In Suspect Terrain ~ John McPhee

Nederland is wat de naam zegt. Laagland. Een oneindig laagland. Slib van een rivierdelta. Restjes van elders dus. Geologisch gezien vrijwel oninteressant. Op de schaarse uitzonderingen na, waar gletsjers heel vroeger het landschap hebben gevormd.

Ik vraag me af of geologie hierom een wetenschap is waarmee ik weinig affiniteit krijg. Het land om me heen werd door de mens gevormd. Niet door natuurkrachten. Nederland leren lezen, is studie maken van de aanwezigheid van mensen daar, door de eeuwen heen.

Het is moeilijk in rotsen en aardlagen geïnteresseerd te raken voor wie vooral moeras en stinkend veen om zich heen ziet.

Tegelijk houd ik het idee heel wat te missen door zo weinig van geologie af te weten. Die biedt tenminste geschiedschrijving in het groot. Miljoenen jaren zijn niets. En als het beter uitkomt voor je theorie kun je als geoloog desnoods hele continenten verplaatsen.

Vandaar dat ik ooit heel blij was met de kennis dat John McPhee liefst drie boeken over geologie heeft geschreven. In Suspect Terrain is daarvan het middelste.

McPhee schrijft namelijk helder genoeg om ook het onbegrijpelijke niet helemaal abstract te laten lijken. Zijn enthousiasme werkt daarbij vaak aanstekelijk.

En toch had ik ook bij de tweede poging heel veel moeite met dit boek. Dit komt vooral omdat een film, of een geïllustreerd boek me zo veel meer hadden verteld dan alleen de tekst kan.

Ik had telkens grote moeite met paragrafen waarin kennis opgestapeld werd die ik niet bezit. En het boek staat daar vol mee, omdat het zo veel beschrijvingen bevat:

“Note the fining-upward cycles,” Anita said. “Those are crossbedded sandstones with mud clasts at the base, rippled to unevenly bedded shaly siltstones and sandstones in the middle, and indistinctly mud-cracked bioturbated shaly siltstones with dolomite concretions at the top.” [95]

Nochtans is dit in opzet en uitvoering een bijna belachelijk simpel boek. McPhee ging enkele malen op pad met de geologe Anita Harris — beginnend in New Jersey — en die las voor hem het landschap; en verklaarde daarbij hoe dit gevormd kon zijn.

Nu ja, ik ken dat landschap niet. Woorden schieten ook daarom tekort. Mijn voorstellingsvermogen kan mijn lacunes in kennis niet aanvullen.

Dus blijft er weinig hangen van dit boek. Behalve dan dat me bij eerste lezing niet was opgevallen dat het uit verschillende reportages bestaat, en de tekst daarom wat overlappingen bevat.

Wel maakte Anita Harris’ weigering indruk, om geologie alleen uit plaattektoniek te willen verklaren — of Wegener’s theorie van de driftende continenten. Omdat ze vrij eenvoudig aantoont dat dit heldere concept zo veel onnozele wetenschap oplevert. Lang alles niet wat bestaat is te verklaren vanuit éen verklaring alleen.

John McPhee, In Suspect Terrain
200 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1991, oorspronkelijk 1983

Irons in the Fire ~ John McPhee

McPhee heeft drie boeken over geologie geschreven, waar ik vrijwel niets mee kan. Toch zijn deze boeken wel in mijn bezit. Blind gekocht ooit. Omdat hij in de bundel Irons in the Fire ooit zo’n briljant artikel over geologie gebundeld heeft.

Die reportage heet ‘The Gravel Page’. En het stuk is zo opmerkelijk, omdat het toont dat geologie meerdere directe toepassingen heeft, waarvan het nut ook voor mij duidelijk is.

De mensen die aan het woord komen bij McPhee kunnen van elk beetje zand met grote waarschijnlijkheid nagaan waar ter wereld dit weg komt. Sterker nog is dat zelfs geologen dit in de Tweede Wereldoorlog al konden.

Japan bestookte toen het vaste land van de VS met brandballonnen, die eerst in de straalstroom duizenden kilometers over de oceaan waren gereisd. Die ballonnen voerden ballast mee, dat op de geëigende momenten geloosd werd. Deze ballast bestond uit zand, van een Japans strand. En omdat de VS wist uit te vogelen welk strand dit zou kunnen zijn, konden de fabrieken gebombardeerd worden waar het waterstofgas voor de ballonnen gemaakt werd.

Is dit nog maar éen voorbeeld uit dat artikel.

Overigens kijk ik nu wel anders naar dit stuk dan ruim tien jaar geleden, bij eerste lezing. Tegenwoordig ben ik veel sceptischer over claims dat met zulke wetenschappelijke methoden misdaden zijn op te lossen. Die rieken me inmiddels te veel naar overheidspropaganda, om het volk te imponeren. Een TV-serie als CSI, waar onderzoekers door technische kennis misdaden oplossen, is naast vermaak meer. De Staat betaalt mee om het publiek in te peperen hoe geavanceerd opsporingsdiensten tegenwoordig werken; zelfs al worden daarbij de mogelijkheden om technologie in te zetten sterk overdreven.

Het titelverhaal van Irons in the Fire gaat ook al over het handhaven van de wet. McPhee gaat daarin op pad met controleurs in Nevada, die kalverdiefstal moeten voorkomen.

Eén ander artikel uit deze bundel is inmiddels verouderd. De computertechniek die blinden tegenwoordig ten dienste staat, is geavanceerder dan de primitieve praatsoftware waarvoor zo veel aandacht is in ‘Release’.

Voor het overige toont dit boek McPhee een aantal keren op zijn best. Gaat hij gewoon ergens naar toe, onderzoekt hij een schijnbaar normaal verschijnsel, is daar toch altijd meer en boeiender over te vertellen dan van tevoren gedacht.

John McPhee, Irons in the Fire
216 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1998, oorspronkelijk 1997

Map That Changed the World ~ Simon Winchester

Darwin heeft de naam het meest gevaarlijke idee uit de geschiedenis te hebben gehad. Maar zijn inzichten over de oorsprong van soorten ontstonden niet vanuit het niets. Voordien was er op allerlei gebieden al beweging; en waren er velen bezig geweest met het ondermijnen van de wetenschap dat God de aarde met alles daarop geschapen had, in zes dagen.

Vooral de kennis over geologie heeft bijgedragen aan de wetenschap dat de schepping niet heeft plaatsgevonden in de nacht van zaterdag op zondag, van 23 oktober, in het jaar 4004 voor Christus, zoals bisschip Usscher claimde. Alles was veel en veel ouder.

En goed, dan begint ook die geologie ergens. In dit geval in Engeland. Met het werk van William Smith [1769 – 1839] onder meer. En dan had deze man een tragisch leven. Mede omdat hij geen gentleman was, en geen opleiding had gehad, maar moest werken voor de kost. En enkel door dit standsverschil al werd hij genegeerd door het stelletje heren dat de Geological Society of London oprichtte; hoewel deze vervolgens wel zijn werk plagieerden.

Smith maakte onder meer als eerste een kaart, met de geologie van Wales, Engeland, en de Schotse laaglanden. En deed in zijn eentje alle veldwerk daarvoor. Zonder geld te hebben, achtervolgd door schuldeisers.

Smith was ook degene die met het gevaarlijke idee kwam dat aardlagen overal in dezelfde volgorde voorkwamen — zelfs al kwamen ze soms ook ergens aan het oppervlakte uit, doordat ze niet horizontaal lagen — zodat fossielen uit zo’n laag gebruikt konden worden om deze te dateren.

En dan is dit een verhaal dat verteld moet worden. Maar dan blijkt Winchester weer net te veel een popularisator, die het allereerst om de leesbaarheid van zijn boek gaat, en pas dan om de kennis.

Ofwel, ik kwam meer te weten over William Smith dan hoefde — vooral omdat er betrekkelijk weinig te vertellen is. En ik leerde te weinig over het geestesleven uit de tijd waarin hij opereerde. Die oprichting van zo’n Geologisch genootschap komt ergens weg, bijvoorbeeld.

En al kwam die er misschien slechts omdat er behoefte was aan onderzoek; omdat zo veel landheren hoopten op steenkoollagen onder hun landerijen; wat een snelle manier was om rijk te worden — zoals nu spontaan mijn vermoeden is. Die kennis staat wel in het boek, maar expliciet; omdat William Smith altijd rijke bewonderaars vond die hem wilden inhuren. Maar als me dat soort kennis in een wat groter verband was aangereikt, had Smith’s prestatie net wat meer reliëf gekregen.

Simon Winchester, The Map That Changed the World
The Tale of William Smith and the Birth of a Science

352 pages
Viking, 2001

Menselijke maat ~ Salomon Kroonenberg

Als iemand, of hele groepen mensen, hard hun gelijk komen opdwingen, wordt ik wantrouwig. Zelfs al ben ik het misschien in eerste instantie nog zo met ze eens. En al hebben ze nog zo’n imposante maatschappelijke status.

Daarom wantrouw ik vrijwel alle economen. Daarom heb ik grote moeite met iedereen claimt dat er rampen komen door de opwarming van de aarde.

Zij weten ook heel veel niet, naast wat ze zo stellig beweren, lijkt me.

En nee, dit is geen wegkijken van mij. Als wetenschappers hebben gemeten dat 2010 het warmste jaar ooit is, lijkt me dat een hard feit. Ook al is dan nog een vraag tot hoe ver terug in de tijd er overal ter wereld, op representatieve plekken, buiten de steden, metingen zijn gedaan met betrouwbare thermometers.

Het gaat me erom wat er vervolgens met zo’n feit gebeurt. Omdat dit ineens dient als bewijs dat het alleen maar erger kan worden. En omdat zo veel wetenschappen wel aardig zijn in het reconstrueren hoe het gegaan is, maar ze dit niet automatisch de wijsheid geeft om goede voorspellingen te doen.

In het verleden zijn er bijvoorbeeld vaker periodes geweest dat het warmer wordt, of kouder. En dan klapte er ineens iets om, en zette de trend niet door.

Begin jaren zeventig wisten nogal wat wetenschappers zeker dat de nieuwe ijstijd eraan zat te komen. Zo veel wist ik al. Van Salomon Kroonenberg leerde ik dan weer dat die koudeperiode na enkele decennia ophield in 1977, en dat vrijwel iedereen de paniekstemming van toen vergeten is.

Kroonenberg is geoloog, en in die wetenschap kijken ze niet op een miljoen jaar meer of minder. Bovendien zijn ze gespitst op cyclische gebeurtenissen; of in elk geval is een vraag of evenementen zich zullen herhalen.

Een vulkaan die minder dan tienduizend jaar geleden nog is uitgebarsten, wordt nog altijd gezien als een werkende vulkaan, zo staat er meer dan eens in het boek. Maar vertel dat aan de mensen die vlak bij een vulkaan gaan wonen, omdat de grond er zo vruchtbaar is.

Plus, geologen hebben uitgezocht waarom een landschap eruitziet zoals het eruitziet. Waarom er ergens eindmorenes liggen. En daardoor weten we dat er niet éen grote ijstijd heeft plaatsgevonden, maar er meerdere zijn geweest. Wat dan ook weer wijsheid verschaft over hoeveel tijd er tussen die ijstijden zat.

Daardoor is met grote zekerheid te zeggen dat er een nieuwe ijstijd aankomt. Vraag alleen niet of we daarvoor alvast een datum in de agenda kunnen prikken.

Kroonenberg jent leuk in dit boek, De menselijke maat, door ietwat belachelijk te maken dat zelfs klimaatdeskundigen hoogstens in trends over decennia denken, waar dat op zijn minst eeuwen zou moeten zijn.

Hem lijkt het ook geen probleem dat het CO2 gehalte in de atmosfeer stijgt — dat maakt de komende ijstijd misschien wat draaglijker.

Maar die rol kende ik al van hem, uit de media. Ik waardeerde dit boek vooral om de vele nieuwe feiten die ik leerde; over geologie vooral; en over wat hij zijn studenten probeert bij te brengen.

Zo is er ineens de wetenschap dat Nederland ergens bij Sittard kantelt; waardoor Zuid-Limburg omhoog gaat, en de rest kalmpjes daalt.

En er was dat ene feitje over klimaat wat me onbekend was. Het gegeven dat klimaat puur gedefinieerd wordt door te kijken hoe het weer was over een periode van dertig jaar.

Dat is weer die ene generatie, ofwel de tijd van iemands werkzame leven.

Ik weet niet wat ik dacht. Maar klimaat zal iets voor me geweest zijn als de verzameling van alle eeuwen aan weer die we kenden over een gebied. Een soort algemeen gewogen gemiddelde, waarop dan deviaties te berekenen zijn; en dat soort statistische grappen.

Alleen door dat lullige definitietje ben ik al perplex.

Salomon Kroonenberg, De menselijke maat
De aarde over tienduizend jaar

334 pagina’s
Atlas, 2006

Silk Parachute ~ John McPhee

McPhee vond het lang wel volstaan om enkel zijn boeken voor hem te laten spreken. Interviews met de auteur zijn schaars. Publieke optredens zeldzaam. Dus valt het nogal op dat in zijn meest recente bundel Silk Parachute ineens inkijkjes in zijn persoonlijk leven staan.

Ik schrok daar wat van.

Als zelfs McPhee op een meta-manier over zijn eigen werk gaat schrijven, kan het einde van diens carrière weleens ras naderen.

Nu goed, hij is ook al tachtig.

McPhee kan bij mij op een haast kritiekloze bewondering rekenen. Toch vraag ik me bij een aantal stukken af wat dit boek lezers zou zeggen die verder geen werk van hem kennen.

De twee belangrijkste meta-stukken in dit boek riepen bij mij al gemengde gevoelens op. Als McPhee beschrijft wat hij allemaal voor rare zaken gegeten heeft, in ‘My Life List’, wordt daarbij ruim geciteerd uit oudere stukken. En ik merkte die citaten steeds over te willen slaan bij het lezen. Alsof het geen pas gaf die woorden daar te zien, buiten hun normale context.

‘Checkpoints’ is dan weer een opvallend essay over ‘fact checking’; dat ambacht waar ze in de Nederlandse media nog nooit van gehoord hebben. McPhee bekende hierbij weleens een statistiek te verzinnen, vanuit de zekerheid dat de New Yorker toch wel moeite zal doen het juiste getal te vinden.

Dit essay verplicht me overigens wel om eens na te denken of ik alleen al anders schrijf dan McPhee vanwege het ontbreken van achtervangers, die nog eens kijken of het wel klopt wat ik beweer.

Tegelijk kan ik McPhee zeer bewonderen op de details die hij biedt in zijn teksten, maar gaat het daarbij altijd om de aard van het gegeven detail, op dat moment, en die plaats in de tekst. Of dat gegeven klopt, is al veel minder interessant.

Meest onverwachte essay uit deze bundel is ‘Spin right and shoot left’, over de onbekende teamsport lacrosse.

Meest bevreemdende stuk ‘Under the Cloth’, dat over de fotografie van zijn dochter Laura McPhee gaat — zij gebruikt een oude platencamera met gigantische negatieven — omdat er altijd iets ontbreekt aan een tekst die zo zeer over afbeeldingen gaat maar het dan zonder illustraties moet doen.

Zelfs de foto op het omslag is niet van haar.

Die afbeelding verwijst dan weer naar de krijtlaag onder ons deel van Europa, die doorloopt tot ver voorbij Maastricht. Waarbij John McPhee onder meer in de mergelgrotten van de Sint Pietersberg is gaan kijken hoe de wereld er bij lag.

Waarmee hij overigens weer eens illustreerde dat geologie wel degelijk boeiend te maken is, met de juiste details. Eén millimeter per eeuw groeide die kalklaag, naar schatting. Zie de witte kliffen bij Dover, en kijk naar iets dat miljoenen jaren koste om er zo hoog te kunnen uitzien.

John McPhee, Silk Parachute
227 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, 2010

Waarom de hel naar zwavel stinkt ~ Salomon Kroonenberg

Doorgaans worden de oceanen het grootste onbekende gebied op aarde genoemd. Maar Salomon Kroonenberg laat zien dat we van die aarde zelf ook nog betrekkelijk weinig weten.

Dieper dan een kilometer of twaalf is er nooit geboord. Terwijl de afstand tot de kern nog een heel stuk verder ligt.

Dus duurde het lang voordat er een idee was dat verklaren kon waarom de aarde zich gedraagt zoals deze zich gedraagt. Het tegenwoordig gebruikte model bestaat eruit dat de aarde een toverbal is, opgebouwd uit verschillende lagen. De kern zou daarbij vast zijn, maar een laag daaromheen vloeibaar.

Tegelijk komt er wel degelijk van alles uit de diepten van de aarde naar boven. Vulkanen zijn zo’n ventiel, van een hotspot die nog weer onder de aardschol kan liggen.

Ook de aardlagen met diamanten komen uit de diepte weg.

Kroonenberg valt het overigens op dat wij in de mijnen zo gretig zijn om ertslagen en andere nuttige aardlagen af te graven, dat de kennis over hoe zulke lagen eruit zien heel makkelijk mee vernietigd wordt.

Het boek Waarom de hel naar zwavel stinkt gaat vooral over mensen die speculeerden over hoe het daaronder eruit zag; zonder daarbij geremd te worden door kennis. Niet voor niets wordt de verblijfplaats van de duivel in de onderwereld gesitueerd. Maar ook een jongensboek als Naar het middelpunt der Aarde van Jules Verne levert voor Kroonenberg een geïnspireerd hoofdstuk op.

Daarom is deze uitgave ook uit een reisboek; over het oppervlakte van de aarde. Kroonenberg gaat nogal eens kijken hoe iets er nu uitziet.

Meeste indruk maakte daarbij zijn beschrijvingen van de grotten waarin zijn gaan wonen. Zelfs al trokken velen zich uiteindelijk niet uit vrije wil in grotten terug.

Maar willen grotten uitgegraven kunnen worden, kan dat alleen als het gesteente zacht is. Wat niet alle gesteenten zijn.

Het mooist is Waarom de hel naar zwavel stinkt misschien daarom wel als het boek een terloopse inleiding biedt in de geologie. Waarbij enkel het nagaan van wat anderen ooit dachten en schreven al inspirerend blijkt te werken.

Salomon Kroonenberg, Waarom de hel naar zwavel stinkt
Mythologie en geologie van de onderwereld

400 pagina’s
Atlas, 2011

Invention of Nature ~ Andrea Wulf

Een boek hoort niet te worden afgerekend op wat er allemaal niet in staat. En toch miste er iets zo fundamenteels aan Andrea Wulf’s vlot vertelde biografie van Alexander von Humboldt [1769 — 1859] dat mijn waardering voor deze uitgave er sterk door verminderde.

Heel opmerkelijk is bijvoorbeeld dat Wulf veel ruimte neemt om in te gaan op de directe invloed had die Humboldt’s boeken zouden krijgen op latere natuurvorsers. Want Charles Darwin kreeg indertijd zelfs het verwijt dat hij voor zijn verslag over de reis met The Beagle wel erg naar dat Duitse voorbeeld had gewerkt. Zelfs Humboldt’s bloemrijke manier van formuleren leek hij te hebben overgenomen.

Alleen ontbreekt in het boek dan heel opvallend wie of wat eerder invloed hadden op Humboldt’s manier van denken. Terwijl dat, historisch gezien, nogal betekenis heeft.

Andrea Wulf liet na om in te gaan op de betekenis van religie op het natuuronderzoek; op alle wetenschappelijk onderzoek overigens.

Maar wie over geologie ging nadenken, en vervolgens moest constateren dat de Bijbel het weleens heel principieel mis kon hebben over de tijd dat de aarde bestaat, diende deze aanstootgevende ketterij vervolgens wel heel voorzichtig te brengen indertijd.

Tijdgenoten zagen eind 18e eeuw fossielen nog als overblijfselen van de zondvloed.

Speelde er ook nog een stroming als de fysico-theologie, die het natuuronderzoek nuttig achtte omdat zo de grootsheid des Heeren schepping nog eens benadrukt werd. De Bijbel der natuur was de tweede openbaring God’s.

Alexander von Humboldt moet met zijn vernieuwende ideeën over klimaatzones, of diens vermoeden dat Zuid-Amerika waarschijnlijk ooit aan Afrika vast zat, genoeg vijanden hebben geschapen indertijd. Zal het publieke succes van zijn boeken ook niet overal goed zijn gevallen.

Terwijl Humboldt dus éen van de onderzoekers was die mee hebben geholpen om God als verklaring voor alles uit de wetenschap te verjagen, vond de biografe het niet de moeite waard om over dit aspect te schrijven. Ik acht dat een werkelijk onbegrijpelijke omissie; die zelfs tot geschiedvervalsing leidt.

Niemand presteert iets volledig in zijn eentje. De geschiedenis van de wetenschap moet daarom niet te zeer versimpeld worden tot een verhaaltje over grote zieners, die hierin dan ineens het licht zagen. Nee, zulke mensen bouwde verder op wat er was; zelfs als dit was door zich er tegen af te zetten.

Tegelijk is The Invention of Nature wel heel goed in andere dingen. Alexander von Humboldt leefde lang, en leefde mede daardoor in roerige tijden. En de evenementiële geschiedenis zit heel mooi, terloops, in dit boek verweven. Napoleon kwam op, en ging onder. Zuid-Amerika zou zich bevrijden van het Spaanse koloniale bewind, en Pruisen, niet te vergeten, werd het machtigste van de Duitse landen; hoewel Duitsland nog altijd geen eenheid was.

Humboldt was een groot deel van zijn leven kamerheer van de Pruisische vorst — en hij moest die betrekking in dat oervervelende Berlijn wel houden, want hij had het traktement nodig. De vorst had overigens 250 kamerheren. [En Wulf verklaart mij onvoldoende waarom Humboldt blijkbaar nergens anders terecht kon].

Dus bood Andrea Wulf ook een heel aardig beeld van hoe wetenschap gefinancierd werd indertijd. De wetenschappers zelf waren de grootste mecenassen. En die grote onderzoeksreis die Humboldt ooit nog door Rusland maakte, kwam er enkel omdat de Tsaar eiste dat de onderzoekers grondstoffen en bodemschatten zouden vinden.

The Invention of Nature
werd nogal enthousiast ontvangen in 2015. Wat mede zal komen door een omissie in de Angelsaksische cultuur. Door liefst twee wereldoorlogen is alles wat naar Duitse cultuur riekt er zo goed als vergeten. Kon Andrea Wulf evenwel overtuigend aantonen dat latere kopstukken uit het Britse en Amerikaanse natuuronderzoek nogal schatplichtig waren aan die ene avontuurlijke Pruisische kamerheer. Humboldt muntte weliswaar niet zelf het begrip ‘ecosysteem’, maar hij wees een navolger wel de weg naar dit idee dat alles in de natuur met elkaar samenhangt. En daarmee ook dat de mens niet eindeloos van de natuur nemen kan, zonder dat dit gevolgen hebben zal.

Zal dus ook aan het succes van deze uitgave hebben bijgedragen dat het mode is om de opwarming van de aarde aan menselijk handelen te verwijten. Het boek past goed in het huidige idee dat de aarde veel makkelijker gekwetst kan worden dan gedacht. Wat dan zwaarte krijgt door het besef dat dit al een oude idee is. Van mensen bovendien die wel meer goed hadden gezien.

Andrea Wulf, The Invention of Nature
The Adventures of Alexander von Humboldt
The Lost Hero of Science

473 pagina’s
John Murray 2016, oorspronkelijk 2015

IJstijden ~ Gemma Venhuizen

Over tien, vijftien jaar kan ik opnieuw een inleidend boek lezen over de ijstijden, en dan zal bijna alles weer als nieuw zijn. Om éen of andere reden beklijft informatie over dit onderwerp nooit; zo is al gebleken.

Deels kan dit trouwens door de gebruikte benamingen komen. De ijstijden blijken per regio nogal eens anders te heten, omdat hun invloed plaatselijk verschild heeft. Zo hebben de Amerikanen er eigen begrippen voor, die niet lijken op de termen die in Noordwest-Europa in gebruik zijn — de ijsgletschers daar kwamen er ook niet uit Scandinavië, zoals hier. John McPhee’s werk lezen helpt dus niet om mijn kennis automatisch te doen toenemen — kan hij nog zo veel door mij geliefde boeken hebben geschreven.

De Elster-ijstijd, of Elsteriën, is de oudste periode die er hier onderscheiden wordt. Precieze data zijn daar niet aan te koppelen. Hoogstens dat daardoor meer dan 410.000 jaar geleden hier het land met ijs bedekt was.

Brak vervolgens het Holstein-interglaciaal aan, dat 40.000 jaar duurde.

Daarna waren er de Saale-ijstijd, of Saaliën, het Eem-interglaciaal, en tenslotte de Weichsel-ijstijd, ofwel het Weichseliën — die honderdduizend jaar duurde, en liep tot 11.500 jaar terug.

Het zijn ook allemaal geen namen die dagelijks in de conversatie voorkomen.

Gemma Venhuizen’s boek over de ijstijden is er éen uit de reeks Elementaire deeltjes van Amsterdam University Press. Dit betekent dat er slechts een inleiding in het onderwerp volgt — wat volgens mij vaak ook al wel volstaat — en dat er in zo’n boek weleens gepoogd wordt om de lezer op andere manieren bij het onderwerp te betrekken.

In IJstijden biedt Gemma Venhuizen bijvoorbeeld een fietstocht aan door Overijssel, beginnend bij de Stuwwal van Ootmarsum, die tijdens het Saaliën gevormd is door een 200 meter dikke laag ijs.

Deze tocht voert onder meer langs het Lutterzand — waar geologen van over de hele wereld naar toe trekken om de Laag van Beuningen; een laag kleine steentjes die ooit de oppervlakte van een poolwoestijn vormde tijdens de laatste ijstijd.

En het is mooi en nuttig als een landschap beschreven kan worden aan de hand van wat daar tienduizenden jaren terug allemaal plaatshad. Want dat kan helpen om elders voortaan beter te kijken.


illustratie die ik hier nuttig vind, maar die het boek ontbeert

Voor dit moment volstaat misschien de wetenschap wel dat de stuwwallen die ik ken van mijn fietsen, zoals die in Gaasterland of bij Steenwijk, uit het Saaliën stammen. Of dat ook de heuvels elders boven de rivieren in Nederland tijdens de een-na-laatste ijstijd werden gevormd.

Tijdens de laatste ijstijd reikten de gletsjers niet tot hier; en was er enkel permafrost.

Is er ook de kennis nog dat alles wat tijdens de ijstijden hier plaatsvond elders in het echt bestudeerd kan worden; zoals op Spitsbergen.

Gemma Venhuizen, IJstijden
128 pagina’s
Amsterdam University Press, 2014

Wereldbedreigende rampen ~ Bill McGuire

Zelden las ik een boek dat zo duidelijk toonde hoe toevallig onze wereld werd zoals die is.

Bill McGuire werkt als vulkanoloog. In de Britse media draagt hij weleens de bijnaam Disasterman. Want hij weet nogal wat over het zo vreemd dunne laagje aarde dat wij bewonen; dat niet altijd stabiele korstje om een verder vloeibare planeet.

Belangrijkste nieuwe kennis die dit boek me opleverde is dat ook het klimaat waarschijnlijk invloed heeft op de activiteit van vulkanen, en daarmee zelfs de beweeglijkheid van de tectonische platen. Alle extra CO2-gas in de dampkring kon weleens meer effecten hebben dan dat daarmee enkel de aardatmosfeer sneller opwarmt. De aarde lijkt er ook onrustiger van te worden.

Omgekeerd is al even duidelijk dat vulkaanuitbarstingen het klimaat sterk kunnen beïnvloeden. Zo was 1816 in Europa en de VS een jaar zonder zomer, omdat aan de andere kant van de wereld de vulkaan Tambora op het eiland Soembawa was uitgebarsten — de grootste uitbarsting in de recente geschiedenis.

Dat was alleen lang niet de grootste vulkaanuitbarsting ooit.

Wat McGuire doet is geschiedschrijving op zijn grootst. Geologen kijken namelijk niet op een eeuw of wat. Als iets elke tienduizend jaar éen keer plaatsvindt, is dat voor hen al een regelmatig voorkomende gebeurtenis.

En, zijn enorme kennisvoorsprong maakt Wereldbedreigende rampen tot een wat merkwaardig boek. Bill McGuire heeft al lang terug een keer verwerkt wat er gebeuren zal wanneer die-en-die vulkaan ergens uitbarst. Hij weet zelfs welke natuurrampen eigenlijk alweer eens plaats hadden moeten vinden, statistisch gesproken.

De nieuwe ijstijd is te laat.

Dit is daarmee een boek dat enerzijds schetst hoe de wereldeconomie zal imploderen als de onvermijdelijke aardbeving onder Tokyo er eindelijk komt, of wat een nieuwe ijstijd gaat betekenen. Massa-immigratie naar het zuiden zal dan het gevolg zijn, en daarmee oorlog om gebied, grondstoffen, en water.

Helpt niet mee dat hij signaleert dat een complete klimaatsomslag er hier in slechts enkele jaren kan zijn. Weliswaar ontbreekt de precieze kennis over wat maakt dat de golfstroom in de Atlantische Oceaan loopt zoals deze loopt. Het verleden heeft geleerd dat de normale stroming binnen een paar jaar verdwenen kan zijn.

Sowieso gaat het tal natuurrampen ieder jaar toenemen door de huidige opwarming van de atmosfeer.

McGuire’s perspectief in het boek is dat van de wetenschapper, die weet dat aarde waarschijnlijk meermaals niet meer dan een ijsbal was die door de ruimte bewoog. En aan die totale bevriezing is door onbekende redenen toch ook telkens weer een einde gekomen.

Deze schrijver vergoelijkt zijn doemscenario’s meermaals met de iets te laconieke constatering dat zo’n natuurramp niet per se het einde van de mensheid hoeft te betekenen. Er zijn nu al meer dan zeven miljard van ons. Een paar zullen alle komende ellende allicht kunnen doorstaan.

En gek genoeg hielp die geruststelling toch niet echt.

Boeken hebben zelden een soundtrack voor mij. Wereldbedreigende rampen maakte alleen wel dat ik met regelmaat een refrein in mijn hoofd kreeg. Want een andere McGuire maakte ooit de bepalende versie van The Eve of Destruction.

And marches alone can’t bring integration
When human respect is disintegratin’
This whole crazy world is just too frustratin’

And you tell me over and over and over again my friend
Ah, you don’t believe we’re on the eve of destruction

Bill McGuire, Wereldbedreigende rampen
144 pagina’s
Amsterdam University Press, 2016
vertaling door Tijmen Roozenboom van Global Catastrophes: A Very Short Introduction, 2014