Leven op stand ~ Ileen Montijn

Op boeklog zondig ik vrij zorgeloos tegen basisregel nummer éen voor recensenten die in massamedia publiceren. Ik geef hier ook mijn ideeën over een boek weer, als dit het enige is dat ik ooit van een auteur heb gelezen. Terwijl ik daardoor niet weet wat er eigen aan zo’n schrijver is, en wat uniek aan het gelezene.

Maar geen massamedium zal mij toestaan een tien jaar oud boek te recenseren, dat misschien niet eens meer in de handel is, domweg omdat de auteur mij is gaan intrigeren.

Twee boeken heb ik van Ileen Montijn in handen gehad, en dat is genoeg om nu ook verder alles van haar te willen lezen. Zij kijkt op een manier naar de geschiedenis die me goed bevalt. Doordat ze steeds probeert te reconstrueren wat ooit normaal was, en hoe zeer dit toch afwijkt van wat wij in vrij korte tijd normaal zijn gaan vinden. Dit maakt geschiedschrijving zo veel interessanter dan wat standaard aan abstracties in de boeken en canons opduikt; die vervelende politiek altijd, of die toevallige oorlogen. In boeken als de hare wordt het verleden juist levend.

Leven op stand boeit me bijvoorbeeld als het beschrijft wat sociologen ‘gezonken cultuurgoed’ noemen. Wat ooit alleen voor de rijken was weggelegd, kon op den duur iedereen zich veroorloven. Zoals aparte slaapkamers, maar ook verwarming in elk vertrek, of een douche elke dag.

En anders wel: de luxe om met het licht op te kunnen schrijven, zoals nu, omdat het toevallig een erg grijze zondagmiddag is. Want, als iets opvalt aan het leven in de hogere kringen, zoals Montijn dat beschrijft, is dat rijk toen in vele opzichten niet aanvoelt als wat wij als rijkdom ervaren. Ook de gegoede burgerij in Nederland leefde lang erg zuinig.

Mooiste hoofdstuk voor mij in dit boek heeft de fraaie titel ‘pudeur’. Dat gaat onder meer over lichamelijke verzorging, en hoe het zat met de persoonlijke hygiëne een eeuw geleden [onze normen zijn erg veel strikter]. Zo had ik me nooit afgevraagd waarom onze voorvaderen zo verzot leken op het dragen van lange onderbroeken, en wij niet meer. Maar alleen al door Montijn’s uitleg hoe moeilijk het was om bovenkleding te wassen, is me meer duidelijk geworden. Als die wollen of zijden kleding maar niet in aanraking met de huid kwam, kon deze het langer zonder zo’n moeizame wasbeurt doen.

Aan het aloude cliché ‘in geuren en kleuren vertellen’, valt vooral op hoe zelden de reukzin eigenlijk wordt aangesproken in een boek. Montijn bracht die overdracht in dat ene hoofdstuk wel even tot stand. Enfin.

Ileen Montijn, Leven op stand
1890 – 1940

254 pagina’s
Thomas Rap, 1998

Ueber den Prozeß der Zivilisation ~ Norbert Elias

Toen ik uiteindelijk geschiedenis ging studeren, was dit niet omdat de geschiedenisles op school zo leuk was geweest. Niet dat mijn herinneringen slecht waren daaraan, voor zo ver er nog herinneringen waren tien jaar later. Maar de geschiedenisles vroeg niet zo veel. Ik heb een goed geheugen voor nutteloze informatie, en kan een zin formuleren; en veel meer werd er ook niet geëist op de middelbare school.

Dat ik die studie koos, kwam mede door dit boek. Omdat het me leerde dat er ook op een andere manier naar het verleden te kijken was, dan door jaartallen te memoreren, of grote mannen te herdenken. Bovendien vertelde Elias in zijn beschouwingen over het verleden ook heel wat over het nu.

Daarbij kwam dat ik dit in sommige opzichten een heel geestig boek vond. Gek dat er nu zo zelden op dat aspect gewezen wordt.

Misschien kwam dit door Elias zelf, en diens droge uitleg later van wat hij allemaal bedoeld had. Misschien kwam dat door de serieusheid van zijn veelal Nederlandse discipelen.

Ik bedoel, dit eerste deel heeft in deze uitgave een inleiding van 82 pagina’s. Dat is meer dan een kwart van het eigenlijke boek. En deze inleiding is bovendien onvergelijkbaar veel droger en saaier dan de tekst die daarop volgt.

Elias wilde éen ding doen met zijn Über den Prozeß der Zivilisation, en dat was illustreren hoe wij een steeds groter arsenaal aan regels zijn gaan internaliseren in de omgang met elkaar. Daardoor hebben we heel andere ideeën over wat fatsoenlijk is, of hygiënisch, dan onze voorouders. En tezamen heten die ontwikkelingen dan beschaving, maar eigenlijk doet dit er al niet toe, voor mij.

Evenmin vind ik interessant waar dat verwerken van al die aangeleerde regels dan toe leidt, innerlijk gezien. Wat de psychologische gevolgen zijn.

Voor mij was interessant, en bij het herlezen bleek dit gelukkig nog steeds zo, dat veel van wat vroeger normaal was, nu nogal vreemd overkomt.

Norbert Elias gebruikte voor zijn onderzoek vooral oude etiquetteboeken, zo ongeveer beginnend bij dat van Erasmus. Daarbij het simpele uitgangspunt hanterend dat als tegen bepaald gedrag gewaarschuwd werd, dit waarschijnlijk in ruime mate voorkwam. Zo raadde Erasmus zijn tijdgenoten aan om bij het eten toch liever onder de tafel te spugen, in plaats van erop.

In dit deel gaat het over vele elementaire zaken. Wanneer begon men met een vork te eten, wanneer een servet te gebruiken. Waar deed men zijn behoefte, en wat moest de reactie zijn als er iemand in het zicht zat te poepen. Enzovoorts.

Wat ik vergeten was, is hoe zeer Elias nog tast naar vorm in de eerste hoofdstukken. Hij weet iets geheel nieuws te gaan bespreken, en daar de consequenties van aan te gaan moeten geven, en legt daarom telkenmale uit dat hoe wij nu denken niet was hoe dit toen werd gezien.

Ook was vergeten, of misschien verliep mijn kennismaking met dit boek via een andere editie, is hoeveel bronmateriaal Elias onbewerkt presenteert. Zestiende-eeuws Frans en vijftiende-eeuws Engels, of citaten in Latijn, die staan er allemaal zonder vertaling in. Daarmee terloops ook tonend wat iemand hoorde te weten, zo vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Meer over de ontvangst en implicaties van dit boek in een vervolg

Norbert Elias, Über den Prozeß der Zivilisation
Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen
Erster Band
Wandlungen des Verhaltens in den weltlichen Obersichten des Abendlandes
334 pagina’s
Suhrkamp taschenbuch 1980, oorspronkelijk 1936

Viruses, Plagues, & History ~ Michael B.A. Oldstone

Helemaal eerlijk was het niet, toen ik schreef nooit meer boeken op de groei te kopen; dingen aan te schaffen in het besef er nu niet aan toe te zijn, maar later misschien ooit wel. Ik schuim nog immer de bakken af met boeken voor een euro, die boekhandels en antiquariaten buiten zetten. En koop daar altijd titels die mogelijk nut kunnen krijgen. Naslagwerken. Monografieën.

Onder die impulsaankopen was ooit dit boek. En dat stond ongelezen in de kast, omdat raadpleging online, over wat ik nu eigenlijk had aangeschaft, me leerde dat er betere boeken over dit onderwerp zouden zijn.

Dat zal. Ongetwijfeld. Oldstone is te zeer viroloog om zich altijd om het begrip van de lekenlezer te bekommeren. Dit boek bevat deels nogal technische informatie, bijvoorbeeld als het gaat over hoe het immuunsysteem een virus aanvalt — of wat daarbij mis kan gaan, zodat een virus in de mens overleeft.

Die puur technische informatie had ik nodig, na een week waarin media vooral de gevaren hypte van de varkensgriep — die later om politieke correcte redenen weer geen varkensgriep mocht heten, en Influenza A werd — en het nooit ging om wat griep nu eigenlijk inhoudt. Want, gaat het daarbij wel altijd om virusbesmettingen alleen? Veroorzaken bacterieën niet even vrolijk problemen als iemands weerstand eenmaal gebroken is?

Wetenschappelijk begrip is zowiezo nodig om te beseffen waarom sommige virussen — zoals de varianten die voor griep zorgen — nog altijd voorkomen.

Dit boek is opgedeeld in hoofdstukken over twee soorten virussen. Het begint met de virussen die de mens vrij succesvol overwonnen heeft, zoals pokken, en polio, en eindigt met de kwaaiere soorten.

Deels vertelt Oldstone daarbij de wereldgeschiedenis na, maar nu eens gezien vanuit de beslissende betekenis die virussen hadden. Vooral de pokken hebben de historie enkele malen beslissend beïnvloed. Koningen stierven eraan, waardoor hele dynastieën ophielden te bestaan. En de oorspronkelijke inwoners van de Amerika’s hadden er geen weerstand tegen, zodat ze door een legertje van slechts een paar man al te kolonialiseren waren.

Pokken hebben zelfs in 20e eeuw nog 300 miljoen slachtoffers geëist.

Door de Gele koorts dan weer stierven zo veel oorspronkelijke Amerikanen dat er massa’s negerslaven moesten worden ingevoerd; die er meer immuun tegen waren.

Over AIDS in Afrika heeft Oldstone het nog niet eens heel uitgebreid, maar die ellende daar is ook zo wel voor te stellen.

En dankzij de Spaanse griep verloor Duitsland de Eerste Wereldoorlog. Net op een moment dat ze aan het Westelijke front versterking kregen van de troepen die niet meer tegen de Russen hoefden te vechten, waardoor ze vier soldaten tegenover elke geallieerde militair konden stellen.

Was de vraag toch: ben ik door het lezen van dit boek anders gaan denken over alle virologen in media, of de WHO, die al bijna een grieppandemie heeft uitgeroepen?

Ik begrijp hun zorg iets beter, maar vind het nog altijd enorm overtrokken dat er zo veel paniek is gezaaid. Of dat nu alle grieplaboratoria ter wereld non-stop moeten werken aan een vaccin tegen die Mexicaanse varkensgriep. Of dat de leugen geplant is dat een snelle ingreep van de autoriteiten betekent dat alles onder controle blijft.

Big Pharma profiteert ook iets te opzichtig door de enorm gestegen verkoop van symptoomonderdrukkers als Tamiflu.

Er sterven jaarlijks tienduizenden mensen wereldwijd aan de griep. Dat slordige dozijn aan deze nieuwe variant valt daarbij in het niet. Bovendien sterven er vele mensen aan griepvaccinaties.

Omdat influenzavirussen voortkomen uit het contact tussen mensen en dieren, en ook om hoe het immuunsysteem op griep reageert, is er betrekkelijk weinig bescherming tegen influenza mogelijk. Er zullen altijd nieuwe virusvarianten opduiken. Volledige immuniteit bestaat niet — zelfs als iemand een bepaalde griep al gehad heeft, kan die er toch weer slachtoffer van worden.

Preventieve vaccinaties zijn 30% tot 70% effectief om ziekteverschijnselen te verminderen; maar kunnen al evenmin maken dat iemand de griep niet krijgt.

Dit boek gaat ook over het gepiel van wetenschappers om oplossingen te vinden. Over de schaarse doorbraken daarbij. Over de tijd die alles kost te ontdekken, omdat zoiets simpels als een griepje niet zo eenvoudig is als misschien lijkt.

Of in het proza van Oldstone:

In addition to antigenic shift, which signifies major changes in existing viruses, antigenic drift permits slight alterations in viral structure. These follow pinpoint changes (mutations) in amino acids in various antigen domains that relate to immune pressure, leading to selection. For example, the hemagglutinin molecule gradually changes while going antigenic drift. Such mutations allow the virus to escape from attack by antibodies generated during a previous bout of infection. Because these antibodies would ordinarily protect the host by removing the virus, this escape permits the related infection to remain in the population.

With these difficulties of antigenic shift and, drift and animal reservoirs, it is not surprising that making an influenza vaccine as effective as those for smallpox, poliovirus, yellow fever, or measles is difficult to achieve. [185]

Michael B.A. Oldstone, Viruses, Plagues, & History
211 pagina’s
Oxford University press, 1998

Big Necessity ~ Rose George

Ik mag altijd graag de rioolwaterpomp tot grootste uitvinding van de mensheid uitroepen. Dat is dan meestal als provocatie bedoeld, zeker. Maar de rol van de simpele ingenieur in de geschiedenis van de mensheid wordt me meestal te makkelijk onderschat. Net als dat altijd de verkeerde zaken wél belangrijk worden gemaakt.

In The Big Necessity komt Rose George met een simpel statistiekje. De uitvindingen om poep zo goed mogelijk uit de buurt van het drinkwater te houden, hebben de gemiddelde levensduur van de mens met zeker twintig jaar verhoogd. Die is alleen daardoor al zo veel minder vatbaar voor ziekten.

Waar er werkende riolen zijn, of de afvoer op een andere manier goed geregeld is, zijn de mensen gezonder, wat ze productiever maakt. Of, als het om kinderen gaat, alleen daardoor gaan er meer naar school.

Dat kroonprins Willem-Alexander zo flink aan het watermanagement doet, is dan ook wat eufemistisch gesteld. Hij helpt mee om mensenpoep uit de buurt van drinkwater te houden. Willem-Alexander doet dus vooral aan poepbeheer.

Tegelijk is het onnozel om daar lacherig om te gaan doen. Cholera en tyfus zijn ziekten die vooral verspreid worden via verontreinigd drinkwater. Miljoenen kinderen sterven daardoor per jaar. Of, volgens weer een ander statistisch weetje uit het boek, een aantal dat vergelijkbaar is met het crashen van twee Jumbojets vol kinderen elke vier uur.

En, zoals Rose George schrijft, zolang 2,3 miljard mensen op de wereld niet over fatsoenlijke sanitaire voorzieningen kunnen beschikken, is poep een doodserieus onderwerp.

De auteur van The Big Necessity is journalist. Voor het boek betekende dit dat ze telkens overal gaat kijken, in plaats van achter de schrijftafel over het onderwerp te filosoferen. Dus mag de lezer mee op onderzoek in het riool in Londen en New York, en naar rioolwaterzuiveringen. Leert de lezer ook hoe publieke toiletten eruit zien — in China zijn dat een soort gemeenschapsruimten waar iedereen alles van elkaar zien kan. Ook worden arme gebieden in India bezocht; waar het kastestelsel op sommige plaatsen alle normale ontwikkelingen tegenhoudt. Fatsoenlijke mensen praten namelijk niet over poep.

Dit had gezien alle problemen die aan het onderwerp kleven makkelijk een prekerig boek kunnen worden. Maar knap is alleen al dat Rose George zelfs in de meest ellendige omstandigheden nog de humor van situaties weet te vinden. Want, wat is de etiquette als je in een veld zit te poepen, en er komt een auto langs? En hoe veranderde dat met de toename van het wegverkeer?

Bovendien is dit boek bijzonder informatief. Zelfs over de technische ontwikkelingen. Er staat veel in, en dan altijd goed in een context geplaatst. Ik zou normaal ook niet geïnteresseerd zijn in de vraag wat biogasinstallaties voor het Chinese platteland kunnen betekenen. Maar, als een bekwaam auteur zo’n onderwerp oppikt, wordt het interessant, en stelt het wezenlijke vragen; zoals nu. Want, als zo’n biogasinstallatie alleen werkt bij voldoende aanvoer, moeten mensen er dan maar varkens bij gaan houden?

Mooiste hoofdstuk vond ik evenwel dat over de Japanse hightech-WC’s; met hun ingebouwde warmwaterdouche. Al blijft wel de vraag open waarom deze technologie niet wil aanslaan buiten het land.

Dat hoofdstuk leerde me bijvoorbeeld dat er een tijd toiletten gesmokkeld zijn, vanuit Canada naar de VS. Toen Amerikaanse wetgeving had opgelegd dat toiletten nog maar zes liter drinkwater mochten gebruiken voor het spoelen, in plaats van de twaalf tot dertien van voordien. Fabrikanten hadden toen lang moeite toiletten te leveren die met minder water even goed werkten.

Laatste staatje: maar 2% van alle water op aarde is drinkwater, en over tweederde daarvan kan niemand beschikken omdat het bevroren is. We gebruiken hetzelfde beetje water telkens weer, noodzakelijkerwijs, en het is zo makkelijk om dat water gedachteloos te verontreinigen.

Rose George, The Big Necessity
Adventures in the World of Human Waste

326 pagina’s
Portobello books, 2008

Pest in de geschiedenis ~ William H. McNeill

Voor de zestiende eeuw kwam de ziekte malaria niet voor de Amerika’s. En nu deze plaag daar wel is, wordt die op minder manieren verspreid dan in Europa, Azië en Afrika; wat nog een extra evolutionair bewijs is dat het probleem daar niet ontstaan kan zijn.

En zo waren er veel meer ziekten die in Europa en Azië hoogstens een tijdelijke plaag waren, of alleen de kinderen troffen, en in Zuid-Amerika ongenadig hard toesloegen. Naar schatting bleef slechts 1 op de 20 tot 25 oorspronkelijke inwoners in leven, nadat er contact kwam met de Europeanen; sinds Columbus.

Ook ik leerde tijdens de traditionele geschiedenisles nog net dat de Europeanen de Amerika’s konden veroveren met hulp van de ziekten die met hun meekwamen. Dat de Europeanen immuun waren, was een gegeven. En getallen werden al evenmin niet genoemd.

Maar zulke lacunes in kennis vallen pas op bij het lezen van een boek als Plagues and people, van de Canadese historicus William H. McNeill. Bij hem doen er, prettig genoeg, redelijk toevallige details niet toe, als wie wanneer wat veroverde. Bij hem gaat het om de constanten in de geschiedenis.

Waar kwam een plaag als de pest weg, bijvoorbeeld? En wat was er nodig om de ziekte zo veel mensen te laten doden?

Want, alleen een dodelijk virus, of een fataal uitpakkende bacterie, volstaat nog niet.

De macht van de Griekse stadstaat Athene werd gebroken door een dodelijke koorts, zo leert McNeill me. Maar eerder of later in de geschiedenis lijkt dezelfde koorts nergens op te treden. En dan geldt ook: als een ziekte iedereen dood maakt die er aan lijdt, is er niets of niemand meer over om de plaag verder te verspreiden.

En bij de pest waren het de zwarte ratten, en hun vlooien, die aan de verspreiding bijdroegen.

In Europa waren dan weer de huizen zo weinig schoon dat zulk ongedierte er in kon overleven. McNeill verklaart het wegebben van pestepidemieën na de zestiende eeuw mede door de toegenomen hygiëne. De huizen kregen glazen ruiten; daardoor werd de vuiligheid binnen zichtbaar, en verwijderd.

Veel van de plagen die de mensheid troffen, kwamen tot ons via een tussengastheer. De variant van de pokken die tot en met de twintigste eeuw zo dodelijk was, bereikte ons waarschijnlijk via een kameel. De pestbacil kwam de wereld in via marmotten, en hun vlooien, die dan weer andere kleine knaagdieren besmetten.

In Amerika ontbreken de meeste van zulke tussengastheren. Vandaar dat het zo veel ziekten nog niet kende, tot Columbus hun kant op kwam. Tegelijk waren er wel zulke bevolkingsconcentraties dat een enkele plaag er fataal kon toeslaan.

En mede door al die beesten, in de omgeving van de mens, zullen er nieuwe ziekten blijven ontstaan, en zullen fatale kwalen de wereld blijven kwellen, zo schreef McNeill.

Toen hij die conclusie verwoordde, was AIDS nog niet eens bekend.

En goed, de soesa die er nu gemaakt wordt bij elk willekeurige griepvariant die te zeer afwijkt van de standaard, is weer een andere uiterste.

Maar dankbaar ben ik voor boeken als deze uitgave. Dankbaar omdat de oppervlakkigheid van de doorsnee evenementiële geschiedenis er zo duidelijk mee wordt aangetoond. Of anders is het wel de immer zo Westers-geöriënteerde positie van zulke geschiedenisboeken.

We kunnen wel druk doen over de uitvinding van het pokkenvaccin, bijvoorbeeld — en geschiedenisboeken genoeg waarin de introductie daarvan nog groot gebracht wordt. Moslimculturen, en de Chinezen, kenden zoiets toen al eeuwen.

William H. McNeill, De pest in de geschiedenis
372 pagina’s
De Arbeiderspers, 1986
vertaling door Tinke Davids van: Plagues and peoples, 1976

Clean ~ Katherine Ashenburg

Lichtvoetige geschiedenisboeken over éen enkel onderwerp, ik hoop daar nog vele van te mogen gaan lezen. Niets maakt beter duidelijk dan zulke werken dat wij nu ook maar wat doen.

Katherine Ashenburg geeft op het einde van Clean aan: waarschijnlijk kijken de mensen over honderd jaar net zo meewarig naar ons, als wij deze geschiedenis lazen. Omdat wij begin eenentwintigste eeuw zo veel water meenden te moeten gebruiken om het idee te krijgen schoon te zijn. Omdat wij zo bang voor bacteriën waren geworden, dat onze kinderen in veel te schone huizen opgroeiden; waardoor ze allerlei allergieën ontwikkelden; want hun immuunsysteem keerde zich tegen henzelf.

Nog betrekkelijk kort voordien vonden mensen het juist gevaarlijk om zich te wassen. Vuil bood bescherming. Het lichaam wassen, stelde het maar gevaarlijk bloot aan allerhande narigheid.

En dan was er in de negentiende eeuw bijvoorbeeld nog het gegeven dat slechts dames van een zeker slag zich wasten; een voorbeeld dat een echte mevrouw toch moeilijk kon volgen.

Ashenburg’s Clean — er zijn meer boeken over dit onderwerp, met krekt dezelfde titel — is in de eerste plaats een West-Europees/Amerikaans georiënteerde geschiedenis, die vooral uitblinkt door hoe laconiek ze de ontwikkelingen uit de laatste eeuwen beschrijft. Over de betekenis van het bad bij de Grieken of de Romeinen stond er voor mij nauwelijks nieuws in. En graag had ik meer kunnen lezen over bijvoorbeeld de Japanse badcultuur, of de sauna, of dat soort stoombaden.

Nu las ik zaken als hoe een hooggeplaatst iemand nog eind negentiende eeuw geen badkamer bliefde in zijn nieuw te bouwen landhuis. Door badkamers zou het gebouw te veel op een hotel lijken.

En ik leerde over de kracht die aan linnen werd toegeschreven; een kledingstukken van linnen dragen was tijd lang aanmerkelijk beter als wassen.

De grootste sterkte van dit boek zit in de anekdotes, en de terzijdes. Die soms ook niet eens deel uitmaken van de lopende tekst. Zo staat er een treffend terzijde in over de uitvinding van het maandverband — oorspronkelijk een nieuw product om gewonde soldaten te verbinden, waarvoor de verpleegsters al gauw een alternatieve toepassing zagen. Tegelijk is dat de enige verwijzing naar menstruatie; terwijl er toch ook ideeën over onreinheid aan dat onderwerp leefden. Niets dat dit boek daarover vertelt.

Dit boek is heel goed in bijvoorbeeld de geschiedenis van de douche, of beter het stortbad. En ook in die van het bidet. Het legt perfect uit waarom wassen met koud water zo lang in de twintigste eeuw zo veel status had in Groot-Britannië.

En uiteindelijk gaat het bij het lezen erom dat wat er staat me boeit, dus moet ik niet al te kritisch worden na ook nog vermaakt te zijn.

Katherine Ashenburg, Clean
An Unsanitised History of Washing

358 pagina’s
Profile Books 2009, oorspronkelijk 2008

Ghost Map ~ Steven Johnson

Karel van het Reve sprak er eens met bewondering over. Hoe knap het was dat iemand de grote cholera-epidemie van 1854 in Londen had weten te herleiden tot de besmetting van een waterbron. Want, voor wie dat verband tussen besmet water en cholera eenmaal kent, lijkt het allemaal zo simpel. Maar kies zonder deze kennis uit alles wat een dodelijke ziekte verspreiden kan maar eens het juiste medium.

The Ghost Map van Steven Johnson is het verhaal van die wetenschapper, en zijn speurtocht naar die verdachte waterbron.

En daarmee is het ook een verhaal over gevestigde belangen, die onderzoeksresultaten bagatelliseren. Of de onderzoeker verdacht maken.

Want, weliswaar vond de medicus John Snow de besmette pomp al gauw. Hij had ook al een tijd de theorie dat besmet water een rol speelde bij cholera. Vervolgens werden zijn onderzoeksresultaten jaren genegeerd. De vigerende theorie was namelijk dat ziekten verspreid werden door vieze lucht. Zelfs al waren de mensen die dagelijks met grote stank in aanraking kwamen, als de doodgravers, de beerputlegers, of de rioolwerkers doorgaans opmerkelijk gezond.

Pas in 1858 toen de Theems zo walgelijk stonk dat het vergaderen in het Britse parlement vrijwel onmogelijk was geworden, werd het mogelijk te twijfelen aan de theorie van de slechte lucht. Omdat er niet meer mensen doodgegaan waren dan normaal, ondanks de ‘Big Stink’.

Dus verwijt Johnson terloops de eigenaren van de waterbedrijven dat deze te lang de autoriteiten beïnvloed hebben niet over de kwaliteit van water na te denken.

Grote delen van het verhaal dat op The Ghost Map volgt, zijn algemeen bekend. Toen eenmaal duidelijk was beerputten niet gezond waren, en drinkwater zo zuiver mogelijk moest blijven, werd met de riolering onder Londen begonnen. De bouw daarvan is een wonder, dus dat verhaal wordt veel vaker verteld.

Daarom vreesde ik vooraf ook een voorspelbaar boek te lezen te krijgen. En dat was dit toch niet.

Verbluffend bleek bijvoorbeeld de rijkdom van het historische materiaal te zijn. Door de onderzoeken uit die tijd is na te gaan dat de besmetting met cholera begon, nadat een baby de ziekte opliep, en de moeder van het kind het waswater van de poepluiers in de beerput bij haar huis gooide. Die beerput lekte. Naar een bron. En toevallig was de pomp die uit deze bron putte een heel populaire bron, vanwege het frisse water.

Goed is ook wat Johnson aandraagt over de manier van denken uit de tijd, en waarom dr. John Snow zo’n bijzondere wetenschapper was — doordat hij methodisch werkte in een tijd waarin men nog niet aan wetenschappelijke bewijzen deed.

En zoals altijd met dit soort verhalen denk ik: hoe zouden mensen over honderdvijftig jaar kijken naar al wat wij voor waar aannemen?

Steven Johnson, The Ghost Map
The Story of London’s Most Terrifying Epidemic–
and How It Changed Science, Cities, and the Modern World

320 pagina’s
Riverhead, 2007

Lekker fris! ~ Mayke Groffen

Waarschijnlijk onthoud ik van dit boek vooral dat Tampax al in 1938 reclame maakte voor tampons — in het katholieke damesblad Libelle nota bene. Want dat is zo’n feitje dat zich onmiddellijk in het geheugen hecht, omdat het me verraste.

Shampoo is nog maar even op de markt. Voorheen volstond zeep wel.

Andrélon is een merk dat door de kapper André de Jong werd bedacht. De schubben die elke haar heeft, zijn nog altijd zichtbaar in de vormgeving van de flessen.

Staan er nog tientallen feiten meer in dit boek. Maar Lekker fris! is toch allereerst een zedengeschiedenis over hoe Nederland in de twintigste eeuw dacht over hygiëne. En daarmee werd het een boek vol meningen. Dat, omdat wij sommige van die opinies nu ouderwets vinden, zo niet volslagen belachelijk, benadrukt dat wat normaal is niet noodzakelijkerwijs ook normaal blijft.

Mayke Groffen ging daarbij prettig systematisch te werk. Ze begint met een hoofdstuk over de ideeën die er leefden over de verzorging van het hoofdhaar. En ze eindigt het boek met een hoofdstuk over de benen en voeten.

Daar tussen komt alles langs. Van oksel tot aars. Van mond tot kruis.

Waarbij dan weer opvalt dat de geschiedenis meestal over vrouwen gaat. Slechts het hoofdstuk over snorren en baarden is exclusief domein van de man.

Dit boek werd uitgebracht ter begeleiding van een tentoonstelling, in het Historisch museum Rotterdam. Die achtergrond valt helemaal niet op — of hoogstens dat ik zien kan dat de schrijver nagedacht heeft over wat er nodig is aan educatie van de lezer. Ook staan er prettig veel plaatjes in.

En Lekker fris! is prettig concreet — zelfs al haalde ook Goffen veel van haar ideeën over hoe het vroeger was uit etiquetteboeken, of werkjes met een opvoedende strekking.

Mij beviel vooral het evenwicht in deze uitgave. Zelfs bij de geschiedenissen die ik wel kende, zoals die van het scheermes, waren er wel illustraties die iets nieuws brachten. En hoewel geschiedenis altijd treurige misverstanden uit het verleden toont, bleef er lucht in het boek.

Mayke Groffen, Lekker fris!
Honderd jaar gezondheid, schoonheid, en fatsoen

319 pagina’s
SUN, 2009

Clean ~ Virginia Smith

Van de drie boeken die ik in 2011 las over persoonlijke verzorging was dit de compleetste. Geen ander werk probeerde zo nadrukkelijk alles te vertellen van wat in de geschiedenis aan ideeën heeft bestaan over wat schoon is.

Geen ander boek negeert ook zo nadrukkelijk wat er in de twintigste eeuw aan spullen bijkwam om het lichaam te verzorgen; want daar bestaan juist wel andere geschriften over. Smith koos er slechts voor om uit deze periode de ideeën over hygiëne te behandelen; en dan vooral de uitwassen daarin; zoals die uit de Hitler-tijd.

Mooi zijn in dit boek vooral de feiten. Of die nu gaan over hoe de make-up-doos van een Egyptische schone eruit zag, tot hoe pas in de Gouden eeuw in de Nederlandse schilderkunst werd vastgelegd dat mensen elkaar ontluisden. Terwijl dit gedrag toch zelfs bij onze familieleden de apen voorkomt, en dus zeer eigen is aan ons soort dieren.

Virginia Smith ziet daarom ook éen constante in alle schoonheidsrituelen. Mensen verzorgen zich, of laten zich verzorgen, omdat ze zich daar beter van gaan voelen. Hang het allereerst van de mode en beschikbare technologie af hoe dit gebeurt.

Een andere constante die ik zie in dit boek is een impliciete kritiek op het Christendom. Omdat in dat geloof wel een erg grote angst voor het lichaam zit, en die door de eeuwen heen tot onbenul en enge vormen van repressie heeft geleid. Terwijl in een andere woestijnreligie als de Islam er bijvoorbeeld wel duidelijke reinigingsrituelen overgeleverd werden.

Alleen weet ik na al mijn lezen nog niet hoe vaak te vaak douchen is, bijvoorbeeld.

Virginia Smith, Clean
A History of Personal Hygiene and Purity

457 pagina’s
Oxford University Press, 2007

Koninkrijk vol sloppen ~ Auke van der Woud

De geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars, zo luidt het cliché. En een andere dooddoener is dan dat historici tot voor kort ook het liefst over winnaars schreven.

Tegelijk hebben de meest waardevolle stukken in archieven en musea vaak een opvallend bescheiden afkomst. Prullaria genoeg die van prinsen en prinsessen bewaard is gebleven. Maar zoiets als de onderkleding van een werkvrouw uit de negentiende eeuw? Daar dacht niemand ooit aan om zoiets te bewaren.

Architectuurhistoricus Auke van der Woud beschrijft in Koninkrijk vol sloppen een geschiedenis van de onaanzienlijken. Hij biedt onder meer het verhaal van hoe de meeste mensen leefden in de steden van de negentiende eeuw. En daarmee hoe ellendig wij die woonomstandigheden vanuit onze luxe zouden vinden.

Nederland was arm in die tijd. De dienstplichtig soldaten waren de kleinste in Europa — door slechte voeding in hun jeugd. Ik heb het voorbeeld vaker gebruikt, ook al omdat de Nederlanders tegenwoordig juist de langste mensen zijn ter wereld.

Eén staatje uit dit boek kende ik niet zo in detail:

De Limburger leeft gemiddeld 40 jaar, de Geldersman, de Fries, de Drenthenaar, de Noordbrabander, de Overijsselaar, de Groninger ongeveer 38 jaar, maar […] in Utrecht leeft men niet langer dan ruim 29 jaar, in Noord-Holland 27 jaar, in Zeeland 26 jaar, in Zuid-Holland slechts 25 jaar.

[De Economist, 1856]

En dan is eigenlijk nog niet eens het interessantst in welke ellende de meeste mensen leefden. Sinds de welvaart hier toenam, is dezelfde armoede domweg geëxporteerd naar telkens andere landen in de wereld. Het productiewerk in de ‘lagelonenlanden’ vond ooit hier plaats in de steden, onder even erbarmelijke omstandigheden.

Mij interesseerde aan dit boek het meest wat er gedaan werd om de ergste uitwassen te verminderen. Hoe zoiets als een verzorgingsstaat kan ontstaan in Nederland, doordat er sociale wetgeving kwam.

Het laatste gedeelte van Koninkrijk vol sloppen bood bovendien uitgebreid feitenmateriaal over de aanleg van de rioolstelsels in verschillende grote steden. Want, ook al heb ik vaak de uitvinding van de rioolwaterpomp éen van de grootste triomfen van de mensheid genoemd, het was raar om wel te weten hoe men uiteindelijk in Londen en Parijs van zijn poep en pies afkwam. En vervolgens geen idee te hebben wat over dit onderwerp in bijvoorbeeld Groningen had gespeeld.

Groningen was overigens laat met een riool. Wat kwam omdat de gemeente zo goed verdiende aan het tonnetjesstelsel. De klus om alle feces te verzamelen was uitbesteed aan de hoogste bieder. En die verkocht het bruine goed vervolgens weer voor flink wat geld aan de landbouw.

Dat het door de tonnetjes overal naar stront rook, omdat de mannen die de boel verzamelden er vaak mee door de woningen moesten lopen. Ach, dat was nu eenmaal zo.

Net zo was het vreemd om wel over de bestrijding van de cholera in Engeland te weten, en niet hoe zulke ziekten in Nederland werden aangepakt.

Want, hoewel het meest uit Koninkrijk vol sloppen me in grote lijnen wel bekend was, wist dit boek me wel degelijk met regelmaat te verrassen. Geschiedschrijving gaat nu eenmaal, voor mij, allereerst om wat als normaal ervaren wordt in een gegeven tijd. En dat ligt toch altijd anders dan gedacht.

Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen
Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw

440 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2010

Home ~ Witold Rybczynski

Zelfs redelijk objectief te noemen geschiedenisboeken kunnen polemisch zijn.

In Home bekijkt de Amerikaanse hoogleraar Rybczynski de historie van twee vrij traag verlopen evoluties. Hoe wonen wij thuis, is daarbij een vraag, en hoe komt dat? En hoe hebben onze ideeën over wat comfort is zich ontwikkeld, in de loop der tijd?

Deze twee ontwikkelingen lopen namelijk niet parallel. Sommige culturen hebben bijvoorbeeld wel de stoel en de zitbank uitgevonden, anderen deden het heel lang zonder.

Weinig mensen ook bouwen hun eigen huis tegenwoordig nog zelf. Laat staan dat ze dit ontwerpen. Voor dat ontwerp zijn al gauw architecten nodig. En Rybczynski is nogal gebeten op deze beroepsgroep. Die vindt het iets te vervelend dat er ook nog mensen moeten wonen in hun scheppingen, zo lijkt het wel.

Ergens eind negentiende eeuw ging het al mis. Juist dan worden de meeste vondsten gedaan die het wooncomfort aanzienlijk kunnen verhogen. Gasleidingen kunnen worden aangelegd, waterleidingen, het riool; en dus ook het watercloset. Elektriciteit komt langzamerhand overal beschikbaar.

En nog steeds verdomden de meeste architecten het toen deze innovaties mee te nemen in hun ontwerpen. Laat staan dat ze zich iets aantrokken van de kennis die er op dat moment al was over isolatie, dubbel glas, of de beste ventilatie.

Rybczynski meent dat de basis voor het moderne huishouden gelegd werd in de Nederlanden, tijdens de Gouden Eeuw. De burgerlijke cultuur hier was allereerst praktisch, en dat leidde tot tal van veranderingen in hoe huizen werden gebouwd en ingericht. Baksteen werd het bouwmateriaal, en in baksteen zijn nauwelijks ornamenten te maken — dus die verdwenen.

Bovendien betekende het bouwen in etages dat er veel duidelijker dan voorheen een scheiding was aan te brengen tussen wat een publieke ruimte was, en wat privé-vertrekken waren.

De uitvinding van de privacy is ook een derde ontwikkeling die in dit boek wordt geschetst.

Home verklaarde me verder onder meer waarom in de VS het toilet in de badkamer staat, en in Europa vaker een apart kamertje krijgt — die badkamer is een Amerikaanse uitvinding uit het einde van de negentiende eeuw. Nieuwe huizen kregen alle sanitair in éen keer in éen ruimte. Klaar. In Europa duurde het vrijwel overal lang voor huizen badkamers kregen, terwijl het toilet toen soms al van buiten naar binnen was verplaatst.

En zo waren er telkens weetjes die mijn begrip verrijkten. Mede omdat Witold Rybczynski zeer leesbaar en dus ook kritisch schreef, is zo’n schijnbaar droog boek als dit toch een heel onverwachte rijkdom.

Witold Rybczynski, Home
A Short History of an Idea

258 pagina’s
Penguin Books, oorspronkelijk 1986