O, Wies! ’t Is hier zo mooi! ~ Hugo de Vries

Bioloog Hugo de Vries verbleef op uitnodiging drie keer in de VS, aan het begin van de twintigste eeuw. Hij schreef vandaar aan zijn vrouw, en aan zijn moeder, maar publiceerde er ook drie boeken over; waarvan in elk geval de eerste een bestseller werd.

Daarom werd dit boek een fraaie mix van genres. Samensteller Erik Zevenhuizen wisselde die brieven af met de meest persoonlijke passages uit die wijdlopige boeken. En dat maakt dit niet alleen een reisboek, maar ook een historische beschrijving van de Verenigde Staten, en een biologieboek. Al was voor mij nog weer een ander aspect het meest boeiend.

De Vries heeft even een belangrijke rol gespeeld in het vervolmaken van Darwin’s evolutietheorie. Deze theorie was niet volledig, omdat die hoogstens kleine veranderingen verklaarde. Hugo de Vries introduceerde als eerste het idee dat veranderingen ook sprongsgewijs kunnen verlopen. Muteren, zo noemde hij dat. En hoewel zijn bewijzen daarvoor naar de huidige inzichten niet meer kloppen, bracht hij de wetenschap wel een stap verder.

Ik vond daarom ook de vraag interessant welke wetenschappelijke kennis De Vries bezat, en in hoeverre wij die nu nog zo gebruiken.

In 1906 bezocht hij bijvoorbeeld de dan net door een enorme aardbeving verwoeste stad San Francisco. En in zijn brief legt hij aan het thuisfront uit hoe die beving daar kon ontstaan. De Vries hangt nog de theorie aan van de afkoelende aarde. Waarin het aardoppervlak een niet erg gelijkmatig stollende korst is, die zich nog in positie zetten moet.

Alleen deze inkijkjes maken voor mij al het lezen van dit soort boeken interessant. En ook wat de ontberingen zijn waar De Vries over klaagt. Zoals dat niemand in Amerika bedienend personeel heeft. En dat hij een hotel slaapt, zonder sanitair. Wil hij naar het toilet, moet hij het gebouw uit en een zijstraat in.

Verder valt op dat onze vooroordelen over de gemiddelde Amerikaan een eeuw eerder al net zo waren.

Maar ook andere ideeën veranderen nooit.

Zo heeft De Vries, op de eerste avond van zijn eerste reis, in New York een politiek gesprek dat nu hier nog net zo gevoerd zou kunnen worden. Toen ging het over de negers, in de zuidelijke staten, die zo veel meer kinderen op de wereld zetten dan de blanken. En wat dat dan betekenen zou voor de democratie daar.

Onze angsten openbaren zich nu in vragen hoe het moet met de immigranten, in de grote steden.

Hugo de Vries, O, Wies! ’t Is hier zo mooi!
Reizen in Amerika
Gekozen en ingeleid door Erik Zevenhuizen
368 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 1998


Amerika in termijnen ~ Abram de Swaan

Lag de VS verder weg in jaren zestig dan nu? Mij lijkt het van wel. En het is ook wel wat noodzakelijk om te beseffen hoe ver weg dan wel, om dit boek van Abram de Swaan op waarde te kunnen schatten.

Abram de Swaan maakte in 1966, tijdens een lang verblijf in Amerika korte radiocolumns voor de VPRO. Voor dit boek werden die herschreven. Toch blijft wel wat merkbaar dat de stukken voor een ander medium zijn gemaakt. Ze staan vol met directe beschrijvingen. Dat maakt ze enerzijds verfrissend dynamisch, maar daarmee ook wat vermoeiend en plat.

De Swaan wilde geen nieuwe mythes schrijven, over dit land, dat amper twintig jaar na de tweede Wereldoorlog voor vele landgenoten nog de grote bevrijder moet zijn geweest. Die aanpak maakt voor mij nu een paar dingen moeilijk in te schatten.

De grote protesten tegen de Vietnamoorlog vonden in Nederland in 1967 plaats, bijvoorbeeld. Dat was een jaar nadat De Swaan had bericht over de protesten tegen die oorlog in VS zelf. Maar is voor mij ooit te bepalen of en hoe zijn radiobrieven meewogen in de bewustwording hier?

Op de achterflap staat dat De Swaan duidelijk geëngageerd is bij het politiek en sociaal functioneren van de Amerikaanse samenleving. En goed, dat blijkt. De geschiedenis heeft hem inmiddels op een aantal punten gelijk gegeven. Zijn opinies van toen over de Vietnam-oorlog, of de burgerrechtenbeweging spreken nu voor zich. De afstand in de tijd maakt het alleen moeilijk om in te schatten hoe extreem die oordelen toen waren.

Bovendien, maar dat geldt dan voor mij als vervent lezer van het werk van bijvoorbeeld Studs Terkel en anderen, De Swaan vertelde me zelden wat nieuws op politiek en sociaal gebied.

Interessant was dit boek daarom voor mij vooral als schets van een ander tijdsbeeld. Van wat het betekende om een rijk land te leven, met een consumptiemaatschappij, en een enorm ontwikkelde reclame- en marketingmachine. Veel van wat hij toen als nieuw beschreef, is nu zo normaal, dat het juist aardig wordt te zien hoe ongewoon het ooit nog zijn kon.

Het kostte indertijd slechts drie maandsalarissen om naar de VS te vliegen, aldus De Swaan. De wereld is kleiner en gelijkvormiger geworden, sindsdien.

A. De Swaan, Amerika in termijnen
Een ademloos verslag uit de USA

174 pagina’s
Polak & Van Gennep 1968, oorspronkelijk 1967

Man Who Cycled the Americas ~ Mark Beaumont

Beaumont had enig krediet bij de BBC, om het succes van de TV-uitzendingen over zijn poging om zo snel mogelijk de wereld rond te fietsen. En dat lijkt de voornaamste reden te zijn achter het avontuur in dit boek beschreven. Een andere afstandsrecordpoging viel uit — de boot zonk waarmee een eind heel snel geroeid zou worden — er was tijd om iets te doen, er was ruimte op te vullen op de zenders.

Dus ontbrak het aan de voorbereiding. Zo moest Beaumont, die maanden in Spaanstalige landen zou gaan doorbrengen, op de fiets nog beginnen met Spaanse les.

En daarom heeft zijn reis wat willekeurigs. Eerst beklom Beaumont de hoogste berg van Noord-Amerika, in Alaska. Daarop stapte hij op de fiets, om elfduizend mijl verderop in Zuid-Amerika in hetzelfde klimseizoen daar de hoogste top te bestijgen. Vervolgens reed hij nog ruim tweeduizend mijl naar het uiterste punt van Argentinië, in Vuurland, naar de zuidelijkste nog bewoonde stad ter wereld.

Nu heb ik dat avontuur indertijd, in 2009, min of meer gevolgd via zijn weblog en de Twitter-feed. Dat was spannend. Het maakte bijvoorbeeld dat de ontberingen heviger leken, omdat er indertijd nog niet de zekerheid was of alles wel zou slagen.

Door die kennis wordt alleen dan wel een vraag of het zin heeft om het boek te lezen dat Beaumont achteraf nog eens samenstelde over deze krachtproef.

Ik besloot van wel, al was dat misschien meer om het verschil te kunnen zien met dat eerdere boek van hem, over die recordpoging. En daarbij viel wel op dat er nog steeds iets jachtigs kleefde aan zijn fietsreis. Het doel was nog altijd om kilometers te maken — zelfs al was het schema minder streng dan tijdens de recordjacht, toen hij honderd mijl per dag moest rijden.

Anders dan bij de meeste boeken met een fietser op het kaft gaat het daarom nooit over de vrijheid die het fietsen brengt. De pech die hem onderweg komt, lijkt al gauw groter dan die is, omdat door alle vertraging, of het tijdverlies om nieuwe onderdelen te vinden, het zo heilige tijdschema gevaar loopt.

Onderweg zijn is nooit het doel geweest, maar slechts het middel. Terwijl dat voor mij op de fiets toch anders is.

Tegelijk lees ik een boek als dit ook om te zien wat er allemaal kapot kan gaan aan een fiets. En waarom dan wel.

Mark Beaumont, The Man Who Cycled The Americas
335 pagina’s
Bantam Press, 2011

Ik verzin dit niet ~ Sylvia Witteman

Sinds een jaar of wat heb ik een Twitter-account, zonder daar nu echt iets mee te doen. Mijn nieuwsgierigheid ging enkel uit naar wie er zoal actief zijn op dat netwerk. En waar men het in het algemeen over heeft.

Twitter maakt het makkelijk om alles te volgen wat bepaalde mensen op dat netwerk te melden hebben. Zoals Sylvia Witteman.

Deze meldt met regelmaat nog geen onderwerp voor die kutcolumn te hebben. Of ze twittert iets anders in de trant te wensen dat ze een echt vak had geleerd.

En daardoor denk ik nu dat er twee mogelijkheden zijn. Of ik stop ermee Sylvia Witteman via Twitter te volgen. Of ik houd op haar columns te lezen.

Een schrijver kan ook te dichtbij raken. En van beide kanalen genieten kan ik niet.

Witteman schrijft onder meer columns voor het damesblad dat De Volkskrant elk weekend meelevert als kleurenmagazine. In deze bundel zijn de stukken verzameld uit de tijd dat ze, met man en drie kinderen, vanuit Den Haag naar een buitenwijk ergens in de buurt van Washington vertrok. Haar man, huisgenoot P., was er buitenlands correspondent geworden.

Dus krijgen haar columns een extra dimensie. Waar de standaard truc bij vele columnisten is dat deze zich onhandig aanpassen aan de nieuwe zeden in de moderne tijden, kampt Witteman soms echt met een cultuurschok. De VS is soms een heel merkwaardig land — vooral omdat zo veel uit de TV-series waar blijkt te zijn.

Al kleden de Amerikanen op televisie zich dan weer aanzienlijk beter.

En dus is Ik verzin het niet vooral een feest door de avonturen van Sylvia in Wonderland. Is deze dikke bundel daardoor haast nog te dun. En bewijst ze terloops mijn theorette dat columnisten altijd beter worden als ze ook eens eigen huis en haard verlaten. Zelfs al is dat dan omdat het hele gezin met iemand mee moet naar een ander land.

Sylvia Witteman, Ik verzin dit niet
Avonturen in een Amerikaanse buitenwijk

291 pagina’s
De Arbeiderspers, 2009

Van vuur naar ijs ~ Marica van der Meer

Alle boeken die ik over fietsreizen las dit jaar zijn geschreven door mannen. Terwijl vrouwen er net zo goed jaren van hun leven op uit trekken. En vrouwen doorgaans heel andere zaken opmerken onderweg dan mannen.

Dus las ik Van vuur naar ijs, waarin Marica van der Meer de reis door de Amerika’s beschrijft die zij maakte tussen februari 2002 en juli 2003. Ter compensatie. En ook omdat zij vrijwel dezelfde landen bezocht als Mark Beaumont; die zijn fietsreis zo nodig op snelheid wilde doen.

Grootste contrast leverde dat op in de beschrijving van de ontberingen. Mark Beaumont klaagde telkens bitter over tegenwind, maar dan vooral omdat hij daardoor het gewenste daggemiddelde niet haalde. Marica van der Meer nam noodgedwongen weleens de bus, met fiets en al. Zij durfde niet door Colombia, en vloog daar overheen. En haar reis begon al vervelend, met een pijnlijk been; waardoor er meteen al rust moest worden betracht.

Verder benutte zij onderweg wel de gelegenheid om rustig te gaan kijken waar het mooi was. En fietste ze over de hoogste bergpassen van het werelddeel in Peru, waar Beaumont die links liet liggen.

Ook had ze het eerste jaar van de reis tot in Mexico een reismaatje. Die er toen wel genoeg van had, omdat hij het zat was elke dag opnieuw alles te moeten inpakken, en nooit zeker te zijn waar ze die avond zouden slapen.

De dynamiek tussen twee reisgezellen is eigenlijk alleen goed te beschrijven als beide aan het woord komen; zoals in het boek Discovery Road. Dus dat de lezer Marica van der Meer’s compagnon amper kennen leert, lijkt me niet vreemd.

Aan Van vuur naar ijs valt verder op dat de eerste 16.000 kilometer de meeste indruk maakten. Eenmaal in de VS aangekomen, gaat het niet alleen meer om het onderweg zijn, maar moet Alaska worden bereikt. Enkel om het idee de Amerika’s van zuid naar noord op eigen kracht te hebben bereisd.

Uiteindelijk zou Marica van der Meer 27.716 kilometer fietsen. Met cola als voornaamste brandstof.

Marica van der Meer, Van vuur naar ijs
Fietsen van Vuurland naar Alaska

280 pagina’s
Uitgeversmaatschappij Holland, 2006

Reizen zonder John ~ Geert Mak

In september 1960 stapte John Steinbeck met zijn poedel Charley in de auto om een rondrit door de VS te gaan maken. Die reis duurde tweeënhalve maand, en leverde twee jaar later een succesvol boek op over wat hij onderweg gezien had: Travels with Charley.

In 1962 ook kreeg Steinbeck ook de Nobelprijs literatuur — volgens velen voor werk van decennia eerder.

Travels with Charley was het laatste grote boek dat Steinbeck [1902 – 1968] schreef tijdens zijn leven. Volgens biografen mede omdat hij teleurgesteld was over de kritische ontvangst van zijn roman Winter of Our Discontent uit 1961, en de moeite die het had gekost om dat boek te schrijven. Bovendien waren er gezondheidsproblemen. Misschien had Steinbeck die reis alleen met zijn hond al beter niet meer kunnen maken. Zijn hart had het elk moment kunnen begeven. En de eenzaamheid onderweg zal hem evenmin geholpen hebben.

Het hele reisproject werd aan het eind ook behoorlijk afgeraffeld. Na New Orleans kwam er niets meer.

Vijftig jaar later zou Geert Mak de reis van Steinbeck met Charley nog eens overdoen. En dat bleek geen bijzonder uniek idee te zijn. Er waren meer journalisten als hem. Eentje was zelfs op precies dezelfde dag even voor hem vanaf Steinbeck’s oude huis op Long Island op pad gegaan. [En dus zijn er ook boeken verschenen die goed te vergelijken zijn met dit van Mak. Gelieve nota te nemen dat Dogging With Steinbeck van Bill Steigerwald, en het eerdere My Travels with Judy van Vicki Cain bestaan].

Doel van Mak en de anderen was onder meer ook om Amerika te portretteren, waarbij Steinbeck’s boek en werkaantekeningen een mooi contrast konden bieden met het heden.

En zo’n plan klinkt heel mooi, maar een reiziger neemt eerst alleen de verschijnselen waar die hij al kent. Er is tijd nodig, en ademruimte om met frisse ogen te kunnen zien. En geen autorijder gunt zich dat; die stapt al gauw weer in z’n blikken cocon met airconditioning en tuft verder. Zeker als de hele VS moet binnen tweeënhalve maand.

Heel bijzonder kon ik Geert Mak’s eigen reisobservaties niet vinden. Gepland had hij niets. De in het boek opgenomen gesprekjes lijken toevallig onderweg tot stand te zijn gekomen. Tot meer dan het bevestigen van clichés kwam het niet.

Maar, zo veel ruimte neemt Mak’s eigen rondreis nu ook weer niet in.

Reizen zonder John werd allereerst een boek waarin een bibliotheek aan andere boeken is samengevat. Waarbij het de schrijver vooral te doen was om de VS als land bij een heel groot publiek te introduceren. Daarbij de nadruk leggend op alle kleine maar fundamentele verschillen. En dat is mooi, en informatief, en zonder meer heel knap gedaan. Alleen wreekte zich bij mij als lezer dat ik een groot deel van de boeken waar Mak naar verwees al kende. Waren ze me onbekend, dan had ik wel weet van de discussies erin.

Te vaak dwong dit boek me daarmee in de onprettige positie van criticus, die van een afstandje keek hoe iets gedaan werd, in plaats dat ik lezer mocht zijn die met elke nieuwe vondst verrast werd.

Gelukkig daarom dat Reizen zonder John nog dat andere aspect had. Mak biedt terloops ook een biografie van Steinbeck.

Al blijft merkwaardig dat hij pas op pagina 230 de vraag stelt of Travels with Charley niet veel meer een roman was dan een reisreportage. Steinbeck’s oudste zoon heeft altijd beweerd dat zijn vader vrijwel alles verzonnen had. De dialogen in het boek zijn te houterig om ooit echte gesprekken te zijn geweest. Bovendien was Steinbeck veel te verlegen om telkens met anderen te praten.

Mak doet net of hij pas twijfelt aan het waarheidsgehalte van Steinbeck’s reis als hij meteen al de hele dag achter het stuur moet zitten om de afstanden te halen die zijn voorganger steeds gereden had. Hoe had Steinbeck tussendoor dan ooit een rustig dagje kunnen gaan vissen?

Om dan tenslotte op pagina 510 de conclusie te trekken dat Travels with Charley inderdaad voor een groot deel fictie is. En om vervolgens de vraag te stellen hoe erg dat is.

Mak is erg te spreken over het vakwerk van Steinbeck als schrijver in het boek. De alinea’s kloppen. De beelden zijn fraai.

Maar, denk ik dan, zoals ook voor zijn eigen werk geldt, vakwerk alleen is al heel wat, en vaak toch nog lang niet genoeg. Want, wat zal er van dit boek beklijven? Dat origineel Mak is?

Geert Mak, Reizen zonder John
Op zoek naar Amerika
575 pagina’s
Atlas | Contact, 2012

Turn in the South ~ V.S. Naipaul

Naipaul kan een zeer hoffelijke man zijn; als hij dat wil. Anders is van de meeste gesprekken in A Turn in the South niet te verklaren dat ze zo beleefd verliepen als in dit boek staat opgetekend. Ook omdat hij nogal wat uit zijn gesprekspartners weet los te krijgen.

Tegelijk hield ik bij alles toch vast aan het beeld dat oprees uit de geautoriseerde biografie die over hem verscheen. Van dat Naipaul een enorme snob is; al helemaal op cultureel gebied.

Onbedoeld werd daarmee bijvoorbeeld de scène zeer komisch als Naipaul in Memphis beleefd met een platenproducent wat country-muziek zit te beluisteren; ook al vanwege de kitscherige songteksten. Of als hij met zijn gesprekspartners de verdiensten van Elvis Presley moet bespreken.

Voor A Turn in the South bezocht V.S. Naipaul de Verenigde Staten — en dan alleen het zuidelijke deel, omdat hij meende dat dit de grootste gelijkenissen zou vertonen met Trinidad; het Caraïbische eiland van zijn geboorte. Beide hadden ooit economieën die enkel dreven op het werk van slaven.

Fundamenteel verschil is alleen wel dat dit slavenverleden in de VS nog leeft.

Op Trinidad werd slavenarbeid verboden in 1834. Bovendien had zich inmiddels een industrie ontwikkeld in het Verenigd Koninkrijk waar de energie voor arbeid geleverd werd door steenkool. Het land verwaarloosde daarop de oude kolonies zoals Trinidad; want het kon dat zich ook makkelijk veroorloven.

In de VS duurde het toen nog enkele decennia voor de slavenarbeid werd afgeschaft. Daar was eerst nog een burgeroorlog voor nodig. Bovendien veranderde in de kern de economie in de Zuidelijke staten er daarna niet of nauwelijks; het geld moest er nog steeds door landbouw worden opgebracht.

En, hoewel de segregatie officieel werd afgeschaft in de jaren vijftig van de 20e eeuw, zijn grote delen van de blanke Amerikaanse bevolking nog altijd onbekommerd racistisch. Naipaul merkt daarover op: ze hebben ook nog maar dertig jaar gehad om aan het idee gewoon te raken dat iedereen gelijk is.

Over A Turn in the South was me verteld dat het boek onder meer een studie zou bieden naar de Redneck; die daarbij door Naipaul bekeken zou zijn als was het een aparte stam, met eigen gewoonten. Maar opvallend aan dit boek is nu juist dat de schrijver enkel een hele stoet anderen aan het woord laat, van geheel verschillende kleur en politieke voorkeur, om de lokale gewoonten te beschrijven.

Hijzelf blijft bijna overal buiten.

Behalve dan, en dat is zowel het knappe als het merkwaardige aan dit boek, dat Naipaul door het geheel aan stemmen een panorama biedt van de zuidelijke Amerikaanse staten wat nogal pessimistisch maakt. Het land daar is verslagen.

Toch is dat een conclusie die de lezer zelf trekken moet. De auteur geeft vrijwel nooit rechtstreeks kritiek — of het moest heel terloops zijn, bijvoorbeeld als hij een hedendaagse tabakplantage beschrijft, en over dat product opmerkt dat de populariteit daalt. Wat daarmee dus weinig goeds betekent voor de lokale tabakboeren.

V.S. Naipaul, A Turn in the South
308 pagina’s
Vintage International 1990, oorspronkelijk 1989

Entwürfe zu einem dritten Tagebuch ~ Max Frisch

Vier dagboeken zijn er nu uitgegeven van Max Frisch [1911 – 1991]. Twee verschenen er bij leven, en twee werden postuum gepubliceerd. Vorig jaar kwam een Berlijns dagboek uit; dat het minst doorgecomponeerd van alle lijkt; en daarmee waarschijnlijk het spontaanst is.

Dit derde dagboek — of althans de aanzet daartoe — volgt namelijk nog het stramien van het Tagebuch 1946 – 1949 en het Tagebuch 1966 – 1971. Dat zijn veeleer series aan korte teksten, die vele malen herzien werden voor publicatie, en absoluut geen aantekeningen die losjes op papier geworpen zijn aan het einde van de dag.

Van de eerste 174 pagina’s van het derde dagboek is ook zeker dat Max Frisch die zo bedoeld heeft. Wat daarop volgt zijn nog wat schetsen. Waarbij het typoscript enkele malen staat afgebeeld.

Dat bestaat telkens uit opvallend vol getikte pagina’s, waarvan dan bijna alle paragrafen naderhand zijn doorgekruist.

Ich schüttle Sätze, wie man eine kaputte Uhr schüttelt, und nehme sie auseindander; darüber vergeht die Zeit, die sich nicht anzeigt.

Ik hikte tegen het lezen van Entwürfe zu einem dritten Tagebuch aan — vanwege mijn argwaan tegen vrijwel alles dat verschijnt na de dood van een bekend schrijver, en dan hoogstens de uitgever beter maakt.

Toch kan het best zijn nu al het beste boek van dit jaar gelezen te hebben. Frisch gaf me veel te overdenken. Terwijl tegelijk ook een groot deel van dit boek langs me heen ging.

Alles waar de blurb zo enthousiast op wijst, liet me namelijk koud. Max Frisch begon dit derde dagboek in het voorjaar van 1982. Hij woont dan in New York, waar hij een relatie heeft met een veel jongere vrouw: Alice Locke-Carey — die ook beschreven is in de roman Montauk, en daar ‘Lynn’ heet.

Het gaat uit met haar, in de loop van dit dagboek. Waarbij de lezer wel iets van haar verwijten aan hem krijgt, maar Frisch verder niet reflecteert waarom het mis was gegaan. Hoogstens is er een pijnlijke passage over impotentie.

Alleen past die opmerking over zijn lichamelijke problemen nu net ook bij Frisch’ eeuwige reflecties over ouderdom. Een goede vriend van hem heeft plots nog slechts een korte tijd te leven, vanwege vergewoekerde kanker. En dat doet wat met de auteur — die in alle boeken uit de jaren tachtig toch al zo overmatig ruimte besteedde aan gedachten over dood en leven.

Nee, het interessantst waren voor mij de minder hoogdravende observaties van Max Frisch. Zoals hoe hij worstelt met het Engels. Aan een brief in deze taal begint, dan telkens het woordenboek nodig heeft, om dan veel later met een heel andere brief te eindigen als hij zich had voorgenomen.

De schrijver heeft het telkens ook moeilijk met Israël in het boek bijvoorbeeld — want dat land is weer eens in oorlog met een buur, en staat ondertussen zowat voor de poorten van Beiroet. Frisch meent dat hij daar dan iets meer van moet vinden dan dat oorlog zo deprimerend is.

Alleen zal hij die wijsheid dan zelf moeten uitvinden. Hem valt op dat met geen Amerikaan over politiek te praten is. Ze begrijpen daar de positie van hun eigen land in de wereld niet. Er is geen enkele weet van de agressieve indruk die de buitenlandpolitiek maakt van het land.

De Koude Oorlog woedde nog. En Frisch vindt allereerst dat zowel de Amerikanen als de Russen zijn Europa iets te vanzelfsprekend als het strijdtoneel zien voor een eventuele militaire confrontatie.

Men begrijpt niet eens waar Frisch het over heeft als hij hen daarover iets probeert uit te leggen. Vrijheid voor wie?

Entwürfe zu einem dritten Tagebuch is geen al te omvangrijk boek. Elk van Frisch’ aantekeningen kreeg een eigen pagina — zelfs al had hij hoogstens een zin of twee geschreven. Toch las het niet als een dunnetje, of als een postuum omzetmakertje.

Verder tekende ik onder meer aan:

Was erwartet man von einem Schriftsteller?
Dass er Interviews gibt. [27]

scheiding

Amerika (USA) ist im Grunde nicht kriegerisch, sondern lediglich kommerziell; Krieg als die Fortsetzung des Geschäftes mit anderen Mitteln. [79]

scheiding

DIE MEHRHEIT IST DER UNSINN!
sagt Demetrius bei Friedrich Schiller.
Wie mich das einmal empört hat!
Auch Adolf Hitler wurde von einer Mehrheit gewählt. [169]

Max Frisch, Entwürfe zu einem dritten Tagebuch
Herausgegeben und mit einem Nachwort von Peter von Matt

215 pagina’s
Suhrkamp, 2010

Gitaarvissen en banjoklokken ~ Willem Frederik Hermans

Willlem Frederik Hermans in Las Vegas, een live-show bekijkend met topless dansmeisjes. Om éen of andere reden had ik die twee dingen niet eerder met elkaar durven te verbinden. Ze leken niet bij elkaar te passen. Terwijl, wat weet ik van Hermans dan?

Toch komt een aantekening over zo’n live-show voor in het dagboekje Gitaarvissen en banjoklokken. Hermans merkt daarbij op dat de meisjes ‘kegeltjes van metaalpapier over haar tepels’ dragen.

De schrijver maakte een reis, solo, door het zuidwesten van Amerika in januari en februari 1967. Die trip werd betaald door het tijdschrijft Avenue; waarvoor Hermans uiteindelijk éen reportage zou schrijven over de VS.

Hij tekende alleen veel meer aan dan nodig was voor dat stuk. En een deel van deze observaties zouden vijfentwintig jaar later bewerkt gepubliceerd worden in Gitaarvissen en banjoklokken; dat opnieuw een dure bibliografische uitgave werd; en daarmee eerder zo lang onbereikbaar was voor de gewone lezer.

Opvallend aan dit boekje zijn onder meer de opmerkingen die W.F. Hermans later toevoegde aan de tekst. Want altijd had hij het dagboek een suspect literair genre genoemd — zijn litanie tegen de brave dagboeken van Buddingh’ is zelfs legendarisch — en nu was hij ineens zelf doende om er ook éen uit te brengen.

Bewerking voor publicatie viel hem zwaar, en kostte erg veel tijd:

is het voornamelijk mijn geringe vertrouwen in de dagboekvorm, waar ik principiële verklaringen tegen gepubliceerd heb. Gek, dat ik het met plezier herlees, al weet ik niet waarom. Misschien alleen om dezelfde redenen als sommige mensen met wellust hun familiefoto’s bekijken. Dezelfde oorzaken die maken dat ik bijna al mijn foto’s met diepe voldoening bezie en me geweld moet aandoen foto’s uit te zoeken waarvan ik hoop te mogen aannemen dat ook anderen er met plezier naar kijken. […]

Ook in het begin van het dagboek staan er zinnen van een metaniveau dat me trof. Bijvoorbeeld als Hermans in de Boeing plaatsneemt die hem naar de VS zal vliegen, en dan aantekent:

Je zou al die kleinigheden (pepermuntje, zuurstofmasker, mineraalwater, wc, enz.) niet noteren, als je drie keer per week een dergelijke reis maakt. Niemand beschrijft meer precies wat er op de perronbordjes staat, hoe de conducteur om het kaartje vraagt, als je met de trein naar Groningen naar Roodeschool gaat. Zou toch eens moeten gebeuren. Maar het is moeilijk. Ten eerste: het ware animo zou ontbreken, je zou je moeten dwingen iets op te merken dat je al honderden keren hebt gezien; […]

Of, ironisch:

Over honderd, misschien al over vijftig jaar, zullen deze aantekeningen erg interessant zijn om te lezen.

De strekking van de laatste opmerkingen lijkt weliswaar niet heel anders dan éen van de eeuwige vragen die op boeklog onderzocht wordt — wat is normaal, en waarom dan wel? En ook ik heb meermaals geformuleerd dat we wel heel veel niet zien, omdat kijken moeilijk is; mede omdat onze blik zo makkelijk wordt afgeleid.

Willekeurig voorbeeldje uit eigen werk:

het ware talent van een schrijver toont zich misschien ook pas als die het vreemde weet te laten zien van het doodnormale.

Toch troffen Hermans’ woorden me extra omdat ik net bezig was om te bedenken wat me op het moment aan boeken tegenstaat, en waarom boeklog goeddeels met reces blijft voorlopig.

En dat kon dan wel eens zijn dat ik te veel gelezen heb, waardoor het me te makkelijk is geworden om te herkennen waar een uitgave goed in slaagt, of juist slecht, terwijl dat oordeel daarbij dan vaak ook al meteen mijn lezen verder stuurt.

Als zien al met de hersenen wordt gedaan, waarbij makkelijk vertekening optreedt, wordt werkelijk onbevangen lezen al helemaal een moeilijke zaak.

Maar Gitaarvissen en banjoklokken was in elk geval veel te kort voor een boek. Ik wilde veel meer van wat het bood. Zelfs al bevat het grotendeels niet meer dan korte observaties, door de auteur opgeschreven voor een ander doel. Zelfs al had de schrijver bedenkingen over wat hij had aangetekend.

Want het is met dit boek waarschijnlijk zoals met boeklog. Duizenden zinnen op deze website hadden nooit bestaan als er niet ooit enige dwang was geweest om ze op te schrijven. En dan mag die zelf opgelegde dwang een vreemd ding zijn, van een tiental gedachten is het toch goed dat ze ooit zijn opgeschreven, hier. Anders waren die woorden nooit zo bij elkaar gezet.

Willem Frederik Hermans, Gitaarvissen en banjoklokken
pagina’s 287 – 334
© 1991
in: Willem Frederik Hermans, Volledige werken 15
955 pagina’s
De Bezige Bij, 2012

American Journals ~ Albert Camus

Er was een reden dat Albert Camus in 1946 met de boot naar New York reisde. Zijn land had hem daartoe uitgezonden, zo leerde onlangs een artikel me uit de LA Review of Books. Daarin kwamen fijn nogal wat meer details naar voren.

Zo had Camus vrijwel meteen al een gesprek met A.J. Liebling, van de New Yorker; die onder meer een erkend francofiel was. Waarbij Liebling het jasje van de Fransman van jaren oorlog en armoe vond getuigen.

Ook is het nuttig om te weten waarom de douane Albert Camus aanvankelijk niet van boord wilde laten gaan — hij had namelijk over zijn communistische vrienden moeten vertellen. In de American Journals / Journeux de voyage mocht de douanebeambte nog niet zeggen waarom de ondervraging op het schip zo lang duren moest.

Ofwel, met wat kennis van buiten worden deze reisdagboeken een stuk interessanter. Deze uitgave zou indertijd nogal wat rijker zijn geweest als het met een goed inleidend essay erbij was gekomen.

Want eerlijk gezegd had ik niets onthouden van de eerste keer dat ik de American Journals las, lang terug. De wetenschap volstond wel om te weten dat een bijboekje was; zo’n postuum uitgavetje dat hoogstens in aangelengde vorm nog iets bood van wat de schrijver in andere boeken zo veel guller had gegeven.

Boeklog laat zien dat ik inmiddels vele titels las over een bezoek van een schrijver aan de Verenigde Staten. Van Hugo de Vries tot Willem Frederik Hermans, van Sylvia Witteman tot onder meer Nina Berberova. En allen beschrijven daarbij een opvallend ander land. Speelt daarbij nog het beeld dat de populaire cultuur heeft geschapen in het hoofd van de lezer.

En binnen die overvloed aan indrukken zijn Camus’ observaties eigenlijk niet zo heel bijzonder. De dagboeken laten allereerst zijn vermoeidheid zien — die tonen een man die liever niet was waar hij op dat moment verkeerde. Of het nu om het korte eerste dagboek gaat over die reis naar de VS en Canada in 1946, of de wat grotere verzameling aantekeningen uit Brazilië en Argentinië in deze uitgave uit 1948.

Is de kennis wel weer nuttig dat Camus’ status veranderde tussen beide reizen in. Weliswaar had hij in 1946 L’Étranger al geschreven, of de Mythe van Sisyfus, hij genoot op dat moment allereerst nog faam als de journalist van een verzetskrant. Maar internationale roem kwam pas met de roman La peste — en daaraan werkte hij nog in 1946.

Wat zo af en toe een wel intrigerend terzijde in het dagboek oplevert.

Twee jaar later, in Brazilië, is Albert Camus ineens een auteur die uitgenodigd wordt om zijn status als schrijver. Daardoor kregen zijn contacten ook makkelijk een andere aard. De mensen die hij ontmoette wilden hem telkens voorstellen aan weer andere mensen — en Camus vindt dat enkel vermoeiend.

En ik ken die vermoeidheid te goed, misschien verklaart dat ook mijn blijvende afstand tot dit boek.

Albert Camus, American Journals
153 pagina’s
Abacus, 1990
vertaling door Hugh Levick van Journeaux de voyage, 1978

Hermit in Paris ~ Italo Calvino

Er staat een Amerikaans dagboek in deze postume verzameling autobiografisch materiaal. Weer zo éen. En naast dat dit de langste tekst is in het boek, met zijn ruim honderd pagina’s, redde die voor mij deze uitgave ook.

Nu staat er tenminste iets in het boek om nog eens naar terug te keren.

Het was schrapen om Hermit in Paris/Eremita a Parigi vol te krijgen, zo lijkt me. Er staan te veel stukjes voor de krant in, gelegenheidsdingetjes, korte interviews over iets of wat; teksten die hoogstens waarde hadden op het moment van publicatie. En die nu zo deftig verzameld in een boek daar niet per se aan bijdragen.

Toegegeven, bij Italo Calvino gaat het aloude vooroordeel niet op dat je de schrijver het beste leert kennen uit zijn eigen werk. Hij probeerde namelijk in vrijwel ieder boek weer wat anders.

Zo bezien zijn Calvino’s Zes memo’s voor het volgende millennium misschien ook zijn diepst gravende autobiografische werk — want enkel daarin gaat het onomwonden over wat hij van een tekst verlangt. En hoeveel auteurs hebben zich zo over dit onderwerp uitgelaten? Het gevaar opgezocht dat de lezer vervolgens zijn of haar werk naast deze idealen gaat leggen, en oordeelt dan?

Het leven van Italo Calvino [1923 — 1985] is in verschillende perioden op te delen — voor wie dat wil. Er was die jeugd, zoals ieder mens er éen heeft. Die tijd bij de partizanen aan het einde van Tweede Wereldoorlog. Zijn periode als communist, en de breuk met die partij. En er moet toch ook een tijd van welvaart zijn geweest; van toen hij internationaal was doorgebroken, en van puur het schrijven leven kon.

Er staat slechts éen rechtstreekse verwijzing in Hermit in Paris naar dat succes; alleen bestaat die uit het mij al bekende verhaal van hoe Gore Vidal hem de doorbraak bracht in de VS.

Terloopse aanwijzingen zijn verder dan dat Calvino er ook een huis in Parijs op na kon houden, voor vijftien jaar.

Zowel in het opgenomen materiaal als in de summiere toelichting gaat het verder alleen nooit inhoudelijk over deze tijd.

En zelfs over die American Diary 1959-1960 leert de lezer weinig meer dan dat de reis de schrijver een ander boek had moeten opleveren — dat nooit verscheen. Calvino dichtte dat verblijf in de VS later wel een bepalende invloed toe in zijn leven; alleen blijft het dan weer bij een statement als dat. En dit gebrek aan informatie vond ik wat pesterig. Al helemaal omdat Italo Calvino vaak nogal kritisch is over het land dat hij bezocht. Want al was hij misschien op dat moment al geen communist meer; helemaal afstand doen van de vragen waarmee de communisten zaten, deed hij nooit.

Calvino kon naar de VS omdat de Ford Foundation hem een werkbeurs gaf. Günter Grass had ook gezuld, alleen kwam deze niet door het lichamelijke onderzoek; hij had TBC.

Medepassagier op de heenreis was wel ene Hugo Claus, die door Calvino slim en belezen wordt genoemd, hoewel hij verder niets van kwaliteit zag in diens eerste roman.

Tegelijk vind ik een kleine zestig jaar later grappig wel de namen Calvino, Grass, en Claus te kennen, terwijl de overige schrijvers die zo’n werkbeurs kregen vrijwel totale onbekenden zijn. Alfred Tomlinson? Claude Ollier? De naam Fernando Arrabal zei me dan wel weer wat; alleen kende ik die vooral als filmer. Ooit, evenwel, werden zij zessen van een gelijk kaliber geacht.

Als Calvino uiteindelijk in New York de titels en schrijvers opnoemt met dan de meeste buzz zeggen die mij ook al zo weinig. Weinig relativeert zo goed als even kunnen zien waar men zich zoal druk om maakte ooit.

Wat die American Diary zo goed maakt, komt overigens door wat anders. De schrijver is simpelweg even weer aan het werk te zien, in een lange tekst met kwaliteit, die ik nog niet kende. Dan doet de rest van zo’n verzameling mengelwerk er ook nogal wat minder toe.

Italo Calvino, Hermit in Paris
Autobiographical Writings

255 pagina’s
Pantheon Books, 2003
vertaling van Eremita a Parigi, 1994