Notes from a Big Country ~ Bill Bryson

Van dit boek dacht ik dat het opnieuw een reisboek over de VS zou zijn. Een vervolg op The Lost Continent, maar dan over een tocht veel later in het leven van Bryson. Maar dit bleek een bundel briljante columns te wezen, waarin Bill Bryson de Britse lezers van The Mail on Sunday uitlegt hoe vreemd Amerikanen toch eigenlijk zijn.

Zo grappig was het, dat ik het in heel bescheiden doses gelezen heb om me niet te overeten.

Daardoor deed zich wel iets vreemds voor. Op een gegeven moment las ik zowel deze bundel, als Bryson’s Walk in the Woods. En beide boeken zijn in dezelfde tijd tot stand gekomen. Dus was er enige kruisbestuiving zichtbaar, om het maar vriendelijk zo te noemen. Grappige beschouwingen over dat Amerikanen zelfs nog de auto pakken als ze voor een etentje bij de buren zijn uitgenodigd, komen in beide boeken voor.

Bovendien is er geen merkbare pauze in de gestage stroom columns. Wat weer een heel ander licht werpt op die bijna mythische voettocht uit dat andere boek, ook al was Bryson daarvoor misschien maar een week of zes weg eerst.

Maar, dit zijn slechts wat verwonderde constateringen.

Wat dit boek zo goed maakt, is dat Bryson als Amerikaan lang genoeg in Groot-Brittannië heeft gewoond om zich een Europese kijk op de wereld aan te meten. Hij werd voldoende buitenstaander om te zien hoe raar sommige gewoontes zijn in de VS, en is toch voldoende insider om te kunnen begrijpen hoe het zit.

Die combinatie alleen al levert goud op.

Bill Bryson, Notes from a Big Country
399 pagina’s
Black Swan © oorspronkelijk 1998

O, Wies! ’t Is hier zo mooi! ~ Hugo de Vries

Bioloog Hugo de Vries verbleef op uitnodiging drie keer in de VS, aan het begin van de twintigste eeuw. Hij schreef vandaar aan zijn vrouw, en aan zijn moeder, maar publiceerde er ook drie boeken over; waarvan in elk geval de eerste een bestseller werd.

Daarom werd dit boek een fraaie mix van genres. Samensteller Erik Zevenhuizen wisselde die brieven af met de meest persoonlijke passages uit die wijdlopige boeken. En dat maakt dit niet alleen een reisboek, maar ook een historische beschrijving van de Verenigde Staten, en een biologieboek. Al was voor mij nog weer een ander aspect het meest boeiend.

De Vries heeft even een belangrijke rol gespeeld in het vervolmaken van Darwin’s evolutietheorie. Deze theorie was niet volledig, omdat die hoogstens kleine veranderingen verklaarde. Hugo de Vries introduceerde als eerste het idee dat veranderingen ook sprongsgewijs kunnen verlopen. Muteren, zo noemde hij dat. En hoewel zijn bewijzen daarvoor naar de huidige inzichten niet meer kloppen, bracht hij de wetenschap wel een stap verder.

Ik vond daarom ook de vraag interessant welke wetenschappelijke kennis De Vries bezat, en in hoeverre wij die nu nog zo gebruiken.

In 1906 bezocht hij bijvoorbeeld de dan net door een enorme aardbeving verwoeste stad San Francisco. En in zijn brief legt hij aan het thuisfront uit hoe die beving daar kon ontstaan. De Vries hangt nog de theorie aan van de afkoelende aarde. Waarin het aardoppervlak een niet erg gelijkmatig stollende korst is, die zich nog in positie zetten moet.

Alleen deze inkijkjes maken voor mij al het lezen van dit soort boeken interessant. En ook wat de ontberingen zijn waar De Vries over klaagt. Zoals dat niemand in Amerika bedienend personeel heeft. En dat hij een hotel slaapt, zonder sanitair. Wil hij naar het toilet, moet hij het gebouw uit en een zijstraat in.

Verder valt op dat onze vooroordelen over de gemiddelde Amerikaan een eeuw eerder al net zo waren.

Maar ook andere ideeën veranderen nooit.

Zo heeft De Vries, op de eerste avond van zijn eerste reis, in New York een politiek gesprek dat nu hier nog net zo gevoerd zou kunnen worden. Toen ging het over de negers, in de zuidelijke staten, die zo veel meer kinderen op de wereld zetten dan de blanken. En wat dat dan betekenen zou voor de democratie daar.

Onze angsten openbaren zich nu in vragen hoe het moet met de immigranten, in de grote steden.

Hugo de Vries, O, Wies! ’t Is hier zo mooi!
Reizen in Amerika
Gekozen en ingeleid door Erik Zevenhuizen
368 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 1998


Amerika in termijnen ~ Abram de Swaan

Lag de VS verder weg in jaren zestig dan nu? Mij lijkt het van wel. En het is ook wel wat noodzakelijk om te beseffen hoe ver weg dan wel, om dit boek van Abram de Swaan op waarde te kunnen schatten.

Abram de Swaan maakte in 1966, tijdens een lang verblijf in Amerika korte radiocolumns voor de VPRO. Voor dit boek werden die herschreven. Toch blijft wel wat merkbaar dat de stukken voor een ander medium zijn gemaakt. Ze staan vol met directe beschrijvingen. Dat maakt ze enerzijds verfrissend dynamisch, maar daarmee ook wat vermoeiend en plat.

De Swaan wilde geen nieuwe mythes schrijven, over dit land, dat amper twintig jaar na de tweede Wereldoorlog voor vele landgenoten nog de grote bevrijder moet zijn geweest. Die aanpak maakt voor mij nu een paar dingen moeilijk in te schatten.

De grote protesten tegen de Vietnamoorlog vonden in Nederland in 1967 plaats, bijvoorbeeld. Dat was een jaar nadat De Swaan had bericht over de protesten tegen die oorlog in VS zelf. Maar is voor mij ooit te bepalen of en hoe zijn radiobrieven meewogen in de bewustwording hier?

Op de achterflap staat dat De Swaan duidelijk geëngageerd is bij het politiek en sociaal functioneren van de Amerikaanse samenleving. En goed, dat blijkt. De geschiedenis heeft hem inmiddels op een aantal punten gelijk gegeven. Zijn opinies van toen over de Vietnam-oorlog, of de burgerrechtenbeweging spreken nu voor zich. De afstand in de tijd maakt het alleen moeilijk om in te schatten hoe extreem die oordelen toen waren.

Bovendien, maar dat geldt dan voor mij als vervent lezer van het werk van bijvoorbeeld Studs Terkel en anderen, De Swaan vertelde me zelden wat nieuws op politiek en sociaal gebied.

Interessant was dit boek daarom voor mij vooral als schets van een ander tijdsbeeld. Van wat het betekende om een rijk land te leven, met een consumptiemaatschappij, en een enorm ontwikkelde reclame- en marketingmachine. Veel van wat hij toen als nieuw beschreef, is nu zo normaal, dat het juist aardig wordt te zien hoe ongewoon het ooit nog zijn kon.

Het kostte indertijd slechts drie maandsalarissen om naar de VS te vliegen, aldus De Swaan. De wereld is kleiner en gelijkvormiger geworden, sindsdien.

A. De Swaan, Amerika in termijnen
Een ademloos verslag uit de USA

174 pagina’s
Polak & Van Gennep 1968, oorspronkelijk 1967

Montauk ~ Max Frisch

Dit boek riep een wat merkwaardige vraag op. Was Max Frisch mijn eerste dode literaire held? Was hij de eerste schrijver wiens overlijden zo’n grote indruk maakte dat ik daar nu nog weet van heb?

Ik herinner me in elk geval toentertijd een intensief gesprek gevoerd te hebben over Frisch, en dat was bij andere doden niet zo. Renate Rubinstein, toch ook hier regelmatig geboeklogd, en zeker een favoriet, stierf een jaar eerder. En van die gebeurtenis heb ik niet eens krantenknipsels bewaard.

De vraag kwam bij me op, omdat ik dit boek van Frisch heel erg goed vond, maar vrijwel zeker weet het in 1991 om precies dezelfde redenen te hebben bewonderd. Terwijl Montauk grotendeels het boek van een oude man is, die erin terugkijkt op zijn leven. Blijkbaar maakte dit niet uit. Volstond het me om de melancholie te proeven, zonder de melancholie in detail te kunnen begrijpen.

Een mens wordt blijkbaar nooit ouder, en leert ook maar amper iets bij.

Wel viel me bij herlezing nu pas op dat de werkwijze van Galeano, om een groot verhaal te vertellen in een mozaïek van fragmenten, lang zo uniek niet is als ik dacht. Frisch doet niet anders — zij het dat de fragmenten in deze roman dan zijn aanwezigheid nog als constante hebben.

Montauk is de naam die de lokale bewoners gaven aan de noordpunt van Long Island — bij New York, schijf ik er maar bij. Frisch is in de VS op ‘Lesereise’, en gaat onderwijl een halfslachtige relatie aan met een veel jongere vrouw, die hij ontmoette tijdens een fotosessie.

Alleen dat gegeven al laat hem terugkijken op de vele vrouwen in zijn leven — waarvan Ingeborg Bachmann wel de bekendste was.

Namen noemt hij overigens niet, en dat die afgestudeerde filosofe Bachmann was, wist ik volgens mij bij eerste lezing misschien ook niet. Het idee dat zulke informatie binnen een paar tellen te vinden zou zijn, via dezelfde kabel waarover de TV binnenkwam, of de telefoon, was toen trouwens ook nog science-fiction.

Aan dit boek valt onder meer dat Frisch zichzelf ‘lastige vragen’ stelt, zoals hij die geformuleerd heeft in het Tagebuch 1966 – 1971. Niet altijd voelt hij zich geroepen die te beantwoorden. Meestal niet.

Ik pas verhalen als kledingstukken

Ik heb mijzelf mijn leven verzwegen. Ik heb een of ander publiek bediend met verhalen. Ik heb mij in die verhalen bloot gegeven, ik weet het, totdat ik onherkenbaar werd. Ik leef niet met mijn verhaal, alleen met de delen daarvan die ik tot literatuur heb kunnen transformeren.

Max Frisch, Montauk, 109

Max Frisch, Montauk
Een vertelling

144 pagina’s
Meulenhoff, zonder jaartal
vertaling door Hans W. Bakx van Montauk, eine Erzählung, 1976

Man Who Cycled the Americas ~ Mark Beaumont

Beaumont had enig krediet bij de BBC, om het succes van de TV-uitzendingen over zijn poging om zo snel mogelijk de wereld rond te fietsen. En dat lijkt de voornaamste reden te zijn achter het avontuur in dit boek beschreven. Een andere afstandsrecordpoging viel uit — de boot zonk waarmee een eind heel snel geroeid zou worden — er was tijd om iets te doen, er was ruimte op te vullen op de zenders.

Dus ontbrak het aan de voorbereiding. Zo moest Beaumont, die maanden in Spaanstalige landen zou gaan doorbrengen, op de fiets nog beginnen met Spaanse les.

En daarom heeft zijn reis wat willekeurigs. Eerst beklom Beaumont de hoogste berg van Noord-Amerika, in Alaska. Daarop stapte hij op de fiets, om elfduizend mijl verderop in Zuid-Amerika in hetzelfde klimseizoen daar de hoogste top te bestijgen. Vervolgens reed hij nog ruim tweeduizend mijl naar het uiterste punt van Argentinië, in Vuurland, naar de zuidelijkste nog bewoonde stad ter wereld.

Nu heb ik dat avontuur indertijd, in 2009, min of meer gevolgd via zijn weblog en de Twitter-feed. Dat was spannend. Het maakte bijvoorbeeld dat de ontberingen heviger leken, omdat er indertijd nog niet de zekerheid was of alles wel zou slagen.

Door die kennis wordt alleen dan wel een vraag of het zin heeft om het boek te lezen dat Beaumont achteraf nog eens samenstelde over deze krachtproef.

Ik besloot van wel, al was dat misschien meer om het verschil te kunnen zien met dat eerdere boek van hem, over die recordpoging. En daarbij viel wel op dat er nog steeds iets jachtigs kleefde aan zijn fietsreis. Het doel was nog altijd om kilometers te maken — zelfs al was het schema minder streng dan tijdens de recordjacht, toen hij honderd mijl per dag moest rijden.

Anders dan bij de meeste boeken met een fietser op het kaft gaat het daarom nooit over de vrijheid die het fietsen brengt. De pech die hem onderweg komt, lijkt al gauw groter dan die is, omdat door alle vertraging, of het tijdverlies om nieuwe onderdelen te vinden, het zo heilige tijdschema gevaar loopt.

Onderweg zijn is nooit het doel geweest, maar slechts het middel. Terwijl dat voor mij op de fiets toch anders is.

Tegelijk lees ik een boek als dit ook om te zien wat er allemaal kapot kan gaan aan een fiets. En waarom dan wel.

Mark Beaumont, The Man Who Cycled The Americas
335 pagina’s
Bantam Press, 2011

Ik verzin dit niet ~ Sylvia Witteman

Sinds een jaar of wat heb ik een Twitter-account, zonder daar nu echt iets mee te doen. Mijn nieuwsgierigheid ging enkel uit naar wie er zoal actief zijn op dat netwerk. En waar men het in het algemeen over heeft.

Twitter maakt het makkelijk om alles te volgen wat bepaalde mensen op dat netwerk te melden hebben. Zoals Sylvia Witteman.

Deze meldt met regelmaat nog geen onderwerp voor die kutcolumn te hebben. Of ze twittert iets anders in de trant te wensen dat ze een echt vak had geleerd.

En daardoor denk ik nu dat er twee mogelijkheden zijn. Of ik stop ermee Sylvia Witteman via Twitter te volgen. Of ik houd op haar columns te lezen.

Een schrijver kan ook te dichtbij raken. En van beide kanalen genieten kan ik niet.

Witteman schrijft onder meer columns voor het damesblad dat De Volkskrant elk weekend meelevert als kleurenmagazine. In deze bundel zijn de stukken verzameld uit de tijd dat ze, met man en drie kinderen, vanuit Den Haag naar een buitenwijk ergens in de buurt van Washington vertrok. Haar man, huisgenoot P., was er buitenlands correspondent geworden.

Dus krijgen haar columns een extra dimensie. Waar de standaard truc bij vele columnisten is dat deze zich onhandig aanpassen aan de nieuwe zeden in de moderne tijden, kampt Witteman soms echt met een cultuurschok. De VS is soms een heel merkwaardig land — vooral omdat zo veel uit de TV-series waar blijkt te zijn.

Al kleden de Amerikanen op televisie zich dan weer aanzienlijk beter.

En dus is Ik verzin het niet vooral een feest door de avonturen van Sylvia in Wonderland. Is deze dikke bundel daardoor haast nog te dun. En bewijst ze terloops mijn theorette dat columnisten altijd beter worden als ze ook eens eigen huis en haard verlaten. Zelfs al is dat dan omdat het hele gezin met iemand mee moet naar een ander land.

Sylvia Witteman, Ik verzin dit niet
Avonturen in een Amerikaanse buitenwijk

291 pagina’s
De Arbeiderspers, 2009

Van vuur naar ijs ~ Marica van der Meer

Alle boeken die ik over fietsreizen las dit jaar zijn geschreven door mannen. Terwijl vrouwen er net zo goed jaren van hun leven op uit trekken. En vrouwen doorgaans heel andere zaken opmerken onderweg dan mannen.

Dus las ik Van vuur naar ijs, waarin Marica van der Meer de reis door de Amerika’s beschrijft die zij maakte tussen februari 2002 en juli 2003. Ter compensatie. En ook omdat zij vrijwel dezelfde landen bezocht als Mark Beaumont; die zijn fietsreis zo nodig op snelheid wilde doen.

Grootste contrast leverde dat op in de beschrijving van de ontberingen. Mark Beaumont klaagde telkens bitter over tegenwind, maar dan vooral omdat hij daardoor het gewenste daggemiddelde niet haalde. Marica van der Meer nam noodgedwongen weleens de bus, met fiets en al. Zij durfde niet door Colombia, en vloog daar overheen. En haar reis begon al vervelend, met een pijnlijk been; waardoor er meteen al rust moest worden betracht.

Verder benutte zij onderweg wel de gelegenheid om rustig te gaan kijken waar het mooi was. En fietste ze over de hoogste bergpassen van het werelddeel in Peru, waar Beaumont die links liet liggen.

Ook had ze het eerste jaar van de reis tot in Mexico een reismaatje. Die er toen wel genoeg van had, omdat hij het zat was elke dag opnieuw alles te moeten inpakken, en nooit zeker te zijn waar ze die avond zouden slapen.

De dynamiek tussen twee reisgezellen is eigenlijk alleen goed te beschrijven als beide aan het woord komen; zoals in het boek Discovery Road. Dus dat de lezer Marica van der Meer’s compagnon amper kennen leert, lijkt me niet vreemd.

Aan Van vuur naar ijs valt verder op dat de eerste 16.000 kilometer de meeste indruk maakten. Eenmaal in de VS aangekomen, gaat het niet alleen meer om het onderweg zijn, maar moet Alaska worden bereikt. Enkel om het idee de Amerika’s van zuid naar noord op eigen kracht te hebben bereisd.

Uiteindelijk zou Marica van der Meer 27.716 kilometer fietsen. Met cola als voornaamste brandstof.

Marica van der Meer, Van vuur naar ijs
Fietsen van Vuurland naar Alaska

280 pagina’s
Uitgeversmaatschappij Holland, 2006

Grote bocht ~ Peter Delpeut

De boeken die ik tot nu toe las van fietsreizigers hadden allemaal éen ding gemeen. Naast dat fietsen dan. Ze waren nogal vormloos.

Niet dat er iets tegen is om een reis lineair te vertellen — alleen zijn lineair vertelde boeken van liefhebber-auteurs snel nogal simpele en daarom weinig spannende boeken. Regelmatig heb ik daarom bij het lezen gedacht dat een echte schrijver daar wel meer van had kunnen maken.

En nu heb ik dan een boek over een fietsreis gelezen van een echte auteur, en weet ik dat ook die zo hun eigen bezwaren hebben.

De grote bocht van Peter Delpeut is een verslag van een reis die hij en zijn vriendin Céline in 1996 maakte door de Verenigde Staten. Van oost naar west reden zij, door de zuidelijkste staten van het land. Florida, Texas, Arizona, Nevada. Van Disneyland naar Las Vegas.

Dat was vaak een tocht door een uitgestrekte oneindigheid. Van dagen alleen in éen bos op een rechte weg. Van vele liters extra water mee om de stukken woestijn.

Terloops komt de lezer daarbij te weten dat de twee gewoon zijn gegaan. Aan adequate voorbereiding ontbrak het. De fietsen waar ze op rijden, zijn al heel gauw versleten. Als door al die extra kilo’s water plots een spaak knapt, een wiel begint aan te lopen, en dan zelfs vastloopt, moet de vriendin eerst een handboek fietsreparatie openslaan om te zien wat er nu moet.

Wat dit boek een typisch product van een schrijver maakt, is de mate van pretentie. Zijn reis staat namelijk niet op zich. Want de fiets heeft een geschiedenis. En die geschiedenis bevat pioniers; eerstelingen die op hun hoge bi de wereld introkken, toen de wereld daar nog behoorlijk van opkeek.

En elke fietser die ergens arriveert, heeft dit toch maar mooi op eigen kracht gedaan. En daarbij onderweg alles gezien, en geroken. Het hele landschap is beleefd. Anders dan iemand in een auto ooit zal meemaken.

Delpeut plukt dus anekdotes uit de trommel van de geschiedenis van de fiets. Dat levert vaak heel amusante paragrafen op. En toch stoorde me de wisselwerking van die twee vertelelementen wat. Aan de ene kant is er die reis van hem als slecht voorbereide fietser, en in éen adem door wordt die afgewisseld met verhaaltjes over mensen die beter wisten wat ze deden.

Toch gebruikt Delpeut de prestaties van die anderen om de zijne op te poetsen, en een algemene geldigheid te geven.

Dus had De grote bocht een wat merkwaardige uitwerking op mij lezer. Het is aanzienlijk beter geschreven dan de meeste boeken van fietsreizigers. En ik begreep waarom de schrijver zijn reis een universeler karakter wilde geven dan die had. Ik snapte waarom hij daartoe ook andermans verhalen inbracht. Had ik zelf een boek moeten schrijven over éen van mijn fietsreizen, dan was ik misschien voor dezelfde verleidingen gezwicht. En toch irriteerde de kunstgreep me, omdat die me bij het eigenlijke verhaal weghield.

Maar was er wel een verhaal?

De grote bocht leert toch ook dat de interessantste fietsboeken geschreven worden door alleengaande reizigers. Wie met zijn tweeën optrekt, is toch allereerst gericht op elkaar. En als het boek dan niet om die verhouding gaat, en wat daarin speelt — zoals in dit boek — vindt er uiteindelijk wel heel weinig interactie plaats met de wereld waar men doorheen trekt.

Alleen de decors beschrijven, zelfs als dat als deelnemer vanuit de coulissen gebeurt, levert geen memorabel boek op.

Peter Delpeut, De grote bocht
Kleine filosofie van het fietsen

168 pagina’s
Augustus, 2003

Reizen zonder John ~ Geert Mak

In september 1960 stapte John Steinbeck met zijn poedel Charley in de auto om een rondrit door de VS te gaan maken. Die reis duurde tweeënhalve maand, en leverde twee jaar later een succesvol boek op over wat hij onderweg gezien had: Travels with Charley.

In 1962 ook kreeg Steinbeck ook de Nobelprijs literatuur — volgens velen voor werk van decennia eerder.

Travels with Charley was het laatste grote boek dat Steinbeck [1902 – 1968] schreef tijdens zijn leven. Volgens biografen mede omdat hij teleurgesteld was over de kritische ontvangst van zijn roman Winter of Our Discontent uit 1961, en de moeite die het had gekost om dat boek te schrijven. Bovendien waren er gezondheidsproblemen. Misschien had Steinbeck die reis alleen met zijn hond al beter niet meer kunnen maken. Zijn hart had het elk moment kunnen begeven. En de eenzaamheid onderweg zal hem evenmin geholpen hebben.

Het hele reisproject werd aan het eind ook behoorlijk afgeraffeld. Na New Orleans kwam er niets meer.

Vijftig jaar later zou Geert Mak de reis van Steinbeck met Charley nog eens overdoen. En dat bleek geen bijzonder uniek idee te zijn. Er waren meer journalisten als hem. Eentje was zelfs op precies dezelfde dag even voor hem vanaf Steinbeck’s oude huis op Long Island op pad gegaan. [En dus zijn er ook boeken verschenen die goed te vergelijken zijn met dit van Mak. Gelieve nota te nemen dat Dogging With Steinbeck van Bill Steigerwald, en het eerdere My Travels with Judy van Vicki Cain bestaan].

Doel van Mak en de anderen was onder meer ook om Amerika te portretteren, waarbij Steinbeck’s boek en werkaantekeningen een mooi contrast konden bieden met het heden.

En zo’n plan klinkt heel mooi, maar een reiziger neemt eerst alleen de verschijnselen waar die hij al kent. Er is tijd nodig, en ademruimte om met frisse ogen te kunnen zien. En geen autorijder gunt zich dat; die stapt al gauw weer in z’n blikken cocon met airconditioning en tuft verder. Zeker als de hele VS moet binnen tweeënhalve maand.

Heel bijzonder kon ik Geert Mak’s eigen reisobservaties niet vinden. Gepland had hij niets. De in het boek opgenomen gesprekjes lijken toevallig onderweg tot stand te zijn gekomen. Tot meer dan het bevestigen van clichés kwam het niet.

Maar, zo veel ruimte neemt Mak’s eigen rondreis nu ook weer niet in.

Reizen zonder John werd allereerst een boek waarin een bibliotheek aan andere boeken is samengevat. Waarbij het de schrijver vooral te doen was om de VS als land bij een heel groot publiek te introduceren. Daarbij de nadruk leggend op alle kleine maar fundamentele verschillen. En dat is mooi, en informatief, en zonder meer heel knap gedaan. Alleen wreekte zich bij mij als lezer dat ik een groot deel van de boeken waar Mak naar verwees al kende. Waren ze me onbekend, dan had ik wel weet van de discussies erin.

Te vaak dwong dit boek me daarmee in de onprettige positie van criticus, die van een afstandje keek hoe iets gedaan werd, in plaats dat ik lezer mocht zijn die met elke nieuwe vondst verrast werd.

Gelukkig daarom dat Reizen zonder John nog dat andere aspect had. Mak biedt terloops ook een biografie van Steinbeck.

Al blijft merkwaardig dat hij pas op pagina 230 de vraag stelt of Travels with Charley niet veel meer een roman was dan een reisreportage. Steinbeck’s oudste zoon heeft altijd beweerd dat zijn vader vrijwel alles verzonnen had. De dialogen in het boek zijn te houterig om ooit echte gesprekken te zijn geweest. Bovendien was Steinbeck veel te verlegen om telkens met anderen te praten.

Mak doet net of hij pas twijfelt aan het waarheidsgehalte van Steinbeck’s reis als hij meteen al de hele dag achter het stuur moet zitten om de afstanden te halen die zijn voorganger steeds gereden had. Hoe had Steinbeck tussendoor dan ooit een rustig dagje kunnen gaan vissen?

Om dan tenslotte op pagina 510 de conclusie te trekken dat Travels with Charley inderdaad voor een groot deel fictie is. En om vervolgens de vraag te stellen hoe erg dat is.

Mak is erg te spreken over het vakwerk van Steinbeck als schrijver in het boek. De alinea’s kloppen. De beelden zijn fraai.

Maar, denk ik dan, zoals ook voor zijn eigen werk geldt, vakwerk alleen is al heel wat, en vaak toch nog lang niet genoeg. Want, wat zal er van dit boek beklijven? Dat origineel Mak is?

Geert Mak, Reizen zonder John
Op zoek naar Amerika
575 pagina’s
Atlas | Contact, 2012

Turn in the South ~ V.S. Naipaul

Naipaul kan een zeer hoffelijke man zijn; als hij dat wil. Anders is van de meeste gesprekken in A Turn in the South niet te verklaren dat ze zo beleefd verliepen als in dit boek staat opgetekend. Ook omdat hij nogal wat uit zijn gesprekspartners weet los te krijgen.

Tegelijk hield ik bij alles toch vast aan het beeld dat oprees uit de geautoriseerde biografie die over hem verscheen. Van dat Naipaul een enorme snob is; al helemaal op cultureel gebied.

Onbedoeld werd daarmee bijvoorbeeld de scène zeer komisch als Naipaul in Memphis beleefd met een platenproducent wat country-muziek zit te beluisteren; ook al vanwege de kitscherige songteksten. Of als hij met zijn gesprekspartners de verdiensten van Elvis Presley moet bespreken.

Voor A Turn in the South bezocht V.S. Naipaul de Verenigde Staten — en dan alleen het zuidelijke deel, omdat hij meende dat dit de grootste gelijkenissen zou vertonen met Trinidad; het Caraïbische eiland van zijn geboorte. Beide hadden ooit economieën die enkel dreven op het werk van slaven.

Fundamenteel verschil is alleen wel dat dit slavenverleden in de VS nog leeft.

Op Trinidad werd slavenarbeid verboden in 1834. Bovendien had zich inmiddels een industrie ontwikkeld in het Verenigd Koninkrijk waar de energie voor arbeid geleverd werd door steenkool. Het land verwaarloosde daarop de oude kolonies zoals Trinidad; want het kon dat zich ook makkelijk veroorloven.

In de VS duurde het toen nog enkele decennia voor de slavenarbeid werd afgeschaft. Daar was eerst nog een burgeroorlog voor nodig. Bovendien veranderde in de kern de economie in de Zuidelijke staten er daarna niet of nauwelijks; het geld moest er nog steeds door landbouw worden opgebracht.

En, hoewel de segregatie officieel werd afgeschaft in de jaren vijftig van de 20e eeuw, zijn grote delen van de blanke Amerikaanse bevolking nog altijd onbekommerd racistisch. Naipaul merkt daarover op: ze hebben ook nog maar dertig jaar gehad om aan het idee gewoon te raken dat iedereen gelijk is.

Over A Turn in the South was me verteld dat het boek onder meer een studie zou bieden naar de Redneck; die daarbij door Naipaul bekeken zou zijn als was het een aparte stam, met eigen gewoonten. Maar opvallend aan dit boek is nu juist dat de schrijver enkel een hele stoet anderen aan het woord laat, van geheel verschillende kleur en politieke voorkeur, om de lokale gewoonten te beschrijven.

Hijzelf blijft bijna overal buiten.

Behalve dan, en dat is zowel het knappe als het merkwaardige aan dit boek, dat Naipaul door het geheel aan stemmen een panorama biedt van de zuidelijke Amerikaanse staten wat nogal pessimistisch maakt. Het land daar is verslagen.

Toch is dat een conclusie die de lezer zelf trekken moet. De auteur geeft vrijwel nooit rechtstreeks kritiek — of het moest heel terloops zijn, bijvoorbeeld als hij een hedendaagse tabakplantage beschrijft, en over dat product opmerkt dat de populariteit daalt. Wat daarmee dus weinig goeds betekent voor de lokale tabakboeren.

V.S. Naipaul, A Turn in the South
308 pagina’s
Vintage International 1990, oorspronkelijk 1989

Entwürfe zu einem dritten Tagebuch ~ Max Frisch

Vier dagboeken zijn er nu uitgegeven van Max Frisch [1911 – 1991]. Twee verschenen er bij leven, en twee werden postuum gepubliceerd. Vorig jaar kwam een Berlijns dagboek uit; dat het minst doorgecomponeerd van alle lijkt; en daarmee waarschijnlijk het spontaanst is.

Dit derde dagboek — of althans de aanzet daartoe — volgt namelijk nog het stramien van het Tagebuch 1946 – 1949 en het Tagebuch 1966 – 1971. Dat zijn veeleer series aan korte teksten, die vele malen herzien werden voor publicatie, en absoluut geen aantekeningen die losjes op papier geworpen zijn aan het einde van de dag.

Van de eerste 174 pagina’s van het derde dagboek is ook zeker dat Max Frisch die zo bedoeld heeft. Wat daarop volgt zijn nog wat schetsen. Waarbij het typoscript enkele malen staat afgebeeld.

Dat bestaat telkens uit opvallend vol getikte pagina’s, waarvan dan bijna alle paragrafen naderhand zijn doorgekruist.

Ich schüttle Sätze, wie man eine kaputte Uhr schüttelt, und nehme sie auseindander; darüber vergeht die Zeit, die sich nicht anzeigt.

Ik hikte tegen het lezen van Entwürfe zu einem dritten Tagebuch aan — vanwege mijn argwaan tegen vrijwel alles dat verschijnt na de dood van een bekend schrijver, en dan hoogstens de uitgever beter maakt.

Toch kan het best zijn nu al het beste boek van dit jaar gelezen te hebben. Frisch gaf me veel te overdenken. Terwijl tegelijk ook een groot deel van dit boek langs me heen ging.

Alles waar de blurb zo enthousiast op wijst, liet me namelijk koud. Max Frisch begon dit derde dagboek in het voorjaar van 1982. Hij woont dan in New York, waar hij een relatie heeft met een veel jongere vrouw: Alice Locke-Carey — die ook beschreven is in de roman Montauk, en daar ‘Lynn’ heet.

Het gaat uit met haar, in de loop van dit dagboek. Waarbij de lezer wel iets van haar verwijten aan hem krijgt, maar Frisch verder niet reflecteert waarom het mis was gegaan. Hoogstens is er een pijnlijke passage over impotentie.

Alleen past die opmerking over zijn lichamelijke problemen nu net ook bij Frisch’ eeuwige reflecties over ouderdom. Een goede vriend van hem heeft plots nog slechts een korte tijd te leven, vanwege vergewoekerde kanker. En dat doet wat met de auteur — die in alle boeken uit de jaren tachtig toch al zo overmatig ruimte besteedde aan gedachten over dood en leven.

Nee, het interessantst waren voor mij de minder hoogdravende observaties van Max Frisch. Zoals hoe hij worstelt met het Engels. Aan een brief in deze taal begint, dan telkens het woordenboek nodig heeft, om dan veel later met een heel andere brief te eindigen als hij zich had voorgenomen.

De schrijver heeft het telkens ook moeilijk met Israël in het boek bijvoorbeeld — want dat land is weer eens in oorlog met een buur, en staat ondertussen zowat voor de poorten van Beiroet. Frisch meent dat hij daar dan iets meer van moet vinden dan dat oorlog zo deprimerend is.

Alleen zal hij die wijsheid dan zelf moeten uitvinden. Hem valt op dat met geen Amerikaan over politiek te praten is. Ze begrijpen daar de positie van hun eigen land in de wereld niet. Er is geen enkele weet van de agressieve indruk die de buitenlandpolitiek maakt van het land.

De Koude Oorlog woedde nog. En Frisch vindt allereerst dat zowel de Amerikanen als de Russen zijn Europa iets te vanzelfsprekend als het strijdtoneel zien voor een eventuele militaire confrontatie.

Men begrijpt niet eens waar Frisch het over heeft als hij hen daarover iets probeert uit te leggen. Vrijheid voor wie?

Entwürfe zu einem dritten Tagebuch is geen al te omvangrijk boek. Elk van Frisch’ aantekeningen kreeg een eigen pagina — zelfs al had hij hoogstens een zin of twee geschreven. Toch las het niet als een dunnetje, of als een postuum omzetmakertje.

Verder tekende ik onder meer aan:

Was erwartet man von einem Schriftsteller?
Dass er Interviews gibt. [27]

scheiding

Amerika (USA) ist im Grunde nicht kriegerisch, sondern lediglich kommerziell; Krieg als die Fortsetzung des Geschäftes mit anderen Mitteln. [79]

scheiding

DIE MEHRHEIT IST DER UNSINN!
sagt Demetrius bei Friedrich Schiller.
Wie mich das einmal empört hat!
Auch Adolf Hitler wurde von einer Mehrheit gewählt. [169]

Max Frisch, Entwürfe zu einem dritten Tagebuch
Herausgegeben und mit einem Nachwort von Peter von Matt

215 pagina’s
Suhrkamp, 2010

Gitaarvissen en banjoklokken ~ Willem Frederik Hermans

Willlem Frederik Hermans in Las Vegas, een live-show bekijkend met topless dansmeisjes. Om éen of andere reden had ik die twee dingen niet eerder met elkaar durven te verbinden. Ze leken niet bij elkaar te passen. Terwijl, wat weet ik van Hermans dan?

Toch komt een aantekening over zo’n live-show voor in het dagboekje Gitaarvissen en banjoklokken. Hermans merkt daarbij op dat de meisjes ‘kegeltjes van metaalpapier over haar tepels’ dragen.

De schrijver maakte een reis, solo, door het zuidwesten van Amerika in januari en februari 1967. Die trip werd betaald door het tijdschrijft Avenue; waarvoor Hermans uiteindelijk éen reportage zou schrijven over de VS.

Hij tekende alleen veel meer aan dan nodig was voor dat stuk. En een deel van deze observaties zouden vijfentwintig jaar later bewerkt gepubliceerd worden in Gitaarvissen en banjoklokken; dat opnieuw een dure bibliografische uitgave werd; en daarmee eerder zo lang onbereikbaar was voor de gewone lezer.

Opvallend aan dit boekje zijn onder meer de opmerkingen die W.F. Hermans later toevoegde aan de tekst. Want altijd had hij het dagboek een suspect literair genre genoemd — zijn litanie tegen de brave dagboeken van Buddingh’ is zelfs legendarisch — en nu was hij ineens zelf doende om er ook éen uit te brengen.

Bewerking voor publicatie viel hem zwaar, en kostte erg veel tijd:

is het voornamelijk mijn geringe vertrouwen in de dagboekvorm, waar ik principiële verklaringen tegen gepubliceerd heb. Gek, dat ik het met plezier herlees, al weet ik niet waarom. Misschien alleen om dezelfde redenen als sommige mensen met wellust hun familiefoto’s bekijken. Dezelfde oorzaken die maken dat ik bijna al mijn foto’s met diepe voldoening bezie en me geweld moet aandoen foto’s uit te zoeken waarvan ik hoop te mogen aannemen dat ook anderen er met plezier naar kijken. […]

Ook in het begin van het dagboek staan er zinnen van een metaniveau dat me trof. Bijvoorbeeld als Hermans in de Boeing plaatsneemt die hem naar de VS zal vliegen, en dan aantekent:

Je zou al die kleinigheden (pepermuntje, zuurstofmasker, mineraalwater, wc, enz.) niet noteren, als je drie keer per week een dergelijke reis maakt. Niemand beschrijft meer precies wat er op de perronbordjes staat, hoe de conducteur om het kaartje vraagt, als je met de trein naar Groningen naar Roodeschool gaat. Zou toch eens moeten gebeuren. Maar het is moeilijk. Ten eerste: het ware animo zou ontbreken, je zou je moeten dwingen iets op te merken dat je al honderden keren hebt gezien; […]

Of, ironisch:

Over honderd, misschien al over vijftig jaar, zullen deze aantekeningen erg interessant zijn om te lezen.

De strekking van de laatste opmerkingen lijkt weliswaar niet heel anders dan éen van de eeuwige vragen die op boeklog onderzocht wordt — wat is normaal, en waarom dan wel? En ook ik heb meermaals geformuleerd dat we wel heel veel niet zien, omdat kijken moeilijk is; mede omdat onze blik zo makkelijk wordt afgeleid.

Willekeurig voorbeeldje uit eigen werk:

het ware talent van een schrijver toont zich misschien ook pas als die het vreemde weet te laten zien van het doodnormale.

Toch troffen Hermans’ woorden me extra omdat ik net bezig was om te bedenken wat me op het moment aan boeken tegenstaat, en waarom boeklog goeddeels met reces blijft voorlopig.

En dat kon dan wel eens zijn dat ik te veel gelezen heb, waardoor het me te makkelijk is geworden om te herkennen waar een uitgave goed in slaagt, of juist slecht, terwijl dat oordeel daarbij dan vaak ook al meteen mijn lezen verder stuurt.

Als zien al met de hersenen wordt gedaan, waarbij makkelijk vertekening optreedt, wordt werkelijk onbevangen lezen al helemaal een moeilijke zaak.

Maar Gitaarvissen en banjoklokken was in elk geval veel te kort voor een boek. Ik wilde veel meer van wat het bood. Zelfs al bevat het grotendeels niet meer dan korte observaties, door de auteur opgeschreven voor een ander doel. Zelfs al had de schrijver bedenkingen over wat hij had aangetekend.

Want het is met dit boek waarschijnlijk zoals met boeklog. Duizenden zinnen op deze website hadden nooit bestaan als er niet ooit enige dwang was geweest om ze op te schrijven. En dan mag die zelf opgelegde dwang een vreemd ding zijn, van een tiental gedachten is het toch goed dat ze ooit zijn opgeschreven, hier. Anders waren die woorden nooit zo bij elkaar gezet.

Willem Frederik Hermans, Gitaarvissen en banjoklokken
pagina’s 287 – 334
© 1991
in: Willem Frederik Hermans, Volledige werken 15
955 pagina’s
De Bezige Bij, 2012

American Journals ~ Albert Camus

Er was een reden dat Albert Camus in 1946 met de boot naar New York reisde. Zijn land had hem daartoe uitgezonden, zo leerde onlangs een artikel me uit de LA Review of Books. Daarin kwamen fijn nogal wat meer details naar voren.

Zo had Camus vrijwel meteen al een gesprek met A.J. Liebling, van de New Yorker; die onder meer een erkend francofiel was. Waarbij Liebling het jasje van de Fransman van jaren oorlog en armoe vond getuigen.

Ook is het nuttig om te weten waarom de douane Albert Camus aanvankelijk niet van boord wilde laten gaan — hij had namelijk over zijn communistische vrienden moeten vertellen. In de American Journals / Journeux de voyage mocht de douanebeambte nog niet zeggen waarom de ondervraging op het schip zo lang duren moest.

Ofwel, met wat kennis van buiten worden deze reisdagboeken een stuk interessanter. Deze uitgave zou indertijd nogal wat rijker zijn geweest als het met een goed inleidend essay erbij was gekomen.

Want eerlijk gezegd had ik niets onthouden van de eerste keer dat ik de American Journals las, lang terug. De wetenschap volstond wel om te weten dat een bijboekje was; zo’n postuum uitgavetje dat hoogstens in aangelengde vorm nog iets bood van wat de schrijver in andere boeken zo veel guller had gegeven.

Boeklog laat zien dat ik inmiddels vele titels las over een bezoek van een schrijver aan de Verenigde Staten. Van Hugo de Vries tot Willem Frederik Hermans, van Sylvia Witteman tot onder meer Nina Berberova. En allen beschrijven daarbij een opvallend ander land. Speelt daarbij nog het beeld dat de populaire cultuur heeft geschapen in het hoofd van de lezer.

En binnen die overvloed aan indrukken zijn Camus’ observaties eigenlijk niet zo heel bijzonder. De dagboeken laten allereerst zijn vermoeidheid zien — die tonen een man die liever niet was waar hij op dat moment verkeerde. Of het nu om het korte eerste dagboek gaat over die reis naar de VS en Canada in 1946, of de wat grotere verzameling aantekeningen uit Brazilië en Argentinië in deze uitgave uit 1948.

Is de kennis wel weer nuttig dat Camus’ status veranderde tussen beide reizen in. Weliswaar had hij in 1946 L’Étranger al geschreven, of de Mythe van Sisyfus, hij genoot op dat moment allereerst nog faam als de journalist van een verzetskrant. Maar internationale roem kwam pas met de roman La peste — en daaraan werkte hij nog in 1946.

Wat zo af en toe een wel intrigerend terzijde in het dagboek oplevert.

Twee jaar later, in Brazilië, is Albert Camus ineens een auteur die uitgenodigd wordt om zijn status als schrijver. Daardoor kregen zijn contacten ook makkelijk een andere aard. De mensen die hij ontmoette wilden hem telkens voorstellen aan weer andere mensen — en Camus vindt dat enkel vermoeiend.

En ik ken die vermoeidheid te goed, misschien verklaart dat ook mijn blijvende afstand tot dit boek.

Albert Camus, American Journals
153 pagina’s
Abacus, 1990
vertaling door Hugh Levick van Journeaux de voyage, 1978

Hermit in Paris ~ Italo Calvino

Er staat een Amerikaans dagboek in deze postume verzameling autobiografisch materiaal. Weer zo éen. En naast dat dit de langste tekst is in het boek, met zijn ruim honderd pagina’s, redde die voor mij deze uitgave ook.

Nu staat er tenminste iets in het boek om nog eens naar terug te keren.

Het was schrapen om Hermit in Paris/Eremita a Parigi vol te krijgen, zo lijkt me. Er staan te veel stukjes voor de krant in, gelegenheidsdingetjes, korte interviews over iets of wat; teksten die hoogstens waarde hadden op het moment van publicatie. En die nu zo deftig verzameld in een boek daar niet per se aan bijdragen.

Toegegeven, bij Italo Calvino gaat het aloude vooroordeel niet op dat je de schrijver het beste leert kennen uit zijn eigen werk. Hij probeerde namelijk in vrijwel ieder boek weer wat anders.

Zo bezien zijn Calvino’s Zes memo’s voor het volgende millennium misschien ook zijn diepst gravende autobiografische werk — want enkel daarin gaat het onomwonden over wat hij van een tekst verlangt. En hoeveel auteurs hebben zich zo over dit onderwerp uitgelaten? Het gevaar opgezocht dat de lezer vervolgens zijn of haar werk naast deze idealen gaat leggen, en oordeelt dan?

Het leven van Italo Calvino [1923 — 1985] is in verschillende perioden op te delen — voor wie dat wil. Er was die jeugd, zoals ieder mens er éen heeft. Die tijd bij de partizanen aan het einde van Tweede Wereldoorlog. Zijn periode als communist, en de breuk met die partij. En er moet toch ook een tijd van welvaart zijn geweest; van toen hij internationaal was doorgebroken, en van puur het schrijven leven kon.

Er staat slechts éen rechtstreekse verwijzing in Hermit in Paris naar dat succes; alleen bestaat die uit het mij al bekende verhaal van hoe Gore Vidal hem de doorbraak bracht in de VS.

Terloopse aanwijzingen zijn verder dan dat Calvino er ook een huis in Parijs op na kon houden, voor vijftien jaar.

Zowel in het opgenomen materiaal als in de summiere toelichting gaat het verder alleen nooit inhoudelijk over deze tijd.

En zelfs over die American Diary 1959-1960 leert de lezer weinig meer dan dat de reis de schrijver een ander boek had moeten opleveren — dat nooit verscheen. Calvino dichtte dat verblijf in de VS later wel een bepalende invloed toe in zijn leven; alleen blijft het dan weer bij een statement als dat. En dit gebrek aan informatie vond ik wat pesterig. Al helemaal omdat Italo Calvino vaak nogal kritisch is over het land dat hij bezocht. Want al was hij misschien op dat moment al geen communist meer; helemaal afstand doen van de vragen waarmee de communisten zaten, deed hij nooit.

Calvino kon naar de VS omdat de Ford Foundation hem een werkbeurs gaf. Günter Grass had ook gezuld, alleen kwam deze niet door het lichamelijke onderzoek; hij had TBC.

Medepassagier op de heenreis was wel ene Hugo Claus, die door Calvino slim en belezen wordt genoemd, hoewel hij verder niets van kwaliteit zag in diens eerste roman.

Tegelijk vind ik een kleine zestig jaar later grappig wel de namen Calvino, Grass, en Claus te kennen, terwijl de overige schrijvers die zo’n werkbeurs kregen vrijwel totale onbekenden zijn. Alfred Tomlinson? Claude Ollier? De naam Fernando Arrabal zei me dan wel weer wat; alleen kende ik die vooral als filmer. Ooit, evenwel, werden zij zessen van een gelijk kaliber geacht.

Als Calvino uiteindelijk in New York de titels en schrijvers opnoemt met dan de meeste buzz zeggen die mij ook al zo weinig. Weinig relativeert zo goed als even kunnen zien waar men zich zoal druk om maakte ooit.

Wat die American Diary zo goed maakt, komt overigens door wat anders. De schrijver is simpelweg even weer aan het werk te zien, in een lange tekst met kwaliteit, die ik nog niet kende. Dan doet de rest van zo’n verzameling mengelwerk er ook nogal wat minder toe.

Italo Calvino, Hermit in Paris
Autobiographical Writings

255 pagina’s
Pantheon Books, 2003
vertaling van Eremita a Parigi, 1994

Montauk 2 ~ Max Frisch

Een boek kan ook veranderen door omstandigheden van buiten. De vertelling Montauk, van Max Frisch [1911 — 1991] bijvoorbeeld, is sinds het begin van dit decennium een ander boek dan daarvoor. Sindsdien is er namelijk niet alleen werk van gemaakt dat Frisch honderd jaar eerder geboren werd. Er kwamen ook tal van brieven vrij, en andere teksten, zoals een derde dagboek, omdat die pas twintig jaar na Frisch’ dood geopenbaard mochten worden.

Was er nog dat tergende boek ook van zijn dochter uit 2009.

Mede daardoor kreeg ik onbehoorlijk veel informatie te verwerken over de vrouwen in het leven van deze schrijver, sinds 2008; toen Montauk voor de eerste keer op boeklog langskwam. En omdat dit onder meer een roman is waarin een auteur met de naam Max Frisch terugkijkt op de vrouwen in zijn leven, dwong de nieuwe werkelijkheid me om nog eens met hernieuwde blik naar het boek te kijken.

Zo blijkt de meest opvallende vrouwengeschiedenis weggelaten te zijn uit deze uitgave. Frisch’ vriendin tijdens de laatste acht jaar van zijn leven, Karin Pilliod, was de dochter van een vrouw waar hij dertig jaar daarvoor ook al een relatie mee had gehad, Madeleine Seigner-Besson. In de jaren vijftig was hij alleen nog wel getrouwd.

Overigens is in Frisch’ roman Homo Faber uit 1957 een vergelijkbare relatie verwerkt — zij het dat die echt incestueus werd. De kunst was weer eens aan de werkelijkheid vooraf gegaan.

Dat Frisch, eenmaal op leeftijd gekomen, relaties aanknoopte met flink jongere vrouwen is dus minder uniek dan het mij misschien leek. Terwijl Montauk nu net voorheen altijd éen kwaliteit had; dat de relatie die erin beschreven zo intens wordt, omdat die nooit meer dan tijdelijk kon wezen. Een weekend duurde deze ook slechts. Een uitstapje lang naar de noordpunt van Long Island.

Frisch maakte in het voorjaar van 1974 een ‘Lesereise’ door de VS en enkele Canadese steden. Daarbij hielp een medewerker van zijn uitgever hem met de droevige details, de dan 31-jarige Alice Locke-Carey.

In het boek heet zij Lynn.

En de positieve emotie van dat beiden dan even wat krijgen, staat dan onder meer in schril contrast met de walging die het personage Max Frisch voelt als hij weer dezelfde standaardvragen voorgezet krijgt op een bijeenkomst met lezers.

Is er nog het gegeven dat zij hem niet kent, en hij daarom wel over zijn leven tot dan vertellen moet, reagerend op haar soms haast naïeve vragen — wat dan in het zo fragmentarische boek heel organisch tot terugblikken leidt op zijn leven en liefdes.

My life as a man. Dat staat nogal eens boven zulke passages.

En ik blijf zonder meer gevoelig voor de melancholie van dat terugblikken, en het besef over de vele gemaakte fouten daarbij, gecombineerd met dat prille eerste aftasten tussen twee mensen die elkaar nog nauwelijks kennen. Alleen daarom al is Montauk mijn meest geliefde Frisch. Zijn mijn opinies over deze auteur als mens helaas wel nogal gekelderd.

Indertijd, toen deze vertelling uitkwam, verschilden de reacties in de Duitstalige landen vrij extreem. Voor sommigen, zoals de invloedrijke criticus Marcel Reich-Ranicki, was dit boek het beste dat Frisch ooit geschreven had. Om de nietsontziende eerlijkheid, en daarmee de volstrekte originaliteit. Daar tegenover stond een heel kamp wat vond dat Max Frisch niet zo onbekommerd over mensen had mogen schrijven die bijna allemaal nog leefden.

In het boek komen trouwens een aantal pijnlijk momenten voor: als iemand uit Frisch’ leven weer eens protesteert niet in zijn boeken te willen voorkomen. De Max Frisch in het boek herhaalt bovendien dat éen van hen, Ingeborg Bachmann waarschijnlijk, zelfs een heel dagboek van hem verbrand heeft — iets dat heel goed een mythe kan.

Montauk zal niet per se in alle passages een sleutelroman zijn. ‘Macho Max’ kleurde de werkelijkheid wel vaker bij naar zijn mannelijke blik.

Leerde ik ondertussen wel dat de relatie tussen de schrijver en Alice Locke-Carey aanvankelijk echt ophield toen zijn Lesereise was afgelopen. En dat Frisch haar toen zijn roman opstuurde, waarop zij het boek moeizaam zelf vertalen moest, met groeiende kwaadheid over dat hij alles opgeschreven had zoals het gebeurd was; zijzelf voor iedereen herkenbaar daarin.

En zulke details schrijnen dan.

Maar die twee hadden tussen 1980 en 1984 opnieuw een relatie, afwisselend wonend in New York en het Zwitserse Berzona — heel terloops beschreven in dat derde dagboek. Tot er ook die dochter was van die vrouw waarmee hij al eens eerder iets had.

Max Frisch, Montauk
Eine Erzählung

207 pagina’s
Suhrkamp Taschenbuch 1981, oorspronkelijk 1975

Amerikanen fietsen niet… ~ Gijs van Middelkoop

De Trans Am Bike race is bezig, op het moment van schrijven. Een wedstrijd voor fietsers is dat die zonder enige steun of hulp van buiten op de openbare weg van Astoria naar Yorktown rijden; van het westen aan de Grote Oceaan naar het oosten aan de Atlantische kust. Of andersom. De race begon op 3 juni en de eerste deelnemer moet nog binnenkomen. Wellicht dat de koploper van het moment aanstaande woensdag finisht.

Deze heeft dan 4.300 mijl afgelegd, zo’n 6.880 kilometer. Want de route staat vast. Die rijdt iedereen.

Niet verplicht wordt of deelnemers van west naar oost moeten fietsen, of van oost naar west. Toch blijkt er nu slechts éen rijder te zijn die van de Atlantische kust naar de Pacific gaat. De rest oordeelde dat het gunstiger is om van west naar oost te fietsen. Want dan doemen de ergste bergen het eerst op, en dan bestaat er een grotere kans op windje mee.

En ik moest aan dit gegeven denken bij het lezen van Amerikanen fietsen niet… van Gijs Middelkoop. Waarin de auteur met zijn vriendin Aimée in zes maanden tijd van kust naar kust reed. Van Miami in Florida ging het naar San Francisco, Californië.

Want bij elke beschreven fietsreis speelt namelijk de vraag in hoeverre de avonturen werden opgezocht, of gewoon toevallig gebeurden; dan wel voortkwamen uit domme pech. Al weegt bij zo’n vraag vanzelfsprekend nogal wat projectie van de lezer mee. Ik ben een voorbereider. En in deze eeuw helemaal, nu er zo veel kennis online te vinden is over fietsreizen, zijn er geen excuses als er iets gebeurt dat met wat inlezen of oefenen, een testrit desnoods, makkelijk voorkomen had kunnen worden.

Het reisboek van de gevestigde auteur Peter Delpeut bijvoorbeeld, dat nota bene pretendeert een kleine filosofie van het fietsen te brengen, werd in éen klap onnozel toen bleek dat de schrijver en zijn vriendin er nooit over bleken te hebben nagedacht dat er ook weleens wat stuk kon gaan aan hun vervoermiddel.

En Delpeut’s Grote bocht moet hier wel genoemd worden, doordat daarin een nogal vergelijkbare tocht wordt beschreven van een man en een vrouw, die van oost naar west reden door de zuidelijkste staten van de VS. Alleen vond ik Gijs van Middelkoop’s Amerikanen fietsen niet… als boek een beter boek; ondanks het enorme verschil in status tussen beide schrijvers. Omdat deze auteur tenminste niet pretentieus ging doen over die reis. In plaats daarvan heeft hij enkel geprobeerd hun wederwaardigheden luchtig op te schrijven; wat hem wonderwel lukte.

Het is namelijk vrij belachelijk om per se te willen gaan fietsen in het land van de auto — daar waar fietsers óf geen geld hebben voor een auto, óf door een veroordeling hun rijbewijs zijn kwijtgeraakt, óf dan meteen een dure racefiets hebben waar een beetje renner de Tour de France op zou kunnen winnen.

Gijs van Middelkoop concludeert op een gegeven moment dat hun reis altijd op iets van meewarigheid stuit bij de Amerikanen die ze ontmoeten onderweg. Alsof zij kleine kinderen zijn, met grootse plannen, waarover volwassenen dan niet flauw willen doen.

En goed, dan ontkwam Van Middelkoop evenmin aan de moeilijkheid van dit genre boeken, dat die altijd enkel over de momenten gaan dat er niet wordt gefietst. Alleen een lange etappe over ‘the loneliest road of America’, door de droogte van Nevada, waarin ze die dag 1200 meter hoger zullen eindigen, wordt in redelijk detail beschreven.

Dat levert ook het enige moment op waarop de schrijver hardop reflecteert over dat fietsen:

Natuurlijk, ik snap ook wel dat het met de auto door Utah en Nevada rijden veel gerieflijker, makkelijker, koeler en sneller is. Maar als je negentig kilometer door de bergen fietst, ’s avonds een douche neemt en voor je tentje de natuur in zit te staren, met een bord warm eten voor je neus, voel je je zoveel meer tevreden, zo oneindig veel meer, dan wanneer je zeshonderd kilometer in een auto hebt gereden en daarna te veel eet in een restaurant.

De inspanning lijkt recht evenredig met de bevrediging.

Misschien is het nog wel erger, misschien neemt voor iedere eenheid inspanning, de bevrediging wel met twee eenheden toe.

Er zit nog een aspect aan en dat is zelfvertrouwen. Als je elke dag fietst, voel je dat het menselijk lichaam tot meer in staat is dan je van tevoren ooit hebt gedacht. […]

Dit boek bracht mij in elk geval even prettige lectuur, tijdens de dotwatching van de deelnemers aan de Trans Am Bike race. Want al plaatsen die nog zo veel fotootjes op de sociale media, hun verhalen komen pas later, veel later, nog eens naar buiten. Misschien. Terwijl ik nu net behoefte had aan verhalen over het onderweg zijn in dat enorme land. Verhalen liefst van het soort waarvan ik blij ben ze niet zelf te hebben hoeven meemaken.

Tegelijk, zo bezien bracht Amerikanen fietsen niet… vrij weinig goedkoop leedvermaak.

Gijs van Middelkoop, Amerikanen fietsen niet…
Van Miami naar San Francisco door het land van de auto

191 pagina’s
Elmar, 2015

Beren op de weg ~ Gijs van Middelkoop

Bij het derde boek dit jaar van Gijs van Middelkoop pas werd me duidelijk waarom ook die volgende titel weer gelezen is. Want de toon van zijn humor heeft weleens iets van die andere reiziger op de fiets, Bob den Uyl, zo viel ineens op. Met dat zo tergend traag uitserveren van een observatie dat die alleen daardoor al grappig worden kan.

En toevallig is Bob den Uyl een literaire held van mij. Alleen is hij ook al een heel tijdje een dode held, waardoor ik nooit meer een nieuwe tekst van hem te lezen zal krijgen.

Zelfs de echo’s van Den Uyl, met alle vervorming en inbeelding van dien, wil ik dus blijkbaar nog graag horen.

Interesseerde me overigens aan Beren op de weg ook de reisbestemming wel van Gijs van Middelkoop en zijn Aimée. Al is van een fietstrip door onder meer de Rocky Mountains bij voorbaat duidelijk dat geen auteur de taal zal bezitten om te beschrijven hoe het ís om in die landschappen daar te rijden.

Dat komt in Ultra-HD op een scherm al niet over.

Zelfs niet eens in een auto.

De gebruikelijke opmerking over boeken die een fietsreis beschrijven, is daarom opnieuw dat het daarin vrijwel nooit gaat om het onderweg zijn. De schrijvers staan altijd vooral stil bij momenten dat hun fiets ook stilstaat. En in Beren op de weg wordt inderdaad uitgebreid beschrijven hoe een grizzly verderop het de fietsers een tijd onmogelijk maakt om verder te rijden.

Nu overkomt mij iets vergelijkbaars ook weleens gewoon in Nederland, waar er fietsroutes zijn door gebieden waar ze Hitler-koeien en -stieren hebben rondlopen, met van die lange puntige hoorns, die nog vervelend lang op het fietspad kunnen staan. Zo’n losse anekdote over zo’n grizzly zei me daarmee het meeste niet.

Maar Beren op de weg biedt ook echte avonturen, van het soort dat je dicht bij huis niet mee zult maken. De eerste reis van Gijs en Aimée strandt in een hittegolf. En bij de tweede reis in het boek, een jaar later, als ze behoorlijk getraind hebben om in de bergen van Colorado te gaan fietsen, gaat het meteen al mis.

Door de lange vliegreis zijn er bloedstolsels in het been ontstaan van Aimée, die in haar lichaam gaan zwerven, en een longembolie veroorzaken. Een aandoening waar mensen aan kunnen sterven.

Dus werd die reis noodgedwongen een autovakantie met fietstochtjes daarin. Waarbij ze dan toch ook met de zondvloed van 2011 te maken krijgen, die vrijwel alle wegen blokkeert naar het vakantiedorp waar ze dan zijn. De enige uitweg leidt over een hoge pas, waar het in elk geval enorm mistig is, en het stevig zou kunnen sneeuwen.

En als er na afloop van dat al toch het idee overheerst een luchtig boek te hebben gelezen, dan is dit een grote kwaliteit geweest van de schrijver.

Gijs van Middelkoop, Beren op de weg
Een avontuurlijke fietsreis door Canada en de Verenigde Staten

188 pagina’s
Elmar, 2014

Amerika’s destructieve droom ~ Evita Neefs

Amerikanen lees ik ook zelf al over hun land. Van Stud Terkel’s interviews met ‘gewone’ mensen, tot Lessig’s analyses over de corruptie van het politieke systeem, of elementaire rekensommen over wat het een staat eigenlijk kost om zo veel oorlog te voeren, en alles daar tussenin — de beste kritiek komt nu eenmaal altijd van degenen die in het land wonen.

En toch wilde ik, bij wijze van zomerserietje, eens zien wat buitenstaanders zoal hadden op te merken over de Verenigde Staten. Omdat er nu eenmaal dat land is, met alles erin, maar er daarnaast ook hier een opvallende fascinatie bestaat hier voor wat daar gebeurt. En die overdreven belangstelling zegt ook nogal wat; over hoe wij de wereld bekijken, bijvoorbeeld.

Iedere onwelriekende scheet die Donald Trump laat, wordt momenteel ook in de Nederlandse media vermenigvuldigd tot een milieuramp[1]. Terwijl aan de Duitse politiek, of het EU-beleid, amper aandacht wordt besteed.

Evita Neefs’ boek Amerika’s destructieve droom was daarbij een goede inleiding. In deze uitgave kijkt de Vlaamse journalist nogmaals rond in een land dat ze al jong leerde kennen, als uitwisselingsstudent in 1972, en waar nog altijd veel onbegrijpelijk aan is. Obama regeerde net, ten tijde van de reportages in dit boek. En toch ziet Neefs geen land dat de hoopvolle boodschap van zijn verkiezingsprogramma’s van harte omarmd heeft. Polarisatie is er overal volop daarentegen.

Want dat blijft misschien wel het allermerkwaardigste aan de Verenigde Staten. Waar buitenstaanders een ontwikkelingsland kunnen zien, met nogal bizarre maatschappelijke tegenstellingen, meent vrijwel elke bewoner toch in het beste land op de aarde te leven. Ondanks alle vuurwapengeweld, het hoogste percentage gevangen ter wereld, de grote verslaving aan verdovende geneesmiddelen, of de honderdduizenden faillissementen van degenen die de pech hebben om ziek te worden, en daarop de rekeningen niet kunnen betalen voor hun ziektekosten; enkel omdat ze niet verzekerd zijn.

Ook de in onze ogen nogal schrijnende gevallen willen geen kwaad horen over hun land. Want zelfs die zijn totaal geïndoctrineerd met de idee dat succes een keuze is. Zelfs de allerarmste stakkers in hun verlopen stacaravans ergens op een trailerpark menen dat het tij nog altijd ten goede kan keren, voor hen. Als de overheid toch eens ophield om hen tegen te houden…

En goed, dan is dit een journalistiek boek, waarin de schrijver niet heel diep ingaat op onderliggende processen, of hoogstens ter introductie een beetje, en waardoor ik zelden iets las dat echt nieuw was voor mij. Haar reportages worden evenwel bevolkt door mensen, en die kunnen altijd verrassen. Net als dat Evita Neefs in kort bestek een heel behoorlijk portret weet te schetsen van een enorm land, enkel door naar de minst welvarende streken te reizen om te zien wat daar speelt.

Bovendien wist Amerika’s destructieve droom voor mij nog onverwachts twee vragen te beantwoorden:

Zo ligt er het gegeven dat de VS een nogal fundamentalistisch en doctrinair gristelijk land is. Ondanks dat het land geen staatskerk heeft, weten gelovigen nogal wat invloed uit te oefenen op het politieke beleid. Het waren ook ‘Evangelicals’ die achter de drooglegging zaten begin twintigste eeuw. En ik heb me altijd afgevraagd hoe het kwam dat gelovigen in de decennia nadien politiek zo weinig actief leken. Evita Neefs legde weliswaar niet uit waarom dit was, ze biedt wel een chronologie, en signaleert dat er pas sinds Reagan weer die drang is om de politiek te beïnvloeden.

Toevallig valt dat moment dan net samen met de reeks aan politieke keuzes om de rijken vooral rijker te maken, en de minder rijken te laten verrekken. Waardoor de welvaart in de VS tegenwoordig zo merkwaardig scheef is verdeeld.

Of de vraag waarom de bebaarde Amish toch hun bovenlip glad scheren? Dat is nog altijd in reactie op de oorlogszucht van de Pruisen en hun martiale snorren in de negentiende eeuw. Een snor staat voor agressie.

Evita Neefs, Amerika’s destructieve droom
Hoe de mythe een nachtmerrie werd

304 pagina’s
De Bezige Bij, 2012
  1. en laat ‘trump’ nu toevallig ‘scheet’ zijn in Brits Engels []

Made in U.$.A. ~ Jan Cremer

Vreemd dat juist dit boek nog eens werd heruitgegeven dit decennium. De tijd heeft er bijvoorbeeld een compleet ander karakter aan gegeven. Zeden veranderen. Kennis verandert.

Dat het de schrijver indertijd lukte om dit werkstuk uitgegeven te krijgen, is minder vreemd. Er lag nu eenmaal het enorme succes, van dat eerste deel Ik, Jan Cremer. En wie eenmaal een bestseller schrijft, lukt dat kunstje misschien nog wel een keer; zo hoopt de uitgever daarop.

Mij bevreemdde nog het meest dat Made in U.$.A. door de gemaakte stoerheid van de auteur inmiddels een bijna kinderlijke indruk maakte. Er is namelijk constant een jochie aan het woord, dat net de geile neuksex heeft ontdekt en die de lezer wil doen laten geloven dat hij daar nu alles over weet. Waarop hij nogal wat bullshit verkoopt.

Want, van alles waarover Jan Cremer had kunnen schrijven in een verslag over zijn verblijf in de VS midden jaren zestig, was volgens hem enkel de sex van belang. Van de jetset-dames die hem gretig terwille waren — tuurlijk Jan — tot verslagen over waartoe ‘modellen’ bereid zijn, of wat de prostituee die hem op zijn motelkamer bezocht zoal dee.

Vergeet ik de scènes nog te noemen waarbij Jan Cremer enkel toekijker was. Of de schijnbaar objectieve voorlichting die hij geeft over hoe het onderwerp leeft in het land.

232

In Amerikaanse drugstores, lingeriezaken, aptheken, postorderbedrijven, via advertenties in scandalsheets, girliemagazines, fotobladen, in 42nd-street-winkels, fopartikelenwinkels enzovoort, worden zogenaamde vibrators of massageapparaten verkocht. Lange roze plastik pikken in alle maten, lengtes en dikten voor ‘massage van vermoeide lichamen’. Op elektriciteit of batterijen. De plastik gevallen zijn een soort kleine drilboren en worden gebruikt voor zelfbevrediging. Zeer Geschikt prijzen de ‘doktoren’in de advertenties aan, ‘Vanwege Gestroomlijnde Vorm, Vederlicht gewicht, het geeft een Diep en Bevredigend, Masserend Gevoel en is te gebruiken op Elke Plaats van het Menselijk Lichaam’. Vrouwen gebruiken die als ze ruzie hebben met hun man, of als die op zakenreis is, en secrateresses gebruiken de Koordloze Vibrator tijdens het lunchuurtje om te relaxen of onder het schrijfbureau. In de damestoiletten (poederkamers geheten in de U.$.A., met spiegels, automaten en sofa’s om op uit te rusten) van grote kantoren, dure restaurants en bowlingbanen staat op de poedertafels een elektriese vibrator die voor een kwartje mee genomen mag worden het toilet in. Toiletten in Amerika zijn altijd open en bloot. Mannenweecees zijn slechts gescheiden door een meterhoog schotje en op damesweecees staan de potten naast elkaar. De Amerikanen hebben hoegenaamd geen geheimen voor elkaar.

Dus wat te concluderen over een merkwaardig slecht geschreven boek als dit, dat de indruk geeft nooit éen keer door een redacteur te zijn gelezen? Made in U.$.A. is overduidelijk haastwerk geweest. Even in elkaar geflanst ooit. Flauwe flut. Nogal wat hoofdstukken bestaan uit niet meer dan een eerste paragraaf van een nieuwsbericht uit een Amerikaanse krant — the lede — die dan door Cremer rustig gekopieerd werd, en gewoon in het Engels is afgedrukt. Waarbij hij nogal een voorkeur had voor misdaadberichten. Al verwijst een enkel bericht nog net naar de oorlog in Vietnam.

En al dat maakt dus die relatief recente herdruk zo merkwaardig. Waarom toch zou een uitgever zo’n aperte wanprestatie nog eens onder de aandacht hebben willen brengen?

Jan Cremer, Made in U.$.A.
518 pagina’s
De Bezige Bij, 1969

Toets 1 voor het paradijs ~ Martijn de Waal

Reportages hebben gauw eens een houdbaarheidsdatum. Want wat ooit spannend en nieuw lijkt, hoeft in de tijd daarop toch amper sporen na te laten.

Maar een tijdje later kan zo’n nadeel best zijn omgeslagen in een kwaliteit. Wat Martijn de Waal rond het jaar 2000 aan reportages schreef over het overdreven optimisme in nieuwe internetbedrijven, ging wat later de Dotcom-bubble heten; nadat er miljarden verdampt waren. Het bleek toen domweg niet genoeg te zijn dat je een leuk ideetje had voor een webshop en daar wel heel makkelijk investeerders voor kon vinden. Want geen winkel kan voortbestaan zonder klanten.

Met terugwerkende kracht alleen kan alles rond zo’n zeepbel ineens ook de perfecte illustratie worden van wat de mentaliteit van een land is. Waar allereerst de kans telt om heel snel rijk te worden — in dit geval als zo’n webonderneming een beursgang kon maken. Want dan maakt het ineens niet meer uit dat je tachtig, negentig uur in de week moet werken aan iets dat je waarschijnlijk niet eens interesseert. Alles in het blinde geloof telde een goed lot te hebben getrokken in een loterij met een grote kans op winst.

Maakte niet eens uit hoeveel bullshit er daarbij verteld werd.

De Waal was al eens eerder in de Verenigde Staten, als uitwisselingsscholier deed hij ooit een jaar highschool in een kleine plaats in Colorado; op een instelling met zo’n 250 leerlingen. Wat als voordeel had dat daar geen kliekjes waren, daarvoor waren er domweg te weinig leerlingen — ook de held van het football-veld deed gewoon mee met de toneelploeg, anders dan op een grotere school zou zijn gebeurd.

In Toets 1 voor het paradijs gaat Martijn de Waal ook terug naar die school, voor de eerste reünie na tien jaar. Die volgens de schrijver een belangrijk evenement is in de Amerikaanse samenleving, omdat highschool daar zo’n belangrijke plaats inneemt in het leven van heel de gemeenschap; anders dan de scholen hier.

Vrijwel alle vroegere klasgenoten bleven in de buurt wonen. De meeste trouwden, hebben kinderen, zijn soms al weer gescheiden.

Alleen is de enige homo niet op de reünie, omdat deze zich nog altijd niet wilde outen tegenover zijn vroegere klasgenoten. En Martijn de Waal zocht ook hem op.

De extra waarde van Toets 1 voor het paradijs zat hem ook in die persoonlijke contacten van de schrijver. Er is niet alleen een buitenstaander aan het woord die een land beschrijft met krankzinnige trekjes. Zoals hoe die Amerikaanse droom er bij iedereen wordt ingepompt van jongs af aan, dat je alles kunt worden wat je wil, met hard werken, terwijl allang duidelijk is dat slechts een enkeling ooit de beperkingen zal weten te overwinnen van de plaats of het gezin waarin zij worden geboren.

Tegelijk vindt die indoctrinatie plaats via wel heel vreemde sjablonen. Meest tekenende reportage gaat over een wedstrijd van de Future Business Leaders of America (FBLA) — dat zijn schoolclubs waarin leerlingen alvast de vaardigheden opdoen waarmee ze later succesvol in het bedrijfsleven kunnen functioneren. Zoals het schrijven van een CV. Zoals vergaderen volgens een vaste set regels. Zoals netwerken. Zoals het met zelfvertrouwen sollicitatiegesprekken voeren. Zoals een praatje houden, met een tekst die een bureau ergens heeft geschreven.

Zoals het jezelf verkopen; wat er op neer komt een betere versie te laten zien van jezelf. ‘Fake it until you make it’.

De Waal weet niet goed wat hij moet vinden van al die nijvere zestien- en zeventienjarigen in hun ouwelijke kleding, die wedstrijdjes gaan doen in wat ze aan competenties hebben geleerd. Bewondering of medelijden?

En als hij bij een docente informeert of die kinderen ook lol aan beleven aan zo’n bijeenkomst, is dat helemaal de verkeerde vraag.

De Amerikaanse samenleving is nu eenmaal competitief. Alleen wie zich daar het best aan aanpast kan daarin overleven.

‘Zit er niet iets tegenstrijdigs in dat ideaal?’ vraag ik Schaefer. Aan de ene kant krijgen de leerlingen te horen dat ze stuk voor stuk uniek zijn. Maar de manier waarop dat gebeurt, lijkt op de methode waarop in het leger een bataljon soldaten wordt gedrild. Ik vertel dat ik het vreemd vond dat de bestuursleden tijdens de openingsceremonie iedereen opriepen om leider te zijn, terwijl ze hun teksten zelf volgzaam oplepelden van een door hogerhand opgesteld briefje.

Eén van de doelen om een tijdje boeken te lezen van buitenstaanders over de VS is om te zien hoeveel aan ‘typisch Amerikaanse’ verschijnselen inmiddels hun weg naar Nederland vonden.

Zo vind ik onze samenleving de laatste decennia nogal wat harder geworden tegenover de zwaksten; en daar zitten typisch neo-liberale Angelsaksische kantjes aan.

De Waal wees me op nog iets anders, zij het dus indirect. Hij klaagt nogal over de werkwijze van de Amerikaanse media in dit boek, al is dat dan nog vooral het massamedium televisie. Alleen is al wat de TV toen daar aan irritants had inmiddels via dat internet ook naar hier doorgesijpeld. Zoals het verschijnsel clickbait. Zoals die vreemde neiging om gebeurtenissen altijd in superlatieven te brengen.

En dan is er nog die mentaliteit, zo pijnlijk getoond op die bijeenkomst van de Future Business Leaders of America, waar iedereen zo heerlijk deed uniek te zijn, en domweg geweldig. Tot dit ergerlijk onnozele gedrag zetten al die sociale media, met hun domme ‘likes’, inmiddels hier toch ook aan?

Twitface laat inmiddels elke dag zien hoe makkelijk wij ergerniswekkend Amerikaans gedrag zijn gaan overnemen.

Martijn de Waal, Toets 1 voor het paradijs
Op zoek naar de Amerikaanse droom

198 pagina’s
Fosfor 2013, oorspronkelijk 2002

Ik ga naar Amerika ~ Bertus Aafjes

Strikt thematisch lezen kan leiden tot ontdekkingen. Alleen al omdat ik tijdens zo’n leesprojectje weleens een boek aanvat dat me anders nooit onder ogen zou zijn gekomen. Het verslag dat Bertus Aafjes [1914 — 1993] schreef over zijn korte eerste verblijf in de VS, zette mij alleen eerder aan tot gedachten over hoe tijden altijd tijden hebben, dan dat me de opmerkingsgave van de schrijver nu zoveel deed.

Boeken kunnen nogal ver achterblijven in het verleden, juist doordat ze het heden van toen in detail hebben vastgelegd. Is er ook de toon nog van de tekst, die net op de verkeerde manier vertrouwelijkheid suggereert met de lezer, waardoor opvalt dat geen schrijver nu zo nog zou schrijven.

Aafjes reisde in de winter van 1956 met het vrachtschip Witmarsum van Rotterdam naar Houston, en een paar weken later weer terug. Daarbij hield hij een verslag bij voor zijn toen tweejarige dochter, die de bijnaam Dolle Dinsdag droeg. Oorspronkelijk kwam dit boek ook uit onder de titel Logboek voor ‘Dolle Dinsdag’.

Meest opvallend aan dit boek voor de lezer nu zal waarschijnlijk zijn hoe zeer de oorlog indertijd nog van alles kon doordrenken.

Er is die opvallende bijnaam voor dat dochtertje thuis. En de bootreis dient ook om de lezer verhalen te kunnen vertellen over hoe dapper de Nederlandse koopvaardij was tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aafjes verhaalt tussendoor trouwens ook rustig over de Zeeslag bij Duins uit 1639, toen de Spaanse Armada beslissend werd verslagen, ondanks de laffe neutraliteit van de Engelsen.

En daarnaast is Amerika voor Aafjes het land van de bevrijder, waartoe dankbaarheid past. Een rijk land ook dat aantoonbaar niet geleden heeft in die jaren — zie bijvoorbeeld het contrast met de armoede in Frankrijk op de weg terug.

Van Houston reisde Bertus Aafjes naar New Orleans, per trein, om daar bij zijn geëmigreerde broer te gaan logeren, en daar ter plaatse wat uitstapjes te maken in dat dan nog zo gesegregeerde deel van het land. Dus duurde zijn verblijf in de VS niet lang, hoogstens een paar weken.

Ondertussen is het trouwens ondenkbaar geworden dat een boot nu nog weken in de haven zou liggen voor het vervolg van de reis. Of dat hij zo op een schip had kunnen reizen onder Nederlandse vlag.

Niettemin voelde Bertus Aafjes zich geroepen om toch een karakteristiek te geven van de Amerikaan zoals hij deze was tegengekomen. Hij prijst dan hun eerlijkheid en openheid, plaatst tal van opmerkingen over de godsdienstzin, die zo zeer een drijvende kracht is om door te blijven pakken. Aafjes meent dat Amerikanen de wereld willen verbeteren. Weliswaar is egoïsme daarbij het principe, omdat de vraag voor iedereen allereerst luidt hoe zij zelf, ieder voor zich, leven en welzijn organiseren. Alleen is dat ook een optimistisch egoïsme, zo anders dan Europa gebruikelijk was. Want Amerikanen zijn van goede wil.

Een ruim zestig jaar oude tekst laat alleen ook zien waarin opvattingen ondertussen zijn veranderd. Zo zou niemand meer durven te schrijven toch nog iets van het oerwoud terug te zien in hoe de negers bewegen; alleen al omdat het woord neger ondertussen taboe werd. Kan Aafjes nog zo zijn best hebben gedaan genuanceerd te schrijven over ‘het rassenprobleem’.

Hij zag de stelselmatige achterstelling van de gekleurde bevolking in elk geval wel als een grote hindernis voor het land, en merkt ook teleurgesteld op nooit gelegenheid te hebben om met anderen te praten dan Amerikanen die zijn bleke huidskleur delen.

Tot dit boek had ik nooit een letter van Aafjes gelezen — zijn reputatie kende ik alleen door de afschuw die hij bij anderen wist op te roepen. Duidelijk werd nu dat hij allereerst een broodschrijver was, die tal van reportages schreef in een tijd dat zulke teksten een ongeïnformeerd publiek nog echt iets konden vertellen. Tegenwoordig heeft de televisie die rol overgenomen, en gaat er vaak éen of andere ‘bekende Nederlander’ in het beeld voor staan.

En broodschrijvers verwijten maken, zoals over de gedateerdheid van hun werk, geeft eigenlijk geen pas. Ik was hun doelpubliek immers niet. En zij schreven niet voor de eeuwigheid.

Bertus Aafjes, Ik ga naar Amerika
230 pagina’s
Meulenhoff, oorspronkelijk 1956

Avontuur Amerika ~ Cees Nooteboom

Zou ik nu een verhaal moeten schrijven over éen van mijn fietsreizen ooit, dan kreeg dat andere accenten als wanneer ik die reis indertijd al had beschreven.

Ineens zou bijvoorbeeld interessant zijn hoe de communicatie verliep indertijd, met het thuisfront. Iets dat in dezer dagen van WhatsApp en andere internetdiensten geen vraag meer is; zo onze familie en vrienden al niet overvoerd worden met beelden van ons Instagram-account.

Toen faxte ik weleens; een keer in de veertien dagen op zijn hoogst. Want telefoneren was doorgaans te duur. Hele lappen A4 werden daartoe dan beschreven, en betekend, als er ergens een fax was geregeld. Kantoren genoeg op de wereld waar zo’n apparaat stond. En de bereidwilligheid om even te helpen, was doorgaans groot.

Indertijd dacht ik daar verder niet bij na. Toendertijd was er geen fax voorgekomen in zo’n reisverhaal.

Ofwel, schrijven is selecteren. En wat voor dit moment het meest interessant kan lijken, hoeft dat over enkele decennia allang niet meer te zijn. Teksten zijn doorgaans tijdsgebonden. Wat niet per se erg is. Ook de preoccupaties van toen kunnen later nog weer interessant zijn.

Moeilijker wordt het evenwel als een schrijver zo weinig context meegeeft aan zijn verhalen, en zo weinig unieke of tekenende details, dat zijn verhaal zich in vrijwel elk decennium van de twintigste eeuw had kunnen afspelen.

Waarop ik op Cees Nooteboom [1933] kom, en de vraag waarom deze auteur zo geliefd is, zeker in vertaling, en geen van zijn boeken ooit enige indruk kon maken op mij.

Avontuur Amerika is dan misschien niet het beste uitgave om die vraag te beantwoorden. Dat bleek een bloemlezing te zijn, van reportages die al in eerdere bundels verschenen, en die slechts éen eigenschap gemeen hebben. Nooteboom was even in de VS, en schreef daarover.

De oudste tekst in dit boek dateert uit 1954, de nieuwste uit 1987. En daarmee laat Avontuur Amerika onder meer zien dat de auteur in de loop der decennia steeds beter ging formuleren.

Werd hij daarmee ook een betere of interessantere schrijver?

Blijkbaar vergoelijkt een volzin hier en daar, of eens een aardige formulering, toch veel voor nogal wat lezers. Want amper is dit boek uit, of er staat me al nauwelijks meer iets bij van wat Nooteboom had op te merken over de omgeving waarin hij zich bevond. Nieuwsgierigheid lijkt hem te ontbreken. Wat hij zoekt in de VS is vrijwel heel het boek een raadsel — pas toen zijn reputatie gevestigd was, wordt dat duidelijk, omdat hij dan door letterenfaculteiten werd uitgenodigd, met zelfs een gast-professoraat tot gevolg.

In de meeste reportages in deze bloemlezing verplaatst Nooteboom zich evenwel: per boot, Greyhound lijndienst, trein, vliegtuig, of Volkswagen-busje. En dat zijn daarmee telkens opvallend passieve verplaatsingen. De route lijkt al voor de schrijver bepaald te zijn, net als waar er tussenstops volgen, en hij laat zich schijnbaar willoos meevoeren. Nooteboom is weinig meer dan een postpakketje.

Die Verenigde Staten blijft daarmee een decor voor Cees Nooteboom, waar de schrijver zich langs beweegt, zonder daar dan ooit iets over op te merken dat echt tekenend is. En zelfs als de schrijver iets over zichzelf opmerkt, zoals dat hij verslaafd is aan kranten, valt op dat er daarop geen tekenende details volgen. Want, wat zocht hij dan in die kranten? Welke artikelen hadden daarbij zijn belangstelling het meest?

Enkel de allereerste en korte reportage uit 1954 in dit boek krijgt enig belang, omdat Nooteboom daar veel later nog eens in detail op terug komt, en dan wel de context biedt die in de oertekst mist.

Die reportage beschrijft een deel van een reis per Greyhound van Miami naar New York, waarbij het vooral gaat om het moment dat er een passagier instapt voor wie geen zitplaats meer is. Nooteboom beschrijft haar als een negermeisje — benieuwd welke bewoordingen hij of andere reisschrijvers vandaag zouden hebben gebruikt. En Nooteboom wil haar zijn plaats aanbieden, alleen houdt zijn buurman hem daarop onmiddellijk tegen. Bij de eerstvolgende halte stapte het meisje uit.

Veel later blijkt hierover dat Nooteboom van het multiculturele Curaçao komt, en via Cuba — dan nog Amerikaans — naar Miami is gereisd, en dat er in New York een Surinaamse vrouw op hem wacht waar hij mee zal gaan trouwen. Ofwel, hij is volkomen naïef over de segregatie in de VS in 1954, want voor hem tellen verschillen in huidskleur niet.

Maar was deze latere verduidelijking niet in het boek aangebracht, dan had ik die oerreportage dus begrepen als een soort heldendaad van Nooteboom, waarvan hij ruw door zijn buurman werd weerhouden, in plaats daar de pure onhandigheid in te zien van de schrijver.

Ofwel, vrijwel geen tekst kan zonder context. Of anders blijven de woorden, zoals in deze bundel, als zeepbellen die heel fraai voorbij komen zweven zonder daarbij iets tastbaars te bieden als je er naar grijpt. En context brengt Nooteboom dus slechts éen keer werkelijk aan.

Cees Nooteboom, Avontuur Amerika
303 pagina’s
De Bezige Bij, 2010

Grote Amerikashow ~ Tom-Jan Meeus

Ware me de inhoud van dit boek van tevoren bekend geweest, dan had ik misschien niet de hele maand uitgaven hoeven lezen van buitenstaanders die even in Amerika kwamen kijken.

Beetje vroeg alleen om die inspanning nu al onzinnig te noemen.

Tom-Jan Meeus doet in De grote Amerikashow namelijk twee dingen. Hij biedt een verslag van wat hij aantrof in de VS tijdens zijn correspondentschap in Washington van 2005-2011. En na terugkomst is er ook de reflectie op wat hij inmiddels aan Amerikaanse toestanden ziet in Den Haag, waar hij sinds 2012 werkt voor de politieke redactie van NRC Handelsblad — en een betere commentator van de Nederlandse politiek is er niet op het moment.

En om die blik, van wat Amerikaanse ontwikkelingen betekenen voor de status quo hier, was het me te doen.

Al ging ik er voor augustus nog vanuit daarover zelf de aanwijzingen te moeten destilleren uit andermans werk.

Meeus bood me onder meer de zekerheid dat VVD en CDA indertijd inderdaad echt met Geert Wilders en diens stemvee ging regeren in het eerste kabinet Rutte, om die PVV te castreren. Dat was immers eerder altijd zo prettig gelukt, met nieuwe partijen die onverwacht veel publiek succes oogsten. D66 meermaals, en helemaal de LPF, werden nogal hard afgestraft bij de verkiezingen als ze aan een kabinet hadden deelgenomen. Dat deze partijen compromissen moesten sluiten in ruil voor wat macht, had ze in de oog van het grote publiek onbetrouwbaar gemaakt.

Wilders ontrok zich alleen aan deze dodelijke omhelzing van de traditionele regenten. Geert Wilders was veel te snel en beweeglijk. Een zelfs nogal ongeleid projectiel.

Bovendien blijkt Wilders in de VS een nogal bekend politicus te zijn, en misschien wel de enige Nederlander daar met enige invloed.

Meeus’ verblijf in Washington toonde hem een barometer over hoe Nederland er lag door de jaren heen — waarbij vanzelfsprekend bleek dat enkel het eigenbelang van de VS telde. Toen dat land Irak binnenviel, en premier Balkenende zich kritiekloos voor deze oorlogsmisdaad leende, fijn mee in een christelijke oorlog, was er geen betere partner op de wereld te vinden.

Toen Nederland daarop iets minder gretig was om mee te doen in die eeuwige ‘war on terror’, en bijvoorbeeld weigerde om een paar mannen op te nemen die door de VS illegaal gevangen waren gezet in Guantanamo Bay, viel het land direct weer uit de gratie. Wat ook weer gevolgen had voor de toegang die buitenlandse journalisten hadden tot het Witte Huis.

Tom-Jan Meeus stond zo bezien ontstellend laag in de pikorde daar, als correspondent.

Eén van de grote verhalen in dit boek werd daarmee hoe de expertise verdween bij de Amerikaanse federale overheid; want experts waar Meeus desondanks weleens mee had kunnen praten, verdwenen ineens als bron.

Het andere grote verhaal is dat het buitenlandbeleid van Obama om tal van praktische redenen amper afweek van de wedergeboren gristen George W. Bush.

Maar het grootste verhaal gaat over de tegenstand die Obama opriep in eigen land, gepaard aan de bankencrisis van 2008, waardoor allerlei kwalijke verschijnselen die altijd al bestonden ineens aan kracht konden winnen, doordat mensen zich bijeenschaarden in boosheid. Zoals het nativisme, en het daaraan gekoppelde racisme. Zoals dat de lulpraat die politici traditioneel toch al uitslaan nog verder los kwam te staan van enige werkelijkheid ook.

En zo verdween bovendien het idee dat het geen pas geeft voor politici om bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten, vanwege dat samen en dat leven in een begrip als samenleving. Angst zaaien loont alleen zo prettig voor degenen die effectief angst weten op te roepen.

Geert Wilders werd nog net wel gezien als een gevaarlijke politicus in de VS — waardoor hij aanvankelijk slechts wat extreemrechtse gekkies aan zijn kant vond, en gristenen met een even blinde liefde voor Israël als hij. Want zelfs in het land van de ‘free speech’ ging onverbloemde moslimhaat toch net éen stap te ver. Toen nog wel. Roepen mag je er alles. Filmpjes maken waarin de koran verbrand wordt, is alleen ineens een daad die niet past.

Ondertussen heeft het Hooggerechtshof het toegestaan om moslims uit een beperkt tal landen de toegang tot de VS te ontzeggen.

Ondertussen ook hebben middenpartijen als CDA en VVD in Nederland de holle retoriek van Geert Wilders overgenomen, en hem daarbij met regelmaat zelfs extreemrechts ingehaald. En, zoals Meeus bezorgd constateert, in een land dat altijd zo vertrouwde op zijn overheid als Nederland, waar er ook zo veel overheid is, heeft deze veramerikansering van de politiek gevolgen.

‘Tegen beter weten in beloven politici meer dan ze kunnen waarmaken.’ Uit de reacties van Nederlanders blijkt dat ze nu bijna allemaal geloven dat politici hen moedwillig misleiden. Andeweg: ‘In ons laatste onderzoek was 93 procent het met deze stelling eens. Het is nog nooit zo hoog geweest, en het kan ook bijna niet hoger meer. Dat zegt eigenlijk alles.’

Nog altijd is Nederland ver verwijderd van de onbestuurbaarheid van Amerika, dat is waar, maar er is geen ontkomen aan: bijna alle trends laten zien dat het die kant opgaat. […]

In het hele land zien gewone burgers dat politici steeds verder polariseren, dat het populisme van links en rechts middenpartijen bedreigt, dat de kiezer een tweestromenland creëert terwijl het bestuur nog opereert in een uit de gratie geraakt bestel van consensus en collegialiteit, dat de monarchie wordt gepolitiseerd, dat de magistratuur wordt gepolitiseerd, dat de media worden gepolitisieerd, en zo gaat het maar door: elk domein van de maatschappij komt aan de beurt. En in Den Haag citeren ze onderzoeken die suggereren dat het bestel springlevend is.

Tom-Jan Meeus, De grote Amerikashow
Populisme en wantrouwen in een gespleten land

256 pagina’s
Nieuw Amsterdam, 2012

U.S. 1 ~ Jeroen van Bergeijk

Een vraag die wel niet te beantwoorden zal zijn, en me nu toch even kwelt: leeft 9/11 nog in de collectieve verbeelding? Of hebben enkel zij last van deze herinnering die bewust de dag meemaakten dat er twee vliegtuigen in een stel wolkenkrabbers vlogen, en daar zelfs beelden van bleken te zijn, die naderhand eindeloos werden uitgezonden?

Wie komende maand aan een studie geschiedenis begint, bestond weliswaar al op 11 september 2001, alleen was dat wel zonder al te veel benul. Voor een hele generatie al is die gebeurtenis iets enkel uit overlevering.

En sindsdien heeft de VS zoveel mispeuterd in de wereld dat alle goodwill die er even was na de aanslag verspeeld lijkt.

Meest directe erfenis voor ons van 9/11 zal zijn dat luchtreizen een stuk onprettiger werd. Inchecken duurt langer, omdat de autoriteiten dit theater nodig hebben om te laten zien dat zij om veiligheid geven. Alleen heeft eenieder die vliegen een tergend egoïstische aanslag vindt op het milieu, en daarmee het klimaat, hier geen enkele last van.

Belangrijkste erfenis is daarom dat de VS deze ene terroristische aanslag benutte als aanleiding voor twee invasies in autonome landen, Afghanistan eerst, en daarop Irak, en om voortaan iedereen online op de hele wereld onder permanent toezicht te stellen — waartoe de plannen trouwens al klaar lagen. Want er wordt sinds september 2001 in naam een permanente oorlog gevoerd. De ‘War on terror’. Die nooit gewonnen kan worden, en daarom nog wel even zal voort blijven kankeren.

Jeroen van Bergeijk woonde in New York, toen daar de vliegtuigen het World Trade Center invlogen. En na die terreurdaad was er even saamhorigheid tussen de bewoners in de stad, in plaats van de gebruikelijke onverschilligheid; waarin buren geen woord met elkaar wisselen; alleen al omdat ze elkaar niet kennen.

Ook Van Bergeijk wilde helpen direct na 9/11; om daarbij te merken dat er niet eens een mogelijkheid was om goed te doen door het overaanbod aan vrijwilligers. Uiteindelijk kwam hij in een loods terecht, om daar vlaggen te vouwen — wat hem nog tot overpeinzingen aanzette ook over de ‘stars and stripes’. Beide uiterste posities waren hem daarbij vreemd, zowel het blinde patriottisme verbonden aan het dundoek, als de pure haat om de doden die de militairen van het land elders maakten, deelt hij niet.

In U.S. 1 worden twee ideeën gecombineerd. Voor dit boek bekeek Jeroen van Bergeijk welke gevolgen die ene fatale dag in september 2001 hadden voor de rest van de VS. Daartoe maakte hij een roadtrip in een enorme Cadillac, zoals toch al een vaag plan was, langs de U.S. Route 1 — de oerroute aan de oostkust van de Canadese grens in Maine in het noorden tot diep in Florida in het zuiden.

Tegenwoordig heeft de Interstate 95 die rol van noord-zuid-verbinding overgenomen. Dus is de U.S. 1 vaak een bijweg geworden, al zijn er plaatsen waar de extra wegcapaciteit parallel aan de hoofdweg nog wel belangrijk bleef. En bijwegen voeren doorgaans langs de achterkant van het gelijk.

Vraag werd daarmee of die tijdelijke obsessie van de schrijver over terreur dit boek een meerwaarde gaf boven het gebruikelijke reisboek. En na enig nadenken was dit toch wel zo — omdat U.S. 1 daarmee de valstrik vermeed van het doorsnee reisverslag, dat alle ontmoetingen onderweg zo vreselijk toevallig zijn; en daarmee zelden iets toevoegen aan het verhaal. Van Bergeijk stelde iedereen onderweg dezelfde vraag: is er ook iets verandert?

Toegegeven, zijn teleurstellende bezoekjes aan de Amish, of de Harvard Business School, of de nare rondleiding op het hoofdkantoor van de FBI, waren niet meer dan pure improvisaties. Daar tegenover staat wel dat hij per se in de motelkamer wilde overnachten waarin de bekendste dader van 9/11, Mohammed Atta, zijn laatste nacht had doorgebracht, en hij de vliegschoolhouder opzocht die de kapers les had gegeven.

Maar denk al deze elementen weg, dan nog was het goed om een boek te lezen dat niet als een blije toeristengids uitpakte over een land en zijn bezienswaardigheden; omdat de VS gewoon erg vreemde kanten heeft, en Van Bergeijk ook een heel tal daarvan wist te benoemen.

Ondertussen doet de VS tegenwoordig mee met Saoedi-Arabië met een in de massamedia vrijwel doodzwegen oorlog tegen Yemen; waarin al duizenden burgerdoden zijn gevallen. Aan de Arabische kant vechten nogal wat voormalige Al Qaida-strijders mee.

Vijftien van de negentien vliegtuigkapers op 9/11 hadden toch al de Saoedi-Arabische nationaliteit.

Jeroen van Bergeijk, U.S. 1
Amerika na 11 september

256 pagina’s
Meulenhoff, 2002

Amerikanen lopen niet ~ Arjen van Veelen

Jarenlang was het duidelijk voor Arjen van Veelen. Amerika was geen land om naartoe te gaan. Films, TV-series, en het nieuws hebben ons daar zo veel van getoond, dat alles er al bekend lijkt.

En anders komt wat in het land aanslaat aan cultuur of ideeën vanzelf wel naar Nederland toe.

Toen belandde hij in de zomer van 2014 in St. Louis, Missouri. Door het blinde toeval dat zijn vrouw wetenschappelijk onderzoek wilde doen naar een bepaald type melkzuurbacterie, en dit bijna alleen mogelijk was in het academisch ziekenhuis daar. Een maand later braken er rellen uit in de voorstad Ferguson van St. Louis, omdat de politie voor de zoveelste maal schijnbaar zonder reden aan zwarte jongen had dood geschoten. En toen al stond Van Veelen daar de haastig ingevlogen Nederlandse media te woord als expert over de spanningen in een stad in verval in het Midwesten van de VS.

Terwijl hij nog amper van iets wist op dat moment. Alleen bestaat er geen reisgids die hen had kunnen waarschuwen voor wat ze aantroffen daar.

In Amerikanen lopen niet is deels een verslag van het verblijf van Arjen van Veelen en Rosanne Hertzberger in St. Louis, en nog iets meer een verzameling reportages over de armoede in het heartland van de VS, onder de afstammelingen van de slaven zowel als de blanke bevolking, en daarmee deels ook weer een cultuurstudie.

Door de reikwijdte van zijn blik, en omdat de schrijver een kleine twee jaar bezig is geweest in éen omgeving, was dit éen van de betere boeken die ik las voor mijn zomerprojectje. Het scheelt nogal als een auteur niet alleen om zijn eigen impressies afgaat, maar vrienden maakt die daarop een leven lang aan ervaringen kunnen inbrengen in een verhaal.

Helpt het wel om te weten dat St. Louis ruim honderd jaar geleden voorbestemd leek tot iets groots. Om de hoofdstad van de VS te worden misschien zelfs wel. Alleen bleef dat een verre droom. Na 1950 al nam het bevolkingstal er sneller af dan waar ook in het land. Van Veelen kwam in een stad te wonen in dramatisch verval, met duidelijk gescheiden zwarte en dus arme en gewelddadige buurten, en buurten waar de witte bevolking toe houdt.

Nergens in de VS is er een stad gewelddadiger of ligt het tal moorden hoger — al stellen verdedigers van St. Louis dat als je de rustige voorsteden wel meetelt in deze statistieken zulke cijfers er ineens heel wat beter uitzien.

Als studie naar wat het betekent dat een land zijn segregatiewetten heeft afgeschaft, en daar nog altijd niet naar leeft, en in de beschrijving van de structurele armoede overal, is dit boek zeker zo goed als Paul Theroux’s Deep South, zo niet beter.

Heeft Amerikanen lopen niet als extraatje nog een optreden van Donald Trump, die in een grote zaal het volk komt vertellen waarom hij tot president moet worden gekozen. Waarbij Van Veelen zonder meer terecht opmerkt dat Trump enkel een logisch gevolg is van ontwikkelingen, en de daardoor groeiende polarisatie in de VS, die al veel langer bestaan.

Probeert de schrijver zelfs het onmogelijke, om verklaringen te vinden voor waarom de VS is zoals het land is. Waarbij hij zelf meteen al beseft dat de taal die daarbij gauw eens wordt ingezet rijkelijk vaag kan zijn. Tot dat soms ineens niet meer zo is.

Ik houd niet zo van het woord ‘neoliberalisme’: het is zo’n abstracte en ongrijpbare term, een vage aanklacht. Maar in en rond Noel leerde ik een heel concrete definitie ervan: neoliberalisme, dat is een kippenfabriek in een natuurgebied waar vluchtelingen als moderne slaven werken, zodat de bezitters steenrijk worden, terwijl het platteland ondertussen kapotgaat, etnische spanningen groeien, tradities onder druk staan en mensen zoals ik al die tijd worden afgeleid met goedkope kipnuggets en prachtige moderne kunst.

En, deze bundel heeft een nuttige afronding, als getoond wordt hoe Amerika naar hier toe komt. Als Van Veelen met vrouw en een nieuw kind weer in Nederland komen, en dan zijn kennis over wat hij zag in de VS toepast op wat hij waarneemt aan ontwikkelingen hier. Een land dat schathemeltjerijk is. Maar waar het voor freelancers zoals zij, zelfs al verdienen beide, inmiddels toch ook onbetaalbaar is geworden om in Amsterdam te gaan wonen.

Plus, net als in St. Louis zit hij in Den Haag in de bibliotheek vaak naast zwervers als hij schrijven moet. Het tal verwarde personen dat overlast geeft, neemt toe. Daklozen zijn er ineens meer dan lang hiervoor.

Arjen van Veelen, Amerikanen lopen niet
Leven in het hart van de VS

216 pagina’s
De Correspondent bv, 2018

In God We Trust ~ Peter Vermaas

Wij Europeanen kunnen Amerika niet begrijpen, omdat we te makkelijk de betekenis negeren die religie heeft in het land. Dat zei iemand aan Peter Vermaas, waarop deze een aantal reportages ging schrijven over hoe verschillende groepen in de VS hun religie beleven.

En ik wil niet zeggen dat mij al eens de schellen van de ogen zijn gevallen. Alleen was het indertijd bijvoorbeeld nogal opvallend dat president George W. Bush de illegale inval van het Amerikaanse leger in Irak een christelijke oorlog noemde. Waarbij hij zelfs beweerde dat God hem die persoonlijk had opgedragen. Al was nog opvallender dat vrijwel geen van de massamedia dit gegeven aan mij wensten mee te delen.

Amerikaanse presidenten zeggen nogal eens meer iets over het geloof dat slechts bedoeld lijkt voor binnenlandse consumptie; om de eigen kiezers te paaien. En dat mogen de nieuwsmedia hier best negeren. Alleen deed Nederland toevallig ook vrolijk aan die illegale oorlog, en het was het beter geweest als alle aspecten aan die oorlogsmisdaad hier aan bod worden gekomen.

Vermaas’ boek riep de vraag op in hoeverre hij enkel de extremen heeft opgezocht. Dat de Abrahamitische religies moeite hebben met het gegeven dat mensen een lichaam hebben is bekend. En daarmee ook dat ze sexueel gedrag opleggen, en ander gedrag daarmee afkeuren. Dus wordt homosexualiteit er als een immens probleem gezien. Ook is stelselmatige vrouwenonderdrukking er trouwens nog altijd niet vreemd.

In tegenstelling tot de auteur vermoed ik, als theorette nu even, dat Amerikanen helemaal niet per se religieuzer zijn dan wij, Europeanen. Maar dat de kerken, mede door een gebrek aan overheid om op te leunen, daar zo veel meer kunnen betekenen voor iemand dan hier, in dat zo individualistische land.

In zulk los zand wordt elke gerichte collectieve inspanning al gauw zo machtig als een spade.

Zou de overheid, op welk niveau ook, meer geld aan onderwijs uitgeven, dan was het niet zo verschrikkelijk slecht als nu. En als het onderwijs niet zo slecht was geweest, had dat nooit zo veel ruimte geboden aan georganiseerde verbanden die onwetenschappelijke ideeën op kwamen dringen; zoals dat de aarde zesduizend jaar oud is, of dat Darwin’s gevaarlijke idee van evolutie onzin zou zijn.

Terwijl elke ook alweer resistent geworden bacterie toch opnieuw aantoont dat leven dat zich heeft aangepast kan overleven.

In God We Trust biedt nuttige reportages, over verschillende vormen van religieuze beleving, waarvan ik soms zeker blij was er kennis van te hebben genomen. Zo ging hij naar de kerk in Chicago die Barack Obama bezocht — tot deze publiek meldde zich te hebben uitgeschreven. De voorganger was er ook nogal fel, de rassenstrijd wordt er nog altijd gestreden. Want zwarte Amerikanen hebben geen enkele reden om het ‘God Bless America’ uit te spreken.

Verder sprak hij de Mormonen — zonder daarbij in te gaan op hun merkwaardige ondergoed — legde Vermaas onder meer uit waarom sommige Amerikaanse christenen zulke enorme vrienden zijn van Israël, was hij in Rwanda om daar te zien wat de bekeringsijver vanuit de VS betekent, en werd onderzocht hoe politici het geloof inzetten om stemmers te winnen.

Nuttig was daarbij verder dat de schrijver aanwees wanneer de Evangelicals weer als politieke macht actief werden: In 1963 werd het gebed afgeschaft op de openbare scholen, en in 1973 werd abortus toegestaan door het Hooggerechtshof. En beide zijn vanzelfsprekend grote kwaden; die de gelovigen ondanks hun onderlinge verschillen en felle ruzies daarover toch ook weer verenigen in afschuw.

Alleen denk ik toch dat dit boek veel dikker had moeten zijn geweest, en ook in tenminste éen hoofdstuk met aanzienlijk meer afstand over de materie had moeten gaan, om mij werkelijk tevreden te stellen. Steekproefjes vertellen wel iets, alleen misschien niet alles over een geheel.

[ is vervolgd ]

Peter Vermaas, In God We Trust
Geloven in Amerika

190 pagina’s
Ambo, 2008