Infinite Jest ~ David Foster Wallace

De zomer van 2009 was voor mij onder meer de zomer van het cultboek Infinite Jest. Dit kwam door een Amerikaans initiatief, met de naam Infinite Summer, dat eruit bestond om met zo veel mogelijk mensen tegelijk deze roman te lezen. En om daar dan over te discussiëren, online.

Lezen is doorgaans een eenzaam avontuur. Dus leek het me alleen al aardig om aan de Infinite Summer mee te doen, om eens iets gezamenlijk te beleven. Zelfs al zou meedoen betekenen dat ik me aan een heel traag leesschema moest houden, van rond de 75 pagina’s per week.

Maar toen bleek al snel dat ik Infinite Jest in mijn eentje nooit uitgelezen had. David Foster Wallace had nogal veel woorden nodig om iets te zeggen, als hij er al toe kwam om iets te zeggen. Dit gaf mij zo veel problemen, dat ik zelfs vermoed dat de schaarse wel geslaagde stukken uit dit boek niet eens van hem zijn. Infinite Jest is een postmodern werk, waarin tal van readymades werden opgenomen; die ik soms ook al kende.

Alleen door de Infinite Summer heb ik het volgehouden de 981 pagina’s te lezen, en de kleine honderd bladzijden met noten achterin daar nog bij. En door dit spontane verbond heb ik nog aanzienlijk meer gelezen ook. Zoals veel van wat de fans online schreven over wat zij zo geweldig vonden aan deze roman, en waarom ze van sommige personages waren gaan houden, tijdens het lezen.

Die liefdesverklaringen waren zo opmerkelijk voor mij, omdat ik die werkelijk totaal niet meevoelen kon. Infinite Jest is een roman over tamelijk trieste, ontstellend egoïstische Amerikanen, in een ietwat dystopische toekomst. Het boek biedt een verwarrend grote reeks verhalen. En alles wat iemand er in samenvatting over zegt, is waarschijnlijk meteen al een overdrijving.

Wallace meldde nogal wat zaken terloops, die in een uitleg meer nadruk krijgen dan hij misschien bedoelde.

Ik had als plan om tijdens de Infinite Summer wekelijks mijn bevindingen publiek te maken. Maar het reeksje dat dit plan opleverde, blonk helaas uit in nietszeggendheid; juist om Wallace’s zo doelbewuste vaagheid.

Een goede tekenaar zet éen lijn, en daarin is dan alles te lezen. Mensen die niet kunnen tekenen proberen zo’n lijn te benaderen, door tientallen kleine lijntjes neer te zetten, en de vorm die daaruit tevoorschijn komt dan nog eens te benadrukken.

Deze metafoor is niet van mij, maar van B.R. Myers, uit diens Reader’s Manifesto, tegen de groeiende pretenties van proza. Maar ik vind hem wonderbaarlijk van toepassing op de roman Infinite Jest. Waarbij David Foster Wallace dus die niet zo heel goede tekenaar is, en de lezer maar zelf die dikke lijn moet ontwaren in alle gekrabbel.

Het zo fragmentarische karakter van dit boek nodigt bovendien uit om er meer in te willen zien dan de schrijver erin gelegd heeft. Zelfs al heeft hij er veel in gestopt. Aan taal tenminste, of aan mogelijke verwijzingen naar Hamlet. En dit verklaart daarmee dus ook meteen de cultstatus van Infinite Jest. Als iedereen meteen kan zien wat de kunstenaar bedoeld heeft, roept dat geen enkele drang tot interpretatie op. Bij deze roman is er tenminste veel te speculeren.

Het boek lijkt ook onmetelijk veel te bieden, doordat Wallace zo veel verschillende registers gebruikte; van hoog naar laag, van vakjargon tot gemaakt dialect en sociolect. Het is of hij wilde bewijzen dat het Engels de taal is die de meeste woorden bevat, door ze allemaal minstens éen keer te gebruiken. Nu horen nogal wat merknamen tot die woordenschat — zo zijn op het laatst tientallen noten telkens gewijd aan medicijnen tegen geestelijke stoornissen. Vandaar dat een commentator op de Infinite Summer-site zich, wat mij betreft geheel terecht, afvroeg of dit boek door al die productnamen niet razendsnel veroudert.

In elk geval droegen die genoemde producten er ook nogal aan bij om dit boek ontstellend Amerikaans te maken. Nu is de roman zeker te zien als een kritiek op de manier van leven in de VS, en worden daar karakteristieken van overdreven. Maar ik ben geen Amerikaan, dus zullen mij waarschijnlijk alleen de grofste toespelingen en parodieën opgevallen zijn.

Zo was mij het gehele boek lang ook onduidelijk waarom zo veel lezers online melden zo te genieten van de humor. Omdat ik misschien alleen de zwarte grappen zag, plus de ergste overdrijvingen. En die waren telkens te flauw voor woorden. Zoals dat in de VS — dan samen met Canada en Mexico in het verbond O.N.A.N.; god wat leuk — de jaartallen voortaan de naam van een sponsor dragen. Het boek speelt zich grotendeels af in het jaar van de Depend volwassenenluier.

Enfin. Om toch nog iets over de inhoud te schrijven. Infinite Jest speelt zich grotendeels af binnen twee instellingen. De ene is een tennisacademie voor verder ook intellectueel begaafde studenten, de tweede is een project voor afkickende verslaafden. Niet toevallig vertonen de twee, en sommige van hun bewoners, nogal wat overeenkomsten in hun obsessies. En tuurlijk, afkicken is topsport. Tegelijk is er pas op het allerlaatst een ontmoeting tussen de belangrijkste personages uit beide instituten; en Wallace laat daar expres veel over weg. Naast al dit zijn er nog mensen actief die Quebec onafhankelijk willen hebben; of willen sommigen dat nu juist niet? En ook deze verhaallijn komt met complicaties, en grappen die maar niet leuk wilden worden.

Was er ergens ook nog een plot. Al moest ik daar door anderen op gewezen worden. Die tennisacademie werd opgericht door de inmiddels overleden James Orin Incandenza. Die was daarvoor filmmaker, en schepper van onder meer de Entertainment, ook bekend als Infinite Jest, of ‘the samizdat’; een film zo grappig dat elke kijker erin blijft. Die film is dan weer gewild door de Quebec-separisten, ongetwijfeld om als wapen in te zetten.

Het zal. En Monty Python had hetzelfde idee ook al eens.

Nu goed, als statement over de leegheid van de Amerikaanse cultuur, met zijn zo grote nadruk op instantbevrediging, en makkelijke oplossingen, had deze roman zo af en toe iets. Maar dat dit boek slechts te begrijpen zou zijn door het met de kennis van nu nogmaals te lezen, laat me vermoeden dat Wallace met Infinite Jest ook een grap met zijn publiek heeft willen uithalen. De roman zelf is de grap zonder clou. En wie daar toch eindeloos naar door wil blijven zoeken, gaat zijn gang maar. Ik geloof het verder wel.

* ziet ook: Zou een Nederlandse vertaling van Infinite Jest mogelijk zijn?

David Foster Wallace, Infinite Jest
A Novel

1079 pagina’s
Abacus 2009, oorspronkelijk 1996

Doktor Faustus ~ Thomas Mann

Klassiekers zijn een vreemd soort boeken.

Ik wilde Doktor Faustus per se nog eens lezen; had ook al eerdere pogingen gedaan; en moest er uiteindelijk huiswerk van maken — in de vorm van een publiek project. Tegelijk was dit verlangen enkel gebaseerd op de status van het boek. Terwijl die status verworven werd in andere tijden; onder andere culturele omstandigheden.

Zo weegt alleen al het gegeven mee dat Duitsers van langere zinnen houden dan Nederlanders. Kort maar helder schijnt er voor oppervlakkig door te gaan, daar. En Thomas Mann [1875 – 1955] leek in zijn wijdlopigheid vaak nog een negentiende-eeuwer; de krullen en draaien kunnen bij hem makkelijk de feitelijke mededeling overwoekeren.

Maar goed, ook dat is een stijl van schrijven. En als het een auteur zo lukt om me aan hem of haar over te geven, hoeft dat niet eens een vervelende schrijfstijl te zijn. De overdaad kan een prettig soort leesroes opleveren.

Alleen verkoos Mann het om Doktor Faustus te laten vertellen door een vervelende droogstoppel; die zichzelf iets te belangrijk vond. Waardoor ik nooit vergeten kon aan het lezen te zijn.

Verder speelde mee dat grote delen van de inhoud van klassiekers vaak al bekend zijn, zonder dat het nodig is het boek daarvoor te lezen. Al is ook zonder voorkennis aan te nemen dat de duivel een rol gaat krijgen in een boek met een verwijzing naar Faust in de titel.

Dus trad bij het lezen een dubbele teleurstelling op. Allereerst wist ik al ongeveer wat er komen zo. Het boek zou gaan over een componist, die de syfilis had opgezocht, omdat hij tijdens acute aanvallen van die ziekte mogelijk nog verder kon zien dan normaal.

Daarnaast had deze Adrian Leverkühn ook nog eens terloops de dodecofanie uitgevonden; de twaalftoontechniek waarin geen noot of toon belangrijker is dan de andere.

Ten tweede komt dit verhaal van een relatieve buitenstaander — deze Serenus Zeitblom is toevallig met Leverkühn opgegroeid, en kan daardoor de hele levensgeschiedenis geven.

Maar Zeitblom vertelt er telkens net een beetje naast. Wat dan als effect heeft dat de verhaalelementen die ook buiten het boek bekend zijn geworden, in het boek lang zo krachtig niet lijken.

Mede daarom bracht de roman me betrekkelijk weinig.

Er zijn wat hoofdstukken die me even lieten opveren. Telkens waren dit hoofdstukken waarin Zeitblom niet aan het zemelen is. Er zijn wat aardige gesprekken tussen Zeitblom en Leverkühn, over muziek vooral. Al toont de componist zich daarbij telkens wel onaangenaam stellig; wat zijn minachting voor het domme publiek pijnlijk duidelijk maakt.

Er is die deliriumachtige confrontatie van Leverkühn met de duivel; door zijn vriend later nauwkeurig overgeschreven uit aantekeningen.

Er is dat jongetje op het laatst, in het leven van Leverkühn, het kind van zijn zuster, dat hem aanzet een ambitieuzer werk te componeren dan eerder. Alleen sterft het kind dan, en weet de componist zeker dat het zijn schuld is; om zijn contract met de duivel.

En dan is Doktor Faustus nog zo veel meer dan het verhaal. Mann zag het ook als een autobiografie, en dan vooral over de gevaren die kleven aan de monomanie om te scheppen, van de kunstenaar; of wie met visie dan ook.

Lezers kunnen parallellen trekken tussen wat er het Duitsland gebeurde, tussen 1933 en 1945, en wat er in het boek behandeld wordt.

Zo veel is er in de roman gepropt dat Thomas Mann het later nodig vond een apart boek uit te geven waarin hoe toelichtte hoe veel. En dan nog moet een lezer weet hebben van de enorme status die componisten hadden in de Duitse landen, om te kunnen begrijpen waarom nu juist een componist hoofdpersoon van deze vertelling moest worden.

Tegelijk tellen al die overwegingen voor mij niet echt. Een boek wordt memorabel om andere redenen, dan dat de auteur er zo veel mee wilde. Mij lukte het niet de afstand in tijd, of de kloof in cultuur, te overbruggen tijdens het lezen.

Ik kwam domweg niet aan het lezen.

Thomas Mann, Doktor Faustus
Das Leben des deutschen Tonsetzers
Adrian Leverkühn
erzählt von einem Freunde

672 pagina’s
Fischer 1993, oorspronkelijk 1947

2666 ~ Roberto Bolaño

Hoeveel Kitsch kan een boek verdragen om een goed boek te mogen heten? Dat is voor mij de belangrijkste vraag na het lezen van de roman 2666, van de Chileense auteur Roberto Bolaño [1953 – 2003].

Dit boek werd postuum uitgegeven. En hoewel de bezorger achterin bezweert dat Bolaño de roman vrijwel geheel gereed had, en het geheel in het Spaans ook ruim duizend pagina’s telt, kleeft er voor mij toch iets vervelend onafs aan.

Zo is het ingewikkeld om uit te leggen waar het boek nu precies over gaat. Iedere samenvatting wordt al meteen een interpretatie, en zal ook al gauw aanvullen of uitleggen waar de auteur hoogstens een hint naar gaf.

Dat 2666 overal zo uitbundig geprezen is, lijkt me ook in niet geringe mate samen te hangen met dit gegeven. Iedereen kan van alles in de roman lezen dat er domweg niet in staat.

Tegelijk was dat niet mijn probleem met het boek — waarvan mijn directe leeservaringen elders uitgebreid beschreven staan. Alles overziend vond ik er te veel clichés in staan, die voor mij nogal de waarde verminderen van wat 2666 wel tot een uniek boek maakt.

Een kern van dit boek is dat in en rond de Mexicaanse grensplaats Santa Teresa belachelijk veel jonge vrouwen worden vermoord. Maar, de autoriteiten staan machteloos. En dat al jarenlang.

Overigens heeft Bolaño hier weinig aan verzonnen. Santa Teresa lijkt op het echt bestaande Ciudad Juárez — een miljoenenconglomeratie, tezamen met het Amerikaanse El Paso aan de andere kant van de grens — en dat heeft de naam de gevaarlijkste stad buiten een oorlogsgebied te zijn. Er vallen daar nog altijd vele vrouwen te betreuren.

Het is te begrijpen dat een schrijver hier iets mee wil doen. Want, wie heeft er buiten Mexico weet van deze toestand? Er is daarom goed te billijken dat grote delen van het boek zich in Santa Teresa afspelen; omdat de lezer daarmee al een dreiging voelt bij de personages als deze geheel normale handelingen verrichten.

Tegelijk spelen zich overal in dit boek gewelddadige scènes af. Ook ver buiten Mexico.

Laten we maar aannemen dat Bolaño daar eveneens iets mee wilde zeggen.

In 2666 worden tientallen personages sprekend opgevoerd; maar geen draagt het hele boek. Tot de belangrijkste figuren hoort een Duitse schrijver, met het onmogelijke pseudoniem Benno von Archimboldi.

Het eerste van de vijf boekdelen van 2666 gaat over vier literatuurwetenschappers die zijn boeken bovenmatig bewonderen. Alleen is Archimboldi een zeer geheimzinnig auteur. Publieke optredens of interviews doet hij niet. Als de wetenschappers het gerucht horen dat hij in Mexico zou zitten, reizen zij alleen daarom al spoorslags af naar Santa Teresa. Om vervolgens geheel uit het boek te verdwijnen.

Archimboldi komt als personage pas in het vijfde boekdeel voor — terwijl zijn naam in het tweede, derde, of vierde boekdeel geheel onbreekt. Maar bij zijn verschijning krijgt de lezer ook vrijwel de hele eerste dertig jaar van zijn levensloop. En, omdat hij in 1920 in Duitsland geboren werd, speelt de Tweede Wereldoorlog daarbij een enorme rol.

Belandde Arcimboldi, toen hij gewoon Hans Reiter heette, ook nog in Rusland. Wat Bolaño dan weer uitgebreid de mogelijkheid gaf een intense biografie te schrijven van een Joodse Russische auteur en zijn leven onder Stalin. Arcimboldi mocht even in diens huis wonen, en zou daar zelfs tot schrijver worden, met hulp van de aantekeningen van de verdwenen auteur.

Maar goed, gevechtshandelingen van een Wehrmachtsoldaat, en wat manoeuvres en sexuele avonturen in Oost-Europa. Of, daarnaast, het leven van een schrijver onder Stalin. Ellende in Rusland. Niemand hoeft nu net Bolaño te lezen om die onderwerpen behandeld te zien worden. Bovendien schreven de auteurs die uit de regio kwamen, of er wel zelf iets hadden meegemaakt, daar beter over; want, met tekenender details. Een aanzienlijk stuk van het vijfde deel vind ik daarom vrij goedkope Kitsch — clichématige verhalen die gekozen lijken voor hun effect. Van elders geleende wanhoop. Goedkoop effectbejag.

Als een schrijver de ellende van anderen gaat exploiteren, om daar leuk een eigen verhaaltje uit te destilleren, levert dat voor mij bijna nooit iets prijzenswaardigs op.

Tegelijk mag een schrijver natuurlijk alles, als er maar een evenwicht in zijn boek zit.

En ik denk dat mijn voornaamste probleem met 2666 is dat er betrekkelijk weinig tegenover het soms zo merkwaardige verhaal staat dat de boel in balans houdt. Ja, Bolaño kon absoluut schrijven. Maar goed schrijven, is niet hetzelfde als iets te zeggen hebben.

Het vierde boekdeel van 2666 heet in mijn uitgave ‘The Part About the Crimes’. En dit gaat vrijwel alleen over moorden. Op klinische toon wordt van enige tientallen vrouwen beschreven hoe ze aan hun einde kwamen, in de jaren 1993 – 1997.

Wat de moorden vaak gemeen hebben, is dat het slachtoffer ook misbruikt werd.

Wat de vrouwen bindt, als het geen tieners meer zijn, is dat het meestal om naamlozen gaat. Prostituees waren het, of vrouwen die werkten in de vele sweatshops van Santa Teresa.

Al dit is enerzijds afstandelijk beschreven, maar tegelijk met oog voor detail. En ja, het zal best dat niemand ooit zoiets gedaan heeft in een boek. Tweehonderdtachtig pagina’s vol moorden, zonder dat daarvan ook maar éen dode iets verduidelijkt over de rest van het boek. Tjonge.

Maar mij is heus wel duidelijk dat de wereld een verschrikkelijk oord kan zijn. Of dat de werkelijkheid moeilijk kenbaar is. Ik lees nu juist om te zien hoe een schrijver daar dan toch enige orde in probeert aan te brengen.

En ik denk dat daar iets meer voor nodig is dan om de details van tientallen moorden in een boek te kopiëren, of desnoods om deze zelf te gaan verzinnen.

Mij interesseert niet of een schrijver clichés inzet, de Kitsch niet schuwt, of het platte sentiment exploiteert, als dat maar middel is om een goed boek te schrijven. 2666 was me in deze vorm veel te vrijblijvend. Ik las een roman die te veel elementen bevat waarvan iedereen vermoeden kan dat die opgevoerd worden om indruk te maken op het domme publiek.

Alleen vind ik het al een zwaktebod als een schrijver een dode nodig heeft om met het gevoelens van zijn lezers te spelen. Laat staan een heel mortuarium. Dan wordt zo naar zichtbaar dat het de bedoeling is dat ik iets ga voelen.

Roberto Bolaño, 2666
898 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, 2008
vertaling door Natasha Wimmer uit het Spaans
oorspronkelijk 2004

Mein Jahr in der Niemandsbucht ~ Peter Handke

De boeken van Peter Handke vervullen me met raadsels.

Het ene moment kan hij de allerbeste schrijver denkbaar lijken, die een hypnotiserend proza schrijft, dat tot almaar doorlezen dwingt. Zelfs al gebeurt er doorgaans weinig in zijn boeken.



En op een ander moment staar ik naar dezelfde woorden, zonder dat ze me ook maar iets doen. Begin ik na een bladzijde al aan andere zaken te denken. Heeft het lezen van zijn werk geen enkel nut of doel.

Vandaar dat ik deze grote roman opnam in mijn leesprojectencyclus. Vele jaren was de vertaling al in mijn bezit. Nooit was ik tot binnen in het boek gekomen.

Wel las ditmaal ik Mein Jahr in der Niemandsbucht, zoals de roman heet in het Duits, en werd de vertaling alleen gebruikt in plaats van een woordenboek; om na te gaan of ik bij cruciale passages precies begrepen had wat er stond.

En ditmaal liet de roman me wel toe.

Verder ging me in de loop van de weken dat ik er mee aan was steeds meer intrigeren dat de oer-versie van het boek meer dan duizend pagina’s leestekst telde. Om te controleren of de paperback wel alle woorden bood, werd daarom ook een eerste druk het huis binnengehaald; waarin de pagina’s opvallend veel wit rond de tekst bleken te hebben.

Deze uitvoering las uiteindelijk ook het prettigst.

Maar vind ik dit nu uiteindelijk ook Handke’s meesterwerk? De grote roman van de Oostenrijkse schrijver, het toppunt van zijn kunnen? En dan is mijn antwoord toch dat de grote lengte van dit boek met een probleem komt.

Mein Jahr in der Niemandsbucht is de roman over een catharsis, van een schrijver die in Frankrijk woont. In het kernhoofdstuk van het boek, dat op zich al de lengte van een roman heeft, wordt duidelijk hoe deze man zichzelf opnieuw uitvond. Dit lukte hem door al zijn ballast aan aantekeningen en plannen te vernietigen, en onder meer door te wandelen rond de kleine en rustige plaats waar hij dan woont; die als was het een baai in de Seine-heuvels ligt.

Die man in zijn eentje bleek me niet te vervelen, omdat hij vaak genoeg afdaalt in het verleden, en er genoeg duidelijk wordt over een plots afgebroken relatie, en een kind, om te blijven intrigeren.

Handke vond het alleen nodig om een kwart van de roman ook te vullen met de verhalen van vrienden. Die het allemaal al net zo moeilijk hadden gehad, en meestal dan ergens op een reis het pad naar verbetering hadden ingezet.

Speculeren naar het waarom van deze toevoegingen lijkt me meer iets voor studentjes literatuurwetenschap met tijd te veel; en lust om zich in spiegelingen en andere literaire trucs te verdiepen. Hoogstens denk ik dat Handke vreesde dat hij zonder die buitenstaanders in het verhaal te betrekken een roman zou maken die hij al eens eerder schreef.

Mein Jahr in der Niemandsbucht vertelt nu het verhaal van die man en dat wandelen een aantal malen, waarbij de verschillende versies elkaar niet in de weg zitten. Ik begrijp wel waarom recensenten die verhalen van zijn vrienden vervolgens ook weer gelijkstellen aan pogingen van Handke om hetzelfde verhaal net weer anders te vertellen.

Tezamen is dit boek een poging geworden, volgens mij, om iets over de aard van schrijven te onderzoeken. Schrijven is nu eenmaal ordenen, en vormgeven, en weglaten, en iets benadrukken, en de activiteit komt soms met de eis om een onderwerp eens helemaal van de andere kant benaderen om het te kunnen begrijpen.

Bovendien is de hoofdpersoon van het boek ook daadwerkelijk een auteur, die genoeg succes met zijn boeken heeft geoogst om het eens een jaar zonder werken te doen.

Maar uiteindelijk doet dit er voor mij niet zo heel erg toe. Als leeservaring heeft Mein Jahr in der Niemandsbucht me veel geboden; zelfs al kon Handke zijn hypnose niet het hele boek lang volhouden. Ik kwam telkens meteen de roman in, zonder dat die een plot had dat hielp om de spanning vast te houden. En ook: zonder dat er zinnetjes of gedachten in het verhaal stonden die de leesroes ineens doorbraken, omdat ze aangetekend moesten worden.

[ wordt morgen vervolgd ]

Peter Handke, Mein Jahr in der Niemandsbucht
Ein Märchen aus den neuen Zeiten

1069 pagina’s
Suhrkamp, 1994
 
Peter Handke, Mein Jahr in der Niemandsbucht
Ein Märchen aus den neuen Zeiten
631 pagina’s
Suhrkamp taschenbuch 3084, oorspronkelijk 1994
 
Peter Handke, Mijn jaar in de Niemandsbaai
Een sprookje uit de moderne tijden
672 pagina’s
de Prom, 1998
vertaling door Hans Hom van Mein Jahr in der Niemandsbucht, 1994

Hitch-22 ~ Christopher Hitchens

De praktijk in Engelstalige landen, maar ook in Duitsland, om een boek eerst in hardback uit te brengen, en pas veel later als goedkope paperback, heeft soms opvallende gevolgen.

Toen Christopher Hitchens [1949] zijn memoires schreef, en uitbracht, was hij nog een man met een leven voor zich. Dat gegeven alleen al riep de vraag op waarom hij op dat moment per se wilde terugblikken. Daarop werd er slokdarmkanker ontdekt, en kon geen dokter hem meer garanderen dat hij zijn verjaardag nog eens zou meemaken.

Hitchens was al door enkele crises gegaan toen hij het nieuwe voorwoord schreef, van de paperback die ik las. Het was hem opgevallen hoe zeer hij, ongeweten, in de eerste hoofdstukken bezig was geweest met leven en dood, meldde hij daarbij.

Ik las iets anders.

Hitch-22 is met nadruk ‘A Memoir’. Dus krijgt de lezer in de eerste plaats verhalen, met wel iets van Hitchens’ persoonlijke geschiedenis, maar ook heel veel niet. Zo schrijft hij met geen woord over de mensen in zijn directe omgeving; zijn vrouwen en kinderen; of zijn broer, die op eigen merites ook een befaamde columnist werd in Engeland, en waarmee Hitchens een wat typische verhouding heeft.

Christopher Hitchens kon alleen vrijuit schrijven over enkele doden in zijn leven; zoals zijn ouders. En over de vrienden die bekende namen zijn geworden; ook al omdat hij eveneens in hun memoires voorkomt. Biedt dit boek verder nog wat standpunten over politieke kwesties van dit moment. En die stukken hadden dan weer als grote nadeel dat ik zijn meningen al kende.

Tien jaar geleden had ik dit boek in korte tijd verslonden. Nu was er een leesproject van een maand nodig om er doorheen te komen. Toentertijd was Hitchens nog een onvervalste held, door de humor in zijn stukken, en om zijn eeuwige contramine. Toen de hele wereld moeder Theresa heilig verklaarde, schreef hij juist een boek om aan te tonen dat ze een vrouw was met heel enge ideeën. Daar alleen al sprak een prettige onafhankelijkheid van denken uit.

Maar daarop kwam 9/11, en raakte Hitchens, voor mij, van het paadje af.

Ineens hoorde hij tot de felste voorvechters van illegale oorlogen in autonome landen, omdat het noodzaak was democratie in deze landen te brengen vanachter de loop van een geweer. Zonder daarbij ooit in te gaan op argumenten die anders bewezen. De oliemaatschappijen verdeelden al vooraf aan de invasie van Irak de olie daar; zo werd onlangs nog bekend; al zal dat alleen nieuws zijn geweest voor heel naïeve mensen.

Vanaf de opmaat tot de invasie in Irak kon ik Hitchens dus niet meer om zijn ideeën lezen. Bleef er op zich genoeg over, aan stijl, en belezenheid, om hem niet te blijven citeren op mijn weblog. Alles zal ik me nooit meer aan hem over kunnen geven — en omdat hij altijd ontkent iets fout te hebben gezien, geloof hem domweg niet meer.

Daar komt bij dat deze autobiografie illustreerde dat Hitchens een schrijver is van essays. Bij werken van een grotere adem is de som bij hem namelijk nooit groter dan de delen. Wellicht worden zijn monografieën gewoon te snel uitgegeven, omdat hij denkt, zoals meer journalisten doen, dat zijn eerste versies ook al heel aardig zijn.

En het is heel raar om een schrijver te blijven wantrouwen; omdat eerdere teleurstellingen met hem blijkbaar zo zwaar blijven doorwegen.

Dan staat er bijvoorbeeld over 1979, het jaar dat hij dertig werd, dat hij toen toch ineens op Thatcher zou stemmen; ondanks zijn vuurrode achtergrond. In de jaren daarvoor reisde hij onder meer nog naar Cuba, om daar de heilstaat met eigen ogen te zien. En zo was daar wel meer. Hij begon zijn journalistieke loopbaan door voor verschillende socialistische uitgaven te schrijven.

Die bekentenis nu, van die stem op Thatcher, is een ontkenning van dat rode verleden.

Eerder schermde Hitchens er dan weer mee in zijn late tienertijd zo veel boeken van Koestler te hebben gelezen. En ook die opmerking snap ik niet — tenzij ik daar berekening in zie. Had hij iets van Koestler en diens anti-Communisme begrepen, was hij nooit zo enthousiast naar Cuba gereisd, lijkt me, om daar het arbeidersparadijs te zien.

Tegelijk heeft hij de laatste jaren meermaals verkondigd weliswaar geen socialist meer te zijn, maar altijd nog wel Marxist te wezen; van het heel conservatieve soort.

Enfin, niet dat elk mens van mij altijd consequent hoeft te zijn. Maar aan memoires kleeft al zo zeer het idee dat de schrijver zijn versie van zijn leven geeft. De kwaliteit van de bekentenissen zegt dan wel iets over de geloofwaardigheid.

En bij deze Hitchens heb ik nooit het idee gehad een heel eerlijk boek te lezen.

Dan vermeldt hij wel met Martin Amis naar het bordeel te zijn geweest, maar dan volgt onmiddellijk de opmerking dat hij, eenmaal in ogen met de vrouwen, wel wilde betalen om geen sex te hoeven hebben daar. En dan lijkt Hitchens me een te goede schrijver om niet te weten dat hij zo een sympathieke lul wordt, in plaats van enkel een lul.

Gelukkig was de kwaliteit van de andere anekdotes al snel beter.

Want, zeker. Er is vermaak aan dit boek te beleven.

Maar blijkbaar wilde ik niet.

Christopher Hitchens, Hitch-22
A Memoir

435 pagina’s
Atlantic Books 2011, oorspronkelijk 2010

Savage Detectives ~ Roberto Bolaño

Lezers van boeklog vonden dat ik Bolaño’s roman 2666 niet kon bespreken zonder meer van deze auteur te hebben gelezen. En ze hebben gelijk. Een beetje recensent kan een boek ook binnen een oeuvre plaatsen. Reageren op wat er met éen roman op me afkomt, is voorbarig.

Toch bleek het doorbraakboek van Roberto Bolaño geen roman die me nu zo veel meer verduidelijkte over 2666.

Wel begreep ik dat er een kloof is die voor mij niet overwonnen kan worden.

Bolaño komt uit Chili, en leefde een tijd in Mexico. En in al die Latijns-Amerikaanse landen, met hun vaak zo weinig democratische regimes, heeft het schrijven zo veel meer betekenis dan het in Europa krijgen kan.

Toen Bolaño zich als dichter weerde in Mexico-stad, was het hem en zijn metgezellen vaak te doen om de optredens van andere, gezagsgetrouwe dichters te verstoren. Fout aan die anderen was bijvoorbeeld alleen al dat zij geld aannamen van het regime. Dus was het gerechtvaardigd om eigen gedichten te declameren als zo iemand spreken wilde.

In Nederland wordt nog steeds met grote opwinding verteld dat de ene dichter een andere weleens een klap heeft gegeven, in het publiek, ergens op een avond in de jaren zestig. Het is zo’n onvergelijkbaar andere wereld.

Met The Savage Detectives schreef Bolaño een roman waarin deels op die tijd van die dichtersstrijd werd teruggekeken. Een van de belangrijkste personages is ook een zekere Arturo Belaño; in wie een alter ego van de schrijver kan worden vermoed.

En voor een deel leverde dit een boek op dat iets bijzonder had. De roman telt drie delen, en daarvan worden het eerste en het derde als was het in dagboekvorm verteld door een andere, beginnende dichter die alles van dichtbij meemaakte. Dat leverde een bijzonder portret op van een generatie, met al hun ideeën, hun ambities, ook hun wanen.

Het is alleen dat lange tweede deel waardoor de roman een corvee werd om te lezen. Vierhonderd bladzijden lang komt er haast om de pagina een andere verteller aan het woord. Die telkens allereerst iets over zichzelf te melden heeft, en hoogstens terloops iets over het hoofdverhaal meedeelt.

Die verschillende stemmen moet het bovendien met slechts een eenregelige introductie doen, waarin naam, plaats, en datum genoemd wordt. En dit werkte niet zo goed voor mij, omdat hun stijl van spreken, of schrijven, zich vervolgens zelden bijzonder onderscheidde van al die eerdere stemmen.

Wellicht dat het tweede deel, met al die verschillende stemmen, wel had gewerkt als ik dat niet als boek had gelezen, maar als film had bekeken. Dan had het gebrek aan introductie van weer een nieuwe stem niet gestoord. Een tussenbeeld met de nieuwe locatie, en het jaartal had dan ook werkelijk volstaan. En dat hoofd vervolgens pratend in beeld had een veel duidelijker verschil gemaakt met al die eerdere hoofden dan Bolaño in tekst is gelukt – of ik als lezer aankon.

Als vierhonderd pagina’s slechts heel soms iets aardigs opleveren, dan stemt dat droef.

Leuk was bijvoorbeeld nog wel de passage over een literatuurwetenschapper die de Mexicaanse dichtersgroep gaat onderzoeken, en dan meteen alles beter weet dan de direct betrokkenen. Alleen zal ik dat leuk hebben gevonden omdat de pretentie van literatuurwetenschappers zo universeel is — anders dan de pretenties die dichters erop na kunnen houden.

Roberto Bolaño, The Savage Detectives
592 pagina’s
Picador, 2008
Vertaling van Natasha Wimmer van: Los detectives salvajes, 1998

Ideeën. Zesde bundel ~ Multatuli

De Zesde bundel Ideeën is niet meer dan een feuilleton vol verwikkelingen over Woutertje Pieterse — al is dat dan al een Wouter. Multatuli moest aan klantenbinding doen. Dat verhaal vonden afnemers van de Ideeën het interessantst.

Voor bezorger J.J. Oversteegen was dit reden genoeg om dit boek het enige te noemen dat op een roman leek, nadat Multatuli Max Havelaar heeft geschreven.

Naar mijn hedendaagse smaak zat er voor een roman wel erg weinig vorm in.

Inmiddels is de schrijver aangeland op een leeftijd dat Wouter uit werken moet. En daardoor werd het mogelijk om terloops wat oordelen over handelslieden uit te spreken, en hun opschepperij.

En omdat hij eerst werken gaat bij een uitleenbibiotheek, kan Multatuli van alles kwijt over dat de mensen niet lezen kunnen.

Het aardigst aan deze reeks met Ideeën waren de puur feitelijke zaken. Bijvoorbeeld als Multatuli in idee 1092 gaat uitleggen welke muntsystemen er op dat moment in gebruik zijn, in Nederland en Duitsland.

In Idee 1181 verwoordde Multatuli dan weer eens wat zijn kunstideaal was.

De ware artist tekent de Natuur na, zo als die zich aan hém vertoont. Wie hierin oprecht naar juistheid streeft, is kunstenaar. Maar de heren vinden het makkelijker, een printje natetrekken, waarop ’n ander – óók al een nátekenaar van nátekenaars – getracht heeft iets aftebeelden.

En dat intrigeerde, omdat deze woorden me erg deden denken aan wat Kurt Vonnegut zei over schrijvers — al citeerde hij daarbij Saul Steinberg — en voor mij zo goed verklaarde waarom ik menigeen niet lezen kan:

Kurt Vonnegut: Saul, I am a novelist, and many of my friends are novelists and good ones, but when we talk, I keep feeling we are in two very different businesses. What makes me feel that way?

Saul Steinberg: It’s very simple. There are two sorts of artists, one not being in the least superior to the other. But one responds to the history of his or her art so far, and the other responds to life itself.

Helaas vind ik wel dat Woutertje Pieterse inmiddels langdradig geworden is. Kan bezorger J.J. Oversteegen nog zo enthousiast betogen dat we zonder Multatuli en diens Wouter weinig hadden geweten over het dagelijkse leven onder winkellieden begin negentiende eeuw.

Maar, waar het verhaal in Wouter’s jongste jeugd nog menig hilarische scène bevatte, is dat later toch veel minder. In plaats daarvan krijgt de lezer schmaltz voorgezet, over Wouter en zijn liefde voor zijn nichtje Femke.

Multatuli, Ideeën, Zesde bundel
Met een nawoord van J.J. Oversteegen
324 pagina’s
Querido 1987, oorspronkelijk 1873 [1878]

Ideeën. Zevende bundel ~ Multatuli

Toen ik begon met de Ideeën van Multatuli viel me op dat alles wat er nog in het collectief geheugen leefde van dat materiaal uit de eerste twee bundels kwam. Alsof mensen de rest altijd maar negeerden.

Op dat moment kon ik nog niet weten dat de ideeën uit de latere bundels aanzienlijk minder interessant zijn. Dat humor mist, waar die eerst nog wel aanwezig was. Dat het aantal aforismen of opvallende gezegden sterk in aantal zou afnemen.

Al geldt voor elke schrijver ook dat die onmogelijk meer dan duizend pagina’s interessant kan blijven met meer van hetzelfde. De lezer raakt immers aan zijn schrijven gewend.

Dus blijf ik bij de gedachte die ik na de eerste bundel al zo ongeveer had. De Ideeën zijn voor een groot deel geschreven om er direct geld mee te verdienen. Aflevering voor aflevering. Daardoor ontbreekt er van alles dat gewone boeken wel hebben. Zoals een begin en een eind. Zoals een dwingende vorm. En goed, dan is er van alles nog een tweede editie uitgebracht, alleen gebruikte de schrijver die vooral om eens toe te lichten wat zijn lezers de eerste keer fout hadden gezien.

Tegenwoordig zou Multatuli misschien éen van de duizenden mensen zijn die dagelijks een weblog vulde. Dat dan een paar honderd lezers zou trekken, omdat hij beter schreef dan gemiddeld.

Die paar honderd lezers hadden de Ideeën indertijd ook. Zijn overige werk kreeg meer succes. Maar door dat succes, en de reputatie die hij na zijn dood verwierf, steeg al zijn werk in aanzien.

Toch hoeft dat niet altijd terecht te zijn. Zoals in het geval van de Zevende bundel, met Ideeën. De Wouter-geschiedenis sleept zich gewoon voort, van de Zesde in de Zevende bundel. En dat lijkt me om meer dan éen reden jammer. Al is mijn grootste klacht dat Multatuli deze vertelling simpelweg niet in de hand heeft.

Het lijkt wel een soap, zo tergend lang worden gebeurtenissen uitgerekt. Waar hij heen wil met het verhaal, het is me een raadsel.

In Idee 1232 wordt bijvoorbeeld de verveling van Wouter beschreven op kantoor. En het vergt grote capaciteiten om verveling niet vervelend te beschrijven. Gelukkig daarom maar dat deze episode kort is.

Idee 1209 brengt dan nog wel éen van de bekendste gezegden waarmee Multatuli de Nederlandse taalschat verrijkte. Het gevleugelde woord van Gerrit:

– Je kunt me geloven, Pieterse, ik ben ’n oud man, en jy ’n jonk borssie, maar… wat ik je zeg: ’t is allemaal wind en ’n engelse notting!

Dit gegeven biedt dan de troost dat ik niet de enige ben die zo ver in de Ideeën is gekomen, ondanks de schraalte inmiddels van het gebodene.

Halverwege de Zevende bundel met Ideeën raakt Multatuli wel van het paadje af. Dan verliest hij ineens alle controle en beheersing, en komt alle frustratie over het gebrek aan erkenning er ongezouten uit.

Tegelijk is de lezer in deze tijden aanzienlijk erger gescheld gewend, dan wat Idee 1252 toont.

Helaas.

Vanaf dan bloedt alles dood; tot het abrupte eind aan toe. Het boek eindigt met een eindeloos uitgesponnen reis op een trekschuit naar Haarlem. Wouter Pieterse zou er alleen nooit meer aankomen.

Multatuli, Ideeën. Zevende bundel
336 pagina’s
Em. Querido’s uitgeverij, 1987, oorspronkelijk 1877 [1878]

Tender Is the Night ~ F. Scott Fitzgerald

Twee soorten Fitzgerald waren er, zo dacht ik altijd. De auteur van enkele gecanoniseerde romans, en de maker van honderden verhalen; die allereerst geschreven werden voor de bladen die het best betaalden.

Hemingway noemde F. Scott Fitzgerald om deze verhalen de hoer van zijn talent. Maar Hemingway zei wel meer, en nog veel ergere dingen, over Fitzgerald. Alleen had hij wel gelijk als het over de verhalen ging. De meeste daarvan zijn bleven steken in een andere tijd, zonder de kwaliteiten te hebben op een ander moment ook nog iets te zeggen te hebben.

En in de eerste negentig pagina’s van de roman Tender is the Night herkende ik helaas meer van de verhalen dan van die andere beroemde roman.

The Great Gatsby leek me indertijd allereerst het boek van een jonge man. Maar wat me vooral bijbleef, is het goede schrijven.

Het eerste deel van Tender is the Night bood vooral verwikkelingen, van niet heel boeiende personages. Soap opera in plaats van klassiek drama.

Hap-slik-weg-leed.

En nergens nog is de schrijver aanwezig om het geneuzel van veel te rijke Amerikanen in Frankrijk iets extra’s te geven.

Dit komt ook omdat het boek eigenlijk pas begint met deel 2, als 35% van de inhoud al gepasseerd is. Dan pas krijgen de belangrijkste personages in het boek een behoorlijke introductie. Daarmee wordt pas duidelijk wat hen mankeert.

De mannelijke hoofdpersoon in de roman heet Dick Diver. Hij ging na de Eerste Wereldoorlog in Zwitserland werken als zenuwarts.

De vrouwelijke hoofdpersoon heet Nicole Warren. Zij is de dochter van een rijke zakenman. En helaas ook zenuwziek.

In éen alinea samengevat, biedt Tender Is the Night scènes uit een huwelijk. Waarbij de vrouw alleen al problemen heeft door haar mentale gesteldheid. En de man, die als idealist en goeddoener naar Europa kwam, verweekt en gaat ten onder door het goede leven en het vele geld dat door het huwelijk ineens binnen bereik is gekomen.

Alleen is dat typisch een samenvatting die de lezer pas na het lezen geven kan. En dan niet omdat de auteur zo vernuftig tewerk ging, maar om diens onhandigheid. F. Scott Fitzgerald werkte te lang aan het boek; hij wist te lang niet wat er mee aan moest.

Door die problemen werd Tender Is the Night dan ook tot in de jaren zeventig in een bewerking door een ander uitgegeven.

Deze Wordsworth-uitgave bracht de originele tekst.

Welke versie zo hoog op de eeuwige ranglijst van de Modern Library prijkt, is me een raadsel. Want goed, het boek had enkele aardige momenten, en de schrijver is mild voor zijn personages. Alleen zijn er honderden betere boeken geschreven, zo dat er niet duizenden zijn.

F. Scott Fitzgerald, Tender is the Night
265 pagina’s
© 1934 in
F. Scott Fitzgerald, Tender is the Night & The Last Tycoon
413 pagina’s
Wordsworth Classics, 2011

Thousand Autumns of Jacob de Zoet ~ David Mitchell

Achterin deze roman wijdt David Mitchell een paar woorden aan de dialogen die hij schreef. Waarbij hij benadrukt dat het hem er vooral om te doen was anachronismen te vermijden. Zijn personages mochten geen woorden gebruiken die op het moment dat de roman speelde nog niet zo gebruikt werden.

Jammer vond ik het daarom dat Mitchell niet wat meer schreef over het toontje waarop historische personages praten. Want éen van mijn vele bezwaren tegen dergelijke boeken is dat de dialogen gauw zo hol klinken.

Zoals in de SF-serie Star Trek alle buitenaardse levensvormen een overdreven plechtig Shakesperiaans Engels praten, zo doen schrijvers van romans die enkele eeuwen terugspelen niet anders. Het is alsof ze allereerst de kunstmatige toon en de pluimstrijkerijen uit de schrijftaal eren. Terwijl er voorheen juist zo’n immens verschil was tussen hoe mensen praatten, en hoe ze schreven — wat we bijvoorbeeld weten uit oude rechtbankverslagen.

De historische roman zal mede daarom nooit mijn lievelingsgenre worden. En Mitchell’s Thousand Autumns of Jacob de Zoet had daarbij nog het bezwaar de ware geschiedenis domweg te verminken.

Dit boek begint in 1799, en speelt zich voor een groot deel af op het kustmatige schiereiland Deshima, bij Nagasaki. Dan sinds eeuwen de enige poort die buitenlanders toegang biedt tot Japan. Deshima wordt geëxploiteerd door de Nederlandse VOC. Dus is het vooral Nederlandse kennis die via Nagasaki het land binnendruppelt. In de stad wonen ook nogal wat Japanse Nederland-experts.

De jaren rond 1800 zijn alleen wel een scharniermoment in de Vaderlandse geschiedenis. Nederland had zich ondertussen bij Frankrijk aangesloten. De VOC zou spoedig failliet gaan. En de Britten namen ondertussen de Nederlandse koloniën en andere bezittingen elders over.

Juist op dit moment arriveerde de Zeeuw Jacob de Zoet op Deshima, om daar als klerk te gaan werken.

Op dat schiereiland werkten altijd op zijn hoogst twaalf tot veertien Nederlanders. Al hadden zij bijvoorbeeld wel slaven voor de vuile klusjes.

En mij stoorde dat Mitchell in het boek de echte geschiedenis vervalste, door mensen weg te laten die er toen aanwezig waren, en daar anderen voor in de plaats te zetten; waarover hij alles zeggen kon, omdat hij ze bedacht heeft. Misschien komt deze ergernis omdat er maar zo weinig Nederlanders op Deshima woonden, dat er moeilijk iemand bij te zetten is. Misschien stoorde mij zijn ingreep enkel omdat ik de geschiedenis van die Nederlanders in Japan een beetje kende. En zag hoe hij daaruit de elementen gebruikte die leuk zijn verhaal kleurden. Maar verder niet.

Hadden er honderd mensen of meer op Deshima gewoond, had me de vervalsing waarschijnlijk minder gestoord. Nu was het toch of ik een geschiedenis van de eerste reis naar de maan las, waarin de astronauten ineens andere namen hadden gekregen, en voor de spanning van het boek bekende gebeurtenissen uit heel andere ruimtereizen waren toegevoegd.

Dat is misschien de vrijheid die een schrijver zich toe-eigenen mag. Maar onbevangen lezen lukt mij na zo’n ontdekking niet meer. Analyseren is het, wat er dan gebeurt.

En The Thousand Autumns of Jacob de Zoet is op zich goed geschreven — op die ergerlijke kunstmatigheid van de dialogen na dan. Vrijwel alle personages worden ingevuld. Er spelen verschillende verhalen door elkaar in het boek. Het historische moment om een boek aan te wijden, is buitengemeen slim gekozen.

Over mijn directe reacties op de inhoud heb ik elders uitgebreid geschreven.

Maar goed geschreven is dus simpelweg niet genoeg soms. De bezwaren tegen het genre bleken mij onoverkomelijk.

wordt nog vervolgd

David Mitchell, The Thousand Autumns of Jacob de Zoet
560 pagina’s
Sceptre 2011, oorspronkelijk 2010

Arctic Dreams ~ Barry Lopez

Het lezen van Arctic Dreams gebeurde voor een groot deel in de weken dat de BBC de miljoenen kostende TV-serie ‘Frozen Planet’ uitzond. En beide media versterkten elkaar op een heel nuttige wijze.

De TV toonde hoe sommige zaken eruitzien — en beter kan de televisie dit niet doen dan in zulke series.

Maar waar beelden nooit in kunnen voorzien, daar had Lopez dan juist wel teksten over klaar. Want, er is vrijwel niets, daar in het noorden boven de poolcirkel. Inzoomen op wat er wel ronddart, geeft een enorm vertekend beeld.

Drieëntwintig soorten zoogdieren leven er slechts zo ver daar boven. Lopez behandelt er ook enkele in dit boek. Er zijn hoofdstukken gewijd aan de muskusos, de ijsbeer, en de narwal. Een selectie die dan weer als effect had dat ik me afvroeg waarom de andere twintig soorten niet behandeld werden.

Nu ja, voor Arctic Dreams had Lopez al eens een dik boek over wolven uitgebracht.

Lopez richt zich vanaf het midden het boek vooral op de menselijke beleving van noordelijke landschap. Dat levert dan inzichtelijke passages op die in andere media nauwelijks over te brengen zullen zijn.

Zo kan het menselijke oog weinig met een helemaal witte omgeving. En al helemaal niet als het helder weer is. Boven de poolcirkel zijn afstanden niet goed meer in te schatten, bijvoorbeeld omdat de blauwzweem ontbreekt die wij zien als we naar iets in de verte kijken; en daarbij automatisch meewegen.

Dus kent iedereen legendarische misverstanden, van de walrus die een gebergte leek. Of de sneeuwuil die toch geen ijsbeer bleek te zijn.

Deze hoofdstukken bevatte ook passages die ik inmiddels typisch voor Lopez acht. Als hij beschrijft hoe het is om ergens te lopen, en dan ook nog weet over te brengen wat hij ziet, en hoe hij de omgeving ervaart. Gek genoeg is wat toch zo simpel lijkt een krachttoer die toch vrij weinig schrijvers goed afgaat.

Maar schrijven wordt dan ook niet alleen achter het bureau gedaan. Taal is niet het enige gereedschap dat de auteur ten dienste staat.

Aan het boek valt bijvoorbeeld op dat elk van de hoofdstukken op een vergelijkbare manier is opgezet. Lopez beschrijft een verblijf, ergens in het noorden. Komt dan, al associërend over wat hij waarnam, bij zijn onderwerp uit. En gaat dan vrijwel ongemerkt over veel abstracter technische verhandeling, over wat er van het onderwerp bekend is.

De laatste hoofdstukken van Arctic Dreams gaan vooral over alle historische pogingen om de noordelijke streken in kaart te brengen. Waarbij dan ook blijkt dat eskimo’s opmerkelijk goede mentale plattegronden hebben van hun omgeving, en die ook op papier kunnen zetten. Hun kennis werd alleen vrijwel altijd genegeerd.

Het blijft raar om die tochten van Europeanen ontdekkingsreizen te noemen, omdat deze reizen door gebieden trokken waar al mensen woonden. Maar tal van landen hebben geprobeerd om een zeeweg te vinden om de Noord. Beginnend vanzelfsprekend met Willem Barentz. Waarvan de verslagen nog altijd claustrofobisch lezen, vanwege de permanente angst bij de Nederlanders voor ijsberen.

Lopez concentreerde in het boek zich vooral op de pogingen om een zeeweg te vinden boven de Amerika’s langs. En stuit daarbij telkens op bekrompen nationalisme — want resultaten behaald door andere landen telden niet — kou, ellende, schipbreuken, en dood.

Het verhaal van Willem Barentz mag dannog altijd in onze Vaderlandsche geschiedenis voortleven, er zijn tientallen gelijkluidende of nog ergere geschiedenissen te schrijven van even mislukte scheepsreizen.

In een epiloog verontschuldigt Lopez zich dan ook het eigenlijk nauwelijks over eskimo’s gehad te hebben — behalve dan dat hij wat van hun geschiedenis heeft weergegeven. Maar de arctische streken zijn ook zo vreemd, en overweldigend, dat als vanzelf de mensen die daar wonen merkwaardig worden,en onbegrijpelijk.

En dat gesnotter over de nobele wilde vond ik dan weer jammer van dit boek.

Barry Lopez, Arctic Dreams
Imagination and Desire in a Northern Landscape

464 pagina’s
Charles Scribner’s Sons, 1986

Herzog ~ Saul Bellow

Als er éen schrijver is die ooit onbehoorlijk veel indruk maakte, om zijn taal, dan wel Saul Bellow. Maar als ik dien aan te geven wie ik moeilijk kan herlezen, dan moet hij ook meteen worden genoemd.

Dus forceerde ik een poging om nog eens de roman Herzog binnen te dringen, door de hoofdstukken uit te smeren in vijf porties van een week.

Bellow bracht vanaf de jaren vijftig een hele reeks romans uit die op de keper beschouwd een paar fundamentele eigenschappen gemeen hebben. Allemaal maakten ze duidelijk dat er maar éen persoon belangrijk was in het boek. En diens naam stond al in de titel. Want het boek probeerde door het leven van die man iets te onderzoeken.

Daarnaast was Saul Bellow voor zichzelf bezig met deze boeken uit te vinden wat de roman nog allemaal zijn kon.

Van deze serie romans, die begint met The Adventures of Augie March [1953] en eindigt met Humboldt’s Gift [1975], wordt Herzog [1964] doorgaans als de belangrijkste titel gezien. En dat is dan zo’n academische wijsheid die een individuele lezer helemaal niets hoeft te zeggen. Voor lezers telt alleen of een boek een beetje aardig is.

Voor mij gold dat ik Herzog voor de eerste keer gelezen had op een leeftijd dat ik zeker wist er te jong voor te zijn. Want het boek gaat over de problemen van een man van middelbare leeftijd. Die net gescheiden is van zijn tweede vrouw — op haar uitdrukkelijke wens. Die bovendien plots afscheid heeft genomen van zijn carrière op de universiteit. En die om dit te verwerken zich helemaal heeft teruggetrokken uit de wereld in zichzelf.

Veel kon ik me niet herinneren van die eerste keer lezen — behalve dan dat Moses E. Herzog, de hoofdpersoon, telkens brieven componeert. Aan iedereen, dood of levend. En daar vrijwel geen van opstuurt.

Ook vond ik de roman toen te lang. En dat was geen vreselijk opmerkelijke conclusie. Herzog ontbeert lang vrijwel alle handeling. De lezer zit voornamelijk in het hoofd van Moses Herzog, en diens gedachteleven is zeker de eerste hoofdstukken vrij verward; het verhaal springt ook heen en weer in de tijd. Weliswaar zijn die zijsprongen aantrekkelijk door hun verhalende kracht en anekdotiek. Ze houden ook op. Omdat ik de roman in partjes verspreid las, viel me duidelijk op dat het boek pas over de helft tot onverbiddelijk doorlezen dwingt.

Herzog handelt dan eindelijk eens. Hij vlucht niet langer, maar zoekt de confrontatie op.

Eerst bezoekt hij zijn advocaat, dan vertrekt hij met het vliegtuig naar Chicago, met vaag omlijnde plannen. Al moet hij daarvoor eerst nog de antieke revolver van zijn vader opsnorren, bij een tante van hem.

Twee kogels zitten er dan nog in die revolver. Precies genoeg om zijn ex-vrouw Madeleine en haar minnaar om te brengen, en om dan met zijn dochtertje June weg te vluchten.

Tot schoten komt het niet evenwel. Wat waarschijnlijk niet eens vreemd is. Bellow had anders ook moeten uitleggen hoe zo’n passieve man ineens tot die immense daadkracht was gekomen. Waarmee hij van de weeromstuit nog gekker was geworden dan in de eerste hoofdstukken.

Die tweede boekhelft maakt ook weer dat de roman achteraf eigenlijk te kort leek; dat ik graag had gelezen hoe het nu verder ging met de hoofdpersoon. Want weliswaar lijken alle voorwaarden aanwezig voor Herzog’s herstel. Significant is ook dat hij zich weer terugtrekt van alles. In zijn vakantiehuis; dat al voor veel te geld verbouwd is in het verleden. En waar hij toch al weken verbleef. Maar dan zonder de moeite te nemen om de stroom aan te laten sluiten.

De tweede helft maakt ook duidelijk waar vandaan voor Herzog genezing komen kan. Hij heeft een leuke sensuele vriendin. Met zijn broer is er nog altijd een vanzelfsprekende verstandhouding. En de zoon die hij uit zijn eerste huwelijk overhield zal komen logeren — dus die relatie deugt ook nog altijd.

Maar dat het einde open is, komt omdat Herzog zijn heil het hele boek lang in ideeën is blijven zoeken; en de scholing die hij ontving. En dat het begin van het boek zo lang lijkt te duren, komt omdat de lezer eerst wel eerst terdege kennis moet maken met het malende brein van de hoofdpersoon.

Overigens wordt daar meteen voor gewaarschuwd. Het boek opent met de zin:

If I am out of my mind, it’s all right with me, thought Moses Herzog.

En dat heb ik lang de mooiste regels gevonden waarmee een roman maar beginnen kon. Wat dan vooral om het staccato was, van al die éenlettergrepige woorden op een rij, gevolgd door een ineens iets ingewikkelder lijkende naam. Omdat de taal enerzijds onmachtig lijkt, door zijn eenvoud, en tegelijk toch zo krachtig is.

En indertijd, bij de eerste keer lezen, geloofde ik nog dat Moses Herzog een ware intellectueel was; waardoor het nut had van al zijn denkbeelden kennis te nemen. Zelfs als die vorm kregen in een brief die nooit verstuurd zou worden; naar Nietzsche, Heidegger, de president, of wie dan ook.

Inmiddels zie ik bijvoorbeeld dat Herzog zich weliswaar historicus noemt, maar dit niet is. Hij heeft veeleer een vage achtergrond in de letteren, en toont zich redelijk gevoelig voor stromingen op de Amerikaanse letterenfaculteiten; waar zo vaak ineens éen denker kritiekloos omarmd wordt. Niet dat historici ongevoelig zouden zijn voor modes in hun benadering, maar dat zijn doorgaans heel andere modes.

Bellow heeft ook ergens gezegd dat het hem verbaasde hoe serieus Herzog’s brieven genomen werden door de lezers van de roman. Terwijl hij die teksten toch zo vaak als pastiche had bedoeld.

Bovendien leidt denken tot niets, voor wie methoden als de kritische analyse op zichzelf toepast.

In this reign of multitudes, self-awareness tends to reveal us as monsters.

[179]

Het lijkt me een kernzin.

Al is nog belangrijker wat Herzog formuleert, voor hij eindelijk weer eens iets doen gaat. En de samenvatting gegeven wordt van wat er aan schort.

I brought all this on myself by telling Ramona the story of my life-how I rose from humble origins to complete disaster.

[166]

Alles overziend valt me op dat ook deze roman van Bellow in de details zoals de gebruikte taal en de terloopse anekdotiek werkelijk prachtig is. Maar dat er als boek toch iets aan schort, omdat de tempi domweg niet deugen om het als roman een totaalbelevenis te laten zijn.

Dus blijft staan dat ik The Adventures of Augie March waarschijnlijk Bellow’s leesbaarste roman vind -– terwijl aan dat boek dan weer merkwaardige probleem kleeft dat ik de inhoud altijd verwar met die van The Apprenticeship of Duddy Kravitz van Mordecai Richler. Beide gaan op dezelfde manier over Joodse jongens die zich vanuit de nederklits opwerkten.

Bellow heeft waarschijnlijk ook te veel navolging gekregen om nu nog werkelijk indruk te maken. Navolgers hebben waarschijnlijk allang onzichtbaar gemaakt wat er ooit origineel was aan dit boek. De figuur van de vastgelopen intellectueel, die alleen houvast heeft aan de academische shoptalk die voor kennis doorgaat, is een archetype geworden. Bijna de vaste hoofdpersoon ook inmiddels in romans van Nederlandse auteurs die willen laten zien dat ze enige scholing hebben gehad.

De kunst is dan om een boek over een treurig type niet ook treurig te maken. En Bellow toont zich daarin ook al gauw een veel groter schrijver dan zijn navolgers.

Dus moest er dit jaar nog maar éen uit die reeks, met de naam van de hoofdpersoon in de titel, en dan ook heel langzaam gelezen.

* in het putje van de winter 2011-2012 las ik tegelijk met Achille van den Branden de roman Herzog van Saul Bellow. Zijn ideeën over deze exercitie staan ook online.

Saul Bellow, Herzog
371 pagina’s
Penguin Books 2003, oorspronkelijk 1964

Lotgevallen van de brave soldaat Švejk | deel 2 ~ Jaroslav Hašek

Opvallend aan het tweede deel uit de trilogie over de Lotgevallen van de brave soldaat is de titel. ‘Aan het front’ heet dit deel. Terwijl de soldaten zich nu juist dit hele boekdeel lang op gepaste afstand bevinden van dat front. En de enige strijd die er is tussen ondergeschikten en leidinggevenden plaatsvindt.

Deel twee is duidelijk een onderdeel van de trilogie. Niet goed op zichzelf te lezen, maar allereerst een passage van het eerste deel naar het derde. En dan nog een omweg bovendien, omdat er niet vreselijk veel in gebeurt.

De brave soldaat Švejk raakte onder meer zijn bataljon even kwijt. Omdat zijn papieren en treinkaartje in het bezit zijn van zijn luitenant gaat Švejk daarop maar te voet op pad, op een tocht die steeds om dezelfde plaats cirkelt. Na veel misverstanden vindt hij dan zijn bataljon terug. Waarop Švejk een tijd de petoet in moet. Daarna wordt hij gepromoveerd tot ordonnans, terwijl zijn bataljon en de bataljons in de buurt zich klaarmaken voor een vertrek naar de vuurlinie.

Zo’n boek is daarom alleen interessant door de dialogen, en andere gesproken tekst. Daar zit de frictie in, daar is de humor te vinden.

Wel werd Jaroslav Hašek een beter schrijver in de loop van dit deel. Er kruipt langzamerhand een extra laag in het verhaal. Eerst volstond het nog wel om een sloomslimme man op te voeren die alles letterlijk neemt, en zo het hele militaire apparaat kan ontregelen. Dit alleen al was een vrij effectieve kritiek op blinde gehoorzaamheid, en onnozele regels.

Daarna gaat steeds zwaarder meewegen dat de Tsjechen maar vreemde eenden waren in de bijt van keizerlijke Oostenrijkse leger. Vrijwel geen van de soldaten had vrijwillig dienst genomen. Voor de officieren gold dat dan weer niet, maar die ontkenden dan gauw eens Tsjechisch te verstaan; omdat dit beter voor hun carrièrekansen was.

Toch, het voornaamste dat deel 2 heeft gedaan, is dat er nu een plicht bestaat ook snel deel 3 en 4 te lezen, en hier te behandelen.

[wordt daarom vervolgd]

Jaroslav Hašek, De lotgevallen van de brave soldaat Švejk
in de wereldoorlog
deel ii: Aan het front

255 pagina’s
in:
Jaroslav Hašek, De lotgevallen van de brave soldaat Švejk
in de wereldoorlog
met een nawoord van Kees Merkcs

876 pagina’s
Pegasus, 2001
vertaling van Osudy dobrého vojáka Švejka za svĕtové války, zonder jaar

Lotgevallen van de brave soldaat Švejk | deel 3 ~ Jaroslav Hašek

Mijn uitgave in éen band is behoorlijk dik, en niet heel handzaam. Maar De lotgevallen van de brave soldaat Švejk in de wereldoorlog horen in éen boek. Dat de tekst ooit werd opgedeeld in vier delen lijkt eerder een overblijfsel te zijn uit de publicatiegeschiedenis dan iets anders. Die indeling is zelfs willekeurig te noemen.

Nu goed, deel drie eindigt vrij plotseling met een rare plotwending. Als Švejk even voor de grap een Russische soldatenjas past, en prompt gevangen wordt genomen door de eigen troepen. Hašek jast het hele gegeven er slechts in een halve pagina door.

Maar zulke onverwachte plotwendingen waren er wel meer. En die deden telkens niet meer dan het eigenlijke verhaal ophouden, alles even af te leiden van de hoofdlijn, om daar dan even later gewoon weer terug te keren. Zonder dat iemand ook maar ergens iets van geleerd heeft.

Want, in éen aspect wordt De lotgevallen van de brave soldaat Švejk nooit een echte roman. Geen van de personages ontwikkelt zich ook maar een millimeter in het verhaal. Vooral die Švejk niet, die alles altijd al geweten heeft, en overal even begripvol op reageert.

Veranderingen in de loop van het verhaal komen vooral doordat de auteur telkens nieuwe personages introduceert, en andere stilzwijgend afvoert. Zo speelt een sterk keizergezinde officier ineens een rol in deel drie — de luitenant Dub, die in het dagelijks leven leraar op een gymnasium is, en de macht hem toegedeeld niet goed kan hanteren.

Maar het is daardoor slechts alsof Hašek vond dat hij het leger en zijn officieren nog niet als stupide genoeg had afgeschilderd.

[wordt vervolgd]

Jaroslav Hašek, De lotgevallen van de brave soldaat Švejk
in de wereldoorlog

deel iii: Een glorieus pak slaag
255 pagina’s
in:
Jaroslav Hašek, De lotgevallen van de brave soldaat Švejk
in de wereldoorlog
met een nawoord van Kees Merkcs
876 pagina’s
Pegasus, 2001
vertaling van Osudy dobrého vojáka Švejka za svetové války, zonder jaar

Kapellekensbaan ~ Louis Paul Boon

Eigenlijk had ik de wetenschappelijke uitgave van De Kapellekensbaan moeten lezen om zeker te weten dat boek te krijgen, en niets anders dan het boek. Door de jaren heen zijn namelijk nogal wat verschillende versies uitgebracht van deze roman. In sommige staan wel de directe reacties van Boon op wat er gebeurde toen hij aan het schrijven was; tijdens en na de Duitse inval. Maar die stukken werden ook weleens weggelaten. Terwijl er soms nog weer andere coupures zijn gemaakt.

Tekenend voor de roman lijkt me dat het straffeloos mogelijk zulke weglatingen te doen. Aan een boom zo vol geladen mist men éen twee pruimpjes niet.

Ik ga er desalniettemin, voor het gemak, vanuit De Kapellekensbaan redelijk op zijn merites te kunnen beoordelen omdat ik inmiddels ook Zomer te Ter-Muren las. Het directe vervolg. Het tweeluik dat voor de uitgave in mijn bezit in een band werden gepropt.

Beide boeken vertellen onder meer over het leven van Louis Paul Boon zelf. Over de keuzes die hij daarin maakte, en de redenen daarbij. Dit kan dan omdat hij weliswaar vele personages opvoert in de romans, maar een groot deel duidelijk niet meer zijn dan afsplitsingen van hemzelf. Wat hem vervolgens de mogelijkheid bood commentaar op zichzelf te geven; en zo zijn onzekerheden te verduidelijken.

Tegelijk hebben de boeken nog een duidelijk aanwezige tweede auteur — als dit zou kunnen tenminste — en dat is de armoe. Alles in de boeken wordt gekleurd door geld, en daarmee ideeën over de verdeling van geld. Vlaanderen zou de stap naar welvaart ook pas maken ruim nadat deze romans werden uitgegeven.

En het is waarschijnlijk ook dat element dat het moeilijkst invoelbaar is nu. In de weelde van de eenentwintigste eeuw. In een tijd waarin zelfs de gewone arbeiders bezittingen hebben, vakantiereizen maken, en leven als ooit niet eens de koningen het konden.

Tegelijk zullen de meeste critici wijzen op de meer uiterlijke kenmerken, die het lezen van De Kapellekensbaan in eerste instantie bemoeilijken. Zo is deze roman opgebouwd uit drie verhalen, die door elkaar heen worden verteld, in soms wel heel korte fragmenten.

Daarbij schrijft Boon een eigen taal. Zo trok hij zich betrekkelijk weinig aan van de normale regels voor interpunctie. Slechts het eerste woord van een zin kon een hoofdletter krijgen; zelfs de eigennamen moeten het verder zonder doen. Vervolgens zijn veel van die aanduidingen en eigennamen fonetisch weergegeven.

Al dat draagt eraan bij dat de roman bij eerste kennismaking een nogal impressionistische indruk maakt. Waarbij de lezer niet precies weet waarop te letten, en hoe te kijken.

Ik vond de eerste tweehonderd pagina’s van De Kapellekensbaan ook overweldigend goed. Dat het boek gezien wordt als een meesterwerk leek me toen zonneklaar. Tot het moment kwam dat ineens alle verhalen in het boek op hetzelfde tempo verteld werden, en ik die snelheid te langzaam vond om me te kunnen blijven boeien.

Goed is dus hoe Boon het levensverhaal van Ondineke, dat in de negentiende eeuw begint, in eerste instantie bijna in telegramstijl vertelt; waarbij elke zin raak is. En dat in zo’n prettig contrast stond met de haast statische inhoud van het belangrijkste andere verhaal. Waarin Boon vooral hardop nadenkt over het nut van het schrijven van romans in deze tijd. En hij vele criticasters opvoert die daar geen enkel nut in zien.

[ wordt vervolgd ]

Louis Paul Boon, De Kapellekensbaan
390 pagina’s
© 1942
in: Louis Paul Boon, De Kapellekenbaan | Zomer te Ter-Muren
931 pagina’s
De Arbeiderspers, 1979

Zomer te Ter-Muren ~ Louis Paul Boon

Heel soms, als de maan goed stond, en de wind uit de juiste hoek kwam, vond ik deze roman prachtig, ondanks alles. Helaas duurde dat gevoel altijd maar een paar pagina’s. Want dan maakte de traagheid en de herhaling me weer kriegel dat het niet opschoot met het boek.

En misschien is dat dan het verschil tussen goede boeken en meesterwerken. Een goed boek is alleen goed als de lezer zich vrijwillig aanpast aan wat de auteur heeft gepresteerd. Maar bij een meesterwerk bestaat die manoeuvreerruimte er domweg niet; zo’n boek dwingt zijn publiek tot de beste manier van lezen.

Daarom kan ik begrijpen dat Zomer te Ter-Muren voor sommige mensen het meesterwerk is van Louis Paul Boon; meer nog zelfs dan de erkende klassieker De Kapellekensbaan. Ooit was het nieuw wat Boon probeerde. Door een verhaal niet rechtstreeks te vertellen maar in een mozaïek aan impressies. Waarbij de taal ook nog zijn aanwezigheid opdrong — zelfs al had de Hollandse uitgever de ergste uitwassen gekuist in Boon’s versie van het Vlaams.

Maar ik denk dat de waardering vooral kwam omdat allereerst de nieuwheid en het experiment een beloning verdienden.

De Kapellekensbaan en het vervolg Zomer te Ter-Muren vertellen een aantal verhalen tegelijk; waarbij ik me nu tot de drie belangrijkste beperk. Er is de persoonlijke geschiedenis van Boon, die voor Rode bladen schrijft, zonder ooit een actief kaartdragend partijlid te worden, daar niet van leven kan, en daarom huisschilder wordt. Tegelijk houdt hij wel de ambitie om meer te willen schrijven.

Er is het verhaal van honderd jaar Vlaanderen, samengebald in wat het ene stadje Aalst doormaakte. En hoe daar langzaam iets in de verhoudingen verschoof door de opkomst van de arbeidersbeweging en het socialisme. Waarbij de lezer zelf de conclusie mag trekken dat het ook wel nodig was dat er iets in de verhoudingen verschoof.

En er is het levensverhaal van Ondineke, die van kind heel oud wordt in het boek. Die daarbij zo goed het belang van geld leert zien. Niets van alle socialistische idealen wil aannemen. Maar die allereerst zelf vooruit wil in de wereld. Dan toch met de schlemielige Oscar trouwt. En die ook voor haar overlevingsdrang gestraft wordt als na de Eerste Wereldoorlog alle Duitse Marken die ze zo gretig had vergaard plots niets meer waard blijken te zijn.

De romans zijn werkelijk meesterlijk als de fragmenten onderling elkaar versterken door wat ze brengen. Zoals ik al schreef, de intensiteit waarmee Ondineke’s levensverhaal verteld wordt in het eerste gedeelte van De Kapellekensbaan contrasteert prachtig met het relatief statische verhaal over Boon die een roman wil schrijven en dat plan dan anderen heeft voorgelegd.

Maar uiteindelijk zit er bijvoorbeeld nauwelijks nog verschil tussen de tempi van de verhaallijnen. Dan wordt alles me veel te lang uitgesponnen. Dan worden de 540 pagina’s van Zomer te Ter-Muren er wel ellendig veel.

Louis Paul Boon, Zomer te Ter-Muren
540 pagina’s
© 1953
in: Louis Paul Boon, De Kapellekenbaan | Zomer te Ter-Muren
931 pagina’s
De Arbeiderspers, 1979

Intuition Pumps ~ Daniel C. Dennett

Filosofen denken anders over wat denken is dan ik. Dat maakt het lezen van filosofen altijd een wat merkwaardige ervaring. Zelfs als het om een leerboek gaat in de filosofie.

En Intuition Pumps van Daniel C. Dennett is zelfs op twee manieren een leerboek.

De Amerikaanse filosoof had deze teksten allereerst bedoeld als een introductie voor zijn eigen studenten in de methoden om kritisch te denken. Vervolgens kwam er dus ook een versie voor het brede publiek.

Daarnaast biedt het boek terloops een degelijke introductie tot Dennett’s eigen kritische werk.

Nu lees ik Dennett al zeker dertig jaar — al sinds The Minds I dat hij samen schreef met Douglas Hofstadter. En ondanks dat er daarbij altijd iets schuurt tussen ons, houdt Daniel C. Dennett zich wel telkens bezig met onderwerpen die mij aanspreken. Dus bleek ik een diepere kennis te hebben van dat oeuvre dan gedacht. Waardoor Intuition Pumps me op éen niveau al wat tegenviel. Het bood mij te weinig nieuwe ideeën.

Veel van wat er nuttig is aan Dennett’s gedachten was me blijkbaar toch eigen geworden.

Goed aan hem blijft dat hij eeuwig de pretenties van de filosofie aanvalt — Daniel C. Dennett lijkt ook éen van de weinige filosofen te zijn die zijn denkbeelden af en toe bijstelt door wat harde wetenschap aan kennis heeft opgeleverd.

Meest duidelijk is die aanval in Boekdeel IX, aan het eind van het boek, als hij ingaat op de vraag hoe het is om een wijsgeer te zijn. Want Daniel C. Dennett had iets opvallends ontdekt.

Daartoe had hij aan mensen gevraagd hoe ze wilden voortleven:

(A) Je lost een belangrijk (filosofisch) probleem van jouw keuze op zo’n manier op dat er daarna niets meer over te zeggen is. (Dankzij jou kan dit onderzoeksveld worden afgesloten, en je wordt een voetnoot in de geschiedenis);

(B) Je schrijft een controversieel boek van een zo grote ingewikkeldheid dat het nog voor eeuwen op de verplichte leeslijst blijft staan.

Daarop bleek dat echte wetenschappers zonder een tel aarzeling voor optie (A) kozen. Nogal wat filosofen daarentegen kozen (B).

En het was alsof me de schellen van de ogen vielen. Nu ja, toen uit de biografie van Walter Benjamin bleek dat hij nogal geraaskald had in zijn werk, en gebluft, verbaasde dat me weer niet. Het trof me nu vooral pijnlijk dat sommige filosofen dus gewoon toegaven dat zij doelbewust voor imponeergebazel zouden kiezen.

Intuition Pumps is ook allereerst een boek tegen het holle imponeergebazel in dat vakgebied.

En daarmee is het nut voor mij uiteindelijk nogal beperkt; zelfs als leerboek. Want, zoals Willem Frederik Hermans ooit schreef:

Filosofische problemen zijn nutteloos, verwarrend, neerdrukkend en bloeduitzuigend voor wie niet van plan is zelf een filosoof te zijn, door zijn voorgangers te verkrachten of te vermoorden.

Hiermee worden de denkmethoden om de redeneerfouten en de bluf bij andere filosofen te ontkrachten ook een gereedschap met een beperkte inzetbaarheid.

En dan ben ik nog niet eens een wetenschapper, die in bovenstaand dilemma meteen voor optie (A) gekozen had. Ik ben veel meer van het ingenieurstype. Voor mij is veel interessanter dat iets werkt, en als het niet werkt om het dan werkend te krijgen, dan om in detail te willen verklaren wáarom iets werkt.

Voor waarom-vragen schiet onze kennis zo makkelijk tekort. Dennett ziet daar een uitdaging in, ik juist een reden om nogal wat waarom-vragen naast me neer te leggen; om mijn energie op andere zaken te kunnen richten.

Een groot deel van Intuition Pumps gaat bijvoorbeeld over die twee eeuwige strijdpunten voor filosofen en inmiddels ook anderen. Wat is het bewustzijn? En: hebben mensen een vrije wil? Er nog van afgezien dat de auteur daar niets anders over schrijft dan hij eerder al deed, in boeken apart gewijd aan deze vragen, interesseren deze kwesties me hoegenaamd niet.

Mijn lopende onderzoek naar ‘De geschiedenis van het ik’ leerde me bijvoorbeeld dat door de eeuwen verandert wie dat ‘ik’ is. En daarmee dus wie ‘wij’ zijn en ‘zij’; plus hoe de verhoudingen tussen al deze groepen liggen.

En groepsdruk bepaalt nu eenmaal nogal wat gedrag.

Bovendien is ons gedrag ook vrij makkelijk te ontregelen met roesmiddelen, als pillen, of drank, door ziekten als koorts, of desnoods een hersentumor.

Zeg ik daarmee dat er geen vrije wil zou zijn? Nee, ik wijs er enkel op dat er altijd voorbeelden zijn te verzinnen waarin iemand niet uit eigen wil lijkt te hebben gehandeld. Maar ook dat er tegenvoorbeelden genoeg te bedenken zijn – het ultieme voorbeeld is altijd weer zelfmoord – waaruit blijkt dat er wel degelijk zelfbeschikking lijkt te bestaan.

Vandaar dat de hele kwestie mij lauw laat. Er is niets te falsificeren aan de vraag of er een vrije wil bestaat, of niet. En daarmee wordt het hele probleem onoplosbaar.

Dennett wijst er overigens terecht op dat het strafrecht van een vrije wil uitgaat — en zulk een pragmatisme lijkt ook mij in deze zaken het meest nuttig. Er bestaat een vrije wil, tenzij die er niet is door omstandigheden. Punt. En de wetenschap moet dan de kennis maar aandragen over wanneer iemand ontoerekeningsvatbaar was, of handelde onder dwang.

Tot de filosofie horen al deze overwegingen alleen amper.

En zelfs al lijkt Daniel C. Dennett nog zo streng voor zijn vakgenoten, hij zou nog meer afstand moeten nemen tot de Wijsbegeerte om mij helemaal tevreden te kunnen stellen.

Zoals uit het leesprojectje blijkt dat ik aan Intuition Pumps wijdde, bleek de korte opsomming van denkmethoden aan het begin van het boek het nuttigst. Helaas daarom dat Dennett nauwelijks op deze technieken inging; omdat hij ze bekend veronderstelde.

  1. Maak fouten. Wie bang is om fouten te maken, komt nergens in het leven;
  2. Trek vergelijkingen door tot in hun uiterste consequenties. De kracht of zwakte van een idee blijkt doorgaans pas in de extremen;
  3. Ga in kritieken uit van de beste bedoelingen van de ander. Cabaret bedrijven door een valse voorstelling van zaken te geven, zegt nog het meest over jou;
  4. Sturgeon’s Law. 90% van alles is korstig opgedroogd sperma. Richt je op de 10% die wel de moeite van het onderzoeken waard is;
  5. Occam’s scheermes. Zoek het niet in extravagante verklaringen, als er simpeler mogelijkheden voorhanden zijn;
  6. Occam’s bezem. Veeg de feiten die in je betoog niet van pas komen niet onder het tapijt;
  7. Zoek gericht kritiek op van niveau. Je moeder en je vrienden zullen het namelijk zonder meer met je voorstelling van zaken eens zijn. Een lekenpubliek is al gauw onder de indruk;
  8. Spring eens uit het systeem. Hoe onmogelijk dat ook is. Maar herken hierdoor wat het systeem inhoudt;
  9. Bezondig je niet aan Stephen Jay Gould’s favoriete stijlfiguren. Gould had volgens Dennett de neiging om in tegenstellingen te schrijven die op de keper beschouwd geen complete tegenstellingen waren;
  10. Vanzelfsprekend is het gebruik van woorden als ‘vanzelfsprekend’ verboden. Bij anderen zijn ze gauw eens een waarschuwing dat er iets komt dat die ander waarschijnlijk niet bewijzen kon;
  11. Denk er eens over na, hebben retorische vragen nut?
  12. Leer schijnbaar diepe uitspraken herkennen, die zo vaag zijn dat ze helemaal niets zeggen.

Het gegeven dat je uit het systeem moet durven stappen om te kunnen zien wat het systeem inhoudt, is misschien ook wel de grootste waarheid in het boek. Want heel weinigen voelen zich geroepen.

En dan nog: daarop treedt zo makkelijk concisie op. Wie zegt dat iets niet deugt, omdat iedereen er altijd verkeerd naar kijkt, moet zich vervolgens altijd verdedigen. Hoe groot zijn of haar gelijk ook is.

Daniel C. Dennett, Intuition Pumps
And Other Tools for Thinking

496 pagina’s
Allen Lane, 2013

Stiller ~ Max Frisch

De roman Stiller is van grote betekenis in het oeuvre van Max Frisch [1911 — 1991]. En niet te vergeten voor zijn uitgever ook. Het boek bezorgde hem zijn doorbraak, en Suhrkamp had er zijn eerste million-seller mee.

Voortaan kon Frisch zich aan enkel het schrijven wijden.

Ik kon alleen nooit heel veel met dit boek. Reden om er nog eens een leesprojectje aan te wagen. Om te kijken of ik er langzaam lezend misschien wel iets aan had.

Alleen bleef er een afstand.

Wat daarmee de vraag opriep waarom dit was. En ik vermoed dan dat al wat me aan Stiller bevalt in latere romans door Max Frisch zelf al overtroffen is.

In de roman Homo Faber zijn de spannende avonturen in de jungle echt, bijvoorbeeld, en niet enkel verhaaltjes, verteld door een hoofdpersoon — zoals in Stiller gebeurt.

En in Mein Name sei Gantenbein zijn niet enkel de personages bezig met de vraag wat precies hun identiteit bepaalt. Nee, Frisch zelve hernam het verhaal enkele malen in het boek. Om zo te zien of het nog verschil zou maken als hij zijn personages ineens een ander beroep gaf.

En misschien is het nog simpeler, en ligt het probleem bij mij. Omdat ik Frisch’ werk leerde kende via de roman Montauk, en de beide dagboeken. En ik daarmee gewend was geraakt aan een schrijver die telkens na een korte passage al van register wisselde, en dan iets anders ging doen. Stiller is zo bezien nog een relatief klassiek geschreven boek; waarin de auteur dacht dat uitleg nodig had wat in zijn latere werk geen uitleg meer krijgen zou. Dit boek was kortom veel te dik.

Kwam daar de fout bij dat het belangrijkste personage in de roman in het gevang zit. En daarmee vrijwel niets kan. Bovendien ligt het plot van het boek daarmee al grotendeels vast, wil de hoofdpersoon een toekomst hebben. Of hij blijft opgesloten, of hij wordt vrij. Meer smaken zijn er niet. Koos Frisch er ook nog voor om zijn hoofdpersoon vrij te krijgen via een onverwacht verschijnende broer, die kalmpjes alle boetes betaald die de Zwitserse overheid heeft kunnen verzinnen. Dat is niet eens een verhaalontwikkeling. Dat is zo boeiend als een overheidsinformatiespot.

De roman begint met de zin: ‘Ich bin nicht Stiller!’ Alleen wist ik vooraf aan het lezen al beter. De hoofdpersoon is op doorreis in Zürich opgepakt, waar hij herkend werd als de beeldhouwer Anatol Ludwig Stiller; die verdacht wordt van spionage voor de Russen.

Zelf beweert hij een Amerikaan te zijn, met de naam James Larkin White. Maar bijna niemand gelooft dit.

Zeven schriften schreef de hoofdpersoon vol in deze roman, als hij zit opgesloten; om zijn aanklagers de achtergrond te schetsen van wie hij was. Waarin hij zich een volkomen onbetrouwbare verteller toont.

En dat is niet erg. Daar was zelfs enig leesplezier aan te beleven. Op de momenten namelijk dat nog onzeker is of Stiller nu White is of niet, en de man aan zijn advocaat en zijn bewaker enorme zwetsverhalen vertelt.

Punt werd wel dat de biografische feiten waar ik graag meer over had gelezen amper in het boek voorkomen. Zo zou Stiller in de Spaanse Burgeroorlog hebben meegevochten.

Ook over zijn beroep — hij is beeldhouwer — wordt vrijwel niets verteld. Behalve dan dat Stiller een licht atelier had.

Is er rond 1950 nog een vlucht van hem naar de VS, om zichzelf helemaal opnieuw uit te vinden; waarbij Stiller een zelfmoordpoging deed. En daar staat het boek al evenmin uitgebreid bij stil.

Nee, bovenal gaat het verhaal in de roman om twee relaties. Om Stiller’s huwelijk met ziekelijke ballerina Julika, en om diens affaire met Sybille; die later de vrouw blijkt te zijn van de openbare aanklager in zijn strafzaak.

En juist door deze verhaalelementen vermocht ik het verwijt te begrijpen dat zo vaak tegen Frisch is ingebracht — net als tegen zo veel mannen van zijn generatie — dat hij geen vrouwen kon beschrijven. Levende wezens werden zij namelijk niet in dit boek. Schaakstukjes waren het, waarvan zo af en toe de positie wisselde; omwille van het grotere strategische plan van de schrijver.

In die zin vond ik aan Stiller te duidelijk dat het boek zestig jaar oud is.

En daarmee vermoed ik ook dat de goede reputatie van deze roman eveneens zestig jaar oud is. En voor wie dat dan wil, blijft dit een gegeven. Herijking van sommige reputaties vindt zelden plaats.

Max Frisch, Stiller
438 pagina’s
Suhrkamp, oorspronkelijk 1954

Zen and the Art of Motorcycle Maintenance ~ Robert M. Pirsig

Herlezen is weliswaar het ware lezen. Alleen kan de tweede kennismaking met een boek knap confronterend zijn. Want, waar ligt het precies aan als een vroegere favoriet dan ineens mee- of tegenvalt?

Zo kan een boek aantonen hoe onnozel de lezer ooit was. Wat nu gold bij herlezing van de roman Zen and the Art of Motorcycle Maintenance; het cultbook uit 1974 van de Amerikaan Robert Pirsig.

Ik was domweg te dom bij eerste lezing om dit boek toen eer aan te doen. Met als excuus hoogstens dat ik ook nogal jong was. Mijn oordeel indertijd dat dit een te lang en soms verwarrend zwaar boek zou zijn, ondanks dat het wel indruk had gemaakt, zei meer over mij dan over de roman.

Aan veel van de vragen waar de schrijver zijn hoofdpersoon mee laat worstelen, was ik toen gewoon nog niet toegekomen. In detail. Uit mijzelf.

Evenmin bood de tijdgeest me op dat moment houvast. Tegenwoordig geeft ieder wijkcentrum cursussen ‘mindfulness’ — is het deze winter niet, dan komend jaar wel. Indertijd heerste er eerder een doffe algemene onverschilligheid. Zo kwam de autobenzine nog gewoon met lood erin, wat slechts alle leven beschadigde.

Mede om die eerdere leeservaring leek me een projectje van enige weken nodig om Zen and the Art of Motorcycle Maintenance door te werken. Alleen had dit waarschijnlijk niet gehoeven. Van de vier delen die het boek telt, lazen het eerste, het tweede, en het slotdeel vlot. Enkel het derde deel, dat dan ook evenveel pagina’s telt als de rest van de roman, sleepte wat aan.

Zen and the Art of Motorcycle Maintenance beschrijft twee reizen. Er is een fysieke tocht vanuit het midden van de VS naar de westkust, van een man op een motor met zijn zoon Chris van elf achterop. Op het eerste deel van die tocht rijdt nog een echtpaar mee, elk op eigen motoren.

Pirsig maakte zelf zo’n reis, in 1968. En wie wil kan die rit tegenwoordig over doen. Er staan verschillende kaartjes met de mogelijke route online.

De motor waarop de hoofdpersoon rijdt in het boek is naar hedendaagse normen nogal licht, en redelijk primitief. Dagelijks onderhoud was daarmee wel verplicht om het ding op de weg te houden.

Tegelijk blijkt uit de roman ook dat de bekering van de hoofdpersoon tot aandachtig monteur, en zijn obsessie daarover, relatief recent is. Een paar jaar eerder strandde hij nog onderweg, door zijn eigen onbenul, op een vergelijkbare reis met zijn zoon achterop.

En dat maakt de verwijten aan zijn reisgenoten wat hypocriet dat zij geen enkele belangstelling hebben voor hoe hun motor werkt. Dat ze domweg op de goede reputatie vertrouwen van het merk, BMW, waarvan de naam zou garanderen dat er geen problemen zullen optreden onderweg. Of dat ze enkel de buitenkant poetsen, en angst lijken te hebben om te sleutelen.

De tweede reis in de roman gaat daarom over de zoektocht van de hoofdpersoon naar kwaliteit.

Quality . . . you know what it is, yet you don’t know what it is. But that’s self-contradictory. But some things are better than others, that is, they have more quality. But when you try to say what the quality is, apart from the things that have it, it all goes poof! There’s nothing to talk about. But if you can’t say what Quality is, how do you know what it is, or how do you know that it even exists? If no one knows what it is, then for all practical purposes it doesn’t exist at all. But for all practical purposes it really does exist.

Alleen is dat ook een queeste die de man al eens gedaan heeft. Jaren daarvoor. In een schijnbaar eerder leven, waarvan de details vaak ontbreken. Want de hoofdpersoon werd gek van die zoektocht, is zelfs opgenomen geweest, en kreeg daarbij onvrijwillig elektroshocks toegediend waardoor hele delen van zijn geheugen gewist lijken te zijn.

De reconstructie van die eerdere zoektocht vindt vooral plaats in het derde deel van de roman, waarbij de schrijver er de halve geschiedenis van de Westerse filosofie bijhaalt om te laten zien dat het begrip kwaliteit daar in ontbreekt, en hem toch noodzakelijk lijkt.

Bij eerste lezing van het boek indertijd begreep ik waarschijnlijk niet precies waar Pirsig daar mee heen wilde. Herlezing gebeurde evenwel met een heel andere bagage, omdat ik in de tussentijd filosofie studeerde. Nu stond me er juist te veel aan uitleg in. Een boek kan dus om heel verschillende redenen als te lang aanvoelen.

Alleen durfde ik het inmiddels wel aan om de uitleggerige stukken diagonaal te lezen; niet bevreesd daarmee iets cruciaals te missen.

Anders bij het lezen nu dan toen was ook dat mijn identificatie met de hoofdpersoon groter bleek te zijn. Mede omdat elk leven met teleurstellingen komt; al heb je nog zo’n groot gelijk gehad. En ook omdat ik inmiddels zelf ontdekte wat er fijn is aan Zen en de kunst van het fietsonderhoud.

Er is bijvoorbeeld weinig meer ontspannen mentaal dan om in een uurtje van een stapeltje spaken, een velg, en een naaf, even een strak en licht nieuw fietswiel te vlechten. De daartoe benodigde handelingen vragen weliswaar alle concentratie. Alleen is het ook zo prettig om voor dat moment in die handenarbeid te verdwijnen.

Dus was het geen straf om deze roman te herlezen. Behalve dan dat ik me nu hierdoor heb opgezadeld met de plicht om ook snel kennis te nemen van het vervolg. Lila. Mede omdat er sinds het verschijnen van Zen and the Art of Motorcycle Maintenance werk is gemaakt om tot een Metafysica van kwaliteit [MOQ] te komen, en die tweede roman daar over zou gaan.

[ wordt daarom vervolgd ]

Robert M. Pirsig, Zen and the Art of Motorcycle Maintenance
An Inquiry into Values

540 pagina’s
HarperTorch 2006, oorspronkelijk 1974

Homo Deus ~ Yuval Noah Harari

Het leek zo logisch om na Sapiens meteen Harari’s vervolg te lezen. Om zijn ideeën over de geschiedenis van de mensheid tot nu toe direct al te laten contrasteren met zijn gedachten over waar het naartoe gaat met ons allen. Alleen vond ik Homo Deus vorig jaar veel te vervelend om in door te lezen.

Er bleek uiteindelijk een leesprojectje van een maand, met huiswerk, nodig om dit boek door te kunnen nemen. Ik heb daarbij elders dus al honderden woorden aan deze uitgave gewijd.

En nog duurde het even voor me daagde wat precies zo naar is aan Homo Deus.

Toen pas zag ik dat Homo Deus precies hetzelfde boek is als Sapiens, alleen dan een graad of twee abstracter — wat in elk geval de irritatie verklaarde dat ik almaar niets las wat ik nog niet wist. Beide boeken behandelen de geschiedenis van de mensheid. Alleen laat Homo Deus daarbij de meeste historische gebeurtenissen weg, en ontbreken dus ook alle bijbehorende verhalen. In plaats daarvan concentreert de auteur zich op de ideeën en processen die het doen en laten van de mensheid bepaalden.

En op zich is dat een intelligente werkmethode. Want over de toekomst is vrij weinig concreets te zeggen, terwijl over sommige patronen in wat er nu speelt wel verder valt te redeneren. Helaas had de auteur daarbij ineens aanzienlijk meer woorden nodig om iets te zeggen dan in het ook zo prettig beknopte Sapiens.

Bovendien, terwijl in Sapiens de kritische blik van de auteur zijn verhaal over de geschiedenis soms heel prettig bijkleurde, overheerste in Homo Deus Harari’s subjectieve kijk op wat er mogelijk speelt nu net te veel. En zijn cultuurkritiek week daarbij te weinig af van wat talloze anderen al eerder aan kritiek te melden hadden op wat er zoal speelt in de wereld.

Wie uit dit boek nog moet leren welke gruwelen varkens worden aangedaan in de bio-industrie moet wel in een land leven waar deze mededieren als zo onrein worden gezien dat zelfs gedachten over hun bestaan er al taboe zijn

Samenvattend bracht 90% van dit boek mij helemaal niets wat ik nog niet wist of nooit eerder over had nagedacht. Het restant van dit boeklogje gaat daarom over de 10% aan inhoud die me geen direct voorspelbare vulling leek.  [1]

Belangrijkste punten maakte de auteur daarbij voor mij meteen al in hoofdstuk 1 van het boek — waarbij tegelijk opviel dat hij pas helemaal aan het eind van het boek daar nog wat diepgang op zou aanbrengen, en dit toen toch ook weer naliet.

Eerst stelt Harari hierbij dus vast waar we begin eenentwintigste eeuw zijn aangekomen. Daar dan concluderend dat de drie grootste problemen die de mensheid in de geschiedenis teisterden inmiddels overwonnen werden. Honger is geen probleem meer, want hongersnoden ontstaan nu enkel nog door politieke willekeur, niet door misoogsten. Plagen zijn uitgeroeid dankzij de betere hygiëne en gezondheidszorg. En in een geglobaliseerde economie is oorlog iets onzinnigs geworden; niemand houdt daar ook nog rekening mee in zijn of haar toekomstplannen.

Daarop begint de schrijver te speculeren wat daarmee dan de drie grootste problemen zijn die de mensheid deze eeuw wil overwinnen.

Zijn nieuwe agenda voor de mens luidt daarop:

  • dat we het probleem van het ouder worden willen wegnemen;
  • dat we willen zorgen altijd gelukkig te zijn;
  • waarmee we derhalve onszelf tot goden willen maken; met hulp van alles wat er verder technisch nog mogelijk is.

Harari stelt daarbij wel als voorbehoud dat hij door het formuleren van deze nieuwe agenda niet ook al een tijdpad heeft opgesteld. De schrijver weet echt niet of die reboot elke tien jaar om weer een gezond lichaam te krijgen — en daarmee de onsterfelijkheid — al mogelijk is in het jaar 2100.

Vervolgens duurt het tot hoofdstuk 11 — het slothoofdstuk — tot Harari zich nog eens weer aan echte speculaties over de toekomst durft te wagen. Daarin signaleert hij dat er de tendens bestaat ineens om alles te zien als datastromen. Ook de mens. Die immers enkel bestaat uit algoritmes die slechts een impuls nodig hebben om in werking te gaan treden.

Alleen, waar komt zo’n trigger dan vandaan?

De laatste hoofdstukken in Homo Deus zijn de somberste in het boek; Harari begint die er al mee om ons het bezit van een vrije wil te ontzeggen. Vervolgens is er enkel pessimisme over technologie.

Terwijl algoritmes almaar meer betekenis krijgen in het dagelijks leven weten wij allang niet meer hoe deze werken.

Terwijl technologie telkens aan slimheid wint, wordt daarmee ook duidelijk dat veel taken wel intelligentie nodig hebben, maar dat een bewustzijn daar niet per se bij nodig is. Mensen zullen voor veel werk overbodig raken; omdat ze dat minder goed kunnen vervullen dan wat onbezielde techniek.

En dan heeft de schrijver dus weliswaar een hele hoop aan mogelijke ontwikkelingen in dit boek gestopt, ik bleef me er aan ergeren dat hij daarbij zo verrekte weinig nieuws te melden had. Zijn toekomstdenken laat allereerst actueel gemaakte angsten zien die honderd jaar geleden ook al zo bestonden onder schrijvers — zij het dat die toen misschien hun afschuw over al die miljoenen dode jonge mannen in de loopgraven op de toekomst projecteerden. Toen waren ook al die ideeën er al over Übermenschen en Untermenschen, en over het grote tijdelijke geluk dat medicatie brengen kan.

Had hij kortom meer nagedacht over de mechanismen die ons denken over de toekomst zoal bepalen, zoals alle angsten die daarbij geprojecteerd worden, dan ware mij dat zo veel liever geweest.

Want projectie speelt nogal een grote rol bij het denken over wat er komen gaat. Zelfs op het basale niveau al dat een lezer met rede hoopt dat de schrijver van een goed boek meer goede boeken heeft gemaakt. Waardoor de teleurstelling groot is als zo’n auteur op net niet helemaal goed doordacht raffelwerk kan worden betrapt. Dit boek had zoveel hechter kunnen zijn.

Was Harari bovendien erg optimistisch over de natuurrampen die de mensheid zichzelf bezig is aan te doen, door die problematiek te negeren.

Yuval Noah Harari, Homo Deus
A Brief History of Tomorrow

440 pagina’s
Harvill Secker, 2016
door de auteur vertaald uit het origineel in het Hebreeuws, 2015
  1. Maar wie had hij dán moeten herhalen, zoals Gerard Reve schreef. []

Captive Mind ~ Czesław Miłosz

Goede boeken zijn altijd rijker dan een samenvatting aan kan geven. Wie zich aan de bron gaat laven, wordt daarom doorgaans beloond. Helaas lukte het me eerder nooit om traktaat The Captive Mind van Czesław Miłosz uit te lezen. Al kende ik het boek wel degelijk van reputatie — zoals er zo veel boeken zijn waarvan je de inhoud geacht wordt te kennen, als enigszins ontwikkeld mens.

Tijdens een leesprojectje afgelopen december ontdekte ik dat mijn problemen met het lezen eerder kwamen doordat Miłosz zijn onderwerp nogal omsingelend benadert. Elk hoofdstuk lijkt hij aan een nieuw betoog te beginnen, zonder dat er daarbij een direct verband schijnt te zijn met het vorige.

En nog ware het me zwaar gevallen om het boek als vanzelf uit te lezen, als het Miłosz niet ook gelukt was om een duidelijk menselijke maat aan te brengen in zijn verhaal; over wat een totalitaire staat kan doen met de ideeën die mensen gaan verkondigen.

Kern van The Captive Mind waren voor mij de vier hoofdstukken met auteursportretten, die Miłosz wijdde aan de Poolse schrijvers Alpha, Beta, Gamma, en Delta. Mannen die hij had gekend, en die na de oorlog allemaal op hun manier gezwicht waren voor het nieuwe bewind, en hun pen daarop benutten om de onfeilbaarheid van het dialectisch materialisme te gaan verkondigen. Ook toen ze dit op een sociaal-realistische manier moesten gaan doen — de enige kunstuiting die de Sovjet-Unie toen aanvaardbaar achtte.

In de hoofdstukken daarvoor heeft Miłosz dan al uitgelegd wat het betekent als kunstenaars naar een opgelegde vorm gaan werken. Iedereen werd daar een acteur door. Onder meer. Want de kunstenaars, zoals de dichters, schreven immers niet meer poëzie voor zichzelf. Nee, die probeerden taal te vinden voor de ideeën en gevoelens van de ideale Communist. En dat is altijd een ander.

Speelde in Oost-Europa ook nog mee dat de Tweede Wereldoorlog er nogal wat meer beschadigd had dan in het Westen. Dat maakte het makkelijk om het eigen lijden als verdienste te gaan zien, dat daarmee unieke inzichten had opgeleverd, en Westerse ideeën en kunstvormen als onvolkomen en verwijfd te beschouwen.

Miłosz grootsheid toonde zich voor mij bovenal als hij na de vier schrijversportretten uitlegt de mannen niet te verwijten dat ze hebben gekozen zoals ze kozen. Die auteurs waren namelijk allereerst slachtoffers van de geschiedenis, speelbal van machten en krachten zo veel groter dan zij.

Waren de omstandigheden niet zo geweest, dan hadden ze anders gedaan.

Uit het voorwoord dat hij vijftig jaar later toevoegde aan The Captive Mind bleek evenwel dat Miłosz het met dit boek, mede daarom, voor niemand goed had kunnen doen. Tegenstanders van het Communisme vonden dat hij deze dwaalleer niet hard genoeg had aangevallen. Terwijl Communisten Czesław Miłosz bij voorbaat al onbetrouwbaar achtten, omdat deze het al in 1951 gewaagd had ‘over te lopen’ naar de plutocraten. Toen heeft hij politiek asiel aangevraagd in Parijs, en gekregen.

Voor Miłosz stond zijn poëzie boven alles. En deze ijkmeter vertelde hem dat hij zich daarin nooit zou kunnen schikken naar de eisen van het Communistische bewind. Dus vertrok hij. In de wetenschap daarmee ook zijn lezers te verliezen; naast nog zo veel meer.

In de tien jaar dat het me eerder niet lukte om The Captive Mind uit te lezen, ondanks menige poging daartoe, is de inhoud helaas aanzienlijk actueler geworden. Want ook de politiek hier werd autocratischer — en laat zijn macht dan voelen door telkenmale aperte onzin te verkondigen, zonder daarover nog te verblikken of te verblozen.

De Britse Brexit, of de VS onder Trump, tonen bovendien hoe makkelijk de massamedia meegaan in alle onzin die een regering weet uit te kramen. Omdat voor zoveel journalisten toegang hebben tot de macht nog zo ver gaat boven het beoordelen van die macht. Laat staan dat ze het als hun taak zien de democratische rechtsorde te beschermen.

Was het nut van The Captive Mind in dit opzicht voor mij wel wat beperkt; want daarvoor volg ik de politiek en de berichtgeving daarover al te lang heel kritisch. Dus houd ik twee nu wat meer geprononceerde ideeën over aan dit boek:

Menigeen wordt heel makkelijk de onoprechte acteur van andermans ideeën als zijn of haar hypotheek betaald moet blijven worden — en er is me iets beter duidelijk geworden welke mechanismen daarbij spelen;

En let toch vooral op de argumenten die gebruikt worden waarmee een groep wil laten weten uitverkoren te zijn. De motivatie doorgaans binnen Fort Europa om vluchtelingen van buiten te weren, is zo bezien vaak zeldzaam arrogant.

Czesław Miłosz, The Captive Mind
251 pagina’s
Penguin Books 2001, oorspronkelijk 1953
vertaald uit het Pools door Jane Zielonko

Wapshot Scandal ~ John Cheever

Alles had ik van John Cheever gelezen, tot en met de brieven en het dagboek vol zelfverwijt aan toe. Op de eerste twee van zijn romans na. De boeken over leden van de familie Wapshot.

Het lukte me nooit om verder in The Wapshot Chronicle te komen dan de eerste paar hoofdstukken.

Omdat anderen de Wapshot-boeken wel waarderen, en ze zelfs heel grappig vinden, kwam er nog een reden bij om de ongelezen romans weer eens te proberen. Desnoods via een leesprojectje.

Ik begon daarbij in The Wapshot Scandal, het slotdeel van de twee — nog weer een keer The Wapshot Chronicle oppakken, lokte niet aan. Om daarmee een roman te lezen van iemand die het nog niet had afgeleerd dat hij allereerst een schrijver was van korte verhalen.

Vreemd boek was dit daarom.

Want weliswaar worden de wederwaardigheden gevolgd van drie leden van de familie Wapshot, onderlinge interactie tussen hen is er in het hele boek nauwelijks, op de allerlaatste hoofdstukken na dan. Van de broertjes Wapshot komt Moses Wapshot zelfs amper voor in de roman. Omstandigheden buiten hem om maken dat hij afglijdt in de totale onverschilligheid van een alcoholverslaving.

Interessantste verhaallijn vond ik die over broer Coverley Wapshot, omdat hij op een geheime basis woont, waar ze raketten testen. Mede omdat John Cheever in dat verhaal nog wat waanzin uit de Koude Oorlog kon inbrengen die niet meteen voor de hand lag; aldus een niet onaardige parodie op het McCarthyisme schetsend, met veel gedoe om ‘security clearances’.

Vroeg ik me na afloop van het boek wel af wat precies het schandaal zou zijn waar de titel van de roman naar verwijst.

Werd met de titel de neergang van het hele zo trotse geslacht Wapshot bedoeld?

Was het schandaal dat de rijke douairière nicht Honora nooit enige inkomstenbelasting had betaald, en dat ze daarop vluchtte in plaats haar zaakjes te regelen?

Honora’s verdwijning maakte ook dat het trustfonds dat ze had ingesteld voor de beide broers niets meer uitkeerde; voor Moses al éen reden om zich tot de alcohol te wenden. Daarnaast vond zijn vrouw Melissa de passie in haar leven terug met een minderjarige bezorger van de supermarkt. Wat daarmee ook een probleem opleverde voor een echtgenoot.

Cheever nam nogal wat ruimte om Melissa’s liefdesleven te beschrijven, en helaas interesseerde mij dat gegeven in het geheel niet.

Ik vond misschien daardoor de hele roman wat raar onevenwichtig. Tempo volop, wat dan nog wel scheelde bij het lezen. En ook was er wel een scène hier en daar die me plezier gaf.

Over Cheever’s taal viel verder al evenmin te klagen.

Alleen had ik de hele tijd het idee dat de schrijver het zelf ook altijd niet zo goed had geweten. En dat Cheever daarom nogal eens opteerde voor het knaleffect ineens om even een onverwacht wending aan de lopende geschiedenis te geven. Zoals Raymond Chandler ooit als schrijfadvies gaf: als je vast zit met een verhaal, laat dan een vent met een getrokken revolver binnenkomen.

Merkwaardig aan Cheever’s vele knaleffecten was alleen dat geen ervan er toe deed voor de rest van het boek.

Dus is enerzijds best te begrijpen dat enthousiaste lezers, zoals Dave Eggers in het voorwoord van deze uitgave, John Cheever loven om de vindingsrijkheid telkens weer totaal nieuwe situaties te verzinnen voor zijn personages. Mijn probleem met deze roman bleef alleen dat de personages nooit echt ingevuld werden, waardoor hun lot me vrij onverschillig liet. De hand van de schrijver bleef me bovendien te duidelijk zichtbaar; juist door alle kunstgrepen in de verhaallijnen.

Al laat deze roman toch ook wel zien dat Cheever plezier moet hebben gehad in het verzinnen wat een personage nu weer voor een onmogelijk probleem op te lossen had.

John Cheever, The Wapshot Scandal
312 pagina’s
Vintage 2003, oorspronkelijk 1964

Welt von Gestern ~ Stefan Zweig

Toen ik Die Welt von Gestern uit had, na een leesprojectje met huiswerk van een maand, volstond dat nog niet. Er was daarop kennis nodig van buiten, om beter te kunnen plaatsen wat me nu precies onder ogen was gekomen.

Stefan Zweig schreef deze autobiografie in ballingschap, waarbij hij geen toegang had tot aantekeningen van vroeger, of andere informatie, waardoor de schrijver enkel op zijn geheugen kon vertrouwen.

En dit kan dan verklaren waarom Zweig, net als Canetti later ook deed, zo irritant veel ruimte in dit boek besteedde aan zijn ontmoetingen met grote mannen; zonder daarover dan ooit iets bijzonders op te merken. Er worden nogal wat beroemde namen gedropt in dit boek. Zweig verborg ook niet heel zijn leven handtekeningen te hebben verzameld, en later zelfs manuscripten van anderen. Al die ontmoetingen met grote mannen zullen zich misschien daarom dus onwisbaar in zijn herinnering hebben vastgezet.

Over zijn naasten staat er evenwel niets in het boek. Hoogstens valt in de hoofdstukken over de tijd na de Eerste Wereldoorlog op dat Zweig het telkens over ‘we’ heeft, en niet meer over ‘ik’. Wie deze ‘we’ zijn, mag de lezer vervolgens zelf uitzoeken. Om daarbij bijvoorbeeld te ontdekken dat er zelfs twee huwelijken zijn geweest. Hij verliet zijn eerste vrouw voor zijn assistente — met wie hij later in Brazilië in februari 1942 gezamenlijk zelfmoord pleegde. Wat dan ook nog een balanszelfmoord was, omdat Zweig zeker wist dat het nooit meer goed zou komen met de mensheid.

De slag om Stalingrad, die gauw eens als het keerpunt wordt gezien in de Tweede Wereldoorlog, werd ook pas een jaar later door de Sovjetrussen gewonnen.

Dus is wel te begrijpen dat Zweig zal hebben gevreesd zijn naasten in gevaar te brengen door ook over hun wederwaardigheden te schrijven in zijn autobiografie.

Die Welt von Gestern is het interessantst om het panorama dat het boek biedt van de jaren die Stefan Zweig leefde [1881 — 1942]. Omdat de contrasten daarin zo extreem zijn. Zweig maakte nog bewust de lange vrede mee van voor de Eerste Wereldoorlog, waarop hem het enthousiasme verbijsterde waarmee zijn landgenoten de Grote Wereldbrand binnen marcheerden. Was er de enorme chaos daarna, omdat Oostenrijk werkelijk alles verloren had. Tijdens de relatieve rust daarop waren de opkomst van het Fascisme en het Nazisme voor de schrijver al vroeg zichtbaar, en daarmee werd volgens hem voorspelbaar dat een virulent antisemitisme normaal zou worden, zoals er wel meer was dat de Tweede Wereldoorlog onvermijdelijk maakte.

Het boek eindigt als Duitsland Polen is binnengevallen in 1939, en Het Verenigd Koninkrijk in reactie even later aan Duitsland de oorlog verklaart.

Tijdens zijn leven was Zweig de jongste zoon uit een gegoed Joods gezin, die volop gelegenheid had de wereld te ontdekken, zonder dat daarbij zoiets onnodigs als een paspoort nodig was. Hij werd in de oorlog uiteindelijk soldaat in het Keizerlijke-en-koninklijke leger van het Habsburgse rijk Oostenrijk-Hongarije — en kwam daarmee aan de foute kant te staan van de geschiedenis — zij het in een kalme positie bij een archiefdienst, en mocht daarbij toch ook als gewoon burger in 1917 uitwijken naar Zwitserland om daar de oeropvoering bij te wonen van een van zijn toneelstukken.

In 1917 kocht hij onroerend goed in Salzburg, wat hij zelf in zijn autobiografie een huis noemt, en dat toch een heel slot blijkt te zijn.

Zweig was dan ook zeer populair. Eén van de meest gelezen auteurs uit de eerste helft van de twintigste eeuw, zowel in het Duits als in vertalingen. Zelfs de Fransen waren gek met hem. En hij moest dus ook tijdens zijn leven nog meemaken dat zijn werk totaal in ongenade viel bij zijn meest vanzelfsprekende lezerspubliek. Niet eens vanwege de kwaliteit, enkel omdat de schrijver Joods was.

Alleen volgden er niet slechts het verlies van publicatiemogelijkheden in de eigen taal, na de Anschluß werd hem ook zijn Oostenrijkse nationaliteit afgenomen. Zelfs zijn doctors-titel is hem afgepakt, en postuum pas in 2003 nog eens teruggegeven door de universiteit van Wenen.

Ondanks al zijn roem en geld was Stefan Zweig eind jaren dertig daarmee niet meer dan een balling in Engeland, met een staatlozenpaspoort, en daarmee de totale afhankelijkheid van wat de Britse autoriteiten goeddunkten. Grote kans dat ze hem zouden interneren als het opnieuw oorlog zou worden, omdat hij door hen nog altijd wel als Oostenrijker werd gezien, en daarmee dus een vijand was.

Die Welt von Gestern is daarmee het boek van een man die ongeacht de eigen kwaliteiten zijns ondanks een speelbal werd van de geschiedenis.

Deze autobiografie irriteerde me opvallend genoeg met regelmaat. De kwaliteit van het gebodene wisselde te veel. En ik vermoed dat ik Stefan Zweig gewoon een ijdele kwast bleef vinden. Zelfs als hij het grootste gelijk van de wereld had, in zijn pacifisme bijvoorbeeld; en daarmee zijn totale onbegrip voor het enthousiasme bij al die anderen om oorlog te willen.

Zo kon Zweig er weliswaar niet in zijn beschrijvingen omheen dat de Socialisten als enige nog weleens met enig succes tegen kwalijke ontwikkelingen wisten te protesteren. Alleen is het dan toch of hij het over een andere menssoort heeft, waar hij verder niets vanaf wist. Hij stamde dan ook uit een tijd dat studenten aan de universiteit nog leden van een gilde werden, met een eigen rechtspraak. Zijn vanzelfsprekendheden waren lang altijd de onze niet.

Kan hij met dit boek nog zo zijn best gedaan hebben om uit te leggen wat ooit normaal was voor de Eerste Wereldbrand, en wat er daarop zoal veranderde.

Stefan Zweig, Die Welt von Gestern
Erinnerungen eines Europäers

506 pagina’s
Fischer 2014, oorspronkelijk 1942

Mens in opstand ~ Albert Camus

Boeken hebben gauw eens een tijd en een plaats. Juist dan zijn ze op hun best. Voor even. En zo’n zelfde mechanisme is er ook voor het lezen van boeken. Titels genoeg die je op de juiste leeftijd moet lezen om ze helemaal mee te krijgen.

Ik kan me alleen geen moment in mijn leven verzinnen waarop Camus’ L’homme révolté wél indruk zou hebben gemaakt. Dit boek bleek een verplicht nummer op te leveren, enkel om ooit te kunnen zeggen dat ik de hele Albert Camus gelezen heb, waar dan ook een leesprojectje voor nodig was om er überhaupt doorheen te komen.

Dit boek, uit 1951, was niet onbevangen te bekijken. De afstand in tijd was onoverbrugbaar. Het verschil in mentaliteit tussen lezer en auteur te groot.

Albert Camus had nog demonen te bekampen die niet noodzakelijkerwijs de onze meer zijn.

Uiteindelijk raakt hij in zijn boek aan het aloude filosofische probleem of de vrije wil kan bestaan, en op welke manieren dan, of juist helemaal niet, en dat is al geen kwestie die mij vreselijk boeit; omdat deze vraag zo zeer in antieke religie wortelt.

In dit geval speelde er ook nog het toen algemeen levende idee dat de geschiedenis een doel heeft en een richting — oftewel teleologisch is, zoals filosofen dat dan noemen in hun dieventaaltje.

Zo is predestinatie een fundamenteel element van het christelijke geloof; als daar zelfs al geen dubbele predestinatie speelt, omdat de God van de calvinisten al voor iemands geboorte bepaald heeft wat of het wordt met dat kind; tot en met de beslissing over hoe de ziel daarvan eeuwig voort leven zal na de dood.

Maar ook het historisch materialisme, gebaseerd op het werk van Marx, ging er vanuit dat de geschiedenis zich op éen manier ontwikkelt; wat dan die ene uiteenkomst zou opleveren. Al leverde de precieze uitleg van hoe dan, nog weer stammenstrijden op onder de gelovigen; zoals tussen de Bolsjewieken en de Mensjewieken. De ene groep vond alles geoorloofd om dat hogere doel te bereiken, de andere schuwde geweld.

Camus bekeek de opstandige mens via drie invalshoeken. Veel aandacht besteedt hij aan wat een vrij willekeurige reeks schrijvers deden in hun werk; al hoorde de nihilist Nietzsche zeker in dat rijtje thuis. En vervolgens nam hij wat recente geschiedenis door; zij het dat die gewogen werd met de blik van een filosoof; waarmee dus ideeën over de werkelijkheid werden geprojecteerd.

Zo begint Camus het lange hoofdstuk ‘De historische opstand’ bij de Franse Revolutie — die oer-revolutie voor wie de Tachtigjarige oorlog even negeert — en het gegeven dat koningen altijd zo zeker wisten dat ze koning waren bij de gratie Gods. Een idee dat hun onderdanen lang kritiekloos aanvaard zullen hebben. Tot dat dus niet meer ging, en deze ordening doorbroken werd.

Hegel’s dialectiek, als inspiratiebron voor Marx, kwam vervolgens uitgebreid langs. Net als de ideeën van Marx zelf, en de verschillen in uitleg daarvan weer later.

En het duurde lang voor me duidelijk werd wát Camus zelf precies aan te merken had gehad op het Communisme als overtuiging. Dit was dan toch dat hij wél consequenties wilde hechten aan het uitgangspunt van die leer dat de geschiedenis een einduitkomst heeft.

Wie dat oprecht geloofde, accepteerde hem te makkelijk alle collaterale schade onderweg naar het hogere einddoel. Die negeerden, volgens Camus, te snel alle miljoenen doden die ondertussen zouden kunnen vallen; en vanzelfsprekend ook zijn gevallen. Omdat voor hen geweld bij de revolutie daarmee vanzelf sprak; het einddoel heiligt nu eenmaal dan alle middelen; ongeacht de gevolgen.

En, de gehoorzaamheid die de leer eiste, zoals dat geloof in dat hogere einddoel, was hem ook een gruwel. Mede omdat de kunstenaar immers alles moest kunnen denken — en dus was in zulke passages al vaag te beluisteren waar Czesław Miłosz tezelfdertijd in Parijs nog zo veel krachtiger tegen zou protesteren in The Captive Mind.

Probleem was daarmee onder meer dat de probleemstelling van dit boek me te weinig zei — Camus’ gewetensbezwaren zijn de mijne nooit geweest. En ook bleek tijdens het lezen dat ik eigenlijk vooral vergeten kennis van colleges vroeger aan het ophalen was, over inmiddels niet zo heel actuele discussies meer. En daardoor speelde dat zulke inzichten met recht en reden al half uit mijn geheugen waren verdwenen, vanwege te dor academisch.

Dus blijft er enkel het literair-historische gegeven over, dat Camus met dit boek de sympathie verloor van Jean-Paul Sartre en andere fanatieke communisten. Al speelde daar zeker ook bij mee dat Albert Camus al niet was als zij, afkomstig uit een Parijse elite. Camus was een pied-noir uit de kolonie Algerije — en daarmee toch al van een minder slag.

Dus blijft staan dat de filosofie van Camus beter te genieten is in zijn romans.

Albert Camus, De mens in opstand
242 pagina’s
Balans, 1989
vertaling door J.A. Meijers van L’homme révolté, 1951

Homo ludens ~ J. Huizinga

Het beste is, zo heb ik ondertussen geleerd, om vooraf aan het lezen van een klassiek boek geen verwachtingen te hebben over de inhoud. Wat ooit uniek was aan zo’n tekst zal gauw eens zijn overgenomen door navolgers, die daarmee onzichtbaar hebben gemaakt wat de eigenlijke kwaliteit was van het werk. Daarentegen zal doorgaans snel duidelijk zijn waarin zo’n boek is achtergebleven in de tijd.

Alleen was wel nuttig geweest als ik van Homo ludens had geweten dat het uiteindelijk een cultuurkritiek is. Dat de historicus Johan Huizinga heel zijn boek gebruikte om te wijzen op welke rijkdom het spel de cultuur heeft gebracht, om daarop te kunnen klagen dat het spelelement inmiddels nogal schrijnend ontbreekt overal. Impliciet stelt hij dat verkalking lijkt te zijn opgetreden in alles. Bewegingsvrijheid ontbreekt.

Al ontstond dat probleem al in de negentiende eeuw, volgens Huizinga, door de opkomst van de massabewegingen met een politieke kleur.

En in een boek uit 1938 hoefde de auteur zijn publiek waarschijnlijk ook niet met nadruk te waarschuwen tot welk een geestelijk klimaat een massabeweging kan leiden, in al zijn onbarmhartige ernst en bijbehorende dogma’s.

In de weken die ik uittrok om dit boek te lezen, viel het me moeilijk om te begrijpen waar de schrijver heen wilde met zijn betoog, voor eindelijk diens kritiek in de laatste twee hoofdstukken geuit werd. Huizinga had zich tot dan toe toch allereerst een soort vlindervanger getoond, die telkens blij van weer een nieuw onderwerp in zijn netje liet zien welke invloed het spel daarop had gehad ooit.

Wetenschap bedrijven zonder bewijs, noem ik dat. Want honderden schijnbare bewijsjes tonen voor een geponeerde stelling toont niet meer aan dan dat de onderzoeker heel graag wil dat wat hij beschrijft waar is. Meer niet. Kan de schrijver nog zo erudiet zijn, en zoveel talen kennen.

Vrijwel heel het boek vermoedde ik daarom dat Huizinga zich had laten verblinden door de kracht van een metafoor. Want voor wie eenmaal een hamer heeft, wordt alles een spijker. Terwijl wie dat wil, toch bijvoorbeeld ook in alle sociale contact op een dag toneelstukjes kan zien waarin we voor even slechts éen bepaalde rol hebben; om slechts éen voorbeeld te geven van waarom ik niet geloof dat het spelelement in de cultuur per se verdwenen zou zijn.

Ofwel, ik meende dat Johan Huizinga een krachtige nieuwe manier had gevonden om van alles mee te kunnen verklaren waar eerder nooit een goede verklaring voor had bestaan. Zoals bijvoorbeeld ook de socioloog Norbert Elias in dezelfde periode deed, in diens Über den Prozeß der Zivilisation.

Beiden hadden opgemerkt dat er iets opvallends was aan de regels die er waren in de samenleving waarin ze leefden. Lang niet al deze regels stonden ergens opgeschreven. En evenmin hield iedereen zich altijd en overal aan zulke afspraken.

Voor Huizinga woog daarbij onder meer mee dat een spel tijdens het spelen de ernstigste zaak denkbaar kan zijn, maar ook dat er een einde kan komen aan een spel; waarop er dadelijk een grote afstand mogelijk wordt tot wat er geschied is.

Huizinga zag trouwens zelf ook, in éen van de slothoofdstukken, dat hij met zijn ideeën over het spel een wel zo sterke metafoor gevonden had, die zo makkelijk over alles te projecteren was, dat de werkelijkheid daar geheel onder kon verdwijnen. Deze constatering van de schrijver kwam alleen wat laat. Elke lezer had dezelfde conclusie al zo veel eerder kunnen trekken.

Johan Huizinga, Homo ludens
Proeve ener bepaling van het spelelement der cultuur

288 pagina’s
Pandora pockets 1997, oorspronkelijk 1938

Ruim duizend dagen werk ~ Koos van Zomeren

Boek van het jaar 2018 is waarschijnlijk nu al bekend, voor mij. Dat kan niets anders zijn dan de bundel Ruim duizend dagen werk van Koos van Zomeren, waarin integraal alle columns werden opgenomen die hij medio jaren negentig schreef voor de voorpagina van NRC Handelsblad.

Tegelijk moet ik meteen toegeven dat de vier bloemlezingen die indertijd verschenen uit deze columnreeks elk voor zich betere boeken zijn dan deze dikke pil. Selectie toepassen, maakte het soortelijk gewicht hoger van de bundels Zomer, Winter, Het eeuwige leven, en Wat wil de koe.

Wat Ruim duizend dagen werk namelijk ook deed, was om de onmacht van de schrijver te tonen. Zo heeft deze een putdiepe hekel aan de zomer. In die meer selectieve bundels viel ook op dat er wel eens hele weken aan columns ontbreken. Toevallig allemaal uit de zomermaanden. Ik meende indertijd nog dat Van Zomeren dan een zomerstop had gehad. Alleen bleek het weer dus werkelijk invloed te hebben gehad op zijn schrijven; de schrijver vond zelf dat hij dan zijn normale kwaliteit niet haalde.

Deze integrale bundel liet namelijk zien dat hij geen dag gemist heeft, in de periode van 21 maart 1993 tot en met 22 juni 1995 — op de zon- en feestdagen na, als er geen krant verscheen. En daarmee had ik ruim zes weken lang het voorrecht om iedere dag een maand aan redelijk tijdloos gebleven tekstjes te lezen van toen.

Mijn enthousiasme geldt dan ook vooral de ervaring die dit bracht; om de wetenschap bijna iedere dag dat er iets op mij wachtte om gelezen te worden met kwaliteit. Gek is dat. Om zoveel gelezen te hebben, en zoveel schrijvers te kennen, en dan toch zo zelden boeken te hebben liggen waarop ik me echt verheugen kan om er in verder te mogen.

Koos van Zomeren wist zo af en toe die minieme ruimte van 250 à 270 woorden per column op een perfecte manier te vullen.

Opvallend in deze integrale bundel was alleen ook dat hij, waarschijnlijk onbedoeld, nogal wat over zichzelf vertelde; zonder het daarbij dan over zichzelf te hoeven hebben.

Van Zomeren woonde indertijd nog in Woerden. Dat is een stad die zich weliswaar aanprijst als centrum van het Groene Hart, alleen ligt dat centrum wel in de Randstad; dat overvolle mensenpakhuis tussen de snelwegen in Holland in, waar het steevast stinkt; en er altijd menselijke activiteit merkbaar is; zo daar geen overlast aan beleefd wordt.

Zelfs de logische opeenvolging van de seizoenen, die dit boek zo fraai illustreert, heeft mede daarom vervelende kantjes. Van Zomeren kan nog zo blij verheugd in de lente de terugkeer van de grutto’s begroeten op de wandelingen thuis met zijn hond. Hij weet ook dat de gruttokindjes, net uit het ei, over een paar weken gruwelijk gehakseld gaan worden door boeren die hun eerste snee gras willen maaien.

De schrijver was net 46 toen hij met zijn columnreeks begon, en op dat moment een relatief beginnende natuurliefhebber. Nooit had hij getaald naar wat er buiten te zien was, tot er een hond kwam, en dat beest elke dag moest worden uitgelaten, ongeacht het weer. Sindsdien vergingen vijftien jaar, en in die spanne tijds veranderde er langzaam en zeker van alles, en nam hij dat ineens waar. En daar is hij dan fel over, met het fanatisme nog steeds van de nieuwe bekeerling.

De grutto’s, waar zijn ze gebleven?

Deels kwam die verandering dus door de schaalvergroting in de landbouw, en andere ingrepen van de mens.

Nederland is een geheel door mensen bedacht land, waar zelfs over elke vierkante meter ‘vrije natuur’ besluiten zijn genomen. Dus levert de wijsheid dat veeteelt daarbij ook nogal bepalend moet zijn geweest een wat eigenaardige sensatie op.

Want het lijkt zo aardig, het idee dat land zo goed mogelijk de koe van dienst zou moeten zijn — zoals Van Zomeren uiteindelijk concludeerde. En tegelijk begint op dat niveau toch ook de fnuikende invloed van het kapitalisme; dat de aarde allereerst onze winstmaximalisatie ten dienste hoort te staan.

Zelfs al kwamen de uitwassen er dan misschien in Nederland pas echt met de massale ruilverkaveling, de bijbehorende herinrichting van het landschap, het kappen van talloos veel boomwallen, de structurele verlaging van het grondwaterpeil, en het invoeren van de monocultuur van het Engelse raaigras.

Niettemin blijft opvallend aan die ruim duizend columns dat Koos van Zomeren er telkens op uit gaat, op zoek naar natuur die er nog wel is; vaak aan de hand van een lokale expert.

En misschien is de grote kwaliteit van deze tekstjes dus wel altijd geweest dat de taal iets aan beweging had vast te leggen. Waardoor er toch spanning was in wat heel goed tegelijk de beschrijving kan zijn geweest van een verstild moment. Stilte wordt pas echt invoelbaar als het rumoer erom heen ook is benoemd.

In het voorjaar van 1994 begon Koos van Zomeren aan een serie columns over de koe, die tot het eind doorliep, en dus ook tot een heel boek zouden leiden. En juist deze reeks teksten bleek ik bijzonder goed onthouden te hebben. Waarop een vraag werd waarom dit zou zijn.

Was het omdat er nu eens een serie lag met éen helder onderwerp? Had hij eindelijk de ideale invalshoek gevonden om over onze idiote omgang te schrijven met de natuur? Want zo’n koe is vanzelfsprekend een door-en-door gemanipuleerd beest. Telkens doorgefokt op eigenschappen die het nuttigst waren voor de mens.

Tegelijk waren ook zijn lezers nog niet eerder zo door een onderwerp geraakt. Hij ontving er talloos veel brieven over.

Enerzijds leverde zo’n brief weleens stof op voor een column. Dankuwel. Anderzijds raakte Van Zomeren er toch ook wat verveeld mee dat hij inmiddels getypecast leek te worden door zijn tekstjes.

De mensen beginnen mij aardig te vinden. Ik bedoel mensen die me niet kennen maar zo nu en dan een stukje van me lezen, en ja, dat zijn nu eenmaal aardige stukjes; huisje, boompje, beestje en in het ergste geval een wolk erboven, daar zul je je niet gauw een buil aan vallen; en ja, het is ook zo, iemand met zo’n fijn gevoel voor een vogeltje in zijn hand kan niet slecht zijn, niet echt.
[…]

De tol

En het laatste halfjaar van de reeks volgen er ook weleens venijnige columns over zijn keuze om vooral over de natuur te schrijven. Ineens moest Van Zomeren nog even bewijzen dat het niet uit onmacht was dat hij het zo vaak over vogels had. Uit zijn tijd als politiek journalist waren er echt wel verhalen te vertellen die misschien meer indruk zouden maken.

Dus is mijn conclusie nu, anders dan na de losse bundels, dat het wellicht goed was dat er een einde kwam aan de reeks, na ruim duizend dagen. Daar waar ik eerder altijd had gevonden dat de auteur nog jaren door had moeten gaan, en het betreurd heb dat hij stopte.

Koos van Zomeren, Ruim duizend dagen werk
1028 pagina’s
De Arbeiderspers, 2000